Bijlage 2a - Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bestemmingsplan II Binnenstad
Tekst van het document
Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen Bestemmingsplan: II Binnenstad (Wal-StadhuispleinBegijnenhof)
gemeente Eindhoven Ruimtelijk Beleid en Ontwikkeling – Ruimtelijke Ordening September 2024
1 Inleiding Deze nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen hoort bij het bestemmingsplan II Binnenstad (Wal-Stadhuisplein-Begijnenhof). Het ontwerpbestemmingsplan en het vormvrije m.e.r.-beoordelingsbesluit van 12 december 2023 heeft van donderdag 21 december 2023 tot en met woensdag 31 januari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is iedereen in de gelegenheid gesteld om digitaal, schriftelijk of mondeling een zienswijze ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan kenbaar te maken. Eventuele bezwaren tegen het m.e.r.beoordelingsbesluit konden ook gedurende voornoemde periode als zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan ingebracht worden. Kennisgeving van de terinzagelegging en de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen is in het Gemeenteblad van 20 december 2023 gepubliceerd. Ook is kennis gegeven van de mogelijkheid om een digitale versie van het ontwerpbestemmingsplan te raadplegen via de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl. In deze nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen zijn de zienswijzen opgenomen en samengevat. De samenvatting heeft uitsluitend tot doel om de leesbaarheid van deze nota te vergroten. Bij de beoordeling van de zienswijzen zijn de volledige brieven met bijlagen, zoals deze bij de gemeente zijn binnengekomen, betrokken. Naar aanleiding van de terinzagelegging zijn vijf zienswijzen ontvangen.
De zienswijzen zijn in hoofdstuk 2 van deze nota van een gemeentelijk standpunt voorzien. Verder zijn ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. Deze zijn in hoofdstuk 3 opgenomen.
2 Zienswijzen Ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan II Binnenstad (WalStadhuisplein-Begijnenhof) zijn vijf zienswijzen ontvangen. Deze zienswijzen zijn binnen de termijn ingediend. De zienswijzen zijn ontvankelijk. Hieronder wordt een samenvatting van de zienswijzen weergegeven en worden ze voorzien van een gemeentelijk standpunt. In verband met de privacy zijn de naam- en adresgegevens van de indieners van de zienswijzen in een aparte bijlagen opgenomen. Deze bijlage is niet digitaal beschikbaar, maar wel analoog. Ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan zijn zienswijzen kenbaar gemaakt door: 1. Stichting Beter Eindhoven; 2. ARAG, namens bewoner Wal; 3. Bewoners Smalle Haven; 4. Bewoner Groot Paradijs; 5. Bewoner Oude Stadsgracht.
2.1.
Stichting Beter Eindhoven (hierna SBE)
a. M.e.r.-beoordelingsbesluit Indiener is van mening dat eerst alle cumulatieve milieueffecten van alle deelprojecten in beeld moeten worden gebracht (op aspecten zoals windhinder, ook op de Belvedèrelaag, bezonning en verkeer) om de milieueffecten te kunnen beoordelen. Verder geeft indiener aan dat een rapportage hittestress ontbreekt die de effecten in beeld brengt op het Stadhuisplein en de pleinruimte rond de Sint Catharinakerk. Gemeentelijk standpunt Uit recente rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) blijkt dat voor de toepassing van de m.e.r.-regelgeving sprake moet zijn van één (samenhangende) activiteit. De recente rechtspraak ziet onder andere op de projecten, zoals Lichthoven fase 1, Lichthoven fase 2 (EDGE), District-E en Victoriatoren1. De Afdeling geeft bij District E aan dat: “De Afdeling overweegt dat de raad zich op het standpunt mocht stellen dat er tussen het voorliggende plan en de andere ontwikkelingen in het Stationsgebied waar appellanten op wijzen niet zo’n samenhang bestaat dat de ontwikkelingen voor de toepassing van de m.e.r.-regelgeving één activiteit vormen. De Afdeling volgt daarin het standpunt van de raad dat 1 Zie ECLI:NL:RVS:2023:1335 (Lichthoven fase 1 (kavels C en D)), ECLI:NL:RVS:2022:3312
(Lichthoven fase 1 (kavel A)), ECLI:NL:RVS:2022:3519 (Lichthoven fase 2 (EDGE)), ECLI:NL:RVS:2023:292 (District E) en ECLI:NL:RVS:2022:3313 (Victoriatoren)
niet is gebleken van een financiële, organisatorische of bouwkundige samenhang tussen de verschillende ontwikkelingen en dat de ontwikkeling niet afhankelijk is van de realisatie van de andere ontwikkelingen in het Stationsgebied”. Deze lijn kan worden doorgetrokken voor deze ontwikkeling en de overige ontwikkelingen aan het Stadhuisplein. Ook in dit kader bestaat tussen deze ontwikkeling en de andere ontwikkelingen aan het Stadhuisplein (waarvan de meesten nog niet in voorbereiding zijn dan wel niet voldoende concreet zijn) niet een samenhang dat de ontwikkelingen voor de toepassing van de m.e.r.regelgeving één activiteit vormen. Deze ontwikkeling is niet afhankelijk van de realisatie van de andere ontwikkelingen, met overigens allemaal andere initiatiefnemers, aan het Stadhuisplein. De ontwikkeling is zelfstandig te realiseren. Er is daarom geen sprake van een financiële, organisatorische of bouwkundige samenhang tussen deze ontwikkeling en andere ontwikkelingen. Het feit dat er voor de ontwikkelingen aan het Stadhuisplein het ‘Integraal gebiedskader Stadhuisplein (hierna:‘IGS’) is vastgesteld en de toekomstige projecten op korte afstand van elkaar zijn gelegen, maakt dit niet anders. Zoals de Afdeling ook overweegt: “Het feit dat de ontwikkelingen op relatief korte afstand van elkaar zijn gelegen, maakt niet dat er sprake is van een bouwkundige samenhang”.
In de uitspraak over Lichthoven fase 2 (EDGE)2 overweegt de Afdeling tevens: “Ook de omstandigheid dat er één landschapsbureau is ingeschakeld voor de verschillende ontwikkelingen en dat er één stedenbouwkundig plan is opgesteld, maakt niet dat de raad had moeten uitgaan van samenhang tussen de ontwikkelingen”. Geconcludeerd is dat voor de toepassing van de m.e.r.-regelgeving er geen aanleiding/verplichting is om deze ontwikkeling samen met de beoogde andere ontwikkelingen aan het Stadhuisplein te beschouwen als één m.e.r.-beoordelingsplichtig stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.). De met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling is op zichzelf overigens wel aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject, waarvan de mogelijke milieueffecten zijn beoordeeld in de aanmeldnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling van AROM van november 2023 (hierna: de m.e.r.-beoordeling). Omdat de mogelijke milieueffecten van het voorliggende plan in beeld zijn gebracht in de m.e.r.-beoordeling en geconcludeerd is dat de ontwikkeling niet leidt tot belangrijke nadelige milieueffecten, bestaat op grond van de Wet milieubeheer in samenhang met het Besluit m.e.r. geen verplichting om 2 ECLI:NL:RVS:2022:3519 (Lichthoven fase 2 (EDGE)), r.o. 9.1
voor de vaststelling van dit plan een milieueffectrapport (MER) op te stellen. Naar aanleiding van de m.e.r.-beoordeling heeft het college van burgemeester en wethouders op 12 december 2023 daarom besloten dat geen milieueffectrapport (MER) hoeft te worden gemaakt. Volledigheidshalve zijn in de notitie ‘Cumulatieve Milieueffecten Stadhuisplein’ (hierna: “Cumulatienotitie”) de cumulatieve effecten in beeld gebracht van de ontwikkelingen aan het Stadhuisplein. Hierin zijn onder andere de aspecten windhinder, bezonning, verkeer, geluid, luchtkwaliteit en hittestress onderzocht. Hierbij zijn bepaalde uitgangspunten opgenomen, zoals ook benoemd in paragraaf 1.3 van de “Cumulatienotitie”. Van belang is om te vermelden dat de gehanteerde uitgangspunten mede gebaseerd zijn op de kaders uit het ‘IGS’ en een bepaald abstractieniveau hebben. Dit omdat de meeste ontwikkelingen aan het Stadhuisplein nog niet in voorbereiding zijn en daardoor nog niet (voldoende concreet) zijn uitgewerkt. De resultaten uit de “Cumulatienotitie” zijn dan ook niet definitief voor de eindsituatie (als alle ontwikkelingen zijn gerealiseerd). Zo is bijvoorbeeld ingeval van het windhinderonderzoek gerekend met rechte bouwmassa’s. Echter, positionering en vormgeving van gebouwen kan een wezenlijk verschil maken in een windklimaat.
De “Cumulatienotitie” geeft vooral informatie, aandachtspunten en aanbevelingen mee aan de initiatiefnemers wanneer ze hun ontwikkeling gaan voorbereiden en uitwerken. Uit deze “Cumulatienotitie” volgt voor wat betreft de in deze zienswijze aangevoerde punten van windhinder, bezonning, verkeer en hittestress het volgende. Wind Ten aanzien van wind heerst er grotendeels een goed windklimaat in het gebied. Voor de toekomstige ontwikkelingen aan Stadhuisplein 4 en 10 zijn aandachtspunten en aanbevelingen opgenomen voor het verbeteren van het windklimaat in het gebied. Hiermee zullen die ontwikkelingen rekening moeten houden. De aanvaardbaarheid van die ontwikkelingen worden beoordeeld zodra deze worden uitgewerkt en voldoende concreet zijn. Bezonning Hoewel door de beoogde ontwikkelingen extra schaduw in het gebied ontstaat, wordt voldaan aan de gemeentelijke beleidsregels voor bezonning woningen 2024. Verkeer Hoewel de impact van de beoogde ontwikkelingen aan het Stadhuisplein op de meeste wegen beperkt is, zijn er wel sterke toenames zichtbaar
op de Grote Berg en op de westelijke Binnenring (Keizersgracht en Wal). In het Masterplan mobiliteit 2050 is vastgelegd dat doorgaand verkeer binnen de ring wordt geweerd om zo ruimte te creëren voor verdichting en verblijfskwaliteit. Naar verwachting wordt in het eerste kwartaal 2025 een besluit genomen over het voorkeursscenario voor de verkeerscirculatie binnen de ring. In het bijbehorende onderzoek zal ook de verkeersgeneratie van toekomstige ontwikkelingen (waaronder Stadhuisplein) worden meegenomen. In dat onderzoek zal dan uitsluitsel worden gegeven of de verkeersafwikkeling op onder andere de Grote Berg en de westelijke Binnenring acceptabel is. Hittestress Hoewel de gemiddelde gevoelstemperatuur op een extreem hete dag erg hoog blijft, neemt als gevolg van de beoogde ontwikkelingen aan het Stadhuisplein de gemiddelde gevoelstemperatuur af. In het onderzoek dat hiervoor is uitgevoerd zijn aanbevelingen opgenomen om hittestress te reduceren op en rondom het Stadhuisplein. Uit deze “Cumulatienotitie” volgt dat de ontwikkelingen aan het Stadhuisplein op voorhand niet leiden tot aanzienlijke negatieve milieueffecten. Wel zijn er aandachtspunten en aanbevelingen opgenomen waarmee rekening gehouden kan worden bij de uitwerking van de toekomstige ontwikkelingen. De cumulatienotitie maakt als bijlage 1 deel uit van deze nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen.
b. Bestemmingsplan te vroeg, bouwplan nog niet afgerond Indiener geeft aan dat het per bouwkavel opstellen van een bestemmingsplan een bruikbare strategie kan zijn om de gewenste ontwikkeling in gang te zetten, maar dit niet ten koste mag gaan van de samenhang met andere (toekomstige) plannen in het gebied. Het college van B&W – bij monde van de supervisor – wil namelijk dat de gebouwen een ensemble gaan worden. Volgens indiener moet eerst het bouwplan zodanig uitgewerkt worden dat het in alle opzichten is afgestemd op zijn omgeving. Daarna kan het bestemmingsplan pas door de raad beoordeeld worden. Verder is volgens indiener onduidelijk in welke mate het ‘IGS’ leidend is geweest. De koppeling met het ‘IGS’ moet ook opgenomen worden in de regels.
Gemeentelijk standpunt Uit rechtspraak blijkt dat in een bestemmingsplanprocedure niet het bouwplan, maar het bestemmingsplan ter beoordeling voorligt3. In bestemmingsplannen is vastgelegd hoe gronden gebruikt mogen worden, bijvoorbeeld voor wonen, en wat er op gebouwd mag worden (o.a. bouwhoogte). Het doel van het bestemmingsplan is een ‘goede ruimtelijke ordening’. Het ‘IGS’ is opgesteld voorafgaand aan het bestemmingsplan en anticipeert op een grote binnenstedelijke herontwikkeling. Het is niet ongebruikelijk dat een dergelijke ontwikkeling gefaseerd tot stand komt. Het ‘IGS’ en de supervisor bewaken hierbij de kwaliteit en de afstemming. In het ‘IGS’ is vastgelegd dat de nieuwe bebouwing een ensemble rondom het Stadhuisplein moet gaan vormen. De ruimtelijke kaders in het ‘IGS’ zijn vervolgens voor deze planlocatie uitgewerkt in dit concrete bestemmingsplan. Ook als de andere locaties niet tot ontwikkeling zouden komen, levert deze ontwikkeling een acceptabel eindbeeld. Voor de volgende ontwikkelingen geldt dat zij zich moeten voegen tot de afspraken en ontwerpen die al gemaakt zijn. Alle ontwikkelende partijen waren betrokken bij het opstellen van het ‘IGS’. De supervisor zorgt, in samenwerking met de gemeente, voor een langjarige afstemming van de ontwikkelingen onderling. c. Afstemming oostzijde Begijnenhof De hoogtematen zijn niet geregeld in het bestemmingsplan.
Deze hoogten en de situering van de torens, alsmede in relatie tot de toekomstige ontwikkelingen zijn bepalend voor de effecten op het leefklimaat (windhinder, schaduwwerking en temperatuurbeleving). Indiener vreest dat deze ontwikkeling en de ontwikkeling aan Begijnenhof 27-29 meer negatieve dan positieve gevolgen heeft voor de verblijfskwaliteit van het kerkplein rond de Sint Catharinakerk. Gelet op de ensemblewerking moeten volgens indiener deze effecten eerst in beeld worden gebracht voordat uitspraken worden gedaan over de toelaatbare hoogte(n) in dit bestemmingsplan. Te veel hoogbouw bij elkaar doet afbreuk aan de woonkwaliteit van de aangrenzende woongebouwen. Verder geeft indiener aan dat de beoogde (her)ontwikkeling van het gebied Molenpoort op hoofdlijnen meegenomen dient te worden bij het bepalen van de belangrijkste stedenbouwkundige toetsingscriteria. Ook dient dit gekoppeld te worden aan het ‘IGS’.
3 o.a. ECLI:NL:RVS:2018:3888
Gemeentelijk standpunt In het (ontwerp)bestemmingsplan zijn de maximale bouwhoogten geregeld. Dit via bouwvlakken en maatvoeringsaanduidingen op de verbeelding. Hierbij wordt vermeld dat het ‘IGS’ op deze locatie een hoogte van maximaal 105 meter toestaat, maar deze hoogte wordt echter niet gerealiseerd. De hoogste bouwhoogte die het bestemmingsplan mogelijk maakt is 80 meter (de toren gesitueerd aan de Wal). Voor dit bestemmingsplan is een onderzoek uitgevoerd naar windhinder en bezonning. Bij het ontwerp bestemmingsplan maakten deze onderzoeken deel uit van de toelichting als respectievelijk bijlage 16 en 17. Hieronder wordt ingegaan op deze onderzoeken. Wind Uit het windhinderonderzoek volgt dat over het algemeen een goed windklimaat heerst in het plangebied. Hieronder is de afbeelding uit het windhinderonderzoek opgenomen waarop de kwaliteitsklasse zijn aangegeven. In het onderzoek zijn ook aandachtspunten en aanbevelingen benoemd voor de verdere uitwerking van het concrete bouwplan voor de vergunningaanvraag om het windklimaat te verbeteren op een aantal plekken. De resultaten van het windhinderonderzoek, inclusief de aandachtspunten en aanbevelingen waren overigens opgenomen in de toelichting van het ontwerp bestemmingsplan in paragraaf 3.14.
Of sprake is van een ‘acceptabel windklimaat’ wordt volgens artikel 12 bepaalt “overeenkomstig de beleidsregels ‘gemeentelijke normen windhinder’”. Op grond van de beleidsregels moet voor een “acceptabel windklimaat” de kwalificatie ‘goed’ worden nagestreefd, maar kan de kwalificatie ‘matig’ na bestuurlijke afweging worden geaccepteerd. De belangrijkste aandachtspunten uit het onderzoek zien op het volgende: - Voor vier geplande gebouwingangen (van de in totaal 13 gebouwingangen) komt kwaliteitsklasse C (‘matig’ voor de activiteit
-
slenteren) voor, waar minimaal kwaliteitsklasse B (‘goed’ voor de activiteit slenteren) gewenst is. In een groot deel van het Begijnenhof heerst kwaliteitsklasse D (‘matig’ voor de activiteit doorlopen). Het is wenselijk om dit te verbeteren tot kwaliteitsklasse C (‘goed’ voor de activiteit doorlopen).
Voor de gebouwingangen is het mogelijk om met concrete maatregelen (zoals bijvoorbeeld door het realiseren van een colonnade of een portaal) een aanvaardbaar windklimaat te realiseren (kwaliteitsklasse B, ‘goed’ voor de activiteit slenteren). Met betrekking tot het Begijnenhof wordt aangegeven dat in het windhinderonderzoek ook de ontwikkeling aan het Begijnenhof 27-29 is meegenomen als een ‘massa volume’. Als deze ontwikkeling niet zou zijn meegenomen, heerst er een beter windklimaat. De ontwikkeling aan het Begijnenhof 27-29 zal wat betreft het aspect wind rekening moeten houden met deze ontwikkeling. Door o.a. een verfijnde positionering en vormgeving van het beoogde gebouw aan het Begijnenhof 27-29 ontstaat ook een beter windklimaat op het Begijnenhof. In de procedure voor de ontwikkeling van het Begijnenhof 27-29 zal aangetoond moeten worden dat het windklimaat op het Begijnenhof verbeterd kan worden dan nu is berekend in het windhinderonderzoek. En dat kan ook omdat in het windhinderonderzoek dat bij dit bestemmingsplan is uitgevoerd, uitgegaan is van een rechte toren. Gelet op het windhinderonderzoek wordt het windklimaat aanvaardbaar geacht. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat deze locatie is gelegen in hoog stedelijk gebied, waar men meer hinder mag dulden dan in een rustige woonwijk.
Ook speelt het ontbreken van alternatieven een rol in hoog stedelijk gebied. Verder brengt de verdichtingsopgave in (hoog) stedelijk gebied met zich mee dat niet overal te allen tijde een goed windklimaat kan heersen. Afhankelijk van de locatie en situatie kan het daarom noodzakelijk zijn om voor de drie te onderscheiden activiteiten (te weten doorlopen, slenteren en langdurig zitten) plaatselijk een lagere kwaliteitsklasse te accepteren. Dat zal bij elke ontwikkeling in de stad apart afgewogen moeten worden. Voor deze ontwikkeling achten wij een mindere kwalificatie op bepaalde plekken, zoals uit het onderzoek blijkt aanvaardbaar, met uitzondering van het windklimaat bij de vier gebouwingangen zoals benoemd in het onderzoek. De beoogde overige ontwikkelingen aan het Stadhuisplein die nog niet voldoende concreet zijn, zullen rekening moeten houden met de ontwikkelingen die reeds mogelijk zijn gemaakt, dan wel waarvoor een planologische procedure loopt. Op voorhand kan niet al een uitgewerkt eindplaatje voor het aspect windhinder inzichtelijk worden gemaakt.
Voor windhinder hebben ook de uitvoering (bijvoorbeeld setback, getrapt, schuin, recht, uitkragende delen, gedraaid, etc.) en exacte positionering van gebouwen een wezenlijke invloed op het windklimaat. In de fase van de omgevingsvergunning moet worden aangetoond dat voldaan wordt aan de eis van een acceptabel windklimaat. Bij het indienen van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit zijn immers de exacte vormgeving en positionering bekend. Op dat niveau kan dan ook bij de uitwerking rekening worden gehouden met concrete maatregelen, waardoor het windklimaat verbetert op bepaalde punten (zoals bij de eerder genoemde vier gebouwingangen). In het kader van dit bestemmingsplan moet alleen beoordeeld worden of een acceptabel windklimaat als gevolg van deze ontwikkeling kan worden behaald. Daarvan is sprake. Ten aanzien van de verblijfskwaliteit van het kerkplein rond de Sint Catharinakerk het volgende. Uit de resultaten van het windhinderonderzoek is af te leiden dat in het gebied direct rond de kerk sprake is van kwaliteitsklassen A en B. Aan de na te streven eis ‘goed’ voor slenteren wordt voldaan. In het windhinderonderzoek is echter geen rekening gehouden met het effect van bestaande vegetatie (conservatieve benadering). Daarnaast geldt dat met betrekking tot de ontwikkeling Begijnenhof 27-29 deze is meegenomen als een ‘massa volume.
Als deze ontwikkeling niet zou zijn meegenomen, heerst er een beter windklimaat. De ontwikkeling aan het Begijnenhof 27-29 zal wat betreft het aspect wind rekening moeten houden met deze ontwikkeling. Door o.a. een verfijnde positionering en vormgeving van het beoogde gebouw aan het Begijnenhof 27-29 ontstaat ook een beter windklimaat rondom de Catharinakerk. In de procedure voor de ontwikkeling van het Begijnenhof 27-29 zal aangetoond moeten worden dat het windklimaat in het gebied rondom de kerk verbeterd kan worden dan nu is berekend in het windhinderonderzoek. En dat kan ook omdat in het windhinderonderzoek dat bij dit bestemmingsplan is uitgevoerd uitgegaan is van een rechte toren. Bezonning Met betrekking tot bezonning het volgende. Ten tijde van het ontwerp bestemmingsplan golden de beleidsregels voor bezonning woningen uit 2017 (vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 10 januari 2017). Uit deze beleidsregels volgt dat de beleidsregels niet van toepassing zijn voor de binnenstad, waarin dit plangebied is gelegen. In deze beleidsregels is aangegeven dat centrum-stedelijke
belangen prevaleren in de binnenstad boven de belangen van de vermindering van zonlicht bij de woonfunctie. Desondanks is uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening de bezonningsituatie in beeld gebracht voor de omgeving. Uit de notitie bezonningsstudie, zoals opgenomen in bijlage 17 bij de toelichting van het ontwerp bestemmingsplan blijkt dat er ten gevolge van de nieuwbouw geen significante verslechtering optreedt van de bezonning op de omliggende woningen en dat er voor de buitenruimten ook wordt voldaan aan de voorwaarden uit de beleidsregels. Overigens was dit ook vermeld in de toelichting van het ontwerp bestemmingsplan (paragraaf 3.15). Inmiddels heeft het college van burgemeester en wethouders nieuwe beleidsregels voor bezonning vastgesteld, te weten beleidsregels voor bezonning van woningen 2024 (vastgesteld op 28 juni 2024). Ook in deze nieuwe beleidsregels is aangegeven dat woningen die zijn gelegen in een uitzonderingsgebied met sunspots niet getoetst worden aan de eisen voor bezonning. Daarnaast zijn de effecten van de verschillende ontwikkelingen op het leefklimaat (windhinder, schaduwwerking en temperatuurbeleving) mede beoordeeld in de “Cumulatienotitie”. Hiervoor wordt kortheidshalve verwezen naar onze reactie onder zienswijze 2.1 onder a.
Uit de “Cumulatienotitie” volgt dat de ontwikkelingen aan het Stadhuisplein op voorhand niet leiden tot aanzienlijke negatieve milieueffecten. Wel zijn er aandachtspunten en aanbevelingen opgenomen waarmee rekening gehouden kan worden bij de uitwerking van de toekomstige ontwikkelingen. Met betrekking tot het ensemble van de verschillende ontwikkelingen aan het Stadhuisplein (inclusief Moleneind; indiener spreekt over het gebied Molenpoort, maar bedoeld waarschijnlijk Moleneind) wordt verwezen naar het gestelde onder zienswijze 2.1 onder b. De uitgangspunten van het ‘IGS’ zijn ook van toepassing op de overige (toekomstige) ontwikkelingen aan het Stadhuisplein. d. Afstemming masterplan openbaar gebied Indiener geeft aan dat het onduidelijk is wat de gevolgen zijn van het masterplan openbaar gebied voor de ontwikkeling van dit bestemmingsplan. Gemeentelijk standpunt De inrichting van de openbare ruimte speelt een belangrijke rol bij de (gebouwde) ontwikkelingen aan het Stadhuisplein. Daarom wordt momenteel een masterplan voor de openbare ruimte opgesteld. De
ontwikkelende partijen worden bij dit proces betrokken. Dit zorgt er voor dat al in dit stadium afstemming plaats kan vinden. e. Cumulatieve effecten moeten beter in beeld worden gebracht Indiener is van mening dat eerst alle cumulatieve milieueffecten van alle deelprojecten in beeld moeten worden gebracht (op aspecten zoals windhinder, ook op de Belvedèrelaag, bezonning, verkeer) om de milieueffecten te kunnen beoordelen. Verder geeft indiener aan dat een rapportage hittestress ontbreekt die de effecten in beeld brengt op het Stadhuisplein en de pleinruimte rond de Sint Catharinakerk. Gemeentelijk standpunt In de “Cumulatienotitie” zijn de effecten van de ontwikkelingen aan het Stadhuisplein in beeld gebracht. In deze notitie is ook ingegaan op het aspect hittestress. Uit de “Cumulatienotitie” volgt dat de ontwikkelingen aan het Stadhuisplein op voorhand niet leiden tot aanzienlijke negatieve milieueffecten. Wel zijn er aandachtspunten en aanbevelingen opgenomen waarmee rekening gehouden kan worden bij de uitwerking van de toekomstige ontwikkelingen. Kortheidshalve wordt verwezen naar ons standpunt in zienswijze 2.1 onder a. f. Verkeersgeneratie Indiener vindt het uitgangspunt van één rit per woning per dag voor de verkeersgeneratie laag.
Gemeentelijk standpunt In de toelichting van het bestemmingsplan (paragraaf 3.7.3) en in het mobiliteitsplan dat als bijlage 15 onderdeel uitmaakt van de toelichting van het bestemmingsplan is ingegaan op de verkeersgeneratie en de daarbij behorende uitgangspunten. De uitgangspunten zijn gebaseerd op de CROW-kencijfers in de publicatie 381 “Toekomstbestendig Parkeren”. Uit de toelichting en het mobiliteitsplan volgt dat voor de appartementen in de sociale en middenhuur niet het uitgangspunt van één rit per woning/dag als uitgangspunt is gehanteerd, maar het uitgangspunt van 1,2 ritten. Voor de dure huur is dit 3,3 ritten. Eindhoven is met circa 2.700 adressen per km² als zeer sterk stedelijk aan te merken. Deze ontwikkeling ligt in het centrum van de stad. Gelet hierop hebben de sociale en middenhuur appartementen conform de CROWkencijfers een verkeersgeneratie van minimaal 0,8 en maximaal 1,6 ritten op een weekdag. Voor de dure huurappartementen is dit minimaal 2,9 en maximaal 3,7. Het kengetal van 1,2 ritten (sociale huur en middenhuur) en 3,3 ritten (dure huur) is het gemiddelde van deze bandbreedte op een weekdag. Gelet op de ligging in het centrum zijn er hoogwaardige alternatieven voor de auto beschikbaar (zoals de
nabijheid van het Intercitystation, HOV op de Wal en de stadsfietsroute op de Wal). Door de aanwezigheid van deze hoogwaardige alternatieven geeft de gemiddelde bandbreedte een representatieve weergave van de verwachte verkeersgeneratie. g. Sociale woningbouw Indiener geeft aan dat niet onderbouwd is waarom voor deze ontwikkeling andere afspraken gelden over het realiseren van sociale woningbouw dan is opgenomen in het ‘IGS’. Indiener wil dat deze afspraken openbaar worden gemaakt. Verder geeft indiener aan dat het percentage sociale woningbouw in de regels moet worden vastgelegd. Gemeentelijk standpunt In het ‘IGS’ is vermeld dat voor deze ontwikkeling eerder afspraken zijn gemaakt ten aanzien van het programma en dat deze ontwikkeling dan ook niet meetelt in de procentuele verdeling van het programma. Ruim voor de vaststelling van het‘IGS’ (en het Woonprogramma 2021-2025) zijn namelijk al afspraken gemaakt over het woonprogramma op deze locatie. In 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders een overeenkomst gesloten met CityWall Property BV (hierna: CityWall) ten behoeve van de herontwikkeling van deze locatie (Wal 15, Stadhuisplein 6 en Begijnenhof 8 – 14). Met de verkoop van deze gemeentelijke panden werd ingespeeld op de ontwikkelingen in de binnenstad. In de (nadere) overeenkomst zijn afspraken gemaakt over het programma.
Over het woonprogramma is afgesproken dat minimaal 10% van de te realiseren woningen, met een ondergrens van 30 woningen, gerealiseerd moet worden in de categorie sociale huur. Deze (contractuele) afspraken moeten gerespecteerd worden. In de regels (artikel 3.1.1 onder s) zijn de afspraken over het realiseren van sociale woningbouw reeds geborgd. h. Borging ruimtelijke principes in het bestemmingsplan Indiener verzoekt om de ruimtelijke principes zoals de Brainportlaag en Eindhovense laag vast te leggen op de verbeelding zodat de bouwvolumes duidelijk zijn. Gemeentelijk standpunt Indiener heeft gelijk dat de ruimtelijke principes van de Brainportlaag en Eindhovense laag nog niet voldoende zijn geborgd in het (ontwerp van het) bestemmingsplan. Op de verbeelding is daarom aan de zijde van het Stadhuisplein met maatvoeringsvlakken het onderscheid aangebracht tussen de Eindhovense laag en de Brainportlaag. Voor de Eindhovense laag geldt daar een hoogte van maximaal 20 meter. De
Brainportlaag ligt iets verder van het Stadhuisplein dan de Eindhovense laag. Daar waar de (gevel van de) Brainportlaag doorloopt ten opzichte van de Eindhovense laag, wordt het onderscheid tussen deze lagen gekenmerkt door architectonische uitstraling. Dit wordt ook geborgd in de ontwerpprincipes die zijn opgenomen in het ‘IGS’. De ontwerpprincipes uit het ‘IGS’ is als bijlage 2 opgenomen bij de regels. Artikel 3.2.1 en 3.2.3 zijn hierop aangevuld. i. Ontsluiting parkeergarage en parkeren bewoners Indiener geeft aan dat het uit het oogpunt van verkeersveiligheid beter is om de ontsluiting van de parkeergarage elders te situeren. Indiener verwacht dat veel fietsers gebruik gaan maken van de geprojecteerde toegangsweg naar de parkeergarage, hetgeen leidt tot conflictpunten tussen auto’s en fietsers. Het plan voorziet in 92 parkeerplaatsen voor bewoners. 15 parkeerplaatsen voor bewoners moeten worden opgevangen in de nabijgelegen parkeergarages. Indiener is het niet eens dat bewoners hiervoor een commercieel tarief moeten gaan betalen en verzoekt om een betere oplossing voor bewonersparkeren. Gemeentelijk standpunt De ontsluiting van de parkeergarage is op de Wal georiënteerd omdat alleen deze zijde van de ontwikkeling in de (nabije) toekomst goed bereikbaar blijft voor het autoverkeer.
Het Begijnenhof en het Stadhuisplein worden conform het Masterplan Mobiliteit 2050 en de visie van Bygg Architecture & Design (masterplan openbare ruimte) onderdeel van de voetgangerszone binnenstad. In een voetgangerszone wordt het autoverkeer vanwege de verkeersveiligheid geminimaliseerd. Bij uitbreiding van de voetgangerszone is het zeer onwenselijk, dat de ontsluiting van de parkeergarage aan het Stadhuisplein of het Begijnenhof komt te liggen. Om vervolgens het aantal conflictpunten tussen fietsers en auto’s van en naar de parkeergarage te minimaliseren worden beide vervoerswijzen zoveel mogelijk fysiek van elkaar gescheiden met behulp van groene afscheidingen. In het Voorlopig Ontwerp Stedenbouwkundig Plan (VOSP), zie onderstaand figuur, is sprake van één conflictpunt waar fietsers en auto’s elkaar kunnen ontmoeten van en naar de parkeergarage. Dat is de locatie waar de in- en uitrit van de parkeergarage het vrij liggende fietspad kruist. Het vrij liggende fietspad wordt op deze locatie doorgetrokken omdat doorgaand fietsverkeer voorrang heeft op het afslaande autoverkeer naar de parkeergarage. Zo ontstaat een vergelijkbare verkeerssituatie als bij de toegang van de parkeergarages Hooghuis, en de Witte Dame. Door auto’s en fietsers
zoveel mogelijk fysiek van elkaar te scheiden en het aantal conflictpunten tussen beide vervoerswijze te minimaliseren, leidt de beoogde ontsluiting van de parkeergarage niet tot een ongewenste situatie voor de verkeersveiligheid.
Afbeelding uitsnede VOSP Met betrekking tot het bewonersparkeren en het betalen van een commercieel tarief het volgende. De ruimte in de stad is beperkt en kostbaar, waardoor de gemeente de schaarse ruimte efficiënt moet gebruiken. Vanwege de grote verdichtingsopgave in Eindhoven is er straks minder plaats voor autoverkeer en parkeren in en om het autoluwe centrum. Dit blijkt ook uit het parkeerbeleid, zoals opgenomen in de ‘Actualisatie nota parkeernormen 2019’ en de sinds april 2024 geldende ‘Nota parkeernormen 2024’ (verder: de parkeernota 2024). De gemeente streeft daarin naar het aanleggen van zo min mogelijk nieuwe parkeerplaatsen en zet zoveel mogelijk in op duurzame alternatieve vervoerswijzen zoals lopen, fietsen of openbaar vervoer. Dit is onder andere uitgewerkt in de zogenoemde verplichte "HOV-reductie". De parkeernota 2024 is in maart 2024 vastgesteld en op 19 april 2024 in werking getreden, dus nadat het ontwerp bestemmingsplan ter inzage heeft gelegen. De toelichting van het bestemmingsplan (paragraaf 3.7)
is hierop aangevuld. In de parkeernota 2024 is overgangsrecht opgenomen voor lopende initiatieven. Dit houdt in dat als binnen een jaar na inwerkingtreding van de parkeernota 2024 een aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend, nog gebruik mag worden gemaakt van de ‘Actualisatie nota parkeernormen 2019’. Deze mogelijkheid blijft mogelijk voor initiatiefnemer. Op basis van de parkeernota 2024 is een geactualiseerde parkeerberekening gemaakt. Paragraaf 3.7 van de toelichting (Verkeer en parkeren) is hierop ook aangevuld. Uit de geactualiseerde parkeerberekening volgt dat volgens de parkeernota 2024 het bewonersparkeren geheel op eigen terrein opgelost kan worden. Wonen midden in het centrum in een drukke stad als Eindhoven, betekent eenmaal dat het bezitten van een auto niet meer vanzelfsprekend is. De toekomstige bewoners van ontwikkelingen in de stad moeten dus rekening houden dat niet voor elke woning een parkeerplaats in het plangebied beschikbaar is. We zien dat veel huidige bewoners van het centrum geen eigen auto meer hebben. Deze mensen maken vooral gebruik van het openbaar vervoer en de fiets. In het centrum zijn hoogwaardige alternatieven beschikbaar voor de eigen auto. Ook is er een goed fietsnetwerk met snelle verbindende routes naar belangrijke locaties, dat bovendien steeds verder uitgebreid wordt.
Verder is in het centrum al een groot en divers aanbod van deelvoertuigen aanwezig.Het autobezit per huishouden in het centrum van Eindhoven daalt mede daardoor al een aantal jaar. Van 0,9 personenauto per huishouden in 2016 naar 0,4 personenauto per huishouden in 2023 (bron: www.eindhoven.incijfers.nl4). Indien bij sommige bewoners toch een behoefte zal gaan ontstaan om een auto te gaan bezitten en geen plaats hebben binnen het plangebied, dan kunnen bewoners tegen commercieel tarief een abonnement afnemen in een openbare parkeergarage met restcapaciteit.
j. Bereikbaarheid Belvedère Onduidelijk is hoe de Belvedèrelaag bereikbaar is. Daarnaast is bereikbaarheid bij slecht weer en sociaal toezicht belangrijk voor het succes van een Belvedèrelaag. Verder vraagt indiener zich af hoe de windhinder is op de Belvedèrelaag. Gemeentelijk standpunt De Belvedère ligt aan het Stadhuisplein. De bereikbaarheid van de Belvedère is typisch zo’n thema dat past bij de afstemming tussen het 4 https://eindhoven.incijfers.nl/jive/
masterplan openbare ruimte en de gebouwde ontwikkelingen en maakt onderdeel uit van de uitwerking van het bouwplan. De gesprekken hierover vinden al volop plaats. De supervisor zorgt hier voor de kwaliteitsbewaking en helpt de partijen samen tot een goede oplossing te komen. Door onderzoeksbureau Arup is in de ‘Notitie Addendum windhinderonderzoek’ d.d. 26 september 2024 het windklimaat op de Belvedère laag inzichtelijk gemaakt. De resultaten laten zien dat aan de zuid- en oostzijde van blok C voornamelijk kwaliteitsklasse A (‘goed’ voor alle soorten activiteiten) heerst. Dit is de zijde waar de Belvedèrelaag is gelegen. Aan de na te streven eis ‘goed’ voor de bepalende activiteit op de Belvedère (slenteren / kwaliteitsklasse B) wordt daar royaal voldaan. Bij de gebouwhoeken aan de westzijde van blok C is sprake van windklimaatklassen C en D (‘matig’ tot ‘slecht’ voor de activiteit slenteren). Het windklimaat kan hier mogelijk lokaal, nabij de gevel, worden verbeterd door het toevoegen van luifels om de valwind vanaf de toren van blok C te verminderen. Bij de concrete uitwerking van het bouwplan en bij de uiteindelijke vergunningaanvraag zal dit nader onderzocht moeten worden. Maatregelen (zoals bijvoorbeeld het toepassen van luifels) moeten worden bepaald waarmee ter hoogte van de gebouwhoeken van blok C minimaal windklimaatklasse C wordt behaald.
Als dat niet mogelijk blijkt, zal dat gedeelte niet openbaar toegankelijk mogen zijn (dat maakt ook geen onderdeel uit van de Belvedèrelaag). De ‘Notitie Addendum windhinderonderzoek’ is zowel als bijlage 2 opgenomen bij deze nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen, als bijlage 17, behorende bij de toelichting van het bestemmingsplan. k. Culturele aspecten Indiener geeft aan dat op deze locatie onderzoek gedaan moet worden omdat hier oude stadswallen waren. Bij vondsten ziet indiener graag dat deze behouden blijven en zichtbaar worden voor gebruikers van het gebouw en omgeving. Verder wijst indiener naar de afspraken die zijn gemaakt met de Henri van Abbestichting over het behoud van kenmerkende waardevolle elementen van architectuur en toegepaste kunst. Volgens indiener kan dit op de verbeelding geregeld worden met een aanduiding. Gemeentelijk standpunt In het bestemmingsplan is geborgd dat archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Dit door middel van de (dubbel)bestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. De initiatiefnemer moet een archeologisch onderzoek uit laten voeren en een archeologisch Programma van Eisen
(PvE) opstellen. Dit PvE is door de initiatiefnemer al aangeleverd en door de gemeente goedgekeurd. Deze is als bijlage 6 bij de toelichting van het (ontwerp)bestemmingsplan gevoegd. Op grond van de (dubbel)bestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ geldt een bouwverbod, totdat uit het archeologisch onderzoek blijkt dat geen onevenredige verstoring van de archeologische waarden ontstaat of kan ontstaan. Wanneer men bij de archeologische begeleiding tijdens de civieltechnische ontgraving behoudenswaardige (= onderzoekswaardige) archeologische resten vindt, dan dienen die behouden te blijven en eventueel te worden opgegraven. In de in 2016 gesloten overeenkomst met Citywall en de daarbij behorende allonges zijn afspraken gemaakt over het behouden en terugbrengen van de cultuurhistorisch waardevolle elementen. Het gaat om de volgende karakteristieke elementen: - natuurstenen deuromlijsting (Niel Steenbergen), - het natuurstenen mozaïek in het interieur (Theo Mols), en - het glas-in-betonraam in de voormalige zijgevel (Louise van Roode). Inmiddels is het ABN-AMRO-gebouw en de voormalige Van Mierlobank grotendeels gesloopt. Hiervoor is op 16 september 2021 een sloopvergunning (besluitnummer 1542556) verleend. Alleen de gevel van de voormalige Van Mierlobank met de natuurstenen deuromlijsting is als karakteristiek element nog aanwezig in het plangebied.
De overige karakteristieke elementen zijn gedemonteerd en opgeslagen, een en ander conform de verleende sloopvergunning. In de sloopvergunning is een voorschrift opgenomen dat de waardevolle elementen in de bouwaanvraag moeten worden geïntegreerd en op dat punt ook instemming nodig is van de supervisor, de commissie Ruimtelijke Kwaliteit en het college van B&W. Verder is ook een voorschrift opgenomen dat de Van Abbestichting en de Stichting Bescherming Wederopbouwerfgoed Eindhoven bij het ontwerp van de bouwaanvraag op dit punt wordt betrokken. Deze voorschriften lenen zich niet om vast te leggen in dit bestemmingsplan, maar is nu al voldoende met regels in de verleende vergunning uit 2021 geborgd. Voor wat betreft de gevel van de voormalige Van Mierlobank, is een bepaling in het bestemmingsplan opgenomen zodat deze niet zonder meer gesloopt kan worden en na integratie in de nieuwbouw ook is beschermd. Hierop zijn de verbeelding en de regels aangevuld. Op de verbeelding is de aanduiding ‘karakteristiek’ opgenomen ter plaatse van de gevel van de voormalige Van Mierlobank. In de regels in artikel 3.6 een sloopvergunningstelsel opgenomen. Onder voorwaarden, zoals genoemd in artikel 3.6 kan een sloopvergunning verleend worden. Gelet op het vorenstaande zijn de cultuurhistorische waardevolle elementen voldoende beschermd.
Conclusie zienswijze Gelet op het bovenstaande wordt de zienswijze gegrond verklaard voor zover dit ziet op: - het verzoek om de milieueffecten cumulatief in beeld te brengen; - het verzoek om het windklimaat op de Belvedère inzichtelijk te maken; - het inzichtelijk maken van het onderscheid tussen de Eindhovense laag en de Brainportlaag. Hiertoe zijn op verbeelding maatvoeringsvlakken opgenomen, waardoor aan de zijde van het Stadhuisplein gedeeltelijk een maximale hoogte van 20 meter geldt (Eindhovense laag). Daarnaast zijn de ontwerpprincipes opgenomen als bijlage 2 bij de regels (tevens als bijlage 6 opgenomen bij deze nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen). In artikel 3.2.1 onder d en 3.2.3 onder e is de volgende regeling opgenomen: Artikel 3.2.1 onder d: ‘de gebouwen voldoen aan de ontwerpprincipes die als bijlage 2 bij de regels zijn gevoegd’. Artikel 3.2.3 onder e: ‘bouwwerken geen gebouw zijnde voldoen aan de ontwerpprincipes die als bijlage 2 bij de regels zijn gevoegd’. -
op het beschermen van de natuurstenen deuromlijsting als karakteristiek element. Hiertoe is de aanduiding ‘karakteristiek’ opgenomen op de verbeelding en het (nieuwe) artikel 3.6 in de regels. Dit artikel luidt als volgt:
3.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk 3.6.1 Vergunningvereiste Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor de activiteit slopen) bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' geheel of gedeeltelijk te slopen of te verwijderen. 3.6.2 Uitzonderingen Het in lid 3.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden: a. welke het normale beheer en onderhoud betreffen; b. welke onlosmakelijk voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend;
c. welke plaatsvinden ingevolge een aanschrijving van burgemeester en wethouders; d. welke reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en mits niet strijdig waren met het hieraan voorafgaande bestemmingsplan; e. waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan reeds een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend; f. welke plaatsvinden op een hoogte van 15 meter of hoger, gemeten vanaf peil. 3.6.3 Toelaatbaarheid De in lid 3.6.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend als door die sloopwerkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de karakteristieke, cultuurhistorische waarden en kenmerken ontstaan of kunnen ontstaan. Ter beoordeling of daarvan sprake is, dient: a. de aanvrager een door een ter zake deskundige opgesteld onderzoek te overleggen; b. vooraf advies ingewonnen te worden bij de Adviescommissie Omgevingskwaliteit Eindhoven; Voor het overige achten wij de zienswijze ongegrond.
2.2.
Bewoner Wal
a. Bouwplan Indiener verzoekt om de positie van de torens te wisselen zodat de torens beter aansluiten op de bestaande bebouwing. De hoge toren aan de Wal is niet aanvaardbaar gelet op het smalle tracé van de Wal en het gesloten karakter; het is een te harde overgang. Dit heeft indiener al aangegeven in het participatietraject, maar dit is niet terug te vinden in de stukken hierover. Alleen positieve verhalen zijn in het verslag opgenomen. Gemeentelijk standpunt In het ‘IGS’ is aangegeven dat nieuwe ontwikkelingen samen een ensemble moeten vormen die als een tribune rondom het plein staan. Het principe van de belvedère rondom het plein benadrukt dit. In dit principe moeten de hoogste torens op de achterste rij staan, gezien vanuit het stadhuis. Door de hoogste toren aan de Wal te plaatsen en niet aan het Begijnenhof ontstaat een beter ensemble aan het Begijnenhof. Daarnaast is de Wal onderdeel van de binnenring waar al
sinds lange tijd de schaalsprong van Eindhoven gerealiseerd is. Dat gaat ver terug, denk aan de Witte Dame ten opzichte van het eerste Philipsfabriekje. Met de nieuwe bebouwing ontstaat een contrast in hoogte met de bestaande bebouwing. Een toren van maximaal 80 meter is op deze plek dan ook stedenbouwkundig aanvaardbaar. b. Windhinder Volgens indiener is zijn woning, alsook de nabijgelegen appartementen niet meegenomen in het windonderzoek en is geen onderzoek gedaan naar de effecten van wind op het dakterras van indiener. Daarbij zijn de opgenomen hoogtes in het windhinderonderzoek niet de maximaal toegestane hoogtes in het ontwerp bestemmingsplan waardoor de conclusies en aanbevelingen in het onderzoek niet juist zijn. Ook is geen onderzoek gedaan in verband met de Catharinakerk. Indiener geeft aan dat de normen die zijn vastgelegd in de ‘Gemeentelijke norm windhinder’ toegepast moet worden. Verder geeft indiener aan dat de gemeenteraad het ‘IGS’ op basis van onvolledige gegevens heeft vastgesteld nu in het windonderzoek geen harde conclusie worden getrokken over de gevolgen van windhinder van de hoogste toren (80 meter) plus powernest. In artikel 12.1 van de regels is aangegeven dat sprake moet zijn van een acceptabel windklimaat terwijl dit volgens de betreffende beleidsregel ‘goed’ zou moeten zijn.
Indiener wijst naar een presentatie ‘Wind en stadhuisplein’ van 24 februari 2021 waar op basis van een windhinderonderzoek de torens onderling verplaatst zijn omdat dit een beter resultaat gaf. Gemeentelijk standpunt Kortheidshalve verwijzen wij naar ons standpunt in zienswijze 2.1 onder c voor zover dit ziet op het aspect wind. Aanvullend merken we nog het volgende op. In het uitgevoerde windhinderonderzoek (dat als bijlage 16 opgenomen is bij de toelichting van het (ontwerp)bestemmingsplan) is ook de woning van indiener en nabijgelegen appartementen meegenomen in de modellering van de omgeving. Het klopt echter dat in het windhinderonderzoek uitgegaan is van de bouwhoogtes van het beoogde bouwplan terwijl het bestemmingsplan hogere bouwhoogtes toestaat. Door onderzoeksbureau Arup is daarom een ‘Notitie addendum windhinderonderzoek’ (d.d. 26 september 2024) opgesteld, waarin uitgegaan wordt van de in het bestemmingsplan toegestane maximale bouwhoogtes. Deze is als bijlage 2 (Notitie addendum windhinderonderzoek) opgenomen bij deze nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen en als bijlage 17 toegevoegd aan de toelichting van het bestemmingsplan. De resultaten van dit nader onderzoek laten weinig verschil zien met de resultaten uit de eerder uitgevoerde studie.
De eerder gegeven conclusies en aanbevelingen voor deze ontwikkeling zijn niet veranderd. Daarnaast heeft Arup het windklimaat op de dakterrassen van indiener inzichtelijk gemaakt (waarbij uitgegaan is van de in het bestemmingsplan toegestane maximale bouwhoogtes). Op onderstaande afbeelding is te zien dat de dakterrassen voor de activiteit ‘langdurig zitten’ grotendeels de kwalificatie ‘goed’ (kwaliteitsklasse A) hebben. Op een klein gedeelte van het dakterras is de kwalificatie ‘matig’ (kwaliteitsklasse B) voor de activiteit ‘langdurig zitten’. Gelet op de kleinschaligheid hiervan, het feit dat op het betreffende terras voldoende ruimte is waar langdurig gezeten kan worden binnen de kwalificatie ‘goed’ en de locatie is gelegen in hoog stedelijk gebied, leidt dit niet tot een onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefklimaat van indiener. De resultaten van het windklimaat op de dakterrassen van indiener is als bijlage 3 (Citywall – Wind en bezonning Wal) opgenomen bij deze nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen.
Indiener geeft aan dat in 2021 naar aanleiding van een windhinderonderzoek torens onderling verplaatst zijn. Dit is onjuist. Er is in 2021 geen windhinderonderzoek uitgevoerd. c. Privacy Indiener geeft aan dat zijn privacy onevenredig wordt aangetast aangezien het bouwplan zicht geeft op zijn dakterras.
Gemeentelijk standpunt Niet valt uit te sluiten dat het plan zal leiden tot enige aantasting van de privacy op het dakterras. Deze ontwikkeling is echter gelegen in hoog stedelijk gebied van Eindhoven. In een dergelijke stedelijke omgeving is een bepaalde mate van verlies van privacy van indiener door deze ontwikkeling niet volledig uit te sluiten. Maar het verlies van privacy wordt niet onredelijk geacht en gelet op het woningbouwbelang in dit geval acceptabel en aanvaardbaar. Daarvoor is van belang dat de afstand van de perceelsgrens van indiener tot aan het dichtstbijzijnde bouwvlak ongeveer 20 meter bedraagt. Deze afstand is in hoog stedelijk gebied niet ongebruikelijk. Gelet op het voorgaande is geen sprake van een onevenredige aantasting van de privacy. Hierbij is tevens van belang dat volgens vaste rechtspraak (o.a. ECLI:NL:RVS:2017:469 en ECLI:NL:RVS:2019:4081), een zekere mate van inbreuk op de privacy en vermindering van het uitzicht inherent aan het wonen in een stad. Uit vaste rechtspraak volgt tevens dat geen blijvend recht op vrij uitzicht bestaat.
d. Schaduwwerking-Bezonning Indiener verwijst naar een afbeelding waarin zijn woning in de schaduw is gelegen. Indiener geeft aan dat in het bezonningsonderzoek niet uitgegaan is van de juiste maximale bouwhoogtes waardoor dit onderzoek niet ten grondslag kan liggen aan het bestemmingsplan. Daarnaast wordt betwijfeld of sprake is van minder dan 50% verlies aan bezonning. Volgens indiener is in de klankbordwerkgroep afgesproken dat bezonning en windhinder in een totaal plan als gezamenlijkheid beoordeeld zal worden. Indiener merkt op dat de beoogde toren ter plaatse van het voormalig stadskantoor geen onderdeel uitmaakt van dit plangebied maar wel een negatieve invloed op de bezonning van woningen aan de Wal kan hebben. Gemeentelijk standpunt Kortheidshalve verwijzen wij naar ons standpunt in zienswijze 2.1 onder c voor zover dit ziet op het aspect bezonning. Aanvullend merken we nog het volgende op. Het klopt inderdaad dat in voornoemde notitie uitgegaan was van de bouwhoogtes van het beoogde bouwplan en niet de bouwhoogtes die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. Daarom is een aanvullend onderzoek uitgevoerd (‘Notitie addendum bezonningsstudie Stadhuisplein’ d.d. 25 september 2024). Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat op basis van de in het bestemmingsplan toegestane maximale bouwhoogtes voor alle situaties nog steeds sprake is van voldoende bezonning, ook conform
de beleidsregels voor bezonning. Dit aanvullend onderzoek is als bijlage 4 (Notitie addendum bezonningsstudie Stadhuisplein) opgenomen bij deze nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen, en wordt ook als bijlage 19 toegevoegd aan de toelichting van het bestemmingsplan. Daarnaast is nog expliciet ingezoomd op het dakterras van indiener, zie onderstaande afbeelding. In de lente en herfst blijft minstens vier uur direct bezonning mogelijk op (een gedeelte van) het dakterras van indiener. In de zomer is dit minstens 6 tot 10 uur. De resultaten van de bezonning op de dakterrassen van indiener is als bijlage 3 (Citywall – Wind en bezonning Wal) opgenomen bij deze nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen.
Gelet op bovenstaande is sprake van een afname van bezonningsuren op de woning (inclusief dakterras) van indiener ten opzichte van de bestaande situatie. Echter, er resteren nog voldoende bezonningsuren, waardoor deze ontwikkeling geen onevenredige afbreuk doet aan bezonningssituatie van indiener en gelet op het woningbouwbelang in dit geval acceptabel en aanvaardbaar is. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat deze locatie is gelegen in hoog stedelijk gebied, waar men meer hinder mag dulden dan in een rustige woonwijk. e. Verlies zonne-energie Indiener vraagt zich af hoe het verlies aan opbrengst van de zonnepanelen als gevolg van dit plan gecompenseerd zal worden.
Gemeentelijk standpunt Met betrekking tot eventueel verlies aan rendement op de zonnepanelen van indiener wordt gewezen op vaste rechtspraak waaruit volgt dat de huidige regelgeving de gemeenteraad er niet toe verplicht een stedelijke omgeving met bestaande bebouwing zo in te richten dat eigenaren van bestaande gebouwen optimaal gebruik kunnen maken van zonnepanelen (o.a.ECLI:NL:RVS:2018:3982 en ECLI:NL:RVS:2023:2081). f. Ontsluiting parkeergarage Indiener vindt de ontsluiting van de parkeergarage aan de Wal (op het smalle tracé) ontoelaatbaar. Gemeentelijk standpunt Kortheidshalve wordt verwezen naar onze reactie hierover in zienswijze 2.1 onder i. g. Ventilatiesysteem Indiener geeft aan dat voorzieningen voor het ventilatiesysteem niet op de binnenterreinen aan de Wal-zijde geplaatst kunnen worden. Gemeentelijk standpunt Een bestemmingsplan regelt hoe gronden gebruikt mogen worden en wat daarop gebouwd mag worden. Het bestemmingsplan regelt niet (en kan dat ook niet regelen) waar ventilatiesystemen wel of niet mogen worden geplaatst. Dit betreft een bouwtechnisch (uitvoerings)aspect. Deze komen aan de orde in de fase van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit. Dan worden bouwtechnische aspecten getoetst aan het Besluit bouwwerken leefomgeving. h.
Geluid Indiener geeft aan dat ook akoestisch onderzoek gedaan moet worden naar de geluidbelasting van dit plan op de omgeving als gevolg van de toename van het aantal verkeersbewegingen en het effect van weerkaatsing van geluid. Verder is ten onrechte gesteld dat de Wal een 30km/u-zone is. Dit is een gebiedsontsluitingsweg (50 km/u). Gemeentelijk standpunt Naar aanleiding van deze zienswijze is door Peutz de ‘Notitie verkeersaantrekkende werking’ d.d. 24 mei 2024 opgesteld waarin een kwalitatieve beoordeling van het geluid ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking is beschreven. Deze notitie is als bijlage 5 opgenomen bij deze nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen
en als bijlage 21 toegevoegd aan de toelichting van het bestemmingsplan. Uit de notitie volgt dat als gevolg van deze ontwikkeling sprake is van een toename van het geluid op de directe omgeving van circa 0,2 à 0,3 dB. Dit is minimaal en voor het menselijk gehoor niet waarneembaar. Deze toename van het geluid is akoestisch verwaarloosbaar. Verder is de Wal, in tegenstelling tot hetgeen indiener aangeeft, een 30 km/u-zone. In juni 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders hiervoor een verkeersbesluit genomen. Het verkeersbesluit is gepubliceerd in het Gemeenteblad Eindhoven (Gemeenteblad 2023, 291598 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen (officielebekendmakingen.nl) . i. Luchtkwaliteit Indiener vraagt zich af waarom in het plan is aangegeven dat geen gevoelige bestemming wordt toegevoegd in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen nu een hogeschool wordt gevestigd in het plan. Verder geeft indiener aan dat geen onderzoek is gedaan naar cumulatie van vervuilde lucht en hoe die vervuilde lucht zich gaat verdragen tussen hoge bebouwing. Er is geen adequaat historisch beeld als uitgangspunt, er wordt slechts gewerkt met aannames in een computermodel.
Gemeentelijk standpunt Zoals in paragraaf 4.4.3 (‘Besluit gevoelige bestemmingen’) van de toelichting bij het bestemmingsplan is opgenomen, is dit besluit van toepassing op gevoelige bestemmingen, waaronder een school, binnen 50 meter van provinciale wegen en 300 meter van rijkswegen. Dit plangebied ligt buiten deze zones. Het besluit gevoelige bestemmingen is daarom niet van toepassing. Verder is in paragraaf 4.4 (‘Luchtkwaliteit’) van de toelichting bij het bestemmingsplan uitgebreid ingegaan op het aspect luchtkwaliteit en uit deze paragraaf blijkt dat voldaan wordt aan de wettelijke eisen, uitgaande van een worst case scenario. In de cumulatienotitie is ingegaan op de cumulatieve effecten ten aanzien van luchtkwaliteit voor alle ontwikkelingen aan het Stadhuisplein zoals volgt uit het ‘IGS’. Ook hieruit volgt dat luchtkwaliteit voldoet aan de wettelijke vereisten. j. Veiligheid Indiener wil graag dat het binnenterrein ’s nachts afgesloten wordt. Indiener vreest voor nachtelijke criminaliteit en vandalisme. De onveiligheid voor fietsers zal, gelet op de situering van de ontsluiting van de parkeergarage, toenemen als het huidige fietspad gehandhaafd blijft. Indiener stelt voor het fietspad te verplaatsen waar het nu tijdelijk ligt en
het trottoir te verbreden tot aan het wegtracé voorbij de bomenrij, dan wel in twee richtingen naar de overzijde te verplaatsen en het voetgangersgedeelte tot aan de weg te maken voorbij de bomenrij. Gemeentelijk standpunt Het bestemmingsplan regelt niet (en kan dat ook niet regelen) dat een binnenterrein afgesloten wordt. Voor wat betreft de veiligheid van de fietsers wordt kortheidshalve verwezen naar ons standpunt in zienswijze 2.1 onder i. k. Bouwexploot Indiener verzoekt de gemeente dan wel de ontwikkelaar voorafgaand aan de start van de werkzaamheden een bouwexploot uit te voeren naar de staat van zijn woning om discussie over eventuele ontstane schade te voorkomen. Gemeentelijk standpunt Deze zienswijze heeft geen betrekking op het (ontwerp) bestemmingsplan. Het valt ook niet binnen de invloedssfeer van de gemeente. Dit aspect zal indiener zelf moeten regelen met de initiatiefnemer. l. Groen Volgens indiener is in de planregels ten onrechte niet opgenomen dat het aan te leggen groen binnen het plangebied moet worden gerealiseerd. Ook is niet duidelijk wat onder groen moet worden verstaan. Verder bestrijdt indiener dat voldaan kan worden aan de voorwaardelijke verplichting zoals opgenomen in de planregels.
Zo is volgens indiener bestaand groen (zoals bestaande platanen aan het plein en de Begijnenhof, de tuin rondom de kerk, de bestaande beplanting tegen de bestaande bebouwing en bestaande begroeiing tegen zijn woning) en groen buiten het plangebied betrokken bij de groenopgave. Daarnaast wordt groen op alle daken aangelegd, maar is de benodigde ruimte voor de liftopbouw en installaties hierop niet in mindering gebracht. Indiener vraagt zich af in hoeverre klimmende planten kunnen worden meegeteld evenals de beplanting onder het powernest en de windturbine. Gemeentelijk standpunt In het Groenbeleidsplan 2017 en in het onlangs (op 18 juni 2024) door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde beleidsregel ‘Beleidsregel groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven’ is aangegeven dat de groenopgave niet per se binnen het plangebied ingevuld moet worden. De voorkeur is wel om binnen het
plangebied aan de groenopgave te voldoen. In dit plan wordt naast groen op eigen terrein ook groen gerealiseerd in de openbare ruimte. Hiervoor is gekozen omdat dit voor een kwalitatieve impuls voor de openbare ruimte zorgt. Het bestaande groen (waaronder begrepen bestaande bomen en hun kroondekking) wordt niet meegerekend met de groenopgave. In bijlage 1 bij de toelichting van het bestemmingsplan is het onderzoek naar groen opgenomen. Op het groenplan (blz. 55 van voornoemde bijlage) is te zien hoeveel nieuw groen toegevoegd kan worden op maaiveld, daken en gevels. Hierin is ook te zien dat de daken en gevels niet voor 100% van de oppervlaktes vergroend worden. Dit geeft aan dat er rekening is gehouden met andere functies zoals installaties. In dit overzicht is tevens te zien dat er rekening is gehouden met de beperkingen van gevelbeplanting, ze bedekken niet de gehele gevels. Voornoemde beleidsregel uit 2024 is een uitwerking van de eerdere regels en introduceert weegfactoren voor aan te leggen groen. Deze beleidsregel geeft verder aan dat bij een vergunningaanvraag een groenplan ter goedkeuring moet worden ingediend dat aan de inhoud van deze beleidsregels wordt getoetst. Uit het rapport, bijlage 1 bij de toelichting is dit punt voor het bestemmingsplan voldoende onderzocht. De beleidsregels borgen dat er voldoende groen zal worden aangelegd.
Naar aanleiding van de nieuwe beleidsregel uit 2024 zullen we wel de voorwaardelijke verplichting over ‘groen’(artikel 11) en ‘waterberging’ (artikel 10) ambtshalve aanpassen (zie hoofdstuk 3 voor deze aanpassing). m. Definities De definities voor ‘voorwaardelijke verplichting groen’ en ‘samenspraak’ ontbreken in de begrippenlijst. Gemeentelijk standpunt Zoals in paragraaf 6.4 van de toelichting van het bestemmingsplan is aangegeven, worden begrippen (definities) opgenomen in de planregels om te voorkomen dat er discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. Samenspraak wordt niet genoemd in de regels waardoor een definitie hiervan niet aan de orde is. Voor ‘voorwaardelijke verplichting groen’, zijnde de titel van artikel 11, hoeft geen definitie opgenomen te worden. Vanwege de onlangs vastgestelde beleidsregel ‘Beleidsregel groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven’ (zoals aangegeven in het gemeentelijk standpunt onder l), is o.a. artikel 11
gewijzigd en wordt naar deze beleidsregel verwezen, inclusief definitie (zie ook hoofdstuk 3 voor deze aanpassing). Uit deze beleidsregel blijkt voldoende duidelijk wat onder ‘groen’ wordt verstaan. n. Terinzagelegging Indiener heeft gelet op de terinzagelegging in de kerstvakantie kort de tijd gehad om het plan door te nemen en behoudt zich het recht voor om in een later stadium aanvullingen op zijn zienswijze aan te leveren. Gemeentelijk standpunt Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024 ter inzage gelegen. Deze opmerking wordt ter kennisgeving aangenomen. Een aanvulling is overigens niet meer ontvangen. o. M.e.r.-beoordelingsbesluit Indiener geeft aan dat hij voorstander is van een milieueffectrapportage en wil graag weten waarom geen MER wordt opgesteld. Gemeentelijk standpunt Op grond van de m.e.r.-regelgeving (Wet milieubeheer in samenhang met het Besluit m.e.r.) is voor deze ontwikkeling geen sprake van een (directe) verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapport (MER). De met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling is wel aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in de m.e.r.-regelgeving, waarvan de mogelijke milieueffecten zijn beoordeeld in de aanmeldnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling van AROM van november 2023 (hierna: de m.e.r.-beoordeling).