Bijlage 3d - Bijlagen bij toelichting Bp. IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80)
Tekst van het document
De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Ook binnen het onderzoeksgebied liggen geen AMKterreinen (zie bijlage 2 en figuur 8). In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 22 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal drie archeologische onderzoeken uitgevoerd (zie bijlage 3 en figuur 8). In 2016 is door RAAP een archeologische begeleiding uitgevoerd van werkzaamheden bij de Groote Beek. Hierbij zijn verkavelingsgreppels uit de Late Middeleeuwen / Nieuwe tijd en de resten van een steenoven aangetroffen. Van een restvulling van de Groote Beek is een pollenprofiel bemonsterd en uitgewerkt.23 Op ongeveer 500 m ten noordoosten van het plangebied is een opgraving uitgevoerd in de woonwijk die nu Blixembosch heet. Aangetroffen zijn enkele erven uit de Bronstijd en de IJzertijd en uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd.
De sporen uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd behoren waarschijnlijk tot het historisch bekende landgoed Kemenade. 24
19
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. Brabant.nl 21 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 22 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 23 Roymans, 2018. 24 Bink en Wesdorp, 2016. 20
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Pagina 8 van 21
Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied25 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan wel vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 8). Het betreft grotendeels de vondstmeldingen die gedaan zijn bij de opgravingen in Blixembosch. Daarnaast is de waterput opgenomen die in het gehucht Aanholt is aangetroffen. Naast de meldingen in ARCHIS, is ook de publicatie van Arts geraadpleegd. Hieruit is de volgende informatie verkregen: Binnen vindplaats 662 zijn een plaggenhut en greppel uit de 16e/17e eeuw aangetroffen. Binnen vindplaats 138, een volkstuintjescomplex, is in 1978 een vuurstenen bijl aangetroffen. Binnen vindplaatsen 192, 82, 361, 463 is aardewerk uit de perioden IJzertijd - Nieuwe Tijd aangetroffen en een vuurstenen kling.26 De aangetroffen vondsten binnen ARCHIS laten zien dat de omgeving van het plangebied bewoning is geweest vanaf de Late Bronstijd tot en met de Nieuwe tijd. Wel moeten we opmerken dat de opgravingen en vondstmeldingen op of bij de hoge dekzandruggen liggen. Ogenschijnlijk waren deze locaties meer geschikt voor de (pre)historische mens. Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn enkele wetenschappelijke publicaties geraadpleegd.
De resultaten staan in bovenstaande paragraaf beschreven. Voor aanvullende informatie te verkrijgen over de bestaande bebouwing is het archief van de gemeente Eindhoven geraadpleegd (paragraaf bouwdossiers). Er is geen contact gezocht met het provinciaal depot van Noord-Brabant. Voor aanvullende informatie is de heemkundekring van Eindhoven gecontacteerd.
2.7
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld.
25 26
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. Arts 1994.
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Pagina 9 van 21
Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Kadastrale minuut27
1817
Gemeente Son, Sectie B, Blad 02
1:2.500
Beide deelgebieden zijn al op de kaart van 1817 bebouwd. Daarnaast zijn de deelgebieden in gebruik als bouwland.
Het gehucht Aanschot is al aanwezig en bestaat uit enkele boerenerven aan weerszijde van de Aanschotsestraat die loopt van Woensel naar Best. Het grootste deel van de omgeving is in gebruik als bouwland of heide.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1902
51E
1:50.000
De deelgebieden zijn nog steeds bebouwd, maar het lijkt om andere bebouwing te gaan.
Het gehucht Aanschot is nog steeds even groot. Wel zijn er veel boerderijen vervangen.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1935
51E
1:50.000
In het noordelijke deelgebied is nog steeds bebouwing aanwezig. Het zuidelijke deelgebied is onbebouwd. Op de BAGviewer staat echter dat het huidige pand Aanschot 80 dateert uit 1910. Dit is op historische kaarten echter niet aangegeven.
Het heidegebied ten oosten is nu volledig in gebruik als bouwland.
Topografische kaart
1973
51E
1:25.000
Beide plangebieden zijn bebouwd. Het noordelijke pand (Aanschot 76) dateert volgend de Bagviewer uit 1966.
Idem.
Topografische kaart
1994
51E
1:25.000
idem
De bebouwde kom van Eindhoven ligt al in de omgeving van het plangebied. De wijk Blixembosch is nog niet aangelegd.
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is te zien dat het plangebied aan de westzijde van de Aanschotse straat ligt. Deze straat loopt van Woensel naar Son. Ongeveer 300 m ten westen stroomt het beekdal van de Groote Beek. Circa 500 m ten oosten ligt een heidegebied (de Esper Heide). Het plangebied ligt in de Historische kern van het gehucht Aanschot. Dit gehucht bestaat uit enkele boerenerven. In beide deelgebieden is al op de oudste historische kaarten bebouwing weergegeven. Gedurende de daaropvolgende twee eeuwen zijn de deelgebieden vrijwel de hele tijd bebouwd geweest. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 m attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Eindhoven is het archief van de Bouw- en Woningtoezicht geraadpleegd, dit heeft veel verschillende bouwaanvragen opgeleverd vanaf 1956. Tabel IV geeft een opsomming van de verleende 27
Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Pagina 10 van 21
bouwvergunningen voor het plangebied. In de figuur eronder worden de vergunningen op de topografische kaart weergegeven. Tabel IV.
Verleende bouwvergunningen
bouwblok
Jaartal
Omschrijving
1
2012
Renoveren / verbouwen loods aan de Aanschot 80. Gebouw is op poeren / funderingssleuven gebouwd die reiken tot 80 cm -peil. Vermoedelijk is het binnendeel ook tot op de vaste bodem uitgegraven en daarna aangevuld met zand.
2
1992
Bouw loods / stal aan de Aanschot 80. Gebouw is op poeren / funderingssleuven gebouwd die reiken tot 60 cm - peil.
3
1975
Herbouw van een afgebrande kippenstal. Stal is op poeren gebouwd die reiken tot 80 cm -peil. Aan een lange zijde is een verdiepte mestbak aanwezig.
4 en 5
1959
Bouw van twee kippenstallen aan de Aanschot 80. Het is niet duidelijk of dit de afgebrande kippenstallen betreft. Gebouwd op poeren en funderingssleuven die reiken tot 60 cm - peil. Bij beide kippenstallen is een verdiepte mestbak aan de lange zijde aanwezig.
4 en 5
1966
Nieuwe vergunningaanvraag voor dezelfde twee kippenstallen op de Aanschot 1980 Funderingsconstructie is gelijk.
6
1956
De realisatie van een aanbouw van de boerderij op de Aanschot 80. De aanbouw is gefundeerd op peren en funderingssleuven die reiken tot 60 cm -mv.
7
2008
Realisatie van een aanbouw aan de Aanschot 76. Er is een bouwput gegraven tot 80 cm -mv.
8, 9 en 10
1997
realisatie van varkensstallen op de Aanschot 76. Er zijn bouwputten gegraven tot op de vaste bodem, waarin de funderingen en de rioleringen zijn gelegd. Daarna is er aangevuld met zand.
8, 9 en 10
1962, 1965, 1987 en 1991
Verschillende vergunningsaanvragen van stallen op de Aanschot 76. De stallen zijn met funderingssleuven en poeren gegraven. In het binnendeel zijn rioleringssystemen aanwezig over een groot oppervlak. Vermoedelijk is ook bij deze stallen over de gehele oppervlakte verdiept tot op de vaste bodem. De stallen zijn anders georiënteerd dan de huidige stallen.
Als we kijken naar de verleende bouwvergunningen dan kunnen we vaststellen dat de locaties waar de stallen nu staan (1, 2, 3, 4, 5, 8, 9, 10) en ook die van het huis (7) verstoord zullen zijn tot in de top van de C-horizont. Voordat de huidige stallen van Aanschot 76 werden gerealiseerd, stonden er ook al stallen. Deze stallen zijn anders georiënteerd, waardoor ervan uit kan worden gegaan dat ter plaats e van dit perceel meer is verstoord dan enkel de locaties van de huidige bebouwing. Bij beide percelen moet er rekening gehouden worden dat er tussen de gebouwen andere ingravingen zijn geweest. Dit betreffen onder andere sleuven voor kabels, leidingen, rioleringen en wellicht ook giertanks, olietanks etc. Aangenomen mag worden dat de grond tussen de stallen ook tot in de top van de C-Horizont geroerd is.
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Pagina 11 van 21
Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of er mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 28 Het plangebied is onderdeel van het operatiet Market Garden. Dit was een grootschalig geallieerd offensief met als doel de vestiging van een bruggenhoofd ten noorden van de Neder-Rijn tussen Arnhem en het IJsselmeer om de Duitse troepen in het westen van Nederland af te snijden. Volgens de Ruimingskaart van Beobom zijn er in de directe omgeving geen bekende locaties van munitie bekend. Er worden geen archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog verwacht in het plangebied. De attentiekaart ondergrondse militaire resten van de gemeente Eindhoven is ook geraadpleegd. Hierop zijn binnen het plangebied geen vindplaatsen aangegeven.29
Amersfoort & Kamphuis, 1990/Jong, 1969 – 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 29 Snippenburg, Boshoven & Hesseling 2022. 28
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Pagina 12 van 21
Aanvullende informatie Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 23 Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 23 (d.d. 24-11-2020), maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd. 2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel V.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum
Middelhoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Mesolithicum
Middelhoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Neolithicum
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Bronstijd
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
IJzertijd
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Romeinse tijd
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Vroege-Middeleeuwen
Middelhoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Late-Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Nieuwe tijd
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten,
Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Pagina 13 van 21
organische resten en gebruiksvoorwerpen
Het plangebied ligt op een lage dekzandrug. Op een afstand van 250 m ten westen ligt het beekdal van de Groote Beek en 500 m ten oosten ligt het heidegebied de Esper Heide in een dekzandvlakte. Ten noorden en ten zuiden van het plangebied liggen hoger gelegen hoge dekzandruggen. Dit gevarieerde landschap kan een aantrekkelijk gebied zijn geweest voor jagers en verzamelaars. Het is de vraag of het plangebied zelf gebruikt zal zijn geweest voor kort of lang gebruikte kampjes. De verwachting op het aantreffen van sporen en vondsten van jagers en verzamelaars wordt daarmee op middelhoog gesteld. Voor landbouwers vanaf het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen geldt dat zij hoge en droge locaties nodig hebben. Hier zijn vruchtbare bodems ontstaan, waar het best op geakkerd kan worden. Het plangebied ligt op een lage dekzandrug. In de nabijheid zijn hogere locaties aanwezig, waarvan vastgesteld is dat er in de (pre)historie gewoond en geakkerd is. Om deze redenen wordt de verwachting op het aantreffen van sporen en vondsten van landbouwers vanaf het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen als middelhoog gesteld. Op historische kaarten is te zien dat er al aan het begin van de 19e eeuw bewoning is in het plangebied. De vondst van een waterput en potscherven uit de 13 e eeuw geeft aan dat de bewoning verder teruggaat.
De kans op het aantreffen van sporen en vondsten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd wordt daarom als hoog gesteld. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als erf en bouwland. Activiteiten die hier bij horen (denk aan ploegen / rooiwerkzaamheden / bouwactiviteiten / aanleggen van ondergrondse infrastructuur) kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. 2.9
Conclusie bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Deze is middelhoog voor de periodes Paleolithicum Vroege Middeleeuwen en hoog voor de periodes Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Pagina 14 van 21
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, niet of deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. 3.2
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 7 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kunnen de hoofdlijnen van de opbouw van de bodemde bodemopbouw als volgt worden weergegeven.
Tabel VI.
Hoofdlijn bodemopbouw Diepte
Samenstelling
Interpretatie
0 - 50 / 80 cm -mv
Donkergrijs bruin zwak humeus, matig fijn, matig siltig zand
Plaggendek
> 50 / 80 cm -mv
Bruingeel matig fijn matig siltig zand
C-Horizont
De top van de bodemopbouw bestaat uit een 50 tot 80 cm dikke laag bestaande uit donkergrijs bruin zwak humeus matig fijn matig sitlig zand. De laag wordt geïnterpreteerd als plaggendek. Omdat de laag dikker is dan 50 cm, kan het, zoals de bodemkaart aangeeft, geclassificeerd worden als hoge enkeerdgrond. Onder het plaggendek ligt een pakket matig fijn, matig siltig, bruingeel zand. Dit pakket wordt als Chorizont geïnterpreteerd. In boring 4 en 8 is een 30 cm dikke laag matig fijn matig siltig blauwgrijs zand aangetroffen onder het plaggendek. Deze laag is geïnterpreteerd als beekafzettingen van de Groote Beek. Boring 4 ligt het dichts bij de beek. Dat de afzettingen hier voorkomen is dan ook verklaarbaar. Boring 8 ligt midden op het terrein van Aanschot 80. Boring 9 en 10 liggen westelijker. Boring 9 is gestuit op puin, maar in boring 10 is de blauwgrijze laag niet aangetroffen. Mogelijk is deze opgenomen in het plaggendek. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Pagina 15 van 21
de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.3
Conclusie veldonderzoek
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Tijdens het booronderzoek is vastgesteld dat in het plangebied een AC-profiel aanwezig is, namelijk een plaggendek dat gelegen is op een C-Horizont. De oorspronkelijke podzol, als deze er al is geweest, is niet aangetroffen. In twee boringen is een blauwgrijze laag aangetroffen die als afzettingen van de Groote Beek zijn geïnterpreteerd. Dit geeft aan dat het gebied in het verleden vrij nat moet zijn geweest. De archeologische verwachting voor de periodes Paleolithicum - Vroege Middeleeuwen kan worden bijgesteld naar laag. Het ontbreken van een podzolprofiel geeft aan dat vondsten van jagers verzamelaars, als deze er al geweest zijn, verspreid zijn geraakt. Deze vondsten zullen zich niet meer in situ bevinden. De natte omstandigheden geven aan dat de locatie waarschijnlijk niet geschikt was voor landbouwers vanaf het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. De archeologische verwachting (hoog) voor de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd blijft gehandhaafd.
4
CONCLUSIE EN ADVIES
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. De opgestelde archeologische verwachting is middelhoog voor de periodes Paleolithicum - vroege Middeleeuwen en hoog voor de periodes Late Middeleeuwen / Nieuwe tijd. Het booronderzoek toonde aan dat in het plangebied een AC-profiel aanwezig is, met daarin in twee boringen een blauwgrijze laag die als beekafzettingen geïnterpreteerd zijn. Het ontbreken van een podzol en de aanwezigheid van de beekafzettingen zorgen ervoor dat de verwachting op het aantreffen van sporen en vondsten vanaf het Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen bijgesteld kan worden naar laag. De verwachting voor de periodes Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd blijft gehandhaafd. Uit de bouwdossiers blijkt dat er de afgelopen ‘70 jaar veel is gebouwd en gesloopt. De bodem in die delen van het plangebied waar de stallen aanwezig zijn, is bij deze werkzaamheden dusdanig geroerd dat hier geen archeologische sporen en vondsten meer verwacht hoeven te worden. Econsultancy adviseert deze delen vrij te geven voor ontwikkeling en de dubbelbestemming te laten vervallen. Econsultancy adviseert voor de rest van het plangebied om de dubbelbestemming archeologie te handhaven.
Mochten hier graafwerkzaamheden verricht worden en behoud in situ niet mogelijk blijken, dan adviseert Econsultancy om archeologisch onderzoek te laten verrichten in de vorm van proefsleuven of een archeologische begeleiding. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Eindhoven). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Pagina 16 van 21
Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 30).
30
Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Pagina 17 van 21
LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Arts, N. (red.), 1994: Sporen onder de Kempische stad. Archeologie, ecologie en vroegste geschiedenis van Eindhoven, Eindhoven [bij onderzoek in de middeleeuwse stadskern]. Bakker, H. de & J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland De hogere niveaus. Wageningen. Berkvens, R. & N. Arts, 2022: Actualisatie archeologische verwachtingen- en waardenkaart gemeente Eindhoven. Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Doesburg, J. van (red.), et al., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort 2007. Hos, T.H.L., 2020: Plan van Aanpak booronderzoek Aanschot 76 en 80 te Eindhoven, Econsultancy rapport 13589.003, Boxmeer Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Kars, H. & A. Smit (red.), 2003: Handleiding Fysiek Behoud Archeologisch Erfgoed. Degradatiemechanismen in sporen en materialen. Monitoring van de conditie van het bodemarchief. Amsterdam (Geoarchaeological and Bioarchaeological Studies, 1). Klep C. & B.
Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 2: Bodemgeografie. Malmberg, Den Bosch. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen.
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Pagina 18 van 21
Normalisatie-Instituut, Nederlands, 2020: NEN-EN-ISO 14688-1:2019+NEN 8990:2020 nl: Geotechnisch onderzoek en beproeving - Identificatie en classificatie van grond - Deel 1: Identificatie en beschrijving. Delft. Provincie Noord-Brabant, 2007: Van beekdal tot stuifduin; aardkundige waarden in Noord-Brabant. Snippenburg, B.J.G., E.H. Boshoven, H.J. Hesseling 2022: Ondergronds Militair Erfgoed in de gemeente Eindhoven. Een archeologische inventarisatie en advies (Raap rapport 5557), Weesp. Stichting voor Bodemkartering, 1981: Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 51 Oost / Eindhoven. TNO, 2010: Geologische Overzichtskaart van Nederland, schaal 1:600.000. TNO, 2013: Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, versie 2013. Uitgeverij Nieuwland, 2008: Grote Historische topografische Atlas Noord-Brabant, 1836-1843, schaal 1:25.000. Tilburg. Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000. Wolters-Noordhoff Atlasproducties, 1990: Grote Historische Atlas van Nederland, deel 1 West-Nederland 1839-1859/deel 2 Noord-Nederland 1851-1855/deel 3 Oost-Nederland 1830-1855/deel 4 ZuidNederland 1838-1857. Groningen. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Pagina 19 van 21
BRONNEN AHN; internetsite, oktober 2020. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, oktober 2020. https://archis.cultureelerfgoed.nl Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), internetsite, oktober 2020. http://bagviewer.kadaster.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed; internetsite, oktober 2020. http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) Nederland, internetsite, oktober 2020. http://maps.bodemdata.nl/ Bodemloket, internetsite, oktober 2020. http://www.bodemloket.nl Brabant.nl; internetsite, oktober 2020. https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=1dab0b45b3234fffa8090a4bc8ae06f8 Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant; internetsite, oktober 2020. http://www.brabant.nl/kaarten.aspx Data Archiving and Networked Services DANS-Easy; internetsite, oktober 2020. https://easy.dans.knaw.nl/ui/home Dinoloket; internetsite, oktober 2020. http://www.dinoloket.nl/ Erfgoedkaart Fysisch Landschap gemeente Eindhoven, april 2025. Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, oktober 2020. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, oktober 2020. http://www.topotijdreis.nl/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, oktober 2020.
http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, oktober 2020. https://pdokviewer.pdok.nl
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Pagina 20 van 21
Ruimingskaart; internetsite, oktober 2020. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, oktober 2020. https://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, oktober 2020. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Pagina 21 van 21
Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland31
31
Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Figuur 2. Detailkaart van het plangebied32
32
Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK).
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied33
33
Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK).
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart 34
34
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart 35
35
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Figuur 6. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) 36
36
AHN
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart37
37
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied 38
38
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Aanschot 76 en 80 te Eindhoven. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Plangebied
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Figuur 9. Situering van het plangebied op de kadastrale minuut van 183239
39
Beeldbank, Rijkdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Figuur 10. Situering van het plangebied binnen de topografische kaart van omstreeks 190040
40
Kadaster Topotijdreis
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Figuur 11. Situering van het plangebied binnen de topografische kaart van omstreeks 1935 41
41
Kadaster Topotijdreis
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Figuur 12. Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 197042
42
Kadaster Topotijdreis.
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Figuur 13. Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 199443
43
Kadaster Topotijdreis.
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Figuur 14. Boorpuntenkaart
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Figuur 15. Verstoord gebied (op basis van archiefonderzoek)
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr. 1950
14
Chronostratigrafie
C jaren
Pollen zones
0
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Bijlage 2
AMK-terreinen
Er liggen geen AMK terreinen binnen een straal van 500 m van het plangebied.
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Bijlage 3 Zaaknummer (OMnummer) 2993180100
3999039100
2956511100
2002379100 (823)
2912536100
2002168100 (822)
2899189100
2899189100
2899189100
Onderzoeksmeldingen Locatie
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek
110 meter ten oosten van het plangebied Aanschot te Eindhoven Gemeente Eindhoven Coördinaat: 160630/389040 250 meter ten westen van het plangebied te Eindhoven Gemeente Eindhoven Coördinaat: 160284/389017
Type onderzoek: graafwerkzaamheden Uitvoerder: particulier Datum: onbekend Resultaat: niet vermeld in Archis
350 meter ten zuidoosten van het plangebied Aanschot te Eindhoven Gemeente Eindhoven Coördinaat: 160650/388720 400 meter ten zuidwesten van het plangebied Briljant (Wegcunet) te Eindhoven Gemeente Eindhoven Coördinaat: 160270/388730 400 meter ten zuidwesten van het plangebied Aanschot-Ehv/Aa/91 te Eindhoven Gemeente Eindhoven Coördinaat: 160270/388730 450 meter ten zuidoosten van het plangebied Blixembosch te Eindhoven Gemeente Eindhoven Coördinaat: 160800/388700 450 meter ten zuidoosten van het plangebied Blixembosch te Eindhoven Gemeente Eindhoven Coördinaat: 160800/388700 450 meter ten zuidoosten van het plangebied Blixembosch te Eindhoven Gemeente Eindhoven Coördinaat: 160800/388700 450 meter ten zuidoosten van het plangebied Blixembosch te Eindhoven Gemeente Eindhoven Coördinaat: 160800/388700
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Type onderzoek: archeologische begeleiding Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 16-5-2016 Resultaat: Het betreft een begeleiding van de werkzaamheden bij de Groote Beek. Er zijn verkavelingsgreppels uit de late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd aangetroffen. Ook zijn er resten van een steenoven aangetroffen. Tenslotte is er een pollenprofiel bemonsterd dat inzicht gegeven heeft in de vegetatieontwikkeling van de omgeving. Type onderzoek: veldkartering Uitvoerder: particulier Datum: onbekend Resultaat: niet vermeld in Archis Type onderzoek: onbekend Uitvoerder: particulier Datum: 29-4-1991 Resultaat: niet vermeld in Archis Het betreft infrastructurele werken, wegaanleg Type onderzoek: opgraving Uitvoerder: particulier Datum: onbekend Resultaat: niet vermeld in Archis
Type onderzoek: onbekend Uitvoerder: particulier Datum: 6-3-1991 Resultaat: niet vermeld in Archis Het betreft bouwwerkzaamheden Type onderzoek: opgraving Uitvoerder: particulier Datum: onbekend Resultaat: niet vermeld in Archis Type onderzoek: opgraving Uitvoerder: particulier Datum: onbekend Resultaat: niet vermeld in Archis Type onderzoek: opgraving Uitvoerder: particulier Datum: onbekend Resultaat: niet vermeld in Archis
Rapport
Rapport
Bijlage 4 Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 2993180100 (200069)
2956511100 (44615)
Vondstmeldingen Locatie
Omschrijving
110 meter ten oosten van het plangebied Aanschot te Eindhoven Gemeente Eindhoven Coördinaat: 160630/389040 350 meter ten zuidoosten van het plangebied Aanschot te Eindhoven Gemeente Eindhoven Coördinaat: 160650/388720
Late Middeleeuwen : - waterput
Paleolithicum - IJzertijd : - fragment van een vuursteen kling IJzertijd : - handgevormd aardewerk Romeinse tijd : - 2 fragmenten van gladwandig aardewerk Vroege Middeleeuwen : - fragment van gedraaid aardewerk Late Middeleeuwen : - 7 fragmenten van grijsbakkend gedraaid aardewerk - proto-steengoed - 12 fragmenten van Elmpter aardewerk - 34 fragmenten van Brunssum-Schinveld geelwit aardewerk - fragment van Andenne aardewerk - 2 fragmenten van Paffrath aardewerk
2912536100
2899189100 (35206)
400 meter ten zuidwesten van het plangebied Aanschot-Ehv/Aa/91 te Eindhoven Gemeente Eindhoven Coördinaat: 160270/388730 450 meter ten zuidoosten van het plangebied Blixembosch te Eindhoven Gemeente Eindhoven Coördinaat: 160800/388700
Nieuwe tijd : - fragmenten van keramische kleipijpen - fragmenten van roodbakkend geglazuurd aardewerk - fragmenten van steengoed geglazuurd Bronstijd - IJzertijd : - grondsporen,
Neolithicum : - fragmenten van vuursteen objecten, IJzertijd : - fragmenten van keramische objecten, Romeinse tijd : - fragmenten van keramische objecten, - fragmenten van dakpannen Vroege Middeleeuwen : - botmateriaal - fragmenten van keramische kogelpotten - 2 fragmenten van plantaardig, hout tonnen/vaten/kuipen - fragmenten van keramische objecten, - fragmenten van ijzeren objecten, - fragmenten van leren objecten, - fragmenten van plantaardig, hout objecten, - fragmenten van organisch plantaardig objecten, - 2 huisplattegronden - fragment van een plantaardig, hout wiel (onderdeel) - huisplattegrond:1-schepig - fragmenten van Badorf aardewerk - fragmenten van keramische bolpotten - 2 fragmenten van bronzen fibulae - fragmenten van Andenne aardewerk - greppels/sloten - 3 grondsporen, - fragmenten van maalstenen - fragment van een palissade - fragmenten van geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk - 7 fragmenten van plattegronden - slijpstenen - 7 waterputten - 6 waterputten Late Middeleeuwen : - proto-steengoed - fragmenten van Elmpter aardewerk
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Bijlage 5
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat-Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge NoordzeeBekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op.
Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd.
De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn.
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast.
De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt.
In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Bijlage 6
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloopof graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving.
Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische resarcheologie door ten door archeoloplanaanpassing gen (variant begeleiding)
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van ar► cheologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig ► maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Bijlage 7
Boorprofielen
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
geen geur zwakke geur matige geur sterke geur uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde >0
Zand, kleiïg
>1 >10 Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000
Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
>10000
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
monsters geroerd monster
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen zwak humeus
veen Veen, mineraalarm
matig humeus
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
ongeroerd monster volumering
overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
Gemiddeld laagste grondwaterstand slib
water
Rapport 13589.003 versie Definitieve versie
bestemmingsplan IX Blixembosch (Aanschot 76 en 80)
Bijlage 3 Parkeerberekening Aanschot 76
88
Bijlagen bij toelichting (vastgesteld)
De parkeernormen zijn gebaseerd op de Nota parkeernormen 2024.
Projectnaam: Aanschot Gebied: Rest Gebied Adres: Aanschot 80 Datum: 12-12-2024 13:32:02 Projectcode:
(Extra) Parkeerbehoefte nieuwe situatie: 12 parkeerplaatsen (Extra) Fiets Parkeerbehoefte: 38 stallingen
Berekening Overzicht Oude situatie Functie
Type
Aantal
De huidige locatie heeft (voldoende) parkeerplaatsen aanwezig op eigen terrein.
Parkeer Norm behoefte
Nieuwe situatie Parkeer Norm behoefte
Functie
Type
Aantal
Wonen
Koop grondgebonden twee-onder-een-kap
Aantal woningen: 2.0
1.40
2.8
Wonen
Koop grondgebonden rijwoning
Aantal woningen: 7.0
1.20
8.4
Wonen
Bezoekers Woningen
Aantal woningen: 9.0
0.20
1.8
Aanwezigheidspercentages Oude Situatie Niet van toepassing
Aanwezigheidspercentages Nieuwe Situatie Aantal woningen: 2.0
Koop grondgebonden twee-onder-een-kap Werk Ochtend
Werk Middag Werk Avond Koop Avond Werk Nacht Zat. Middag Zat. Avond Zon. Middag
50%
50%
90%
80%
100%
60%
80%
70%
1.4
1.4
2.52
2.24
2.8
1.68
2.24
1.96
Aantal woningen: 7.0
Koop grondgebonden rijwoning Werk Ochtend
Werk Middag Werk Avond Koop Avond Werk Nacht Zat. Middag Zat. Avond Zon. Middag
50%
50%
90%
80%
100%
60%
80%
70%
4.2
4.2
7.56
6.72
8.4
5.04
6.72
5.88
Aantal woningen: 9.0
Bezoekers Woningen Werk Ochtend
Werk Middag Werk Avond Koop Avond Werk Nacht Zat. Middag Zat. Avond Zon. Middag
10%
20%
80%
70%
0%
60%
100%
70%
0.18
0.36
1.44
1.26
0
1.08
1.8
1.26
Totalen Totalen nieuwe situatie Werk Ochtend
Werk Middag Werk Avond Koop Avond Werk Nacht Zat. Middag Zat. Avond Zon. Middag
5.78
5.96
11.52
10.22
11.2
7.8
10.76