CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Rapportage Oprichting publiek energie- en warmtebedrijf (OPENBAAR)

Raadsvergadering 26 november 2024, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Oprichting publiek energie- en warmtebedrijf Eindhoven9.644 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bijlage 3: Rapportage Publiek energie- en warmtebedrijf

OPENBAAR Hoofdstukken 1, 2, 3 en 4

Gemeente Eindhoven 30-9-2024

Inhoud 1. Inleiding ..................................................................................................................................................................... 2 2. Kaders energievoorziening........................................................................................................................................ 4 3. De warmtemarkt ........................................................................................................................................................ 6 Hoe werkt een collectieve warmtevoorziening? ......................................................................................................... 6 Wat zijn warmtenetten en welke typen zijn er? .......................................................................................................... 6 Stand van zaken warmtemarkt in Nederland ............................................................................................................. 8 Warmte in Eindhoven .............................................................................................................................................. 10 Toekomstige warmtebehoefte Eindhoven ................................................................................................................ 14 4.

Rolneming en structuur ........................................................................................................................................... 17 Algemene rollen binnen de warmteketen................................................................................................................. 17 Juridisch kader en marktordening ............................................................................................................................ 18 Een publiek warmtebedrijf ....................................................................................................................................... 20 Structuur publiek energie- en warmtebedrijf ............................................................................................................ 23 Opdracht publiek energie- en warmtebedrijf ............................................................................................................ 26 Rollen, bevoegdheden en besluitvorming ................................................................................................................ 28

1

1. Inleiding In mei 2023 hebben het Eindhovense college en de gemeenteraad advies gevraagd over de in- en oprichting van een publiek energiebedrijf. Met zo’n bedrijf wil de gemeente grip krijgen op de uitdagingen van de energietransitie. Ook wil de gemeente de duurzaamheid, betaalbaarheid en betrouwbaarheid van de energievoorziening borgen en zorgdragen voor een rechtvaardige energietransitie. Met bijgaand adviesrapport worden het college en de raad geadviseerd over de rol, functie, vorm en invulling van een toekomstig publiek energiebedrijf. Een bedrijf dat de lokale maatschappelijke belangen wil realiseren en dienen, door publieke taken met betrekking tot de energievoorziening van de stad te organiseren in een publiek bedrijf. Context Eindhoven wil de klimaatcrisis aanpakken en daartoe de uitstoot van broekkasgassen terugdringen. In 2050 moet de eigen uitstoot zijn teruggebracht naar nagenoeg nul en in 2045 moet de gebruikte energie volledig duurzaam zijn opgewekt. Dit vergt een transitie. Op weg naar het behalen van deze doelen is de stad op andere gebieden volop in ontwikkeling. Nieuwe woningen, inwoners, arbeidsplaatsen, bedrijvigheid, grootschalige integrale gebiedsontwikkelingen en extra verkeersbewegingen zijn slechts enkele van de zichtbare onderdelen van deze ontwikkeling.

Door het aanpakken van de klimaatcrisis en de groei van de stad zal de invulling van de energievoorziening veranderen en de vraag naar energie toenemen. Duidelijk is dat de bestaande elektriciteitsvoorziening haar grenzen heeft bereikt en de aardgasvoorziening gebiedsgericht wordt vervangen door een passend alternatief. Groei van de totale energievoorziening moet op duurzame wijze worden vormgeven. Duurzaam in de invulling, maar ook duurzaam in het transitiepad. Iedereen moet mee kunnen doen en lasten en lusten eerlijk gedeeld. Tijdens dit onderzoek en advies was het landelijke energielandschap flink in beweging. De nieuwe Energiewet is door de Tweede Kamer aangenomen en het is de bedoeling dat die de oude Gaswet en Elektriciteitswet 1998 gaat vervangen. De Energiewet vormt een fundament voor de energietransitie. De wet biedt bijvoorbeeld netbeheerders meer mogelijkheden om netcongestie aan te pakken. De Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) is aangenomen door de Tweede Kamer en geeft gemeenten de bevoegdheden om regie te voeren in wijk- en gebiedsgerichte aanpak van de warmtetransitie. De Wet collectieve warmte (Wcw) is verstuurd naar de Tweede Kamer en ordent de warmtemarkt via integrale, publieke warmtebedrijven. De Wcw treedt naar verwachting halverwege 2025 in werking.

Duurzaamheid, betaalbaarheid en leveringszekerheid zijn belangrijke pijlers van al deze weten regelgeving.

2

In dit nieuwe energielandschap moesten private en publieke partijen, waaronder energieleveranciers, producenten, netbeheerders, dienstverleners, gemeenten en provincies zich door de nieuwe wetgeving (her)oriënteren op de kern van hun rol. Verschillende partijen hebben deze oriëntatie nog niet afgerond. Andere partijen, zoals woningcorporaties, projectontwikkelaars, aannemers en vermogensverschaffers moesten zich oriënteren op de kansen, risico’s en mogelijk nieuwe samenwerkingsverbanden die hieruit voortkomen. Tegelijkertijd is de gemeente aan de slag gegaan om samen met deze partijen stappen te maken in de warmtetransitie. Onder andere door het ontwerpen en ontwikkelen van collectieve warmteprojecten als Smart Thermisch Grid Stadhuisplein, Fellenoord, Eindhoven Noordoost, ’t Ven-Lievendaal en het uitfaseren van biomassa in Meerhoven. Ook is de gemeente bezig met het maken van een ontwerp van het energiesysteem van de toekomst, warmteprogramma’s en de energiebesparingsopgave. De nieuwe wet- en regelgeving sluit aan op de Eindhovense ambities om de klimaatcrisis aan te pakken en zorg te dragen voor een rechtvaardige energietransitie. Met het aanpakken van de energievoorziening voor de stad leveren we een belangrijke bijdrage. De gemeentelijke ambities in combinatie met de nieuwe wet- en regelgeving vormen de basis voor het advies.

Leeswijzer Dit onderzoek en het advies gaan over de in- en oprichting van een publiek energiebedrijf. De term publiek energiebedrijf gebruiken we als het gaat om mogelijke activiteiten in brede of algemene zin binnen het energielandschap. De focus is gericht op activiteiten in de warmteketen. In hoofdstuk twee worden de publieke waarden benoemd die de raad en het college hebben vastgesteld ten aanzien van de energievoorziening voor de stad. Partijen in de stad, waaronder een publiek energiebedrijf, zullen deze waarden moeten realiseren en borgen. Omdat de focus is gericht op warmteactiviteiten worden in hoofdstuk drie de werking en ontwikkeling van de warmtemarkt uitgelegd. In hoofdstuk vier wordt stilgestaan bij de rollen van de gemeente binnen de warmtetransitie en de vertaling hiervan naar de invulling van een publiek energie- en warmtebedrijf. Een publiek energiebedrijf ontwikkelt en realiseert energieprojecten en/of beheert energievoorzieningen. In hoofdstuk vijf worden vier warmteprojecten en één bestaande warmtevoorziening in Eindhoven beschreven alsook de lessen die daar uit te halen zijn voor de inrichting van een bedrijf dat invulling moet geven aan de publieke waarden. Vanuit hier wordt in hoofstukken zes en zeven het publiek energiebedrijf vormgegeven door in te gaan op respectievelijk het aanbod en de benodigde organisatie.

In hoofdstuk acht wordt de invulling van de organisatie om energieprojecten te ontwikkelen en beheren vertaald benodigde financiering. In hoofdstuk negen wordt stilgestaan bij de risico’s en mitigerende maatregel wanneer een publiek energiebedrijf wordt vormgegeven.

3

2. Kaders energievoorziening Een publiek energiebedrijf is een middel om meer grip en sturing te hebben op de maatschappelijke kansen en uitdagingen die de energietransitie Eindhoven biedt. Het biedt een mogelijkheid om bepaalde waarden en belangen te realiseren en te borgen. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheid om de klimaatcrisis aan te pakken en te zorgen voor een rechtvaardige verdeling van lusten en lasten die voortkomen uit nieuwe energievoorzieningen. Een publiek energiebedrijf is bij uitstek geschikt om publieke belangen (versneld) op te pakken of ze te realiseren daar waar dat onvoldoende gebeurt. De maatschappelijke belangen die Eindhoven met haar energievoorziening wil halen zijn in mei 2023 vastgesteld. Daar is gemeentebreed mee aan de slag gegaan, onder andere in de opzet van een energiesysteem voor de stad in 2050, in samenwerking met stakeholders. Die belangen vormen het kader waarbinnen een publiek energiebedrijf moet maneuvreren en zijn meegenomen in de opgezette collectieve warmteprojecten1. In Eindhoven is de energievoorziening: Duurzaam Schone energie draagt bij aan een meer leefbare, gezondere en klimaatneutrale stad. In haar doelen uit de Eindhovense klimaatverordening gaat Eindhoven voor 55% minder uitstoot van broeikasgassen in 2030 (vergeleken met 1990) en in 2050 voor een reductie van 95%.

Daarnaast moet in 2045 alle gebruikte energie duurzaam opgewekt zijn. De gebruikte energie wordt zoveel mogelijk lokaal en regionaal geproduceerd. Eindhoven gaat voor maximale energie- en milieuprestaties. Betaalbaar en inclusief Iedereen moet mee kunnen doen aan en profiteren van de energietransitie. Energie is een primaire levensbehoefte, die voor iedereen in dezelfde situatie tegen dezelfde voorwaarden toegankelijk moet zijn. Ook moeten toegang en gebruik van energie betaalbaar zijn. De duurzame Eindhovense energievoorziening streeft de laagst mogelijke acceptabele maatschappelijke kosten na. Betrouwbaar Leveringszekerheid van energie is een essentieel. We laten huishoudens niet ‘in de kou zitten’, zorgen dat de lichten blijven branden en bedrijvigheid door kan gaan en groeien. Leveringszekerheid draagt bij aan de concurrentiepositie van de stad en wordt onder meer behaald middels robuuste infrastructuren, diversiteit in het gebruik van energiedragers en de ontsluiting van meerdere duurzame bronnen en back-upvoorzieningen. Voortvarend en efficiënt De stad groeit. In aantallen inwoners, bedrijven, verkeersbewegingen en economisch. Een energiesysteem faciliteert die groei en zorgt voor nieuwe kansen om in de energievraag te 1

In hoofdstuk 5 komen we terug op de warmteprojecten

4

voorzien. Een uitgangspunt is dat energievoorzieningen tijdig beschikbaar zijn en flexibel en adaptief meegroeien met de ontwikkeling van de stad Innovatie is een belangrijke voorwaarde om de energietransitie mogelijk te maken. Dit bestaat uit zowel technische alsook sociale innovatie. Om door te kunnen pakken is de innovatiekracht van de Brainportregio essentieel. Ook het efficiënt gebruik van de boven- en ondergrondse ruimte en de efficiënte inzet van energie vragen aandacht. De energiebehoefte groeit, vanuit de bestaande en de groeiende stad. Het realiseren van energiebesparingsmogelijkheden helpt significant. Daarnaast moeten schaars beschikbare lokale (duurzame) energiebronnen (bijvoorbeeld uit de bodem of restwarmte) zo ingezet worden dat zij zoveel mogelijk afnemers kunnen bedienen. Collectieve energievoorzieningen ondersteunen hierbij. De toenemende elektriciteitsvraag leidt tot meer kabels en leidingen ondergronds en transformatorhuisjes bovengronds. Collectieve warmtevoorzieningen vragen een vergelijkbaar ruimtebeslag. Lokale energieproductie wordt zichtbaar op woningen, gebouwen en in gebieden. Dit alles vergt efficiënt gebruik van ruimte, aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving en het zoveel mogelijk rekening houden met meekoppelkansen.

Maatschappelijk en financieel rendabel Het continue en voor langere termijn realiseren en borgen van de publieke belangen van de stad, werkt alleen wanneer we een verantwoord maatschappelijk en financieel rendement op energie kunnen halen. De risico’s en kansen per energieactiviteit kunnen verschillend zijn, maar ook wet- en regelgeving spelen een rol. Rendement kan worden ingezet daar waar publieke belangen onvoldoende worden gediend. Tot slot Wanneer een publiek energiebedrijf of derden energieactiviteiten ontplooien ̶ waar verschillende stakeholders aan meewerken, gebruik van maken, dan wel mee in aanraking komen ̶ is het niet altijd mogelijk om van het begin af aan op alle maatschappelijke belangen een ‘100%’ score te halen. Soms zal een energieactiviteit gestart worden om een basis te bieden waarop toegewerkt kan worden naar de in te tijd vastgestelde doelen die behaald moeten worden. Op de weg daar naartoe zijn landelijke, regionale en lokale politieke afwegings- en besluitvormingsprocessen hierbij bepalend. In de volgende hoofstukken nemen we de publieke belangen die we willen realiseren mee in het advies over de invulling van een publiek energiebedrijf en haar activiteiten.

5

3. De warmtemarkt In dit hoofdstuk geven we een algemene beschrijving van de warmtemarkt als ook van de warmtemarkt in Eindhoven. Daarbij staan we stil bij de potentie van warmte en hoe de Eindhovense warmtemarkt er naar de toekomst uit kan zien. Nederland wil in 2050 klimaatneutraal zijn. De gebouwde omgeving speelt in het reduceren van de CO₂-uitstoot een belangrijke rol. Gemeenten hebben in het Klimaatakkoord de regierol gekregen om de energietransitie in de gebouwde omgeving vorm te geven. Zo hebben zij in de Transitievisie Warmte inzichtelijk gemaakt wanneer welke wijken of buurten van het aardgasnet worden afgekoppeld. Voor de wijken of buurten die voor 2030 gepland staan, is ook aangegeven welke warmte-alternatieven in aanmerking komen. Een collectieve warmtevoorziening is één van de oplossingen om op termijn aardgasvrij en duurzaam te verwarmen.

Hoe werkt een collectieve warmtevoorziening? Een collectieve warmtevoorziening (ook genoemd warmtenet) is een oplossing om in een gebied collectief gebouwen te verwarmen en warm tapwater te leveren. Zo’n voorziening bestaat uit een warmtebron, infrastructuur en aansluiting. • •

•

De bron produceert warmte van een bepaalde temperatuur (hoog, midden of laag) De infrastructuur transporteert en/of distribueert de warmte van een bron naar de gebouwen. Dit noemen we het warmtenet. Transport is vaak bedoeld om warmte van hogere temperatuur en/of over langere afstanden te transporten naar een gebied waar het afgegeven moet worden. In het afgiftegebied ligt een fijnmaziger distributienet. Tussen het transport en distributienet zit een warmteoverdrachtsstation. Dat brengt hogere temperatuurwarmte omlaag naar bruikbare temperatuur in gebouwen. Dat overdrachtsstation kan ook (uitsluitend) dienen om de betrouwbaarheid en stuurbaarheid van de infrastructuur als geheel te verhogen. Bijvoorbeeld zodat een lekkage in één van de distributienetten er niet voor zorgt dat alle distributienetten leeglopen De aansluiting zorgt ervoor dat warmte uit het distributienet afgeleverd wordt in de gebouwen.

Wat zijn warmtenetten en welke typen zijn er? Een warmtenet is een infrastructuur die warmte levert aan meerdere afnemers (zoals huishoudens, bedrijven en instellingen) vanuit een centrale warmtebron. Warmtenetten worden gezien als een middel om de energietransitie te bevorderen, doordat ze efficiënter en duurzamer kunnen zijn dan individuele verwarmingssystemen. Ze kunnen duurzame energiebronnen integreren en restwarmte benutten die anders verloren zou gaan. De Wcw onderscheidt warmtenetten op basis van hun grootte en reikwijdte. De belangrijkste categorieën zijn: 6

• • •

Kleinschalige warmtenetten: vaak minder dan 1.500 aansluitingen. Ze maken meestal gebruik van lokale warmtebronnen zoals een buurtwarmtepomp, warmtekoudeopslag of een kleine biomassacentrale Collectieve warmtenetten: meer dan 1.500 aansluitingen, zoals grotere woonwijken. Ze kunnen warmte betrekken van meerdere bronnen, zoals aquathermie, geothermie, en industriële restwarmte Bedrijfs- en industriële warmtenetten: dan gaat het vaak om grote bedrijven en/of industrieterreinen met weinig consumenten. Die vragen twee type warmte, ruimteverwarming (verwarming kantoren) en proceswarmte (warmte voor het industriële proces).

De schaal van een warmtenet heeft invloed op de complexiteit van het ontwerp en de exploitatie.

Bron: Warmtenet, presentatie MEZK/ RVO, december 2023

Een warmtenet bestaat altijd uit twee leidingen: een aanvoer- en retourleiding. De warmtebron en het warmteoverdrachtsstation sturen de aangevoerde warmte het gebouw in. Bijvoorbeeld een woning, onderneming of maatschappelijk vastgoed. Daar is een afleverset geplaatst en die draagt de warmte over aan de binneninstallatie en/of het tapwater. Na het onttrekken van de warmte, loopt afgekoeld water weer terug via een retourleiding. De duurzaamheid van een collectieve warmtevoorziening hangt af van de energiebron. Temperatuur van een warmtevoorziening Bij warmtevoorzieningen kunnen we grofweg onderscheid maken tussen hoog-, midden- en (zeer) lage temperatuurnetten. Hogetemperatuurnetten passen vooral bij de minder goed geïsoleerde gebouwen. Zij transporteren warmte tussen de 70 en 90 °C en worden in de toekomst gevoed met een hoog temperatuurbron zoals duurzaam opgewekte industriële restwarmte, ‘afvalenergie’ of geothermische warmte. Lage temperatuurnetten worden veelal toegepast in goed geïsoleerde panden, denk aan nieuwbouw of woningen die geïsoleerd zijn naar een A of B label (standaard). In de regel distribueren kleinschalige warmtenetten de warmte (30-55 °C). Zij maken gebruik van de restwarmte van 7

bedrijven (bijvoorbeeld datacenters), aquathermie, zonthermie in combinatie met warmte- en koudeopslag in de grond.

Stand van zaken warmtemarkt in Nederland Nederland staat relatief gezien aan de start van de ontwikkeling van warmtenetten2. Andere Europese landen kennen een veel hoger aandeel van warmtenetten als onderdeel van de energievoorziening. Daar zijn verschillende redenen voor. Vaak heeft dat te maken met de beschikbaarheid van bronnen zoals bijvoorbeeld Geothermie in IJsland, maar soms ook juist het gebrek daaraan zoals het feit dat bijvoorbeeld Denemarken geen eenvoudige toegang had tot aardgas had en daarmee op zoek moest naar een andere betaalbare warmtebron. In alle landen waar warmtenetten een hoger aandeel van de energievoorziening uitmaken, zijn de warmtenetten in publieke handen georganiseerd. In Nederland is de warmtemarkt, tot op heden, voornamelijk in private handen. De reden voor de relatief lage positie van Nederland is uiteraard de tot heden nationale beschikbaarheid van aardgas. Tot op de dag van vandaag verwarmen we onze huizen en gebouwen voornamelijk met de verbranding van aardgas. Aardgas is centraal beschikbaar, een stelsel van leidingen transporteren het door het hele land door. Om verschillende redenen gaan we nu van het aardgas af waaronder de wens tot verduurzaming. Duurzame collectieve warmtevoorzieningen zijn voor het overgrote deel afhankelijk van lokaal beschikbare bronnen.

De infrastructuur om warmte over lange afstanden te transporteren is bovendien kostbaar. Vandaar dat de warmtemarkt en de invulling daarvan afhangt van veelal lokale omstandigheden. Eigenlijk zijn warmtemarkten op dit moment vooral lokaal en soms regionaal georiënteerd en vragen ook publieke sturing. Nederlandse warmtemarkt in cijfers De Nederlandse warmtemarkt verwijst naar de hele infrastructuur, diensten en activiteiten die betrokken zijn bij de levering van warmte aan huishoudens, bedrijven en andere afnemers. Maatschappelijke, economische en technologische veranderingen beïnvloeden sterk de ontwikkelingen in de Nederlandse warmtemarkt. De sector staat voor de uitdaging nu het aantal warmtenetten groeit om op een duurzame en efficiënte manier in de groeiende vraag naar warmte te voorzien. Huidige markt in cijfers • In 2022 waren in Nederland ongeveer 395.000 gebouwen/huizen aangesloten op de grotere collectieve warmtenetten3. In 2021 waren dit er ongeveer 380.000. Er is nu gestage groei, vooral door het aansluiten van nieuwbouwwijken • De drie grootste warmtebedrijven (allen privaat) bedienen samen circa 75% van de aansluitingen. • Weersinvloeden en energieprijzen en besparingsmaatregelen kunnen een grote impact hebben op het verbruik van warmte. Tussen 2021 en 2022 is het warmteverbruik met 18% gedaald.

2021 was weliswaar een piekjaar, maar ondanks de gestage groei in het aantal aansluitingen is het warmteverbruik lager dan in voorgaande jaren 2 Bron: Country profiles Euroheat & Power 3 Bron: RVO Duurzaamheidsrapportage, 2022

8

• •

De grote warmtenetten zorgen in 2022 voor een besparing van 63,1% in CO₂-uitstoot (62,6% in 2021)4. Het aandeel duurzame energie van de totale geproduceerde warmte was in 2022 37,9% en in 2021 38,5%.

Bron: RVO Duurzaamheidsrapportage, 2022

•

In 2022 werd zo’n 18% minder aan warmte geleverd. Dit is een flinke daling ten opzichte van het voorgaande jaar. Dit komt vooral door een warme winter en energiebesparing bij de gebruikers van de warmte.

Duurzaamheid huidige bronnenmix van grootste warmtebedrijven in NL Een belangrijk onderdeel van een warmtenet zijn de bronnen voor hernieuwbare of duurzame energie, die worden in hoofdzaak opgewekt door zon en wind. Deze bronnen leveren de feitelijke energie. Belangrijke vormen zijn restwarmte, warmtekoppelingen, geothermie, aquathermie, biomassa, e-boilers en warmtebuffers. Veel netten zijn op dit moment afhankelijk van de inzet van biomassa of aardgas. Landelijk blijft dit in de toekomst waarschijnlijk zo. Het streven is om de CO₂besparingsdoelstelling te halen om aardgas zo snel als wenselijk uit te faseren. Als we kijken naar de betaalbaarheid, dan kan het in het begin nog zo zijn dat nog niet alle warmte uit zon en wind komt, maar tijdelijk ook nog gedeeltelijk uit fossiele bronnen. Op het moment dat er zowel financieel als maatschappelijk een passend duurzaam alternatief is, kan de fossiele bron vervangen worden. Het effect op de verduurzaming van warmtenetten is daarmee afhankelijk van de toekomstige waardering van onder andere biomassa als hernieuwbare bron. Het aansluiten van nieuwe duurzame bronnen, zoals geothermie en restwarmte, zorgt ervoor dat de huidige hoofdbronnen ̶ aardgas en biomassa ̶ op termijn minder nodig zijn, ook bij pieklasten.

4 Bron: RVO Duurzaamheidsrapportage, 2022

9

Van huidige markt naar de opgave Het verduurzamen van de warmtebehoefte is een grote opgave. Collectieve warmtevoorzieningen vullen de warmtebehoefte in voor ruimteverwarming en/of warm tapwater in de gebouwde omgeving. • Binnen de bestaande gebouwde omgeving verzorgen de dienstensector (waaronder scholen, winkels, horeca) (14%) en huishoudens (23%) samen 37% van het eindverbruik van energie. • Het eindverbruik van energie van huishoudens bestaat voor ongeveer 80% uit energie voor ruimteverwarming • In 2030 is het landelijk streefdoel om 60% CO₂-reductie in de gebouwde omgeving gerealiseerd te hebben. De landelijke potentie: • De potentie voor CO₂-vrije warmte wordt geschat op 1/3 van de totale warmtevraag in de gebouwde omgeving in 20505 • Het doel is om in 2030 500.000 nieuwe aansluitingen op warmtenetten te realiseren6 . CO₂-normen voor een warmtenet in 2030 en 2050 De overheid stuurt op een stapsgewijze reductie van de CO₂-uitstoot van warmtenetten en kiest daarmee voor duurzame energiebronnen. In het schema hieronder een opgave van een maximaal toegestane CO₂-uitstoot per gigajoule (GJ). Als referentie kan meegegeven worden dat de emissiefactor voor aardgas 56,3 KG CO₂/GJ is. Deze normen geven inzicht in de transitie die gemaakt moet en kan worden. RVO Duurzaamheidsrapportage, 2022 geeft de duurzaamheid van verschillende warmtenetten in Nederland weer.

Bron: Discussie document, Netbeheer Nederland WCW, 2022

Warmte in Eindhoven As-is situatie Eindhoven heeft binnen haar stadsgrenzen meerdere warmte-koude opslagen (Wko’s). De 4 grootste warmtenetwerken vertegenwoordigen ongeveer 15.000 woningequivalenten (WEQ, waarbij 1 WEQ staat voor 27 GJ per jaar aan warmte) en circa 7% van de bestaande Eindhovense woningvoorraad. • De gemeente Eindhoven heeft een bestaand eigen Warmtenetwerk in Meerhoven. Dit netwerk wordt gevoed door een Biomassa Centrale

5 Nationaal Programma Energie 6 Nationaal Programma Energie

10

• •

De Hightech Campus en TU/e zijn netwerken in eigen beheer en worden gevoed door een groot aantal Wko-systemen op eigen terrein7 Ennatuurlijk is eigenaar van een ster-netwerk richting het Evoluon en de wijken Strijp-S, Strijp-T en Vredeoord. In Meerhoven levert men warmte aan de wijken Grasrijk en Zandrijk. Bij deze laatste maken ze onder meer gebruik van de restwarmte van de biomassacentrale van de gemeente Eindhoven.

TU/e (eigen beheer) 19 aangesloten gebouwen: 13 TU/e en 6 externen • 310.000 m3 BVO •

Meerhoven & Strijp (Ennatuurlijk): Meerhoven & Strijp: 7000 woningen en 40 zakelijke klanten

Hightech Campus (eigen beheer) 30 aangesloten gebouwen

Meerhoven (gemeente Eindhoven): Meerhoven 1600 woningen + restwarmte Ennatuurlijk netwerk dmv Biomassa Centrale (BEC)

Figuur, overzicht bestaande warmtenetten. Bron: Geo-fundament.

11

Bron: Concept ESOE, november 2023

Er is een scenariostudie uitgevoerd, het EnergieSysteem Ontwerp Eindhoven (ESOE), om te begrijpen hoe de energievoorziening er in de toekomst uit kan zien, welke energiebehoeften er kunnen ontstaan, welke mogelijkheden er zijn om deze behoeften in te vullen en het energiesysteem te vormen. In deze studie is gebruik gemaakt van de publieke belangen die we in Eindhoven willen behalen met de energievoorziening. Hierin zijn bepaalde ontwerpprincipes gebruikt (denk aan welke systeemvoorkeur, infrastructuur, opslag en bronnen) om mogelijke toekomstscenario’s uit te werken. De ontwerpprincipes zijn zoveel mogelijk gehaald uit het bestaande beleid. Hieronder een aantal van de belangrijkste ontwerpprincipes die de basis vormen voor het inrichten van collectieve warmtevoorzieningen: Systeemvoorkeuren: • We hanteren een ’warmtenet, tenzij …’-principe, in geval de warmtevraagdichtheid voldoende is, evenals de beschikbaarheid van duurzame bronnen. Hiermee bevorderen we optimaal gebruik van lokale bronnen • We hanteren voor nieuwbouw een ‘lage temperatuur warmtenet, tenzij’-principe • We koppelen warmtevraag en warmtebronnen zo lokaal mogelijk, met als voorkeursvolgorde voor de schaal: buurt, gebied, stad, regio • We zien collectieve koude levering door een collectief leidingstelsel met warm of koud water als optie, mits er een grootschalige behoefte is.

Daarnaast kan koude in aantal gevallen ook dienen om de bronnen in balans te brengen zodat de bron elk jaar weer opgeladen is. Infrastructuur, opslag en bronnen: • We ontwerpen en ontwikkelen modulair • We maken de beschikbaarheid van een duurzame bron leidend in het ontwikkelen van een warmtecluster We voeden nieuwe warmtenetten niet meer met fossiele bronnen, tenzij er sprake is van een benodigde tussenoplossing die past binnen de CO₂-normen voor een warmtenet in 2030 en 2050. 12

Belang en noodzaak van isolatie De isolatiewaarde van een woning bepaalt welke temperatuur voldoende is om een woning efficiënt te kunnen verduurzamen. Naar verwachting moet meer dan 70% van de Eindhovense woningvoorraad een beter energielabel krijgen om in de toekomst aardgasvrij te verwarmen. Op basis van de energielabels kan een

Bron: ESOE, november 2023.

• •

•

Bij een toekomstig energielabel van A of beter kunnen we een lage temperatuurwarmte inzetten voor ruimteverwarming. We verstaan hieronder een temperatuur van 55 °C of lager Bij een toekomstig energielabel B of B/A is midden- of lage temperatuurwarmte nodig. Dit betekent dat lage temperatuur waarschijnlijk mogelijk is, maar er in dat geval hogere eisen aan het afgiftesysteem zijn. Dit is deels afhankelijk van het type isolatiemaatregelen waarmee label B bereikt is. Midden temperatuur betekent 55-70 °C Bij een toekomstig energielabel van C of slechter kun je woningen niet zomaar met lage temperatuur verwarmen. Hier geldt de behoefte aan een hogere temperatuurwarmtenet, wat 70 °C of hoger betekent

Bron ESOE 2023, temperatuurbehoefte per gebied, Eindhoven

13

Toekomstige warmtebehoefte Eindhoven Wanneer we de ontwerpprincipes en de ontwikkeling van de stad in ogenschouw nemen, dan ontstaat het volgende beeld bij de ontwikkeling van de warmtevraag in Eindhoven. Verwachte warmtevraag Eindhoven in TJ

2021

2021 -> 2050 Energie besparing

Woningen

4.142

- 872 (-21%)

Utiliteit

2.507

- 435 (-17%)

Totaal

6.649

- 1307 (20%)

2021>2050 Groei stad + +535 (13%) + 225 (9%) + 760 (11%)

2050

3.805 (8%) 2.297 (8%) 6.102 (8%)

Bron: ESOE, november 2023

Wat opvalt is dat er weliswaar 11% extra warmtevraag komt door het bijbouwen van woningen en kantoren, fabrieken en ziekenhuizen (ook wel utiliteiten of utiliteitsbouw genoemd), maar dat isolatiemaatregelen zorgen voor een forse besparing van 20%. Hierdoor is in 2050 minder energie nodig voor ruimteverwarming en tapwater dan in 2021. Ontwikkelingen bestaande bouw Voor de huidige woningen geldt dat de vraag daalt van 4.142 terajoule (TJ) naar 3.270 TJ (21% daling). De aanname hierbij is dat we alle woningen isoleren naar de nationale isolatiestandaard. De warmtevraag van utiliteiten daalt van 2.507 TJ naar 2.072 TJ (17% daling) als gevolg van isolatie. Ontwikkelingen nieuwbouw De groei van het aantal woningen, bedrijventerreinen en arbeidsplaatsen zorgt voor een toename van de warmtevraag: 535 TJ en 225 TJ voor respectievelijk woningen en utiliteiten. Dat betekent dat de totale nieuwbouwopgave maar 13% groei aan warmtevraag vraagt. Ontwikkelingen industrie(terreinen) Naast behoefte aan ruimteverwarming, gebruiken bedrijven en industrie ook warmte voor hun productieprocessen (proceswarmte). De huidige totale vraag naar proceswarmte is op dit moment 1.520 TJ, ingeschat op basis van het daadwerkelijk gasverbruik per bedrijventerrein. De verwachting is dat de hoeveelheid proceswarmte in de toekomst nagenoeg gelijk blijft aan de huidige ingeschatte hoeveelheid.

Deze indicatie zal komende jaren samen met het bedrijfsleven verder onderbouwd moeten worden. Op dit moment gebruiken we voor deze proceswarmte nog veelal aardgas. Ook de vraag naar proceswarmte moet steeds verder verduurzaamd worden, bijvoorbeeld met behulp van elektriciteit of waterstof. Geografische ontwikkeling Door geografische ontwikkelingen verschuift de warmtevraag. Met name in het centrumgebied neemt de warmtevraag toe door de daar geplande verdichting. Ook de Brainport Industries Campus, Park Forum en Esp gelden als groeigebieden.

14

Scenario’ s warmtenetten Eindhoven In het ontwerp van de huidige en toekomstige warmtebehoefte is het vertrekpunt dat we een collectieve warmtevoorzieningen opstellen binnen de stadsgrenzen. Op basis van de warmtebehoefte, de Transitievisie Warmte en de eerder besproken ontwerpprincipes is er een ‘minimaal en maximaal warmtescenario’ voor Eindhoven uitgewerkt. Daarbinnen is gekeken waar een midden temperatuur (MT) en waar een laag temperatuur (LT) warmtenet van toepassing kan zijn. Vertrekpunt is de temperatuurbehoefte van de buurt of wijk (losse clusters). Alle clusters die moeilijk naar energielabel A kunnen, zijn samengevoegd tot 1 gebied (onder andere rondom de binnenstad en aanpalende wijken). De tussenliggende groene en oranje clusters zijn ̶ gezien de onderliggende complexiteit ̶ hieraan toegevoegd. Alle groene en oranje delen buiten dit gebied zijn bij voorkeur LT-netten. Potentiële bronnen zijn zoveel als mogelijk geïdentificeerd, maar de zekerheid is nog niet van alle potentiële bronnen vast te stellen, denk bijvoorbeeld aan lopende onderzoeken naar geothermie. Dit alles bij elkaar leidt tot twee warmtenetscenario’s: Minimaal warmtenetscenario Om de grens te bepalen van een minimaal warmtenetgebied zijn als uitgangspunt de buurten genomen waar nu al een warmtenet ligt, aangevuld met alleen de zeer kansrijke buurten voor collectieve oplossingen.

Die kans is hoog, mits we tijdig voldoende duurzame bronnen kunnen realiseren en het tempo van stedelijke groei en verduurzaming kunnen bijhouden. Verder is verondersteld dat er een warmtenet komt in de gebieden die ook al in de Transitievisie Warmte zijn aangewezen met ‘voorkeursoptie warmtenet 50 tot 70 °C’. Tot slot is het onderzoeksgebied Eindhoven-Noordwest toegevoegd aan het ‘minimale warmtenetscenario’. Dit gebied is op basis van de warmtevraagdichtheid kansrijk. Kerncijfers Buurten/zones Woningen bestaand aantal Woningen nieuw aantal Utiliteit nieuw (m2) Warmtevraag huidig (TJ) Warmtevraag toekomst (TJ) Proceswarmtevraag (TJ) Corporatiebezit Label A-B

33 42.895 10.100 212.000 1.896 1.696 1.109 37% 33%

Maximaal warmtenetscenario Het ‘maximale warmtenetscenario’ is een uitbreiding op het minimale scenario. Toegevoegd zijn de gebieden die in de Transitievisie Warmte zijn aangemerkt als ‘zoekgebied warmtenet’. Vervolgens is op deze gebieden een check uitgevoerd met de warmtevraagdichtheidskaart. De conclusie is dat voor grote delen een collectieve oplossing een reële optie is. Bij de bepaling van een aantal grenzen aan de randen van het maximaal warmtenetgebied is ook gekeken naar de concentratie van woningcorporatiebezit. Een hoge concentratie van woningen van woningcorporaties betekent over het algemeen meer kansen voor een warmtenet, gezien de organisatie- en financieringskracht van de corporaties.

15

Kerncijfers Buurten/zones Woningen bestaand aantal Woningen nieuw aantal Utiliteit nieuw (m2) Warmtevraag huidig (TJ)

73 89.885 19.900 510.000 4.791

Warmtevraag toekomst (TJ) Proceswarmtevraag (TJ) Corporatiebezit Label A-B

4.154 1.109 23% 27%

Bron: ESOE 2023

We hebben in de verkenning ook gekeken welke impact keuzes in warmte-oplossingen hebben op het elektriciteitsnet. Dit heeft namelijk een sterke wisselwerking. Bij collectieve oplossingen met warmtenetten ontstaan er incidentele, seizoensgebonden pieklasten. Op dit moment wordt gewerkt aan het inrichten van een warmteprogramma, de opvolger van de TVW.

16

4. Rolneming en structuur Eerder beschreven we de kaders voor de energievoorziening waar een publiek energiebedrijf aan moet voldoen en hoe de warmtemarkt werkt. In dit hoofdstuk gaan we in op de rol van de gemeente in zo’n publiek energiebedrijf en een warmtebedrijf dat daar onderdeel van uitmaakt. Wat is relevante wet- en regelgeving en welke verantwoordelijkheden heeft een publiek energiebedrijf? En hoe richten we het in? In de startnotitie8 voor het onderzoek naar een publiek energiebedrijf is opgenomen dat het totale energielandschap groot is en dat een publiek energiebedrijf verschillende rollen en activiteiten kan vervullen. Hiermee kan het belang van de energievoorziening in Eindhoven worden gerealiseerd en geborgd. Wat is het verschil tussen het energiebedrijf en het warmtebedrijf? Het publieke Eindhoven Energie B.V. (EE) is de holding waaronder de gemeente Eindhoven haar energieactiviteiten kan gaan ontwikkelen. De eerste activiteit van het EE is het opzetten van een bedrijf voor collectieve warmtevoorzieningen. Eindhoven Warmte B.V. (EW) – dat onder de holding hangt – gaat via warmteprojecten (zoals Eindhoven Noordoost, ’t Ven-Lievendaal, Smart Thermisch Grid Stadhuisplein, Fellenoord en Meerhoven) de collectieve warmtevoorzieningen uitwerken.

Algemene rollen binnen de warmteketen Zoals beschreven in hoofdstuk 3, bestaat de warmteketen uit een bron om warmte te produceren, de infrastructuur om de warmte te transporteren, een aansluiting om de warmte te leveren en diensten om de keten te vervolmaken, bijvoorbeeld een warmtebuffer en isolatie.

Bron, infrastructuur en aansluiting worden assets (goederen) genoemd. Voor al deze assets zijn er partijen die een rol en verantwoordelijkheid dragen. De verschillende rollen zijn: eigenaar, manager en dienstverlener. De rol die een partij neemt bij een asset en over welke stappen in de keten (productie, transport en/of levering), zegt iets over de mate van controle over het eindresultaat. Kort gezegd draagt een partij die eigenaar is van de assets in de hele keten de meeste verantwoordelijkheid en heeft ook de meeste zeggenschap en controle over het eindresultaat. In dit geval de levering van warmte aan huishoudens en bedrijven. 8 Raadsvoorstel Startnotitie publiek energiebedrijf (23bst00400)

17

Daarna kan een partij ook nog kiezen in welk fase van een warmtevoorziening, ontwikkeling en/of exploitatie, zij wil deelnemen. Simpel gezegd kan een partij kiezen om de hele warmteketen of elementen daaruit: • Te initiëren, definiëren, ontwerpen, financieren en/of realiseren • Te beheren, onderhouden en /of leveren • Of alle fasen te doen Ook hier geldt: hoe meer een partij doet, hoe meer verantwoordelijkheid, zeggenschap en controle zij heeft.

De gekozen rol en elementen uit de fase zeggen ook iets over de verantwoordelijkheden en daarbij horende activiteiten die een partij op zich neemt. Dat heeft gevolgen voor benodigde kennis en kunde die een partij nodig heeft, zelfstandig of via derden. Hier wordt nader op ingegaan in hoofdstukken zes en zeven.

Juridisch kader en marktordening Wet- en regelgeving en beleid reguleren en organiseren de markt en de keten van warmte. Sinds het schrijven van de startnotitie in april 2023, hebben er significante wijzigingen plaatsgevonden in de voorgenomen ordening van de warmtemarkt. Is er in de startnotitie uitgebreid geredeneerd over welke positie, activiteit of rol een publiek warmtebedrijf zou moeten invullen om de gemeentelijke doelen te realiseren, in de aanstaande wet- en regelgeving voor de warmteketen is dit helder uiteengezet. Dit gaat over zowel de rol van de gemeente als die van een publiek warmtebedrijf. In het landelijk Klimaatakkoord is opgenomen dat collectieve warmtevoorzieningen belangrijk zijn om te komen tot een fossielvrije en aardgasvrije energievoorziening. Voor grofweg een derde van de gebouwde omgeving wordt een collectieve warmtevoorziening gezien als de optie met de laagste maatschappelijke kosten. Het doel is om in 2030 500.000 nieuwe warmteaansluitingen te hebben gerealiseerd. Gemeenten zijn uitgeroepen als de regisseurs van de transitie naar een aardgasvrije warmtevoorziening, de warmtetransitie. Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) De Wgiw legt de rol van de gemeente vast als regisseur van de warmtetransitie en biedt instrumenten om de transitie te realiseren.

De gemeente heeft de bevoegdheid en verantwoordelijkheid om per gebied aan te wijzen wanneer dit aardgasvrij moet zijn én met welk alternatief de warmtebehoefte wordt ingevuld. Een belangrijke toets is de uitvoerbaarheid van het alternatief. In een gebied kan een collectieve warmtevoorziening het gekozen alternatief zijn. Om te komen tot een alternatief, werkt de gemeente een 18

warmteprogramma uit. Uiterlijk 31 december 2026 levert de gemeente haar eerste warmteprogramma op en legt het ter besluitvorming aan de raad voor.

Wet collectieve warmte (Wcw) De Wcw vervangt de huidige Warmtewet, ordent de warmtemarkt en heeft als doel de ontwikkeling van nieuwe collectieve warmtevoorzieningen te bevorderen en de betaalbaarheid, betrouwbaarheid en duurzaamheid daarvan te borgen. De essentie van hoe de wet dat doet, leggen we hieronder uit. De twee wetsvoorstellen Wgiw en Wcw (zie kadertekst) liggen in elkaars verlengde. Daar waar het warmteprogramma voor een gebied concludeert dat een collectieve warmtevoorziening het alternatief is om aardgas te vervangen, resulteert dat in de Wcw tot de vaststelling van een warmtekavel door het college. Binnen een warmtekavel zou een warmtebedrijf op doelmatige wijze een collectieve warmtevoorziening, bestaande uit minimaal 1.500 verbruikers, moeten kunnen aanleggen en exploiteren en leveringszekerheid bieden. Met de Wcw wordt het verboden om warmte te transporten en te leveren. Daarvoor is een ontheffing op het verbod nodig of een aanwijzing. Beide af te geven door het college. Binnen een warmtekavel is het dus ook verboden om warmte te transporteren of te leveren zonder aanwijzing9 door het college. Wanneer de gemeente op een warmtekavel de collectieve warmtevoorziening wil laten ontwikkelen en exploiteren door een warmtebedrijf, maakt zij hiervan “melding in de Staatscourant en op een andere geschikte wijze”.

Na deze melding kunnen warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang (hierna: publiek warmtebedrijf) of warmtegemeenschappen10 een aanvraag indienen om aangewezen te worden. Dat doen ze onder andere door een globaal kavelplan in te dienen hoe zij de warmtevoorziening gaan organiseren. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) toetst het warmtebedrijf op technische, financiële en organisatorische bekwaamheid. Na een positieve toets door de ACM, wijst het college het publieke warmtebedrijf aan dat de exclusieve bevoegdheid krijgt om de taken van een aangewezen warmtebedrijf, gedurende 20 tot 30 jaar, uit te voeren11. Na de aanwijzing van het warmtebedrijf werkt dat de collectieve warmtevoorziening in detail uit in een uitgewerkt kavelplan. Daarmee kan de gemeente haar uitvoeringsplan van een gebied vaststellen en verwerken in het omgevingsplan. Voordat het warmtebedrijf start met de aanleg moet het college instemmen met het uitgewerkte kavelplan. Dit proces wordt schematisch weergegeven in onderstaande figuur.

Voorbeelden van uitzonderingen: levering van warmte aan ten hoogste 10 kleinverbruikers gezamenlijk of de doorlevering van warmte door een verhuurder aan zijn/haar huurders. 9

10

Warmtegemeenschappen worden in deze rapportage niet nader uitgewerkt.

Gedurende 7 jaar na inwerkingtreding van de Wcw is er sprake van overgangsrecht, zodat publieke realisatiekracht kan worden opgebouwd. Mocht er onder het overgangsrecht geen publiek warmtebedrijf zijn dat een aanvraag tot aanwijzing indient of dat in aanmerking komt voor een aanwijzing, dan kan het college de aanwijsprocedure nog eenmaal uitvoeren of direct openstellen voor private warmtebedrijven. 11

19

Een publiek warmtebedrijf In een warmtekavel waarvoor een uitgewerkt kavelplan is vastgesteld heeft het aangewezen publiek warmtebedrijf een aansluitplicht om iedereen, uitzonderingen daargelaten aan te sluiten op de collectieve warmtevoorziening. Het publieke warmtebedrijf doet iedere gebouweigenaar in de warmtekavel een aanbod voor ruimteverwarming en/of warm tapwater. Verbruikers hebben een keuze tot deelname, een aansluitrecht12. Het publieke warmtebedrijf moet zorgdragen voor betrouwbare, ongestoorde levering en op termijn volledig, duurzame warmte. Wat is een publiek warmtebedrijf? Een warmtebedrijf is een onderneming of warmtegemeenschap13 die zich bezighoudt of het voornemen heeft zich bezig te houden met het transport en de levering van warmte en de productie of inkoop van warmte. De Wcw ziet het transport en de levering van warmte als een integrale verantwoordelijkheid. Slecht één warmtebedrijf kan de (eind)verantwoordelijkheid dragen om betaalbaar, betrouwbaar en duurzaam warmte te leveren in een warmtekavel. Om deze warmte te leveren is zeggenschap en controle in de warmteketen georganiseerd: 1. Het warmtebedrijf is juridisch en economisch eigenaar van tenminste de infrastructuur en de aansluitingen. 2. Het warmtebedrijf moet beschikking hebben over warmtebronnen. Dat kan door deze zelf te realiseren en te exploiteren, en dus eigenaar te zijn.

Of door warmte in te kopen, zoals bijvoorbeeld restwarmte uit een datacenter of een rioolwaterzuiveringsinstallatie. 3. Vanaf de ontwerp- tot en met de exploitatiefase van de warmtevoorziening is het warmtebedrijf verantwoordelijk.

Verbruikers hoeven geen gebruik te maken van het aanbod. Maar, als de gemeente gebruik maakt van haar bevoegdheid om gas af te sluiten (Wgiw) dan moeten verbruikers zelf een aardgasvrij alternatief zoeken en realiseren. Nieuwe verbruikers in een warmtekavel kunnen het publieke warmtebedrijf verzoeken een aanbod te doen en hiertoe is het warmtebedrijf verplicht. 13 De Wcw definieert een warmtebedrijf als onderneming of warmtegemeenschap. In dit rapport wordt ingegaan op de ondernemingsvariant. 12

20

Het warmtebedrijf mag alle taken die voortvloeien uit deze verantwoordelijkheid zelf uitvoeren of geheel of ten dele uitbesteden bij andere partijen. Maar, het warmtebedrijf is en blijft eindverantwoordelijk.

Inrichting en rechtsvorm De Wcw ordent de warmtemarkt naar publieke warmtebedrijven. Dat wil zeggen: warmtebedrijven zijn in meerderheid publiek. De Wcw kent twee varianten van warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang: 1. Een warmtebedrijf waarvan de aandelen voor minimaal 50% plus 1 aandeel direct of indirect berusten bij de staat, een provincie, gemeente of ander openbaar lichaam 2. Een warmtebedrijf in de vorm van een warmte joint venture tussen een warmtenetbedrijf en een warmteleveringsbedrijf, waarbij de aandelen van het warmtenetbedrijf voor minimaal 50% plus 1 aandeel direct of indirect berusten bij de staat, een provincie, gemeente of ander openbaar lichaam, en het warmtenetbedrijf meer dan 50% van de zeggenschap of minimaal 50% van de aandelen plus 1 aandeel heeft in de warmte joint venture. De Wcw is erop gericht dat in beide varianten de publieke partij het beleid van het (integrale) warmtebedrijf bepaalt. Hiermee wil de wet de publieke regie op de warmtetransitie versterken en de publieke belangen borgen. Het warmtebedrijf kan wel afspraken maken om (investeringen van) de minderheidsaandeelhouder te beschermen, mits de publieke partij niet de zeggenschap over het beleid verliest. De mogelijke rechtsvormen van een publiek gemeentelijk warmtebedrijf zijn beperkt door de definitie van de varianten en de definitie van het begrip ‘aandeel’ in de Wcw.

Hieruit blijkt dat publiekrechtelijke rechtsvormen niet mogelijk zijn, ondanks dat de wetgever daar via de Gemeentewet de voorkeur aan geeft. Met ‘aandeel’ wordt namelijk gedoeld op aandelen in een Nederlandse besloten vennootschap of naamloze vennootschap. Het is dus nodig het warmtebedrijf privaatrechtelijk in te richten. Ook maakt deze privaat rechtelijke vorm het mogelijk om andere publieke of private partijen medeaandeelhouder te laten worden. 21

Huidige warmte-activiteiten, Warmtewet en overgangsrecht De gemeente is nu volledig eigenaar van de bron, de infrastructuur en >1.600 aansluitingen van haar warmtevoorziening in Meerhoven. De gemeente heeft hiervoor, als enige gemeente in Nederland, een warmteleveringsvergunning en heeft daarmee technische, organisatorische en financiële bekwaamheid aangetoond. De huidige gemeentelijke warmteactiviteiten zijn weliswaar publiek georganiseerd, maar voldoen vanwege hun inbedding in de gemeentelijke organisatie nog niet aan de eerste organisatievariant van een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang, middels het bezit van aandelen in een organisatie buiten de gemeentelijke organisatie. Onder het overgangsrecht in de Wcw is geregeld dat de gemeente deze activiteiten kan voortzetten. Bij de inwerkingtreding van de Wcw worden de bij elkaar horende activiteiten van de collectieve warmtevoorziening in een geografisch gebied aangemerkt als warmtekavel en wordt de huidige organisatie automatisch aangewezen als het warmtebedrijf. Uitdaging Let wel: de automatische aanwijzing van een warmtekavel en warmtebedrijf voor collectieve warmtevoorzieningen met meer dan 1.500 aansluitingen, geldt ook voor alle andere gebieden in de stad waar al warmte wordt geleverd of die in ontwikkeling zijn met het doel warmte te leveren.

In Eindhoven zijn meerdere projecten in exploitatie en ontwikkeling. Als de gemeente kiest om collectieve warmtevoorzieningen te organiseren via een deelname in een eigen warmtebedrijf, kan dat het beste vóórdat de Wcw in werking treedt (naar verwachting halverwege 2025). Het kan van strategisch belang zijn, dat de gemeente het warmtebedrijf dan al heeft opgericht en haar opdracht heeft gegeven in gebieden warmtevoorzieningen te exploiteren dan wel te ontwikkelen. Het warmtebedrijf moet dan wel voldoen aan de toekomstige Wcw in de vorm van een besloten vennootschap, maar ook aan de huidige Warmtewet. Daarnaast moet de gemeente, als aanbestedende dienst dit warmtebedrijf een directe opdracht/concessie mogen verlenen. Oplossing De gemeente kan een publiek energiebedrijf oprichten, die op haar beurt een warmtebedrijf opricht, en dan de opdrachten voor bijvoorbeeld het ontwerp, aanleg en exploitatie van warmtevoorzieningen ‘inbesteden’ aan dat warmtebedrijf. Dat kan door middel van een zogenoemde quasi-inbestedingsexceptie uit het aanbestedingsrecht. Voorwaarde is dat op dat moment er geen private partij(en) medeaandeelhouder mogen zijn van het gemeentelijke warmtebedrijf en de gemeente effectief toezicht houdt op het warmtebedrijf. Daarnaast geldt de eis dat dit warmtebedrijf het merendeel van zijn werkzaamheden in opdracht van de aandeelhoudende gemeente verricht.

De in de Wcw voorgestelde organisatievormen voldoen ook aan de huidige Warmtewet. Na de inwerkingtreding van de Wcw wordt het eigen warmtebedrijf automatisch het aangewezen warmtebedrijf en wordt het ook mogelijk andere aandeelhouders toe te laten tot de vennootschap. Uiteraard beslist de aandeelhouder, in eerste instantie het energiebedrijf, hierover. 22

Samenvattend • De gemeente wil grip en sturing hebben op de energietransitie. • De gemeente heeft in hoofdstuk 2 vijf publieke belangen gedefinieerd die zij met een energievoorziening in de stad wil realiseren en borgen dat zijn: duurzaam, betaalbaar en inclusief, betrouwbaar, voortvarend en efficiënt en maatschappelijk en financieel rendabel. • Wet- en regelgeving zorgt ervoor dat de gemeente de regierol in de lokale warmtetransitie heeft en biedt de legitieme mogelijkheid haar grip te maximaliseren door een aandeelhoudersrol in een publiek energie- en warmtebedrijf • Publieke warmtebedrijven borgen tenminste drie van de vijf publieke belangen die de gemeente wenst na te streven met haar energievoorziening.

De ACM toetst op betaalbaarheid, betrouwbaarheid en duurzaamheid • Met een regie- en aandeelhoudersrol in een publiek energiebedrijf – dat aandeelhouder is in een warmtebedrijf - bepaalt de gemeente waar, hoe, in welke mate en in welk tempo alle vijf publieke belangen worden geborgd, kan zij iedereen mee laten doen en lusten en lasten verdelen • Door nu zelfstandig een eigen publiek energiebedrijf op te richten dat aandeelhouder is van een publiek warmtebedrijf in de vorm van een besloten vennootschap: - Kan de gemeente voldoen aan bestaande en toekomstige wet- en regelgeving - Kan warmtebedrijf, na goedkeuring door de ACM, gebruik maken van leveringsvergunning van de gemeente - Kan de gemeente, vanwege de publieke structuur, het eigen warmtebedrijf opdrachten gunnen om collectieve warmtevoorzieningen te realiseren en te exploiteren en daarmee de huidige projecten dienen - Kan het eigen warmtebedrijf de in opdracht gegunde werkzaamheden zelf uitvoeren of (volledig) via een aanbesteding uitbesteden - Wordt het eigen warmtebedrijf bij inwerkingtreden van de Wcw automatisch aangewezen als warmtebedrijf - Kan de gemeente als aandeelhouder van het energiebedrijf besluiten om medeaandeelhouderschap van andere publieke of private partijen in het warmtebedrijf goed- of af te keuren.

Structuur publiek energie- en warmtebedrijf De opdracht en wens is ook om een publiek energiebedrijf op- en in te richten. Hierboven beschreven we wat een publiek warmtebedrijf is, hoe het functioneert, welke vorm het heeft en hoe het aandeelhouderschap kan ontwikkelen. In deze paragraaf staan we kort stil bij het publieke energiebedrijf, waarvan het warmtebedrijf onderdeel kan zijn. De grootte van het energielandschap biedt de mogelijkheid aan andere activiteiten, anders dan warmte, invulling te geven. Denk bijvoorbeeld aan activiteiten in de keten van elektriciteit of van waterstof. Deze ketens hebben hun eigen wet- en regelgeving. Een beoordeling voor eventuele kansen om publieke belangen in te vullen in één van deze ketens kunnen we in een later stadium uitvoeren. 23

Tegelijkertijd ontstaan er wel verzoeken, bijvoorbeeld van bedrijven en projectontwikkelaars die de gemeente vragen om dergelijke activiteiten te ontwikkelen. Dat kunnen ook activiteiten zijn in het belang van de warmtevoorziening. Zo is de gemeente benaderd om zonnepanelen (al dan niet thermisch) aan te sluiten op een gebouw waar het ook de warmtevoorziening voor kan organiseren. De elektriciteit kan direct gebruikt worden om de gebouwgebonden warmtepompen te voorzien van elektriciteit. Zo vermijd je netcongestie. Ook kan elektriciteit lokaal worden opgeslagen en op een passend tijdstip worden ingezet. Zo ontstaan er verschillende kansen die verschillende publieke belangen dienen. Om de ambitie te verwezenlijken en dergelijke kansen te benutten, zonder nu risico te lopen, wordt geadviseerd om zowel het publieke energiebedrijf als het warmtebedrijf op te richten. Dit kan door een zogenoemde holding op te richten. De gemeente is 100% aandeelhouder van de holding. De holding is vervolgens weer aandeelhouder en kan bestuurder zijn in het warmtebedrijf. Tegelijkertijd kunnen de beslissingsbevoegdheden zo worden ingericht dat de aandeelhouder van het energiebedrijf, de gemeente, zeggenschap heeft over de zaken op de goedkeuringslijst in de statuten van het warmtebedrijf, net als bij het publiek energiebedrijf. Dit is weergegeven in structuur 1.

Structuur 1

Structuur 2

Structuur 2 maakt inzichtelijk dat de gemeente/aandeelhouder te zijner tijd via de holding kan kiezen om in een aparte entiteit ‘andere energie-activiteiten’ aan de holding toe te voegen. Per activiteit kan de aandeelhouder bepalen welk aandelenpercentage/mate van zeggenschap zij wenst te hebben, rekening houdend met wet- en regelgeving. Zo kan bijvoorbeeld het publieke aandelenpercentage in het warmtebedrijf nooit lager worden dan 50% plus 1 aandeel. Door te starten met structuur 1 wordt een toekomstbestendige organisatie opgezet die kan groeien in activiteiten. Bij de start zijn de holding en het warmtebedrijf effectief dezelfde organisatie. Het werken met een holding zorgt ook dat de gemeente 100% zeggenschap kan houden in het energiebedrijf en haar activiteiten, terwijl het in de onderliggende activiteiten het aandeelhouderschap desgewenst kan delen. Dat illustreert structuur 3a. Het biedt dus 24

flexibiliteit om de juiste partijen met benodigde kennis, kunde en/of middelen per (energie)opgave te binden.

Structuur 3a Daarnaast illustreert structuur 3a de mogelijkheid om per warmtekavel een warmtebedrijf op te richten onder Eindhoven Warmte B.V. . De Wcw en de ontwikkeling naar een op kosten gebaseerde tariefstructuur zorgen ervoor dat alle kosten en opbrengsten van een warmtekavel door het warmtekavel gedragen moeten worden. Met andere woorden: de investeringen en kosten voor de collectieve warmtevoorziening in een warmtekavel worden bekostigd door de aangeslotenen in dat warmtekavel. Dat betekent dat een relatief dure warmtevoorziening tot andere lasten leidt voor de aangesloten dan een relatief goedkopere warmtevoorziening. De reden voor het prijsverschil kan divers zijn, bijvoorbeeld de nabijheid van een bron, de prijs om uit een bron warmte te onttrekken, geografische obstakels in het warmtekavel, relatief veel of weinig aangeslotenen, etc. Het effect kan zijn dat er tariefverschillen ontstaan tussen warmtekavels binnen de gemeente. De wens is echter om aangeslotenen een gelijk aanbod aan te bieden en eventuele verschillen te socialiseren. Structuur 3a helpt daarbij door bijvoorbeeld dividenden uit te keren aan Warmtebedrijf BV, die zij vervolgens als agio stort op aandelen in een ander warmtebedrijf. Dit werkt het beste wanneer de warmtekavels en het warmtebedrijf onderdeel zijn van dezelfde fiscale eenheid (zie hoofdstuk 8).

De structuur zorgt er ook voor dat potentiële partners niet buitengesloten worden. Bijvoorbeeld, stel dat het wenselijk is dat een publieke netbeheerder, al dan niet in combinatie met de provincie, medeaandeelhouder wordt in het warmtebedrijf, dan zijn daar eisen aan verbonden. Een netbeheerder mag bijvoorbeeld nooit aandelen hebben in een bedrijf dat elektriciteit produceert. Met deze structuur zou een netbeheerder wel kunnen deelnemen in het warmtebedrijf en geen hinder ondervinden dat de gemeente mogelijk ook elektriciteit produceert met een ander bedrijf onder de holding. Ter illustratie is structuur 3b opgenomen om verschillende mogelijkheden weer te geven. 25

Samenvattend Als de gemeente een publiek energiebedrijf opricht en zij vervolgens een publiek warmtebedrijf, dan is het wenselijk tegelijk het publieke energiebedrijf in de vorm van een besloten vennootschap op te richten, want: • Het biedt de mogelijkheid om waarde creërende energie-activiteiten uit te breiden. De gemeente heeft hierin de zeggenschap • Vanwege het 100% eigendom, houdt de gemeente controle bij het oprichten van andere energie-activiteiten via de holding • Per opgerichte activiteit bepaalt de gemeente in welke mate zij controle wenst te hebben over de op te richten entiteit. • De voorgestelde structuren waarvan een publiek warmtebedrijf onderdeel is, voldoen aan de Wcw • Binnen de grenzen van het op kosten gebaseerde tarief per warmtekavels biedt de structuur de mogelijkheid kostenverschillen per warmtekavel te nivelleren en toe te werken naar één warmtetarief in de gemeente. • Het maakt het mogelijk gericht publieke en private partijen te binden op specifieke energie-activiteiten, zonder partijen op voorhand uit te sluiten • De gemeente houdt vanwege haar 100% aandeelhouderschap van het energiebedrijf de controle over met wie eventueel volgende aandeelhoudersrelaties worden aangegaan.

Opdracht publiek energie- en warmtebedrijf Voor de oprichting van een bedrijf wordt een akte van oprichting opgesteld door de notaris. Aangezien het advies is om een publiek energiebedrijf en een publiek warmtebedrijf op te richten zijn in de bijlagen twee concept aktes van oprichting opgenomen. Beide aktes van oprichting zijn zeer vergelijkbaar. Hier bespreken we kort een aantal belangrijke elementen in deze aktes van oprichting zoals de naam, het doel, de aandeelhouder(s) en besluitvorming. 26

Publiek energiebedrijf Voor een duidelijke herkenning van het doel en het publieke karakter van het bedrijf wordt voorgesteld om de naam Eindhoven Energie B.V. te gebruiken. Omdat de regelgeving voor de inrichting van een besloten vennootschap flexibeler is dan voor een naamloze vennootschap, wordt gekozen voor de besloten vennootschap. De oprichter en enig aandeelhouder in Eindhoven Energie B.V. is de gemeente Eindhoven. In de inleiding van de akte van oprichting is opgenomen waarom de gemeente dit bedrijf wenst op te richten: “De Oprichter heeft tot doel maatschappelijke belangen van de gemeente Eindhoven te realiseren op het gebied van energievoorziening aan de hand van de vijf (5) volgende kaders, te weten: a. duurzaam; b. betaalbaar en inclusief; c. betrouwbaar; d. efficiënt en voortvarend; e. maatschappelijk en financieel rendabel, en wenst dit mede te doen door onderhavige besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid op te richten.” Het hoofdzakelijke doel van deze besloten vennootschap is: “het realiseren, in stand houden en (doen) exploiteren van een energiebedrijf (daaronder begrepen maar niet beperkt tot warmte, koude, elektriciteit en (duurzaam) gas) en daaraan gerelateerde diensten alsmede het ontwerpen, aanleggen, onderhouden, beheren, exploiteren van energievoorzieningen en het opwekken, produceren, distribueren, opslaan, inkopen en leveren van energie”.

Dit is een brede doelomschrijving die past bij de breedte van het energielandschap. Hiermee kunnen in de toekomst andere en verschillend soortige energieactiviteiten worden ondergebracht in Eindhoven Energie B.V..

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14637792/1