CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b bij nota ziensw. - Not. Cum Milieueff. Stadhuisplein

Raadsvergadering 26 november 2024, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bp II Binnenstad (Wal Stadhuisplein Begijnenhof)20.663 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Cumulatieve Milieueffecten Stadhuisplein Gemeente Eindhoven 27 september 2024

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Verantwoording Titel

Cumulatieve Milieueffecten Stadhuisplein

Opdrachtgever

Gemeente Eindhoven

Projectleider

Paul Lammers

Auteur(s)

Alisa van Gent

Tweede lezer

Paul Lammers, Suzanne Swenne

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Aantal pagina’s

51 (exclusief bijlagen)

Datum

27 september 2024

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com

2/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Inhoud 1

2

Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding .......................................................................................................................... 5

1.2

Doel .................................................................................................................................... 6

1.3

Uitgangspunten onderzoek ................................................................................................ 6

1.4

Leeswijzer .......................................................................................................................... 7

Milieuthema’s............................................................................................................................. 8 2.1

Verkeer ............................................................................................................................... 8

2.1.1

Beleid .......................................................................................................................... 8

2.1.2

Cumulatieve effecten .................................................................................................. 9

2.2

Geluid ............................................................................................................................... 10

2.2.1

Beleid ........................................................................................................................ 10

2.2.2

Cumulatieve effecten ................................................................................................ 12

2.3

Luchtkwaliteit .................................................................................................................... 14

2.3.1

Beleid ........................................................................................................................ 14

2.3.2

Cumulatieve effecten ................................................................................................ 14

2.4

Hittestress ........................................................................................................................ 15

2.4.1

Beleid ........................................................................................................................ 15

2.4.2

Cumulatieve effecten ................................................................................................ 18

2.5

Bezonningstudies ............................................................................................................. 21

2.5.1

Beleid ........................................................................................................................ 21

2.5.2

Cumulatieve effecten ................................................................................................ 24

2.6

Windhinder ....................................................................................................................... 25

2.6.1

Beleid ........................................................................................................................ 25

2.6.2

Cumulatieve effecten ................................................................................................ 26

2.7

Stikstof ............................................................................................................................. 27

2.7.1

Beleid ........................................................................................................................ 27

2.7.2

Cumulatieve effecten ................................................................................................ 29

2.8

Geohydrologie .................................................................................................................. 30

2.8.1

Beleid ........................................................................................................................ 30

2.8.2

Cumulatieve effecten ................................................................................................ 32

3/51

Kenmerk

2.9

Ecologie ........................................................................................................................... 35

2.9.1

Beleid ........................................................................................................................ 35

2.9.2

Cumulatieve effecten ................................................................................................ 36

2.10

Bodemkwaliteit en Ontplofbare Oorlogsresten ................................................................. 39

2.10.1

Beleid..................................................................................................................... 39

2.10.2

Cumulatieve effecten ............................................................................................. 40

2.11

3

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................... 41

2.11.1

Beleid..................................................................................................................... 41

2.11.2

Cumulatieve effecten ............................................................................................. 43

Conclusie ................................................................................................................................. 49

4/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Rond het Stadhuisplein in Eindhoven (zie figuur 1.1) zijn de komende jaren verschillende grote nieuwbouwontwikkelingen beoogd: Citywall, Begijnenhof 27-29, Begijnenhof 35, Stadhuisplein 4, Stadhuisplein 10 en Moleneind. Al deze ontwikkelingen bestaan voornamelijk uit woningen en worden uitgevoerd door diverse ontwikkelende partijen. In 2021 heeft de gemeenteraad het Integraal Gebiedskader Stadhuisplein (IGS) vastgesteld als kader voor deze ontwikkelingen. Elk project volgt een eigen ruimtelijke procedure en is een zelfstandig stedelijk ontwikkelingsproject in het kader van de mer-regelgeving. Voor het eerste project, genaamd Citywall, heeft er al een ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegen. Hierop is een zienswijze ingediend waarin wordt verzocht een onderzoek uit te voeren naar de milieueffecten van alle ontwikkelingen gezamenlijk, het zogenaamde cumulatieve effect.

Figuur 1.1 Eindhoven, Stadhuisplein is rood omcirkeld

Er bestaat geen juridische noodzaak om de cumulatieve effecten van alle ontwikkelingen rondom het stadhuisplein in beeld te brengen, er is, zoals eerder gesteld namelijk geen sprake van één stedelijk ontwikkelingsproject volgens de mer-regelgeving. Echter heeft de gemeente er voor gekozen om de cumulatieve effecten in beeld te brengen. Voorliggend rapport bevat de resultaten van dit onderzoek naar cumulatieve milieueffecten van de beoogde nieuwbouwontwikkelingen rondom het stadhuisplein in Eindhoven.

5/51

Kenmerk

1.2

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Doel

Doel van het onderzoek is vaststellen of er door de combinatie van de zes ontwikkelingen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden na de volledige realisatie. Daar waar deze cumulatie van effecten leidt tot mogelijk negatieve effecten, wordt in dit onderzoek geadviseerd hoe hier mee om gegaan kan worden. Zo mogelijk om effecten te voorkomen, maar ook om effecten te verminderen. Hiermee wordt op een gedegen manier antwoord gegeven op de zienswijze zoals die op dit punt is ontvangen. Ook geeft het de gemeenteraad inzicht in de totale milieueffecten in dit gebied.

1.3

Uitgangspunten onderzoek

In onderstaand overzicht, tabel 1.1, zijn het aantal woningen en de maximale bouwhoogtes opgenomen voor de zes projecten rondom Stadhuisplein. Deze uitgangspunten vormen de basis voor het in kaart brengen van de cumulatieve milieueffecten. In tabel 1.1 is ook een kolom opgenomen met de beschikbare onderzoeken en de fase waarin het project zich bevindt. De projecten Citywall en Begijnenhof 27-29 bevinden zich in een andere fase dan de overige vier projecten. Voor Citywall en Begijnenhof 27-29 zijn reeds onderzoeken uitgevoerd ten behoeve van respectievelijk een nieuw bestemmingsplan en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplan activiteit (BOPA). Tabel 1.1 Uitgangspunten ontwikkelingen Stadhuisplein Aantal

Maximale

Extra

Project

woningen

bouwhoogte verkeldering

Citywall

330 + *

80 m

Begijnenhof 27-

201

69 m

Tweelaagse

Fase

Ontwerp bestemmingsplan Onderzoeken

parkeerkelder -

29

Onderzoeken

beschikbaar Voorbereidingen voor een

Onderzoeken

aanvraag ten behoeve van beschikbaar een BOPA vinden plaats

Begijnenhof 35

150 + hotel

73 m

-

Planfase, nog niet concreet

Kelder (-1)

Planfase, nog niet concreet

-

Planfase, nog niet concreet

(75 kamers) Stadhuisplein 4

307

105 m

Stadhuisplein 10

430

103 m

Moleneind

150+ **

51 m

*

-

Planfase, nog niet concreet

Voor Citywall zijn de volgende commerciële en maatschappelijke bouwvolumes beoogd: stadskamer 1.600 m2 bvo; kantoor 9.500 m2 bvo; onderwijs 3.500 m2 bvo; detailhandel 450 m2 bvo; horeca en detailhandel samen maximaal 1.000 m2 bvo

**

4.000 m2 bvo commercieel

6/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Figuur 1.2 Beoogde ontwikkelingen rondom Stadhuisplein (van links naar rechts: Stadhuisplein 10, Citywall, Begijnenhof 27-29, Begijnenhof 35, Stadhuisplein 4 en Moleneind)

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 worden de volgende thema’s beschouwd op cumulatieve effecten: verkeer, geluid, luchtkwaliteit, hittestress, bezonning, windhinder, stikstof, geohydrologie, ecologie, bodemkwaliteit en ontplofbare oorlogsresten, archeologie en cultuurhistorie. Elk van deze thema’s wordt apart beschouwd in een paragraaf, eerst wordt het geldende beleid genoemd voor dit thema daarna volgt een omschrijving van de cumulatieve effecten. Hoofdstuk 3 bevat de conclusies van voorliggend rapport.

7/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

2 Milieuthema’s 2.1

Verkeer

2.1.1 Beleid Voor het thema verkeer is gekeken naar de toekomstige verkeersgeneratie en de verdeling van de verkeersgeneratie over het netwerk. Het aangeleverde functieprogramma, de Parkeerkencijfers 2024 van CROW en de parkeernormen van de gemeente Eindhoven (Nota parkeernormen 2024) vormen de basis voor de berekening van de verkeersgeneratie. Hieronder volgt een korte toelichting gegeven op de nota. De Nota parkeernormen 2024 bevat vereisten voor plannen voor het parkeren van auto’s en fietsen en bijbehorende berekeningsmethoden. Hierbij wordt gekeken naar de normatieve parkeerbehoefte, het eventueel toepassen van dubbelgebruik en salderen, de verplichte HOVreductie en de inzet van deelmobiliteit. Om een inschatting te maken van de parkeerbehoefte worden parkeernormen gebruikt. Deze parkeernormen zijn gebaseerd op autobezit1, de parkeernormen van niet-woonfuncties zijn gebaseerd op de cijfers van CROW. De normatieve parkeerbehoefte is afhankelijk van de locatie, zie onderstaand figuur.

Figuur 2.1 Gebiedsindeling parkeernormering (Bron: Bijlage 1 Nota parkeernormen 2024 Gemeente Eindhoven)

1

Onderzoek Goudappel maart 2023

8/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

HOV Correctie In centrumgebieden met een hoge mate van functiemenging die ontsloten worden door goede OV- en fietsvoorzieningen, is er minder behoefte aan autoparkeerplaatsen dan monofunctionele gebieden met minder OV. Daarom kent de nota parkeernormen 2024 een verplichte reductie van de parkeercapaciteit afhankelijk van de afstand tot HOV. Deze reductie is opgenomen in tabel 2.1. Tabel 2.1 HOV Correctie Eindhoven (Bron: Nota parkeernormen 2024) HOV-correctie

Reductie

Afstand (hemelsbreed)

Eindhoven Centraal

50 %

Binnen 800 m

Station Strijp-S en busstation WoensXL

25 %

Binnen 600 m

Overige HOV-haltes

25 %

Binnen 400 m

Inzet deelmobiliteit Als een plan voorziet in alternatief vervoer kan de parkeerbehoefte ook afnemen. Dit is een wenselijke ontwikkeling gezien de verdichtingsplannen in Eindhoven. Denk hierbij aan: een deelauto, een mobiliteitshub of nieuwe vervoersconcepten. Deelmobiliteit kan op deze manier leiden tot een lagere parkeerbehoefte. 2.1.2 Cumulatieve effecten De aangeleverde functieprogramma’s van de ontwikkelingen en de Nota parkeernormen 2024 vormen de basis voor het verkeersonderzoek: ontwikkelingen Stadhuisplein Eindhoven2. Uit het verkeersonderzoek blijkt dat alle ontwikkelingen rondom Stadhuisplein leiden tot een totale verkeersgeneratie van circa 3.000 motorvoertuigbewegingen op een werkdag. Hierbij is gekeken naar de CROW-verkeersgeneratiekencijfers, de ligging van de locatie van de beoogde ontwikkelingen en HOV-correctie. Voor het berekenen van de toekomstige verkeersstromen (2040) zijn, naast de verkeersgeneratie, ook de mogelijkheden van parkeren op eigen terrein en openbare parkeergarages meegenomen. Hieruit blijkt dat de impact van de beoogde ontwikkelingen relatief beperkt is, op de meeste wegen is de toename minder dan 5 %. Naar verwachting ontstaan er dus geen nieuwe verkeerskundige knelpunten.

2

Verkeersonderzoek ontwikkelingen Stadhuisplein Eindhoven door Goudappel

9/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Figuur 2.2 Intensiteiten plansituatie 2040 afgerond op honderdtallen (inclusief ontwikkelingen Stadhuisplein)

De toename van het gemotoriseerd verkeer is op de Grote Berg en de Westelijke Binnenring het grootst met circa 700 motorvoertuigen per etmaal. Hierbij gaat het om een worstcase scenario, want in het masterplan mobiliteit 2050 is vastgelegd dat doorgaand verkeer binnen de ring wordt geweerd om zo ruimte te creëren voor verdichting en verblijfskwaliteit. Maartregelen in de verkeerscirculatie en de mobiliteitstransitie zullen de hoeveelheid gemotoriseerd verkeer binnen de ring verlagen. Naar verwachting wordt er in het eerste kwartaal van 2025 een besluit genomen over het voorkeursscenario voor de verkeerscirculatie binnen de Ring. In het bijbehorende onderzoek wordt de verkeersgeneratie van toekomstige ontwikkelingen (waaronder Stadhuisplein) meegenomen en wordt ook uitsluitsel gegeven of de verkeersafwikkeling op onder andere de Grote Berg en de westelijke Binnenring acceptabel is.

2.2

Geluid

2.2.1

Beleid

Het wettelijk kader met betrekking tot het thema geluid is onder de omgevingswet opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hierin is een onderscheid gemaakt tussen geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen (zie onderstaande tabel 2.2) en het beschermen van geluidsgevoelige locaties en gebouwen (zoals wonen, onderwijs en zorg). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid.

10/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Tabel 2.2 Standaardwaarden en grenswaarden voor geluid Geluidbronsoorten

Standaardwaarde in

Grenswaarde in Lden (dB)

Lden (dB) Nieuwe geluidgevoelige

Aanleg of

gebouwen

aanpassing bron

Rijks- en provinciale wegen

50

60

65

Gemeente- en waterschapswegen

53

70

70

Gemeente- en waterschapswegen

53

58

58

Hoofd- en lokale spoorwegen

55

65

70

Industrieterreinen

50

55

60

40 Lnight

45 Lnight

50 Lnight

in uitleggebieden voor stroomwegen, gebiedsontsluitingswegen, en wijk-/ buurtontsluitingsweten

Gemeente Eindhoven kent een beleidsregel ‘Geluidbeleid – Geluid in geluidaandachtsgebieden’. De gemeente kan onder de Omgevingswet geen hogere waarden met bijbehorende voorschriften meer vaststellen. Wel geldt onder de Omgevingswet een vergelijkbare beoordelingssystematiek met standaardwaarden (voorkeurswaarden) en grenswaarden (maximale ontheffingswaarde). De gemeente dient hierbij op een zorgvuldige wijze (nieuwe) plannen te beoordelen. Is de geluidbelasting lager dan de standaardwaarden dan is het plan zondermeer inpasbaar. Is de geluidbelasting hoger dan de standaardwaarden of in bijzondere gevallen, hoger dan de grenswaarden dan moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt. Afgewogen dient te worden of sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting in combinatie met een evenwichtige toedeling van functies op die locatie. Geluidluwe gevel Indien één of meer van de standaardwaarden worden overschreden en de grenswaarde niet wordt overschreden dan wordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel bij de afweging betrokken. Een geluidluwe gevel is een gevel die ten opzichte van de andere gevels van een geluidgevoelig gebouw relatief weinig wordt belast door geluid.

11/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

In sommige situaties is het eisen van een geluidluwe gevel lastig of niet realiseerbaar. Indien geen sprake is van een geluidluwe gevel of indien sprake is van een gedeeltelijke geluidluwe gevel dan dienen in het belang van de gezondheid compenserende maatregelen te worden getroffen. Bij compenserende maatregelen kan worden gedacht aan: 

Het opnemen van een of meer gemeenschappelijke woonkamers die aan de geluidluwe zijde is/zijn gelegen. Deze gemeenschappelijke woonkamer(s) dienen duurzaam in stand te worden gehouden en door de bewoners van de geluidgevoelige gebouwen zonder of met een gedeeltelijke geluidluwe gevel kosteloos gebruikt te mogen worden Het opnemen van een of meer gemeenschappelijke buitenruimte(s) of dakterras(sen) die aan de geluidluwe zijde is/zijn gelegen. Deze gemeenschappelijke buitenruimte(s) of dakterras(sen) dienen duurzaam in stand te worden gehouden en door de bewoners van de geluidgevoelige gebouwen zonder of met een gedeeltelijke geluidluwe gevel kosteloos gebruikt te mogen worden

De totale oppervlakte van de gemeenschappelijke woonkamer(s) of buitenruimte(s) dient minimaal 20 m2 te bedragen. Bij meer dan 10 geluidgevoelige gebouwen (woningen/appartementen) zonder of met een gedeeltelijke geluidluwe gevel, dient de totale oppervlakte van de gemeenschappelijke woonkamer(s) of buitenruimte(s) met 3 m2 per extra geluidgevoelig gebouw (woning/appartement) zonder of met een gedeeltelijke geluidluwe gevel opgehoogd te worden. Bij meer dan 20 geluidgevoelige gebouwen (woningen/appartementen) zonder of met een gedeeltelijke geluidluwe gevel dient de totale oppervlakte van de gemeenschappelijke woonkamer(s) of buitenruimte(s) met 4 m2 per extra geluidgevoelig gebouw (woning/appartement) zonder of met een gedeeltelijke geluidluwe gevel opgehoogd te worden

Deze compenserende maatregelen dienen in het omgevingsplan te worden opgenomen. Dit om te borgen dat deze ook daadwerkelijk worden getroffen en duurzaam in stand worden gehouden. Bij verdere uitwerking van de plannen rondom het Stadhuisplein dient rekening te worden gehouden met de randvoorwaarden uit het gemeentelijk beleid. 2.2.2 Cumulatieve effecten Goudappel heeft onderzoek3 gedaan naar de cumulatieve effecten van de beoogde ontwikkelingen in het gebied. De resultaten van het verkeersonderzoek zijn de basis geweest voor dit onderzoek. Er is gekeken naar het prognose jaar 2040 als referentie jaar (zonder ontwikkelingen Stadhuisplein) en de plansituatie 2040 (met beoogde ontwikkelingen Stadhuisplein). De nieuwe geluidsgevoelige functies liggen aan een gemeentelijke weg en kennen dus een standaardwaarde van 53 dB en een grenswaarde van 70 dB (zie tabel 2.2). Wanneer de geluidsbelasting hoger is dan de standaardwaarde van 53 dB dient nader onderzoek plaats te vinden naar de mogelijkheden om de geluidsbelasting te reduceren.

3

Quick-scan wegverkeersgeluid Stadhuisplein Eindhoven

12/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Uit het onderzoek blijkt dat de standaardwaarde in de plansituatie wordt overschreden voor Citywall en Stadhuisplein 10. Voor de overige beoogde ontwikkelingen (Begijnenhof 27-35, Stadhuisplein 4 en Moleneind) wordt geen overschrijding van de standaardwaarde verwacht, zie figuur 2.3. Voor Citywall geldt een overschrijding van de standaardwaarde met maximaal 6 dB, voor Stadhuisplein 10 geldt een overschrijding van maximaal 4 dB, dit betekent dat de grenswaarde niet wordt overschreden. De overschrijdingen gelden niet op alle verdiepingen. Op basis van het gemeentelijke beleid is het wenselijk dat de nieuwe woningen beschikken over een geluidsluwe gevel of een geluidsluw geveldeel. Hier dient bij de nadere uitwerking rekening mee te worden gehouden. Mocht het realiseren van een geluidsluwe gevel niet mogelijk zijn, dienen mogelijk nadere compensatiemaatregelen te worden getroffen. De akoestische analyse is getoetst onder de huidige wetgeving (Omgevingswet). Aangezien het ontwerp bestemmingsplan Binnenstad (Wal-Stadhuisplein-Begijnenhof) in 2023 is gepubliceerd, voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, kent het akoestisch onderzoek van het ontwerp bestemmingsplan een ander wettelijk kader dan de akoestische analyse (2024) van Goudappel.

Figuur 2.3 Impressie van de geluidssituatie voor de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen (Bron: Goudappel)

Aanvullend zijn de indirecte geluideffecten beoordeeld. Door een toename van het verkeer op de Grote Berg als gevolg van de ontwikkelingen op het Stadhuisplein, neem de geluidbelasting daar met circa 1 dB toe. Een dergelijke toename is voor het menselijk oor niet waarneembaar en met een dergelijke geluidstoename is geen sprake van indirecte planeffecten waarvoor onderzoek naar geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk is.

13/51

Kenmerk

2.3

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Luchtkwaliteit

2.3.1 Beleid Voor vergunningsplichtige milieubelastende activiteiten heeft het Rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De beoordeling van de luchtkwaliteit is geregeld in art 8.17 Bkl:  De vergunningverlener toetst het effect van de activiteit aan de Rijksomgevingswaarden. In 

tabel 2.3 zijn de Rijksomgevingswaarden opgenomen Voor stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties is het voor het bepalen of de activiteit inpasbaar is ook voldoende om aan te tonen dat de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt. De grens voor NIBM is een maximale toename van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 van 1,2 μg/m3

Tabel 2.3 Overzicht van wettelijke grenswaarden van de beschouwde stoffen Stof

Type norm

NO2

Jaargemiddelde concentratie Uurgemiddelde concentratie

PM10

40 µg/m3 200 µg/m3 mag max. 18x/ jaar worden overschreden 40 µg/m3

Jaargemiddelde concentratie Etmaalgemiddelde concentratie

PM2.5

Rijksomgevingswaarde

50 µg/m3 mag max. 35x/ jaar worden overschreden

Jaargemiddelde concentratie

25 µg/m3

Ten aanzien van de overige stoffen4 waarvoor Rijksomgevingswaarden zijn opgenomen, zijn in de laatste decennia nergens in Nederland normoverschrijdingen opgetreden en vertonen de concentraties een dalende trend5. Dit beeld wordt bevestigd door metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit van het RIVM. Daarom worden voor deze overige stoffen in principe geen project specifieke verspreidingsberekeningen uitgevoerd. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. 2.3.2 Cumulatieve effecten Eindhoven ligt in een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit. Dit betekent dat toetsing aan de luchtkwaliteitsregels plaats dient te vinden. TAUW heeft een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd om de effecten van de beoogde ontwikkelingen op de luchtkwaliteit inzichtelijk te maken en te toetsen aan de geldend wet- en regelgeving.

4

Zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen, lood, ozon, arseen, cadmium, nikkel, benzo(a)pyreen en stikstofoxiden CBS, PBL, Wageningen UR (2013), www.compendiumvoordeleefomgeving.nl. CBS, Den Haag; Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag/Bilthoven en Wageningen UR, Wageningen 5

14/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

De concentratieniveaus in het gebied liggen (ruim) onder de Rijksomgevingswaarden. De ontwikkeling is inpasbaar vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit. Om deze reden wordt er geconcludeerd dat de ontwikkeling geen significante negatieve cumulatieve effecten genereert vanuit het oogpunt luchtkwaliteit.

2.4

Hittestress

2.4.1

Beleid

Als gevolg van klimaatverandering stijgt de gemiddelde temperatuur in de zomer en neemt het aantal zomerse en tropische dagen in de toekomst toe. Hittegolven komen nu al veel vaker voor dan in het verleden en deze trend zal zich voortzetten in een warmer klimaat. De gemeente Eindhoven heeft de ambitie om een klimaat robuuste stad te zijn. Deze ambitie is terug te vinden in verschillende beleidsstukken, waaronder het Groenbeleidsplan, de ‘Beleidsregel: groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen’ en in de ‘water- en klimaatadaptatie aanpak (WKA)’, voorheen het gemeentelijke rioleringsplan. Deze paragraaf geeft een uiteenzetting van de genoemde beleidsstukken. Deze stukken zijn ook samengevat in de Eindhovense klimaattoets. Met betrekking tot hitte is in de Eindhovense klimaattoets de volgende hoofdregel opgenomen: ‘Zorg dat de straat niet onnodig opwarmt en voldoende plekken voor verkoeling heeft op het heetst van de dag’. Groenbeleidsplan Eindhoven wil, als centrum van de Brainport regio Eindhoven, een aantrekkelijke, gezonde, leefbare en klimaat adaptieve stad zijn. Een goede groenstructuur is hiervoor een basisvoorwaarde. Het Groenbeleidsplan is in 2017 vastgesteld door de gemeenteraad en bevat hiervoor de uitgangspunten.

Het Groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veilig stellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met de daarin passende functies. Onder de groenstructuur wordt verstaan: het stelsel van terreinen en/of elementen met ecologische, waterhuishoudkundige, recreatieve en/of ruimtelijk structurerende betekenis. De ambitiekaart groenbeleid, zie figuur 2.3 bevat de gebiedsgerichte ambities. Belangrijke onderdelen van de ambitiekaart zijn het groene netwerk binnen de stad en in de regio, groene, recreatieve en ecologische verbindingen, prioritaire gebieden voor ontwikkeling, en de ontwikkeling van natuur en landschap.

15/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Figuur 2.4 Gebiedsgerichte Ambities

Naast de gebiedsgerichte ambitie zijn er ook ambities op een aantal belangrijke thema’s. Deze zijn in een aantal speerpunten verwoord. De speerpunten zijn duurzaamheid, klimaatadaptatie, biodiversiteit, cultuurhistorie, gezondheid, samenwerking, educatie en innovatie. Groen moet in balans zijn met andere (stedelijke) functies en belangen. In sommige gevallen is de invulling flexibel, soms is bouwen niet toegestaan of kent het gebied een bepaalde voorgeschreven verhouding van ‘rood’ (bebouwing) en groen. Deze hoofdfuncties zijn met elkaar verweven waar het kan en van elkaar gescheiden waar het moet. De juiste functie komt op de juiste plek. Om een samenhangende en functionele groenstructuur in Eindhoven te kunnen waarborgen moeten groene en rode functies met elkaar in balans aanwezig zijn. De ‘Ruimtelijke Strategieënkaart’ geeft weer in welk gebied welke strategie geldt. Het gebiedsgericht beleid is hiertoe onderverdeeld in zes ruimtelijke strategieën:  Stad, rood beeldbepalend  Stad, groen beeldbepalend   

Integrale ontwikkeling groen-rood Structureel stadsgroen Multifunctioneel groen

Natuur en landschap

16/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Figuur 2.5 Ruimtelijke strategieënkaart

Stadhuisplein is in de kaart 'Ruimtelijke Strategieënkaart' (figuur 2.5) in het Groenbeleidsplan aangeduid als: stad, rood beeldbepalend. Het groen heeft hier veelal een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit, als ‘aankledingsgroen’ in de zin van bomen, bermen en plantsoenen. Ook kan het een recreatieve functie hebben voor de woonomgeving. De ondersteunende functie van het groen is van groot belang, vooral vanwege de betekenis voor klimaatadaptatie, biodiversiteit en de voorkeur van velen voor een groene woonomgeving en daarmee een leefbare stad. Uitgangspunt voor de strategie ‘Stad, rood beeldbepalend’ is dat de kwaliteit en het oppervlak van het groen niet verder mogen afnemen. Een ander uitgangspunt is diversiteit in de inpassing van groen. Een verzameling aan kleuren van bloemen en bladeren van bomen geeft een levendig beeld en niet overal past grootschalig groen. Groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen Op 16 juli 2024 is de beleidsregel: groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen in gemeente Eindhoven gepubliceerd. De beleidsregel heeft als doel om groen en water te bevorderen en te beschermen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het beleid richt zich op het behoud en de versterking van groene en waterrijke gebieden, het creëren van een gezonde leefomgeving, het verminderen van hitte-eilandeffecten en het bevorderen van biodiversiteit.

17/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

De beleidsregel omvat richtlijnen en voorschriften voor ontwikkelaars, bouwers en andere betrokken partijen om groen en water op een duurzame en kwalitatieve manier te integreren in ruimtelijke projecten. Hierbij wordt onder andere gekeken naar het behoud van bestaande groene structuren, de aanleg van groene en waterrijke elementen, het gebruik van duurzame materialen en technieken, en het stimuleren van groene daken en gevels. Het beleid is van toepassing op alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Eindhoven, zoals nieuwbouwprojecten, herontwikkelingen en infrastructurele projecten. Door het implementeren van deze beleidsregel wil de gemeente Eindhoven een groenere en waterrijke leefomgeving creëren die bijdraagt aan de kwaliteit van leven en het welzijn van haar inwoners. Water en klimaat aanpak (WKA) Er is een Water- en klimaatadaptatie aanpak (WKA) opgesteld voor de gemeente Eindhoven 2023-2026, met water als waarde voor een leefbare en gezonde stad. Door klimaatverandering en toenemende extreme situaties (wateroverlast door hevige buien, droogte door lange periode zonder neerslag en hittestress door te veel verharding en te weinig groen) neemt de druk op de stad, het rioolstelsel en het watersysteem toe.

In de WKA wordt uiteengezet hoe gemeente Eindhoven de komende vier jaar aan de slag gaat om aan de drie wettelijke zorgplichten (inzameling en transport van afval-, hemel- en grondwater) te voldoen. Bij ingang van de Omgevingswet is het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) niet meer van kracht. Daarom is een actualisatie gemaakt van het GRP in de vorm van de WKA. In de aanpak is een onderscheid gemaakt tussen welke elementen moeten landen in de omgevingsvisie, het omgevingsplan en het omgevingsprogramma. De visie van de WKA luidt: ‘Op een duurzame manier (!) bijdragen aan de stedelijke opgaven uit de omgevingsvisie 1.0: het behouden en realiseren van een gezonde, aantrekkelijke en leefbare stad; ‘Water als waarde voor een leefbare en gezonde stad’. 2.4.2 Cumulatieve effecten Uit het hitteonderzoek6 blijkt dat in de toekomstige situatie, met de realisatie van de beoogde ontwikkelingen, het Stadhuisplein op een extreem hete dag een gemiddelde gevoelstemperatuur kent van ongeveer 44,4 °C. De gevoelstemperatuur komt boven de 41 °C wat betekent dat er ook in toekomstige situatie sprake is van extreme hittestress. Dit geldt ook voor de referentiesituatie. In figuur 2.6 is de gemiddelde gevoelstemperatuur weergeven van de toekomstige situatie.

6

R002 1296308RKI V02

18/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Figuur 2.6 Gemiddelde gevoelstemperatuur (toekomstig)

De ontwikkelingen rondom het Stadhuisplein zorgen echter wel voor een daling van de gemiddelde gevoelstemperatuur op het Stadshuisplein in de delen waar de schaduw is toegenomen ten opzichte van de referentie situatie. Het heeft daarmee een beperkt positief effect op hitte gerelateerde gezondheidsrisico’s door langdurige blootstelling en de leefbaarheid.

19/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

In de directe omgeving van het gebied stijgt de gevoelstemperatuur tot ongeveer 2 °C. De ontwikkeling leidt daar beperkt tot een verergering van de hittestress voor de omgeving. De oorzaak hiervan is de afname van wind. Doordat de wind in de maatgevende hittedag zuidoostelijk is, heeft dit effect op het gebied ten westen en oosten van het gebied. De stijging van de gevoelstemperatuur leidt naar verwachting niet tot extra hitte gerelateerde gezondheidsrisico’s of een afname van de leefbaarheid. Hitte gerelateerde gezondheidsrisico’s blijven aanwezig door de hoge gevoelstemperaturen en vormen met name een risico voor gevoelige doelgroepen. Op figuur 2.7 is het verschil in gevoelstemperatuur weergeven tussen de huidige en de mogelijke toekomstige planologische situatie.

Figuur 2.7 Verschil gemiddelde gevoelstemperatuur huidige en toekomstige planologische situatie

20/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Nachthitte Het aantal tropische nachten gaat in de toekomst toenemen. Dit zijn nachten waarin de minimale temperatuur niet zakt onder de 20 °C. Ons huidige klimaat kent gemiddeld 0 tropische nachten, dit gaat toenemen naar gemiddeld 3 en 24 tropische nachten per jaar, respectievelijk in het klimaat van 2050 en 2100. Het eventuele versterkende effect van de lokale ontwikkelingen op het aantal tropische nachten is niet afzonderlijk te bepalen. Wel kan worden verwacht dat door de toename van bebouwing (bouwmassa) in het gebied de luchttemperatuur stijgt doordat warmte meer wordt vastgehouden en in de nacht wordt afgegeven aan de omgeving. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkelingen meer schaduw creëren op het Stadhuisplein. Echter blijft de gevoelstemperatuur erg hoog en is er kans op nachthitte door de bebouwing. Hierna zijn aanbevelingen opgenomen om hittestress te reduceren op en rondom Stadhuisplein:  

Vermijd het gebruik van zwarte en donkere materialen in het ontwerp en de materiaalkeuze om oververhitting te voorkomen Zorg voor bouwkundige zonwering, spuiventilatie en/of groene daktuinen of groene daken om oververhitting in gebouwen tegen te gaan. Groene daktuinen en groene daken dragen ook bij aan het verlagen van de luchttemperatuur door verdamping, hoewel het effect beperkt is en alleen merkbaar is op het dak zelf

Besteed aandacht aan de inrichting van de openbare ruimte, met name het aanplanten van nieuwe bomen. Groen en bomen spelen een belangrijke rol bij het verminderen van hittestress en zijn essentieel in klimaatadaptieve gebiedsontwikkeling. Het advies is om vergroening en bomen op te nemen in het masterplan openbare ruimte

2.5

Bezonningstudies

2.5.1 Beleid Op 17 juni 2024 zijn door de gemeente Eindhoven nieuwe beleidsregels voor bezonning vastgesteld. Deze beleidsregels zijn opgesteld omdat de oude beleidsregels onvoldoende ruimte boden voor de grote bouwopgaven en de verdichting in bestaand stedelijk gebied van de stad. In deze nieuwe beleidsregels is een uitzonderingsgebied opgenomen voor de 2-uursnorm. De 2-uursnorm betekent dat in de periode van 21 maart tot en met 21 september er minimaal 2 uur zonneschijn per dag aanwezig is op tenminste één gevel van de woning. Het gebied waarbinnen Stadhuisplein valt (figuur 2.8) is vrijgesteld van deze regel.

21/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Figuur 2.8 Uitzonderingsgebied (Bron: Beleidsregels Bezonning 2024 Gemeente Eindhoven)

Daarnaast zijn in het beleid een aantal zogenaamde sunspots aangewezen, zie figuur 2.9. Een sunspot is een gebied in de openbare ruimte waar geen verminderen van bezonning mag plaatsvinden. Echter is hierop een uitzondering gecreëerd voor de ontwikkelingen waarvan in afstemming met de gemeente planontwikkeling reeds plaatsvindt op het moment van inwerkingtreding van de beleidsregels. De volgende ontwikkelingen rondom Stadhuisplein zijn opgenomen in deze uitzondering:  Citywall   

Oude Stadskantoor Stadhuisplein 4 Begijnenhof 27-35

22/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

De ontwikkeling Moleneind is niet opgenomen in deze uitzonderingen lijst.

Figuur 2.9 Overzicht van de sunspots (Bron: Gemeente Eindhoven)

23/51

Kenmerk

2.5.2

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Cumulatieve effecten

Uit onderzoek7 is gebleken dat de bezonning in het gebied afneemt vanwege de bouwmassa en hoogte van de beoogde ontwikkelingen. De nieuwe gebouwmassa’s creëren over het algemeen meer slagschaduw op twee van de vier sunspots die in de (directe) omgeving liggen van de beoogde ontwikkelingen, namelijk het Stadhuisplein en het Catharinaplein, zie figuur 2.9. De bezonning op het Stadhuisplein neemt af van 6,6 uur naar 5,4 uur op 21 maart. De vermindering van bezonning op het Stadhuisplein vindt gefaseerd plaats vanwege het feit dat de ontwikkeling Citywall en Begijnenhof 27-29 zich in een concreter stadium bevinden dan de overige ontwikkelingen. Als gevolg van deze fasering vindt de vermindering van bezonning op het Catharinaplein eerder in de tijd plaats dan de vermindering van bezonning op het Stadhuisplein. Bij volledige realisatie van de beoogde ontwikkelingen wordt niet voldaan aan de bezonningsregel die zegt dat er geen vermindering van bezonning op 21 maart (op diverse tijdstippen) mag optreden. Echter, de ontwikkelingen (met uitzondering van Moleneind) zijn uitgesloten van deze gestelde bezonningsregel. Desalniettemin hebben de ontwikkelingen een negatief effect op een aangenaam verblijfsklimaat op deze locaties door de vermindering van de bezonning. De vermindering van de bezonning heeft ook aantoonbare positieve effecten.

Op hete dagen/tijdens lange perioden van hitte kan deze vermindering van bezonning juist positief bijdragen aan een aangenaam verblijfsklimaat (zie deelrapport hittestress met kenmerk R003-1296308RKI-V02-pws-NL). Dit zorgt voor het beperken van de warmte in de gebouwen en van de hitte in de buitenruimte. Zoals eerder vermeld, is Moleneind niet opgenomen in bijlage 3 van het bezonningsbeleid als ontwikkeling waarin op het moment van inwerkingtreding van deze beleidsregels reeds planontwikkeling plaatsvindt. Voor deze ontwikkelingen zijn de optredende schaduweffecten toegestaan. Echter blijkt uit de bezonningsstudie dat de beoogde ontwikkelingen van Moleneind geen schaduw zullen werpen op de sunspots, zie hiervoor ook figuur 2.10. Als gevolg van de beoogde ontwikkelingen neemt de schaduw op en rondom Stadhuisplein toe. Dit is echter niet in strijd met het bezonningsbeleid van de gemeente Eindhoven, omdat hierin uitzondering zijn opgenomen voor de ontwikkelingen (Citywall, Oude Stadskantoor, Stadhuisplein 4 en Begijnenhof 27-35). Moleneind is niet opgenomen in deze uitzondering maar als gevolg van deze ontwikkeling neemt de bezonning van de sunspots in het uitzonderingsgebied van de gemeente Eindhoven niet af.

7

Bijlage: R003-1296308RKI-V02-pws-NL

24/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Figuur 2.10 Totaal gebied vermindering bezonning 21 maart 9:00u - 17:00 u (sunspots zwart omlijnd)

2.6

Windhinder

2.6.1 Beleid De Verdichtingsvisie Binnenstad Eindhoven is vastgesteld op 15 december 2020. Hierin zijn de uitgangspunten voor de verdichtingsmogelijkheden voor de binnenstad opgenomen. Daarnaast zijn ook de uitgangspunten voor windhinder en windgevaar vastgelegd, zie onderstaand: Windhinder   

Bij elk plan moet de initiatiefnemer een windhinderonderzoek op laten stellen. Resultaten dienen afgestemd te worden met de gemeente Zoals opgenomen in de Beleidsregel Windhinder Eindhoven moet windhinder en windgevaar conform NEN 8100:2006 in beeld worden gebracht De normen zijn verbonden aan drie soorten activiteiten die in een bepaald gebied worden uitgevoerd, te weten doorlopen, slenteren en langdurig zitten

Uitgangspunt is dat er verblijfskwaliteit blijft bestaan voor de omliggende omgeving. Als uit onderzoek blijkt dat er sprake is van negatieve effecten moeten in overleg met de gemeente verbeteringen in het ontwerp worden gedaan

De vorm van de gebouwen dient zodanig te zijn dat valwinden worden voorkomen

25/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Figuur 2.11 Manieren om valwinden te breken bij nieuwe torens (bron: Verdichtingsvisie Binnenstad Eindhoven)

Windgevaar Bij windgevaar worden twee kwalificaties gegeven: ‘beperkt risico’ en ‘gevaarlijk’. Voor de Binnenstad geldt dat windgevaar niet acceptabel is. 2.6.2 Cumulatieve effecten ARUP heeft onderzoek8 gedaan naar de toekomstige situatie bij realisatie van de beoogde ontwikkelingen rondom Stadhuisplein. Hierbij is uitgegaan de NEN8100:2006 Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving. Het effect van bestaande vegetatie (bomen) en het plan voor de openbare ruimte is niet opgenomen in de analyse. Stadhuisplein is een evenementen locatie wat betekent dat het ook geschikt moet zijn om hier langdurig te zitten. Een goed windklimaat op het plein voor alle activiteiten is daarom wenselijk. Uit het onderzoek blijkt dat er een goed windklimaat heerst in een deel van het gebied, ook kent het gebied een aantal aandachtspunten en aanbevelingen. Uit het onderzoek blijkt dat er in de onderdoorgang van Stadhuisplein 10 een beperkt risico is op windgevaar. Dit mag conform NEN 8100 alleen geaccepteerd worden bij gebieden met activiteit ‘doorlopen’. Daarnaast ontstaat een slecht windklimaat bij zuidwesten wind in de passage zelf en op het Stadhuisplein (1 in figuur 2.12). Daarom wordt de aanbeveling gedaan om de onderdoorgang te verwijderen, dicht te zetten met een pui, te herpositioneren bij het laagbouwgedeelte of de setback op de plint aan de West kant van de toren te vergroten.

Dit zijn maatregelen waarbij naar verwachting het windklimaat verbetert in zowel de passage zelf als op het Stadhuisplein. De torens van Stadhuisplein 10 en 4 kunnen valwinden creëren, zie de locaties 2, 3 en 6 in onderstaande figuur. Daarom wordt de aanbeveling gedaan om deze torens te verlagen, af te ronden, te draaien of te versmallen. Met deze maatregelen wordt het windklimaat verbeterd doordat de valwinden als gevolg hiervan afnemen.

8

290826_Stadhuisplein Eindhoven_Windhinderonderzoek

26/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Het windklimaat dient bij vaststelling van het omgevingsplan te voldoen aan de normen zonder rekening te houden met vegetatie. Een betere invulling van de openbare ruimte met toevoegen van vegetatie (bomen) kan in de zomermaanden bijdragen aan een verbetering van het windklimaat op het Stadhuisplein en omliggende straten. Daarom wordt aanbevolen om in het plan voor de openbare ruimte voldoende vegetatie mee te nemen ter bevordering van het windklimaat op Stadhuisplein en omgeving.

Figuur 2.12 Resultaten windhinder op het maaiveld (Bron: Windhinderonderzoek, Stadhuisplein ARUP)

In het model zijn colonnades opgenomen in de plint van Begijnenhof 27-29. Het aanpassen van het gebouw Citywall met colonnades aan de zijde van het Stadhuisplein of Begijnenhof heeft naar verwachting geen aanzienlijk effect op het windklimaat in de openbare ruimte.

2.7

Stikstof

2.7.1 Beleid Na realisatie van activiteiten of projecten, en/of tijdens de bouwwerkzaamheden, kunnen er bronnen zijn die stikstofoxiden (NOX) en/of ammoniak (NH3) emitteren. De stikstofoxiden en ammoniak in de lucht komen uiteindelijk weer op de grond terecht. Dit heet stikstofdepositie. Vooral in natuurgebieden kan stikstofdepositie een probleem zijn, omdat hierdoor de bodem rijk wordt aan voedingsstoffen waardoor de biodiversiteit afneemt. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Deze natuurgebieden zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en de Habitatlijn.

27/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Figuur 2.13 geeft een weergave van de Natura 2000-gebieden rondom Eindhoven. De groengele gebieden zijn de Habitatrichtlijngebieden en de lichtblauwe gebieden zijn de Vogelrichtlijnengebieden. De lichtgroene gebieden zijn zowel Vogelrichtlijngebied als Habitatrichtlijngebied.

Figuur 2.13 Natura 2000-gebieden rondom Eindhoven

Een toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante effecten’ op de beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Om het effect van een initiatief op een Natura 2000-gebied in beeld te brengen, dient een stikstofonderzoek uitgevoerd te worden. De basis hiervan is een AERIUS-berekening. Het stikstofonderzoek onderscheidt twee fasen; de aanlegfase (bouwfase) en de gebruiksfase (bijvoorbeeld verkeer). Als een toename in stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jaar wordt berekend, wordt er gezocht naar mogelijkheden om de depositie te verminderen, bijvoorbeeld door elektrische voertuigen te gebruiken bij de bouw. Ook is er nog de mogelijkheid om intern te salderen. Bij intern salderen wordt gekeken naar de stikstofdepositie die bestaande functies in het gebied veroorzaken. Als de nieuwe ontwikkeling een vergelijkbare of lagere stikstofdepositie heeft dan de functies in het gebied, kan intern salderen worden toegepast. Voor de beoogde ontwikkelingen rondom Stadhuisplein is de verwachting dat intern salderen een oplossing kan bieden, aangezien de huidige gebouwen gebruik maken van gas en de beoogde ontwikkelingen gasvrij worden opgeleverd.

28/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Als het niet mogelijk is om stikstofdepositie uit te sluiten, kan ook worden gekozen voor het uitvoeren van een voortoets. Het project kan alsnog worden vergund als er geen significante negatieve effecten zijn in Natura 2000-gebieden of als de verslechtering van de stikstofdepositie optreedt op hectares waarin de Kritische Depositiewaarde niet wordt overschreden. Indien in de voortoets niet kan worden uitgesloten dat er significante effecten optreden, is vervolgonderzoek nodig in de vorm van een Passende Beoordeling. Dit is een uitgebreid ecologisch onderzoek. Extern salderen, mitigatie of een ADC-toets zijn altijd onderdeel van een Passende Beoordeling. Hierbij worden maatregelen genomen binnen het gebied om de stikstofuitstoot te verminderen, zodat er per saldo geen extra stikstofdepositie ontstaat. In de ruimtelijke procedure van de verschillende ontwikkelingen moet te zijner tijd met een stikstofdepositieonderzoek aangetoond moeten worden dat de aanlegfase en gebruiksfase niet leiden tot een toename aan stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden. 2.7.2 Cumulatieve effecten Stikstofbronnen in de aanlegfase (bouwfase) zijn: (mobiele) werktuigen en transportbewegingen van werknemers. In de gebruikersfase gaat het met name om de aantrekkende werking van verkeer door de beoogde ontwikkelingen. Het gaat om ongeveer 3.000 motorvoertuigen op een werkdag9.

Er wordt uitgegaan van gasloos (conform het bouwbesluit) en haardloos wonen. Voor concrete uitwerkingen van ruimtelijke ontwikkelingen (wanneer sprake is van een omgevingsplanwijziging of omgevingsvergunningaanvragen) dient per project de stikstofdepositie op Natura 2000 te zijner tijd nader te worden onderzocht. Uit deze afzonderlijke onderzoeken moet blijken wat mogelijk is in het kader van de bescherming van de Natura 2000-gebieden zoals geregeld in de Omgevingswet. Als de projecteffecten afzonderlijk kleiner dan of gelijk zijn aan 0,00 mol/ha/jaar, zorgt dit niet voor een significante toename in stikstofdepositie. Nog niet voor alle beoogde ontwikkelingen rondom Stadhuisplein zijn stikstofonderzoeken uitgevoerd.

9

Verkeersonderzoek ontwikkelingen Stadhuisplein Eindhoven door Goudappel

29/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Dit gebeurt op het moment dat de projecten concreet zijn en het onderzoek gebruikt kan worden voor de te doorlopen ruimtelijke procedure. De ontwikkelingen vinden in het tijdsbestek van minimaal 10 jaar plaats, daarom wordt per ontwikkeling beschouwd welk stikstofdepositie effect er op dat moment is. Het heeft geen zin om de stikstofdepositie effecten op dit moment in één keer cumulatief te beschouwen. Omdat de projecten Citywall en Begijnenhof 27-29 al ver zijn in het ontwikkelingsproces is hiervoor al stikstofonderzoek uitgevoerd, de uitkomsten van deze onderzoeken zijn hierna opgenomen. Citywall Voor het bouwproject Citywall is de stikstofdepositie als gevolg van het initiatief reeds bepaald door NIPA milieutechniek b.v.10. Uit de uitkomsten van het onderzoek blijkt dat er geen verplichting is om een vergunning aan te vragen in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb), gezien de depositie niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jr. De voorwaarden hiervoor zijn om tijdens de realisatiefase in bouwjaar 1 de bronbemaling niet uit te voeren met standaard diesel aangedreven bemalingspompen maar met elektrische bemalingspompen en gedurende de gehele realisatiefase gebruik te maken van relatief nieuwe bouwmachines die beschikken over de mogelijkheid om AdBlue bij te doseren, teneinde de NOx-emissie te beperken.

Begijnenhof 27 en 29 Door Econsultancy is in maart 2024 het projecteffect11 van zowel de aanleg- als gebruiksfase berekend met behulp van het programma AERIUS-calculator (versie 2023.1.2), Het projecteffect op de Natura2000-gebieden als gevolg van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Negatieve effecten op stikstofgevoelige N2000 gebieden zijn daarmee uitgesloten.

2.8

Geohydrologie

2.8.1

Beleid

Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer centrumgebied Het Gebiedsplan biedt een kader voor de omgang met grondwaterverontreinigingen in het centrumgebied van de stad, zie figuur 2.14. Het doel is om de gewenste dynamische ontwikkelingen, zoals stedelijke verdichting en energietransitie, meer ruimte te geven en tegelijkertijd eenvoudiger en kosteneffectiever uit te voeren. Daarnaast speelt het Gebiedsplan een belangrijke rol bij het duurzaam beheer van het grondwater. Dit betekent dat het grondwater beschermd, benut en verbeterd wordt.

10 11

Stikstofdepositie, CityWall Eindhoven door NIPA milieutechniek b.v. Rapportnummer: 22531.005

30/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Bij ontwikkelingen mogen mobiele grondwaterverontreinigingen zich verplaatsen binnen het gebied. De inspanningsverplichting om verplaatsingen te mitigeren is daardoor geringer. Wel dient bij grondwateronttrekkingen (bijvoorbeeld bouwputbemalingen) rekening gehouden te worden met de Arbowet om veilig om te gaan met verontreinigd grondwater. Om grondwater te mogen onttrekken in het gebied van het centrumplan, heft de gemeente Eindhoven leges per onttrokken kuub grondwater. Op deze manier financiert de gemeente de gemaakte kosten voor het omgaan met verontreinigd grondwater in het centrum.

Figuur 2.14 Beheergebied en doelgebiedsgrens van het Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer centrum (bron: bijlage 2 van het Gebiedsplan Gebiedsgericht grondwaterbeheer Centrum)

Masterplan bodemenergie Centrumgebied Eindhoven De energietransitie vraagt om het realiseren van aardgasvrije nieuwbouw en het afkoppelen van bestaande woningen van aardgas. De Eindhovense ondergrond is geschikt voor open bodemenergiesystemen (OBES), ook wel bekend als Warmte Koude-Opslag (WKO) als een alternatieve mogelijkheid voor aardgas. Een voorwaarde voor het vervangen van aardgas voor deze alternatieve techniek is een goede ordening van de ondergrond. Als dit niet het geval is kunnen diverse OBES, zeker in een dichtbebouwd gebied als Eindhoven, elkaar in de weg zitten (negatieve interferentie van WKO-systemen). De gemeente Eindhoven wil daarom bij nieuwbouw een belangrijke plek inruimen voor bodemenergie als alternatieve energiebron en wil regie krijgen op het beheer van de ondergrond, om zo te komen tot een zo optimaal mogelijke benutting van warmte- en koudeopslag in de bodem.

31/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Het Stadhuisplein is gelegen in het deelgebied Binnenstad. In de binnenstad is de geprognotiseerde vraag naar verwarming en koeling voor de gebouwen op de lange termijn groter dan het aanbod uit de bodem, volgens het Masterplan bodemenergie. De zoekgebieden in de binnenstad voor bronnenclusters met koud en warm en de bestaande bronnen zijn weergeven in figuur 2.15.

Figuur 2.15 Situering Binnenstad met Zoekgebieden (Bron: Masterplan Bodemenergie, Centrumgebied Eindhoven)

2.8.2

Cumulatieve effecten

Voor het beschouwen van de cumulatieve ondergrondse effecten wordt de aanname gedaan dat er, naast de beoogde ontwikkelingen voor Citywall en Stadhuisplein 4, geen extra verkeldering plaatsvindt bij de beoogde ontwikkelingen rondom Stadhuisplein. Voor Citywall wordt een tweelaagse parkeerkelder ter grootte van het gebouw zelf gerealiseerd met voorzieningen voor fietsenstalling in de eerste laag.12 De beoogde diepte van de keldervloer is circa 6 m -mv. Wat betreft Stadhuisplein 4 gaat het om een kelder van één verdieping. Grondwaterregime (opstuwing) Stadhuisplein en haar omgeving kent momenteel al een aantal ondergrondse parkeerkelders. Wanneer hier parkeergarages aan worden toegevoegd, heeft dit effect op de grondwaterstroming. In de huidige situatie kan grondwater vrij stromen. Bij de bouw van grote, aaneengesloten kelders bestaat de kans op opstuwing van grondwater aan de bovenstroomse zijde en een afname van de grondwaterstand aan de benedenstroomse zijde. Dit ontstaat doordat het grondwater niet meer goed kan stromen vanwege ruimtegebrek in de ondergrond. Het grondwater kan daardoor mogelijk tot boven de ontwateringseisen van infrastructuur komen en tot zelfs boven het maaiveld 12

Toelichting - Bestemmingsplan - Binnenstad (Wal-Stadhuisplein-Begijnenhof) – Gemeente Eindhoven - Regels op de kaart Omgevingsloket (overheid.nl)

32/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

worden opgestuwd. Er komt mogelijk een verbinding tussen de parkeergarages: Citywall en Stadhuisplein 10. Indien een verbinding gemaakt wordt tussen beide parkeergarages, dient voorkomen te worden dat het volledige watervoerende pakket van maaiveld tot 15 m-mv permanent wordt afgesloten. Voor de gemeente Eindhoven is de kans op grondwateroverlast door onderkeldering rondom het Stadhuisplein klein. De grondwaterstand is in dit gebied niet extreem hoog en de beoogde ontwikkelingen zijn niet aansluitend wat betekent dat het grondwater nog vrijuit kan stromen, rondom de gebouwen. Om doorstroming mogelijk te maken, dient er voldoende ruimte te zijn tussen de kelders of dienen mitigerende maatregelen genomen te worden door de initiatiefnemers. Bij de ontwikkelingen dient de initiatiefnemer aan te tonen dat grondwateroverlast niet optreedt en dat adequate maatregelen genomen zijn (bijvoorbeeld aanleggen van grindkoffers rondom de gebouwen en/of voldoende ruimte tussen de panden, zodat opstuwing beperkt wordt). Bodem en grondwaterkwaliteit Het gebied rondom Stadhuisplein kent een aantal verontreinigingen in de grond en het grondwater, zie figuur 2.16. Deze verontreinigingen worden niet verholpen als gevolg van de beoogde ontwikkelingen, omdat de locaties van de verontreinigingen niet overeenkomen met de locaties van de ontwikkelingen.

Echter kunnen bemalingen in de realisatie fase, deze verontreinigingen aantrekken. Het is daarom verplicht om tijdens de uitvoering de juiste maatregelen vanuit de Arbeidsomstandighedenwet te treffen en om de veiligheid van de medewerkers te garanderen.

Figuur 2.16 Verontreinigingen in de bodem in en nabij Stadhuisplein (Bron: Atlas van de ondergrond)

33/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

WKO Rondom stadhuisplein wordt een collectief WKO systeem gerealiseerd door het gemeentelijke energiebedrijf. De locatie van het zoekgebied van de bronnen is inmiddels bekend (Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven), in figuur 2.17 zijn de voorlopige bodemenergiebronnen ook aangegeven (Bron: Atlas van de Ondergrond). Het is van belang voor de ontwikkelingen, Begijnenhof in het bijzonder gezien de ligging van de warmtebronnen (zie figuur 2.17), om bij de ruimtelijke inpassing rekening te houden met bodemenergie. Dit geldt voor het eindresultaat en ook voor de bouwlogistiek. Deze WKO systemen nemen een groot beslag op de bodem, denk hierbij aan twee leidingen (een voor warmte en een voor koude) met 40cm doorsnede in de gerealiseerde fase. Bij de realisatiefase is eveneens een behoorlijk ruimtebeslag nodig. Behalve de boorstelling, is veel aan- en afvoer nodig van benodigd materiaal (filters, filterzand, bentoniet voor afdichtingen en afvoer van vrijkomend bodemmateriaal en gebruik van proceswater tijdens het boren. Gedacht moet worden aan het ruimtebeslag van minimaal 2 grote vrachtauto’s en circa 4 tot 6 zeecontainers. Om de boringen te realiseren is afstemming met het werkverkeer voor de overige ontwikkelingen rondom Stadhuisplein noodzakelijk.

De realisatie van de beoogde ontwikkelingen in combinatie met de aanleg van WKO kan betekenen dat het Stadhuisplein een periode slecht toegankelijk is wegens bouwverkeer. Tevens dient rekening gehouden worden met de planning en fasering van de werkzaamheden. De bronnen dienen voorafgaand aan de ontwikkelingen geplaatst te zijn, zodat de nieuwbouw direct op het WKO-systeem aangesloten kan worden en het systeem operationeel voor de oplevering.

Figuur 2.17 Bodemenergiebronnen (Bron: Atlas van de ondergrond)

34/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

Ondergrondsbouwen en infra Naast bodemenergie wordt een stevig beroep gedaan op de ondergrond door de aanleg en gebruik van kabels en leidingen en klimaatadaptatie. Dit heeft deels te maken met de autonome ontwikkeling van de verzwaring van het net vanwege de energietransitie. Anderzijds zal de vraag naar elektriciteit, drinkwater en rioolafvoer ook toenemen door de ontwikkelingen rondom stadhuisplein. Ook klimaatadaptatie vraagt om ruimte in de bodem, denk hierbij aan de vergroening van de openbare ruimte door planten van bomen (boomwortels) en bijvoorbeeld wadi’s voor waterberging: hieronder valt ook de realisatie van de Nieuwe Binnen Dommel zoals eerder genoemd. Tenslotte dienen damwanden en overige grondkeringen verwijderd te worden, nadat de panden gerealiseerd zijn. Damwanden dienen op eigen terrein te worden geplaatst, dit heeft kleinere kelders tot gevolg. Op deze manier blijft de ondergrond schoon van tijdelijke constructies en blijft de ruimte vrij voor andere ontwikkelingen, daarnaast kan het laten staan van de damwanden leiden tot wateroverlast op het maaiveld. Cumulatieve effecten op het thema geohydrologie kunnen worden uitgesloten op basis van de volgende voorwaarden: er vindt geen extra verkeldering plaats (met uitzonder van Citywall en Stadhuisplein 4) en damwanden worden verwijderd na de bouwfase.

De Initiatiefnemer dient aan te tonen dat een negatief effect op het grondwater is uit te sluiten. De gemeente gaat hier eisen op formuleren. Voor de volledige lijst met aandachtspunten waarmee rekening dient te worden gehouden om het boven- en ondergrondse ontwerp op elkaar af te stemmen verwijzen wij naar de Checklist ondergrond van de gemeente Eindhoven, deze is te vinden via de volgende link. De checklist is een hulpmiddel om al in een zo vroeg mogelijk stadium aandachtsgebieden voor de ondergrond in beeld te brengen.

2.9

Ecologie

2.9.1

Beleid

Voor de toetsing van de beoogde ontwikkelingen is de volgende natuurwet- en regelgeving van toepassing:  Gebiedsbescherming 

Soortenbescherming

Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn biedt bescherming aan Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is verantwoordelijk voor de aanwijzing van deze gebieden en stelt tevens de instandhoudingsdoelstellingen vast volgens artikel 2.43 van de Omgevingswet. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Bij de voorbereiding van een omgevingsplan moeten projecten, plannen en activiteiten die mogelijk significante effecten kunnen hebben op de Natura 2000-gebieden, individueel of in combinatie met andere plannen of

35/51

Kenmerk

R004-1296308AVG-V02-kzo-NL

projecten, in kaart worden gebracht en beoordeeld. Ook ingrepen buiten deze gebieden die verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op hun effect op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat mogelijk significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als deze zekerheid ontbreekt, kan het plan toch worden vastgesteld als aan drie voorwaarden wordt voldaan: a) Er zijn geen alternatieve oplossingen b) Het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en c) De nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft Het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten is opgenomen in afdeling 8.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), zoals vastgesteld in het aanvullingsspoor Natuur. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet worden verschillende dier- en plantensoorten beschermd. Deze bescherming richt zich zowel op soorten van Europees belang, die vallen onder de Vogel- en Habitatrichtlijn, als op bepaalde soorten van nationaal belang. De bescherming van soorten vindt zowel plaats binnen als buiten het natuurnetwerk Nederland.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14618691/2