CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3a - Bestemmingsplan I Gestel binnen de Ring 2020 (Willem Klooslaan-Busken Huetstraat)

Raadsvergadering 7 mei 2024, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan ‘I Gestel binnen de Ring 2020 (Willem Klooslaan-Busken Huetstraat)’33.338 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Hoofdstuk 4

Milieuparagraaf

4.1

Milieueffectrapportage

4.1.1

Wettelijk kader

Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: Kolom 1: de activiteit zelf Kolom 2: drempelwaarden activiteit Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan) Kolom 4: de besluiten De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten. 4.1.2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aan de hand van de volgende aspecten te worden beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben: 1. de kenmerken van de activiteit (aard, omvang, cumulatie met andere ontwikkelingen); 2. de locatie van de activiteit (kenmerken van het plangebied en de kwetsbaarheid van de omgeving); 3. de mogelijke gevolgen van de activiteit. 4.1.3

Conclusie

Voorliggend plan heeft betrekking op de uitbreiding van vijf bestaande panden met één bouwlaag. In totaal worden 52 woningen toegevoegd. Aan de footprint van het gebouw verandert niets. Het plangebied ligt in binnenstedelijk gebeid (binnen de Ring van Eindhoven) en de directe buurt wordt volgens CBS Staline aangemerkt als 'zeer stedelijk'. De ontsluiting van het pand zal in de toekomstige situatie op dezelfde wijze plaatsvinden als in de huidige situatie. Gelet op de extra verkeersgeneratie (zie paragraaf 3.7.4) vormt dit geen probleem voor het omliggende wegennet. Uit de milieuparagraaf in Hoofdstuk 4 (bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid) blijkt dat voorliggend plan voldoet aan de wettelijke eisen en een verantwoorde situatie inhoudt vanuit milieuoogpunt. Ook is in paragraaf 3.6 gemotiveerd dat in het plan in voldoende mate rekening is gehouden met (mogelijk) in de bodem aanwezige archeologische waarden en cultuurhistorisch waardevolle kenmerken van het pand zelf. In paragraaf 4.8 is gemotiveerd dat het planvoornemen gelet op soorten- en gebiedsbescherming geen nadelige effecten met zich meebrengt. Gelet op voorgaande afwegingen is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Een vastgesteld I Gestel binnen de Ring 2020 (Willem Klooslaan-Busken Huetstraat) 57 Gemeente Eindhoven

(vormvrije) m.e.r.-beoordeling is dan ook niet nodig. Bovendien volgt uit deze toelichting dat geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten.

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied. 4.2.1

Conclusie

Voorliggende bestemmingsplan maakt 52 nieuwe woningen mogelijk (bovenop de reeds bestaande woningen). Het plan voorziet zelf niet in functies waarvoor een bepaalde milieuzonering in acht moet worden genomen. De omgeving van het plangebied is te typeren als 'rustige woonwijk'. In de nabijheid van het plangebied komen enkele niet-woonfuncties voor. Bedrijven of activiteiten in hogere milieucategorieën komen in de omgeving niet voor. Daarom worden hier alleen de niet-woonfuncties beschouwd die gelegen zijn binnen 100 meter vanaf het plangebied. Om die reden zijn niet-woonfuncties aan de overzijde van de Ring, verderop aan de Gestelsestraat of Hallenweg en het benzineservicestation (zonder LPG) aan de Boutenslaan buiten beschouwing gelaten. In de huidige situatie ligt het plangebied in de omgeving van een aantal gebouwen met een maatschappelijke bestemming. Het betreft de volgende adressen: Jan Luikenstraat 49: Deze bestemming ligt op 25 meter van woningen binnen voorliggend plangebied. Volgens het Handelsregister van Kamer van Koophandel staat er momenteel geen bedrijf ingeschreven op deze locatie. Zodoende is er geen richtafstand in acht te nemen vanwege een feitelijk gevestigd bedrijf.

Het vigerende bestemmingsplan laat op deze locatie alleen een beperkt aantal maatschappelijke voorzieningen toe (zoals educatieve, medische, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en openbaar bestuur en kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang). Jacob van Maerlantlaan 11: Deze bestemming ligt op 80 meter van woningen binnen voorliggend plangebied. Ter plaatse is het Van Maerlantlyceum gevestigd. Het gaat om een functie (SBI2008-code 852/8531) waarvoor een richtafstand van 30 meter geldt. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Gestelsestraat 184: Deze bestemming ligt op 78 meter van woningen binnen voorliggend plangebied. Ter plaatse is een kledingbank gevestigd. Deze functie is gelijk te stellen met een functie aan detailhandel of een warenhuis (SBI2008-code 47/471) waarvoor een richtafstand van 10 meter geldt. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Camphuysenstraat 1: Deze bestemming ligt op 100 meter van woningen binnen voorliggend plangebied. Ter plaatse is een praktijk voor paramedische behandeling gevestigd.

Het gaat om een functie die gelijk te stellen is aan een artsenpraktijk, consultatiebureau (SBI2008-code 8621/8622/8623/8691/8692) dan wel 'Persoonlijke dienstverlening niet eerder genoemd' (SBI2008-code 9609) waarvoor een richtafstand van 10 meter geldt. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Camphuysenstraat 2-4: Deze bestemming ligt op 58 meter van woningen binnen voorliggend plangebied. Ter plaatse is een religieus samenkomstgebouw (Protestantse 58

vastgesteld I Gestel binnen de Ring 2020 (Willem Klooslaan-Busken Huetstraat) Gemeente Eindhoven

kerk) gevestigd. Het gaat om een functie (SBI2008-code 9491) waarvoor een richtafstand van 30 meter geldt. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Naast het feitelijke gebruik van deze gebouwen is van belang dat volgens het bestemmingsplan een diversiteit aan maatschappelijke functies zijn toegestaan. Volgens de VNG-publicatie kan het daarbij gaan om functies van milieucategorie 1 en 2, met een richtafstand van respectievelijk 10 en 30 meter. Voor de meeste locaties wordt aan deze richtafstand voldaan en vormt wijziging van het gebruik in het andere maatschappelijke functie geen probleem. Alleen voor de locatie Jan Luikenstraat ligt dat anders, omdat hier niet aan de richtafstand wordt voldaan. Voor deze locatie is relevant dat zowel de woningen aan de noordzijde (Jan Luikenstraat 49 en Jacob van Maerlantlaan 24) als enkele bestaande woningen binnen voorliggend plangebied in de huidige situatie op een afstand van 15 tot 25 meter liggen en zodoende maatgevend zijn voor een eventuele gebruikswijziging van het pand. Het optoppen van de bestaande bouwmassa's, waarbij de nieuwe woningen niet dichterbij het pand Jan Luikenstraat 49 komen te liggen, zorgt dan ook niet voor een verdere beperking van de gebruiksmogelijkheden van dit pand. Omgekeerd moet een gebruikswijziging passen binnen de omgeving, waarbij de bestaande woningen in de omgeving reeds maatgevend zijn.

Gelet op het voorgaande kan ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Omgekeerd vormt het plan geen (maatgevende) belemmering voor de gebruiksmogelijkheden van niet-woonfuncties in de omgeving van het plangebied.

4.3

Geluid

4.3.1

Wettelijk kader

De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.

Het voorliggende bestemmingsplan omvat in de beoogde situatie 133 woningen, waarvan 81 reeds bestaand. Deze zijn allen geluidsgevoelig in de zin van de Wgh. 4.3.2

Wegverkeerslawaai

Het plan ligt in zijn geheel binnen de zone van de Ring (Boutenslaan). Het gaat om een binnenstedelijke weg van 2x2 rijstroken met een maximumsnelheid van 70 km/uur (en 50 km/uur op kruisingsvlakken) en een zonebreedte van 350 meter aan weerszijden van de weg gemeten vanaf de as daarvan. In het kader van "Duurzaam Veilig" zijn alle overige wegen in en nabij het plangebied 30 km/uur wegen geworden. Deze wegen en woonerven hebben volgens de Wet geluidhinder geen zone, zodat deze verder buiten beschouwing kunnen blijven. De Wet geluidhinder maakt onderscheid tussen zogenaamde bestaande situaties en nieuwe situaties. Ingevolge hoofdstuk VI, afdeling 3 ("bestaande situaties") van de Wet geluidhinder vastgesteld I Gestel binnen de Ring 2020 (Willem Klooslaan-Busken Huetstraat) 59 Gemeente Eindhoven

hoeft voor de reeds aanwezige geluidgevoelige bebouwing geen nieuw akoestisch onderzoek te worden ingesteld. Voor zowel de zoneplichtige wegen als voor de omliggende 30 km/uur-wegen is onderzocht of de geluidsbelasting van de nieuw te bouwen woningen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. De resultaten van dit onderzoek zijn gerapporteerd en als Bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen. De voornaamste bevindingen en conclusies zijn hieronder weergegeven. Geluidbelasting ten gevolge van de Boutenslaan: 1. De geluidbelasting na aftrek van 2 dB conform artikel 110g is maximaal 63 dB voor een rekenpunt op de meest zuidwestelijke gevel van het meest zuidwestelijke flatgebouw. De maximum ontheffingswaarde van 63 dB wordt hier niet overschreden. 2. Voor 23 van de 26 nieuwe appartementen op de bovenste bouwlaag wordt de voorkeurswaarde van 48 dB overschreden. Als er geen geluidsmaatregelen worden genomen dan moet voor deze nieuwe flatwoningen een hogere waarde worden vastgesteld en dient er extra aandacht te worden besteed aan de geluidwering van de gevel. Geluidbelasting ten gevolge van 30 km/uur-wegen: 1. De geluidbelasting is maximaal 49 dB op de noordoostelijke gevel van het meest oostelijk gelegen deel van het meest zuidoostelijke flatgebouw. 2. Voor 1 vande 26 nieuwe appartementen op de bovenste bouwlaag wordt de voorkeurswaarde van 48 dB met 1 dB overschreden.

Dit betekent dat de geluidsbelasting ten gevolge van de 30 km/uur-wegen voor 25 appartementen als “goed’ wordt beoordeeld en 1 appartement als “redelijk”. Dit wordt als acceptabel geacht. Geluidbelasting ten gevolge van alle wegen tezamen: 1. De gecumuleerde geluidbelasting wordt voornamelijk door de Boutenslaan bepaald. 2. De geluidbelasting (zonder aftrek conform artikel 110g Wgh) van alle wegen tezamen voor de nieuwe appartementen is maximaal 65 dB voor twee rekenpunten op de meest zuidwestelijke gevels van het meest zuidwestelijke flatgebouw. Deze hoge waarde wordt volledig bepaald door het geluid van de Boutenslaan. Hiermee zal bij de bepaling van de gevelmaatregelen rekening mee moeten worden gehouden. De Wet geluidhinder legt geen restricties op aan een plan wanneer de geluidbelasting lager is dan 48 dB (voorkeursgrenswaarde). Als de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden maar lager is dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB, dan kan de gemeente ontheffing verlenen door een hogere waarde vast te stellen. Dit kan alleen wanneer maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn of op overwegende bezwaren stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

In dit geval stuiten bronmaatregelen (geluidreducerende wegdektypen) en overdrachtsmaatregelen (geluidschermen) op overwegende bezwaren van financiële respectievelijk stedenbouwkundige aard. Daarom heeft initiatiefnemer gemeente Eindhoven verzocht om ontheffing te verlenen door een hogere waarde vast stellen. Uit het hogere waardenbeleid van de gemeente Eindhoven blijkt dat indien ontheffingswaarden worden vastgesteld die hoger zijn dan 53 dB, de betreffende woningen uitgevoerd dienen te worden met een geluidluwe zijde. Hier wordt voor iedere woning aan voldaan, zodat het mogelijk is om daadwerkelijk hogere waarden vast te stellen voor de betreffende woningen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. 4.3.3

Railverkeerslawaai

Het plangebied ligt op ruim 1,5 kilometer van de dichtstbijzijnde spoorlijn (tracé Eindhoven en Boxtel). Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen de zone van de spoorlijn. Het aspect railverkeerslawaai is dan ook niet aan de orde bij dit bestemmingsplan.

60

vastgesteld I Gestel binnen de Ring 2020 (Willem Klooslaan-Busken Huetstraat) Gemeente Eindhoven

4.3.4

Industrielawaai

Het plan ligt niet in de zone van een industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder, waarop de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers is toegestaan. Het aspect industrielawaai is dan ook niet aan de orde bij dit bestemmingsplan. 4.3.5

Luchtvaartlawaai

Het plangebied ligt op hemelsbreed ruim 5,5 kilometer van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militair vliegveld met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). Vanaf 1 november 2009 geldt de Wet luchtvaart. Deze wet omvat een nieuw stelsel van besluitvorming en normen voor alle luchthavens, met uitzondering van Schiphol. Conform de systematiek van deze wet is voor luchthaven Eindhoven één luchthavenbesluit vastgesteld met een militaire geluidsruimte voor militair vliegverkeer en een burgergeluidsruimte voor het commercieel burgermedegebruik. Het luchthavenbesluit is op 26 september 2014 vastgesteld. Met dit besluit is de 35Ke-geluidszone rond de luchthaven vastgelegd als grens van de geluidsbelasting van het gezamenlijke militaire en civiele vliegverkeer. Het plangebied ligt niet binnen deze vastgestelde geluidszone (35Ke-contouren). Deze geluidszone werkt daarom niet belemmerend voor dit plangebied.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex. 4.4.2

Besluit niet in betekenende mate bijdragen

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. vastgesteld I Gestel binnen de Ring 2020 (Willem Klooslaan-Busken Huetstraat) 61 Gemeente Eindhoven

Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Samengevat Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. 4.4.3

Besluit gevoelige bestemmingen

Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties. 4.4.4

Goede ruimtelijke ordening

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.

62

vastgesteld I Gestel binnen de Ring 2020 (Willem Klooslaan-Busken Huetstraat) Gemeente Eindhoven

4.4.5

Planbeschrijving en toetsing

Het planvoornemen voorziet in de toevoeging van 52 woningen door het toevoegen van een bouwlaag op de bestaande appartementsgebouwen. Het aantal te realiseren woningen ligt ver beneden de drempelwaarde 1.500 woningen in de situatie met één ontsluitingsweg. Dit project zal dan ook een 'niet in betekenende mate bijdrage' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Het project mag dan ook zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Aangezien woningen in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen niet als een gevoelige bestemming worden gezien, hoeft niet aan dit besluit getoetst te worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de viewer van deze NSL-monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de monitoringstool volgt dat ter plaatse van de Boutenslaan (dichtstbijzijnde rekenpunten) voor de jaren 2020 en 2030 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen.

Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. Ten slotte wordt ook de grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM 2,5 niet overschreden. Conclusie Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan ten aanzien van luchtkwaliteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. Tot slot wordt het groepsrisico verantwoord. 4.5.1

Wettelijk kader

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. vastgesteld I Gestel binnen de Ring 2020 (Willem Klooslaan-Busken Huetstraat) 63 Gemeente Eindhoven

Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. 4.5.2

Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid

De gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie Externe Veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt.Ook staat hierin dat dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen (toevoegen 50 of minder woningen en waarbij de woningen niet specifiek bedoeld zijn voor een hulpbehoevende of minderjarige doelgroep) binnen 200 meter van de lokale wegen de standaard verantwoording groepsrisico geldt. In de Visie Externe Veiligheid is het plangebied aangewezen als woonwijk waar geen risicovolle activiteiten plaatsvinden. 4.5.3

Toetsing plangebied

Aan de hand van de Professionele risicokaart en de Visie Externe Veiligheid is bekeken of binnen of in de nabijheid van het plangebied risicobronnen aanwezig zijn. 4.5.3.1 Inrichtingen Binnen dit bestemmingsplan worden geen nieuwe risicovolle inrichtingen rechtstreeks toegestaan. Eveneens ligt het plangebied niet in de nabijheid van risicovolle inrichtingen die voor wat betreft het plaatsgebonden of groepsrisico van belang zijn voor dit bestemmingsplan. 4.5.3.2 Buisleidingen Binnen of in de nabijheid van het plangebied liggen geen buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour of het invloedsgebied van een dergelijke leiding. 4.5.3.3 Transportroute spoor Op ongeveer 1,5 kilometer ten noorden van het plangebied ligt de spoorlijn Eindhoven-Boxtel. Over deze spoorlijn worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het plangebied ligt niet binnen het plasbrandaandachtsgebied en plaatsgebonden risicocontour van deze risicobron. De gemeente Eindhoven heeft in de "Visie externe veiligheid - Risico's de maat genomen, 2009" een zone van 200 meter rond transportroutes, waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden, aangewezen waarin rekening gehouden moet worden met de gevaren hiervan.

Op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes dient binnen die zone een verantwoording van het groepsrisico te worden doorlopen. Binnen de gemeente Eindhoven is voor het gehele grondgebied een groepsrisicoverantwoording gedaan voor plannen vanaf 200 meter van de transportassen. Voor de verantwoording van het groepsrisico ten aanzien van de transportroute van gevaarlijke stoffen via het spoor wordt dan ook verwezen naar paragraaf 4.5.4. 4.5.3.4 Transportroute lokale wegen In de Visie Externe veiligheid is de Ring (Boutenslaan ter hoogte van het plangebied) aangemerkt als een lokale transportroute voor gevaarlijke stoffen. Dit is echter niet meer actueel, aangezien dergelijk transport nu enkel over het oostelijke deel van de Ring (Piuslaan, Jeroen Boschlaan, Insulindelaan en Onze Lieve Vrouwenstraat; tussen Leenderweg en John F. Kennedylaan) plaatsvindt. Zodoende ligt het plangebied buiten het invloedsgebied (200 meter) van lokale wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Een verantwoording van het groepsrisico is niet nodig vanwege transport over lokale wegen. Op ongeveer 2,2 km ten zuiden en ongeveer 2,8 kilometer ten westen van het plangebied ligt 64

vastgesteld I Gestel binnen de Ring 2020 (Willem Klooslaan-Busken Huetstraat) Gemeente Eindhoven

de transportroute Rijksweg A2/N2/A67. Deze weg is opgenomen in het Basisnet voor vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. De weg heeft een plaatsgebonden risicocontour variërend van 21 tot 33 meter en een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter. Omdat op deze transportroute de maatgevende stofcategorie GT5 wordt vervoerd, wordt een invloedsgebied van 4 kilometer gehanteerd. Het plangebied ligt niet de plaatsgebonden risicocontour of PAG. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de Rijksweg ligt, is volgens de Visie Externe Veiligheid geen kwantitatieve risicoanalyse van het groepsrisico nodig. Volstaan kan worden met standaard verantwoording van het groepsrisico conform de Visie Externe Veiligheid. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.5.4. 4.5.3.5 Hoogspanningslijnen Binnen of in de nabijheid van het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig die bescherming behoeven in het kader van externe veiligheid. 4.5.4

Groepsverantwoording

Bij het vaststellen van het bestemmingsplan door de gemeenteraad dient het groepsrisico te worden verantwoord. Daarbij wordt een afweging gemaakt tussen het belang van een ruimtelijke ontwikkeling en het risico dat een groep mensen komt te overlijden als gevolg van een ramp of incident met gevaarlijke stoffen. Voor de verantwoording dient de Veiligheidsregio de gelegenheid gesteld te worden een advies uit te brengen. Het groepsrisico moet verantwoord worden conform artikel 13 van het Bevi in geval van inrichtingen, artikel 8 van het Bevt in geval van transportroutes en artikel 12 van het Bevb in geval van buisleidingen. In dit geval is sprake van een verantwoording van het groepsrisico vanwege ligging binnen het invloedsgebied van een transportroute. Voor de verantwoordingsplicht van het groepsrisico langs de hoofdtransportassen hanteert gemeente Eindhoven in de Visie Externe Veiligheid drie zones. Het plangebied is gelegen in zone 3, te weten het gebied vanaf 200 meter van de transportroute tot het einde van het invloedsgebied. Deze zone hangt samen met het invloedsgebied voor toxische gassen. In dit geval reikt de zone tot 4 km van de transportas vanwege de stofcategorie GT5. Het betreft een zone waarbinnen in principe geen beperkingen gelden voor het gebruik. Bij de verantwoording kan volstaan worden met de standaard eisen en een algemene ramp bestrijdingsaanpak.

In dit gebied is geen nader advies van de brandweer nodig. Binnen zone 3 is blootstelling aan toxisch gas het bepalende scenario. Uitgaande van de diverse elementen van de verantwoordingsplicht leidt dit tot de volgende standaardverantwoording: 4.5.4.1 Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan in zone 3 tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat: 1. vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; 2. de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas); 3. de hoge personendichtheden binnen de gemeente Eindhoven; het groepsrisico niet significant zal toenemen. 4.5.4.2 Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in de visie Externe Veiligheid. Dit is een gezamenlijke inspanningsverplichting voor de drie domeinen. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen zone 3 geen item: Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico. De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen is in deze gebieden bijzonder klein (de kans is aanzienlijk kleiner dan de norm voor het plaatsgebonden risico). vastgesteld I Gestel binnen de Ring 2020 (Willem Klooslaan-Busken Huetstraat) 65 Gemeente Eindhoven

4.5.4.3 De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Binnen zone 3 speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van zone 3. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar desbetreffende onderdelen van de visie Externe Veiligheid. 4.5.4.4 Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt 'schuilen' de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin dezebouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Zone 3 wordt veelal alleen blootgesteld bij 'optimale' weersomstandigheden (bijvoorbeeld pasquillklasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas.

Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het Waarschuwings- en AlarmeringsSysteem (WAS) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. 4.5.5

Conclusie

Het onderdeel externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit plan. Er kan een verantwoord woon- en leefklimaat worden gegarandeerd ten aanzien van dit aspect.

4.6

Duurzaamheid

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. 4.6.1

CO2-reductie

Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2-uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2-emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. De gemeenteraad heeft in het Klimaatplan 2021-2025 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt. 1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2-uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang 66

vastgesteld I Gestel binnen de Ring 2020 (Willem Klooslaan-Busken Huetstraat) Gemeente Eindhoven

energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2021-2025 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is. 1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2-uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden.

Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten. 1C) Warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2-uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. 1D) Duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven. 4.6.2

Circulaire economie

Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken. 2A) Duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen. 2B) Geen afval In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval. 2C) Flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.

vastgesteld I Gestel binnen de Ring 2020 (Willem Klooslaan-Busken Huetstraat) 67 Gemeente Eindhoven

2D) Deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier. 4.6.3

Natuur

Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding? 3A) Biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan. 3B) Oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen. 4.6.4

Sociale basisbehoeften

The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max-Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt). 4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress. Kies zo vaak en veel mogelijk voor licht gekleurde stenen/materialen. Dit is een verstandigekeuze.

Het voorkomt opwarming door de zon en uitstraling van deze warmte 's nachts. Dat zorgt voor een prettiger binnen- én buitenklimaat tijdens warme perioden. 4B) Gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte 4C) Participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen. 68

vastgesteld I Gestel binnen de Ring 2020 (Willem Klooslaan-Busken Huetstraat) Gemeente Eindhoven

4.6.5

Specifiek Eindhovens

Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan. 4.6.6

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin. 4.6.7

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling omvat enerzijds het optoppen van de bestaande bebouwing en toevoegen van extra woningen, anderzijds in de renovatie van de bestaande gebouwen. De renovatie van de bestaande bebouwing is er met name op gericht de bestaande woningen beter te isoleren, zodat ze energiezuiniger worden. De nieuwe woningen zullen voldoen aan de hedendaagse duurzaamheidseisen voor wat betreft isolatie en worden in ieder geval gasloos opgeleverd.

4.7

Bodem

4.7.1

Bodemverontreiniging

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw bestemmingsplan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. In dit geval maakt het bestemmingsplan een extra bouwlaag met in totaal 52 woningen mogelijk bovenop vijf bestaande bouwmassa's. Het plan gaat niet gepaard met nieuw ruimtebeslag of bodemroerende werkzaamheden. De woonbestemming ten behoeve van de bouwmassa's en bijbehorend erf blijft behouden. Het gaat om gestapelde woningen met balkon: er zijn geen woningen op de begane grond met een eigen tuin. Gelet op het voorgaande is geen bodemonderzoek nodig om de kwaliteit van de bodem vast te stellen. 4.7.2

Niet gesprongen explosieven

In Eindhoven is tijdens de Tweede Wereldoorlog hard gevochten, dat heeft zijn sporen in de bodem achtergelaten. Er worden nog steeds diverse soorten munitie of resten daarvan in de bodem gevonden. Dit noemen we niet gesprongen explosieven (nge's) ook wel conventionele explosieven. Explosieven in de grond die niet aangeraakt of verstoord worden, leveren in beginsel geen gevaar op. Maar bij zware trillingen of schokken (bijvoorbeeld heien of machinaal graven) is er wel een risico op explosie, dat kan leiden tot schade aan gebouwen, infrastructuur en de gezondheid van mensen. Het voorgenomen bouwplan (optoppen van de bestaande bouwmassa's) gaat niet gepaard met grondwerkzaamheden waarbij zware trillingen of schokken vrijkomen. Bovendien ligt het plangebied niet binnen een gebied wat verdacht is op het voorkomen van nge's. Voor dit bestemmingsplan zijn dan ook geen risico's vanwege niet gesprongen explosieven. vastgesteld I Gestel binnen de Ring 2020 (Willem Klooslaan-Busken Huetstraat) 69 Gemeente Eindhoven

4.8

Natuur

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2021 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen. 4.8.1

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt niet in een natuurgebied dat in het kader van de Wnb is aangewezen (Natura2000-gebied). De dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het Natura2000-netwerk is 'Leenderbos, Groote heide & De Plateaux', op ongeveer 3,3 kilometer van het plangebied. De Dommel, die op ongeveer 65 meter ten oosten van het plangebied stroomt, is het dichtstbijzijnde stukje Natuurnetwerk Nederland (zoals deze is begrensd als zijnde Natuurnetwerk Brabant in de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant). Directe negatieve effecten van dit project op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn vooral gelet op de afstand van het projectgebied tot aan deze natuurgebieden niet te verwachten. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om uit te sluiten dat het project directe negatieve gevolgen voor de natuur heeft in de vorm van stikstofdepositie, is een stikstofberekening uitgevoerd. De memo is te vinden in bijlage 5, de berekeningen zijn als bijlagen 6, 7 en 8 bij deze toelichting toegevoegd. Uit de stikstofberekening met AERIUS Calculator 2023 blijkt voor zowel de realisatiefase als gebruiksfase dat er geen sprake is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr.

Het plan leidt niet tot een stikstoftoename. Derhalve is een significant negatief effect op Natura-2000 uitgesloten. 4.8.2

Soortenbescherming

4.8.2.1 Ecologisch onderzoek Om te bepalen of de geplande activiteiten binnen het plangebied mogelijk een negatief effect hebben op beschermde plant- en/of diersoorten en leefgebieden, is door Arcadis een Natuurtoets Wet natuurbescherming uitgevoerd. Daarbij is gekeken of zich in het plangebied (sporen van) soorten bevinden die door het plan worden beïnvloed en of eventueel ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig is. Uit de quickscan flora en fauna is gebleken dat nader onderzoek naar vleermuizen, huismus en gierzwaluw noodzakelijk is. Dit nader onderzoek heeft in het projectgebied twee door het Wnb beschermde soorten vastgesteld: Gewone dwergvleermuis: veertien zomer-/winterverblijfplaatsen, twee paarverblijfplaatsen, elf paarterritoria en zes locaties met zwermende dieren. Ruige dwergvleermuis: twee paarterritoria. Daarnaast komen algemeen voorkomende soorten van de volgende soortgroepen voor in het projectgebied: Broedvogels. Amfibieën. Grondgebonden zoogdieren. Overige beschermde soorten en functies zijn uitgesloten in het projectgebied.

70

vastgesteld I Gestel binnen de Ring 2020 (Willem Klooslaan-Busken Huetstraat) Gemeente Eindhoven

4.8.2.2 Ontheffing Naar aanleiding van het bovenstaande heeft initiatiefnemer een verzoek om ontheffing ingediend bij het bevoegd gezag. Op 20 oktober 2021 is voor initiatiefnemer een gebiedsontheffing krachtens artikel 3.8 van de Wet natuurbescherming verleend voor het uitvoeren van groot onderhoud en verduurzamingswerkzaamheden aan vijf appartementencomplexen gelegen aan de Busken Huetstraat 1 t/m 59 (oneven) en Willem Klooslaan 1 t/m 101 (oneven), postcodegebied 5615 te Eindhoven. Ook de sloop van elf garages op het terrein en de bouw van zeven seniorenwoningen maken deel uit van de ontheffing, maar deze werkzaamheden zijn niet meer aan de orde. De ontheffing geldt voor het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis (artikel 3.5, tweede lid, Wnb) en voor het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten (artikel 3.5, vierde lid, Wnb) voor de periode van 1 april 2022 tot en met 1 januari 2025. De ontheffing is als Bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd. Aan de gebiedsontheffing is ter onderbouwing een Ecologisch werkprotocol gekoppeld. Op basis van dit werkprotocol dienen de beoogde ingrepen plaats te vinden, zodat de hierboven genoemde beschermde soorten ondanks de ingrepen zo weinig mogelijk worden aangetast. Het ecologisch werkprotocol is als Bijlage 10 bij deze toelichting opgenomen.

Indien wordt gehandeld volgens de voorschriften uit de ontheffing en het ecologisch werkprotocol worden geen soorten onnodig verstoord en vindt geen overschrijding van de Wnb plaats. Ten slotte geldt te allen tijde de Algemene zorgplicht uit de Wnb. 4.8.3

Algemene zorgplicht

Artikel 1.11 Wnb voorziet in de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nagelaten moeten worden of dat maatregelen genomen moeten worden om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Die plicht is niet alleen van belang voor soorten maar ook voor gebieden. De zorgplicht fungeert als vangnet ten opzichte van de bij en krachtens de Wnb gestelde voorschriften. Bestuursrechtelijke handhaving van de zorgplicht is mogelijk in kennelijke gevallen van onzorgvuldig handelen en in situaties waarin er geen concreet voorschrift ter bescherming van de desbetreffende natuurwaarde van toepassing is.

vastgesteld I Gestel binnen de Ring 2020 (Willem Klooslaan-Busken Huetstraat) 71 Gemeente Eindhoven

72

vastgesteld I Gestel binnen de Ring 2020 (Willem Klooslaan-Busken Huetstraat) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 5

5.1

Waterparagraaf

Inleiding

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid. Het bestemmingsplan I Gestel binnen de Ring 2020 (Willem Klooslaan-Busken Huetstraat) maakt de optopping van vijf bestaande bouwmassa's mogelijk. Daarbij vindt geen nieuw ruimtebeslag en wijziging van het bouwperceel plaats. Mogelijke ontwikkelingen binnen de planperiode spelen zich daarom hoofdzakelijk af binnen bestaande (water)structuren. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder b en c van het Besluit ruimtelijke ordening.

5.2

Beleid

5.2.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning). 5.2.1.1 Nationaal Water Programma 2022-2027 De Waterwet vereist dat de Rijksoverheid eens per zes jaar een Nationaal Waterplan voor het nationale waterbeleid en een Beheer- en ontwikkelplan voor het beheer van de rijkswateren (Bprw) opstelt. 'In de geest' van de nieuwe Omgevingswet worden deze plannen nu al in samenhang beschreven in één Nationaal Waterprogramma voor beleid en beheer. Voor het waterbeleid is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie.Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) vervangt het Nationaal Waterplan 2016-2021, inclusief alle tussentijdse wijzigingen en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (Brpw) 2016-2021. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid voor de periode 2022-2027: waterveiligheid, waterkwaliteit en klimaatadaptatie. Het beschrijft tevens de uitvoering daarvan en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen.

De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, de woningbouw en de transitie landelijk gebied is noodzakelijk. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het wateren bodemsysteem meegenomen als leidend principe.

vastgesteld I Gestel binnen de Ring 2020 (Willem Klooslaan-Busken Huetstraat) 73 Gemeente Eindhoven

5.2.2

Provinciaal beleid

5.2.2.1 Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 is op 3 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld en op 22 december 2021 in werking getreden. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma's van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Het doel is niet alleen meer wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, waarbij het water en het bodemsysteem moeten zijn toegerust op natte én droge tijden. Wettelijke taken De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd. Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Integrale en gezamenlijke aanpak Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven. Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht. De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan.

De provincie gaat verder met het Programma DuurzaamDoor. Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water.

74

vastgesteld I Gestel binnen de Ring 2020 (Willem Klooslaan-Busken Huetstraat) Gemeente Eindhoven

5.2.3

Beleid Waterschap

5.2.3.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13890245/2