CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel Herziening Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2021

Raadsvergadering 16 maart 2021, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Herziening Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs gemeente Eindhoven 202123.465 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om toestemming als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 106, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 76s, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voordat een huurovereenkomst wordt gesloten. 2. Het verzoek bevat een aanduiding van de mogelijke huurder, de bestemming en het beoogde gebruik van de te verhuren ruimte. 3. De beoordeling of, dan wel onder welke voorwaarden het college medewerking wil verlenen aan een dergelijk verzoek, komt uitsluitend toe aan het college. Het college beslist binnen 4 weken nadat het volledige verzoek is ontvangen. 4. De toestemming tot verhuur over te gaan zoals bedoeld in lid 1 van onderhavig artikel wordt geacht bij voorbaat te zijn gegeven in gevallen waarin er sprake is van incidentele verhuur. Onder incidentele verhuur wordt in dit lid verstaan verhuur met een duur van ten hoogste 1 kalenderdag én (cumulatief) welke geen dagelijks, wekelijks of maandelijks repeterend karakter heeft.

27

Inboeknummer 21bst00066

Hoofdstuk 7. Einde gebruik gebouwen en terreinen Artikel 35. Staat van onderhoud 1. Een bevoegd gezag dat overweegt het gebruik van een gebouw of terrein te beëindigen, treedt in overleg met het college. 2. Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein. 3. Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig onderhoud wordt voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt een staat van onderhoud opgemaakt. 4. De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag opgemaakt in opdracht van het college. 5. Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd gezag. 6. Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van achterstallig onderhoud wordt in het overleg vastgesteld welk deel hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het bevoegd gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de werkzaamheden, of dat het bevoegd gezag een in overleg vast te stellen bedrag aan het college betaalt. Als geen overeenstemming wordt bereikt, is er sprake van een geschil. Het college en het bevoegd gezag treden hierop in overleg met elkaar om te bezien of een oplossing voor dit geschil kan worden gevonden. 7.

Indien binnen drie maanden na vaststelling van het geschil door het college en het bevoegd gezag geen oplossing is gevonden, staat het het college en het bevoegd gezag vrij het geschil voor te leggen aan de bevoegde burgerlijke rechter te Eindhoven. 8. Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als dit naar het oordeel van het college niet nodig is.

28

Inboeknummer 21bst00066

Hoofdstuk 8. Gebruik lokaal bewegingsonderwijs Artikel 36. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit, inroosteren en gebruik 1. Een bevoegd gezag van een school voor (speciaal) basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks voor 1 januari voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave van de voor dat schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een lokaal bewegingsonderwijs. Deze opgave bevat de volgende gegevens: a. de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in een aantal klokuren. De grondslag voor het berekenen van het aantal klokuren is het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan het indienen van de opgave op de school staat ingeschreven; b. de aanduiding van het lokaal (of de lokalen) bewegingsonderwijs waarin het gebruik wordt gewenst; c. de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een schoolweek wordt gewenst. 2. Het college stelt jaarlijks voor 1 februari voorafgaande aan het daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door scholen voor (speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs van de op het grondgebied van de gemeente gelegen lokalen bewegingsonderwijs.

Hiertoe wordt het gewenste onderwijsgebruik getoetst aan de Beleidsregel bekostiging lokalen bewegingsonderwijs Gemeente Eindhoven 2021 en vervolgens afgezet tegen de beschikbare capaciteit van de lokalen bewegingsonderwijs. Daarbij wordt uitgegaan van een capaciteit van 26 klokuren per week per lokaal bewegingsonderwijs. 3. Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot inroostering het volgende in acht: a. de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik van een lokaal bewegingsonderwijs, bedoeld in bijlage I, deel B; b. een school waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van het lokaal bewegingsonderwijs wordt voor de school als eerste ingeroosterd voor het lokaal bewegingsonderwijs, en, c. het bewegingsonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk ingeroosterd in één lokaal bewegingsonderwijs. 4. Het college stelt het bevoegd gezag, nadat het rooster voorlopig is vastgesteld, voor 15 februari in kennis van het rooster. Hierbij worden per school de volgende gegevens vermeld: a. het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd; b. het lokaal bewegingsonderwijs dat voor het bewegingsonderwijs is toegewezen, en, c. de lestijden gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt. 5. De bevoegde gezagsorganen kunnen tot 10 maart reageren op het voorstel. 6.

Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan het college een overleg over het voorstel plannen. Dit overleg vindt plaats voor 10 maart. In het overleg kunnen de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen reageren op het voorstel.

29

Inboeknummer 21bst00066

7.

Het college stelt het rooster voor 1 mei definitief vast en houdt hierbij rekening met de reacties van de bevoegde gezagsorganen. Binnen twee weken na vaststelling van het rooster ontvangen de betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van het college over de inroostering voor het volgende schooljaar in de beschikbare lokalen bewegingsonderwijs van de onder hun bevoegd gezag staande school of scholen. 8. Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in te roosteren dan het aantal klokuren dat door het college is vastgesteld. 9. Het college neemt een verzoek als bedoeld in het vorige lid uitsluitend in behandeling als daarvoor nog capaciteit beschikbaar is. Het aantal klokuren dat door het college extra wordt ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag van de school. 10. Ten aanzien van eventuele vergoeding geldt het bepaalde in de Beleidsregel bekostiging lokalen bewegingsonderwijs Gemeente Eindhoven 2021 en de daarbij behorende bijlagen. Artikel 37. Medegebruik of huur lokaal bewegingsonderwijs voortgezet onderwijs 1.

Het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs, dat op basis van bijlage III niet beschikt over voldoende capaciteit voor lokalen bewegingsonderwijs, verstrekt jaarlijks voor 1 april voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave van het voor dat schooljaar voor de school gewenste gebruik van een lokaal bewegingsonderwijs. Deze opgave bevat de in artikel 36, eerste lid, genoemde gegevens. 2. Het college stelt jaarlijks voor 20 april voorafgaande aan het daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door de in het eerste lid bedoelde scholen, van de op het grondgebied van de gemeente gelegen lokalen bewegingsonderwijs. Daarbij wordt uitgegaan van een capaciteit van 40 lesuren per week per lokaal bewegingsonderwijs. 3. Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot inroostering de in artikel 36, derde lid, genoemde criteria in acht. 4. Het college stelt het bevoegd gezag, nadat het rooster voorlopig is vastgesteld, voor 1 mei in kennis van het rooster. Hierbij worden per school de in artikel 36, vierde lid, bedoelde gegevens vermeld. 5. De bevoegde gezagsorganen kunnen tot 15 mei reageren op het voorstel. 6. Het college stelt het rooster voor 1 juni definitief vast en houdt hierbij rekening met de reacties van de bevoegde gezagsorganen.

Binnen twee weken na vaststelling van het rooster ontvangen de betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van het college over de inroostering voor het volgende schooljaar in de beschikbare lokalen bewegingsonderwijs van de onder hun bevoegd gezag staande school of scholen. 7. Artikel 36, achtste, negende en tiende lid, zijn van overeenkomstige toepassing op dit artikel.

30

Inboeknummer 21bst00066

Hoofdstuk 9. overgang- en Slotbepalingen Artikel 38. Beslissing in gevallen waarin de Verordening niet voorziet In gevallen die de uitvoering van deze Verordening betreffen en waarin deze Verordening niet voorziet beslist het college. Artikel 39. Indexering 1. Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze Verordening gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in bijlage IV opgenomen systematiek van prijsbijstelling. 2. De in het eerste lid omschreven systematiek van prijsbijstelling is niet van toepassing op projecten (voorzieningen en overige voor bekostiging in aanmerking komende zaken) en de daaraan gealloceerde bedragen van de scholen die zijn opgenomen in de overeenkomst behorende bij het Raadsbesluit Herijking uitvoeringsprogramma 2020 SALTO & SKPO d.d. 26 januari 2021, 20bst01749. Hiervoor geldt hetgeen is vastgelegd in het Raadsvoorstel en -besluit d.d. 26 januari 2021, nr. 20bst01749 en de daarbij behorende overeenkomst. Artikel 40.

Bijlagen Deze Verordening bevat de volgende bijlagen: Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen; Bijlage II – Prognosecriteria; Bijlage III – Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende ruimtebehoefte; Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering; Bijlage V – Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de aangevraagde voorziening; Bijlage VI – Criteria voor beoordelen aanvraag voor bekostiging in onderhoud en aanpassing lokaal bewegingsonderwijs, bekostiging bouwvoorbereiding en overige voor bekostiging in aanmerking komende zaken. Artikel 41. Intrekken oude Verordening De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Eindhoven 2016 wordt ingetrokken. Artikel 42. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze Verordening treedt in werking op dag van publicatie. 2. Deze Verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Eindhoven 2021.

31

Inboeknummer 21bst00066

Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen Deel A - Lesgebouwen De voorzieningen genoemd onder A.2 (vervangende bouw), A.3.1 (uitbreiding met één of meer leslokalen) en A.3.2 (uitbreiding met een speellokaal) worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden kan dit, na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college plaatsvinden. A.1 Nieuwbouw Noodzaak van nieuwbouw is aanwezig als: a. de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; b. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht en: 1° als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 15 jaar kunnen worden verwacht, of, 2° als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 4 jaar kunnen worden verwacht, en, c. geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en, d. het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren. A.2 Vervangende bouw A.2.1 Transformatie 1. De noodzaak van transformatie is aanwezig als: a.

op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat het schoolgebouw voldoet aan conditie 5 of dat onderhoud of aanpassen niet zal leiden tot de gewenste levensduurverlenging van ten minste 20 jaar, en, b. uit een haalbaarheidsonderzoek blijkt dat met transformatie voldaan kan worden aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van de school stelt, en, c. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste 15 jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en, d. geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en, e. het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren. 2. De noodzaak van transformatie is eveneens aanwezig als het schoolgebouw als te transformeren gebouw is opgenomen in een op grond van artikel 27 van de Verordening vastgesteld uitvoeringsprogramma, opgenomen in het IHP.

32

Inboeknummer 21bst00066

A.2.2 Vervangende nieuwbouw 1. De noodzaak van vervangende nieuwbouw kan aanwezig zijn als: a. op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat het schoolgebouw voldoet aan conditie 5 of onderhoud of aanpassen niet zal leiden tot de gewenste levensduurverlenging van ten minste 20 jaar, of, b. dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie, of, c. dit het gevolg is van ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. In lid 2 zijn de overige voorwaarden opgenomen. 2. Verder dient te zijn voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er is of komt geen gebouw beschikbaar dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en, b. het is onmogelijk om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren, en, c. 1° als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft dient de overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aan te tonen dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste 15 jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, of, 2° als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft dient de overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aan te tonen dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste 4 jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht. 3.

De noodzaak van vervangende nieuwbouw is eveneens aanwezig als het schoolgebouw als vervangende nieuwbouw is opgenomen in een op grond van artikel 27 van de Verordening vastgesteld uitvoeringsprogramma, opgenomen in het IHP. A.3 Uitbreiding A.3.1 Uitbreiding schoolgebouw De noodzaak van het uitbreiden van een schoolgebouw is aanwezig als: a. de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit van een schoolgebouw van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs kleiner is dan de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte en het verschil tussen de capaciteit en de ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs, gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en, b. daarnaast: 1° als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht,

33

Inboeknummer 21bst00066

2°

c. d.

als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens vier jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, of, 3° de prognose op basis van de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont dat het aantal leerlingen dat aanwezig is niet voor ten hoogste vier jaar binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest, en, geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en, het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren.

A.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs en school voor speciaal onderwijs met een speellokaal De noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal is aanwezig als: a. tot een school voor speciaal basisonderwijs minstens twaalf kinderen jonger dan zes jaar of tot een school of afdeling van een school voor speciaal onderwijs kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten; b. de school volgens een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat de school minstens vijftien jaar zal blijven bestaan; c. in het schoolgebouw geen speellokaal aanwezig is; d. medegebruik van een speellokaal of lokaal bewegingsonderwijs binnen 300 meter hemelsbreed onmogelijk is, en, e. het naar oordeel van het college onmogelijk is om tegen redelijke kosten inpandig een speellokaal te realiseren door gebruik te maken van een bestaand verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte. A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw De noodzaak van het in gebruik nemen van een gebouw is aanwezig als: a. de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of als het huidige gebouw moet worden vervangen of uitgebreid; b.

de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht en: 1° als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht, of, 2° als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende minstens vier jaar kunnen worden verwacht, en, c. er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt, en, d. het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren, en,

34

Inboeknummer 21bst00066

e.

de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende bouw (A.2) of uitbreiding (A.3).

A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw De noodzaak van het verplaatsen van een tijdelijk gebouw is aanwezig als: a. er op basis van een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor minstens vier jaar is, waarin een beschikbaar leeg of leegkomend tijdelijk gebouw kan voorzien; b. geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school; c. het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren, en, d. de kosten van het verplaatsen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en voor dezelfde tijdsduur. A.6 Terrein De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan is aanwezig als het college heeft ingestemd met een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 6°, en de oppervlakte van het bestaande terrein niet voldoende is om deze voorziening te realiseren. De oppervlakte van het terrein moet voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in bijlage III, deel D. A.7 Eerste inrichting 1.

De noodzaak van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair of leeren hulpmiddelen en meubilair ontstaat wanneer een voorziening wordt toegekend die uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg heeft en deze uitbreiding niet eerder voor 1 januari 2021 is bekostigd. 2. De noodzaak van eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een speellokaal is aanwezig als een speciale school voor basisonderwijs of een speciale school wordt uitgebreid met een speellokaal. 3. Bij fusie van scholen wordt uitsluitend uitbreiding van eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair of leer- en hulpmiddelen en meubilair toegekend als het aantal leerlingen na de fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijk aan de fusie deelnemende scholen. A.8 Medegebruik 1. De noodzaak van medegebruik van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een school voortgezet onderwijs, is aanwezig als het verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte: a. gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en,

35

Inboeknummer 21bst00066

b.

2. 3.

een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat de overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte voor minimaal 4 jaar noodzakelijk is. Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid van een gebouw of ruimte voor medegebruik is een afstand van ten hoogste 2 kilometer hemelsbreed. Medegebruik blijft beperkt tot ten hoogste 2 gebouwen, niet zijnde een hoofd- of nevenvestiging van de school.

A.9 Herstel van constructiefouten De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten worden. A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair of leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair of leer- en hulpmiddelen en meubilair als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.

Deel B - Voorzieningen voor lokalen bewegingsonderwijs B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming. De noodzaak van: a. nieuwbouw is aanwezig als de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; b. transformatie is aanwezig op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud of aanpassen niet zal leiden tot de gewenste levensduurverlenging van 20 jaar en uit een haalbaarheidsonderzoek blijkt dat met transformatie voldaan kan worden aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van het lokaal bewegingsonderwijs stelt, dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie, of als het lokaal bewegingsonderwijs als te transformeren gebouw is opgenomen in een op grond van artikel 27 van de Verordening vastgesteld uitvoeringsprogramma, opgenomen in het IHP; c.

vervangende nieuwbouw is aanwezig op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud of aanpassen niet zal leiden tot de gewenste levensduurverlenging van 20 jaar en uit een haalbaarheidsonderzoek blijkt dat met transformatie niet voldaan kan worden aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van het lokaal bewegingsonderwijs stelt, dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie of als het lokaal bewegingsonderwijs als vervangende nieuwbouw is opgenomen in een op grond van artikel 27 van de Verordening vastgesteld uitvoeringsprogramma, opgenomen in het IHP;

36

Inboeknummer 21bst00066

d.

e.

f.

g.

uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als de oppervlakte van de zaal kleiner is dan 140 vierkante meters en het effectief gebruik van het lokaal daardoor belemmerd wordt, of, het in gebruik nemen van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als: 1° de minister de school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; 2° het huidige gebouw overeenkomstig onderdeel b. of c. voor transformatie respectievelijk vervanging in aanmerking komt, of, 3° de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van transformatie of vervangende bouw, en, het onmogelijk is gebruik te maken van één of meer lokalen bewegingsonderwijs of van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende lokalen bewegingsonderwijs voor: 1° een school voor basisonderwijs of speciaal basisonderwijs, bij noodzakelijk gebruik van: i. ten minste 20 klokuren binnen een afstand van 1 kilometer hemelsbreed, of, ii. ten minste 15 klokuren binnen een afstand van 3,5 kilometer hemelsbreed, of, iii. ten minste 5 klokuren binnen een afstand van 7,5 kilometer hemelsbreed, of, 2° een school voor speciaal onderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, bij noodzakelijk gebruik van: i. ten minste 10 groepen speciaal onderwijs binnen een afstand van 1 km hemelsbreed, of, ii.

ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs binnen een afstand van 2 km hemelsbreed, of, iii. ten minste 6 groepen speciaal onderwijs binnen een afstand van 3,5 km hemelsbreed, of, iv. ten minste 3 groepen speciaal onderwijs binnen een afstand van 7,5 km hemelsbreed, of, 3° een school voor voortgezet onderwijs binnen een afstand van 2 km hemelsbreed, en, een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaar de groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is, aanwezig zijn of verwacht kunnen worden.

B.2 Terrein De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan is aanwezig als voor het realiseren van de nieuwbouw of de uitbreiding geen of onvoldoende terrein aanwezig is.

37

Inboeknummer 21bst00066

B.3 Eerste inrichting De noodzaak van eerste inrichting bewegingsonderwijs is aanwezig als: a. nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikneming bestaand lokaal bewegingsonderwijs voor de school is goedgekeurd, en, b. voor de desbetreffende groepen leerlingen van het basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt of voor de desbetreffende leerlingen van het voortgezet onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt. B.4 Huur van een sportveld school voor voortgezet onderwijs De noodzaak van huur van een sportveld is aanwezig als het lesrooster buitensport vermeldt, het bevoegd gezag niet beschikt over een eigen sportveld en medegebruik van een sportveld van een ander bevoegd gezag onmogelijk is. B.5 Medegebruik De noodzaak van medegebruik is aanwezig als het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren bewegingsonderwijs zodanig is dat daarvoor binnen de op dat moment in gebruik zijnde lokalen bewegingsonderwijs geen plaats is. B.6 Herstel constructiefouten De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten worden.

B.7 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of meubilair als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.

38

Inboeknummer 21bst00066

Bijlage II – Prognosecriteria A. Algemeen 1. Een prognose van het aantal te verwachten leerlingen van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voor voortgezet onderwijs wordt gemaakt voor een periode van minstens vijftien jaar, met als eerste jaar het jaar waarin de start van de bekostiging wordt gewenst (de prognoseperiode). 2. De prognose omvat gegevens voor minstens een periode van zes jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de aanvraag. De prognose is niet meer dan twee jaar oud. Als basis voor de prognose mag gebruik gemaakt worden van de omvang van de basisgeneratie voor het basisonderwijs zoals het meest recent berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek of het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. 3. Een prognose wordt schriftelijk aangeleverd en bevat in ieder geval de relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en prognoseperiode, een beschrijving van de gebruikte programmatuur en een onderbouwing van de aannames waarop de prognose is gebaseerd. B. Voedingsgebied 1. Het voedingsgebied van een school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van de leerlingen afkomstig is of zal zijn. 2.

De prognose voor een basisschool bevat in ieder geval een beschrijving van het voedingsgebied op wijkniveau. Bij een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs kan, als het voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend. 3. Voor zover het voedingsgebied kleiner is dan de hele gemeente wordt beredeneerd aangegeven welke berekeningen op de basisgeneratie zijn toegepast. C. Prognose school voor basisonderwijs De prognose van een school voor basisonderwijs geeft per jaar inzicht in het te verwachten aantal leerlingen van de school of nevenvestiging waarbij rekening wordt gehouden met: a. het voedingsgebied; b. de bevolking in het voedingsgebied, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen; c. de woningvoorraad en wijzigingen daarin, inclusief een eventuele wijziging van het voedingsgebied; d. veranderingen als gevolg van migratie, sterfte en geboorte in de leeftijdsgroepen, bedoeld onder b; e. veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de woningvoorraad; f. de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de basisschool, en, g. het onderwijs dat wordt gegeven.

39

Inboeknummer 21bst00066

D. Prognose speciale school voor basisonderwijs en school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs De prognose van een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs moet inzicht geven in: a. het voedingsgebied; b. de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven; c. de voorgestelde datum van ingang van bekostiging, en, d. als het een school voor meervoudig gehandicapte kinderen betreft, de handicaps van de leerlingen waarvoor de school bestemd is. E. Prognose school voor voortgezet onderwijs De prognose van een school voor voortgezet onderwijs moet inzicht geven in: a. de gemeente van herkomst van de leerlingen b. het voedingsgebied; c. de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de basisschool; d. de basisgeneratie 4 tot en met 11 jaar + 30 procent van de 12 jarigen, en, e. de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven.

40

Inboeknummer 21bst00066

Bijlage III – Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende ruimtebehoefte De criteria voor het vaststellen van de capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende ruimtebehoefte vallen uiteen in vijf delen: deel A: vaststellen capaciteit; deel B: vaststellen ruimtebehoefte; deel C: vaststellen aanvullende ruimtebehoefte; deel D: minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen; deel E: meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van schoolgebouwen. Deel A – Vaststellen capaciteit A.1 Uitgangspunten De capaciteit van gebouwen wordt op basis van onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van een school besluiten tot het verminderen van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, als de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden ingezet voor onderwijskundige, culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Als een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd. A.1.1 School voor basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs, school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of school voor voortgezet onderwijs 1.

De capaciteit van een gebouw voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een school voor voortgezet onderwijs wordt vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het gebouw en bepaald overeenkomstig bijlage III, deel E. De capaciteit van ieder gebouw wordt afzonderlijk vastgesteld. 2. Voor een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs geldt dat een eventueel aanwezig speellokaal niet in de capaciteitsbepaling wordt meegenomen. Als een speellokaal aanwezig is en de noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal, bedoeld in bijlage I, onder A.3.2, aanwezig is, wordt op de bruto vloeroppervlakte 90 vierkante meter in mindering gebracht. 3. De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw van het voortgezet onderwijs wordt vermeerderd met de bruto vloeroppervlakte van de lokalen bewegingsonderwijs. 4. Als sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in de oppervlakte die sterk afwijkt van de sinds 1 januari 1997 gerealiseerde schoolgebouwen, kan het bevoegd gezag een verzoek indienen tot vaststelling van een fictieve bruto vloeroppervlakte als grondslag voor de capaciteitsbepaling.

A.1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard De capaciteit van dislocaties wordt overeenkomstig bijlage III, deel E, vastgesteld.

41

Inboeknummer 21bst00066

A.1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties Als een bevoegd gezag voornemens is een hoofdvestiging, nevenvestiging of dislocatie af te stoten, wordt in overleg met het college vastgesteld welk gebouw wordt afgestoten. A.1.4 Terrein Het terrein omvat het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Als de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd. A.1.5 Inventaris Voor de inventaris geldt als uitgangspunt dat op 1 januari 2021 alle scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en hulpmiddelen. De bruto vloeroppervlakte van de school is de basis voor het vaststellen van de omvang van de aanwezige inventaris. A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs A.1.6.1 Lokalen bewegingsonderwijs. De capaciteit van een lokaal bewegingsonderwijs bedraagt 40 klokuren. A.1.6.2 Terrein De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.

Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande lokalen bewegingsonderwijs gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd. A.1.6.3 Inventaris De inventaris aanwezig op 1 januari 2021 is voldoende.

42

Inboeknummer 21bst00066

Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte B.1 Lesgebouwen B.1.1 School voor basisonderwijs 1. De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen en omvat een speellokaal. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in verband met de achterstandsscore. 2. De basisruimtebehoefte wordt berekend met de formule: B = 200 + 5,03 * L, waarbij: B = Basisruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. 3. Indien een school een vergoeding ontvangt op grond van de zgn ‘achterstandscore’ als bedoeld in artikel 27 van het Besluit bekostiging WPO wordt een toeslag voor de ruimtebehoefte toegekend. De toeslag (T) wordt als volgt berekend: T = 1,40 * 7,17% * G, waarbij: T = Toeslag in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. G = Achterstandsscore zoals gepubliceerd door het Ministerie van OC&W/DUO/ CBS. B.1.2 Speciale school voor basisonderwijs 1.

De ruimtebehoefte voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule: R = 250 + 7,35 * L, waarbij R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. 2. Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90 vierkante meter.

43

Inboeknummer 21bst00066

B.1.3 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs 1. De ruimtebehoefte voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule: R= V + 8,8 * LSO + 12,2 * LVSO , waarbij R= Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. V= De vaste voet in vierkante meter bruto vloeroppervlakte die 370 m2 bedraagt voor de hoofdvestiging van de school. De vaste voet voor een nevenvestiging VSO waarvan de hoofdvestiging is gelegen buiten de gemeente Eindhoven bedraagt 150 m2 bruto vloeroppervlakte. Andere nevenvestigingen kennen geen vaste voet. LSO = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de SO-school zijn ingeschreven; LVSO = Aantal leerlingen op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de VSO-school zijn ingeschreven.

2.

Voor scholen voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs met lichamelijk gehandicapte kinderen of meervoudig gehandicapte kinderen vindt een toeslag in de ruimtebehoefte plaats. Voor SO-leerlingen bedraagt de toeslag 5 vierkante meter bruto vloeroppervlakte per leerling en voor VSO-leerlingen 3,3 vierkante meter bruto vloeroppervlakte per leerling. Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90 vierkante meter bruto vloeroppervlakte.

B.1.4 School voor voortgezet onderwijs 1. De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel. De totale ruimtebehoefte van een instelling voor voortgezet onderwijs is het totaal van twee componenten, te weten: a. een leerlinggebonden component, en, b. een vaste voet. 2. De leerlinggebonden component wordt berekend door de in tabel 2.a opgenomen bruto vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen dat op de school voor voortgezet onderwijs staat ingeschreven. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs, de leerweg of de sector die de leerling volgt. 3. De vaste voet is opgenomen in tabel 2.b. De vaste voet voor de hoofdvestiging van de instelling is 980 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Voor een nevenvestiging die op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak geldt een afzonderlijke vaste voet van 550 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Een tijdelijke nevenvestiging komt niet in aanmerking voor een vaste voet. Naast de vaste voet per instelling wordt per instelling een vaste voet toegekend op de vestiging voor die sectoren waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. 4. De ruimtebehoefte van een school voor voortgezet onderwijs is de som van:

44

Inboeknummer 21bst00066

a.

5.

6.

de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten; b. de vaste voet per instelling; c. als dit van toepassing is, een vaste voet per sector, uitgedrukt in bruto vierkante meter, en, d. als dit van toepassing is, een vaste voet voor een afdeling praktijkonderwijs. De ruimtebehoefte van een school voor praktijkonderwijs is de som van: a. de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen met de bijbehorende normoppervlakten, en, b. de vaste voet voor praktijkonderwijs. Als dit noodzakelijk is voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op basis van deze normering de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs worden bepaald. Het ruimtebehoeftemodel kent geen afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum.

Tabel 2.a – Berekening leerlingenafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs Leerweg1

Ruimtetype

BVO/leerling

Onderbouw (leerjaar 1 en 2)

-

Algemeen

6,00

Bovenbouw HAVO/VWO

-

Algemeen

6,00

TLW

Algemeen

6,00

TLW-LWOO

Algemeen

7,07

GLW

Algemeen

5,98

Specifiek

5,47

Algemeen

4,69

Specifiek

8,99

Algemeen

4,44

Specifiek

12,72

Algemeen

5,95

Specifiek

0,89

Algemeen

5,56

Specifiek

2,25

Algemeen

5,85

Specifiek

3,06

Onderwijssoort

Bovenbouw VMBO theoretische leerweg

Bovenbouw VMBO: VMBO – Profiel Bouwen, wonen en interieur VMBO – Profiel Produceren, installeren en energie VMBO – Profiel Mobiliteit en transport VMBO – Profiel Maritiem en techniek

BLW-KLW

LWOO

Bovenbouw VMBO: VMBO – Profiel Media, vormgeving en ICT VMBO – Profiel Economie en ondernemen VMBO – Profiel Horeca, bakkerij en recreatie VMBO – Profiel Dienstverlening en producten

GLW

BLW-KLW

LWOO

1 TLW = theoretische leerweg

LWOO = leerwegondersteunend onderwijs GLW = gemengde leerweg BLW-KWL = basisberoepsgerichte of kaderberoepsgerichte leerweg

45

Inboeknummer 21bst00066

Bovenbouw VMBO: VMBO – Profiel Zorg en welzijn

GLW

BLW-KLW

LWOO

Bovenbouw VMBO: VMBO – Profiel Groen

GLW

BLW-KLW

LWOO

Praktijkonderwijs

Afdeling internationale schakelklas

Algemeen

5,33

Specifiek

2,10

Algemeen

4,71

Specifiek

4,22

Algemeen

4,85

Specifiek

5,53

Algemeen

5,94

Specifiek

0,78

Algemeen

5,37

Specifiek

2,34

Algemeen

5,03

Specifiek

4,69

Algemeen

4,41

Specifiek

7,72

Algemeen

9,62

Tabel 2.b – Vaste voet per instelling voor het berekenen van de ruimtebehoefte voortgezet onderwijs Onderwijssoort

Ruimtetype

Vaste voet

Hoofdvestiging

Algemeen

980

Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak

Algemeen

550

Tijdelijke nevenvestiging

0

Bovenbouw VMBO BLW-KLW: VMBO – Profiel Bouwen, wonen en interieur VMBO – Profiel Produceren, installeren en energie VMBO – Profiel Mobiliteit en transport VMBO – Profiel Maritiem en techniek

Specifiek

299

Bovenbouw VMBO BLW-KLW: VMBO – Profiel Media, vormgeving en ICT VMBO – Profiel Economie en ondernemen VMBO – Profiel Horeca, bakkerij en recreatie VMBO – Profiel Dienstverlening en producten

Specifiek

196

Bovenbouw VMBO BLW-KLW: VMBO – Profiel Zorg en welzijn

Specifiek

168

Bovenbouw VMBO BLW-KLW:

Specifiek

117

46

Inboeknummer 21bst00066

VMBO – Profiel Groen Praktijkonderwijs

Algemeen

306

Afdeling internationale schakelklas

Algemeen

100

B.2 Lokalen bewegingsonderwijs 1. De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld: a. voor een school voor basisonderwijs, op 1,5 klokuur per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder; b. voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, op 2,25 klokuur per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder, en, c. als het schoolgebouw niet beschikt over een speellokaal, op 3,75 klokuur per week voor de leerlingen 4 en 5 jaar. 2. Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt de ruimtebehoefte bepaald op basis van het aantal lestijden bewegingsonderwijs. Hiervoor geldt als maximum het aantal lesuren dat overeenkomstig tabel 3 van het ruimtebehoeftemodel is berekend. Deze berekening is als volgt: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 460. Voor het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 322. Tabel 3 – Uitgangspunten vaststellen ruimtebehoefte lokaal bewegingsonderwijs voortgezet onderwijs Onderwijssoort

Leerweg

BVO per leerling

Onderbouw (leerjaar 1 en 2)

-

1,66

Bovenbouw HAVO/VWO

-

0,78

Bovenbouw VMBO theoretische leerweg

TLW

1,11

LWOO

1,26

GLW

1,11

BLW-KLW

1,38

LWOO

1,57

-

1,99

Bovenbouw VMBO gemengde, basisberoeps-gerichte en kaderberoepsgerichte leerweg en bovenbouw leerwegondersteunend onderwijs Praktijkonderwijs Afdeling internationale schakelklas

1,66

47

Inboeknummer 21bst00066

Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte C.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de overeenkomstig deel C vastgestelde ruimtebehoefte gedurende minstens vijftien jaar blijft bestaan. C.1.1 Nieuwbouw of vervangende nieuwbouw De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening nieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt overeenkomstig deel B vastgesteld. C.1.2 Overige voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen 1. Uitbreiding, uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, ingebruikneming of medegebruik wordt voor een: a. school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs vastgesteld als het verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan de drempelwaarde van: 1° 55 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening basisonderwijs; 2° 50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening speciaal basisonderwijs; 3° 50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs; b.

school voor voortgezet onderwijs vastgesteld als het verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan tien procent van de bestaande capaciteit met een minimum van 100 vierkante meter. Indien dit verschil aanwezig is wordt de omvang van de uitbreiding vastgesteld op het verschil tussen de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte en de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit. Medegebruik wordt vastgesteld op het verschil tussen de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte en de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit verhoogd met 10%. 2. Voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs bedraagt de bruto vloeroppervlakte van een speellokaal, in aanvulling op het aantal meters bruto vloeroppervlakte bedoeld in het eerste lid, 90 vierkante meter. C.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen De ruimtebehoefte van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt op dezelfde wijze vastgesteld als de ruimtebehoefte voor een voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen. Een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening is voor minstens vier jaar en maximaal vijftien jaar noodzakelijk.

Voor het vaststellen van de omvang van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening moet het verschil: a. bij een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs ten minste 40 vierkante meter bruto vloeroppervlakte bedragen, en,

48

Inboeknummer 21bst00066

b.

bij een school voor voortgezet onderwijs voldoen aan het gestelde onder C.1.2, eerste lid, onder b, laatste volzin.

C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen De omvang van een goedgekeurde voorziening: a. voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en de minimumnormen, bedoeld in deel D. b. eerste aanschaf van: 1° onderwijsleerpakket en meubilair, of uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair voor een school basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, en, 2° leer- en hulpmiddelen en meubilair, of uitbreiding van de eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende voorziening. c. tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs als gevolg van een inpandige aanpassing waarbij algemene of specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke of werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte. d.

herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. C.4 Lokalen bewegingsonderwijs 1. De omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw, vervangende nieuwbouw en uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs wordt: a. voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs vastgesteld op het verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig B.2, eerste lid, vastgestelde ruimtebehoefte, en, b. voor een school voor voortgezet onderwijs vastgesteld op het verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig B.2, tweede lid, vastgestelde ruimtebehoefte. 2. De omvang van de goedgekeurde voorziening aanpassen van een lokaal bewegingsonderwijs van een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke aanvullende vloeroppervlakte om te kunnen voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in deel D, onder D.3.

49

Inboeknummer 21bst00066

3.

4.

5.

De omvang van de goedgekeurde voorziening terrein, of uitbreiding van het terrein, voor een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het lokaal, of de uitbreiding van het lokaal te realiseren. De omvang van de goedgekeurde voorziening aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair wordt overeenkomstig bijlage IV bepaald als een lokaal bewegingsonderwijs in gebruik wordt genomen door andere leerlingen dan waarvoor het lokaal oorspronkelijk is bedoeld of wordt uitgebreid. De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de feitelijke kosten voor de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.

Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen D.1 Terreinoppervlakte 1. Bij nieuwbouw of vervangende bouw voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs wordt voor de speelplaats de volgende minimale oppervlakte aangehouden: Aantal leerlingen Oppervlakte speelplaats (m2) 1 – 100 leerlingen 101 – 200 leerlingen

300 300 + 3 * (L – 100)

201 – 400 leerlingen 401 – 600 leerlingen

600 600 + 3 * (L – 400)

601 of meer leerlingen

1200

L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn inschreven. 2.

Bij nieuwbouw of vervangende bouw voor een school voor voortgezet onderwijs wordt voor de speelplaats de volgende minimale oppervlakte aangehouden: Aantal leerlingen Oppervlakte speelplaats (m2) 1 – 300 leerlingen 301 – 1300 leerlingen

300 300 + 0,75 * (L – 300)

1301 of meer leerlingen

1050

L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn inschreven. 3.

4.

De hierboven gestelde norm betreft de exclusieve speel- en beweegruimte voor de leerlingen van de school. Terrein voor voorzieningen (zoals parkeervoorzieningen, fietsenstallingen, hemelwaterinfiltratievoorzieningen en bergingen) dient te worden opgeteld bij de norm. Voor parkeervoorzieningen wordt de voor de locatie van het terrein geldende gemeentelijke parkeernorm gehanteerd.

50

Inboeknummer 21bst00066

D.2 Speellokaal Een speellokaal inclusief berging heeft een minimum van 90 vierkante meter netto. D.3 Lokaal bewegingsonderwijs 1. De netto vloeroppervlakte (speeloppervlakte) van een lokaal bewegingsonderwijs is minstens 252 vierkante meter netto en de hoogte minstens 5 meter. 2. Een lokaal bewegingsonderwijs bevat minstens twee kleedruimten met een was- of douchegelegenheid.

Deel E – Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van schoolgebouwen E.1 Meetinstructie voor schoolgebouwen De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw wordt vastgesteld volgens NEN 2580. E.2 Aanvulling op de meetinstructie voor de schoolgebouwen E.2.1 (Speciaal) basisonderwijs en speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs 1. De in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend. 2. De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige lokalen bewegingsonderwijs wordt toegekend aan het lesgebouw. 3. Bij scheidingswanden tussen lesgebouwen en in- of aanpandige lokalen bewegingsonderwijs wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de scheidingsconstructie. E.2.2 Voortgezet onderwijs De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende beloopbare binnenruimten. De bruto vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies die de ruimten omhullen. Tot de bruto oppervlakte behoren eveneens: a. de oppervlakte van trapgaten, liftschachten en leidingschachten op elk vloerniveau, en, b. de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter dan 0,5 vierkante meter. E.2.3 Uitzonderingen 1.

De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft in ieder geval luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande verdiepingen, fietsenstallingen. 2. Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij de bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend.

51

Inboeknummer 21bst00066

3.

4.

Tot de bruto vloeroppervlakte wordt niet gerekend een schalmgat, vide en kelders, souterrains en zolderruimten voor zover niet beloopbaar en/of beloopbaar maar met een vrije hoogte van minder dan 2,60 meter. Bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte of andere ruimte (bijv. bergruimte, verkeersruimte), wordt de bruto vloeroppervlakte bepaald door de nette vloeroppervlakte van dat deel van de ruimte met een vrije hoogte van meer dan 2,60 meter te vermenigvuldigen met de factor 1,1.

52

Inboeknummer 21bst00066

Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering Deel A – Indexering De normbedragen in deel B worden jaarlijks aangepast in overeenstemming met de onderstaande systematiek van prijsbijstelling: A.1 Nieuwbouw en uitbreiding Deze voorzieningen worden geïndexeerd middels de structurele en conjuncturele BDBindexcijfers. Structureel (M): BDB Maand- en Prognosecijfers, ‘Schoolgebouwen Nieuwbouw’ (januari 2021=100) Conjunctureel (MI): BDB Marktindicator (vastgesteld) en BDB Trends (prognose)

𝑀𝐵 ∗ (1 + 𝑀𝐼𝐵 ) 𝑀𝐴 ∗ (1 + 𝑀𝐼𝐴 )

MA = BDB-index (structureel) juli jaar t, totaal aanneemsom incl. BTW MB = BDB-index (structureel) juli jaar t+1, totaal aanneemsom incl. BTW MIA = BDB-index (conjunctureel - Marktindicator) Q2 jaar t MIB = BDB-index (conjunctureel - Trends) Q2 jaar t+1

A.2 Eerste inrichting onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair, huur sportvelden MEV, jaar t+1

Consumentenprijsindex,

prijsmutatie netto

alle huishoudens, jaar t, per

materiële

1 juli

1

overheidsconsumptie

(bron: CBS, Kerncijfers,

(bron: CPB,

cijfer van de maand juni

Kerngegevens

jaar t) -----------------------------MEV, jaar t, prijsmutatie netto materiële overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens collectieve sector)

*

------------------------------

collectieve sector) *

------------------------------

Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t-1, per 1 juli

1

(bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni jaar t-1)

53

Inboeknummer 21bst00066

Deel B – Normbedragen De normbedragen zijn berekend op basis van bovenstaande systematiek en onderstaand weergegeven. Alle in dit deel genoemde bedragen zijn inclusief BTW en zijn gebaseerd op prijspeil 2021. A. Nieuwbouw met permanente bouwaard A.1 Kostencomponenten nieuwbouw 1. De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in de volgende kostencomponenten: a. kosten voor terrein (A.2); b. bouwkosten (A.3); c. als het een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs betreft een toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal (A.3); d. als het een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs betreft een toeslag voor het realiseren van een liftinstallatie (A.3); e. als het een school voor voortgezet onderwijs betreft, toeslag paalfundering (A.4); f. toeslag voor verhuiskosten bij vervangende bouw (A.5); g. toeslag voor bemaling (A.6). 2. Als vervangende nieuwbouw wordt gecombineerd met het uitbreiden van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen bedoeld in paragraaf B. A.2 Kosten voor terreinen Het benodigde bouwrijpe terrein wordt door de gemeente, eventueel na aankoop, om niet aan het bevoegd gezag beschikbaar gesteld en het (juridisch) eigendom wordt aan hem overgedragen.

De kosten van een terrein worden opgenomen op het programma, zowel bij aankoop van een terrein als in de situatie dat de gemeente een terrein beschikbaar stelt. De kosten voor het terrein worden bepaald op de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Bij vervangende nieuwbouw behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor terreinen. A.3 Bouwkosten 1. Tot de bouwkosten voor een school voor basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs, school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs behoren: a. de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering, en, b. de kosten van de aanleg en inrichting van het schoolterrein. 2. De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Met deze vergoedingsbedragen moet de in overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden gerealiseerd.

54

Inboeknummer 21bst00066

A.3.1 Bouwkosten school voor basisonderwijs De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: Startbedrag voor de realisatie van de eerste 350 m 2 bvo2 € 1.198.022,12 Voor elke volgende m2 bvo

€ 2.012,83

A.3.2 Bouwkosten speciale school voor basisonderwijs De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: Startbedrag voor de realisatie van de eerste 670 m 2 bvo, waarin niet Voor elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal Toeslag voor elk speellokaal

€ 1.942.541,87 € 2.148,32 € 184.312,24

A.3.3 Bouwkosten school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 677 m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal Voor elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal Toeslag voor elk speellokaal

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11742056/1