Bijlage 3 - Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen BP Buitengebied Eindhoven 2023
Tekst van het document
Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen Bestemmingsplan: Buitengebied Eindhoven 2023
Gemeente Eindhoven Ruimtelijk Beleid en Ontwikkeling – Ruimtelijke Ordening Concept 20 november 2024
2
Inhoudsopgave 1
Inleiding
4
2
Zienswijzen
5
2.1.
Bewoner Oirschotsedijk
5
2.2.
Brabant Water
7
2.3.
BPD Ontwikkeling B.V.
7
2.4.
Ergon kwekerij, Bokt
9
2.5.
Bewoner (1) Bokt
12
2.6.
Bewoner (2) Bokt
14
2.7.
Forward advocaten
17
2.8.
Arom advies
18
2.9.
Boskamp & Willems advocaten
19
2.10. TenneT TSO B.V.
20
2.11. Provincie Noord-Brabant
23
2.12. Bewoner Hunenborg
47
2.13. Bewoner Weldam
48
3
Ambtshalve wijzigingen
51
3
1 Inleiding Deze nota van zienswijzen hoort bij het (ontwerp)bestemmingsplan ‘Buitengebied Eindhoven 2023’. Het bestemmingsplan heeft betrekking op het gebied buiten het bestaand stedelijke gebied, het zogenoemde Landelijk gebied, zoals door de provincie Noord-Brabant aangewezen. Het ontwerp van het bestemmingsplan met milieueffectrapport heeft van 16 februari 2023 tot en met 30 maart 2023 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is iedereen in de gelegenheid gesteld om digitaal, schriftelijk of mondeling een zienswijze kenbaar te maken. Kennisgeving van de terinzagelegging en de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen is op wettelijk voorgeschreven wijze in het Gemeenteblad van 15 februari 2023 gepubliceerd. Ook is kennis gegeven van de mogelijkheid om een digitale versie van het ontwerpbestemmingsplan te raadplegen via o.a. de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl. Naar aanleiding van de terinzagelegging zijn zienswijzen ontvangen op het ontwerpbestemmingsplan. In deze nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen (hierna: nota) zijn de zienswijzen opgenomen en samengevat. De samenvatting heeft uitsluitend tot doel om de leesbaarheid van deze nota te vergroten. Bij de beoordeling van de zienswijzen zijn de volledige brieven met bijlagen, zoals deze bij de gemeente zijn binnengekomen, betrokken.
De zienswijzen zijn in hoofdstuk 2 van deze nota van een gemeentelijk standpunt voorzien. Verder zijn ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. Deze zijn in hoofdstuk 3 van deze nota opgenomen.
4
2 Zienswijzen Op het ontwerpbestemmingsplan zijn 13 zienswijzen ontvangen. Zienswijzen zijn ingediend door: 1. 2. 3. 4. 5. 7.
Bewoner Oirschotsedijk Brabant Water BPD Ontwikkeling B.V. Ergon Kwekerij En 6. Bewoner (1) en (2) Bokt Forward advocaten
8. Arom Advies 9. Boskamp & Willems advocaten 10. Tennet TSO 11. Provincie Noord-Brabant 12. Bewoner Hunenborg 13. Bewoner Weldam
In verband met de privacy zijn de naam- en adresgegevens van de indieners van de zienswijzen in een aparte bijlagen opgenomen. Deze bijlage is niet digitaal beschikbaar, maar wel analoog. Van deze zienswijzen zijn 11 (1 t/m 11) binnen de wettelijke zienswijzetermijn ingediend. Deze zienswijzen zijn daardoor (juridisch) ontvankelijk. Twee zienswijzen (nr. 12 en 13) zijn buiten de zienswijzetermijn (digitaal) ingediend. Deze zijn daardoor (juridisch) niet-ontvankelijkheid. Wel wordt in deze nota ambtshalve ingegaan op de aangedragen punten. Hieronder is een samenvatting van de zienswijzen gegeven en is het voorzien van een gemeentelijk standpunt.
2.1.
Bewoner Oirschotsedijk
Samenvatting zienswijze Voor een gewenste ontwikkeling is het verzoek om het bestemmingsplan zodanig aan te passen dat er op het perceel Oirschotsedijk een afzonderlijk bouwvlak wordt opgenomen, zodat de mogelijkheid ontstaat een (extra) woning te realiseren. De op het voorontwerpbestemmingsplan ingediende inspraakreacties van 2 december 2020 en 24 februari 2021 moeten als ingelast en herhaald gelezen worden. Dit omdat de locatie is in de Interim Omgevingsverordening Noord Brabant (hierna: IOV) opgenomen met de aanduiding landbouw en, net als de woonwijk Tegenbosch, aangeduid als Stedelijke ontwikkeling1. Ook gaat het om het herstellen van een eerdere bebouwingsmogelijkheid en het straatbeeld aanhelen. Er worden geen andere belangen geschaad met het realiseren van een woning tussen twee bestaande woningen. Het gaat om het aanhelen van een ‘rotte kies’ in een straatwand, waardoor bijgedragen wordt aan de kwaliteit van het gebied. Nimmer is sprake geweest van enig landschap en ook de voedingsbodem daarvoor is niet aanwezig.
1 zie oECLI:NL:RVS:2021:335
5
Het gebied is ook betrokken bij de visie Stadsbos en de Wielewaal, waarop de nodige input gegeven zal worden/is. Dit ongeacht de besluitvorming over het bestemmingsplan, waarover de gemeenteraad een zelfstandige ruimtelijke afweging kan maken zonder dat deze invloed heeft op de visie voor het grotere geheel. Gemeentelijk standpunt Het (ontwerp)bestemmingsplan (hierna: bp) ‘Buitengebied Eindhoven 2023’ is een zogenoemd consoliderend bp. Dit betekent dat deze mogelijk maakt wat het geldende bp mogelijk maakt. Het geldende bp is het bp ‘Buitengebied’ (2006). Deze staat ter plaatse één woning toe. Dat is de bestaande woning. Het bouwen van een extra woning op het genoemde perceelnummer is op grond van het huidige bp ‘Buitengebied’ (2006), en daardoor het bp ‘Buitengebied Eindhoven 2023’, niet toegestaan. Op grond van de provinciale instructieregels uit IOV en de Omgevingsverordening Noord-Brabant (OV) is de locatie gelegen buiten bestaand Stedelijk gebied, in het provinciale werkingsgebied Landelijk gebied. Op grond van de IOV/ OV is het toevoegen van een extra woning aan te merken als nieuwvestiging. Hieronder wordt verstaan: “vestiging op een locatie waar ingevolge het geldende bestemmingsplan geen bebouwing is toegestaan”. Uitgangspunt in de Verordening is dat nieuwvestiging niet is toegestaan.
Onder nieuwvestiging wordt ook het afsplitsen van een deel van een bestaand woonperceel verstaan. De gronden zijn in de IOV echter ook aangeduid als Verstedelijking afweegbaar, waardoor “nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling”, ondanks een algemeen verbod, onder (zware) voorwaarden afweegbaar is. Ter afweging van de wenselijk- en aanvaardbaarheid is de ontwikkeling van de bouw van een extra woning daarom voorgelegd aan de integrale intake nieuwe initiatieven van de gemeente Eindhoven (verder: intake). Intake heeft de ontwikkeling als nietwenselijk/ negatief beoordeeld. Hierover heeft intake indiener van de zienswijze geïnformeerd. Zoals aangegeven is het betreffende gebied is in het gemeentelijke Groenbeleidsplan aangemerkt als één van de drie ‘groene wiggen’, die tot ver de stad in reiken. Dit als onderdeel van de hoofdgroenstructuur. Zoals in het Groenbeleidsplan staat: “De groene wiggen spelen een cruciale rol in de groenstructuur. De ambitie is om van deze gebieden volwaardige landschapsparken te maken. Dit betekent dat omvang, structuur en beplanting beschermd en ontwikkeld moeten worden. Behoud en ontwikkeling van natuur en landschap zijn in deze gebieden de primaire functies, gecombineerd met extensief recreatief medegebruik.
Er is ruimte om te recreëren en natuur en landschap te beleven, voor zover daar geen verstorende inrichtingsmaatregelen voor nodig zijn. Dit met behoud van de bestaande aanwezige voorzieningen of gebouwen. ”
De genoemde bestaande aanwezige voorzieningen of gebouwen betreffen o.a. de bestaande woningen in het gebied, zoals de woning van indiener en de genoemde woningen in Tegenbosch (bestaande rechten). Toevoeging van extra woningen draagt ter plaatse niet bij aan de ambitie en is als niet wenselijk beoordeeld.
6
Los van dit bestemmingsplan werkt de gemeente momenteel aan de visie ‘Stadsbos en de Wielewaal’ en de verdere uitwerking daarvan. Daarvoor zijn plannen, wensen en ambities voor de Wielewaal en de omgeving opgehaald. Zoals met indiener tijdens een overleg besproken is aangeraden de wensen in het kader van deze visie kenbaar te maken. Dit betreft echter een aparte procedure. Conclusie zienswijze De zienswijze leidt niet tot wijziging van het (ontwerp)bestemmingsplan.
2.2.
Brabant Water
Samenvatting zienswijze Verzocht wordt de drink- en ruwwatertransportleidingen voor de drinkwatervoorziening op de verbeelding op te nemen met een belemmeringenstrook van 3 m aan weerszijden van de leiding met de daarbij horende regels. Hoewel een zakelijk recht van opstal wordt afgesloten, zodat het tracé toegankelijk blijft voor (onderhouds)werkzaamheden of renovatie, kan in het bestemmingplan ook een belemmeringenstrook worden opgenomen, waarbij na uitdrukkelijke toestemming van de leidingbeheerder van kan worden afgeweken2. Het voornaamste risico ontstaat bij een lekkage, waarbij een bodemuitspoeling (‘sinkhole’) kan ontstaan van tenminste de breedte van de belemmeringenstrook. Gemeentelijk standpunt De bescherming van genoemde leidingen komt niet voort uit een wettelijke grondslag, zoals wel geldt voor buisleidingen voor gas, brandbare stoffen e.d. (op grond van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening) of advies van het Rijk (hoogspanningsleidingen bovengronds). Er is geen (zwaarwegend) risico voor gevoelige functies (kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten). De betreffende drink- en ruwwatertransportleiding is daarom geen zogenoemde planologisch relevante leiding, die in dit bestemmingsplan nadere bescherming behoeft met een belemmeringenstrook.
Conclusie zienswijze De zienswijze leidt niet tot wijziging van het (ontwerp)bestemmingsplan.
2.3.
BPD Ontwikkeling B.V.
Samenvatting zienswijze BPD is eigenaar van gronden gelegen aan de Rielsedijk (STM00, F 4306, 33.635 m2). De gronden hebben een agrarische bestemming. Verzocht wordt de gronden te bestemmen als woningbouwlocatie.
2
Op 6 september 2023 is namens de gemeente gevraagd of nader gemotiveerd kan worden, waarom deze leidingen planologisch nader beschermd moeten worden. De nadere motivering is verwerkt in de samenvatting.
7
Gemeentelijk standpunt Dit bestemmingsplan (hierna: bp) is een zogenoemd consoliderend bp. Dit betekent dat het bp ‘Buitengebied Eindhoven 2023’ mogelijk maakt wat het geldende bp mogelijk maakt en geen nieuwe ontwikkelingen. Het geldende bp is het bp ‘Buitengebied’ (2006) en staat ter plaatse geen woningbouw toe. Op grond van de provinciale wetgeving, de Interim Omgevingsverordening NoordBrabant (hierna: IOV) en sinds 1 januari 2024 de Omgevingsverordening NoordBrabant (hierna: OV), is de locatie gelegen buiten het werkingsgebied Stedelijk gebied. Het is gelegen in het werkingsgebied Landelijk Gebied met groenblauwe waarden en cultuurhistorische waarden. De (I)OV bepaalt dat ter plaatse van het Landelijk gebied een toename van het aantal woningen verboden is3. Alleen bestaande (burger- en bedrijfs)woningen zijn toegestaan. Basis van het provinciale verstedelijkingsbeleid is dat woningen binnen het stedelijk gebied worden gerealiseerd, waar ook de voorzieningen aanwezig zijn. In toenemende mate voorziet ook het landelijk gebied in een woningbehoefte, bijvoorbeeld doordat veel agrarische bedrijven zijn omgezet naar burgerwoning. Deze tendens zet zich voort. De (I)OV sluit aan op deze tendens en behoefte, door in ieder geval de omschakeling van bestaande bedrijfswoningen naar reguliere woningen toe te staan.
De OV blijft gericht op zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van verdere verstening en verrommeling van het landelijk gebied. Daarnaast is het gebied aangewezen als een gebied met groenblauwe waarden. Hier moet een bp verplicht gericht zijn op (de bescherming van) groenblauwe waarden: “ter behoud, het herstel of de duurzame ontwikkeling van het bodem- en watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken , biodiversiteit en landschappelijke waarden en kenmerken”.
Ook is de locatie ook nog provinciaal aangewezen als Cultuurhistorisch waardevol gebied. Een bp moet ter plaatse ook gericht zijn op “het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) ”. In de CHW is onder andere de “open akkercomplexen met bolle ligging en met het esdek” als in het bp te
beschermen waarden genoemd. In lijn met het geldende bp ‘Buitengebied’ (2006) en de provinciale wetgeving is de locatie in het (ontwerp)bp ‘Buitengebied Eindhoven 2023’ daarom bestemd als Agrarisch met waarden, waarbij behoud, herstel en duurzame ontwikkeling van natuur- en watersystemen alsmede van landschappelijke waarden zijn beoogd. Verstedelijking (woningbouw) is op grond van de geldende provinciale wetgeving ter plaatse niet toegestaan en dus ook niet afweegbaar. De mogelijkheden zijn 3
Artikel 3.68 IOV/ 5.77, eerste lid Omgevingsverordening Noord-Brabant
8
desondanks ambtelijk voorgelegd en besproken met de provincie, waarna bovenstaande door de provincie is bevestigd. Conclusie zienswijze De zienswijze leidt niet tot wijzing van het (ontwerp)bestemmingsplan.
2.4.
Ergon kwekerij, Bokt
Samenvatting zienswijze 1. Bouwvlak: In het ontwerpbestemmingsplan (hierna: ONBP) is het bouwvlak verkleind ten opzichte van voorontwerpbestemmingsplan (hierna: VOBP). Verzocht wordt om het bouwvlak op te nemen zoals in het VOBP. Mocht de gemeente het bouwvlak hanteren zoals in het ONBP is aangegeven, dan is contour van het bouwvlak niet op de juiste wijze rondom de huidige bedrijfsgebouwen gelegd (zie onderstaand). 2. Bassin: Een gegraven waterbassin is een ‘bouwwerk geen gebouw zijnde’. Verzocht wordt om het bassin buiten de contour van het bouwvlak te plaatsen en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - bassin’ op te nemen. 3. Containervelden: De huidige containervelden zijn enkel bestemd als Agrarisch met Waarden. De containervelden zijn aan te duiden als ‘permanente teeltondersteunende voorzieningen’. Verzocht wordt om voor de containervelden de functieaanduiding specifieke vorm van agrarisch - containervelden op te nemen. 4. Hoge teeltondersteunende voorzieningen: De huidige ‘hoge teeltondersteunende voorzieningen’ zijn bestemd als Agrarisch met Waarden. Mocht de gemeente Eindhoven het bouwvlak hanteren zoals in het ONBP is aangegeven, dan is het verzoek om de hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen op te nemen met de functieaanduiding specifieke vorm van agrarisch - hoge teelt ondersteunende voorzieningen. Gemeentelijk standpunt 1.
Bouwvlak: Het bestemmingsplan (hierna: bp) Buitengebied Eindhoven 2023 is een zogenoemd consoliderend bp. Dit betekent dat deze mogelijk maakt wat het geldende bp mogelijk maakt. Het geldende bp is het bp Buitengebied (2006), waarin ter plaatse een glastuinbouwbedrijf is toegestaan (Afb. 1). Deze is, als bestaande recht, met dezelfde contour opgenomen in het ONBP (Afb. 2). Van een verkleining van het bouwvlak is geen sprake.
9
Afb. 1 en 2: Uitsnede bp Buitengebied (2006) (links) en uitsnede bp Buitengebied Eindhoven 2023 (rechts)
In eerste instantie was in het VOBP het bouwvlak/ bestemmingsvlak inderdaad vergroot. Het VOBP betrof een eerste concept om het bp Buitengebied (2006) te actualiseren. Om inspraak en het wettelijk verplichte vooroverleg (o.a. met de provincie) te kunnen voeren. Een VOBP heeft géén juridische status. De provincie heeft de gemeente in het kader van dat vooroverleg erop gewezen dat de vergroting van het bestemmingsvlak/ bouwvlak in strijd is met de provinciale wetgeving zoals vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV)4 en Omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: OV). Daarom is in het ONBP het bestemmingsvlak Agrarisch – Agrarisch bedrijf weer opgenomen overeenkomstig de geldende rechten, met dezelfde omvang en contour uit het huidige bp ‘Buitengebied’ (2006). De provincie voert al jaren een glastuinbouwconcentratiebeleid. Daarom zijn de mogelijkheden om solitair gevestigde bedrijven, zoals deze locatie, uit te breiden al jarenlang beperkt. In de IOV/ OV is uitbreiding gedefinieerd als: vergroting van een bestaand bouwperceel of bestaand bestemmingsvlak. Het bestaande bestemmingsvlak is de opgenomen bestemming Agrarisch – Agrarisch bedrijf. In de IOV is aanvullend bepaalt dat uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf niet is toegestaan binnen de Groenblauwe mantel5.
Overeenkomstig bepaalt de OV dat uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf binnen een gebied met waarden niet is toegestaan6. In dit geval is het gelegen in een gebied met zowel cultuurhistorische waarden als groenblauwe waarden. Gemeenten, waterschappen en burgers zijn verplicht de regels uit de IOV/ OV te volgen. Uitbreiding, dan wel vergroting van het bestaand bestemmingsvlak, is daardoor niet toegestaan. Al meedenkend het volgende. Op grond van de in de IOV/ OV opgenomen basisvereiste van zorgvuldig ruimtegebruik moeten gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere
De betreffende reactie van de provincie is opgenomen in de ‘Nota (bestuurlijk) vooroverleg’ zoals bijgevoegd bij de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied Eindhoven 2023’. 5 artikel 3.57 IOV 6 artikel 5.70 OV 4
10
permanente voorzieningen geconcentreerd worden binnen een bouwperceel7. Voor de door indiener in groen aangegeven bebouwing biedt een zogenoemde vormverandering van het bouwvlak/ bestemmingsvlak een mogelijkheid. Uit rechtspraak blijkt dat dit niet gepaard mag gaan met een vergroting van de totale oppervlakte. Alleen aan de straatzijde is nog sprake van een onbebouwd bouwvlak/bestemmingsvlak. Het bestemmingsvlak wordt daarom qua vorm aangepast, zonder dat sprake is van een vergroting of verkleining van de totale oppervlakte, waarbij de door indiener aangegeven groene gedeelten binnen het bestemmingsvlak komen en het gedeelte aan de voorzijde wordt bestemd als Agrarisch met waarden met een functieaanduiding specifieke vorm van agrarisch met waarden – tuin (zie onder conclusie). 2. en 3. Bassin en containervelden: Een bassin is op grond van de provinciale verordening een zogenoemde permanente voorziening. Containervelden zijn ook permanente voorzieningen, in de vorm van permanente teeltondersteunende voorzieningen. In de (verplichte) instructieregels in de IOV/OV zijn vanuit provinciaal perspectief randvoorwaarden en regels opgenomen voor de mogelijkheid om permanente voorzieningen te realiseren. Één van de randvoorwaarden is het basisvereiste van zorgvuldig ruimtegebruik8.
Op grond van zorgvuldig ruimtegebruik moeten gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen, zoals de genoemde bassin en containervelden, geconcentreerd worden binnen een bouwperceel. Dit zoals het ONBP regelt en het geldende bp ‘Buitengebied’ (2006) regelt. Het is ook passend in de ontwikkelingsrichting van het gebied, mede gezien de ter plaatse aanwezige (en provinciaal aangewezen) cultuurhistorische waarden. Het wordt niet wenselijk geacht dat overal in het landelijk gebied dergelijke permanente voorzieningen worden opgericht. Juist daarom kent de provinciale verordening het begrip bouwperceel, waarbinnen de concentratie moet plaatsvinden. 4. Hoge teeltondersteunende voorzieningen: Op grond van de IOV/OV moeten hoge teeltondersteunende voorzieningen in de vorm van onder andere tunnel(kassen) en boogkassen met een hoogte van meer dan 1,5 meter aangemerkt worden als kassen. Kassen zijn (bedrijfs)gebouwen. Gezien de IOV/OV zijn deze uitsluitend toegestaan binnen een bouwperceel, zijnde het bestemmingsvlak Agrarisch – Agrarisch bedrijf en niet binnen de bestemming Agrarisch met waarden. Uitbreiding van het bestemmingsvlak Agrarisch – Agrarisch bedrijf is op grond van de IOV/OV niet toegestaan (zie ook onder 1). Ook een vormverandering (niet zijnde
7
Art. 3.6, eerste lid, onder c van de IOV/ 5.8, eerste lid, onder d van de OV
8 Art. 3.6, eerste lid, onder c van de IOV/ art. 5.8, eerste lid, onder d van de OV
11
een vergroting) biedt in dit geval geen oplossing, omdat er geen, dan wel onvoldoende, ongebruikte delen (meer) zijn. Conclusie zienswijze De zienswijze leidt, al meedenkend, tot wijziging van het (ontwerp) van het bestemmingsplan: • Verbeelding: vormverandering van het bestemmingsvlak Agrarisch – Agrarisch bedrijf, waarbij de door indiener onder 1 aangegeven groene gedeelte binnen het bestemmingsvlak komt en het gedeelte aan de voorzijde wordt bestemd als Agrarisch met waarden met de functieaanduiding specifieke vorm van agrarisch met waarden – tuin.
•
Regels: In artikel 5.1 (onder d) van de planregels wordt toegevoegd; ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – tuin’ tevens een tuin of boomgaard.
2.5.
Bewoner (1) Bokt
Samenvatting zienswijze Verzocht wordt de aanduiding Plattelandswoning toe te kennen als bedoeld in artikel 1.1a van de Wabo. Gezien de leeftijd en gezondheid zal de zoon de agrarische bedrijfslocatie uiteindelijk overnemen. Voor de financiering geldt echter dat als je nog geen 5 jaar stabiel onderneemt je gezien wordt als burger (en fiscaal gezien wordt een bedrijfswoning weer als woning/privé beschouwd en de opstallen als bedrijfsmatig/zakelijk). In deze situatie is het voor zowel de fiscale als de financiële kant nodig dat een aanduiding plattelandswoning wordt opgenomen, zodat de zoon formeel in de bedrijfswoning kan wonen en samen de agrarische bedrijfsvoering voortgezet kan worden. Afsplitsing is niet aan de orde. Gekeken wordt of de zoon het bedrijf in zijn geheel overneemt of dat hij die staakt. Dat is nog nader te bepalen en wordt t.z.t. maatwerk. Daarom het verzoek om hiervoor ook een binnenplanse afwijkingsbevoegdheden naar Wonen op te nemen. Gemeentelijk standpunt Ter plaatse is een (vollegronds)teeltbedrijf toegestaan met de daarbij behorende gebouwen, waaronder een bedrijfswoning. Het bestemmingsplan zelf kent geen ruimtelijke voorwaarde van 5 jaar stabiel ondernemen. Gezien de benodigde financiering biedt de Wet plattelandswoning echter wel een mogelijkheid voor deze specifieke situatie.
In de uitspraak9 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is overwogen dat de zinsnede "een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting" uit artikel 1.1a van de Wabo met zich brengt, dat de raad een woning in twee situaties met het oog op bewoning door een derde kan bestemmen als plattelandswoning. Enerzijds gaat het om de situatie dat een bedrijfswoning feitelijk nog als bedrijfswoning wordt gebruikt, zoals in deze 9 ECLI:NL:RVS:2014:4653
12
zienswijze is aangegeven. Anderzijds gaat het om de situatie dat een bedrijfswoning feitelijk door een derde wordt bewoond die geen binding met het agrarische bedrijf heeft. In beide gevallen wordt de plattelandswoning aangemerkt als onderdeel van een bestaande landbouwinrichting. Hieruit volgt dat artikel 1.1a, van de Wabo in dit geval toegepast kan worden. Omdat ook belang is bij een toekomstige ongehinderde bedrijfsuitoefening, wordt in het algemeen echter terughoudend omgegaan met het toekennen van een dergelijke aanduiding. In dit specifieke geval is onderzocht of ter plaatse het toekennen van een dergelijke aanduiding, en daarmee ook bewoning van de agrarische bedrijfswoning door iedere derde, ruimtelijk aanvaardbaar is. Daarvoor is overwogen dat een plattelandswoning geen ‘gevoelig object’ is ten opzichte van de eigen bedrijfsactiviteiten met betrekking tot geluid en geur. Voor wat betreft externe veiligheid blijft een plattelandswoning een bedrijfswoning en daardoor een beperkt kwetsbaar object. De bedrijfsactiviteiten betreffen (vollegronds)teelt; Mestvergisting vindt ter plaatse niet plaats. Bij een plattelandswoning dient wel een afweging te worden gemaakt van de luchtkwaliteit als gevolg van de eigen bedrijfsactiviteiten10. De woning wordt al getoetst op milieuthema’s van omliggende bedrijven.
Wat betreft luchtkwaliteit worden de normen niet overschreden als gevolg van de eigen bedrijfsactiviteiten. Volgens de achtergrondkaarten luchtkwaliteit van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruim lager dan de grenswaarden voor PM10, PM2,5 en NO2. Het ‘omzetten’ van de bedrijfswoning naar een plattelandswoning levert daarom geen belemmering op, dan wel leidt niet tot eventuele gezondheidseffecten. Geconcludeerd is dat de aanduiding als plattelandswoning in dit geval ruimtelijk aanvaardbaar is. Een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in beperkte mate af te wijken van een bestemmingsplan. Het mag niet leiden tot een bestemmingswijziging. Als de bestemming van het perceel gewijzigd moet worden naar Wonen dan kan dat daardoor niet met een binnenplanse afwijking en is het t.z.t. maatwerk. Conclusie zienswijze De zienswijze leidt tot wijziging van het (ontwerp)bestemmingsplan: • Verbeelding: op de bedrijfswoning wordt de functieaanduiding specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning toegevoegd.
• Regels: Toegevoegd wordt: o in artikel 1 (1.143) een definitie voor plattelandswoning, zijnde: een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een agrarisch bedrijf, die door een derde bewoond mag worden en die met betrekking tot die inrichting/agrarisch bedrijf beschouwd wordt als onderdeel van die inrichting/ agrarisch bedrijf.; 10
ECLI:NL:RVS:2015:236
13
o
2.6.
in artikel 4.1 (lid d): ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning' één plattelandswoning.
Bewoner (2) Bokt
Samenvatting zienswijze 1. Het perceelnummer 5558, wat in Eindhoven en in Son en Breugel ligt, betreft landbouwgrond. Het perceel in Son en Breugel is bestemd als Agrarisch en in Eindhoven als Natuur. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (2006) is deze bestemming er opgekomen en niet door ons gesignaleerd. Wij verzoeken om dit perceel weer te bestemmen als Agrarisch met waarden, zodat het weer overeenkomt met de bestemming van Son en Breugel. Op de provinciale kaarten van het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) is het perceel aangeduid als nog te realiseren natuur. Perceelnummer 5298 is bestemd als Agrarisch met waarden, waarvan een gedeelte al decennia lang is ingericht als bos. Dit gedeelte kan dan bestemd worden als Bos of Natuur. 2. Verzocht wordt om de aanduiding bebouwingsconcentratie op de verbeelding op te nemen, omdat in de provinciale verordening hiernaar verwezen wordt. 3. De gemeentegrens loopt door de agrarische bedrijfskavel en boerderij heen. In de regels staat dat bedrijfsgebouwen 5 meter uit de perceelgrens moet blijven (artikel 4.2.2, onder b). Dit is voor deze specifieke situatie niet werkbaar. 4. Het is onhandig dat de gemeentegrens door het perceel loopt. Verzocht wordt om verbaal te regelen dat de bestaande bijbehorende bouwwerken bij de boerderij horen of in de toekomst bij een grenscorrecte van de gemeentegrens aan te passen. 5.
Gezien het gestelde in de toelichting over het niet kunnen opnemen van een wijzigingsmogelijkheid voor o.a. het omschakelen van een agrarische bedrijfsbestemming naar een reguliere bestemming Wonen, wordt voorgesteld deze als afwijkingsmogelijkheid op te nemen. 6. Het archeologie beleid is opgenomen in dit ontwerpbestemmingsplan. Het verzoek is om de bouwvlakken uit te sluiten van de archeologische dubbelbestemming, zodat een initiatiefnemer niet onnodig op kosten wordt gejaagd. 7. Binnen de gebiedsaanduiding veiligheidszone – hoogspanningsverbinding (150 m vanuit het hart) zijn geen nieuwe functies (zoals o.a. woningen) toegestaan, waar kinderen langdurig kunnen verblijven (artikel 44.9). Deze is bij de buurtgemeenten niet opgenomen. Op basis van de netkaart van Tennet moet dat 100 meter bedragen. Verzocht wordt deze te verkleinen naar 100 meter en niet over het bestaande bouwvlak te leggen. Gemeentelijk standpunt 1. In de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV)11, zijn de betreffende gronden, zowel in Son en Breugel als in Eindhoven, aangemerkt 11 en opvolger Omgevingsverordening Noord-Brabant (OV)
14
als Natuur Netwerk Brabant (hierna: NNB). In de toelichting van de IOV staat dat het NNB onder andere bestaat uit nog niet gerealiseerde nieuwe natuur (…), waar de oude functie of bestemming nog aanwezig is, zoals in dit geval sprake van is. Er zijn vervolgens meerdere manieren om NNB te bestemmen. In dit geval zijn de gronden in Eindhoven in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (2006) bestemd als Bos en Natuur (GHS). Daarom zijn de gronden in het bestemmingsplan bestemd als Natuur -1. In de gekozen plansystematiek richt deze bestemming zich tot gronden die volgens de IOV behoren tot het NNB. Deze gronden genieten een hoge mate van bescherming tegen ontwikkelingen die een inbreuk kunnen betekenen op de, al dan niet gerealiseerde, ecologische waarden en kwaliteiten. Deze gronden zijn overeenkomstig de IOV bestemd voor het behoud, herstel en duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken. De bestemming Natuur-1 staat wel extensief agrarisch grondgebruik toe. In Son en Breugel zijn de gronden bestemd als Agrarisch met waarden – 1, wat ook ziet op het behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurwaarden12. Sinds 202113 geldt aanvullend de aanduiding Overige zone – Natuurnetwerk Brabant, die ook gericht is op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken.
In Son en Breugel geldt daarom dezelfde gebruiksbeperkingen voor het grondgebruik in verband met de aanwezige waarden; heel intensief agrarisch gebruik kan niet plaatsvinden. De wijze van gelijk bestemmen is desondanks ook voorgelegd en besproken met de provincie. Zoals namens de provincie aangegeven: Dit perceel is onderdeel van het NNB en dus zijn wij er geen voorstander van om hier te wijzigen naar een agrarische bestemming. Wij hebben immers de doelstelling om in 2027 het gehele NNB te hebben gerealiseerd. De wijziging zou de suggestie kunnen wekken dat hier geen natuuropgave ligt. Beleidsmatig wat ons betreft dus ongewenst om de bestemming te wijzigen. Overigens is dit perceel ook NNN (dus is er ook een Rijksbelang). Daarbij blijkt ook uit de luchtfoto’s dat het agrarisch gebruik de afgelopen jaren niet veel anders is geweest dan extensief (met behoud van ecologische waarden), zoals de bestemming ‘Natuur-1’ toestaat. Er ligt een poel en er zijn houtsingels aanwezig. Gezien voorstaande wordt de bestemming niet aangepast. Wel wordt de definitie van extensief agrarisch grondgebruik vereen-
voudigd. De ter plaatse van perceelnummer 5298 gebruikte bestemming Agrarisch met waarden ziet onder andere op behoud, herstel en duurzame ontwikkeling van natuuren watersystemen alsmede van landschappelijke waarden en groenvoorzieningen. Het bestaande gebruik is daarom overeenkomstig de bestemming. Afgestemd is met (de adviseur van) indiener om de bestemming daarom niet aan te passen.
12
artikel 4.1.1, onder c
13 ‘Buitengebied; Herziening 2017’ (vastgesteld 30 september 2021)
15
2. In de systematiek van het bestemmingsplan is de ligging in een bebouwingsconcentratie niet (meer) opgenomen14. Het bestemmingsplan maakt ook geen ontwikkelingen mogelijk. Het is daarom niet nodig om hiervoor overeenkomstig de mogelijkheid in de provinciale verordening een aanduiding op te nemen. 3. De gemeentegrens zorgt inderdaad voor een unieke situatie. Daarom wordt in de regels aanvullend aangegeven dat aan de zijde van de gemeentegrens geen minimum afstand tot de zijdelingse perceelgrens geldt. 4. De gemeenteraad van Eindhoven kan uitsluitend voor het eigen grondgebied een bestemmingsplan vaststellen. Deze regelt hoe de gronden gebruikt mogen worden en wat er op gebouwd mag worden. In dit geval zijn bedrijfsgebouwen en een bedrijfswoning met bijgebouwen toegestaan. Er is geen noodzaak voor een aanvullende verbale regeling. Mocht zich in de toekomst echter een grenscorrectie voordoen, zal hiervoor aandacht zijn. 5. Een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid15 geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in beperkte mate af te wijken van een plan. Een afwijkingsbevoegdheid mag echter niet leiden tot een bestemmingswijziging. Als de bestemming van het perceel gewijzigd moet worden, bijvoorbeeld van Agrarisch – Agrarisch bedrijf naar Wonen dan kan dat daardoor niet met een binnenplanse afwijking en is het in dat geval maatwerk. 6.
Eindhoven beschikt, als invulling van haar verantwoordelijkheid volgens de Erfgoedwet, over een eigen Archeologische verwachtingen- en waardenkaart. Deze is door de gemeenteraad vastgesteld op 21 juni 2022. Deze is dan ook verwerkt in het bestemmingsplan. In de Archeologische verwachtingen- en waardenkaart zijn ook bekende bodemverstoringen meegenomen, zoals verwerkt in de Verstoringenkaart (kaartbijlage 5). Grond onder bebouwing die na 1980 is gerealiseerd, wordt als verstoord gezien. Dit omdat de bouwmethoden vanaf die periode veelal diepere verstoringen heeft veroorzaakt. Op basis van het BAGregister is het aannemelijk dat de bebouwing op deze locatie voor het grootste deel vóór 1980 is gerealiseerd. Op deze locatie wordt de ondergrond onder de bebouwing daarom als niet-verstoord beschouwd, waardoor de dubbelbestemming van toepassing dient te blijven. 7. De gebiedsaanduiding Veiligheidszone – hoogspanningsverbinding ziet op bij bovengrondse hoogspanningslijnen behorende magneetveld, overeenkomstig de kaart van het RIVM. De voorgeschreven beschermingszone/ indicatieve zone voor de hoogspanning Noord Eindhoven (‘Geertruidenberg – Eindhoven’ (FE223)) is inmiddels inderdaad aangepast naar 100 meter. De gebiedsaanduiding wordt daarop aangepast. Conclusie zienswijze De zienswijze leidt tot wijziging van het (ontwerp)bestemmingsplan:
14 In ontwerp was het nog opgenomen ten behoeve van regeling voor schuilgelegenheden voor vee, maar n.a.v. de
zienswijze van de provincie is de regeling aangepast en staat het er niet meer in. 15 Als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c van de Wet ruimtelijke ordening.
16
Verbeelding: • De gebiedsaanduiding hoogspanningsverbinding is aangepast naar 2x100m; Regels: • De definitie van extensief agrarisch grondgebruik (art. 1.7316) wordt vereenvoudigd tot: die vormen van agrarisch grondgebruik die bijdragen aan de kwaliteiten van water, natuur en landschap. • In artikel 4.2.2 (onder c) wordt toegevoegd: in afwijking van het bepaalde onder b geldt ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – agrarisch bedrijf – 1’ aan de zijde van de gemeentegrens geen minimum afstand tot de zijdelingse perceelgrens.
2.7.
Forward advocaten
Samenvatting zienswijze Indiener huurt sinds 1995 van de gemeente Eindhoven, en exploiteert, de watermolen met bedrijfsruimte aan de Genneperweg in Eindhoven. In de huurovereenkomst is het toegestaan om het gehuurde te gebruiken als bedrijfsruimte in de zin van art. 7A:1624 BW (nu art. 7:290 BW), te weten voor de handel in granen, zaden, veevoeders, kunstmest en dierenbenodigdheden en aanverwante artikelen17. Op grond van de huurovereenkomst18 moet indiener het gehuurde naar aard en bestemming, te weten als watermolen en bedrijfsruimte, te gebruiken. Detailhandel vindt ter plaatse ook al tientallen jaren (vermoedelijk sedert 1962) plaats. Volgens het ontwerpbestemmingsplan is ter plaatse nu uitstuitend een educatieve-recreatieve functie al dan niet verband houdende met de aanwezigheid van de watermolen toegestaan en ondergeschikte horeca- en detailhandelsvoorzieningen, voor zover ten dienste aan de maatschappelijke functie. De ondergeschikte detailhandel is echter beperkt in aard en omvang. Dit beperkt de op grond van de huurovereenkomst toegestane detailhandel en is in strijd met de rechtszekerheid. Gemeentelijk standpunt De gemeente heeft een huurovereenkomst gesloten. Het gebruik zoals vastgelegd in de huurovereenkomst is deels in strijd met het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (2006) en het ontwerpbestemmingsplan.
In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (2006) is detailhandel in het geheel niet toegestaan en in het ontwerpbestemmingsplan wordt alleen ondergeschikte detailhandel als nevenactiviteit toegestaan. Een nevenactiviteit is geen zelfstandige activiteit, maar komt 16
Oude definitie: die vormen van agrarisch grondgebruik die het behoud en/of ontwikkeling van de aanwezige natuur- en landschapswaarden beogen en waarbij voor de grondbewerking slechts in geringe mate gebruik wordt gemaakt van agrarische middelen en de verbouw van (vollegronds)teeltproducten in hoofdzaak gericht op de instandhouding en/of vergroting van de natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. 17 art. 1, lid 2 van de huurovereenkomst 18 art. 1, lid 3 van de huurovereenkomst
17
rechtstreeks voort uit de hoofdactiviteit. Handel in granen en zaden kan gezien worden als rechtstreeks voortkomend uit de hoofdactiviteit (molen). Gezien de huurovereenkomst heeft de huurder echter recht op meer, zijnde de molen op dezelfde wijze te kunnen exploiteren als in lid 2 van de huurovereenkomst genoemde: handel in granen, zaden, veevoeders, kunstmest en dierenbenodigdheden en aanverwante artikelen. Daarom wordt in het bestemmingsplan aanvullend geregeld dat ter plaatse detailhandel is toegestaan, beperkt tot het in de huurovereenkomst genoemde. Conclusie zienswijze De zienswijze leidt tot wijziging van het (ontwerp)bestemmingsplan: • Regels: In artikel 12.1 wordt toegevoegd (b): ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - 1' is ook detailhandel toegestaan in granen, zaden, veevoeders, kunstmest en dierenbenodigdheden en aanverwante artikelen.
2.8.
Arom advies
Samenvatting zienswijze 1. Volgens het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (2006)19 is ter plaatse een manege toegestaan met een bouwoppervlakte van 3.080 m2. In het ontwerp van het bestemmingsplan is het maximum bebouwde oppervlakte de bebouwde oppervlakte overeenkomstig de bestaande situatie. In de bestaande situatie is echter minder bebouwing aanwezig dan toegestaan. Verzocht is de bestaande rechten te behouden. 2. De bestaande bedrijfswoning is niet goed bestemd. In de verbeelding is geen functieaanduiding ‘bedrijfswoning’ opgenomen ter plaatse van de bedrijfswoning. Gemeentelijk standpunt 1. Op grond van het geldende bestemminsplan ‘Buitengebied’ (2006) is een bebouwd oppervlak, inclusief bedrijfswoning en bijbehorende gebouwen, van maximaal 3.080 m2 toegestaan en in de bestaande situatie is inderdaad minder bebouwing aanwezig. Het bestemmingsplan wordt hierop aangepast. 2. Ter plaatse ontbreekt die aanduiding. Die wordt toegevoegd. Conclusie zienswijze De zienswijze leidt tot wijziging van het (ontwerp)bestemmingsplan: Verbeelding: • de maatvoeringsaanduiding maximum bebouwd oppervlak wordt opgenomen, met een aangeven bebouwd vloeroppervlakte van maximaal 3.080 m2; • de functieaanduiding bedrijfswoning wordt toegevoegd.
19 artikel 9.2.1
18
Regels: • In artikel 17.2.1, onder f wordt toegevoegd dat in afwijking van het bepaalde onder d geldt: ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak' de aangegeven bebouwde vloeroppervlakte (inclusief bedrijfswoning en bijbehorende bijgebouwen) als maximum.
2.9.
Boskamp & Willems advocaten
Samenvatting zienswijze 1. Op het voorontwerpbestemmingsplan is een inspraakreactie ingediend. Cliënten handhaven het gestelde in de inspraakreactie en kunnen zich om uiteenlopende redenen met deze reactie niet verenigen. Vooralsnog zien zij niet in waarom niet het huidige (feitelijk) gebruik ter plaatse kan worden ingepast. 2. Als dit niet tot de mogelijkheden behoort, zijn cliënten van mening dat toch minimaal de bestemming van het thans nog geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (2006) moet worden gehandhaafd. De mogelijkheden voor agrarisch gebruik worden nu beperkt tot uitsluitend een paardenhouderij. Gemeentelijk standpunt 1. Voor zover verzocht wordt de inhoud van de ingediende inspraakreactie als herhaald en ingelast in de zienswijze te beschouwen, wordt verwezen naar de reactie daarop in de Nota van inspraak (hierna: NvI)20. Niet is aangegeven waarom de reactie in bedoelde NvI onjuist is. Zoals in de NvI aangegeven, is in het huidige bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (2006) de locatie bestemd als Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AHS) met agrarisch bouwblok en de functieaanduiding paardenhouderij. Het huidige gebruik (bedrijf) is in strijd met deze bestemming. Hiervoor loopt een handhavingstraject. Dit betreft een aparte procedure. Dergelijke niet-agrarische activiteiten worden ter plaatse niet wenselijk en niet passend geacht.
Deze hebben geen relatie met de primaire ruimtelijke doelstellingen van het buitengebied, namelijk landbouw, natuur, landschap en recreatie. Verwezen wordt naar de handhavingsprocedure. 2. Op grond van het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied ‘(2006) zijn ter plaatse van de aanduiding agrarisch bouwblok agrarische bedrijven toegestaan, waarbij voor de specifieke aangewezen agrarische bedrijven (glastuinbouw, intensieve veehouderij en paardenhouderij) een aanvullende functieaanduiding is opgenomen. Genoemde specifieke agrarische bedrijven zijn uitsluitend toegestaan op een agrarisch bouwblok dat voorzien is van een dergelijke aanduiding. De locatie is voorzien van de aanduiding paardenhouderij. Uit de bewoording en opzet van artikel 3.2.1 van de planregels blijkt dat ter plaatse daarom één agrarisch bedrijf is toegestaan, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf en intensieve veehouderij, en dus dat ter plaatse een (vollegronds)teeltbedrijf en paardenhouderij is toegestaan. Het 20
Ook als bijlage bij de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied Eindhoven 2023’ gevoegd.
19
bestemmingsplan wordt daarom aangevuld met de bestaande mogelijkheid om ter plaatse ook een (vollegronds)teeltbedrijf uit te oefenen. Conclusie zienswijze De zienswijze leidt tot wijziging van het (ontwerp)bestemmingsplan: • Regels: In artikel 4.1, onder a, onder 14 wordt toegevoegd: en (vollegronds) teeltbedrijf.
2.10. TenneT TSO B.V. Samenvatting zienswijze Het landelijke hoogspanningsnet is door het ministerie van EZK aangewezen als vitale infrastructuur. Om gevaren zoveel mogelijk te beperken verzoeken wij het volgende: 1. In artikel 6 (Bedrijf) de volgende wijzigingen dan wel aanvulling door te voeren: • de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor het nutsbedrijf (art. 6.2.5, onder a en b) te wijzigen van 3 m naar 4 m. Dit ten behoeve van de bescherming van het hoogspanningsnet; • de maximum bouwhoogte voor hoogspanningsmasten aan te passen van 40 m naar 45 m, ten behoeve van de toekomstvastheid. 2. In artikel 26 (Leiding – Hoogspanning bovengronds) de volgende wijzigingen dan wel aanvullingen door te voeren: • In artikel 26.2 (bouwregels) de maximale bouwhoogte van hoogspanningsmasten aan te passen van 58 m naar 70 m in verband met de bestaande situatie. Het bevreemdt ons dat er twee verschillende hoogtes gehanteerd worden (art. 26.2 en art. 26.3 onder b). Wij zouden graag één hoogte willen aanhouden, zijnde 70 m. De opgenomen afwijking (art. 26.3) zou in principe niet noodzakelijk zijn als de maatvoering wordt aangepast naar de bestaande situatie. • Artikel 26.4.1 (vergunningsvereiste) aan te vullen met ‘straatmeublilair’ en ‘goederen’. • Een specifieke gebruiksregels op te nemen21. 3.
In artikel 27 (Leiding – Hoogspanning ondergronds) de volgende wijzigingen dan wel aanvullingen door te voeren; • In artikelen 27.3 en 27.4.3 toevoegen ‘schriftelijk positief’. • In artikel 27.4.1 (vergunningvereiste) de woorden ‘goederen’ (onder c), ‘en parkeergelegenheden’ en ‘niet opneembare’ (onder e) en ‘aanbrengen en/of, straatmeubilair’ en ‘anders dan ten dienste van deze in artikel 27 omschreven bestemming’ (onder h) en ‘bovengrondse’ wijzigen in ondergrondse (onder h).
21 Tot een gebruik strijdig met deze bestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht wordt in ieder geval gerekend een gebruik dat geen rekening houdt met een ongestoorde werking van de bovengrondse hoogspanningsleiding en de risico’s die ermee verbonden zijn
20
•
In artikel 27.4.2, onder c toevoegen en aanpassing en als d toevoegen die vallen onder de Wet Informatie-uitwisseling Boven- en Ondergrondse Netten (hierna: WIBON). 4. Wij verzoeken voor bijlage 8 (landschappelijke inpassing) contact op te nemen. Voor de uitvoering van werken of werkzaamheden dient advies gevraagd te worden aan de leidingbeheerder. Gemeentelijk standpunt De in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen bouwhoogten e.d. zijn naar aanleiding van het eerder gevoerde vooroverleg met TenneT juist expliciet op verzoek van TenneT zelf opgenomen. Wij verwijzen naar de vooroverlegreacties van 4 en 8 november 202222 en de Nota van (bestuurlijk) vooroverleg23. Desondanks het volgende: 1. Artikel 6: • In het kader van het vooroverleg heeft TenneT juist verzocht om als max. bouwhoogte voor terrein- en erfafscheidingen 3 m24 op te nemen. Ten behoeve van de beveiliging kan dit echter aangepast worden naar 4 m. • Het bestemmingsplan is een consoliderend bestemmingsplan. Dit betekent dat deze in basis mogelijk maakt wat het geldende bestemmingsplan mogelijk maakt en geen toekomstige ontwikkelingen. Alleen als deze ontwikkelingen juridisch concreet zijn, kan hierop een uitzondering gemaakt worden. Daar is ten behoeve van de genoemde ‘toekomstvastheid’ geen sprake van.
Daarbij is in het kader van het vooroverleg door Tennet nog expliciet verzocht om een bouwhoogte van maximaal 40 m op te nemen, waaraan is voldaan. 2. Artikel 26: • In de vooroverlegreactie heeft Tennet juist expliciet verzocht om de max. bouwhoogte van hoogspanningsmasten te wijzigingen van 40 m naar 58 m, gezien de bestaande masten 58 m zijn. De bestaande masten zijn daarmee positief bestemd. Zoals in uw inspraakreactie is aangegeven, bevinden zich alleen buiten het plangebied enkele masten van 70 m25. Daarmee hoeft in dit bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden; het zijn geen bestaande/ vergunde rechten in dit bestemmingspaln. Daarnaast is in het bestemmingsplan wel voorzien in een afwijkingsregeling om de bouwhoogte te kunnen verhogen tot maximaal 70 m (artikel 26.3). Er is daarom geen noodzaak voor de door u verzochte aanpassing. Aan artikel 26.2 wordt de naar aanleiding van uw inspraak-/ vooroverlegreactie verwijderde zinsnede, Voor zover de bestaande situatie hoger is, dan gelden die maten als maximale bouwhoogte,
voor de zekerheid weer toegevoegd.
22 kenmerk: GFO-N-RE 22-1216 23 bijlage 4 bij de toelichting van het (ontwerp) bestemmingsplan Buitengebied Eindhoven 2023 24 Zie Nota van (bestuurlijk) vooroverleg, advies TenneT, onder M. 25
Zie Nota van (bestuurlijk) vooroverleg, advies Tennet, onder O.
21
•
Overeenkomstig het eerdere verzoek van TenneT is artikel 26.5.1 opgenomen26. De in deze zienswijze genoemde extra toevoegingen zullen echter ook verwerkt worden. • De specifieke gebruiksbepaling wordt opgenomen. 3. Artikel 27: • De gemeente is bij bestemmingsplannen het bevoegd gezag. De raad kan een instantie wel als adviseur aanwijzen. Instemming, dan wel de verplichting van een positief advies, is daarbij juridisch niet toegestaan. Zoals uit wet27 en rechtspraak blijkt: De gemeente mag op een advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.28. Aan de planregel
wordt wel toegevoegd dat het advies schriftelijk moet (overeenkomstig 27.4.3). De verzochte woorden worden toegevoegd aan artikel 27.4.1. De regels van een bestemmingsplan moeten op grond van rechtspraak voldoende concreet zijn. De toevoeging en aanpassing gaat veel verder dan de in de betreffende regeling opgenomen normale onderhoud en kan veel (meer) inhouden, zoals een vergaande wijziging/ontwikkeling. Gezien de toevoeging onvoldoende concreet is, kan dit niet worden toegevoegd. • De WIBON schrijft de wijze van informatie-uitwisseling tussen netbeheerders en zogenoemde ‘grondroerders’ voor. Informatie-uitwisseling is geen ruimtelijk relevant werk of werkzaamheid, waarvoor een uitzondering gemaakt moet worden op de vergunningsplicht. 4. Het ontvangen advies29 heeft in het kader van dit bestemmingsplan geleid tot het aanvullend opnemen van 2 voorwaarden in de voorwaardelijke bepaling (zie onder conclusie). • •
Conclusie zienswijze De zienswijze leidt tot wijziging van de regels van het (ontwerp)bestemmingsplan: • In art. 6.2.4, onder a en b wordt voor de aanduidingen specifieke vorm van bedrijf – waterzuiveringsbedrijf en nutsbedrijf de maximale bouwhoogte in verband met de veiligheid aangepast naar 4 m. • In art. 22.5.2 (voorwaardelijke bepaling landschappelijke inpassing) worden 2 voorwaarden toegevoegd:
•
1. de bomen mogen een maximale groeihoogte hebben van 4 m en; 2. de beplanting moet afdoende onderhouden worden al dan niet onder eerste aanzegging van de leidingbeheerder. In art. 26.2 wordt (weer) toegevoegd: Voor zover de bestaande situatie hoger is, dan gelden die maten als maximale bouwhoogte.
26 Zie Nota van (bestuurlijk) vooroverleg, advies Tennet, onder P. 27
Art. 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijk adviseur en artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs 28 Dit verandert ook niet onder de Omgevingswet (zie artikel 16.15 Omgevingswet). 29 Met kenmerk GFO-N-RE 23-1025
22
•
Als specifieke gebruiksbepaling wordt opgenomen (art. 26.4): Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in lid 26.1, wordt in ieder geval gerekend een gebruik dat geen rekening houdt met een ongestoorde werking van de bovengrondse hoogspanningsleiding en de risico's die ermee verbonden zijn.
•
• •
In art. 26.5 wordt toegevoegd: o In lid 26.5.1, onder b en e: straatmeubilair. o In lid 26.5.1, onder c: goederen. o In lid 26.5.3 wordt toegevoegd schriftelijk (advies). In artikel 27.3 wordt het woord schriftelijk (advies) toegevoegd. In artikel 27.4.1 wordt toegevoegd: o Onder c: goederen o Onder e: parkeergelegenheden en niet opneembare (oppervlakteverhardingen); o Onder h: onder(grondse) en straatmeubilair.
2.11. Provincie Noord-Brabant Zienswijze en gemeentelijk standpunt Het provinciaal ruimtelijk beleid is vastgelegd in de Brabantse Omgevingsvisie en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV). Op 11 maart 2022 hebben Provinciale Staten de Omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: OV) vastgesteld die gelijktijdig met de Omgevingswet inwerking zal treden. Daarnaast is op 15 april 2022 de wijziging IOV – actualisatie april 2022 in werking getreden. Hierin zijn een aantal thema’s opgenomen en wijzigingen aangebracht ten opzichte van de geldende IOV. Wij spreken onze waardering uit waarop de provinciale vooroverlegreactie bij het opstellen van het ontwerpplan is betrokken. Dit is zichtbaar met zorg en inzet gedaan. Gezien tussentijdse provinciale beleids- en kaartwijzigingen hebben wij het plan opnieuw integraal bekeken. Omwille van de leesbaarheid van de zienswijze is deze per thema opgebouwd. Overeenkomstig de zienswijze is per thema, onder het kopje gemeentelijke reactie, gereageerd. Kwaliteitsverbetering van het landschap Correct is toegelicht dat de gemeente Eindhoven geen eigen beleidskader heeft met betrekking tot Kwaliteitsverbetering van het landschap (art. 3.9 IOV).
Inmiddels zijn met betrekking tot dit onderdeel nieuwe regionaal gemaakte bestuurlijke afspraken, zoals gemaakt tijdens de Omgevingsdag op 17 juni 2022, waarmee ook de gemeente Eindhoven heeft ingestemd. Dit is vastgelegd in het document Uitgangspunten toepassing kwaliteitsverbetering landschap. Wij verzoeken u om deze in het plan toe te lichten. Daarnaast vragen wij u om kwaliteitsverbetering van het landschap als voorwaarde toe te voegen bij de (zwaardere) afwijkings-
23
mogelijkheden in het plan. Een zorgvuldige landschappelijke inpassing met erfbeplanting volstaat in sommige gevallen wellicht als kwaliteitsverbetering, maar in andere gevallen kan een grotere inzet vereist zijn. Gemeentelijke reactie De zienswijze leidt tot wijziging van het (ontwerp)bestemmingsplan: Regels: • In de voorwaarden van de afwijkingsmogelijkheden van de artikelen 3.4.1/ 5.6.1 (kamperen bij de boer), 4.3.2 (huisvesting seizoenarbeiders), 4.5.2, 6.3 (vergroting oppervlakte bedrijfsbebouwing), 8.3, 12.3 en 17.3 wordt de voorwaarde van ‘landschappelijke inpassing’ aangepast in30: er dient binnen één jaar (…) te worden voorzien in een landschappelijke kwaliteitsverbetering overeenkomstig de notitie 'Uitgangspunten toepassing kwaliteitsverbetering landschap Noord-Brabant' zoals opgenomen in Bijlage 1, welke gedurende het <omschrijving afwijkingsmogelijkheid> in stand moet worden gehouden. Deze voorwaarde wordt
•
ook toegevoegd in art. 8.3 (vergroting oppervlakte bedrijfsbebouwing). Ook is op 18 juni 2024 is de gemeentelijke Beleidsregel groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven vastgesteld, waarin o.a. (ook) een minimale groenopgave is opgenomen. Voor het buitengebied geldt de groenopgave uit deze beleidsregel voor zover deze verder reikt dan vereist op grond van de notitie Uitgangspunten toepassing kwaliteitsverbetering landschap Noord-Brabant. Art. 48 (voorwaardelijke verplichting waterberging) wordt hierop aangepast: Artikel 48 Voorwaardelijke verplichting groen en waterberging 1. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen staat vast dat wordt voorzien in voldoende groenopgave, en indien van toepassing compensatie bestaand groen, en waterberging of andere maatregelen die bijdragen aan de klimaatbestendigheid, met dien verstande dat aan de hand van de ‘Beleidsregel groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven’ wordt bepaald of hieraan voldaan is; 2. Als de onder lid 2 bedoelde beleidsregeling wordt gewijzigd, wordt aan de hand van de nieuwe beleidsregeling bepaald of sprake is van voldoende groenopgave, en indien van toepassing compensatie bestaand groen, en waterberging of andere maatregelen die bijdragen aan de klimaatbestendigheid.
•
Aanvullend is een definitie opgenomen (1.34) van Beleidsregel groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven, zijnde: beleidsregel over groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen zoals vastgesteld op 18 juni 2024, gepubliceerd op 16 juli 2024 en in werking getreden op 17 juli 2024.
•
De afwijkingsmogelijkheden in de art. 4.3.2 (goot- en bouwhoogte bedrijfsgebouwen, -installaties en overige silo’s) en art. 4.5.2, onder b, onder 2 (dagrecreatie met ondergeschikte horeca als nevenactiviteit bij agrarisch bedrijf) zijn verwijderd.
30 Of soortgelijk luidend.
24
Toelichting: • Het afsprakenkader Uitgangspunten toepassing kwaliteitsverbetering landschap is aanvullend beschreven (§ 3.3.3.4). Ook is in § 3.3.3 ook ingegaan op de op 1 januari 2024 in werking getreden OV31. • § 3.8.1 en § 5.2.4 (gemeentelijk beleid) is gezien de nieuwe Beleidsregel groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven geactualiseerd. Natuur Netwerk Brabant Bestaande planologische rechten Ontwikkelingen zijn in het Natuur Netwerk Brabant (hierna: NNB), op enkele specifieke uitzonderingen, niet toegestaan. Voor het NNB is in het bestemmingsplan een passende bestemming toegekend (Natuur en Water). Aan de resterende gronden zijn andere bestemmingen toegekend (o.a. Sport, Recreatie en Verkeer), zonder aanvullend bescherming voor het NNB. Omdat het om bestaande planologische rechten gaat kan dat in principe ook. Wanneer deze bestemmingen ook ontwikkelingen toestaan met toepassing van een afwijkingsmogelijkheid, ontstaat een strijdigheid met de IOV. Wij vragen u om deze strijdigheid weg te nemen. Bijvoorbeeld met een gebiedsaanduiding NNB met bijbehorende regels. Hierin kunnen dan ook aanvullende regels worden opgenomen voor bijvoorbeeld het plaatsen van lichtmasten (i.v.m. lichtverstoring). Gemeentelijke reactie Art.
9.3 IOV32 bevat een algemene bepaling op grond waarvan activiteiten en handelingen die rechtmatig worden uitgeoefend kunnen worden voortgezet onder overeenkomstige toepassing van de tot dan geldende bepalingen . Zoals in de toelichting op art. 9.3 IOV aangegeven, wordt hiermee geregeld dat die activiteiten aanwezig en in werking mogen blijven. Zonder dat daaraan extra voorschriften worden verbonden. Binnen een aantal bestemmingen33 zijn inderdaad strookjes die binnen het werkingsgebied NNB vallen. Ontwikkelingen, niet zijnde aanwezig en in werking, als gevolg van afwijkingsmogelijkheden, worden daar daarom uitgesloten. De zienswijze leidt daarom tot wijziging van het (ontwerp)bestemmingsplan: Verbeelding: • Een gebiedsaanduiding Overige zone – natuur netwerk Brabant, waarvoor in het ontwerpbestemmingsplan al een regeling was opgenomen (art. 44.6)34, wordt 31
Voor plannen die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet als ontwerp ter inzage zijn gelegd, zoals het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Eindhoven 2023, blijft het oude recht gelden zoals opgenomen in de IOV. 32 en artikel 10.2 OV 33 o.a. Agrarisch met waarden, Bedrijf, Groen, Recreatie, Sport, Verkeer, Wonen en Wonen-Landgoed 34
Daar waar reeds de bestemming ‘Natuur-1’ en ‘Water’ geldt is artikel 3.15, lid 1 van de IOV straks extra geborgd.
25
opgenomen. Deze komt over de diverse bestemmingen, waaronder ook Natuur- 1 en Water, en borgt (mede) het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
Regels: • Een definitie voor ecologische waarden en kenmerken (art. 1.70) wordt opgenomen, overeenkomstig de definitiebepaling in de IOV/ OV, zijnde: aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, waartoe behoren natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische processen, waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, mate van stilte, donkerte, openheid, landschapsstructuur en belevingswaarde;. Tot de in de definitie
•
genoemde aanwezige en potentiële waarden behoort ook donkerte (lichtverstoring). Aanvullend wordt opgenomen: Art. 44.6.2 Afwijken bouw- en gebruiksregels Ter plaatse van de aanduiding ‘Overige zone – natuur netwerk Brabant’ is het niet toegestaan af te wijken van de bouw- en gebruiksregels die zijn opgenomen in de daar voorkomende bestemmingen, met uitzondering van artikel 14.3. Art. 44.6.3 Specifieke gebruiksregels Onder gebruik in strijd met lid 44.6.1 (natuur netwerk Brabant) wordt in ieder geval verstaan het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor: a. het plaatsen van teeltondersteunende voorzieningen; b. het plaatsen van zend-, ontvang- en/of sirenemasten c. het plaatsen van kampeermiddelen.
• •
Art. 44.6.4, onder 2 (Uitzonderingen), onder e (aanbrengen ondergrondse leidingen onder bestaande paden) is verwijderd. In de afwijkingsmogelijkheden van art. 17.3, onder b (voor lichtmasten op sportterreinen) en art. 6.3 (vergroting max. oppervlakte bedrijfsbebouwing) is aangegeven dat de genoemde verhoging/ vergroting uitgesloten is binnen de aanduiding Overige zone – natuur netwerk Brabant.
Urkhovenseweg ong. (Tongelre, sectie c, nummers 3763/3764) In het bestemmingsplan is hier de bestemming Bedrijf toegekend met de specifieke bedrijfsvorm “agrarisch-technisch hulpbedrijf in de vorm van een rundveebedrijf”. In de toelichting is uitgelegd dat het hier gaat om een in 1993 vergunde schuilgelegenheid van 50 m² welke in de loop der jaren is vergroot. De locatie heeft abusievelijk in het voorgaande bestemmingsplan geen passende bestemming gekregen. De IOV staat, zolang het NNB niet is gerealiseerd, bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toe. Wij constateren echter dat in dit geval substantieel meer wordt toegestaan dan wat rechtmatig
26
aanwezig is. Er wordt een bestemmingsvlak van circa 1.750 m² toegekend, waarbinnen verdere uitbreiding van bebouwing kan plaatsvinden. Dit is planologische nieuwvestiging binnen het NNB. Dit is in strijd met de IOV (art. 3.15 t/m 3.18 IOV). Wij vragen een bestemming/ functieaanduiding toe te kennen strikt afgestemd op wat is vergund en op basis van de IOV als bestaande bebouwing en gebruiksactiviteiten kan worden gezien. Gemeentelijke reactie De locatie betreft een voormalig gemeentegrenscorrectie. In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (2006) is, na de gemeentegrenscorrectie, geen rekening gehouden met de verleende vergunningen en is de locatie bestemd als Bos en Natuur (GHS). De volgende vergunningen zijn verleend: •
Burgemeester en wethouders van de gemeente Geldrop (verder: Geldrop) hebben bij besluit van 27 mei 1993 voor het perceelnr. 3064 (nu: 3763) bouwvergunning verleend (nummer: 92-369/1) voor het bouwen van een schuilgelegenheid van 50 m2 en een nokhoogte van 4 m. Op grond van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1993’ van de gemeente Geldrop waren burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen voor de bouw van bouwwerken uitsluitend ten dienste van een agrarisch bedrijf, zoals veldschuren, melkstallen en schuilgelegenheden voor vee, mits (o.a.) de oppervlakte niet meer bedraagt dan 50 m2. Uit de bouwvergunning blijkt dat het een met wanden omsloten gebouw betreft, met daarnaast een betonplaat van 20 m2 met (mest)verzamelput. Feitelijk is nu sprake van een aanmerkelijk groter uitgevoerde schuilgelegenheid, zonder dat voor het meerdere ooit bouwvergunning is verleend.