Bijlage 3a - Bestemmingsplan I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames)
Tekst van het document
Ten slotte weegt in dit geval ook door dat de aanwezige hoofdinfrastructuur (spoor en weg) een overtreffende rol speelt t.a.v. het hinderaspect geluid. In paragraaf 4.3 is hier nader op ingegaan. Gelet op het voorgaande zal het plan niet zorgen voor een verslechtering van het woon- en leefklimaat binnen en in de omgeving van het plangebied. Anderzijds brengt het planvoornemen geen hinder teweeg voor de bedrijfsvoering van niet-woonfuncties.
4.3
Geluid
4.3.1
Wettelijk kader
De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te vastgesteld I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) Gemeente Eindhoven
59
voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen. 4.3.2
Weg- en railverkeerslawaai
Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de weg Marconilaan en de spoorlijn Eindhoven-Best. Om deze reden is een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste resultaten. Wegverkeerslawaai De geluidbelasting ter plaatse van diverse woningen, ten gevolge van het verkeer over met name de Marconilaan en in mindere mate de Beukenlaan, overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Dit betekent dat, voor de woningen waar dit aan de orde is, een hogere waarde wordt aangevraagd. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer over de overige 30 km/h wegen overschrijdt de voorkeursgrenswaarde alleen beperkt als gevolg van de Anthony van Leeuwenhoeklaan. Railverkeerslawaai De geluidbelasting ten gevolge van het spoortraject (Eindhoven – Boxtel) overschrijdt de maximale grenswaarde van 68 dB op een deel van de spoorgerichte gevels van het plan. Deze gevels worden als “dove gevel” uitgevoerd. Op de overige delen wordt de voorkeursgrenswaarde van 55 dB overschreden. Dit betekent dat voor de woningen waar dit aan de orde is, een hogere waarde wordt aangevraagd. Geluidluwe gevels Op basis van het lokale geluidbeleid moet, daar waar sprake is van hogere waarden voor wegverkeer hoger dan 53 dB en voor railverkeer hoger dan 55 dB, sprake zijn van een geluidluwe gevel.
Bij beide torens wordt hierin voorzien door toepassing van beglaasde loggia's. Ventilatie en de toe te passen beglazing van de loggia's zullen zodanig worden dat sprake zal zijn van zogenaamde buienluchtcondities in de loggia in combinatie met voldoende geluidwering, zodat op de daadwerkelijke thermische gevel sprake zal zijn van een geluidbelasting die voldoet aan de voorkeursgrenswaarde (geluidluw). Zoals eerder aangegeven wordt een deel van de gevels als dove gevel uitgevoerd. In het algemeen worden ruimten in die gevallen gespuid via de beglaasde loggia's. Voor enkele ruimten is dat niet mogelijk en wordt om te kunnen spuien een zogenaamde comfortbox (coulissekast) toegepast.
4.3.3
Industrielawaai
Nabij het plangebied, aan de overzijde van het spoor, is het Klokgebouw gelegen. Het Klokgebouw wordt gebruikt voor grootschalige muziekevenementen. De nieuwbouw komt binnen de vergunde geluidruimte.
60
vastgesteld I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) Gemeente Eindhoven
Uitgangspunt bij de ontwikkeling is dat de exploitatie van het Klokgebouw niet belemmerd mag worden door de komst van nieuwe woningen. De huidige bedrijfsvoering van het Klokgebouw is hierbij leidend, waarbij is uitgegaan van muziekevenementen in Hal C met als akoestisch maatgevende activiteit een equivalent muziekgeluidniveau van 103 dB(A) / 117 dB(C) met het zogenaamde standaard house spectrum.
Formeel gelden de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit als toetsingskader voor deze situatie. Probleem is echter dat de hierin opgenomen eisen uitgedrukt zijn in dB(A), terwijl in de praktijk ter plaatse van de omliggende geluidgevoelige bestemmingen sprake is van geluid met veel lage tonen in het spectrum. De dB(A) is niet geschikt om dergelijk geluid goed te beoordelen, de dB(C) is daar beter geschikt voor.
Uit metingen en berekeningen is bekend dat bij de huidige bebouwing nabij het Klokgebouw niveaus van circa 40 dB(A) (zonder de strafcorrectie van 10 dB voor de herkenbaarheid van muziekgeluid) optreden als binnen het Klokgebouw een niveau van 103 dB(A) / 117 dB(C) wordt geproduceerd. De toeslag van 10 dB wordt niet toegepast omdat de niveaus niet goed kunnen worden gemeten en/of de muziek niet herkenbaar is. Tot op heden is door de gemeente Eindhoven met deze situatie ingestemd.
Bij de beoogde ontwikkeling treden niveaus op van circa 50 dB(A) en zal het muzikale karakter zeker herkenbaar zijn. Het te toetsen niveau bedraagt dan circa 50 + 10 = 60 dB(A). De norm van 40 dB(A) in de nachtperiode wordt in dat geval met 20 dB royaal overschreden. Het nieuwe plan ligt ook op korte afstand van het spoor.
Door initiatiefnemer is middels een berekening onderzocht op welke wijze voldaan gaat worden aan de binneneis van 50 dB(C). In bijlage 10 is gemotiveerd waarom om in het kader van een goede ruimtelijke ordening als norm voor de nieuwe torens uit wordt gegaan van een norm binnen de woningen van 50 dB(C). De berekening is als bijlage 11 bijgevoegd bij deze toelichting. Hieruit kan geconcludeerd worden dat aan de door de gemeente geformuleerde maximale binnenwaarde van (50 dB(C)) wordt voldaan.
Naast de na te streven binnenwaarde als gevolg van het Klokgebouw zal eveneens voldaan worden aan de geluideisen die voortvloeien uit de reguliere regelgeving zoals de Wet geluidhinder en het Bouwbesluit. 4.3.4
Luchtvaartlawaai
Het plangebied ligt op enige afstand (circa 5,5 km) van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militair vliegveld met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). Vanaf 1 november 2009 geldt de Wet luchtvaart. Deze wet omvat een nieuw stelsel van besluitvorming en normen voor alle luchthavens, met uitzondering van Schiphol. Conform de systematiek van deze wet is voor luchthaven Eindhoven één luchthavenbesluit vastgesteld met een militaire geluidsruimte voor militair vliegverkeer en een burgergeluidsruimte voor het commercieel burgermedegebruik. Het luchthavenbesluit is op 26 september 2014 vastgesteld. Met dit besluit is de 35Ke-geluidszone rond de luchthaven vastgelegd als grens van de geluidsbelasting van het gezamenlijke militaire en civiele vliegverkeer. Het projectgebied ligt niet binnen deze vastgestelde geluidszone (35Ke-contouren). Deze geluidszone werkt daarom niet belemmerend voor dit bestemmingsplan.
vastgesteld I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) Gemeente Eindhoven
61
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Wettelijk kader
Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex. 4.4.2
Besluit niet in betekenende mate bijdragen
In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor:
woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen.
62
vastgesteld I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) Gemeente Eindhoven
NIBM-tool
Om een indicatie te krijgen van de te verwachten effecten is de NIBM-tool ingevuld. Daaruit is gebleken dat de bijdrage van het extra verkeer niet-in-betekenende-mate bijdraagt. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.
Samengevat Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits:
er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.
4.4.3
Besluit gevoelige bestemmingen
Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het vastgesteld I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) Gemeente Eindhoven
63
bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien. In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties. 4.4.4
Goede ruimtelijke ordening
Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. 4.4.5
Planbeschrijving en toetsing
Het planvoornemen ziet op de realisatie van maximaal 276 woningen. Het aantal te realiseren woningen ligt ver beneden de drempelwaarde 1.500 woningen in de situatie met één ontsluitingsweg. Dit plan zal dan ook een 'niet in betekenende mate bijdrage' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Het project mag dan ook zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Aangezien woningen in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen niet als een gevoelige bestemming worden gezien, hoeft niet aan dit besluit getoetst te worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de Monitoringstool volgt dat ter plaatse van de Marconilaan zowel in de huidige situatie als voor 2030 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar.
Ten slotte wordt ook de grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 niet overschreden.
Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan ten aanzien van luchtkwaliteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
64
vastgesteld I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) Gemeente Eindhoven
4.4.6
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.
4.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.
In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. Tot slot wordt het groepsrisico verantwoord in een beknopte verantwoording. 4.5.1
Wettelijk kader
Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico.
Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.
Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. 4.5.2
Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid
De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van de weg) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt.
In de Visie wordt aangegeven waar ruimte bestaat voor nieuwe risicovolle bedrijvigheid en onder welke veiligheidscondities dat mogelijk is. Tevens wordt aangegeven waar in de stad geïnvesteerd dient te worden in een beter niveau van beheersbaarheid. Tot slot wordt beschreven waar de veiligheid in de bestaande woonomgeving door het treffen 'aanpakken' van vastgesteld I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) Gemeente Eindhoven
65
bestaande knelpunten kan worden verbeterd. In de visie is een aantal aanvullende maatregelen bij functies nabij risicobronnen (wonen, werken, recreatie) opgenomen. Om de risico's zo klein mogelijk te houden, komen er aanvullende beschermingsmaatregelen voor de veiligheid van kwetsbare functies in de buurt van risicobronnen.
Nieuwe kwetsbare functies moeten op een afstand van minimaal 30 meter van het spoor en de rijkswegen worden gesitueerd. In een gebied van 200 meter rondom een risicovolle transportas worden geen functies toegestaan voor personen die verminderd zelfredzaam zijn (zoals kinderdagverblijf, basisschool, bejaardenhuis, verpleeghuis, ziekenhuis e.d.). De verantwoording van het groepsrisico wordt gedaan door de raad van de gemeente Eindhoven, waarbij een afweging wordt gemaakt tussen het belang van de ruimtelijke ontwikkeling ten opzichte van het risico dat een groep mensen komt te overlijden als gevolg van een ramp of incident met gevaarlijke stoffen.
Uitsnede risicokaart 4.5.3
Beoordeling plan
Aan de hand van de risicokaart is bekeken of binnen of in de nabijheid van het plangebied risicobronnen aanwezig zijn. Hieruit blijkt dat het plangebied gedeeltelijk gelegen is in het plasbrandaandachtsgebied van de spoorlijn Eindhoven-Best. Daarnaast is het plangebied volledig gelegen binnen het invloedsgebied van hetzelfde spoor (binnen de 200 meter van een route van het Basisnet) en binnen de 100% letaliteitszone van het spoor. Met dit bestemmingsplan wordt een hoger aantal kwetbare objecten (woningen) geprojecteerd dan in de huidige situatie aanwezig is. Om deze reden is een groepsrisicoberekening (QRA) gemaakt voor dit planvoornemen. De rapportage hiervan is als bijlage 12 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste resultaten en conclusies. Het plangebied is gelegen buiten de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar ten gevolge van het spoortraject Tilburg - Eindhoven. Er wordt voldaan aan de grenswaarde. 66
vastgesteld I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) Gemeente Eindhoven
Ten hoogte van het plangebied is een plasbrandaandachtsgebied van toepassing, de buitenste spoorstaaf van het spoortraject Tilburg - Eindhoven is echter gelegen op meer dan 30 meter van de geprojecteerde woontorens, waardoor het aspect plasbrandaandachtsgebied voor de woontorens niet relevant is en verder buiten beschouwing kan blijven.
Met betrekking tot het groepsrisico is voor de maatgevende kilometer van het beschouwde spoortraject bepaald dat deze in de huidige situatie de oriëntatiewaarde overschrijdt (3,75 x oriëntatiewaarde ). Na de realisatie van de woontorens neemt het groepsrisico met circa 26% toe tot 4,73 x oriëntatiewaarde.
Voor het groepsrisico geldt geen harde norm maar een oriëntatiewaarde en in bepaalde gevallen een verantwoordingsplicht. Aangezien sprake is van een groepsrisico dat meer bedraagt dan de oriëntatiewaarde dient het groepsrisico door het bevoegd gezag te worden verantwoord.
In bijlage 12 is voor enkele aspecten een nadere toelichting gegeven ter onderbouwing van het groepsrisico. De eindverantwoordelijkheid van het groepsrisico is een taak van ht bevoegd gezag. Hierbij worden de adviezen van de Veiligheidsregio meegenomen. 4.5.4
Conclusie
Omdat er sprake is van een hoog groepsrisico is het voor de aanvaardbaarheid van het plan belangrijk dat de maatregelen zoals genoemd in bijlage xx daadwerkelijk getoetst worden bij het bouwplan. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.6
Duurzaamheid
De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. 1. CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2021-2025 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.
1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang vastgesteld I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) Gemeente Eindhoven
67
energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2021-2025 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is.
1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.
1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz.
1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.
2 Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waarde vernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken.
2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen.
68
vastgesteld I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) Gemeente Eindhoven
2B) geen afval In 2050 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval.
2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.
2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier.
3) Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding?
3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan.
3B) oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.
4. Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt).
4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het vastgesteld I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) Gemeente Eindhoven
69
Klimaatplan 2021-2025 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2025 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.
4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte
4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.
Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.
4.6.1
Planbeschrijving
Algemeen De woningbouw betreft nieuwbouw ter vervanging van een verouderde woningen en een bedrijfswoning en bedrijfsgebouw. Wat het project betreft wordt ingezet op gebouwen die toekomstbestendig zijn. Voor de toekomstige bewoners zijn daarnaast ook gebruikskwaliteit en gezondheid van belang. Dit vertaalt zich niet alleen in goede gebouwen. De aanleg van de woningen in een groene parkomgeving levert een wezenlijke bijdrage in hoe de bewoners het gebied ervaren en beleven. De parkomgeving rondom de gebouwen nodigd daarbij uit om te ontmoeten, spelen en te leven. Deze groene voorzijde draagt daarmee bij aan een gezonde leefomgeving. Daarnaast worden de woontorens voorzien van verticaal groen (in bakken). Ook de appartementen worden voorzien van een eigen buitenruimte, wat een kwalitatieve impuls is en bijdraagt aan gezonde verstedelijking. Ten slotte wordt natuurinclusief gebouwd, met o.a. verblijven voor vogels en vleermuizen, en wordt een watersysteem gerealiseerd waarbij regenwater zo optimaal mogelijk kan bijdragen aan bewatering en vertraagde afvoer. 70
vastgesteld I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) Gemeente Eindhoven
Verwarming De te realiseren woningen worden aardgasloos verwarmd. De woningen worden voorzien van een lage temperatuur vloerverwarming. Hiermee wordt de warmtevraag beperkt. Hierdoor is sprake van een duurzaam energiesysteem. Hoe de verwarming wordt voorzien van warmwater zal toegelicht worden onder energie
Zongericht bouwen In de relatie tussen de gemeentelijke ambities op het gebied van duurzaam bouwen en het bestemmingsplan, is bij nieuwbouwlocaties met name het 'zongericht bouwen' van belang. De gebouwen zijn voorzien in ranke volumes. Dit zorgt ervoor dat enkel appartement een geval bevat waarop de zon binnenvalt. In de winter brengt dit warmte. In de zomer wordt de zon gemeden is de zonluwe gevel van belang.
Materialisering Het streven is om zoveel mogelijk herbruikbare materialen toe te passen en waar mogelijk van gerecyclede of recyclebare materialen. Gebruikte materialen dienen vrij van stoffen te zijn die voorkomen op de Rode Lijst van LBC/TNS. Materialen zoals zink, koper en lood worden vermeden. In het landschap wordt gestreeft naar zo min mogelijk verharding, o.a. door alleen noodzakelijke paden en plekken te maken en door de inzet van grastegels en halfverharding. Er wordt onderzocht of de te kappen bomen kunnen worden ingezet als speelelement of straatmeubilair. Ook wordt onderzocht of de slopen bebouwing materiaal kan opleveren dat ingezet kan worden voor onderdelen van het landschapsplan.
In deze fase is nog niet concreet welke materialisatie exact wordt toegepast.
Energie Voor het energievraagstuk worden twee varianten afgewogen, namelijk een EQw HT energiecentrale of aansluiting op het warmtenet van Ennatuurlijk. In een later stadium (na bestemmingsplan) wordt een keuze hieromtrent gemaakt.
EQw HT EQw HT is een uniek collectief installatieconcept voor gestapelde woningbouw en utiliteitsgebouwen. Het systeem verwarmt, koelt en levert warm tapwater. De EQw HT energiecentrale werkt op basis van water/water warmtepompen en in de buitenlucht opgestelde -fluisterstille- drycoolers in combinatie met een afleverset bij de eindgebruiker. De energiecentrale is 100% gasloos en volledig stand-alone. In een centrale technische ruimte wordt de opgewekte warmte en koude voor verwarming, koeling en warm tapwaterbereiding opgeslagen in buffers. Van daaruit wordt deze middels een distributiesysteem getransporteerd naar de woningen/utiliteit.
vastgesteld I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) Gemeente Eindhoven
71
4.7
Bodem
Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen.
Ten behoeve van deze ontwikkeling is een verkennend bodem- en asbestonderzoek verricht. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 13 bij deze toelichting. De rapportage is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de conclusies uit dit onderzoek. 4.7.1
Verkennend bodem- en asbestonderzoek
Geadviseerd wordt om een nader bodemonderzoek uit te voeren om de aard en omvang van de sterke verontreinigingen met koper, lood zink en PAK vast te stellen. Daarnaast wordt aanbevolen om na de sloop van de aanwezige bebouwing op het overige terreindeel de grond ter plaatse nog aanvullend te onderzoeken. Geadviseerd wordt om het bovengenoemd nader bodemonderzoek in een later stadium gecombineerd uit te voeren met het aanvullend bodemonderzoek op het overige terrein (na sloop). De overige analyseresultaten vormen geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging van de locatie.
Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen.
4.7.2
Niet-gesprongen explosieven (NGE)
Er kunnen als gevolg van gevechtshandelingen ten tijden van de Tweede Wereldoorlog conventionele explosieven in het plangebied zijn achtergebleven. Conform de gemeentelijke explosievenkaart is het plangebied verdacht op NGE vanaf 0,5 meter onder maaiveld. Om deze reden is een vooronderzoek en risicoanalyse uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 14 bijgevoegd. Hierna volgen de belangrijkste resultaten en conclusies.
Uit de resultaten van het vooronderzoek is gebleken dat verscheidene bodemingrepen na-conflictperiode hebben plaatsgevonden binnen het onderzoeksgebied, waaronder sloop-, bouw- en verscheidene civieltechnische werkzaamheden. Op basis van de verzamelde gegevens is bepaald dat de maximale diepte van grondroering binnen het onderzoeksgebied circa 0,50 m-mv is. De maximale diepteligging van de NGE is aan de hand van het vooronderzoek en nabijgelegen sondeergegevens vastgesteld op ongeveer 14,5 m+NAP. Bombs Away adviseert - wanneer werkzaamheden dieper dan 4,0 m-mv worden uitgevoerd de exacte verticale afbakening te bepalen door middel van een sondeeronderzoek onder OOO-begeleiding.
Mochten er bij de voorgenomen nieuwbouw heipalen worden toegepast,wordt geadviseerd de heipalen niet middels slag in te brengen. Bij deze heimethode ontstaan trillingen met een versnelling groter dan 1 m/s². In een gebied dat verdacht is op de aanwezigheid van afwerpmunitie met langevertragerontstekers dient er rekening gehouden te worden met het feit 72
vastgesteld I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) Gemeente Eindhoven
dat grote trillingen in de ondergrond een aanwezig NGE kunnen laten detoneren. Dit is een risico dat aanwezig is naast het risico bij direct contact met een NGE. Indien er werkzaamheden met trillingen met een versnelling van 1 m/s² of meer plaatsvinden dienen er aanvullende detectiewerkzaamheden binnen een cirkel van 10 meter vanaf de geplande paallocatie te worden uitgevoerd. Een heimethode waarbij deze trillingen niet vrijkomen en aanvullende detectiewerkzaamheden binnen een cirkel van 10 meter dus niet nodig worden geacht is het toepassen van schroef- of drukpalen.
4.8
Natuur
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen. 4.8.1
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde gebieden onder het Natuur Netwerk Brabant (hierna NNB). In de directe omgeving van het projectgebied zijn ook geen beschermde gebieden die deel uitmaken van het NNB. Het dichtstbijzijnde NNB betreft landgoed Wielewaal, gelegen op meer dan 1 kilometer afstand ten noordwesten van het plangebied. Gezien deze afstand is van externe werking ten aanzien van NNB-gebieden geen sprake.
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebieden. Het meest dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 6 kilometer afstand van het plangebied en betreft Leenderbos, Groote Heide & Plateaux. Door middel van AERIUS-berekeningen (zie bijlage 15) is onderzocht of als gevolg van het planvoornemen sprake is van stikstofdepositie op deze Natura 2000-gebieden.
Conclusie Op basis van het onderzoek en de bijbehorende AERIUS-berekeningen wordt geconcludeerd dat de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jr niet wordt overschreden. Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten. 4.8.2
Soortenbescherming
Om in beeld te brengen of het planvoornemen mogelijk verbodsbepalingen uit de Wnb veroorzaakt is een quickscan flora & fauna uitgevoerd. De quickscan heeft als doel de effecten op (mogelijk) aanwezige beschermde flora en fauna te toetsen alvorens de werkzaamheden gestart kunnen worden. Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkelingen negatieve effecten hebben op beschermde soorten, is een veldbezoek uitgevoerd. Daarbij is beoordeeld of er mogelijk beschermde soorten in de invloedsfeer van het plangebied voorkomen en of de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk in strijd zijn met de Wet natuurbescherming. Daarnaast is beoordeeld of er nader onderzoek nodig is om de aan- of afwezigheid van beschermde soorten uit te sluiten en of er een ontheffing nodig is voor de uitvoering van de werkzaamheden. De quickscan flora- en fauna is toegevoegd als bijlage 16 bij deze toelichting. Hierna volgen de resultaten en conclusies.
Quickscan beschermde flora en fauna Huismus vastgesteld I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) Gemeente Eindhoven
73
Onder de zonnepanelen en in de daken van de te slopen woningen alsmede het dak van de woning van het bestratingsbedrijf broeden mogelijk jaarlijks huismussen. Nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd. Om die reden is er een huismussenonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 17 bijgevoegd bij deze toelichting.
De bebouwing te Antony van Leeuwenhoeklaan-Marconilaan heeft geen functie voor huismussen. Bij de sloop hoeft daarom geen rekening te worden gehouden met beschermde natuurwaarden. Er hoeft dus geen ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Algemene vogels In het bosje in de zuidelijke hoek en de overige opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wnb begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetaties toch leiden tot overtreding van de Wnb. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield.
Vleermuizen De woning van het bestratingsbedrijf, de kantoorpanden, en de woningen en het bedrijfspand aan de noordzijde bevatten mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van deze gebouwen kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Om die reden is er een vleermuizenonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 17 bijgevoegd bij deze toelichting. De bebouwing te Antony van Leeuwenhoeklaan-Marconilaan heeft geen functie voor vleermuizen. Wel vlogen kort voor/na zonsondergang gedurende bijna alle onderzoeksrondes een klein aantal gewone dwergvleermuizen en enkele laatvliegers rond het plangebied. Hieruit valt op te maken dat er in de directe omgeving rond het plangebied meerdere verblijven van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger aanwezig zijn. Overige vleermuissoorten werden niet waargenomen.
Bij de sloop hoeft daarom geen rekening te worden gehouden met beschermde natuurwaarden. Er hoeft dus geen ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren In het plangebied komen mogelijk enkele algemene zoogdieren voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Noord-Brabant een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. 74
vastgesteld I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) Gemeente Eindhoven
Natuurinclusief Na de bouw van de nieuwe torens worden plekken gerealiseerd waar diverse soorten verblijf-, schuil en fourageerplekken vinden. Niet alleen dieren, maar ook voor mensen wordt de omgeving leefbaarder. Daarom wordt met de beplanting ook ingezet op de seizoensbeleving. Beplanting wordt toegevoegd die bijdraagt aan biodiversiteit d.m.v. het faciliteren van verblijfen schuilplekken en fourageermogelijkheden door o.a. bloesem en bessen. De beplantingssoorten zijn al eerder in dit document omschreven. Doordat het gebied deel uitmaakt van de verbindende zone vanuit Stadsbos De Wielewaal kunnen populaties uit dit gebied ook het groen in het plangebied innemen. Om het voor insecten mogelijk en makkelijk te maken om ook de hogere daken te koloniseren is het belangrijk om naast horizontale ecologische structuren ook aandacht te besteden aan de verticale ecologische structuur. Deze verticale ecologische structuur wordt gevormd door omhoog klimmend en omlaag hangend groen langs de gevel. Ook zal er in de hoger gelegen plantvakken egetatie aanwezig zijn met nectar waar insecten op afkomen. Hierdoor is het voor insecten mogelijk om de weg naar boven te ‘bewandelen’. Op de gebouwen worden nestlocaties voor huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen opgenomen.
Ook is de verlichting rond het gebouw vleermuisvriendelijk: altijd naar het maaiveld gericht, op geringe hoogte zodat vleermuizen er overheen kunnen vliegen en op sensoren ingesteld zodat er geen overbodige lichtvervuiling ontstaat. De nieuwe groene omgeving op en rond het gebouw moet goed bestand zijn tegen hitte, droogte en wateroverlast. Het watersysteem is daarop ingericht. 4.8.3
Conclusie
Ten aanzien van gebiedsbescherming worden geen negatieve effecten verwacht door toedoen van dit planvoornemen. Ten aanzien van soortenbescherming is tevens nader onderzoek gedaan naar de huismus en vleermuizen. De huidige bebouwing heeft geen functie voor vleermuizen en huismussen. Bij de sloop hoeft daarom geen rekening te worden gehouden met beschermde natuurwaarden. Er hoeft dus geen ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
Voor het overige zijn er geen overtredingen van Wnb te verwachten, indien aan de algemene zorgplicht wordt voldaan en indien buiten het broeiseizoen wordt gesnoeid.
4.9
Trillingen
Vanwege de ligging nabij de spoorlijn Eindhoven-Best en de mogelijke invloed die voorbijrijdende treinen hebben op de woonomgeving, is een onderzoek verrichten naar het te verwachten trillingsniveau. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 18 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de resultaten en conclusies. Voor de beoordeling van te verwachten trillingen is, uitgegaan van de streefwaarden voor de maximaal optredende trillingssnelheden zoals opgenomen in de Richtlijn deel B “Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet en beoordelingsrichtlijn” van de Stichting Bouwresearch (SBR) van augustus 2006. Deze systematiek sluit aan bij de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen van mei 2019 van het Ministerie van I & W.
vastgesteld I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) Gemeente Eindhoven
75
Op basis van de verrichte metingen kan worden geconcludeerd dat de in het kader van trillinghinder in woningen na te streven waarden zullen worden overschreden. Op basis van ervaring wordt de situatie beoordeeld zeer wel oplosbaar. De exacte maatregelen kunnen pas in een later stadium worden gedimensioneerd. Middels maatregelen kan een acceptabel woonklimaat worden gewaarborgd zodat qua trillingen geen belemmeringen bestaan om het bestemmingsplan vast te stellen.
76
vastgesteld I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 5
5.1
Waterparagraaf
Inleiding
Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid. Het bestemmingsplan I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) heeft een conserverend karakter. Mogelijke ontwikkelingen binnen de planperiode spelen zich daarom hoofdzakelijk af binnen bestaande (water)structuren. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder b en c van het Besluit ruimtelijke ordening.
5.2
Beleid
5.2.1
Rijksbeleid
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning).
5.2.1.1 Nationaal Water Programma 2022-2027 De Waterwet vereist dat de Rijksoverheid eens per zes jaar een Nationaal Waterplan voor het nationale waterbeleid en een Beheer- en ontwikkelplan voor het beheer van de rijkswateren (Bprw) opstelt. 'In de geest' van de nieuwe Omgevingswet worden deze plannen nu al in samenhang beschreven in één Nationaal Waterprogramma voor beleid en beheer. Voor het waterbeleid is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie.Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) vervangt het Nationaal Waterplan 2016-2021, inclusief alle tussentijdse wijzigingen en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (Brpw) 2016-2021. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid voor de periode 2022-2027: waterveiligheid, waterkwaliteit en klimaatadaptatie. Het beschrijft tevens de uitvoering daarvan en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, de woningbouw en de transitie landelijk gebied is noodzakelijk.
Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het wateren bodemsysteem meegenomen als leidend principe.
vastgesteld I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) Gemeente Eindhoven
77
5.2.2
Provinciaal beleid
5.2.2.1 Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 is op 3 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld en op 22 december 2021 in werking getreden. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma's van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Het doel is niet alleen meer wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden.
Wettelijke taken De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd. Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Integrale en gezamenlijke aanpak Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven. Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht. De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan.
De provincie gaat verder met het Programma DuurzaamDoor. Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water.
78
vastgesteld I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) Gemeente Eindhoven
5.2.3
Beleid Waterschap
5.2.3.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.
We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:
Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied.
van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
vastgesteld I Deelgebieden Woensel-Zuid 2021 (De Sierlijke Dames) Gemeente Eindhoven
79
5.2.3.2 Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen.
Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.