CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2a - Bp IV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibbetslaan)

Raadsvergadering 28 november 2023, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel gewijzigde vaststelling bestemmingsplan IV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibbetslaan)26.719 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

In dit bestemmingsplan worden geen maatschappelijke voorzieningen mogelijk gemaakt.

3.10

Sport en recreatie

De groene omgeving wordt openbaar groen waar de bewoners en omwonenden kunnen recreëren op de wandelpaden. Er worden geen sportmeubilair of speeltoestellen gerealiseerd.

72 etslaan)

vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibb

Gemeente Eindhoven

3.11

Detailhandel

In dit bestemmingsplan wordt geen detailhandel mogelijk gemaakt.

3.12

Horeca

In dit bestemmingsplan wordt geen horeca mogelijk gemaakt.

3.13

Bedrijvigheid

In dit bestemmingsplan wordt geen bedrijvigheid mogelijk gemaakt. Alleen aan-huis-verbonden-beroep wordt toegestaan, zie artikel 5.4.1.

3.14

Kantoren

In dit bestemmingsplan worden geen kantoren mogelijk gemaakt.

3.15

Prostitutie

In dit bestemmingsplan wordt geen prostitutie mogelijk gemaakt.

3.16

Kabels, leidingen en straalpaden

Er lopen geen noemenswaardige kabels en leidinigen onder het plangebied of straalpaden boven het plangebied.

3.17

Windhinder, privaatrechtelijke belemmering en bezonning

3.17.1

Windhinder

In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Op basis van artikel 3.1. Wro dient in het kader van de zorg voor een goede ruimtelijke ordening echter bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect windhinder of windgevaar te worden meegenomen in de afwegingen, indien aard of omvang van de bebouwing en van de omgeving hiertoe aanleiding geeft.

In 2006 is de privaatrechtelijke norm NEN 8100 'Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving' uitgekomen. Deze norm geeft richtlijnen (methodes) voor het uitvoeren van windtunnel- en CFD onderzoek. Het doel van het onderzoek is om een indicatie te krijgen van het te verwachten windklimaat. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in windhinder en windgevaar. Bij overschrijding van een bepaalde windsnelheid en afhankelijk van de activiteit (doorlopen, slenteren of langdurige zitten) wordt inzichtelijk gemaakt of sprake is van goed, matig of slecht windklimaat. Van windgevaar is sprake indien zodanig hoge windsnelheden ontstaan dat mensen daarvan ernstige problemen ondervinden tijden het lopen. Voor het beoordelen ervan worden de gradaties gevaarlijk, beperkt risico en geen gevaar/voldoet gebruikt.

Op 26 mei 2020 heeft de gemeente Eindhoven de beleidsregel gemeentelijke normen windhinder vastgesteld. De gemeente Eindhoven kiest nadrukkelijk voor het toevoegen van hoge gebouwen binnen de stad maar stelt ook eisen aan windhinder en windgevaar. vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibbetslaan) 73 Gemeente Eindhoven

Windhinder en windgevaar moeten conform NEN 8100:2006 in beeld worden gebracht. Voor de openbare ruimte moet als ondergrens een 'goed' (zoals gekwalificeerd in NEN 8100:2006) windklimaat worden nagestreefd. Voor 'langdurig zitten' wordt altijd een kwalificatie 'goed' verlangd. Deze kwalificatie geldt ook voor 'slenteren' wanneer een hoofdentree van een gebouw ineen dergelijk gebied is gelegen.

Als een bestemmingsplan bebouwing met een bouwhoogte van 30 meter of hoger mogelijk maakt, moet onderzoek plaatsvinden naar de windhinder. Als lager dan 30 meter gebouwd mag worden, moet er een afweging plaatsvinden of de bebouwing kan leiden tot windhinder. Een specialist moet beoordelen of windonderzoek nodig is voor beschut gelegen gebouwen met een hoogte tussen 15 en 30 meter en voor onbeschut gelegen gebouwen tot een hoogte van 30 meter.

Toetsing De maximale bouwhoogte is 27,3 meter. De firma Peutz heeft op basis van de plankaart de volgende beoordeling gegeven: Het grootste woongebouw, blok C, ligt voor de belangrijkste windrichtingen volgens de norm onbeschut. Door deze vrij open aanstroming en de interactie tussen de verschillende gebouwen zal het windklimaat goed tot matig zijn. 3.17.2

Privaatrechtelijke belemmeringen

Uit jurisprudentie blijkt dat eigendomsverhoudingen uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet van doorslaggevende betekenis zijn. Hieraan kan slechts betekenis toekomen, indien privaatrechtelijke verhoudingen van een dusdanig evident belemmerende aard zijn dat in verband daarmee de realisering van het bestemmingsplan binnen de planperiode niet aannemelijk is.

Toetsing Er is geen sprake van privaatrechtelijke belemmering in dit plangebied. 3.17.3

Bezonning

Opgave Op basis van het nieuwbouwplan voor de Generaal Nijnattenstraat te Eindhoven is een bezonningsstudie uitgevoerd. De vraagstelling is of dit nieuwbouwplan hinder kan veroorzaken voor de omliggende bebouwing. Het nieuwbouwplan bestaat uit drie bouwvolumes van 7, 8 en 9 bouwlagen.

Onderzoek Om inzicht te geven in de toekomstige bezonningssituatie is de situatie op de maatgevende dagen van de 4 seizoenen in de bestaande situatie en de toekomstige situatie vergeleken. Dit zijn de volgende dagen: 21 december: de dag dat de zon het laagst staat; 21 juni: de dag dat de zon het hoogst staat; 21 maart: de dag dat de zon op 'half' staat, namelijk precies tussen de stand van 22 december en 21 juni in (wintertijd); 23 september: de dag dat de zon op 'half' staat, namelijk precies tussen de stand van 21 74 etslaan)

vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibb

Gemeente Eindhoven

juni en 22 december in (zomertijd); In juni is 20:00 uur ook opgenomen vanwege de lange zonuren in deze periode. In december is 9:00 vervangen door 10:00. Ook valt 18:00 hier af, omdat de zon dan al onder is.

Tabel 3.5

Normstelling (TNO) De optredende effecten op de bezonning in het plangebied kunnen worden getoetst aan de TNO-normen voor bezonning. Er gelden 2 normen: De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari - 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari - 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen; noordgevels ontvangen immers - hoogbouw of niet - nooit direct zonlicht. Met behulp van deze quickscan bezonningsstudie kan een indruk worden verkregen of en in hoeverre voor de woningen in de omgeving een ongunstige situatie dreigt te ontstaan ten gevolge van de nieuwe ontwikkelingen.

Het plan moet voldoen aan de 'lichte' TNO norm en aan de beleidsregels voor bezonning woningen.

Toetsing De bezonningsstudie is toegevoegd in bijlage 12. Alle buitenruimtes ontvangen minimaal 2u bezonning 2e laag (1e woonlaag): 21 maart 1. Bestaande situatie 13:00 . 18:00 2. Nieuwe situatie moet min 50% halen van bestaande situatie: 2u 30min (oftewel van 13:00-15:30) 3. Nieuwe situatie controle: 13:00 . 15:30, voldoet 2e laag (1e woonlaag): 21 september 1. Bestaande situatie 12:45 . 17:40 2. Nieuwe situatie moet min 50% halen van bestaande situatie: 2u27min (oftewel van 12:45 . 15:12) 3. Nieuwe situatie controle: 12:45 . 15:15, voldoet 3e laag (2e woonlaag): 21 maart 1. Bestaande situatie 13:00 - 18:30 2. Nieuwe situatie moet min 50% halen van bestaande situatie: 2u 45min (oftewel van 13:00 - 15:45) 3. Nieuwe situatie controle: 13:00 - 15:45, voldoet vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibbetslaan) 75 Gemeente Eindhoven

3e laag (2e woonlaag): 21 september 1. Bestaande situatie 12:45 - 18:10 2. Nieuwe situatie moet min 50% halen van bestaande situatie: 2u 43min (oftewel van 12:45 . 15:28) 3. Nieuwe situatie controle: 12:45 . 15:30, voldoet 4e laag (3e woonlaag): 21 maart 1. Bestaande situatie 13:00 . 18:50 2. Nieuwe situatie moet minimaal 50% halen van bestaande situatie: 2u55min (oftewel van 13:00 . 15:55) 3. Nieuw situatie controle: 13:00 . 15:55, voldoet 4e laag (3e woonlaag): 21 september 1. Bestaande situatie: 12:45 . 18:40 2. Nieuwe situatie moet min 50% halen van bestaande situatie: 2u 58min (oftewel van 12:45 . 15:48) 3. Nieuwe situatie controle: 12:45 . 15:50, voldoet Conclusie Het plan voldoet hiermee aan de lichte TNO-norm en aan de beleidsregels voor bezonning van woningen.

76 etslaan)

vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibb

Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 4

Milieuparagraaf

4.1

Milieueffectrapportage

4.1.1

Wettelijk kader

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Sinds 7 juli 2019 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aan de hand van de volgende aspecten te worden beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben: 1. de kenmerken van de activiteit (aard, omvang, cumulatie met andere ontwikkelingen); 2. de locatie van de activiteit (kenmerken van het plangebied en de kwetsbaarheid van de omgeving); 3. de mogelijke gevolgen van de activiteit. In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling bestaat uit een herontwikkeling (sloop en herbouw) van 46 grondgebonden woningen naar 156 appartementen in 3 woongebouwen. Tegelijk wordt het aandeel groen vergroot. Binnen het plangebied vindt juist geen verstening of uitbreiding van de gebouwde omgeving. Hierdoor kan worden geredeneerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, waardoor een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. niet nodig is. 4.1.2

Conclusie

Er is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. hoeft daarom niet opgesteld te worden.

vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibbetslaan) 77 Gemeente Eindhoven

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied. 4.2.1

Staat van bedrijfsactiviteiten

De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze staat is gebaseerd op bovengenoemde VNG - brochure. In deze staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met potentiële milieuemissies. Op grond van deze staat wordt een beleidsmatige selectie gemaakt van die bedrijfsactiviteiten die in het plangebied worden toegestaan. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI -codes) in deze staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk'; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q.

bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand. categorie 1: grootste afstand 10 meter; categorie 2: grootste afstand 30 meter; categorie 3.1: grootste afstand 50 meter; categorie 3.2: grootste afstand 100 meter; categorie 4.1: grootste afstand 200 meter; categorie 4.2: grootste afstand 300 meter; categorie 5.1: grootste afstand 500 meter; categorie 5.2: grootste afstand 700 meter; categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter; categorie 6: grootste afstand 1.500 meter. Toetsing plangebied Het plangebied ligt in een gemengd gebied doordat de oostzijde van het plangebied bijna direct grenst aan de John F. Kennedylaan. Richtafstanden mogen met één trap verlaagd worden. 78 etslaan)

vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibb

Gemeente Eindhoven

Op circa 135 en circa 300 meter afstand liggen benzinestations zonde LPG langs de John F. Kennedylaan. Deze hebben een richtafstand van 30 meter, dit mag in gemengd gebied verlaagd worden naar 10 meter. Het plangebied ligt op ruim voldoende afstand.

vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibbetslaan) 79 Gemeente Eindhoven

80 etslaan)

vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibb

Gemeente Eindhoven

Figuur 4.1: Twee bezinestations aan de John F. Kennedylaan (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Op circa 200 meter ten westen van het plangebied ligt een bedrijf met ten hoogste categorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter, dit mag in gemengd gebied verlaagd worden naar 10 meter. Ook hier wordt ruimschoots aan voldaan. Op minimaal 40 meter ten zuiden van het plangebied ligt een verzorgingstehuis. Voor 'verpleeghuizen' geldt een richtafstand van 30 meter, dit mag in gemengd gebied verlaagd worden naar 10 meter. Het plangebied ligt op voldoende afstand.

Figuur 4.2: Bedrijf ten westen en verzorgingstehuis ten zuiden van plangebied (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Conclusie Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.3

Geluid

4.3.1

Wettelijk kader

De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen.

Dibbetslaan) 81 Gemeente Eindhoven

auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen. In het voorliggende bestemmingsplan liggen de volgende geluidgevoelige bestemmingen: a. een woongebouw 4.3.2

Wegverkeerslawaai

Het plan ligt in de zone van de John F. Kennedylaan, een weg gelegen in stedelijke gebied met een maximumsnelheid van meer dan 30 km per uur, bestaande uit 2 x 3 rijstroken, met een zonebreedte van 350 meter aan weerszijden van de weg gemeten vanaf de as daarvan. In het kader van "Duurzaam Veilig" zijn alle overige wegen in en nabij het plangebied 30 km per uur wegen geworden. Deze wegen en woonerven hebben volgens de Wet geluidhinder geen zone, zodat deze verder buiten beschouwing kunnen blijven. De Wet geluidhinder maakt onderscheid tussen zogenaamde bestaande situaties en nieuwe situaties. Ingevolge hoofdstuk VI, afdeling 3 ("bestaande situaties") van de Wet geluidhinder hoeft voor de reeds aanwezige geluidgevoelige bebouwing geen nieuw akoestisch onderzoek te worden ingesteld.

Een onderzoek naar wegverkeerslawaai heeft aangetoond dat de geluidbelasting van de John F. Kennedylaan de voorkeursgrenswaarde op een aantal toetspunten overschrijdt, zie rapportage in bijlage 13. Hieronder zijn de resultaten per gebouw beknopt weergegeven: Gebouw A: de geluidbelasting overschrijdt ter plaatse van een gedeelte van de zuidgevel en een klein gedeelte van de oostgevel de voorkeursgrenswaarde met maximaal 2 dB. De overige gevels c.q. geveldelen zijn geluidonbelast. Gebouw B: de geluidbelasting overschrijdt ter plaatse van de oost- en zuidgevel de voorkeursgrenswaarde met maximaal 4 dB. De noord- en westgevel zijn geluidonbelast. Gebouw C: De geluidbelasting overschrijdt ter plaatse van de oostgevel, zuidgevel en de bovenste bouwlaag van de noordgevel de voorkeursgrenswaarde met maximaal 10 dB. De overige geveldelen zijn geluidonbelast. Voor de door de John F. Kennedylaan geluidbelaste gevels geldt dat het mogelijk is een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente, indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid.

Het aanleggen van een geluidswal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidsbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet doeltreffend. Gebruikmakend van de tool 'Swung2dmc' van Antea Group is de doelmatigheid van het wijzigen van het wegdektype ter plaatse van de John F. Kennedylaan van referentiewegdek naar dubbele deklagen B getoetst. Hieruit blijkt dat het toepassen van een stiller wegdek op de John F. Kennedylaan doelmatig wordt bevonden. Het stiller wegdek dient derhalve op basis van de doelmatige afweging te worden toegepast. De praktische- en financiële gevolgen met betrekking tot de realisatie hiervan dienen te worden afgestemd met de gemeente. Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is tevens rekening gehouden met de documenten 'Hogere Waarden Beleid Geluid' d.d. maart 2010 en 'het gemeenteblad Beleidsregels hogere waardenbeleid geluid' d.d. 17 juli 2018 van de gemeente Eindhoven. De realisatie van dubbele deklagen B ter plaatse van de John F. Kennedylaan hebben te grote praktische- en financiële gevolgen en zijn daarom niet realistisch als oplossing voor dit plan. 82 etslaan)

vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibb

Gemeente Eindhoven

Voor de volledigheid is hieronder het gemeentelijk geluidbeleid besproken voor zowel de situatie met het huidige wegdek als de situatie waarin het wegdek gewijzigd wordt.

In de bestaande situatie geldt voor gebouw A en B dat de geluidbelasting ten gevolge van de John F. Kennedylaan nergens de in het gemeentelijk geluidbeleid genoemde grenswaarde van 53 dB overschrijdt. Derhalve geldt geen aanvullende voorwaarde tot het creëren van een geluidluwe gevel. De gecumuleerde geluidbelasting overschrijdt nergens de maximale ontheffingswaarde. Voor gebouw C geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van de John F. Kennedylaan de in het gemeentelijk geluidbeleid genoemde grenswaarde van 53 dB ter plaatse van de oostgevel en een gedeelte van de zuidgevel overschrijdt. Derhalve dienen de appartementen welke enkel aan deze gevels zijn gelegen te beschikken over een geluidluwe gevel. Het is binnen de in bijlage 1 (van het akoestisch onderzoeksrapport in bijlage 13 opgenomen plattegronden mogelijk een geluidluwe gevel te creëren door de inpandige balkons behorende bij deze appartementen afsluitbaar uit te voeren. Hierdoor wordt er ter plaatse van het balkon een geluidluwe buitenruimte gecreëerd met daaraan liggend geluidluwe gevels. Bij toepassing van de juiste materialen en maatregelen (conform een aanvullende berekening) wordt het geluidsniveau ter plaatse van het balkon gewaarborgd. Een andere mogelijkheid is het toepassen van SilentAir gevelschermen (zie bijlage 6 van het akoestisch onderzoeksrapport in bijlage 13).

Hiermee wordt de geluidbelasting lokaal gereduceerd tot de voorkeursgrenswaarde. Bij toepassing van SilentAir wordt geadviseerd in overleg te treden met de gemeente. De gecumuleerde geluidbelasting overschrijdt nergens de maximale ontheffingswaarde.

In de situatie na wijziging van het wegdek ter plaatse van de John F. Kennedylaan geldt dat de geluidbelasting nergens de in het voornoemde geluidbeleid genoemde waarde van 53 dB overschrijdt. Derhalve geldt geen aanvullende voorwaarde tot het creëren van een geluidluwe gevel. De gecumuleerde geluidbelasting overschrijdt de maximale ontheffingswaarde op geen van de gevels van onderhavig plan. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder.

Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een procedure hogere waarde, is voor de appartementen een aanvullend onderzoek nodig ter bepaling van de geluidswering van de gevels. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. 4.3.3

Railverkeerslawaai

Het plangebied ligt niet in de zone van een spoorweg. 4.3.4

Industrielawaai

Het plangebied ligt niet in de zone van een industrieterrein. 4.3.5

Luchtvaartlawaai

Het plangebied ligt op enige afstand (circa 6,3 km) van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militaire luchthaven met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). De Wet luchtvaart regelt het gebruik van luchtvaartuigen en luchtvaartterreinen in Nederland. De wet voorziet in regels over besluitvorming en normen voor alle luchthavens. Op basis van deze wet is voor luchthaven Eindhoven een luchthavenbesluit vastgesteld. De Wet luchtvaart regelt onder andere dat grenswaarden moeten worden vastgesteld voor de maximaal toegelaten geluidbelasting door landende en opstijgende luchtvaartuigen. Deze geluidsbelasting wordt uitgedrukt in Kosteneenheden (Ke). De nadere regelgeving over de geluidsbelasting staat in het Besluit militaire luchthavens. De grenswaarde voor de maximaal vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibbetslaan) 83 Gemeente Eindhoven

toelaatbare geluidsbelasting voor het burgerluchtverkeer en voor het militaire luchtverkeer is in beginsel 35 Ke. Deze grenswaarde geldt voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen (art. 1 Besluit militaire luchthavens jo artikel 1.1 Bouwbesluit 2012) en voor standplaatsen en ligplaatsen.

De ligging van de Ke contouren is opgenomen in het luchthavenbesluit Eindhoven. In bijlage 7 is de 35 Ke contour voor het militaire luchtverkeer aangewezen en in bijlage 8 de contour van het commercieel burgerluchtverkeer. De cumulatieve Ke contouren staan in bijlage 3. De 35 Ke contour is tevens in het Barro en Rarro verwerkt. Hierbinnen zijn geen geluidsgevoelige objecten (woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen, alsmede standplaatsen en ligplaatsen) toegestaan. Het plangebied ligt niet binnen deze geluidszone. Deze geluidszone werkt daarom niet belemmerend voor onderhavig plangebied.

Figuur 4.3: Cumulatieve Ke-contouren luchthaven Eindhoven (Bron: Luchthavenbesluit Eindhoven)

Conclusie Het aspect 'Geluid' vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

84 etslaan)

vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibb

Gemeente Eindhoven

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd.

Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex. 4.4.2

Besluit niet in betekenende mate bijdragen

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen.

Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.

vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibbetslaan) 85 Gemeente Eindhoven

4.4.3

Besluit gevoelige bestemmingen

Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties. 4.4.4

Goede ruimtelijke ordening

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. 4.4.5

Planbeschrijving en toetsing

De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 160 woningen. Daarmee blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen. Een dergelijke ontwikkeling kan worden gezien als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de John F. Kennedylaan. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2030 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2030; 19,4 µg/m³ voor NO2, 17,1 µg/m³ voor PM10 en 8,7 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,1 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en 86 etslaan)

vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibb

Gemeente Eindhoven

leefklimaat.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. 4.5.1

Wettelijk kader

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten';

Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Het plangebied Hieronder wordt beschreven welke risicovolle inrichtingen in of nabij het gebied liggen, of er vervoer van gevaarlijke stoffen in het gebied plaatsvindt en of er risicovolle buisleidingen liggen.

Inrichtingen De twee benzinestations leveren geen LPG, waardoor de richtafstand slechts 30 meter is. Het plangebied ligt op ruim voldoende afstand.

Transport Het plangebied ligt dicht tegen de John F. Kennedylaan. Deze transportroute is niet vermeld vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibbetslaan) 87 Gemeente Eindhoven

in de Regeling Basisnet, maar is door de gemeente Eindhoven wel opgenomen in de rapportage “Transport gevaarlijke stoffen door de gemeente Eindhoven – actualisatie van het onderzoek naar de externe veiligheidsrisico's van bulktransport over gemeentelijke wegen binnen Eindhoven” vastgesteld in 2010. Hierin wordt aangegeven dat de John F. Kennedylaan niet over een plaatsgebonden risico beschikt, maar wel over een invloedsgebied. Het plan ligt binnen dit invloedsgebied.

Buisleidingen niet van toepassing 4.5.2

Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid

De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt.

Op circa 135 en circa 300 meter afstand liggen benzinestations zonde LPG langs de John F. Kennedylaan. Deze hebben een richtafstand van 30 meter. Het plangebied ligt op ruim voldoende afstand.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen (minder dan 50 woningen, waarbij de woningen niet specifiek bedoeld zijn voor een hulpbehoevende of minderjarige doelgroep) binnen 200 meter van de lokale wegen de standaard verantwoording groepsrisico geldt. Aangezien het plan 156 appartementen betreft moet advies te worden ingewonnen bij de Veiligheidsregio. Dit advies is verwerkt in standaard verantwoording groepsrisico.

Figuur 4.4: Risicobronnen externe veiligheid (Bron: Visie Externe Veiligheid Eindhoven)

88 etslaan)

vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibb

Gemeente Eindhoven

4.5.3

Overige wet- en regelgeving

Het plangebied ligt niet in de nabijheid van het Basis Net. 4.5.4

Standaard verantwoording groepsrisico

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Op basis van de beleidsregels dient er voor de woonfuncties met vijf woonlagen of meer binnen 3 minuten na het ter plaatse zijn van de tankautospuit(en) een bluscapaciteit beschikbaar te zijn van 60 m3/uur. Middels de bestaande projectering van de ondergrondse brandkranen wordt hieraan voldaan. Daarnaast wordt het plangebied op dit moment ontsloten via de Generaal Marshallweg. Deze weg sluit aan op de Europalaan, de Pastoriestraat, de Marconilaan en de Tilburgseweg, die vervolgens aansluit op het verdere wegennetwerk van Eindhoven, zoals de N2. Dit biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk kom de bestrijdbaarheid ten goede.

Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie worden woningen gerealiseerd. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van aanwezige (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. 4.5.5

Conclusie

Uit de standaard verantwoording van het groepsrisico komt naar voren dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Het aspect 'Externe Veiligheid' vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibbetslaan) 89 Gemeente Eindhoven

4.6

Duurzaamheid

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. 1. CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. De gemeenteraad heeft in het Klimaatplan 2021-2025 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.

1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten.

1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.

1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz.

1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de 90 etslaan)

vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibb

Gemeente Eindhoven

grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.

2 Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken.

2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen.

2B) geen afval In 2030 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval.

2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.

2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier.

3) Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding?

3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibbetslaan) 91 Gemeente Eindhoven

willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan.

3B) oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.

4. Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt).

4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.

4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte

4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.

Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders 92 etslaan)

vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibb

Gemeente Eindhoven

(belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin. 4.6.1

Planbeschrijving

In het planvoornemen wordt bijgedragen aan duurzaamheid door: 1A: Aardgasloos te verwarmen. Hierdoor wordt aangesloten bij de rest van de Generalenbuurt die is aangewezen als Proeftuin Aardgasvrije Wijken. 1C: warmte- en energiebesparing 2: Een te selecteren sloopbedrijf zorgt voor een tweede leven voor bouwmaterialen uit de te slopen rijwoningen. 3A: Bestaande bomen worden zoveel mogelijk ingepast in de nieuwe ontwikkeling. Te kappen bomen worden gecompenseerd of terug geplant in het plangebied. 3B: Het aandeel groen wordt vergroot. 4A: Oppervlakte verharding neemt af. 4B: Gezonde lucht, bodem, water, geluid en externe veiligheid zijn in voorliggende toelichting onderbouwd. In het openbaar toegankelijk groengebied worden wandelpaden aangelegd. 4C: De bewoners worden via een participatieproces betrokken. XX

4.7

Bodem

Voor een groot deel van het plangebied is bodemonderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn te lezen in paragraaf 4.7.1. Na sloop van de huidige bebouwing zal aanvullend bodemonderzoek worden verricht ter plekke van de gesloopte bebouwing.

PFAS Volgens de notitie 'Aanvulling bodemkwaliteitskaart gemeente Eindhoven voor PFAS-verbindingen en grondstromenbeleid PFAS-houdende grond', is PFAS voor een groot gedeelte van het Eindhovens grondgebied geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen. Mocht voor de herontwikkeling van de locatie grond afgevoerd moeten worden dan is onderzoek naar PFAS noodzakelijk voor de afvoer van de grond.

vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibbetslaan) 93 Gemeente Eindhoven

Figuur 4.5: Schone bodem ter plaatse van plangebied (Bron: Atlas van de grond Eindhoven)

NGE's Gemeente Eindhoven beschikt over kaarten met de gebieden die verdacht zijn op het voorkomen van nge’s (niet gesprongen explosieven). In deze gebieden dient voorafgaand aan grondverzet explosieven onderzoek uitgevoerd te worden, in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse (PRA) of een detectie onderzoek. Wanneer op basis van onderzoek nge’s worden aangetroffen worden deze geruimd. Deze ontwikkeling valt buiten deze verdachte gebieden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Figuur 4.6: Geen niet gesprongen explosieven in het plangebied (Bron: Atlas van de grond Eindhoven) 4.7.1

Resultaten bodemonderzoek

Aangezien een deel van het grondgebied van bestemming zal veranderen: van groen of verkeer naar wonen, dient de bodem onderzocht te worden. Er is een verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in de bodem uitgevoerd. Zie bijlage 14 voor het gehele rapport. Hieronder staat de samenvatting en de conclusies.

De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot sterk ziltig, zeer fijn tot matig grof zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak tot matig gley- en oerhoudend. De ondergrond bestaat plaatselijk uit sterk zandige klei en vanaf 3,0 m -mv uit zwak tot sterk zandig leem.

94 etslaan)

vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibb

Gemeente Eindhoven

Zintuiglijk zijn over de gehele onderzoekslocatie in de bovengrond in diverse gradaties bijmengingen met baksteen, puin, slakken en beton waargenomen.

Tijdens uitvoering van het veldwerk is ter plaatse van asbestinspectiegaten A06, A10 en A19 in de grove fractie (> 20 mm) asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen.

Verk ennend bodemonderzoek NEN 5740 Op basis van het milieuhygienisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een “verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig” (VED-HE).

Analytisch is de zwak puinhoudende bovengrond op het noordwestelijke deel van de onderzoekslocatie (MMA1) licht verontreinigd met PCB. De zwak puin-, slakken-, en asbesthoudende bovengrond op het zuidwestelijke deel van de onderzoekslocatie (MMA2) is licht verontreinigd met cadmium, koper, lood, zink, PCB en PAK. De zwak tot matig puinhoudende bovengrond ter plaatse van diverse siertuinen (MMA3) is licht verontreinigd met cadmium, lood, zink, minerale olie en PCB en matig verontreinigd met PAK. Na uitsplitsing bleek de bovengrond ter plaatse van boring/gat A14 en A18 licht verontreinigd met PAK en de bovengrond ter plaatse van boring/gat A24 matig verontreinigd met PAK. De zwak baksteenhoudende bovengrond ter plaatse van het zuidelijke deel van de onderzoekslocatie (MMA5) is licht verontreinigd met lood en zink. De zwak baksteen-, zwak beton- en zwak asbesthoudende bovengrond ter plaatse van de met tegels- en klinkers verharde delen van de onderzoekslocatie (MMA6) is licht verontreinigd met zink, minerale olie, PCB en PAK. De zwak baksteenhoudend bovengrond ter plaatse van de Generaal Smissaertstraat (MMA7) en de zintuiglijk schone ondergrond (MMA4 en MMA8) zijn niet verontreinigd.

Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met zink.

Verk ennend onderzoek asbest in bodem NEN 5707 Op basis van het milieuhygienisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een “verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig” (VED-HE).

Er zijn op het maaiveld geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen.

In de bovengrond ter plaatse van boring/asbestinspectiegat A06, is zintuiglijk (> 20mm) hechtgebonden asbest aangetroffen (7,9 gram, hechtgebonden, chrysotiel, 10-15%). Analytisch is in de bovengrond ter plaatse van boring/asbestinspectiegat A06 in de fijne fractie (< 20mm) een gewogen asbesthalte van <0,3 mg/kg d.s. aangetoond. Het berekende asbest gehalte ter plaatse van boring/asbestinspectiegat A06 bedraagt 15,3 mg/kg d.s.

In de bovengrond ter plaatse van boring/asbestinspectiegat A10, is zintuiglijk (> 20mm) niet hechtgebonden asbest aangetroffen (1,9 gram, chrysotiel, 30-60%). Analytisch is in de vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibbetslaan) 95 Gemeente Eindhoven

bovengrond ter plaatse van boring/asbestinspectiegat A10 in de fijne fractie (< 20mm) een gewogen asbesthalte van <0,5 mg/kg d.s. aangetoond. Het berekende asbest gehalte ter plaatse van boring/asbestinspectiegat A10 bedraagt 19,7 mg/kg d.s.

In de bovengrond ter plaatse van boring/asbestinspectiegat A19, is zintuiglijk (> 20mm) hechtgebonden asbest aangetroffen (11,7 gram, hechtgebonden, chrysotiel, 2-5%). Analytisch is in de bovengrond ter plaatse van boring/asbestinspectiegat A19 in de fijne fractie (< 20mm) een gewogen asbesthalte van <0,3 mg/kg d.s. aangetoond. Het berekende asbest gehalte ter plaatse van boring/asbestinspectiegat A19 bedraagt 7,2 mg/kg d.s.

Ter plaatse van de overige boringen/asbestgaten is zowel in de grove fractie (> 20mm) als de fijne fractie (< 20mm) geen asbest aangetoond.

Het berekende gehalte asbestgehalte overschrijdt voor geen van de boringen/asbestgaten de interventiewaarde en/of de helft van de interventiewaarde.

Conclusie De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "verdacht" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Gelet op de aard en mate van de lichte tot plaatselijk matige verontreinigingen, bestaat er géén reden voor een nader bodemonderzoek en/of nader onderzoek asbest in bodem.

Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.

4.8

Natuur

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2023 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen.

96 etslaan)

vastgesteldIV Woensel buiten de Ring I 2017 (Gen. van Nijnattenstraat-Gen. Dibb

Gemeente Eindhoven

4.8.1

Wet natuurbescherming

De nieuwe wet beoogt zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de Europese kaders (o.a. vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn). Volgens de wetgever is hiermee sprake van een hoog beschermingsniveau van de natuur. De Europese beschermingskaders zijn met het oog op een goede doorwerking en duidelijkheid over de consequenties daarvan zo veel mogelijk één-op één opgenomen in de wet zelf. Alleen voor zover nodig voor een adequate bescherming van natuurwaarden die niet beschermd worden door Europese regelgeving, voorziet de Wnb in een aanvullende bescherming. Dit betreft bijvoorbeeld de bescherming van diersoorten die niet vallen onder de Europese beschermingskaders. De Wnb voorziet in een instrumentarium in de vorm van beheerplannen en programma's voor gebieden en soorten, teneinde de samenhang tussen gebieds- en soortenbescherming mogelijk te maken. Verder is gekozen voor één vergunning- en ontheffingprocedure en is tegen besluiten rechtsbescherming in twee instanties mogelijk. Zoals eerder al gezegd zijn de provincies in hoofdzaak verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeschermingsbeleid.

Gelijktijdig met de in werkingtreding van Wnb veranderen de lijsten met beschermde soorten. Zo zijn een aantal plantensoorten (o.a. orchideeën) en insecten- en vissoorten (o.a. kleine modderkruiper en bittervoorn) niet langer meer beschermd. Andersom zijn dieren die voorheen niet beschermd waren (o.a. haas, bosmuis en kleine ereprijs) nu wel beschermd. Voor de soorten die beschermd zijn geldt een verbod om die opzettelijk te verstoren als dat van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding. Door de integratie van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet in de nieuwe Wnb is er nog maar één natuurvergunning nodig van één bevoegd gezag.

Houtopstanden De regeling zoals die was vervat in de voormalige Boswet is grotendeels ongewijzigd overgenomen in de Wnb en is gericht op het behoud van het bosareaal en is van toepassing op alle bossen en houtopstanden buiten de door de gemeenteraad in dat kader vastgestelde grenzen van de bebouwde kom, die een grotere oppervlakte beslaan dan 1000 m2 en op rijbeplantingen van meer dan 20 bomen. De begrenzing van de bebouwde kom als bedoeld in artikel 4.1 Wnb hoeft niet samen te vallen met de bebouwde kom in het kader van de wegenverkeerswet. De op grond van de Boswet vastgestelde bebouwde kom grens blijft ook onder de nieuwe Wnb gelden totdat deze opnieuw wordt vastgesteld. Naar verwachting zal de gemeenteraad in 2017 een nieuwe grens vaststellen. Op onderdelen zal die afwijken van de huidge begrenzing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12887378/2