Bijlage 2a - Bp XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31)
Tekst van het document
3.7
Verkeer en parkeren
3.7.1
Verkeer
Volgens de nota 'Eindhoven op Weg' (2013) zijn de Boschdijk en Dr. Berlagelaan aangewezen als gebiedsontsluitingsweg. Omdat deze wegen 'om de hoek' zijn is het projectgebied goed bereikbaar. Aan de wegenstructuur rondom het projectgebied zullen geen veranderingen plaatsvinden door de totstandkoming van dit project. Alle straten en trottoirs blijven gehandhaafd. Uitgaande van 4,5 verkeersbewegingen per woning per dag (ingevolge normering CROW), genereert deze ontwikkeling een verkeersintensiteit van 194 motorvoertuigen per etmaal. In de huidige planologische situatie is er sprake van een maatschappelijke functie. Uitgaande van de voormalige basisschool met 12 leslokalen (0,5 verkeersbewegingen per leslokaal als gevolg van personeel) en circa 144 - 169 verkeersbewegingen per etmaal ('s ochtends en 's middags) als gevolg van het brengen en ophalen van kinderen is er sprake van een kleine toename van het aantal verkeersbewegingen. Gezien deze omstandigheden worden geen mobiliteitsproblemen verwacht binnen de huidige infrastructuur. 3.7.2
Parkeren
De ruimte in de stad is beperkt en kostbaar. De gemeente moet dan ook de schaarse ruimte efficiënt gebruiken. Daarom worden bij een plan eisen aan het aantal te realiseren parkeerplaatsen gesteld. Bij besluit van 17 mei 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders de Nota Parkeernormen 2016 vastgesteld. Hierin zijn normen vastgelegd voor parkeren. Deze nota is inmiddels geactualiseerd door de Actualisatie Nota Parkeernormen. 30
vastgesteld XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31) Gemeente Eindhoven
De Actualisatie Nota Parkeernormen is vanaf 4 oktober 2019 van kracht en past in de ontwikkeling naar een groenere, bereikbare en duurzame stad. We hebben te maken met een grote verdichtingsopgave in Eindhoven en tegelijk moeten we het centrum van Eindhoven goed bereikbaar houden. Er is straks minder plaats voor autoverkeer en parkeren in en om het autoluwe centrum. Daarom streven we nu naar het aanleggen van zo min mogelijk nieuwe parkeerplaatsen en we zetten zoveel mogelijk in op duurzame alternatieve vervoerswijzen: lopen, fietsen en openbaar vervoer. In de nota is dat uitgewerkt in de zogenaamde verplichte "HOV-reductie" (minder parkeerplaatsen bij stations en Hoogwaardig openbaar vervoer-haltes) en het stimuleren van gebruik van deelauto's voor bewoners. Als tweede aanpassing willen we de bestaande (privé) parkeercapaciteit beter en efficiënter gaan benutten ten opzichte van realisatie van parkeerplaatsen op eigen terrein. De derde belangrijke aanpassing is dat ontwikkelaars een bijdrage in het mobiliteitsfonds moeten storten, bij gebruik van reeds aanwezige openbare parkeerplaatsen. Met dat geld willen we onder andere de opbouw van een stadsbreed deelmobiliteit netwerk op weg helpen. In de Actualisatie Nota Parkeernormen hebben we eveneens de fietsparkeernormen geactualiseerd en gaan daar uitgebreider op toetsen en handhaven. 3.7.3
Beoordeling plan
Parkeeradvies Het Parkeeradvies gaat uit van 2 ontwikkelingen: 1. De voormalige jongensschool aan de Barrierweg. Hier komen 7 appartementen. 2. De voormalige Paletschool aan de Alard du Hamelstraat. Hier komen 43 appartementen. Tussen deze locaties ligt de Pastoor van Arskerk met een parkeerterrein aan de achterzijde. De Pastoor van Arskerk is niet meer in gebruik als kerk. De ruimtes worden verhuurd in het kader van een maatschappelijke functie. Dit parkeerterrein is eigendom van Woonbedrijf (tevens de ontwikkelaar van beide appartementencomplexen). Op dit parkeerterrein worden 15 parkeerplaatsen gebruikt door bewoners van de appartementen. Van deze 15 parkeerplaatsen zijn er 8 parkeerplaatsen specifiek aangewezen voor bewoners van de appartementen. En er zijn 7 parkeerplaatsen die benut worden voor zowel de maatschappelijke functie als voor de nieuwe appartementen (dubbel gebruik).van zowel de locatie Barrierweg als locatie Alard du Hamelstraat.
vastgesteld XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31) Gemeente Eindhoven
31
Afbeelding: de nieuwe appartementen, het achterterrein en de parkeerplaatsen aan de Pastoor van Arskerk en de ligging ten opzichte van de Barrierweg. (Bijlage 9) Auto De parkeerbehoefte van de twee ontwikkelingen samen is 45 parkeerplaatsen. Het project aan de Alard du Hamelstraat voorziet in de realisatie van 41 kleine niet-grondgebonden woningen en twee middelgrote niet-grondgebonden woningen in het 'restgebied'. Dit resulteert in een parkeerbehoefte van 45 parkeerplaatsen (44,1). In bijlage 1 (pagina 34) zijn de uitkomsten van de gemeentelijke rekentool weergegeven. Vanwege de uitwisseling met een project aan de Barrierweg 180 zijn die beoogde woningen ook meegenomen in de 'rekentool'. De parkeeropgave voor beide ontwikkelingen samen worden op eigen terrein als volgt opgelost: Parkeeroplossing
Aantal parkeerplaatsen
2 deelauto's
8 parkeerplaatsen
Achterterrein
21 parkeerplaatsen
Priveterrein Pastoor van Arskerk
15 parkeerplaatsen
Eigen terrein totaal
44 parkeerplaatsen
Dit betekent dat er 44 parkeerplaatsen op eigen terrein komen voor een parkeerbehoefte van 45 parkeerplaatsen. Overigens zijn voor dit bestemmingsplan (locatie Alard du Hamelstraat) solitair bezien 38 parkeerplaatsen voor 43 woningen benodigd. Omdat er conform gemeentelijk beleid naast een parkeervraag voor dit bouwplan ook een vraag is naar meer groen en een hemelwaterberging is met een parkeerdrukmeting bekeken of er in de directe nabijheid in het openbaar gebied rondom het plangebied eventueel ruimte is om een gedeelte van de parkeeropgave op te vangen. Uit de parkeerdrukmeting is gebleken dat er een restcapaciteit is van 43 parkeerplaatsen op het drukste moment. Het is dus mogelijk de parkeerbehoefte voor een gedeelte in de openbare ruimte te voorzien. De rapportage van de parkeerdrukmeting is als bijlage opgenomen bij deze toelichting.
32
vastgesteld XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31) Gemeente Eindhoven
Fiets Ten behoeve van de fietsparkeerbehoefte zijn 113 fietsparkeerplaatsen benodigd conform de gemeentelijke rekentool. Vanwege de uitwisseling met het project aan de Barrierweg 180 zijn die beoogde woningen ook meegenomen in de 'rekentool'. Solitair bezien zijn er 88 fietsparkeerplaatsen benodigd voor 43 woningen. Er wordt een nieuwe fietsberging gerealiseerd naast de bestaande en reeds genoemde aanbouw. Deze nieuwe fietsenberging zal een stallingscapaciteit bevatten voor 48 fietsen (42+6). Daarnaast worden overkapte fietsenrekken geplaatst op het binnenterrein met een capaciteit voor 34 fietsen. De overige fietsparkeerplaatsen worden nabij de nieuwe entree van het gebouw gerealiseerd. Al met al worden er 115 fietsparkeerplaatsen aangelegd, waarvan 94 fietsparkeerplaatsen binnen het plangebied, en de overige parkeerplaatsen in het projectgebied van Barrierweg 180. Hiermee wordt voldaan aan de totale parkeervraag voor fietsen. Bij het indienen van de omgevingsvergunning en bij de realisatie van de fietsenstallingen wordt rekening gehouden met het beleidskader 'Kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen'. Conclusie Met de realisatie van 21 parkeerplaatsen voor auto's en 115 parkeerplaatsen voor fietsen wordt voldaan aan de Actualisatie Nota Parkeernormen 2019.
3.8
Groen
3.8.1
Groenbeleidsplan 2017
Begin 2017 is een actualisatie van het Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is, welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. De doelen van het Groenbeleidsplan 2017 zijn: richting geven aan ontwikkelingen en ambities formuleren; faciliteren van de ontwikkeling van Eindhoven als gezonde, klimaatadaptieve en groene stad om zo de vitaliteit en het welzijn van haar bewoners naar een hoger plan te kunnen brengen; aanknopingspunten bieden voor beheer en inrichting; groen en groenontwikkelingsmogelijkheden voor Eindhoven duurzaam veiligstellen waar het moet en flexibiliteit bieden waar het kan; partners in de stad inspireren en stimuleren: inwoners, bedrijfsleven, kennis- en onderwijsinstellingen en overheid. Het Groenbeleidsplan 2017 blijft na vaststelling van kracht tot de gemeenteraad anders beslist; het streven is een geldigheid van 10 jaar of langer. Het plan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd.
In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen. Onderhavig plangebied is geheel gelegen binnen de strategie 'Stad, rood beeldbepalend'. vastgesteld XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31) Gemeente Eindhoven
33
Strategie: Stad, rood beeldbepalend In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud van de bestaande structuur, kwaliteit, identiteit en functionaliteit. Uiteindelijk moet het groen in deze meer stenige gebieden omspoeld zijn door grotere groenstructuren die deel uitmaken van de groene dooradering die op de groene wiggen aansluit. Binnen de aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal. Dit plangebied is niet aangeduid als groenarme buurt.
Uitsnede ruimtelijke strategieën Groenbeleidsplan 2017 Beleidsregel groencompensatie Op 13 maart 2018 is de 'Regeling Groencompensatiefonds' vastgesteld. Bij deze regeling hoort de 'Beleidsregel Groencompensatie'. Deze beleidsregel is bedoeld als afwegingskader bij aanvragen voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van groen. Bij aantasting en verlies van groen is compensatie vereist, de Beleidsregel geeft hiervoor de richtlijnen. Groenplan Onderdeel van de Beleidsregel groencompensatie is het 'Groenplan' dat voor iedere ontwikkeling dient te worden opgesteld. Voor onderhavig plan zijn er een aantal onderzoeken gedaan om de haalbaarheid van het geheel te toetsen. Dit valt uiteen in een toets op de klimaatadaptatie d.m.v. waterberging, een mitigatieplan en een groenplan (bijlage 1 bij deze toelichting).
34
vastgesteld XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31) Gemeente Eindhoven
Uitsnede groenplan Het aandeel groen op het binnenterrein zal fors worden verhoogd. Zo worden de bomen omgeven door meer groen en wordt een dolend wandelpad door deze bomenpartij aangelegd. Dit groen - met een oppervlakte van 890 m² - is ter waarborging in de bestemming 'Groen' ondergebracht in dit bestemmingsplan. In de hoek van het binnenterrein wordt een verblijfsplek (zonnig deel) ingericht met bankjes e.d. Een gedeelte van het hoofdgebouw en de fietsenstalling wordt als groen dak uitgevoerd (circa 513 m²). Op enkele plaatsen, zoals in de voortuin, zullen 13 nieuwe bomen worden geplant. Ten slotte worden hagen rondom het parkeerterrein en bij de toegangspaden toegevoegd. In totaliteit wordt er circa 918 m² toegevoegd ten opzichte van de huidige situatie, waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de minimale eis van 4 m² per nieuwe woning (172 m²). 3.8.2
Beleid Bomen
Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2021. Deze is op 6 april 2021 door de gemeenteraad vastgesteld en de verordening met bijbehorende regels is op 23 april 2021 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels voor compensatie is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming is van toepassing op: - bossen die buiten de 'bebouwde kom Wnb' liggen; - alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are; - bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Voor bomen geldt dus of de Wet natuurbescherming of de Verordening Bomen 2021. Voor het vellen van bomen dient, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing. Verordening Bomen 2021 vastgesteld XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31) Gemeente Eindhoven
35
In de Verordening Bomen 2021 is de bescherming van bomen geregeld, doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij kan ook nog worden gezorgd voor herplant van de te kappen bomen (compensatieplicht). De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen. Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen nodig als: bomen vanaf 45 cm stamomtrek op gemeentegrond of op particuliere percelen groter dan 250 m2; een houtopstand die voor de eerste keer wordt teruggesnoeid tot op de hoofdtakken of stam; een houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht op grond van artikel 6 of een overeenkomst met het college. voor het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte houtopstand of delen ervan met een plantenziekte is een omgevingsvergunning vereist, voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden is wel een vergunning nodig.
Groene kaart Er is een groene kaart waarop ter informatie het volgende is aangegeven: Groenstructuur van de gemeente Eindhoven (groene wiggen, groene dooradering en hoofgroenstructuur); Groenarme gebieden; Centrumgebied; Bebouwde komgrens Wet natuurbescherming; (Particuliere) percelen groter dan 250 m2. De informatie op de groene kaart is nodig om: Te duiden waar de waardevolle bomen staan; Te duiden waar de monumentale bomen staan; Inzicht te geven in de Bebouwde komgrens wet natuurbescherming; Inzicht te geven in de gebieden waar een compensatiefactor geldt in het geval financiële compensatie aan de orde is, het centrumgebied en de groenarme gebieden. Om de kaart actueel te houden wordt de informatie over de bomen op de kaart en de kadastrale situatie op de kaart, zeer frequent bijgewerkt. Zo blijft de kaart up-to-date en betrouwbaar voor zowel interne als externe gebruikers. Compensatieplicht bomen Door het kappen van bomen gaat groen verloren. Het weggevallen groen moet in beginsel worden gecompenseerd. Aan een omgevingsvergunning voor het kappen van een houtopstand (bomen) kunnen voorschriften worden verbonden. Onder andere kan een compensatieplicht worden opgelegd. In de Nadere regels Verordening bomen 2021 is bepaald wanneer een compensatieplicht ontstaat en hoe die wordt bepaald.
Nadere regels voor compensatie De Verordening is uitgewerkt in nadere regels voor compensatie. Deze zijn op 21 april 2021 vastgesteld door het college en op 23 april 2021 in werking getreden. Het college mag op basis van de Verordening bomen 2021 compensatie opleggen zoals uitgewerkt in de 'Nadere Regels voor compensatie'. 3.8.3
Bomen Effect Analyse
Binnen en rondom het plangebied zijn bomen gesitueerd. Ten behoeve van de realisatie zijn werkzaamheden noodzakelijk binnen de kwetsbare boomzone. Door Renders is middels een BEA onderzocht wat de effecten van de plannen zijn op de duurzame instandhouding van de bomen in openbaar gebied (gemeentelijke bomen). Deze rapportage is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de conclusies en aanbevelingen uit deze rapportage. 36
vastgesteld XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31) Gemeente Eindhoven
Conclusies De nieuwbouw zal geen invloed hebben op de conditie van de bomen op het binnenterrein. Om met zekerheid te kunnen vaststellen dat de kroonverankering in de zilverlinde (004) volstaat is nader onderzoek noodzakelijk. Tijdens de bouw zal onder de kroonprojectie van de bomen op het binnenterrein niet gereden mogen worden, dit ter voorkoming van verdichting van de bodem. Omdat de (bouw)inrit vanaf Alard du Hamelstraat kort langs de eik (001) zal komen, zal men maatregelen moeten treffen ter voorkoming van verdichting van de bodem en schade aan kroon & stam. Bij het aanleggen van de nieuwe verharding op het binnenterrein (voornamelijk t.b.v. rijbaan en parkeerplaatsen), zal men maatregelen moeten treffen ter voorkoming van verdichting van de bodem. De Esdoorn (009) op het terrein van Pastoor van Arskerk verkeert in slechte conditie en vertoont afstervingsverschijnselen. De levensverwachting is daarom vastgesteld op < 5 jaar. Aanbevelingen Gezien de beperkte levensverwachting van de twee bolaccacia's (011 & 012) aan de Alard du Hamelstraat wordt geadviseerd om beide bomen ten behoeve van het nieuw aanleg parkeerterrein aan de voorzijde te kappen Eveneens adviseren we de Servische spar (013) aan de Alard du Hamelstraat te kappen, de stam heeft een grote scheefgroei wat op de locatie in de toekomst niet gewenst is.
De eik (001) aan de Alard du Hamelstraat heeft nog niet de status waardevolle particuliere boom, ons advies is om deze boom wel in het systeem van gemeente Eindhoven op te nemen. Aanbevolen wordt om een vast bouwhek te plaatsen om de overige bomen te beschermen tijdens de bouwwerken. De boomzijde van het bouwhek wordt aangewezen als boombeschermingsgebied. Hier mogen geen werkzaamheden plaatsvinden en mag geen materieel/materiaal worden gestald. Aanbevolen wordt om ter hoogte van de toekomstige inrit, eveneens de inrit te maken voor het bouwverkeer. Om de aanwezige beperkte beworteling te sparen wordt geadviseerd hier stalen rijplaten toe te passen zodat de groeiplaats van de bomen niet verder verdicht wordt. De locatie van de inrit voor het bouwverkeer is eveneens aangegeven op de tekening in bijlage 2 van de rapportage. Aanbevolen wordt dat er geen graafwerken voor kabels en leidingen onder de kroonprojectie van de bomen zal plaatsvinden, mochten er toch graafwerken noodzakelijk zijn onder de kroonprojectie dan zal dit moeten gebeuren onder begeleiding van een ETW of ETT. Onder de kroonprojectie van de bomen wordt geen gesloten verharding toegepast. Wij adviseren het volgende toe te passen: gras, plantborders of halfverharding.
Omdat men alle jaren het blad wat van de bomen af valt verzamelt en afvoert, adviseren wij u de bovenlaag van het onbeteeld terrein eenmalig te verrijken met stabiel organisch materiaal omdat er vele jaren enkel aan bodemverarming is gedaan. Dit kan door een nieuwe bovenlaag van ca. 5-10cm een schimmeldominanten humuscompost toe te passen.
3.9
Kabels, leidingen en straalpaden
Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels, leidingen of straalpaden aanwezig. Het planvoornemen wordt dan ook niet belemmerd door de aanwezigheid van kabels, leidingen en straalpaden.
vastgesteld XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31) Gemeente Eindhoven
37
3.10
Windhinder en bezonning
3.10.1
Bezonning
Voor het beoordelen van de effecten van beschaduwing gelden er geen algemene eisen in Nederland. Het bevoegd gezag kan in het kader van een bestemmingsplan echter wel eisen opnemen. De Gemeente Eindhoven heeft daarom beleidsregels voor bezonning van woningen opgesteld. Deze beleidsregels stellen dat er ter plekke van woningen tussen 19 februari en 21 oktober (een periode van 8 maanden) minimaal 2 uur zonlicht per dag aanwezig moet kunnen zijn op de gevel, ter hoogte van het midden van de vensterbank van het raam van de woonkamer. Voor hoek- en doorzonwoningen mag bezonning op zij- of achtergevels worden opgeteld. Deze eis komt overeen met de veelgebruikte 'lichte TNO-norm' voor bezonning van woningen. Daarnaast stelt de gemeente eisen aan bezonning van tuinen of balkons. Hier dient tussen 21 maart en 21 september minimaal 2 uur zonlicht per dag in de tuin of op balkon te vallen. De duur van bezonning mag in een nieuwe situatie met niet meer dan 50% afnemen ten opzichte van de bestaande situatie. Bovenstaande eisen gelden alleen voor woonfuncties. Er zijn in Nederland, noch in Eindhoven specifieke eisen gesteld aan beschaduwing van functies zoals kantoren, hotels/short stay of andere gebouwfuncties. Door de architect is een bezonningsstudie uitgevoerd. Deze studie maakt als bijlage 13 onderdeel uit van de toelichting.
Uit de bezonningsstudies blijkt dat de gebouwmassa maar beperkt wordt vergroot en dat ook de effecten qua bezonning op omliggende woningen en tuinen minimaal zijn.
38
vastgesteld XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 4
4.1
Milieuparagraaf
Bedrijven en milieuzonering
Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI-codes) in de richtafstandentabel gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk'; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten.
Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied. Type gebied In dit concrete geval zijn er meerdere niet-woonfuncties aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. Dit zijn met name maatschappelijke functies, zoals de Alard du Hamelstraat 33 (zorgpraktijken), Barrierweg 178 (opvang) en Pastoor van Arsplein 11-13 (jeugdzorg). Daarnaast zijn er enkele detailhandelszaken aanwezig in de omgeving. Om deze redenen is er ter plaatse van het plangebied sprake van 'gemengd gebied'. Hierdoor is in de navolgende toetsing uitgegaan van de vermindering van één afstandsstap m.b.t. de richtafstanden uit de VNG-brochure.
vastgesteld XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31) Gemeente Eindhoven
39
Functies in de omgeving op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Woensel buiten de Ring II 2006' Toepassing plangebied Volgens de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) hebben de voornoemde maatschappelijke functies een maatgevende richtafstand van 10 meter. Na verlaging met één afstandsstap is er sprake van een richtafstand van 0 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Dat geldt ook voor de richtafstanden van andere in de omgeving gelegen niet-woonfuncties. Gelet hierop wordt de beoogde ontwikkeling niet belemmerd door omliggende niet-woningfuncties, en vormen de woningen andersom ook geen belemmering voor deze niet-woonfuncties. Er is aldus sprake van een goede ruimtelijke ordening.
40
vastgesteld XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31) Gemeente Eindhoven
4.2
Geluid
4.2.1
Wettelijk kader
De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximumhoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in realisatie van wooneenheden. Deze zijn geluidsgevoelig in de zin van de Wgh. Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de wegen Boschdijk en Dr. Berlagelaan. Het plan is tevens gelegen aan de 30 km/uur weg Alard du Hamelstraat. Voor industrielawaai, spoorweglawaai en luchtvaarlawaai is het plan niet gelegen binnen een geluidzone (of 35 Ke-geluidszone in het geval van luchtvaart). Om deze reden is uitsluitend een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna wordt ingegaan op de resultaten en conclusies uit het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. 4.2.2
Wegverkeerslawaai
Voor de 30 km/uur weg Alard du Hamelstraat geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe appartementen overschrijdt. Voor de gezoneerde wegen Boschdijk en Dr. Berlagelaan geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe appartementen overschrijdt. Een procedure hogere waarde is daarom niet aan de orde. Aangezien in onderhavige situatie geen sprake is van een procedure hogere waarde, wordt voor de appartementen een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet noodzakelijk geacht. Bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. 4.2.3
Conclusie
Akoestiek vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
vastgesteld XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31) Gemeente Eindhoven
41
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Wettelijk kader
Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m³ (?g/m³), voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m³ en een daggemiddelde van 50 microgram/m³. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 25 microgram/m³. In Eindhoven is de jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 overal lager dan 20 microgram/m³.
In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m² bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en; kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m² bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.
Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. 4.3.2
Besluit gevoelige bestemmingen
Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige 42
vastgesteld XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31) Gemeente Eindhoven
bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien. In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties. 4.3.3
Goede ruimtelijke ordening
Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. 4.3.4
Planbeschrijving en toetsing
Het planvoornemen ziet op de realisatie van maximaal 43 woningen in een voormalige school. Op basis hiervan kan worden gesteld, voor zover daarvan al sprake is, dat deze ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Het project mag dan ook zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Aangezien woningen in de zin het Besluit gevoelige bestemmingen niet als een gevoelige bestemming worden gezien, hoeft niet aan dit besluit getoetst te worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de monitoringstool volgt dat ter hoogte van de Doctor Berlagelaan zowel in de huidige situatie als voor 2030 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 onder de grenswaarden van 35 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar.
De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 wordt eveneens niet overschreden. Uit de monitoringstool blijkt dat de optredende concentraties NO2 en PM10 ter plaatse van het plangebied ruim onder de in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) gestelde grenswaarden liggen. Gesteld kan worden dat ter plaatse van het plangebied vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan ten aanzien van vastgesteld XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31) Gemeente Eindhoven
43
luchtkwaliteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 4.3.5
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.
4.4
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. Tot slot wordt het groepsrisico verantwoord. 4.4.1
Wettelijk kader
Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. 4.4.2
Toepassing plangebied
Aan de hand van de Risicokaart is bekeken of binnen of in de nabijheid van het plangebied risicobronnen aanwezig zijn. Hieruit blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen of buisleidingen in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Dit geldt ook voor gevaarlijk transport over weg of spoor. Het plangebied ligt niet binnen het plasbrandaandachtsgebied en de plaatsgebonden risicocontour. In de gemeentelijke 'Visie externe veiligheid Eindhoven - Risico's de maat genomen' wordt voor deze wegen gehanteerd dat er bij meer dan 50 woningen en/of functies bestemd voor een specifieke hulpbehoevende doelgroep binnen 200 meter maatwerk geleverd moet worden ten aanzien van de toepassing van de verantwoordingsplicht. Hiervan is geen sprake. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
44
vastgesteld XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31) Gemeente Eindhoven
4.5
Duurzaamheid
De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. 4.5.1
CO2 reductie
Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. De gemeenteraad heeft in het Klimaatplan 2021-2025 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt. 1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten.
Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2021-2025 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is. 1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.
1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. 1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk vastgesteld XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31) Gemeente Eindhoven
45
dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven. 4.5.2
Circulaire economie
Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken. 2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen. 2B) geen afval In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval. 2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw. 2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit.
In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier. 4.5.3
Natuur
Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding? 3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan. 3B) oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.
46
vastgesteld XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31) Gemeente Eindhoven
4.5.4
Sociale basisbehoeften
The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt). 4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.
4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte 4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen. 4.5.5
Specifiek Eindhovens
Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan. 4.5.6
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen
MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin. 4.5.7
Toepassing plangebied
Woonbedrijf heeft een duurzaamheidsambitie voor haar vastgoedprojecten. Woningen worden aardgasvrij gebouwd. Voorts worden maatregelen genomen om de CO2-uitstoot te verminderen en gebouwen te realiseren welke voorbereid worden om op termijn CO2-neutraal te worden gemaakt. Uitgangpunten hierbij zijn: een lage energievraag, een laag primair energieverbruik en gebruik van hernieuwbare energie. Ook op het gebied van circulair materiaalgebruik en biodiversiteit worden maatregelen genomen. De precieze invulling hiervan vindt plaats bij de verdere uitwerking van het project. vastgesteld XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31) Gemeente Eindhoven
47
De realisatie van 43 woningen vindt plaats in een bestaand gebouw dat aan de achterzijde wordt uitgebreid (gedeeltelijke nieuwbouw). Het gebruiken van bestaande bebouwing voor een nieuw doeleinde is per definitie een duurzame oplossing. Aanvullend worden groene daken gerealiseerd en wordt het areaal groen binnen het plangebied fors uitgebreid. Ook zijn deelauto's voorzien. Al met al wordt met dit planvoornemen een bijdrage gedaan aan het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Eindhoven.
4.6
Bodem
4.6.1
Algemeen
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw bestemmingsplan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. In dit kader is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste resultaten en conclusies. Het plangebied ligt niet in een gebied dat verdacht op het voorkomen van niet gesprongen explosieven. 4.6.2
Verkennend bodemonderzoek
Uit de resultaten van het verkennend onderzoek (Tritium Advies, documentkenmerk 2101/219/CB-01, d.d. 1 maart 2022) blijkt het volgende. Grond Zintuiglijk zijn plaatselijk in de bovengrond op de locatie bijmengingen waargenomen met slakken en kolengruis. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond bij boring 01 een sterke verontreiniging is aangetoond met zink en cadmium. Op het overige terreindeel zijn in de bovengrond maximaal lichte verontreinigingen aangetoond met zink, cadmium, PAK, PCB en minerale olie. De ondergrond en het grondwater blijken niet verontreinigd te zijn. De aangetoonde verontreinigingen zijn in tegenspraak met de hypothese dat de onderzoekslocatie niet-verdacht is. De omvang van de sterke grondverontreiniging met zink en cadmium in de bovengrond is op basis van het verkennend onderzoek niet bekend. Derhalve is aanvullend een nader bodemonderzoek uitgevoerd. De gemeten gehaltes aan PFAS voldoen aan de klasse landbouw/natuur. Van de overige aangetoonde verontreinigingen in de grond en het grondwater zijn de aangetoonde gehaltes dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Asbest Bij het nader onderzoek zijn plaatselijk sterke tot uiterste bijmengingen met puin in de bovengrond waargenomen, derhalve is ter plaatse tevens een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd.
Zowel zintuiglijk als analytisch is geen asbest aangetoond. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de puinhoudende grond niet verontreinigd is met asbest. Nader onderzoek Bij het nader onderzoek zijn in de bovengrond sterke verontreinigingen aangetoond met zink en cadmium. Geconcludeerd wordt dat de aard en omvang van de sterke verontreiniging met zink en cadmium voldoende is vastgesteld. De omvang van de sterke verontreiniging wordt geraamd op circa 36 m3. Gezien de mate en omvang van de sterke verontreiniging met zink en cadmium kan worden afgeleid dat er sprake is van een geval van ernstige 48
vastgesteld XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31) Gemeente Eindhoven
bodemverontreiniging. Resumé Geadviseerd wordt het geval van ernstige bodemverontreiniging met zink en cadmium voorafgaand aan de herontwikkeling te saneren. Hiervoor dient een BUS-melding te worden opgesteld. De overige onderzoeksresultaten leveren geen beperking op ten aanzien van het voorgenomen gebruik van de locatie en vormen naar mening van Tritium Advies geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie en de voorgenomen bestemmingswijziging. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen. Een indicatie van de hergebruiksmogelijkheden is weergegeven in hoofdstuk 5 van het rapport.
4.7
Natuur
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2021 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen. 4.7.1
Gebiedsbescherming
Het projectgebied is niet gelegen binnen of in de nabijheid van beschermde natuur. Dichtstbijzijnde beschermde natuur is Landgoed De Grote Beek dat onderdeel uitmaakt van het Nationaal Natuurnetwerk en op 550 meter van het projectgebied gelegen is. Dichtstbijzijnd Natura 2000-gebied is gelegen op ruim 7 kilometer afstand ten zuidoosten van het project. Dit betreft het Natura 2000-gebied 'Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux'. 4.7.2
Stikstofdepositie
Voor het bestemmingsplan Alard du Hamelstraat zijn AERIUSberekeningen (met AERIUS versie 2022) uitgevoerd, waarbij ook de effecten van de bouwfase inzichtelijk zijn gemaakt. Uit de AERIUSberekeningen blijkt dat de bouwfase en sloopfase leiden tot een depositie lager of gelijk aan 0,00 mol/ha/jr. Dit houdt in dat significant negatieve effecten op de instandhouding van Natura 2000-gebieden door de depositie van stikstof zijn uit te sluiten. Dit betekent dat er geen strijd bestaat met de Wet natuurbescherming en het Europese natuurbeschermingsrecht en het bestemmingsplan uitvoerbaar is. De uitleg over de stikstof berekening staat in bijlage 10 van toelichting en de Aeriusberekening voor de gebruiksfase en de aanlegfase staan in bijlage 11 en bijlage 12. 4.7.3
Soortenbescherming
Om te bepalen of de geplande activiteiten binnen het projectgebied mogelijk een negatief effect hebben op beschermde plant- en/of diersoorten en leefgebieden, is een quickscan floraen fauna uitgevoerd. De resultaten van deze inspectie zijn gerapporteerd en opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Hierna wordt op de belangrijkste bevindingen van het onderzoek ingegaan. Op basis van de quickscan is vastgesteld dat binnen beide gebouwen geschikte verblijfplaatsen voor beschermde soorten aanwezig zijn. Bij uitvoering van de werkzaamheden, zowel herontwikkeling als sloop, is mogelijk sprake van overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb. Er dient nader onderzoek te worden uitgevoerd, op basis van de resultaten hiervan vastgesteld XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31) Gemeente Eindhoven
49
kan bepaald worden of en zo ja, welke mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden en of mogelijk een ontheffing in het kader van de Wnb moet worden aangevraagd. Soortgericht vervolgonderzoek is noodzakelijk voor de volgende soorten: Vleermuizen conform vleermuisprotocol (zowel gebouw- als boom bewonend): drie veldbezoeken (een in de ochtend en een in de avond) in de periode half mei tot half juli en daarnaast twee veldbezoeken (beide in de avond) in de periode half augustus tot half oktober. Steenmarter: De zolders dienen geïnspecteerd te worden op sporen van Steenmarter. Aanwezigheid van uitwerpselen en prooiresten indiceren een verblijfplaats van steenmarter. Huismus conform kennisdocument huismus: twee veldbezoeken in de periode april tot half mei. Gierzwaluw conform kennisdocument gierzwaluw: drie veldbezoeken in de periode 1 juni tot en met 15 juli, met twee inventarisatiemomenten in juni en minimaal één in juli. Op basis van het oriënterend onderzoek is in 2017 en 2018 soortgericht onderzoek uitgevoerd naar de mogelijk aanwezige soortgroepen; zoogdieren (gewone- en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en steenmarter) en broedvogels met jaarrond beschermde neststatus (huismus en gierzwaluw). De rapportage hiervan is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
Uit het soortgericht onderzoek is gebleken dat het plangebied een functie heeft voor de gewone dwergvleermuis. Het gebouw functioneert als paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis. Werkzaamheden gericht tot het dak en de gevel leiden tot negatieve effecten. Daarnaast heeft het plangebied een functie als foerageergebied van circa 15 gewone dwergvleermuizen en als preferent onderdeel leefgebied van de gewone grootoorvleermuis. Van de andere onderzochte soorten zijn geen functies vastgesteld waardoor aanwezigheid uitgesloten is. Er dient echter wel rekening te worden gehouden met broedvogels. De gebouwen en het groen binnen het plangebied functioneren mogelijk als nestplaats. Werkzaamheden gericht tot het dak, de het gevel en groen binnen het plangebied leiden mogelijk tot negatieve effecten. De negatieve effecten van de werkzaamheden zijn als volgt: Gedurende broedperiode (half maart t/m half juli): Verstoring en doden van individuen en verstoring van nestlocaties. Verlies van nestplaatsen. Op grond van de hiervoor beschreven effecten, vindt mogelijk overtreding plaats, art. 3.1 lid 1 en lid 2 en art. 3.5 lid 1 en lid 2 van de Wnb. Het gaat daarbij om het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis en het beschadigen of vernielen van voorplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis.
Om deze reden is ontheffing van de Wnb aangevraagd bij de provincie Noord-Brabant. Om de voorgenomen ingreep uit te kunnen voeren binnen de kaders van de Wnb zijn maatregelen noodzakelijk om een negatief effect op individuele dieren, verblijfplaatsen en leefgebied zo goed als mogelijk te voorkomen. Zo zijn er bijvoorbeeld al vleermuiskasten opgehangen rond het plangebied en worden er in de definitieve situatie ook nog (8) vleermuiskasten opgehangen. Dit is uitgewerkt in een mitigatieplan. Op basis van dit mitigatieplan heeft de provincie Noord-Brabant op 30 juni 2021 besloten ontheffing te verlenen. De ontheffing is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
50
vastgesteld XI Woensel buiten de Ring II 2006 (Alard du Hamelstraat 31) Gemeente Eindhoven
4.7.4
Algemene zorgplicht
Artikel 1.11 Wnb voorziet in de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nagelaten moeten worden of dat maatregelen genomen moeten worden om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Die plicht is niet alleen van belang voor soorten maar ook voor gebieden. De zorgplicht fungeert als vangnet ten opzichte van de bij en krachtens de Wnb gestelde voorschriften. Bestuursrechtelijke handhaving van de zorgplicht is mogelijk in kennelijke gevallen van onzorgvuldig handelen en in situaties waarin er geen concreet voorschrift ter bescherming van de desbetreffende natuurwaarde van toepassing is. 4.7.5
Conclusie
Wat betreft gebiedsbescherming heeft het bouwplan geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Wat betreft soortenbescherming is na een quickscan flora & fauna gebleken dat er nader onderzoek benodigd is. Uit dit nader onderzoek is gebleken dat ontheffing benodigd is voor de gewone dwergvleermuis. Hiertoe is een mitigatieplan opgesteld. Dit mitigatieplan maakt onderdeel uit van de ontheffing, waardoor de verplichting is ontstaan dit mitigatieplan uit te voeren. Deze ontheffing is door de provincie Noord-Brabant verleend. Gelet hierop is het bestemmingsplan uitvoerbaar.