CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6.3 - MRE - Overzicht Gemeenschappelijke Regeling MRE 2021 (WAS) met voorgestelde wijzigingen (WORDT)

Raadsvergadering 28 november 2023, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Zienswijze wijzigingsvoorstellen gemeenschappelijke regelingen MRE, GGD BZO, ODZOB, VRBZO en GRWRE17.578 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

100195-2969/SVE/HLE/-24

2.

Het algemeen bestuur kan besluiten andere dossiers dan die genoemd in het eerste lid, te onderwerpen aan dezelfde voorhangprocedure als bedoeld in het eerste lid. Daartoe behoort in ieder geval: a. een voorstel inzake het instellen van een commissie als bedoeld in artikel 22 van de regeling; b. een voorstel voor een liquidatieplan in verband met een voorgenomen opheffing van de regeling. 3. Het dagelijks bestuur maakt in zijn uiteindelijke voorstel aan het algemeen bestuur over de onderwerpen, genoemd in het eerste en tweede lid, melding van de ontvangen reacties en zijn visie daarop. 4. Het algemeen bestuur stuurt voorstellen die betrekking hebben op een wijziging van de regeling toe aan de raden door tussenkomst van de colleges, waarbij de raden ten minste twee maanden voor besluitvorming wordt geboden. 5. Het algemeen bestuur maakt geen gebruik van de mogelijkheden om de raden een reactie te vragen als bedoeld in het tweede lid indien naar het oordeel van algemeen bestuur om redenen van spoed eerdere besluitvorming noodzakelijk is. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: • Na lid 2 wordt een nieuw lid toegevoegd dat de voorhangprocedure niet van toepassing is indien bij het dossier ingezetenen en andere belanghebbenden betrokken zijn (geweest) (gelet op artikel 10.5 Wgr). • Het huidige lid 4 heeft betrekking op een wijziging in de regeling.

Het algemeen bestuur heeft hierin een procedurele rol. De bepalingen die hierop betrekking hebben volgen in de voorgestelde wijziging op bepalingen met betrekking tot besluiten door het bestuur. Vanwege de wijziging van de Wgr en het besluit van het algemeen bestuur bij voorgenomen wijzigingen eerst reacties te vragen, wordt een onderscheid gemaakt in reacties op een voorgenomen wijziging van de regeling, en het voorleggen van een ontwerpwijziging voor definitieve besluitvorming door colleges en raden. • Er wordt een lid toegevoegd om te verduidelijken dat het voorleggen van een ontwerp besluit of voornemen tot vaststelling uitgaat van het dagelijks bestuur, met uitzondering van voorstellen tot wijziging van de regeling. • De gevallen waarop de voorhangprocedure in ieder geval van toepassing is, staan nu beschreven met een verwijzing. Deze gevallen worden in de wijziging in dit artikel zelf opgesomd. De lijst wordt niet uitgebreid om de bestaande flexibiliteit in de regeling te behouden. • Wgr art. 10.5 spreekt over besluiten van het bestuur; dit kan zowel op het algemeen bestuur als het dagelijks bestuur betrekking hebben. • Er wordt een lid toegevoegd met formulering op basis van Wgr, artikel 10.6 over toezending van de nota van zienswijzen. TOELICHTING UIT DE WET: Wgr art.

10.5 Een regeling als bedoeld in het tweede lid houdt bepalingen in omtrent de besluiten van het bestuur van het openbaar lichaam, de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan, waarover de raden van de deelnemende gemeenten een zienswijze naar voren kunnen brengen voorafgaand aan het nemen van het besluit, met uitzondering van het besluit tot het vaststellen of wijzigen van de begroting, bedoeld in artikel 35, en besluiten als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, en de wijze waarop de zienswijze gegeven kan worden. Wgr art. 10.6 Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijze gegeven is stelt het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam of het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie, onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan, de raden van de deelnemende gemeenten en, indien het een besluit van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam betreft, het algemeen bestuur van het openbaar lichaam schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vorige lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. WORDT Artikel 25 Besluiten door het bestuur 1.

Het algemeen bestuur maakt van de bevoegdheden genoemd in lid 2 van dit artikel, geen gebruik dan nadat de raden een ontwerp besluit of een voornemen tot vaststelling is toegezonden en zij gedurende een periode van ten minste 8 weken in de gelegenheid zijn

100195-2969/SVE/HLE/-25

2.

3.

4. 5.

6.

gesteld schriftelijke zienswijzen respectievelijk wensen en bedenkingen ter kennis te brengen van het algemeen bestuur. Besluiten waarop lid 1 van dit artikel van toepassing is betreffen a. Het vaststellen van de regionale agenda b. Het oprichten van onderscheidenlijk deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperaties en verenigingen, dan wel de ontbinding daarvan of beëindiging van deelneming daarvan, onverminderd het bepaalde in artikel 31a van de wet. c. Een gemeenschappelijke regeling tussen het openbaar lichaam en andere openbare lichamen vast te stellen en te wijzigen, alsmede het toetreden tot en het uittreden uit een dergelijke gemeenschappelijke regeling. Het bestuur kan besluiten andere dossiers dan die genoemd in het tweede lid, te onderwerpen aan dezelfde voorhangprocedure als bedoeld in het eerste lid. Daartoe behoort in ieder geval: a. een voorstel inzake het instellen van een commissie als bedoeld in artikel 22 van de regeling; b. een voorstel voor een liquidatieplan in verband met een voorgenomen opheffing van de regeling. Het bestuur maakt geen gebruik van de mogelijkheden om de raden om een zienswijze, respectievelijk wensen en bedenkingen te vragen als bedoeld in het derde lid, indien naar het oordeel van het bestuur om redenen van spoed eerdere besluitvorming noodzakelijk is.

Het bestuur maakt geen gebruik van de mogelijkheden om de raden om een zienswijze, respectievelijk wensen en bedenkingen reactie te vragen als bedoeld in het derde lid, indien ingezetenen en andere belanghebbenden op grond van artikel 24 van de regeling betrokken zijn bij de voorbereiding van een besluit. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijze respectievelijke wensen en bedenkingen gegeven zijn, stelt het dagelijks bestuur de raden van de deelnemende gemeenten en, indien het een besluit van het algemeen bestuur betreft, het algemeen bestuur, schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

Wijziging van de regeling 7. Het algemeen bestuur stuurt ontwerp voorstellen die betrekking hebben op een wijziging van de regeling toe aan de raden door tussenkomst van de colleges, waarbij de raden ten minste 8 weken wordt geboden voor het geven van een schriftelijke reactie. 8. Het dagelijks bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de reacties, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 9. Het algemeen bestuur stuurt definitieve voorstellen die betrekking hebben op een wijziging van de regeling toe aan de raden door tussenkomst van de colleges, waarbij de raden ten minste 8 weken voor besluitvorming wordt geboden.

De colleges WAS: Artikel 25 Het dagelijks bestuur maakt van de bevoegdheid neergelegd in artikel 5, eerste lid, onder d, voor zover het een collegeregeling betreft, geen gebruik dan nadat de colleges een ontwerpbesluit is toegezonden en zij gedurende een periode van ten minste twee maanden in de gelegenheid zijn gesteld wensen en bedenkingen ter kennis te brengen van het algemeen bestuur onderscheidenlijk het dagelijks bestuur. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: • Evenals in het voorgaande artikel is het geval waarop dit artikel van toepassing is, beschreven met een verwijzing. Dit wordt in de wijziging in dit artikel zelf opgesomd. Verder is de wijze waarop en het bestuursorgaan aan wie wensen en bedenkingen ingebracht worden verduidelijkt. • Er wordt een lid toegevoegd met formulering op basis van Wgr, artikel 10.6 over toezending van de nota van zienswijzen (in casu wensen en bedenkingen). TOELICHTING UIT DE WET: Zie bepalingen Wgr 10.5 en 10.6 (bij vorige artikel): Het gaat om besluiten van het bestuur en dat kunnen ook besluiten van het dagelijks betuur zijn (en zelfs de voorzitter). Gaat toch over deelnemen aan een gemeenschappelijke regeling (door MRE), dan altijd wensen en bedenkingen.

100195-2969/SVE/HLE/-26

WORDT: Artikel 26 1.

2.

3.

Het dagelijks bestuur maakt van de bevoegdheid genoemd in lid 2 van dit artikel, geen gebruik dan nadat de colleges een ontwerpbesluit is toegezonden en zij gedurende een periode van ten minste 8 weken in de gelegenheid zijn gesteld schriftelijk wensen en bedenkingen ter kennis te brengen van het dagelijks bestuur. Besluiten waarop lid 1 van dit artikel van toepassing is betreffen een gemeenschappelijke regeling tussen het openbaar lichaam en andere openbare lichamen vast te stellen en te wijzigen, alsmede het toetreden tot en het uittreden uit een dergelijke gemeenschappelijke regeling, voor zover het een collegeregeling betreft. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de wensen en bedenkingen gegeven zijn stelt het dagelijks bestuur de raden van de deelnemende gemeenten en, indien het een besluit van het algemeen bestuur betreft, het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de wensen en bedenkingen, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

Regionale bijeenkomst WAS: Artikel 26 Het dagelijks bestuur organiseert twee keer per jaar een bijeenkomst voor college- en raadsleden, waarin de ontwikkeling van de regio centraal staat. Aan de orde komen onder meer de regionale opgaven voor de komende periode en de resultaten van de afgelopen periode. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: Geen Wordt artikel 27; tekst blijft ongewijzigd

100195-2969/SVE/HLE/-27

HOOFDSTUK 10

INLICHTINGEN, VERANTWOORDING EN TERUGROEPING

Dagelijks bestuur / algemeen bestuur WAS: Artikel 27 1. Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur. 2. Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. 3. Het algemeen bestuur regelt van welke besluiten van het dagelijks bestuur in ieder geval kennisgeving wordt gedaan aan de leden van het algemeen bestuur. Daarbij kan het algemeen bestuur de gevallen bepalen waarin met ter inzage legging kan worden volstaan. Het dagelijks bestuur laat de kennisgeving of ter inzage legging achterwege voor zover deze in strijd is met het openbaar belang. 4. Het algemeen bestuur kan een lid van het dagelijks bestuur, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit, ontslag verlenen. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: • De formulering van lid 4 wordt aangepast conform Wgr art 19a. • Op grond van de Wet open overheid heeft het bestuur een actieve informatieplicht. Er is geen noodzaak om deze verplichting in de regeling te herhalen. TOELICHTING VANUIT DE WET: Wgr art. 19a1. Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur. Wgr art. 19a2.

Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. Wgr art. 19a3. Het algemeen bestuur kan besluiten een lid van het dagelijks bestuur ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. De rechter treedt niet in de beoordeling van de gronden waarop het algemeen bestuur tot ontslag van een lid van het dagelijks bestuur heeft besloten. Woo art. 3.1.1: Het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat, maakt bij de uitvoering van zijn taak uit eigen beweging de bij het bestuursorgaan berustende informatie neergelegd in documenten voor eenieder openbaar, indien dit zonder onevenredige inspanning of kosten redelijkerwijs mogelijk is, behoudens voor zover de artikelen 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 aan openbaarmaking in de weg staan of met de openbaarmaking geen redelijk belang wordt gediend. Deze informatie betreft in ieder geval informatie over het beleid, inclusief de voorbereiding, uitvoering, naleving, handhaving en evaluatie. WORDT: Artikel 28 1. Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur. 2.

Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. 3. Onverminderd het bepaalde in de Wet open overheid, regelt het algemeen bestuur van welke besluiten van het dagelijks bestuur in ieder geval kennisgeving wordt gedaan aan de leden van het algemeen bestuur. Daarbij kan het algemeen bestuur de gevallen bepalen waarin met ter inzage legging kan worden volstaan. Het dagelijks bestuur laat de kennisgeving of ter inzage legging achterwege voor zover deze in strijd is met het openbaar belang.

100195-2969/SVE/HLE/-28

4. Het algemeen bestuur kan besluiten een lid van het dagelijks bestuur ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Metropoolregio / raden WAS: Artikel 28 1. Het bestuur van de Metropoolregio verstrekt schriftelijk aan de colleges en de raden de door een of meer leden van die colleges en raden gevraagde inlichtingen zo spoedig mogelijk, voor zover dat niet strijdig is met het openbaar belang. 2. De inlichtingen worden in ieder geval binnen twee maanden schriftelijk verstrekt en wel door het dagelijks bestuur, tenzij de inlichtingen uitdrukkelijk van het algemeen bestuur of de voorzitter worden verlangd. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: Er wordt een lid toegevoegd als bedoeld in Wgr 17.2 en 17.3. TOELICHTING VANUIT DE WET: Wgr art. 17.1 De regeling houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop door het bestuur van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie of door het gemeenschappelijk orgaan aan de raden van de deelnemende gemeenten de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen worden verstrekt. Wgr art. 17.2 Het bestuur van het openbaar lichaam, de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan geeft de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Wgr art. 17.3 De regeling, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of derde lid, houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop de inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, worden verstrekt. WORDT: Artikel 29 1.

Het bestuur van de Metropoolregio verstrekt schriftelijk aan de colleges en de raden de door een of meer leden van die colleges en raden gevraagde inlichtingen zo spoedig mogelijk, voor zover dat niet strijdig is met het openbaar belang. 2. De inlichtingen worden in ieder geval binnen twee maanden schriftelijk verstrekt en wel door het dagelijks bestuur, tenzij de inlichtingen uitdrukkelijk van het algemeen bestuur of de voorzitter worden verlangd. 3. Het bestuur van de Metropoolregio verstrekt schriftelijk aan de colleges en de raden alle inlichtingen die de colleges en de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.

Lid algemeen bestuur / raden WAS: Artikel 29 1. Het lid van het algemeen bestuur is aan de raad die dit lid heeft aangewezen verantwoording schuldig over het door hem of haar in het algemeen bestuur gevoerde beleid. 2. Een lid van het algemeen bestuur verstrekt aan de raad die hem of haar heeft aangewezen de door een of meer leden van die raad gevraagde inlichtingen, voor zover zulks niet strijdig is met het openbaar belang. De inlichtingen worden zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen twee maanden in een vergadering van die raad of schriftelijk verstrekt. 3. De raad kan een door hem aangewezen lid van het algemeen bestuur, indien dit lid het vertrouwen van de raad niet meer bezit, als zodanig ontslag verlenen.

100195-2969/SVE/HLE/-29

4. Het reglement van orde van het algemeen bestuur regelt de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: Geen (formulering voldoet aan Wgr art 16). TOELICHTING VANUIT DE WET: Wgr art. 16.1 De regeling houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop een lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam of een lid van het gemeenschappelijk orgaan door de raad die dit lid heeft aangewezen, ter verantwoording kan worden geroepen voor het door hem in dat bestuur onderscheidenlijk dat orgaan gevoerde beleid. Wgr art. 16.2 De regeling houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop een lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam of een lid van het gemeenschappelijk orgaan aan de raad die dit lid heeft aangewezen, de door een of meer leden van die raad gevraagde inlichtingen dient te verstrekken. Wgr art. 16.4 De regeling houdt bepalingen in omtrent de bevoegdheid van de raad, een door hem aangewezen lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam of een door hem aangewezen lid van het gemeenschappelijk orgaan, ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van de raad niet meer bezit. Wgr art.

16.5 Bij het verstrekken van inlichtingen ingevolge het tweede of het derde lid, of het afleggen van verantwoording ingevolge het eerste of het derde lid, verschaft een lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam of een lid van het gemeenschappelijk orgaan over zaken waaromtrent krachtens artikel 23 geheimhouding is opgelegd slechts informatie, indien krachtens artikel 25 van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd. Laatstbedoelde geheimhouding kan eerst worden opgeheven, nadat door het algemeen bestuur van het openbaar lichaam of door het gemeenschappelijk orgaan tot opheffing van de geheimhouding is besloten. Wordt artikel 30; tekst blijft ongewijzigd

100195-2969/SVE/HLE/-30

HOOFDSTUK 11

PERSONEEL EN ORGANISATIE

Ambtelijke organisatie WAS: Artikel 30 1.

De Metropoolregio heeft ter ondersteuning van de bestuurlijke samenwerking in de regio een eigen ambtelijke organisatie, aan het hoofd waarvan de directeur staat. 2. De ambtelijke organisatie van de Metropoolregio: a. ondersteunt de gemeenten door vanuit het overheidsdomein de samenwerking te realiseren die noodzakelijk is om als regio krachtig innovatief te zijn en te blijven; b. ondersteunt de gemeenten bij de thema’s van de regionale agenda; c. verbindt partijen in hun gezamenlijke belangen om regionale ambities waar te maken. 3. De ambtelijke organisatie van de Metropoolregio kan daarnaast op contractbasis van gemeenten tijdelijke opdrachten uitvoeren die passen binnen de regionale agenda. Deze opdrachten worden bekostigd door de opdrachtgevers. 4. Het dagelijks bestuur regelt de organisatie en de werkwijze van de ambtelijke organisatie van de Metropoolregio. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: Geen Wordt artikel 31; tekst blijft ongewijzigd

Directeur / secretaris WAS: Artikel 31 1. 2.

Het algemeen bestuur beslist over benoeming, schorsing en ontslag van de directeur. De directeur bekleedt tevens de functie van secretaris. Waar in deze regeling verder gesproken wordt van directeur, wordt daarmee tevens de functie van secretaris bedoeld. 3. Voor een benoeming wordt door het dagelijks bestuur een aanbeveling gedaan. 4. De directeur is voor het dagelijks bestuur ambtelijk opdrachtnemer en is verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken door de ambtelijke organisatie van de Metropoolregio. 5. De directeur wordt formeel aangestuurd door het dagelijks bestuur. 6. Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de directeur bij diens verhindering of ontstentenis. 7. Het dagelijks bestuur kan in spoedeisende gevallen tot schorsing overgaan. Het dagelijks bestuur doet van een besluit als bedoeld in het vorige lid onmiddellijk mededeling aan het algemeen bestuur. 8. Het besluit tot schorsing vervalt wanneer het algemeen bestuur het niet in zijn eerstvolgende vergadering bekrachtigt. 9. Op de directeur en diens plaatsvervanger(s) is artikel 102 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: Geen Wordt artikel 32; tekst blijft ongewijzigd

Taak WAS: Artikel 32

100195-2969/SVE/HLE/-31

1. 2.

3. 4.

De directeur is het hoofd van de ambtelijke organisatie en geeft daaraan leiding en sturing. De directeur is eindverantwoordelijk voor de organisatieontwikkeling, innovatie en de bedrijfsvoering van het ambtelijk apparaat. De directeur staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur, de voorzitter en de advies- en overlegorganen bij de uitoefening van hun taak terzijde. De directeur krijgt de opdracht om regionale verbindingen te leggen en het regionale systeem van samenwerken te optimaliseren. De directeur is in de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur aanwezig. De directeur pleegt structureel overleg met de strategische adviseurs, dan wel gemeentesecretarissen van de gemeenten in het belang van het functioneren van de Metropoolregio en het voorbereiden van bijeenkomsten.

AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: Geen Wordt artikel 33; tekst blijft ongewijzigd

Rechtspositie WAS: Artikel 33 Het dagelijks bestuur besluit over de benoeming, de schorsing en het ontslag van de overige ambtenaren en ander personeel. Artikel 34 1.

Het dagelijks bestuur stelt voor het personeel van het openbaar lichaam de arbeidsvoorwaarden vast conform de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties (SGO). 2. Het dagelijks bestuur beslist over de toepassing van eventuele overige arbeidsvoorwaarden. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: Geen Wordt artikel 34 en 35; tekst blijft ongewijzigd

100195-2969/SVE/HLE/-32

HOOFDSTUK 12

FINANCIËLE BEPALINGEN

Vergoedingen WAS: Artikel 35 1.

Het algemeen bestuur kan alleen voor zijn leden, de leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter bij verordening een tegemoetkoming in de kosten vaststellen. Deze verordening bevat regels omtrent de hoogte en de toekenning van de tegemoetkoming in de kosten. 2. De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten bedraagt niet meer dan de werkelijke kosten, mede rekening houdende met de tegemoetkoming in de kosten welke de bestuurder ontvangt uit hoofde van diens lidmaatschap van een van de deelnemende gemeenten. 3. Ten aanzien van de werkzaamheden en de kosten van de leden van de commissies, ingesteld met het oog op de behartiging van bepaalde belangen, is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: Wgr art 21.2 biedt de mogelijkheid de tegemoetkoming in of vergoeding van bijzondere kosten en andere financiële voorzieningen te laten regelen door het algemeen bestuur en voor die optie is gekozen in de bestaande regeling (via een verordening). In lijn met dit artikel wordt dit als een “kan”- bepaling toegevoegd.

TOELICHTING UIT DE WET: Wgr 21.2 Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde leden kan voorts bij de regeling, of krachtens de regeling door het algemeen bestuur van een openbaar lichaam, het bestuur van een bedrijfsvoeringsorganisatie, of het gemeenschappelijk orgaan, een tegemoetkoming in of vergoeding van bijzondere kosten en andere financiële voorzieningen worden vastgesteld die verband houden met de vervulling van het lidmaatschap van het bestuur van een openbaar lichaam of een bedrijfsvoeringsorganisatie of van het gemeenschappelijk orgaan. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen hieromtrent nadere regels worden gesteld. Wgr 24a. 6 De leden van de gemeenschappelijke adviescommissie kunnen een vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie ontvangen. De hoogte van de vergoeding staat in redelijke verhouding tot de aan het lidmaatschap van de gemeenschappelijke adviescommissie verbonden werkzaamheden, mede rekening houdende met de vergoeding voor werkzaamheden welke het lid ontvangt uit hoofde van zijn lidmaatschap van de raad. De artikelen 96, tweede en derde lid, tweede zin, 98 en 99 van de Gemeentewet, alsmede de op grond daarvan gestelde nadere regels, zijn van overeenkomstige toepassing. WORDT: Artikel 36 1. 2. 3. 4.

Het algemeen bestuur kan alleen voor zijn leden, de leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter bij verordening een tegemoetkoming in de kosten vaststellen. Deze verordening bevat regels omtrent de hoogte en de toekenning van de tegemoetkoming in de kosten. De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten bedraagt niet meer dan de werkelijke kosten, mede rekening houdende met de tegemoetkoming in de kosten welke de bestuurder ontvangt uit hoofde van diens lidmaatschap van een van de deelnemende gemeenten. Ten aanzien van de werkzaamheden en de kosten van de leden van de commissies, ingesteld met het oog op de behartiging van bepaalde belangen, is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De leden van de commissie als bedoeld in artikel 24a van de wet, kunnen een vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie ontvangen. De hoogte van de vergoeding staat in redelijke verhouding tot de aan het lidmaatschap van de gemeenschappelijke adviescommissie verbonden werkzaamheden, mede rekening houdende met de vergoeding voor werkzaamheden welke het lid ontvangt uit hoofde van zijn lidmaatschap van de raad.

100195-2969/SVE/HLE/-33

Kadernota en voorlopige jaarrekening WAS: Artikel 36 Het dagelijks bestuur zendt voor 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: Datum wordt aangepast in overeenstemming met de wet. TOELICHTING UIT DE WET: Wgr art. 34b. Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan zendt vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten. WORDT: Artikel 37 Het dagelijks bestuur zendt voor 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten.

Begroting WAS: Artikel 37 1. Het dagelijks bestuur stelt elk jaar een ontwerp begroting op van het openbaar lichaam overeenkomstig het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. 2. De ontwerp begroting geeft inzicht in de kosten en de te ontvangen inwonerbijdrage van de deelnemende gemeenten. 3. Voor de berekening van de in het tweede lid bedoelde inwonerbijdrage wordt uitgegaan van de berekeningsmethodiek zoals vastgelegd in de Beleidsnotitie kaders P&C-documenten of een document dat eventueel in de plaats treedt van de beleidsnotitie. 4. De ontwerpbegroting en -begrotingswijzigingen worden minimaal acht weken voordat deze worden vastgesteld door het algemeen bestuur aan de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden om hen in de gelegenheid te stellen daarop hun zienswijze kenbaar te maken. 5. Nadat de begroting is vastgesteld door het algemeen bestuur, zendt het algemeen bestuur, zo nodig, de begroting met de daarbij horende zienswijzen, aan de raden van de deelnemende gemeenten, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 6. Het dagelijks bestuur zendt de door het algemeen bestuur vastgestelde begroting vóór 1 augustus van het jaar voorafgaand aan dat jaar waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten. 7.

Besluiten tot wijzigen van de begroting kunnen tot uiterlijk het einde van het betreffende begrotingsjaar worden genomen. 8. In afwijking van het bepaalde in het vierde lid vermelde, kunnen begrotingswijzigingen, die niet leiden tot een aanpassing van de gemeentelijke bijdragen of tot een afwijking van de bestuurlijk vastgestelde uitgangspunten van financieel beleid, direct worden vastgesteld door het algemeen bestuur. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: • De termijn en datum worden aangepast conform Wgr art. 35.1 resp. 34.2. • De wettelijke verplichting (Wgr art. 35.2) om de begroting ter inzage te leggen wordt overgenomen. Er zal bekeken worden hoe hieraan het beste uitvoering kan worden gegeven. • Er wordt een lid toegevoegd met formulering op basis van Wgr 35.4 over toezending van de nota van zienswijzen. • In de huidige regeling kunnen begrotingswijzigingen, die niet leiden tot een aanpassing van de gemeentelijke bijdragen of tot een afwijking van de bestuurlijk vastgestelde

100195-2969/SVE/HLE/-34

uitgangspunten van financieel beleid, direct worden vastgesteld door het algemeen bestuur. Deze bepaling wordt dusdanig aangepast dat enkel indien de aanpassing van de gemeentelijke bijdrage een verhoging betreft, een zienswijze procedure vereist blijft. Bij een verlaging is dit niet vereist. TOELICHTING UIT DE WET: Wgr art. 35.1 Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, onderscheidenlijk twaalf weken voordat zij door het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan wordt vastgesteld, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. Wgr art. 35.2 De ontwerp-begroting wordt door de zorg van de besturen van de deelnemende gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Wgr art. 35.3 De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan hun zienswijze over de ontwerp-begroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerp-begroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Wgr art.

35.4 Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Wgr art. 35.5 Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan, zo nodig, de begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen. Wgr art. 35.6 Het eerste, derde en vierde lid zijn van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. In de gemeenschappelijke regeling kan worden bepaald ten aanzien van welke categorieën begrotingswijzigingen hiervan kan worden afgeweken. Wgr art. 35.7 De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan bij of krachtens deze wet niet is afgeweken. WORDT: Artikel 38 1. Het dagelijks bestuur stelt elk jaar een ontwerp begroting op van het openbaar lichaam overeenkomstig het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. 2.

De ontwerp begroting geeft inzicht in de kosten en de te ontvangen inwonerbijdrage van de deelnemende gemeenten. 3. Voor de berekening van de in het tweede lid bedoelde inwonerbijdrage wordt uitgegaan van de berekeningsmethodiek zoals vastgelegd in de Beleidsnotitie kaders P&C-documenten of een document dat eventueel in de plaats treedt van de beleidsnotitie. 4. De ontwerpbegroting en -begrotingswijzigingen worden minimaal twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, door het dagelijks bestuur aan de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden om hen in de gelegenheid te stellen daarop hun zienswijze kenbaar te maken. 5. De ontwerp-begroting wordt door de zorg van de besturen van de gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. 6. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 7. Het dagelijks bestuur stelt de raden van de gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vierde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

100195-2969/SVE/HLE/-35

8. Nadat de begroting is vastgesteld door het algemeen bestuur, zendt het algemeen bestuur, zo nodig, de begroting met de daarbij horende zienswijzen, aan de raden van de gemeenten, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 9. Het dagelijks bestuur zendt de door het algemeen bestuur vastgestelde begroting vóór 15 september van het jaar voorafgaand aan dat jaar waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten. 10. Besluiten tot wijzigen van de begroting kunnen tot uiterlijk het einde van het betreffende begrotingsjaar worden genomen. 11. In afwijking van het bepaalde in het vierde lid, kunnen begrotingswijzigingen, die niet leiden tot een verhoging van de gemeentelijke bijdragen of tot een afwijking van de bestuurlijk vastgestelde uitgangspunten van financieel beleid, direct worden vastgesteld door het algemeen bestuur.

Voorschotbetaling WAS: Artikel 38 De deelnemende gemeenten betalen jaarlijks voor 1 februari en voor 1 augustus van het betreffende jaar telkens de helft van de verschuldigde bijdrage. Bij niet tijdige betaling is de wettelijke rente verschuldigd. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: Geen Wordt artikel 39; tekst blijft ongewijzigd

Jaarrekening WAS: Artikel 39 1.

Het dagelijks bestuur stelt elk jaar de ontwerpjaarrekening met een jaarverslag van het voorgaande jaar op. 2. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening en het jaarverslag vast vóór de datum genoemd in de Beleidsnotitie kaders P&C-documenten of een document dat daarvoor in de plaats treedt. 3. Het dagelijks bestuur zendt de door het algemeen bestuur vastgestelde jaarrekening en jaarverslag vóór 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarvoor de jaarrekening geldt op, toe aan gedeputeerde staten en de raden. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: Geen (datum voor jaarrekening is niet gewijzigd) Wordt artikel 40; tekst blijft ongewijzigd

Financiële gegoedheid WAS: Artikel 40 1. De deelnemende gemeenten zullen er steeds zorg voor dragen dat de Metropoolregio te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan alle verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. 2. Indien aan het dagelijks bestuur blijkt dat één van de gemeenten weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het dagelijks bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: Geen Wordt artikel 41; tekst blijft ongewijzigd

100195-2969/SVE/HLE/-36

Financiële voorschriften WAS: Artikel 41 1.

Het algemeen bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten vast voor het financieel beleid alsmede het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. De artikelen 212 en 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing. 2. Deze verordening als bedoeld in het eerste lid bevat in elk geval regels over: a. waardering en afschrijving van activa; b. algemene doelstellingen en te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie, alsmede de administratieve organisatie van de financieringsfunctie, daaronder begrepen taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening. 3. Het algemeen bestuur stelt bij verordening regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financiële beheer en van de inrichting van de financiële organisatie wordt getoetst. 4. Het algemeen bestuur wijst de accountant aan die belast wordt met de controle op de in artikel 40 genoemde jaarrekening. 5. De accountant zendt de accountantsverklaring en een accountantsverslag aan het algemeen bestuur. 6.

De verordeningen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel worden na vaststelling gezonden aan gedeputeerde staten en aan de colleges van de gemeenten. 7. De Metropoolregio verzekert zich tenminste tegen: a. burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade aan personen en goederen; b. wettelijke aansprakelijkheid voor vermogensschade. 8. Als de verzekering een voor rekening van de Metropoolregio komende schade niet dekt wordt deze gedragen door de Metropoolregio. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: Geen WORDT artikel 42; tekst blijft ongewijzigd maar in lid 4 wijzigt de verwijzing naar het artikelnummer: 4. Het algemeen bestuur wijst de accountant aan die belast wordt met de controle op de in artikel 41 genoemde jaarrekening.

100195-2969/SVE/HLE/-37

HOOFDSTUK 13

ARCHIEF

Archiefbescheiden WAS: Artikel 42 1. 2. 3. 4.

5.

Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor en het beheer van de archiefbescheiden van de organen van de Metropoolregio. Dit overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen archiefverordening, die aan gedeputeerde staten moet worden medegedeeld. Met het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van de Metropoolregio is belast de in artikel 5, derde lid, onder c, bedoelde archivaris van de regionale bewaarplaats. Bij opheffing van de regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Archiefwet 1995. De overeenkomstig artikel 5 van de Archiefwet 1995 voor de gemeente Eindhoven ontworpen en vastgestelde selectielijst(en) zijn van overeenkomstige toepassing op de Metropoolregio. De Metropoolregio blijft bevoegd om overeenkomstig artikel 5 van de Archiefwet 1995 nieuwe en/of aanvullende selectielijsten te (doen) ontwerpen en te laten vaststellen. De bepalingen bij en krachtens de Archiefwet 1995 gesteld voor gemeenten, zijn van overeenkomstige toepassing op de Metropoolregio, tenzij in dit hoofdstuk daarin anders is voorzien.

Waar in die bepalingen gesproken wordt over de gemeente, de raad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester, wordt daarvoor respectievelijk in de plaats gesteld de Metropoolregio, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

Artikel 43 Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de Metropoolregio is aangewezen de regionale archiefbewaarplaats, aangewezen overeenkomstig artikel 5, derde lid, sub b, van deze regeling. Artikel 44 Zodra het wetsvoorstel tot vervanging van de Archiefwet 1995 door de Archiefwet 2021 tot wet is verheven, worden verwijzingen naar de Archiefwet 1995 geacht te zijn gedaan naar overeenkomstige bepalingen van de Archiefwet 2021. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: Geen Wordt artikel 43, 44 en 45; tekst blijft ongewijzigd

100195-2969/SVE/HLE/-38

HOOFDSTUK 14 TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING wordt TOETREDING, UITTREDING, EVALUATIE, WIJZIGING EN OPHEFFING

Toetreding WAS: Artikel 45 1.

Toetreding van een raad en college van een gemeente kan plaatsvinden bij daartoe strekkende gelijkluidende besluiten van de raad en college van die gemeente. 2. De colleges en raden van de gemeenten dienen in te stemmen met de toetreding van een gemeentebestuur tot deze regeling middels een gezamenlijk besluit tot wijziging van de regeling. 3. Het algemeen bestuur kan aan de toetreding nadere voorwaarden verbinden. 4. De toetreding gaat in met ingang van de datum, genoemd in het gezamenlijke besluit, bedoeld in het tweede lid. 5. De gemeenteraad van de toegetreden gemeente gaat zo spoedig mogelijk over tot het aanwijzen van (plaatsvervangende) leden in het algemeen bestuur. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: Geen (voldoet aan Wgr.9.1) TOELICHTING UIT DE WET: 9.1 De regeling houdt bepalingen in omtrent wijziging, opheffing, toetreding, de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding, waaronder bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, en de deelnemende gemeenten, met inachtneming van artikel 1. Wordt artikel 46; tekst blijft ongewijzigd

Uittreding WAS: Artikel 46 1.

De raad of het college van een gemeente kan uittreden uit de regeling door toezending aan het algemeen bestuur van daartoe strekkende besluiten. 2. Het algemeen bestuur regelt na overleg met het betrokken bestuursorgaan, de financiële verplichtingen, alsmede de overige gevolgen van de uittreding. 3. De uittreding kan niet eerder plaatsvinden dan op 1 januari van het jaar volgend op dat waarin de door uittreding noodzakelijke wijziging van de gemeenschappelijke regeling in werking is getreden. OVERWEGINGEN BIJ AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: In de bepalingen dienen de gevolgen te worden opgenomen voor het vermogen, conform Wgr art. 9.1. Dit zijn uitgangspunten waar het algemeen bestuur van moet kunnen afwijken wanneer de feiten en omstandigheden het vereisen, bijvoorbeeld wanneer strikte toepassing onredelijk zou zijn. Uiteraard worden daarbij de belangen van de uittredende deelnemer, afgewogen tegen de belangen van de deelnemers die de samenwerking voort zetten. Volgens de aanpassing gaat een uittreding in op 1 januari van het tweede jaar van opzegging. Er zit dus minimaal een kalenderjaar tussen een besluit tot uittreding en de effectuering daarvan. In dat kalenderjaar wordt het effect van de uittreding verwerkt (in de begroting en de regeling). Vanaf die datum, waarop de uittreding ingaat, begint het eerste jaar van uittreding.

Wat de bijdrage aan het Stimuleringsfonds betreft vervalt deze verplichting bij ingang van de uittreding (de bijdrage zal niet meer in de begroting voor dat jaar zijn opgenomen). Ook worden geen nieuwe subsidies meer toegekend aan partijen uit de gemeente van de uittredende deelnemer. Er worden nog wel middelen overgemaakt vanuit eerdere toegekende subsidies. Dus is

100195-2969/SVE/HLE/-39

eenmaal een subsidie beschikt (ook voor een project buiten de eigen gemeente), dan blijft de betrokken gemeente in zoverre haar bijdrage aan het Stimuleringsfonds verschuldigd. Wat de andere bijdragen (aan RHCe, Regionale opgaven, Brainport) betreft is een afbouwregeling opgenomen. Dit ook vanwege (soms meerjarige) verplichtingen die de MRE heeft en de tijd gemoeid met aanpassing daarvan. De (gemeente van) de uittredende deelnemer blijft doorgaans ook (indirect) profiteren van de inspanningen van MRE om het economische profiel van de regio te versterken en het regionale vestigings- en verblijfsklimaat voor inwoners en bedrijven te stimuleren Voor de afbouw worden de inwonerbijdragen, zoals opgenomen in de laatste begroting waar de uittredende deelnemer nog in was opgenomen, de maatstaf. Deze inwonerbijdragen worden dus niet meer geïndexeerd, de uittredende deelnemer heeft immers geen betrokkenheid meer bij de vaststelling van de indexering. Voor de diensten die de uittredende deelnemer blijft afnemen, wordt een overeenkomst gesloten. In de afbouwregeling worden geen kosten opgenomen voor deze diensten. De uittredende deelnemer heeft geen recht op afkoop, uitbetaling of uitkoop van enige activa, eigen vermogen en stille reserves.

De uittredende deelnemer blijft mede verantwoordelijk voor de (overdracht van de) nazorgplicht Gulbergen en eventuele aanvulling op het doelvermogen, die daarbij aan de orde kan zijn, eventuele kosten bij overdracht van het Landgoed Gulbergen, en de uitkomsten van de gerechtelijke procedure met Attero. TOELICHTING UIT DE WET: Wgr art. 9.1 De regeling houdt bepalingen in omtrent wijziging, opheffing, toetreding, de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding, waaronder bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, en de deelnemende gemeenten, met inachtneming van artikel 1. WORDT: Artikel 47 1. De raad of het college van een gemeente kan uittreden uit de regeling door toezending aan het algemeen bestuur van daartoe strekkende besluiten. 2. De uittreding gaat in op 1 januari van het tweede jaar na het jaar van opzegging. Voor de toepassing van het vierde lid, vangt op die datum het eerste jaar van uittreding aan.. 3. Bij aanvang van de uittreding geldt het volgende voor het Stimuleringsfonds: a. de bijdrage voor het Stimuleringsfonds als bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub d, vervalt; b. er worden geen middelen meer toegekend aan partijen gevestigd in de gemeente van de uitgetreden deelnemer; c.

middelen welke voor de ingang van de uittreding, als bedoeld in het tweede lid, zijn toegekend aan partijen gevestigd in de gemeente van de uitgetreden deelnemer worden conform het subsidiebesluit afgehandeld. 4. Bij aanvang van de uittreding geldt de volgende afbouwregeling voor de bijdrage als bedoeld in artikel 38, tweede lid, met uitzondering van de bijdrage als bedoeld in artikel 7, eerste lid sub d: a. In het eerste jaar van uittreding is een volledige inwonerbijdrage verschuldigd; b. In het tweede jaar van uittreding is 75% van de volledige inwonerbijdrage verschuldigd; c. In het derde jaar van uittreding is 50% van de volledige inwonerbijdrage verschuldigd; d. In het vierde jaar van uittreding is 25% van de volledige inwonerbijdrage verschuldigd; e. Vanaf het vijfde jaar van uittreding is geen bijdrage verschuldigd f. de inwonerbijdragen als bedoeld in sub a tot en met sub e zijn gebaseerd op de laatste begroting die door het Algemeen Bestuur is vastgesteld waar de uitgetreden deelnemer nog onderdeel van uitmaakte. 5. Bij en na uittreding geldt het volgende over diensten die door Metropoolregio worden verricht voor en eventueel namens de uitgetreden gemeente: a. voor afgenomen diensten wordt een integrale kostprijs in rekening gebracht op basis van een overeenkomst b.

het totaal van de afbouwregeling en de kosten voor dienstverlening is nooit hoger dan de bijdrage die verschuldigd zou zijn wanneer de deelnemer niet was uitgetreden. c. In de afbouwregeling worden geen kosten opgenomen voor diensten die na uittreding worden afgenomen op basis van een overeenkomst. 6. De uitgetreden deelnemer blijft mede verantwoordelijk voor de verplichtingen die voortvloeien uit de taak als bedoeld in artikel 4, tweede lid, sub a

100195-2969/SVE/HLE/-40

7. De uitgetreden deelnemer blijft mede verantwoordelijk voor de verplichtingen die voortvloeien uit de taak als bedoeld in artikel 4, tweede lid, sub b 8. De uittredende deelenmer heeft bij en na uittreding geen recht op afkoop, uitbetaling of uitkoop van enige activa, eigen vermogen en stille reserves. 9. Wanneer feiten en omstandigheden het vereisen, kan het algemeen bestuur afwijken van de bepalingen in dit artikel.

Evaluatie WAS: Geen artikel OVERWEGINGEN BIJ AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: De Wgr spreekt van evaluatie van de regeling. Dat is niet hetzelfde als een evaluatie van de samenwerking of de wijze van samenwerking (governance). De regeling is een middel om de samenwerking mogelijk te maken. De evaluatiebepaling in de GR MRE van 2015 had betrekking op het functioneren van de Metropoolregio en dus primair op de samenwerking en wijze van samenwerking. De evaluatie uitgevoerd in 2017 door bureau Berenschot leidde tot nieuwe afspraken over de governance in het samenwerkingsakkoord in 2019. Deze afspraken zijn later vertaald een wijziging van de regeling. Daarin zijn toen tevens wijzigingen mee genomen om de regeling te verbeteren. De evaluatie uit 2017 leert dat dit een complex proces is en veel tijd kost. Ook na 2017 hebben partijen kritisch gekeken naar het functioneren van de MRE en aanbevelingen gedaan waar de samenwerkende gemeenten hun voordeel mee kunnen doen (bijvoorbeeld door BZK geïnitieerde onderzoeken; het rapport van de rekenkamers). Bij de voorbereiding van de nieuwe regionale agenda is in de vorm van zelfevaluatie ook aandacht besteed aan de wijze van samenwerking. Door dit op te nemen in de regeling wordt in ieder geval de wijze van samenwerking op passende wijze geëvalueerd.

Het algemeen bestuur geeft bij de vaststelling van de regionale agenda op advies van het dagelijks bestuur aan, of wijzigingen in de wijze van samenwerking moeten leiden tot een wijziging van de regeling en op welke termijn. Aanvullend kan toch de behoefte ontstaan om het functioneren van de samenwerking in de Metropoolregio, respectievelijk de regeling, onafhankelijk te laten evalueren derde partij, dat wil zeggen door een daartoe toegeruste organisatiedeskundige. Het is wel belangrijk dat het functioneren van de samenwerking niet voortdurend onder de loep ligt. Een meerderheid van het algemeen bestuur kan verzoek doen om een evaluatie, maar niet binnen 24 maanden na vaststelling van de regionale agenda. TOELICHTING UIT DE WET: Wgr art. 11a. Een regeling houdt bepalingen in omtrent de evaluatie van de regeling. WORDT: Artikel 48: 1. Conform artikel 6, tweede lid wordt in de voorbereiding van de regionale agenda gereflecteerd op de kwaliteit en de vorm van de samenwerking op grond van de regeling. Het algemeen bestuur stelt, bij de start van de voorbereiding van de regionale agenda, vast, op welke wijze deze reflectie plaats vindt. 2.

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid , kan het algemeen bestuur het dagelijks bestuur verzoeken het functioneren van de samenwerking in de Metropoolregio, respectievelijk de regeling, te doen evalueren door een daartoe toegeruste organisatiedeskundige. Voor een verzoek als bedoeld in dit lid is een meerderheid vereist van hen die een stem uitbrengen. Een verzoek als bedoeld in dit lid wordt niet gedaan binnen 24 maanden na vaststelling van de regionale agenda. 3. Het algemeen bestuur stelt bij de start van de evaluatie als bedoeld in het tweede lid vast, op welke aspecten van het functioneren van de samenwerking, respectieve de regeling de evaluatie, als bedoeld in het tweede lid, betrekking heeft.

100195-2969/SVE/HLE/-41

Wijziging of opheffing WAS: Artikel 47 1.

Een voorstel tot wijziging van deze regeling kan worden gedaan door het algemeen bestuur of door de raden van ten minste twee gemeenten. 2. De regeling wordt gewijzigd indien de colleges en raden van de deelnemende gemeenten daartoe eensluidend besluiten. 3. Een besluit tot opheffing van deze regeling wordt niet genomen voordat de betreffende bestuursorganen van de gemeenten daarmee hebben ingestemd. 4. Ingeval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige regelen. 5. Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, nadat de raden van de gemeenten gedurende twee maanden hun zienswijze hebben kunnen inbrengen, vastgesteld. 6. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de beëindiging heeft voor het personeel. 7. Het liquidatieplan geeft regels voor de wijze waarop de gemeenten, voor zover het saldo ontoereikend is, zorg dragen voor de nakoming van de verplichtingen van de Metropoolregio. 8. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie. 9. Het bestuur van de Metropoolregio blijft ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie volledig is voltooid. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: • Lid 9 wordt gewijzigd in lijn met Wgr art. 9.3. TOELICHTING UIT DE WET: Wgr art.

9.2 De regeling waarbij een openbaar lichaam of een bedrijfsvoeringsorganisatie wordt ingesteld houdt bepalingen in omtrent de vereffening van het vermogen ingeval dat openbaar lichaam wordt ontbonden. Wgr art. 9.3 Het bij een regeling ingestelde openbaar lichaam of een bedrijfsvoeringsorganisatie blijft na zijn ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. WORDT: Artikel 49 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

Een voorstel tot wijziging van deze regeling kan worden gedaan door het algemeen bestuur of door de raden van ten minste twee gemeenten. De regeling wordt gewijzigd indien de colleges en raden van de deelnemende gemeenten daartoe eensluidend besluiten. Een besluit tot opheffing van deze regeling wordt niet genomen voordat de betreffende bestuursorganen van de gemeenten daarmee hebben ingestemd. Ingeval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige regelen. Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, nadat de raden van de gemeenten gedurende twee maanden hun zienswijze hebben kunnen inbrengen, vastgesteld. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de beëindiging heeft voor het personeel. Het liquidatieplan geeft regels voor de wijze waarop de gemeenten, voor zover het saldo ontoereikend is, zorg dragen voor de nakoming van de verplichtingen van de Metropoolregio. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie. De Metropoolregio blijft ook na zijn ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is.

100195-2969/SVE/HLE/-42

HOOFDSTUK 15

GESCHILLENBESLECHTING

Geschillen WAS: Artikel 48 Geschillen omtrent de toepassing van de regeling, in de ruimste zin, tussen besturen van de gemeenten of tussen besturen van een of meer gemeenten en het bestuur van de Metropoolregio worden, overeenkomstig artikel 28 van de Wgr, beslist door gedeputeerde staten. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: Geen Wordt artikel 50; tekst blijft ongewijzigd

Klachten WAS: Artikel 49 Voor de behandeling van klachten als bedoeld in titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt door het algemeen bestuur een voorziening getroffen. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: Geen WORDT: Wordt artikel 51; tekst blijft ongewijzigd

100195-2969/SVE/HLE/-43

HOOFDSTUK 16

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Inwerkingtreding WAS: Artikel 50 1. 2.

De regeling is een voortzetting van de regeling Metropoolregio Eindhoven 2015. De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en treedt op 1 januari 2022 in werking, onverminderd het bepaalde in artikel 26, derde lid, van de wet. 3. Het college van de gemeente Eindhoven draagt zorg voor tijdige bekendmaking van de regeling in alle gemeenten in het door dat gemeentebestuur uitgegeven gemeenteblad. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: Ingangsdatum wordt 1 juli 2024. WORDT: Artikel 52 1. 2. 3.

De regeling is een voortzetting van de regeling Metropoolregio Eindhoven 2021. De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en treedt op 1 juli 2024 in werking, onverminderd het bepaalde in artikel 26, derde lid, van de wet. Het college van de gemeente Eindhoven draagt zorg voor tijdige bekendmaking van de regeling in alle gemeenten in het door dat gemeentebestuur uitgegeven gemeenteblad.

Citeertitel WAS: Artikel 51 Deze regeling wordt aangehaald als ‘Gemeenschappelijke Regeling Metropoolregio Eindhoven 2021’. AAN TE BRENGEN WIJZIGINGEN: Datering wordt 2024. WORDT: Artikel 53 Deze regeling wordt aangehaald als ‘Gemeenschappelijke Regeling Metropoolregio Eindhoven 2024’.

100195-2969/SVE/HLE/-44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13322679/2