CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3b - TAM-omgevingsplan Emmasingelkwadrant - Bijlagen bij motivering

Raadsvergadering 16 juni 2026, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling wijzigingsbesluit TAM-omgevingsplan ‘Emmasingelkwadrant (Bouwblok C)’16.567 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

3.3

Geur

Toetsingskader De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: 5. bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; 6. bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven); Huidige situatie De flexwoningen zijn geurgevoelige objecten.

14/36

Voorgenomen plan Met dit project wordt geen nieuwe geurbron mogelijk gemaakt. Wel worden nieuwe woningen mogelijk gemaakt en dat zijn geurgevoelige objecten. In de omgeving van het besluitgebied zijn echter geen geurveroorzakende activiteiten (bedrijven, veehouderijen en dergelijke) met een invloed op het besluitgebied. Conclusie Gelet op het voorgaande is vanuit het aspect geur geen sprake van negatieve effecten.

3.4

Bodem

Toetsingskader In het Bkl worden de regels voor bodem onder de Omgevingswet opgenomen. De regels zij gericht op drie pijlers: ● Voorkomen van nieuwe verontreinigingen (zorgplicht) ● Meewegen van bodemkwaliteit bij toedelen functies (in Omgevingsvisie en Omgevingsplan) ● Beheren van historische verontreinigen De regels gaan over het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie en de nazorg na saneren. De milieubelastende activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Milieubelastende activiteiten ten aanzien van bodem zijn onder andere het graven in de bodem met een kwaliteit onder, gelijk aan of boven de interventiewaarde, het op of in de bodem brengen van meststoffen, saneren van bodem en het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Huidige situatie Op deze locatie is een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd.

Op deze locatie is een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan maakt als Bijlage 5 onderdeel uit van deze motivering. Tijdens het verkennend onderzoek zijn twee verontreinigingsvlekken met koper aangetoond. Het betreffen vlekken met een geschatte omvang van 13 m3 en 30 m3. Gezien het gebruik van de locatie, de geschiedenis van de binnenstad van Eindhoven en het ontbreken van een aanwezige verontreinigingsbron op de locatie wordt uitgegaan van een historische verontreiniging. Op basis van de risicobeoordeling is vastgesteld dat de verontreinigingen geen onaanvaardbare risico’s vormen in de functie van wonen met tuin. De verontreinigingen zijn hiermee geen toevalvondst. Ter plaatse van boring 03 van het aanvullend onderzoek is een gehalte van 1,0 mg/kg benzeen aangetoond. Dit gehalte heeft een indexwaarde van 0,89. Formeel is geen sprake van een sterke verontreiniging met benzeen in de bodem. In het grondwater van de in de september 2025 geplaatste peilbuis 01 zijn vier overschrijdingen van de sbg-waarde aangetoond met barium, kobalt, koper en nikkel. Formeel gezien geven deze concentraties aanleiding om een grondwatersanering uit te voeren. Geadviseerd wordt om een herbemonstering van het grondwater uit te voeren. Ter plaatse van de rest van de locaties zijn geen waarden aangetoond welke een belemmering geven voor de toekomstige ontwikkeling.

Voor de gehele locatie dient bij graafwerkzaamheden rekening te worden gehouden met de verschillende bodemkwaliteitsklassen welke conform artikelen 4.1222 en 4.1230 van het Bal zoveel als mogelijk gescheiden ontgraven dienen te worden.

15/36

Bij grondverzet van meer dan 25 m3 is de milieubelastende activiteit ‘graven’ van toepassing. Hiervoor gelden regels voor het ‘graven in bodem met een kwaliteit onder en gelijk aan de interventiewaarde’. Voor deze te ontgraven grond (onder of gelijk aan de interventiewaarde) gelden de regels zoals beschreven in paragraaf 3.2.21 en 4.1.19 van het Bal. Voor de sterk verontreinigde grond is sprake van ‘graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde’ waarvoor er een melding, informatieplicht en inhoudelijke regels gelden. Een en ander conform paragraaf 3.2.22 en 4.120 van het Bal. De uitvoering van de graafwerkzaamheden dient hier plaats te vinden door BRL6000 en BRL7000 gecertificeerde bedrijven. Het lokaal beleid van gemeente Eindhoven sluit aan bij paragraaf 3.2 van de Circulaire bodemsanering 2013. Dit wil zeggen dat, als het redelijkerwijs mogelijk is, wordt verwacht dat in samenhang met de activiteit de verontreiniging van de bodem ongedaan gemaakt wordt. Geadviseerd wordt dan ook om de verontreinigingen te saneren. Hierbij is sprake van de milieubelastende activiteit (MBA) saneren van de bodem, zoals gesteld in paragraaf 3.2.23 in het Bal (Omgevingswet). In overleg met de gemeente Eindhoven kan de saneringsdoelstelling afgestemd worden, mogelijk is hier maatwerk van toepassing.

In het grondwater van de in de september geplaatste peilbuis 01 zijn, na een herbemonstering, geen verhoogde concentraties aangetoond. Voorgenomen plan Met de beoogde ontwikkeling worden geen bodemvervuilende activiteiten mogelijk gemaakt. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande is vanuit het aspect bodem geen sprake van negatieve effecten.

3.5

Omgevingsveiligheid

Toetsingskader Bij een mer-beoordeling wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende risicobronnen gekeken, namelijk bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door leidingen. Rondom deze bronnen kan sprake zijn van aandachtsgebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. De aandachtsgebieden zijn: ● Het brandaandachtsgebied (BAG) ● Het explosieaandachtsgebied (EAG) ● Het gifwolkaandachtsgebied (GAG) Onder de Omgevingswet wordt een nieuwe categorie te beschermen gebouwen geïntroduceerd: de zeer kwetsbare objecten, dit zijn gebouwen waarvan de gebruikers niet in staat zijn zichzelf in veiligheid te brengen. Hieronder vallen bijvoorbeeld basisscholen en ziekenhuizen. Huidige situatie Het spoortraject Boxtel - Eindhoven - onderdeel uit van het Basisnet - bevindt zich ten noorden van het besluitgebied. Het invloedsgebied wordt bepaald door het vervoer van stofcategorie D4 en bedraagt 4 kilometer. Voor het traject geldt een PR-plafond van 6 meter en een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter.

Met een afstand van circa 350 meter tot het spoortraject is de ontwikkeling niet in de PR-contour, het plasbrandaandachtsgebied dan wel anderszins in het invloedsgebied gelegen, zodat een berekening en verantwoording van het groepsrisico niet aan de orde is.

16/36

Het besluitgebied is ook overigens niet (deels) gelegen binnen invloedgebieden. Het dichtstbijzijnde aandachtsgebied ziet op het risico op een gifwolk in welk geval vluchten, dan wel binnenblijven (ramen en deuren dicht en de ventilatie uitschakelen) de strategieën zijn. Omdat het besluitgebied buiten dit aandachtsgebied is geprojecteerd, zal in een dergelijk geval voldoende gelegenheid zijn om te ontruimen en vluchten.

Figuur 3.1 Uitsnede kaart Veiligheidsinformatie milieubelastende activiteiten van Atlas Leefomgeving (Bron: Ministerie IenW – Register externe veiligheid, 2024)

Voorgenomen plan Met dit project wordt niet voorzien in een nieuwe risicovolle activiteit. Wel worden kwetsbare gebouwen (woonfunctie) mogelijk gemaakt. Maar gezien het feit dat geen sprake is van risicovolle activiteiten Conclusie Gelet op het voorgaande is vanuit het aspect omgevingsveiligheid geen sprake van negatieve effecten.

3.6

Verkeer

Toetsingskader Een plan moet vanuit verkeer uitvoerbaar zijn in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan. De aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid dienen gemotiveerd te worden. Daarnaast is verkeer een onderdeel van de aspecten die in een omgevingsplan worden beoordeeld, zoals veiligheid in de breedste zin des woords. Ook zijn verkeerscijfers en routes van belang voor de onderwerpen die wel expliciet geregeld zijn en onderzocht moeten worden, zoals geluid en luchtkwaliteit. Het Masterplan Mobiliteit 2050 'Wij gaan vooruit' is in maart 2024 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin zijn de hoofdlijnen van het mobiliteitsbeleid voor de komende decennia (planhorizon 2050) vastgelegd. Met een concrete uitwerking voor de komende jaren (t/m 2026) en een doorkijk naar 2030. Deze visie vormt het bestuurlijke beleidskader voor alle verkeersen mobiliteitsopgaven.

17/36

Verkeersgeneratie De totale extra verkeersgeneratie van de ontwikkeling bedraagt naar verwachting circa 170 verkeersbewegingen per werkdagetmaal. De toename in het drukste uur van de dag bedraagt als gevolg van de ontwikkeling circa 17 motorvoertuigbewegingen, minder dan één motorvoertuig per 3 minuten. Deze toename vindt grotendeels verspreid plaats over de omgeving, aangezien bezoekers op meerdere locaties kunnen parkeren. Deze relatief geringe verkeerstoename zal niet leiden tot nieuwe verkeersknelpunten. Conclusie Gelet op het voorgaande is vanuit het aspect verkeer geen sprake van negatieve effecten.

3.7

Natuur

Toetsingskader In de omgevingswet zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dieren plantensoorten bepaald. Deze zijn implementeert vanuit diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Omgevingswet kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: ● Natura-2000 gebieden; ● Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natura-2000 gebieden Natura 2000 richt zich op het behoud en de ontwikkeling van natuurgebieden in heel Europa. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Voor Nederland gaat het om ruim 160 gebieden. Alle Natura 2000-gebieden liggen binnen het Nationaal Natuurnetwerk. Een groot deel van de Natura 2000-gebieden is inmiddels definitief aangewezen. Dat gebeurt in de vorm van een aanwijzingsbesluit. In het aanwijzingsbesluit staat welke doelen Nederland nastreeft voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld welke planten en dieren bescherming verdienen. Vervolgens komt er in nauw overleg met betrokken partijen een beheerplan, waarin onder andere staat beschreven welke maatregelen nodig zijn om de doelen te behalen.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) In de Wet natuurbescherming is ook geregeld dat de provincies ter bescherming van bijzondere soorten een landelijk samenhangend stelsel van natuurgebieden moet begrenzen én beschermen, het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Verdere uitwerking hiervan is opgenomen onder de provinciale verordening. Soortenbescherming In de Omgevingswet wordt een onderscheid gemaakt tussen: ● soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; ● soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; ● overige soorten. Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van natuur zijn de volgende criteria van belang: ● gebiedsbescherming: aantasting of verstoring van Natura 2000 of Natuurnetwerk Nederland; ● soortenbescherming: aantasting of verstoring van bestaande natuurwaarden. Huidige situatie gebiedsbescherming

18/36

Het besluitgebied ligt niet binnen een natuurgebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het Natura 2000-netwerk is het gebied “Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux ” dat op circa 4 km ten zuidoosten van het besluitgebied is gelegen. Op ongeveer 0,9 kilometer ten zuidoosten van het besluitgebied is het dichtstbijzijnde stukje Natuur Netwerk Nederland (in de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant begrensd als zijnde Natuurnetwerk Brabant) gelegen. Verder is het besluitgebied niet gelegen binnen of in de nabijheid van een belangrijk weidevogelgebied. Voorgenomen plan gebiedsbescherming Gelet op de afstand tot het NNB kunnen negatieve effecten als gevolg van het planvoornemen op voorhand worden uitgesloten. Directe negatieve effecten van dit project op de beschermde natuurgebieden zijn niet te verwachten, vooral gelet op aard en omvang van het plan in combinatie met de afstand van het besluitgebied tot aan deze natuurgebieden. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd. Zie de betreffende bijlagen bij de motivering.

Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor zowel de realisatie- als de gebruiksfase van de ontwikkeling. Huidige situatie soortenbescherming Aangezien voorgenomen werkzaamheden mogelijk kunnen leiden tot een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, heeft een geschiktheidsbeoordeling plaatsgevonden (zie bijlage bij motivering). Op basis van de geschiktheidsbeoordeling is geconcludeerd dat de huidige bebouwing geschikt is voor het nestelen van huismussen en gierzwaluwen en dat kraamverblijfplaatsen en massawinterverblijfplaatsen van vleermuizen niet zijn uitgesloten. Om vast te kunnen stellen of de huismus, de gierzwaluw en/of vleermuizen aanwezig zijn in het besluitgebied en of de uitvoering van de gewenste ruimtelijke ingreep een negatief effect heeft op de gunstige staat van instandhouding van eventueel aanwezige soorten, is nader soortspecifiek onderzoek uitgevoerd. Zie de betreffende bijlage bij de motivering. Gelet op de resultaten van voornoemde geschiktheidsbeoordeling, is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar bovengenoemde soorten. De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 13 aan deze motivering gehecht. Het ter zake deskundig bureau is vanaf april 2025 gestart met het onderzoek naar huismussen.

Vanaf half mei tot en met eind augustus/begin september 2025 heeft vleermuisonderzoek plaatsgevonden en in juni/juli 2025 heeft gierzwaluw onderzoek plaatsgevonden. • •

•

Tijdens het onderzoek zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. De aanwezigheid van bijzondere functies van vleermuizen is uitgesloten. Tijdens het onderzoek zijn geen nestlocaties van huismussen aangetroffen binnen het besluitgebied. Gezien het ontbreken van nestlocaties van huismussen binnen het plangebied, is het voorkomen van een kolonie huismussen uitgesloten. Tijdens het onderzoek zijn geen nestlocaties van gierzwaluwen aangetroffen binnen het besluitgebied. Gezien het ontbreken van nestlocaties van gierzwaluwen binnen het besluitgebied, is het voorkomen van een kolonie gierzwaluwen uitgesloten.

Binnen het besluitgebied zijn geen bijzondere functies vastgesteld van soorten. Het slopen van het gebouw kan plaatsvinden op basis van de gebiedsontheffing van Woonbedrijf met kenmerk Z/174764 die is verleend op 10 maart 2023, zonder hiervoor een goedkeuringsbesluit aan te vragen.

19/36

Wel dient vóór de sloop het gebouw een Ecologisch Werkprotocol opgesteld te worden. Dit protocol dient uiterlijk twee dagen vóór de ontmoediging ingediend te worden bij het bevoegd gezag. In de nieuwbouw dienen permanente voorzieningen gerealiseerd te worden conform het Soortmanagementplan gebouwbewonende soorten Eindhoven en Geldrop van Woonbedrijf. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande is voor het aspect natuur geen sprake van negatieve effecten.

3.8

Water

Toetsingskader In het Bkl zijn omgevingswaarden vastgesteld voor onder andere de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater en zwemwaterkwaliteit. Aangezien deze omgevingswaarden voortkomen uit Europese normen, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn en de Drinkwaterrichtlijn, kan een afwijkende omgevingswaarde daarom alleen strenger zijn. De waterschapsverordening bevat algemene regels over het watersysteem (waterkeringen, watergangen en grondwater) binnen het beheergebied van waterschap De Dommel. Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van water zijn de volgende criteria van belang: ● Effecten op de waterhuishouding: waterkwantiteit, waterkwaliteit; ● Effecten op de waterkeringen en waterveiligheid; ● Effecten op waterketen; Huidige situatie Het besluitgebied is in beheer van waterschap De Dommel. De beschrijving van het watersysteem in het besluitgebied is schematisch weergegeven in onderstaande tabel. Checklist Watersysteem Hoofdwatergang cq open water

Zijwatergang Keurgebied binnen besluitgebied? Binnen 25-100 jaarszone? Binnen boringsvrije zone? Ecologische verbindingszone? Binnen reserveringsgebied waterberging 2050? Attentiegebied EHS Rioolwatertransportleiding Waterschap gemaal Landelijke afvoernorm Verdachte/verontreinigde locaties? Infiltratie praktisch mogelijk? Uitwerkingsplicht / wijzigingsbevoegdheid

Direct ten oosten van het plangebied zal de beek de Gender worden gereconstrueerd. nee nee nee nee nee nee nee nee nee 1,33 l/s/ha nee slecht tot matig nee

Voorgenomen plan De berekening van de wateropgave is middels de klimaattool van gemeente Eindhoven uitgewerkt. Verder is een infiltratieonderzoek uitgevoerd. Zie de betreffende bijlagen bij de motivering.

20/36

Er wordt voorzien in een waterbergingscapaciteit van 228,5 m3, waar sprake is van een opgave van 227,7 m3 (surplus van 0,8 m3).

Figuur

3.2

Visualisatie

waterbergingsoplossing

planvoornemen

Tijdens het doorlatendheidsonderzoek zijn metingen uitgevoerd in de onverzadigde zone van de bodem. Hierbij zijn wisselende k-waarden aangetoond welke variëren van slecht doorlatend tot matig doorlatend. De k-waarden worden als niet voldoende geacht voor het infiltreren van hemelwater op de locatie. Geadviseerd wordt om een bodemverbetering toe te passen of aanvullend onderzoek te verrichten naar de doorlatendheid van de ondergrond. Mogelijk is de infiltratiecapaciteit van de verzadigde zone beter en is infiltratie middels infiltratiekratten in de ondergrond voldoende om hemelwater te laten infiltreren in de bodem. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande is voor het aspect water geen sprake van negatieve effecten.

3.9

Archeologie en Cultuurhistorie

Toetsingskader Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen, die zijn opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

21/36

Beoordeling effecten Archeologie Gemeente Eindhoven beschikt over een archeologische verwachtingenkaart. Binnen de grenzen van het besluitgebied geldt ter plaatse van de footprint van de bestaande bebouwing geen archeologische verwachting. Voor dit deel van het besluitgebied geldt dat de archeologie verdwenen of diepgaand verstoord is door ontgronding, nieuwbouw, ondergrondse leidingen, sanering of opgravingen. Omdat hier ten aanzien van archeologie niets te verwachten is, is voor dit deel van het besluitgebied ook geen regeling ten behoeve van bescherming van archeologische waarden opgenomen.

Figuur 3.3 Uitsnede gemeentelijke kaart

Het gekleurde deel van het besluitgebied is aangemerkt als "Middelhoge verwachting" (categorie 6). Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting, waaronder ook de beekdalen met een specifieke archeologische verwachting. Deze categorie is onderscheiden, omdat de gebruikte bodemen geomorfologische kaarteenheden zonder nader veldonderzoek niet eenduidig aan één van de andere categorieën toegewezen kunnen worden. Het zijn vooral de lager gelegen dekzanden met lage enkeerdgronden en de drogere minder vruchtbare podzolbodems. Binnen deze zones kunnen terreinen liggen waar door erosie of uitloging alle archeologische waarden verdwenen zijn, naast terreinen waar door afdekking met plaggen eventueel aanwezige archeologische waarden juist zeer goed geconserveerd zijn. Deze gronden zijn vooral gelegen in de (voormalige) heidegebieden. De prehistorische vindplaatsen geven aan dat bewoning in de prehistorie mogelijk is geweest. Deze kunnen echter wel opgeruimd zijn door de hier in de 19e en 20e eeuw uitgevoerde ontginningen, de aanwezige woonwijken en bedrijfsterreinen en natuurlijke bodemprocessen als verstuiving en uitloging. Archeologisch (voor)onderzoek is verplicht bij initiatieven met een bodemverstoring over een oppervlak groter dan 2.500 m² én dieper dan 0,3 m beneden maaiveld.

Is de oppervlakte óf diepte van de bodemverstorende activiteiten ten behoeve van de herontwikkeling kleiner dan de ondergrens, dan is een archeologisch (voor)onderzoek niet nodig.

22/36

Wanneer wordt voldaan aan dit vrijstellingscriterium geldt nog altijd de wettelijke meldingsplicht bij archeologische toevalsvondsten. Cultuurhistorie Gemeente Eindhoven beschikt over een cultuurhistorische waardenkaart. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente is te zien dat het besluitgebied is gelegen in de directe nabijheid van een zeer hoog gewaardeerde groenstructuur lopend langs de Vonderweg (rode lijn). Verder is het besluitgebied gelegen aan de Willemstraat die onderdeel uitmaakt van de historische wegenstructuur van voor 1900 (bruin gemarkeerd). Een aantal van de aan de overzijde van het besluitgebied aan de Willemstraat geprojecteerde panden hebben een cultuurhistorische, dan wel een monumentale waarde. Dwars door het besluitgebied staat op de cultuurhistorische waardenkaart tot slot de ondergrondse loop van de historische watergang de Gender aangegeven. Onderhavig project doet geen afbreuk aan voornoemde cultuurhistorische elementen. De Gender zal in het kader van de totale gebiedsontwikkeling Emmasingelkwadrant onderdeel worden van het aan te leggen Victoriapark. Hiermee wordt een stuk cultureel erfgoed opnieuw zichtbaar gemaakt in de stad.

Figuur 3.4 Uitsnede gemeentelijke Cultuurhistorische waardenkaart

Conclusie Vanuit de aspecten cultuurhistorie en archeologie is geen sprake van negatieve effecten.

3.10 Duurzaamheid Toetsingskader

23/36

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. CO2 reductie Het klimaat verandert onder andere door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. De gemeenteraad heeft in het Klimaatplan 2021-2025 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.

1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat alle nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2021-2025 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is. 1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk.

Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten. 1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. 1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonneenergie zijn er kansen in Eindhoven.

2 Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar

24/36

producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken. 2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen. 2B) geen afval In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval. 2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw. 2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz.

moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier. 3) Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding? 3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan. 3B) oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen. 4. Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften.

We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt). 4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze

25/36

beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress. 4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte. 4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen. Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan. Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering.

Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin. Huidige situatie Er is sprake van bestaande bebouwing die dateert uit het begin van de jaren ’90 die gesloopt zal worden om plaats te maken voor een nieuw appartementencomplex voor 115 betaalbare huurwoningen. Voorgenomen plan De vier principes van The Natural Step worden als volgt toegepast. Duurzame energie De woningen worden door middel van een duurzame aardgasvrije manier van warmte en warm tapwater voorzien. Dit kan bijvoorbeeld door toepassing van een open of gesloten bodemsysteem (WKO). Natuurlijke stad (biodiversiteit) Bij het binnenhof tussen de gebouwen geven we invulling aan biodiversieit. O.a. door groen, (inheemse) planten en indien mogelijk bomen en/of heesters. De daken wordt uitgevoerd als groen en/of blauwe (waterretentie) dak. En er is ruimte voor nestgelegenheid van dieren. We zetten hierbij in op NL Greenlabel, minimaal score B. Uitwerking hiervan gebeurd in de ontwerpfase.

Gesloten kringlopen (circulariteit) Hier is geen specifieke ambitie op bepaald. In de ontwerpfase wordt een verdere verkenning gedaan naar de kansen en mogelijkheden op het gebied van circulair materiaalgebruik ten behoeve van de nieuwbouw. Collectief bewustzijn (inspireren en aanjagen)

26/36

Bij start van het Voorlopig Ontwerp wordt met betrokken partijen een workshop duurzaamheid georganiseerd om de kansen en mogelijkheden te onderzoeken om duurzaamheid in het plan te verwerken en duurzamere keuzes te maken. Hoe we de toekomstige bewoners willen betrekken krijgt pas vorm tijdens de realisatiefase. Conclusie Er is vanuit het aspect duurzaamheid geen sprake van negatieve effecten.

3.11 Windklimaat Toetsingskader Windhinder is een aspect van de fysieke leefomgeving (artikel 2.1 Omgevingswet). Hierdoor is het een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet) in het omgevingsplan. De Rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. De gemeente Eindhoven heeft in de beleidsregel gemeentelijke normen windhinder een toetsingskader vastgesteld. 1. De gemeente Eindhoven kiest nadrukkelijk voor het toevoegen van hoge gebouwen binnen de stad. De gemeente Eindhoven stelt daarbij ook eisen aan windhinder en windgevaar. 2. Windhinder en windgevaar moeten conform NEN 8100:2006 in beeld worden gebracht. 3. Voor de openbare ruimte moet als ondergrens een 'goed' (zoals gekwalificeerd in NEN 8100:2006) windklimaat worden nagestreefd. Voor 'langdurig zitten' wordt altijd een kwalificatie 'goed' verlangd. Deze kwalificatie geldt ook voor 'slenteren' wanneer een hoofdentree van een gebouw in een dergelijk gebied is gelegen. 4. Een beoordeling 'matig' kan eventueel na bestuurlijke afweging worden geaccepteerd, hierbij spelen kosten van windhinderbeperkende maatregelen en het ontbreken van alternatieven een rol. 5. Een 'slecht' windklimaat is niet toegestaan.

In situaties waar, vanwege specifieke locatieomstandigheden, in zeer beperkte mate op niet voor verblijf relevante plekken, het windhinderklimaat in redelijkheid niet kan worden verbeterd, hebben B&W de bevoegdheid van deze eis af te wijken. 6. Bij windgevaar moet de kwalificatie 'gevaarlijk' te allen tijde worden vermeden. Voorgenomen plan De beoogde bebouwing betreft een bouwvolume met een hoogte van maximaal 48 meter aan de westzijde, welke

trapsgewijs afloopt richting het noorden. De oostzijde van het gebouw bestaat uit twee lagere bouwlagen van 13 meter en 22 meter. Gelet hierop is een Quickscan van het lokale windklimaat gemaakt. Zie de betreffende bijlage bij de motivering.

27/36

Figuur 3.5 Impressie toekomstige situatie vanuit het zuidwesten

In het algemeen zijn de windcondities rondom het gebouw variërend tussen windhinderklasse A en D. Het windklimaat ten noordoosten en op de binnenplaats wordt overwegend gekenmerkt door windhinderklasse A en B, welke geschikt zijn voor voetgangersactiviteiten. Het wordt aangeraden om gebouwentrees enkel te plaatsen in gebieden waar klasse A heerst. Indien dit niet mogelijk is, wordt aangeraden de entree verdiept in een nis te leggen. Ten zuiden en westen van het projectgebouw heersen windrijkere condities, welke gekenmerkt worden door windhinderklasse A t/m D. De lokale gebieden die binnen klasse D vallen zijn ongeschikt voor slenteren of langdurig zitten. Daarbij is een grote C klasse rondom het gebouw te zien welke ook ongeschikt is voor langdurig zitten. Indien deze gebieden enkel bestemd zijn voor verkeer, zijn geen maatregelen nodig. Ten noorden van het projectgebouw is een grote zone windhinderklasse D aanwezig. Deze leent zicht enkel nog voor de voetgangersactiviteit doorlopen. In hoofdstuk 4 zullen enkele mogelijke maatregelen beschreven worden om het windklimaat geschikter te maken voor slenteren en langdurig zitten. Ten slotte geldt er in heel het plangebied geen significant risico op windgevaar. In deze quickscan is geen vegetatie meegenomen. Vegetatie kan het risico op windhinder verminderen.

Dit betekent dat de huidige resultaten waarschijnlijk een worst case scenario weergeven.

28/36

Tabel 3.2 richtwaarden windhinderklassen per activiteit

Aanbevelingen en vervolg Op basis van de resultaten worden een aantal aanbevelingen gedaan om het windklimaat te verbeteren. Deze zijn als volgt: Aanbeveling 1: Om de lokale valwinden in de passage te reduceren wordt aangeraden een setback toe te voegen aan de westelijke gevel, ter hoogte van de derde verdieping. Deze setback dient een diepte van circa 3 meter te hebben. Hierdoor zal de valwind vertraagd worden, en wordt de lokale hinder gereduceerd. Dit kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden door de hoger gelegen verdiepingen een deel naar het oosten te verschuiven. Aanbeveling 2: De gebouwhoogte loopt momenteel af richting het noorden. Gezien de meest voorkomende windrichtingen uit het zuidwesten komen, zou het een gunstiger effect hebben om deze tegengesteld af te laten lopen, door het hoogste bouwvolume richting de noordzijde te schuiven. Aanbeveling 3: De klasse C en D gebieden aan het noorden bevinden zich in de buurt van het park. Het wordt aanbevolen vegetatie rond het gebouw aan deze zijde te behouden en/of extra toe te voegen om de windsnelheden en hinder te reduceren. In de realiteit is al vegetatie voorzien aan deze zijde, maar kan niet met zekerheid bepaald worden of deze de wind voldoende breekt om hinder in het park te vermijden.

Ter borging van een aanvaardbaar windklimaat is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels ingevolge waarvan in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning een gedetailleerd windhinderonderzoek volgens de norm NEN 8100:2006 zal moeten worden uitgevoerd. Conclusie Er is vanuit het aspect windklimaat geen sprake van negatieve effecten.

29/36

3.12 Bezonning Toetsingskader Er bestaan geen wettelijke normen die zien op een minimum aantal zonuren per dag in een woning of op een balkon. De wetgever heeft ervoor gekozen regulering hiervan over te laten aan bestuursorganen. Dit betekent dat bestuursorganen op dit onderwerp beleidsruimte hebben. In juli 2024 zijn de 'Beleidsregels voor bezonning woningen 2024' vastgesteld. Deze vervangen het bezonningsbeleid uit 2017. Het bezonningsbeleid geldt voor de hele stad. Dit gaat over de hoeveelheid zonlicht op de gevel en in de tuin. In het vorige bezonningsbeleid gelden de bezonningsregels niet in de binnenstad. Dat komt omdat er in de binnenstad naast woningen, ook andere centrumfuncties zijn. Bijvoorbeeld: winkelen, werken en horeca. Als gevolg hiervan is er minder zonlicht op woningen. Bij het aangepaste bezonningsbeleid geldt deze uitzondering voor het hele centrum: de binnenstad, Knoop XL en het Emmasingelkwadrant. Dit is omdat de omgevingsvisie en het Verstedelijkingsakkoord uitgaan van veel nieuwbouw in dit gebied. In de beleidsregels zijn regels opgenomen over sunspots. Dit zijn plekken waar extra aandacht is voor voldoende zon. Daarnaast staan in de regels over bezonning bij woningen waar aan voldaan moet worden. De stelregel is dat op 21 maart minimaal 2 uur zonlicht aanwezig moet kunnen zijn.

Voorgenomen plan Het Emmasingelkwadrant is uitgezonderd in het gemeentelijk bezonningsbeleid. De omgevingsvisie als bedoeld in de Omgevingswet, het Verstedelijkingsakkoord Stedelijk Gebied Eindhoven, de Verdichtingsvisie Binnenstad (raadsbesluit 15 december 2020) en de ontwikkelvisie Emmasingelkwadrant (raadsbesluit 21 februari 2017) gaan uit van veel nieuwbouw in dit gebied. Bovendien komen in dit soort hoogstedelijke gebieden meerdere functies als horeca, detailhandel en andere bedrijvigheid voor waarvoor bezonning minder belangrijk is. Emmasingelkwadrant (Bouwveld A, B en C) wordt expliciet benoemd in bijlage 3 bij de beleidsregels als geval waarin op het moment van inwerkingtreding van deze beleidsregels reeds planontwikkeling plaatsvindt in afstemming met de gemeente (ex artikel als bedoeld in artikel 7, lid 2, onder b van de beleidsregels). De door die bouwmassa optredende schaduweffecten zijn daar toegestaan, ongeacht de schaduwmodellen behorende bij de sunspot paspoorten (zie schaduwmodellen in de sunspot paspoorten in de pdf-versie van de beleidsregels op de website Externe link: www.openeindhoven.nl). Het voorgaande neemt niet weg dat bij een ruimtelijk plan een afweging moet plaatsvinden van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Een zekere mate van schaduwwerking als gevolg van nieuwe ontwikkelingen is inherent aan de hoogstedelijke aard van de binnenstad waar het besluitgebied onderdeel van uitmaakt. Bij het ontwerp is evenwel rekening gehouden met de belangen van toekomstige omwonenden zodat dit project niet leidt tot een onaanvaardbare verslechtering van de bezonning van de omringende woningen. Conclusie Er is vanuit het aspect bezonning geen sprake van negatieve effecten.

3.13 Ontplofbare Oorlogsresten Toetsingskader In Eindhoven is tijdens de Tweede Wereldoorlog hard gevochten, dat heeft zijn sporen in de bodem achtergelaten. Er worden nog steeds diverse soorten munitie of resten daarvan in de bodem gevonden. Dit noemen we Ontplofbare Oorlogsresten (OO). Voorheen werd dit aangeduid als niet gesprongen explosieven (nge’s) ook wel conventionele explosieven.

30/36

Explosieven in de grond die niet aangeraakt of verstoord worden, leveren in beginsel geen gevaar op. Maar bij aanraken of verstoring (bv. heien) is er wel een risico op explosie, dat kan leiden tot schade aan gebouwen, infrastructuur en de gezondheid van mensen. In het verleden zijn er in Eindhoven al zeer veel OO opgeruimd. Maar er was geen goed beeld van de locaties waar mogelijk nog OO aanwezig zijn. Daarom is in 2018 en 2019 een omvangrijk archief onderzoek uitgevoerd om de locaties waar mogelijk nog OO liggen in kaart te brengen. Voor OO gelden de regels uit de ARBO-wetgeving, meer in het bijzonder de CS-OOO certficatieschema voor het Opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten. En het CS-VROO certificatieschema vooronderzoek en risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten. Eindhoven beschikt over kaarten met de gebieden die verdacht zijn op het voorkomen van OO. In deze gebieden dient voorafgaand aan grondverzet explosieven onderzoek uitgevoerd te worden, in de vorm van een risicoanalyse (RA) of een detectie onderzoek. Wanneer op basis van onderzoek OO worden aangetroffen worden deze geruimd. De Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD) is verantwoordelijk de opruiming en vernietiging van niet-gesprongen explosieven. Voorgenomen plan Het besluitgebied is geheel verdacht van de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten vanaf maaiveld.

Figuur 3.6 Atlas van de ondergrond, kaart veilige bodem (besluitgebied blauw omcirkeld)

Voor de gehele gebiedsontwikkeling Emmasingelkwadrant is een zogenaamde Projectgebonden Risicoanalyse uitgevoerd om antwoord te krijgen op de vraag of een onderzoek naar niet gesprongen explosieven nodig is. Zie de betreffende bijlage bij de motivering. Uit het historisch vooronderzoek is naar voren gekomen dat het besluitgebied in een gebied ligt dat verdacht is op het aantreffen van Conventionele Explosieven (CE).

31/36

Uit de analyse van het vooronderzoek is gebleken dat het onderzoeksgebied verdacht is op het voorkomen van CE, in de vorm van Duitse en Britse afwerpmunitie van diverse kalibers en Duitse submunitie. Dit betekent dat er tijdens de uitvoering van de geplande civieltechnische werkzaamheden een risico is op het aantreffen van CE en mogelijke detonatie hiervan. De te verwachten CE kunnen tijdens de geplande werkzaamheden middels toucheren of verplaatsen geïnitieerd worden. Wanneer één van de mogelijk aan te treffen CE tot uitwerking komt, zijn er verschillende uitwerkingsfactoren, zoals luchtdruk- en/of scherfwerking. De geplande civieltechnische werkzaamheden hebben betrekking op herinrichting van de projectlocatie Emmasingelkwadrant. Het betreft hierbij de volgende werkzaamheden: 1. Het plaatsen van straatverlichting. 2. Het aanleggen van kabels, leidingen, riool. 3. Het aanleggen van de Gender als oppervlaktewater. 4. Het (ondergronds) slopen van de bestaande bebouwing. 5. Het (ondergronds) funderen van nieuwbouw. 6. Het uitvoeren van een milieukundige sanering. De te nemen maatregelen die in relatie met CE-opsporingswerkzaamheden tijdens de uit te voeren werkzaamheden toegepast kunnen worden zijn opgenomen in onderstaande tabel.

32/36

Tabel 3.3 te nemen opsporingsmaatregelen per actie

De locaties van bovenstaande werkzaamheden kunnen gedurende het werk worden vrijgegeven middels detectie en (eventueel) benaderen. Hiertoe kan het ongewenst aantreffen en daarbij mogelijk detoneren van CE worden voorkomen. Bij dit opsporingsadvies is onderstaande kaart toegevoegd:

33/36

Figuur 3.7 Opsporingsadvieskaart Emmasingelkwadrant

Conclusie is dat het aspect OO de totstandkoming van dit wijzigingsbesluit niet in de weg staat, maar wel aanvullende aandacht behoeft. Conclusie Er is vanuit het aspect OO geen sprake van negatieve effecten.

3.14 Gezondheid Toetsingskader Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie.

34/36

Doel van de Ow is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Gezondheidsbescherming Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. In het kader van gezondheidsbescherming moet daarnaast ook gekeken worden naar gezondheidsrisico's voortkomende uit de agrarische sector (geitenhouderijen, endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen, spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen). Gezondheidsbevordering Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. Voorgenomen plan Uit de voorgaande punten is gebleken dat er gelet op de gestelde normen voor geen enkel omgevingsaspect (bijv. bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder, geurhinder) belemmeringen zijn voor woningbouw op de projectlocatie. Gezondheidsrisico's vanwege geitenhouderijen, endotoxinen of spuitzones zijn uitgesloten aangezien deze niet de omgeving van het besluitgebied voorkomen.

Voorwaarde voor de realisatie van ontwikkelingen in het Emmasingelkwadrant, is de realisatie van het Victoriapark. Daarbij wordt de rivier De Gender naar de bovengrond gehaald en weer zichtbaar gemaakt. Daarnaast wordt het te realiseren hof als parkachtige omgeving en zoveel mogelijk onverhard uitgevoerd. De daken worden zo mogelijk uitgevoerd als groen dak. Deze groene ruimtes worden als duurzaam beschouwd doordat ze een gezonde omgeving scheppen voor de bewoners uit omliggende gebouwen en voor de gebruikers van het park en bijdragen aan het verminderen van hittestress. Door de afvang van fijnstof, het bevorderen van beweging, het produceren van zuurstof en het genereren van een mikroklimaat, zorgt de groene ruimte voor een gezonde omgeving en het bevorderen van de biodiversiteit. Het besluitgebied is gelegen nabij de binnenstad, bushalte en treinstation zodat een grote hoeveelheid aan voorzieningen zeer goed bereikbaar is. De directe omgeving nodigt daarmee uit tot bewegen en ontmoeten. De groene binnentuin draagt hier ook concreet aan bij. Teneinde een zo volledig, breed en snel mogelijk beeld te geven van wat een gezonde leefomgeving omvat en hoe gezond het besluitgebied is, hebben initiatiefnemers hebben een zogenoemde Quickscan gezonde leefomgeving laten uitvoeren. Zie de betreffende bijlage bij de motivering.

Conclusie Er is vanuit het aspect gezondheid geen sprake van negatieve effecten.

3.15 Aanlegwerkzaamheden Voor de sloop- en aanlegwerkzaamheden van de beoogde ontwikkelingen kunnen tijdens de werkzaamheden milieueffecten optreden. Daarbij gaat het met name om geluidhinder, trillingen en verkeer gerelateerde effecten. Zo nodig worden maatregelen getroffen om overlast voor de directe omgeving zoveel mogelijk te beperken. Dit dient bij het uitwerken van de aanpak en fasering van de uitvoeringswerkzaamheden nader te worden geconcretiseerd. Gezien de tijdelijkheid van de werkzaamheden en de locatie, aard en omvang van het plan kunnen belangrijke negatieve milieueffecten uitgesloten worden.

35/36

4. CONCLUSIE Uit de informatie in deze aanmeldnotitie blijkt dat het besluitgebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot aanzienlijke milieueffecten. Voor de ontwikkeling zijn geen mitigerende maatregelen bekend. Het doorlopen van een volledige mer-procedure is niet noodzakelijk.

36/36

92

vastgesteld TAM-omgevingsplan Emmasingelkwadrant (bouwblok C) Gemeente Eindhoven

Bijlage 4 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai en industrielawaai

vastgesteld TAM-omgevingsplan Emmasingelkwadrant (bouwblok C) Gemeente Eindhoven

93

Vonderweg Eindhoven bouwveld C Onderzoek wegverkeerslawaai

Rapportnummer HC 7804-2-RA-001 d.d. 30 juni 2025

Vonderweg Eindhoven bouwveld C Onderzoek wegverkeerslawaai

Opdrachtgever: RHO Adviseurs Rapportnummer: HC 7804-2-RA-001 Datum: 30 juni 2025 Referentie: JH/NG/ /HC 7804-2-RA-001 Verantwoordelijke: ir. J.J.G. Hesen Opsteller: ir. N.H.A Groot 085 8228 411 n.groot@peutz.nl

Peutz bv, postbus 66, 6585 zh mook, +31 85 822 86 00, info@peutz.nl, www.peutz.nl kvk 12028033, opdrachten volgens DNR 2011, lid NLingenieurs, btw NL.004933837B01, ISO-9001:2015 mook - zoetermeer - groningen - eindhoven - haps - düsseldorf - dortmund - berlijn - nürnberg - leuven - parijs - lyon

HC 7804-2-RA-001 2

Inhoudsopgave 1

Inleiding

4

2

Uitgangspunten

5

2.1

Bouwplan

5

2.2

Verkeersgegevens

6

3

Toetsingskader

7

Gemeentelijk geluidbeleid

7

4

Berekeningen

9

4.1

Modelvorming

9

4.2

Rekenresultaten

9

3.1

5

Beoordeling en conclusie

10

5.1

Beoordeling

10

5.2

Maatregelen

10

De inhoud van dit document mag niet worden gewijzigd. Het document mag zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Peutz niet in delen worden verspreid. Peutz aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade die voortvloeit uit of samenhangt met het wijzigen van de inhoud van dit document.

HC 7804-2-RA-001 3

1

Inleiding Woonbedrijf en Breevast wensen op de planlocatie “Bouwveld C” van het Vonderkwartier in het Emmasingelkwadrant in Eindhoven nieuwe woningbouw te realiseren. De planlocatie is gelegen binnen de zone van een aantal wegen (Vonderweg en Willemstraat). In opdracht van Rho Adviseurs is een akoestisch onderzoek uitgevoerd vanwege de beoogde realisatie van het plan. Voorliggend onderzoek dient ter onderbouwing van de planologische procedure. In figuur f 1.1 is de situering van het plangebied weergegeven.

Bouwveld C

f 1.1 Situering plannen aan de Vonderweg

Op basis van de tekeningen van de bouwplannen en de van de gemeente ontvangen verkeerscijfers voor de omliggende gemeentewegen, is een akoestisch rekenmodel opgesteld. Met behulp van dit rekenmodel is de geluidbelasting vanwege wegverkeer berekend ter plaatse van de nieuwe woningen. Deze geluidbelasting is getoetst aan de standaardwaarden en grenswaarden op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en aan het geluidbeleid van de gemeente Eindhoven. HC 7804-2-RA-001 4

2

Uitgangspunten

2 .1 B ou wpl an

Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van de aangeleverde tekeningensets van de architect d.d. 10 juli 2024. In figuur f 2.1 zijn de plannen voor het appartementencomplex Bouwveld C weergegeven.

f 2.1 Bouwplan Bouwveld C

HC 7804-2-RA-001 5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16931795/2