CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Wijziging Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven - Was-wordt-tabel

Raadsvergadering 28 november 2023, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Wijziging Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven vanwege Breed Offensief12.024 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Artikel 3.29 Algemeen geaccepteerde arbeid proberen te verkrijgen Wijziging, in plaats van trachten het woord proberen.

17

Aanvullende artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 3 Participatie Paragraaf 1. Begripsbepaling Artikel 3.1 Begripsbepaling Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of de Gemeentewet zijn niet gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn wel van toepassing op deze verordening. Doelgroep De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het betreft: • personen die algemene bijstand ontvangen; • personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, van de Participatiewet is verleend; • personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet; • personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet ; • personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; • personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; • personen zonder uitkering; en, die voor de

arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college aangeboden voorziening. Interne werkbegeleiding Interne werkbegeleiding is een vorm van persoonlijke ondersteuning op de werkvloer, waarbij een directe collega van een werknemer met een beperking, de werknemer begeleidt bij de dagelijkse werkzaamheden. Deze begeleiding is noodzakelijk omdat de werknemer zonder deze begeleiding niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren. Het gaat hierbij om, vanwege de beperking, meer dan gebruikelijke begeleiding. Om als interne werkbegeleider in het kader van de verordening te kunnen worden beschouwd is het noodzakelijk dat men de vaardigheden heeft om de begeleiding op een kwalitatief verantwoorde manier te kunnen bieden. De wetgever spreekt in dit verband van opgeleide collega’s, niet zijnde jobcoaches, die persoonlijke ondersteuning op de werkvloer verlenen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 56). Jobcoaching Jobcoaching is een vorm van persoonlijke ondersteuning bij werk die wordt geboden door een jobcoach. Een jobcoach is een erkende deskundige die een werknemer met een beperking en/of zijn werkgever methodische ondersteuning biedt, zodat de werknemer een passende baan kan vinden en behouden.

Om als jobcoach in het kader van de verordening te kunnen worden beschouwd is het noodzakelijk dat men voldoet aan een aantal eisen die er op zijn gericht om de professionaliteit en de kwaliteit van de jobcoaching te waarborgen. Persoonlijke ondersteuning bij en naar werk Persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de Participatiewet moet in samenhang met artikel 8a, tweede lid, onderdeel e en artikel 10da, van de Participatiewet worden begrepen als een door het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op het verkrijgen, verrichten en behouden van arbeid. In de memorie van toelichting bij artikel 8a, tweede lid, onderdeel e, van de Participatiewet wordt eerst aangegeven dat de gemeenteraad een breed aanbod van beschikbare instrumenten moet opnemen in de verordening. Vervolgens wordt alleen 18 Was-wordt-tabel Verordening Sociaal Domein Hoofdstuk 3: Participatie naar aanleiding van wijzigingen Breed Offensief

nader ingegaan op de jobcoach. De begrippen persoonlijke ondersteuning en jobcoach zijn evenwel niet identiek. Het begrip persoonlijke ondersteuning is ruimer. Het kan bij persoonlijke ondersteuning zowel gaan om een gekwalificeerde expert (jobcoach) als om een getraind persoon die binnen het bedrijf zorgdraagt voor de dagelijkse werkbegeleiding (ook wel een “Harrie” genoemd). Combinaties van beiden zijn ook mogelijk (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 9). Paragraaf 3.2 Participatievoorzieningen Artikel 3.2 Algemene bepalingen over voorzieningen De participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een belanghebbende. Afstemming Het derde lid regelt de al onder de huidige verordening ingeregelde afstemming van het college van de voorziening op de persoonlijke situatie van de belanghebbende, in ieder geval wanneer iemand mantelzorg verleent of zorgdraagt voor minderjarige kinderen. Nieuw is dat hierin ook de afstemming binnen het gemeentelijke sociale domein wordt geregeld. Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel g.

van de Participatiewet dienen er regels opgenomen te worden over de samenwerking binnen het gehele sociale domein als dat nodig is voor een integrale ondersteuning van de persoon (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 56). Het gaat zowel om de samenhang van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk. Het is belangrijk om hier bij de inzet van voorzieningen rekening mee te houden en dit te benoemen in het plan van aanpak. Deze bepaling biedt ook een grondslag voor het uitwisselen van de noodzakelijke informatie binnen het sociaal domein om tot de integrale aanpak te kunnen komen. Het derde lid regelt ook het uitgangspunt dat het college, afgestemd op de situatie van de persoon, de goedkoopst adequate voorziening verstrekt. Dit betekent dat de voorziening goed genoeg moet zijn om een verantwoorde oplossing te bieden. Die oplossing is dus niet altijd de meest optimale oplossing. Wanneer er meerdere passende opties zijn om belanghebbende te ondersteunen dan zijn de kosten van de oplossingen doorslaggevend. Deze afweging wordt per belanghebbende gemaakt.

Ook kijken we hierbij naar proportionaliteit: staan de kosten van de investering in verhouding tot de individuele en maatschappelijke opbrengsten? Met dit derde lid draagt het college zorg voor een evenwichtige verdeling van de re-integratiemiddelen over de inwoners die dit nodig hebben. Weigeringsgronden Het zesde lid geeft aan dat het college een voorziening kan weigeren en in welke gevallen dat kan. De weigeringsgronden in deze bepaling zijn niet uitputtend, omdat voor een aantal voorzieningen er ook weigeringsgronden zijn die voortvloeien uit de specifieke aard van die voorziening. Die gronden vloeien voort uit de artikelen in deze verordening die specifiek betrekking hebben op die voorzieningen. Het gaat hier om een “kan-bepaling”, zodat het college altijd een afweging moet maken of een weigering in een individuele situatie terecht is. Hoewel het weigeren van een voorziening, als een afwijzingsgrond zich voordoet, wel het uitgangspunt vormt, is dit geen automatisme. Dit hangt samen met het feit dat re-integratie vraagt om maatwerk. Beëindigingsgronden Het achtste lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dat kan. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan.

Bij deze laatste manier van beëindigen gelden de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling. Subsidie- of Budgetplafond Het kan zijn dat college zich om financiële redenen genoodzaakt ziet een subsidie- of budgetplafond bij een voorziening te bepalen. 19

Artikel 3.3 Specifieke bepalingen over persoonlijke ondersteuning naar en bij werk en overige voorzieningen Het gaat hier om een aantal specifieke bepalingen die te maken hebben met de aard van de ondersteuning die het college kan bieden met persoonlijke ondersteuning naar en bij werk en overige voorzieningen. Het gaat hierbij niet om alle overige voorzieningen, maar om de overige voorzieningen genoemd in de Participatiewet volgens 8a tweede lid onder f, dat zijn de vervoersvoorziening, intermediaire voorziening en werkplekaanpassing. In de wet staat enkel de meeneembare werkplekaanpassing genoemd. Omdat wij ook een niet-meeneembare voorziening kennen, geldt dit artikel ook daarvoor. Met de toevoeging van deze specifieke bepalingen draagt het college zorg voor een evenwichtige verdeling van de re-integratiemiddelen voor inwoners die dit nodig hebben. A. Voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling Artikel 3.7b Proefplaats Volgens artikel 8a, tweede lid, onder d, van de Participatiewet moet de gemeente in de verordening de voorwaarden aangeven waaronder “het college toestemming verleent aan een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, om op een proefplaats gedurende twee maanden met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, werkzaamheden te verrichten”.

Het doel van deze verplichting is om meer harmonisatie tot stand te brengen. Voor de termijn is aangesloten bij de wetgeving die wordt uitgevoerd door het UWV en het door het UWV gevoerde beleid (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 55). Artikel 14a geeft hier invulling aan. Het na een proefplaatsing inzetten van een dienstverband met een forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de Participatiewet is onwenselijk. Partijen in de (landelijke) Werkkamer hebben zich in die zin ook expliciet uitgesproken. B. Voorzieningen gericht op gesubsidieerde arbeid Artikel 3.9 Detacheringsbaan De detacheringsbaan is nieuw opgenomen in de verordening. Het gaat hier om vorm van gesubsidieerde arbeid. Afhankelijk van de belanghebbende kan een betaalde baan, via detachering, bij een andere organisatie de meest passende voorziening zijn. Dit geldt alleen wanneer het regulier plaatsen van de belanghebbende niet passend is. Artikel 3.11 Loonkostensubsidie In dit artikel is tevens een uitwerking opgenomen van de wettelijke verplichting voor gemeenten om bij verordening te bepalen hoe het administratief proces met betrekking tot het verstrekken van loonkostensubsidie is vormgegeven (artikel 8a, eerste lid en tweede lid, onder c, van de Participatiewet).

Door in de verordening naar het werkproces te verwijzen beoogt de wetgever ervoor te zorgen dat werkgevers, in het kader van transparantie, beter weten waar zij aan toe zijn (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 54-55). Het vierde lid maakt duidelijk dat het rechtssubject van de loonkostensubsidie de werkgever is, ook op het moment dat de werknemer de aanvraag indient. Dit volgt ook uit artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet waarin staat dat de subsidie wordt verleend aan de werkgever. Omdat alleen personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hiervoor in aanmerking komen regelt het vijfde lid dat op het moment dat er een aanvraag binnenkomt met betrekking tot een persoon ten aanzien van wie nog niet is vastgesteld dat deze onder de doelgroep valt de aanvraag mede moet worden gezien als een aanvraag om onder de doelgroep te worden gebracht. Het onder de doelgroep brengen gebeurt volgens de in artikel 1 gedefinieerde praktijkroute. Het zesde lid regelt de termijn waarbinnen de loonwaarde wordt vastgesteld. Het zevende lid verwijst naar het administratieve werkproces dat door het college wordt gevolgd. Dit betreft het preferente proces loonkostensubsidie. Hiermee wordt gedoeld op het proces zoals dat door “De normaalste zaak”, een netwerk van bijna 700 werkgevers die samen aan de inclusieve arbeidsmarkt bouwen, is ontwikkeld.

Doel was om de lasten voor werkgevers als 20

gevolg van verschillende werkwijzen door gemeenten te verminderen, door het creëren van één administratief uitvoeringsproces voor het verstrekken van loonkostensubsidie. Door hierbij aan te sluiten en het makkelijker te maken voor werkgevers wordt beoogd dat meer personen met een loonkostensubsidie aan het werk kunnen komen. Artikel 3.11a Tijdelijke loonkostensubsidie De in dit artikel geregelde loonkostensubsidie is een extra voorziening die niet gebaseerd is op de wettelijke loonkostensubsidie (artikelen 10c en 10d van de participatiewet). Deze tijdelijke loonkostensubsidie is bedoeld voor inwoners die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren, maar wel een (arbeids)kwetsbaarheid hebben waardoor zelfstandig het minimumloon verdienen niet altijd haalbaar is. Deze tijdelijke loonkostensubsidie voor de werkgever bevordert de arbeidsparticipatie van deze personen. Omdat het niet gaat om de wettelijke loonkostensubsidie is de periode maximaal twee keer 6 maanden met een hoogte van maximaal 50%. C. Persoonlijke Ondersteuning naar en bij werk Artikel 3.12 Persoonlijke Ondersteuning naar en bij werk In dit artikel staat een termijn waarbinnen een aanvraag om persoonlijke ondersteuning in beginsel moet zijn ingediend, gerekend vanaf de datum van indiensttreding.

Persoonlijke ondersteuning naar en bij werk is een voorziening die wordt verstrekt wanneer dit noodzakelijk is voor belanghebbende om de opgedragen taken uit te voeren. Bij een aanvraag die pas na het verstrijken van een ruime periode na indiensttreding wordt ingediend, kan de vraag worden gesteld in hoeverre het verstrekken van deze voorziening nog noodzakelijk is, omdat men ook zonder deze persoonlijke ondersteuning de werkzaamheden al heeft verricht. In die situatie rechtvaardigt dat de conclusie dat, tenzij er sprake is van een bijzondere situatie, het verstrekken van persoonlijke ondersteuning op aanvraag in beginsel niet noodzakelijk is. Artikel 3.12a Jobcoaching in natura Artikel 8a, tweede lid, onderdeel e, onder 1°, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college ook zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning (jobcoaching) in natura en de duur en omvang hiervan. Dit artikel voorziet hierin. Met betrekking tot de duur en omvang is gekozen voor een maximum van zesentwintig uur voor de eerste zes maanden. Dit komt neer op 1x per week. Dit is een hoeveelheid die aansluit bij een flinke ondersteuningsbehoefte. Andere gebruikelijke hoeveelheden zijn 1x per twee weken of 1x in de maand. Na drie jaar wordt van een belanghebbende verwacht dat deze het werk zelfstandig kan uitvoeren.

Door middel van trainingen aan interne collega’s kan de begeleiding gewaarborgd worden. Artikel 3.12b Jobcoaching met subsidie Artikel 8a, tweede lid, onderdeel e, onder 1°, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning door middel van subsidieverstrekking, waaronder jobcoaching. Dit artikel voorziet hierin. Met betrekking tot de duur en omvang is gekozen voor een maximum van zesentwintig uur voor de eerste zes maanden. Dit komt neer op 1x per week. Dit is een hoeveelheid die aansluit bij een flinke ondersteuningsbehoefte. Andere gebruikelijke hoeveelheden zijn 1x per twee weken of 1x in de maand. Na drie jaar wordt van een belanghebbende verwacht dat deze het werk zelfstandig kan uitvoeren. Door middel van trainingen aan interne collega’s kan de begeleiding gewaarborgd worden. Artikel 3.12c Interne werkbegeleiding Artikel 8a, tweede lid, onderdeel e, onder 1°, van de Participatiewet in combinatie met artikel 10, derde lid, onder b, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning in de vorm van een interne werkbegeleider door middel van subsidieverstrekking.

Dit artikel regelt hoe dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de subsidie hiervoor wordt bepaald. Om ruimte voor maatwerk mogelijk te maken is het tweede lid toegevoegd. Artikel 3.12d Externe werkbegeleiding In aanvulling op de interne werkbegeleiding bieden we ook externe werkbegeleiding aan. Dit heeft met name de vorm van nazorg en wordt in beginsel uitgevoerd door de professionals die betrokken zijn bij de arbeidsbemiddeling of het re-integratietraject. 21

D. Overige voorzieningen Artikel 3.13 Vervoersvoorziening Artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, onder 1°, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een vervoersvoorziening die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken. Dit artikel regelt onder welke voorwaarden dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de vergoeding hiervoor wordt bepaald als het college het vervoer niet zelf (in natura) organiseert. Bij de bepaling van de vergoeding wordt uitgegaan van de normbedragen van het UWV voor onderwijs- en werkvoorzieningen, behalve voor de taxi (daar wordt uitgegaan van het reguliere tarief in de markt), waarbij de goedkoopst adequate oplossing het uitgangspunt vormt. Het bedrag dat de werknemer voor vervoer ontvangt van zijn werkgever, bijvoorbeeld een reiskostenvergoeding op grond van de arbeidsovereenkomst, wordt door het college in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvoorziening. Artikel 3.13a Intermediaire voorziening Artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, onder 2°, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een noodzakelijke intermediaire activiteit in het geval er sprake is van een visuele of motorische handicap.

Dit artikel regelt dat het college de, als gevolg van een geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie noodzakelijke, voorziening(en) verstrekt die nodig zijn ter vervanging of ondersteuning van de persoon. De specifieke aard van de voorziening is niet opgenomen, omdat dit sterk afhankelijk is van de behoefte van de persoon. Voorzieningen voor auditief beperkten worden door UWV verstrekt (art. 10g Pw). Er is een wetsvoorstel in voorbereiding om ook de beoordeling en verstrekking van voorzieningen voor visueel beperkten over te hevelen naar UWV. Het wetsvoorstel “Wijziging van de Participatiewet ten behoeve van de werkvoorzieningen voor visueel beperkten” is op 20 juni 2023 in de Tweede Kamer aangenomen en ligt nu voor bij de Eerste Kamer Artikel 3.13b Werkplekaanpassing Artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, onder 3°, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van meeneembare voorzieningen voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen. Hiervoor is geen uitputtende lijst. Wat een passende voorziening is, is sterk afhankelijk van de individuele behoefte van de persoon. Dit vraagt om maatwerk.

Het uitgangspunt is dat de voorzieningen in bruikleen beschikbaar worden gesteld en dus weer bij het college worden ingeleverd op het moment dat deze niet langer nodig zijn. Wanneer een voorziening echter op maat gemaakt is kan het college de voorziening in eigendom verstrekken. In Artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, onder 3°, van de Participatiewet wordt uitsluitend gesproken van meeneembare voorzieningen. In sommige gevallen zijn er andere voorzieningen nodig op de werkplek om ervoor te zorgen dat de persoon hier kan werken. Hierbij kan gedacht worden aan een aangepast toilet, een entree met automatische deuropener of een traplift. Dit artikel regelt de mogelijkheid om ook in deze behoefte te voorzien door het toekennen van een werkplekaanpassing. Daarmee wordt aansluiting gezocht bij de wetsgeschiedenis, waarin wel wordt gesproken van werkplekaanpassingen in plaats van meeneembare voorzieningen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 20).] Artikel 3.14 Verwervingskosten (werkbudget) Dit artikel regelt de inzet van verwervingskosten. Dit is geen nieuwe voorziening, maar deze was eerder niet opgenomen in de verordening Het gaat hier om kosten die belanghebbende moet maken om aan het werk te gaan. In de regel voorziet de werkgever hier in, maar niet in alle gevallen. Dit budget biedt het college de mogelijkheid om hier dan in te voorzien.

Artikel 3.15 Werkbonus De premie vormt een extra stimulans om aan het werk te gaan en dit werk ook te behouden. Het verstrekken van een uitstroompremie is alleen mogelijk als een persoon die langdurig een uitkering van het college ontving, uitstroomt. De voorwaarden voor de werkbonus zijn uitgewerkt in de nadere regeling.

22

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13322941/4