CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Wijziging Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven - Was-wordt-tabel

Raadsvergadering 28 november 2023, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Wijziging Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven vanwege Breed Offensief12.024 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Was-wordt-tabel wijziging Verordening Sociaal Domein vanwege het Breed Offensief juli 2023 In dit document vindt u de was-wordt-tabel van Hoofdstuk 3 van de Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven naar aanleiding van de wijzigingen die volgen uit het Breed Offensief. Voorafgaand aan de was-wordt-tabel wordt een korte algemene toelichting gegeven. Na de was-wordt-tabel treft u op een deel van de artikelen een aanvullende toelichting aan voor de artikelen waar dat een meerwaarde heeft op de al gegeven uitleg in de kolom Toelichting (van de was-wordt-tabel). Inleiding In hoofdstuk 3, Participatie van de Verordening Sociaal Domein van de gemeente Eindhoven neemt de gemeenteraad regels op over het gemeentelijk re-integratiebeleid en over de wijze van verstrekking van op werk gerichte voorzieningen of aanbodversterkende voorzieningen. De regels in de verordening gaan ook over de manier waarop het college rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende. Daarbij kijkt het college ook naar ondersteuning die belanghebbende mogelijk ontvangt vanuit andere wetten of regelgeving. Bovendien draagt het college zorg voor de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk (artikel 8a, eerste lid, onderdeel a en tweede lid, onderdelen a en g, en 10 eerste lid, van de Participatiewet).

Aanpassingen naar aanleiding van wetswijziging ‘Breed offensief’ Op 1 juli 2023 is de Participatiewet op verschillende punten gewijzigd in verband met het Breed Offensief. Met het doel om meer inwoners met een arbeidsbeperking of inwoners met een afstand tot de arbeidsmarkt te ondersteunen om aan het werk te komen en te blijven. Hiertoe zijn er specifieke wijzigingen voor inwoners die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie. Daarnaast heeft het Breed Offensief het doel om het voorzieningenaanbod te harmoniseren en transparanter te maken. Daarom moet de gemeenteraad verplicht regels op stellen over een groter aantal voorzieningen. Daarnaast is in de Participatiewet is in artikel 10, vijfde lid, expliciet de mogelijkheid opgenomen dat een persoon uit de gemeentelijke doelgroep óf diens (potentiële) werkgever een aanvraag bij de gemeente in kan dienen voor ondersteuning op maat, gericht op arbeidsinschakeling en die past bij de mogelijkheden en beperkingen van de werknemer. Voor de inwoner is het belangrijk dat transparant en helder is welke voorzieningen en ondersteuningsmogelijkheden er zijn. Daarom is ervoor gekozen alle voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling op te nemen in de verordening. Ook voorzieningen waartoe het college al bevoegd is te besluiten. Re-integratie is maatwerk.

Het is daarom niet passend om op detailniveau regels vast te leggen voor het gehele re-integratievoorzieningenaanbod in de verordening. Op enkele punten ontvangt het college daarom de bevoegdheid om in nadere regels eigen afwegingen te maken. Leeswijzer In de eerste kolom vind u de huidige tekst van artikelen 3.1 tot en met 3.16 en artikel 3.28 van hoofdstuk 3 van de verordening Sociaal Domein van de gemeente Eindhoven. Artikelen die opnieuw ingedeeld zijn en inhoudelijk niet zijn gewijzigd, worden alleen met titel genoemd. In de eerste kolom staat de oorspronkelijke tekst. De onderstreepte tekst is gewijzigd of is komen te vervallen. In de tweede kolom vindt u de aangepaste en nieuwe tekst van de hiervoor genoemde artikelen uit hoofdstuk 3 van de verordening. De cursieve tekst in de tweede kolom is nieuw toegevoegde tekst. In de derde kolom vindt u de toelichting op de wijziging. Onder de tabel vindt u waar nodig een aanvullende artikelsgewijze inhoudelijke toelichting op de wijzigingen.

1 Was-wordt-tabel Verordening Sociaal Domein Hoofdstuk 3: Participatie naar aanleiding van wijzigingen Breed Offensief

Was

Wordt

Toelichting

Hoofdstuk 3. Participatie Paragraaf 3.1 Algemeen Artikel 3.1 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. Anw-gerechtigden: personen met een uitkering volgens de Algemene nabestaandenwet die geregistreerd zijn bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; b. belanghebbende: de persoon als bedoeld in artikel 10 van de wet en artikel 36 IOAW/IOAZ; c. GRWRE: Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningschap Regio Eindhoven ‘Ergon’; d. ondersteuning: het aanbieden van een voorziening of het bieden van praktische hulp, advies of doorverwijzing naar derden; e. plan van aanpak: plan als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; f. re-integratietraject: een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling van belanghebbende; g. uitkeringsgerechtigden: personen die algemene bijstand of een uitkering ontvangen ingevolge respectievelijk de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ; h. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; i. voorziening(en): het geheel van re-integratieinstrumenten die het college kan aanbieden ter bevordering van arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 sub a van de Participatiewet of artikel 34 lid 1 sub a IOAW/IOAZ;

Hoofdstuk 3. Participatie Paragraaf 3.1 Begripsbepalingen Artikel 3.1 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. Belanghebbende: de persoon als bedoeld in artikel 10 van de Participatiewet en artikel 36 IOAW/IOAZ; b. detachering: de werknemer wordt (tijdelijk) uitgeleend door de werkgever aan een opdrachtgever waar de feitelijke werkzaamheden plaatsvinden; c. doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Participatiewet; d. GRWRE: Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningschap Regio Eindhoven ‘Ergon’; e. jobcoaching: een vorm van persoonlijke ondersteuning die wordt toegekend door UWV of gemeente om ervoor te zorgen dat mensen met een arbeidsbeperking werkzaamheden kunnen uitvoeren in een werkomgeving. De ondersteuning richt zich zowel op werknemer, werkgever als collega. De begeleiding wordt geboden door een erkend deskundige; f. plan van aanpak: plan als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; g. persoonlijke ondersteuning: verzamelbegrip voor begeleidingsaanbod zoals externe werkbegeleiding, interne werkbegeleiding, jobcoaching in natura; jobcoaching via subsidie, nazorg bij stage- of werkaanvaarding, etc.; h. praktijkroute: belanghebbende toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek; i.

uitkeringsgerechtigden: personen die algemene bijstand of een uitkering ontvangen op basis van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ; j. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; k. voorziening(en): door het college noodzakelijk geacht aanbod gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; l. werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst, werkleerovereenkomst of stageovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in of namens zijn organisatie, dan wel dit van plan is; m. werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst, werkleerovereenkomst of stageovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever,

Hoofdstuk 3. Participatie Paragraaf 3.1 Begripsbepalingen Naam gewijzigd omdat er enkel begripsbepalingen in de paragraaf staan. Artikel 3.1 Begripsbepalingen a. Geschrapt omdat er niet langer naar Anw-gerechtigden wordt verwezen in dit hoofdstuk. d. Geschrapt, de vormen van ondersteuning zijn nu uitgesplitst in dit hoofdstuk. f. Geschrapt, dit is toegevoegd als losse voorziening. i. Herformulering, zie k. a. b. c.

Herindeling, was b. Toevoeging Breed Offensief . Toevoeging Breed Offensief. De doelgroep voor de maatregelen van het Breed offensief is in eerste instantie mensen met een arbeidsbeperking. De doelgroep die wij definiëren in de verordening is gelijk aan de doelgroep van de Participatiewet (zie ook definitie belanghebbende 3.1 onder a.) d. Herindeling, was c. e. Toevoeging Breed Offensief. f. Herindeling, was e. g. Toevoeging Breed Offensief. h. Toevoeging Breed Offensief. i. Herindeling was g. j. Herindeling, was h. k. Herformulering van i. l. Toevoeging Breed Offensief. m. Toevoeging Breed Offensief. n. Toevoeging Breed Offensief.

2 Was-wordt-tabel Verordening Sociaal Domein Hoofdstuk 3: Participatie naar aanleiding van wijzigingen Breed Offensief

Paragraaf 3.2 Participatievoorzieningen Artikel 3.2 Opdracht college 1. Het college kan aan belanghebbenden een of meer voorzieningen aanbieden. 2.

3.

Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van een voorziening aan een belanghebbende beoordeelt het college de mogelijkheden, omstandigheden en capaciteiten van belanghebbende in relatie tot de verwachte doeltreffendheid van de voorziening. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van belanghebbende en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a.

de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en

b.

de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.

Het college kan bij het bepalen van het aanbod aan voorzieningen prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden en met maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen.

daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de Participatiewet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is; n. werkbegeleiding: interne begeleiding door een collega of externe begeleiding door een begeleider bij het verrichten van aan de belanghebbende opgedragen werkzaamheden, indien belanghebbende zonder die ondersteuning niet in staat is die werkzaamheden te verrichten. Bij interne werkbegeleiding is er sprake van meer dan de gebruikelijke begeleiding op een werkplek; Paragraaf 3.2 Participatievoorzieningen Artikel 3.2 Algemene bepalingen over participatievoorzieningen 1. Het college kan aan belanghebbende een of meer voorzieningen aanbieden. 2. De werkgever kan volgend uit artikel 10 vijfde lid van de Participatiewet een aanvraag indienen bij het college voor de ondersteuning bij arbeidsinschakeling van een belanghebbende werknemer. 3. Het college houdt bij het aanbieden van de in dit hoofdstuk opgenomen voorzieningen rekening met a. de mogelijkheden, omstandigheden en capaciteiten van een belanghebbende. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van belanghebbende en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk.

Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: 1º de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en 2° de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg; b. andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak; c. het aanbieden van de goedkoopst adequate voorziening; d. de proportionaliteit van de investering ten opzichte van de maatschappelijke en persoonlijke opbrengst. 4. Voorzieningen kunnen niet worden ingezet als daardoor de concurrentieverhoudingen onverantwoord worden beïnvloed of indien dit leidt of kan leiden tot verdringing van reguliere werknemers.

Paragraaf 3.2 Participatievoorzieningen Artikel 3.2 Algemene bepalingen over participatievoorzieningen Herformulering titel artikel. Het onderwerp is nu breder dan alleen de opdracht aan het college. Het betreft alle bepalingen die voor alle voorzieningen gelden. 3. Zie 3. 1. 2.

3.

4.

5. 6. 7.

Ongewijzigd. Toevoeging Breed Offensief, ook werkgevers kunnen de voorzieningen aanvragen. Dit geldt voor alle voorzieningen. Was lid 2. Onderdeel a is ongewijzigd. Onderdeel b, c en d zijn toevoegingen vanuit het Breed Offensief. De Participatiewet verplicht het college om bij het aanbieden van voorzieningen rekening te houden met andere ondersteuning die belanghebbende mogelijk al ontvangt. Ook moet het college de beschikbare midden evenredig verdelen over de doelgroep, hiervoor zijn onderdeel c en d toegevoegd. Onderdeel c en d vervangen samen het oude lid 3. en 3.5 eerste lid. Herindeling was 3.5 derde lid. Als reguliere arbeid mogelijk is, dan is dit het beste en hoogst haalbare voor een belanghebbende. Het is ongepast om dan een voorziening in te zetten als dit niet nodig is en dus de concurrentieverhouding beïnvloed. Herindeling, was artikel 3.3 Verplaatst naar dit artikel omdat dit geldt voor alle participatievoorzieningen. Toevoeging Breed Offensief Herindeling, was 3.5 tweede lid en toevoeging Breed Offensief. Vanwege de toevoeging van alle voorzieningen in de verordening vanuit het oogpunt van harmonisatie en transparantie is het nog belangrijker om de inzet af te bakenen. Zodat de voorziening gebruikt worden door diegene die het echt nodig heeft.

3

5.

6.

7.

Het college kan jaarlijks een of meer budget- en/of subsidieplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Het college kan een voorziening weigeren als: a. de belanghebbende ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; b. de belanghebbende onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; c. de belanghebbende een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of e. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; b. de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c.

de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Participatiewet; d. de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een doeltreffende en doelmatige arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de belanghebbende die gebruik maakt van de voorziening; f. de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of g. de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die 4

in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. Artikel 3.3 Budget- en/of subsidieplafonds Het college kan jaarlijks een of meer budget- en/of subsidieplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen.

Artikel 3.3 Budget- en/of subsidieplafonds Herindeling, tekst verplaatst naar artikel 3.2 vijfde lid.

Artikel 3.3 Specifieke bepalingen over persoonlijke ondersteuning naar en bij werk en overige voorzieningen 1. Deze specifieke bepalingen hebben betrekking op de volgende voorzieningen: a. persoonlijke ondersteuning naar en bij werk, zoals beschreven in artikel 3.12; b. overige voorzieningen: i. Vervoersvoorziening, zoals beschreven in artikel 3.13; ii. Intermediaire voorziening, zoals beschreven in artikel 3.13a; iii. werkplekaanpassing, zoals beschreven in artikel 3.13b. 2. Het college kan persoonlijke ondersteuning naar en bij werk en overige voorzieningen verstrekken aan een belanghebbende die behoort tot de doelgroep. 3. Het college bepaalt na overleg met de belanghebbende, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kan bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 4.

Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de belanghebbende, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, zoals bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel g, onder 1° en 2° van de Participatiewet. 5. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 3.2, de volgende voorwaarden: a. de belanghebbende behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PROonderwijs heeft genoten; b. de belanghebbende wordt zonder deze vorm van ondersteuning mogelijk bijstandsgerechtigd; c. de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden, met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week;

Artikel 3.3 Specifieke bepalingen over persoonlijke ondersteuning naar en bij werk en overige voorzieningen 1. Toevoeging Breed Offensief. De Participatiewet verstaat onder overige voorzieningen enkel de vervoersvoorziening, intermediaire voorziening en meeneembare voorziening (werkplekaanpassing). De gemeenteraad moet vastleggen op welke wijze het college zorg draagt voor het verstrekken van deze overige voorzieningen en persoonlijke ondersteuning. Met dit onderdeel maken we een onderscheid tussen de overige voorzieningen genoemd in de Participatiewet en de voorzieningen die niet genoemd zijn in de Participatiewet maar in deze verordening wel geclassificeerd zijn als overig. 2. Toevoeging Breed Offensief. 3. Toevoeging Breed Offensief. De voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling zijn specialistische voorzieningen. Dat betekent dat er na aanvraag werknemer of werkgever altijd beoordeelt moet worden of de gevraagde voorzieningen de meest passende is voor een belanghebbende. Dit vraagt om een professioneel oordeel. 4. Toevoeging Breed Offensief. De gemeenteraad moet aangeven op welke wijze een belanghebbende integraal wordt ondersteund en hoe er rekening gehouden wordt met andere ondersteuning die iemand ontvangt. 5. Toevoeging Breed Offensief.

De overige voorzieningen en persoonlijke ondersteuning zijn specifieke voorzieningen, de voorwaarden die hierin vermeld staan geven uitdrukking hieraan.

5

d. e.

f.

g.

Artikel 3.4 Onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling 1. Het college kan, voordat besloten wordt tot een reintegratietraject en/of de inzet van voorziening, een onderzoek (laten) doen naar de mogelijkheden van de persoon tot zijn arbeidsinschakeling, dan wel naar de geschiktheid om gebruik te maken van een reintegratietraject en/of een voorziening. 2. Onder een onderzoek als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het deelnemen aan een scholingstraject of werkleertraject als bedoeld in artikel 3.6.

het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk. Artikel 3.4 Onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling Geschrapt, omdat dit een bevoegdheid is die het college heeft op basis van de wet. Door de vele toevoegingen en de lengte van de verordening is er voor gekozen dit artikel daarom te schrappen.

A. Voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling Artikel 3.4. Arbeidsbemiddeling a. De gemeente kan belanghebbende bij het vinden van betaald werk ondersteuning aanbieden in de vorm van arbeidsbemiddeling. b. Het doel van de arbeidsbemiddeling is de mogelijkheden op de arbeidsmarkt te benutten, al dan niet met de inzet van aanvullende, ondersteunende voorzieningen.

Artikel 3.5 Algemene bepalingen over voorzieningen 1. Bij de inzet van voorzieningen kiest het college voor voorzieningen die adequaat en toereikend zijn met als doel het bevorderen van arbeidsinschakeling door het opdoen van werkervaring en arbeidsritme, het aanleren van vaardigheden en kennis, dan wel op een andere wijze vergroten van zelfredzaamheid. 2.

Het college kan een voorziening beëindigen indien: a. de belanghebbende niet meer behoort tot de doelgroep van de Participatiewet of dit hoofdstuk of niet meer voldoet aan de voorwaarden verbonden aan de voorziening; b.

de belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze voorziening;

c.

de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een doeltreffende en doelmatige arbeidsinschakeling.

A. Voorzieningen gericht op arbeidsbemiddeling Artikel 3.4. Arbeidsbemiddeling Toevoeging Breed Offensief. Vanuit het oogpunt van harmonisatie en transparantie toegevoegd aan de verordening, het is echter geen nieuwe voorziening.

Artikel 3.5 Algemene bepalingen over voorzieningen 1. Geschrapt en inhoudelijk verplaatst. Dit lid staat niet langer in deze vorm in de verordening. De inhoud hiervan is ondergebracht in artikel 3.2 derde lid. 2. Verplaatst naar artikel 3.2 zevende lid. a. Verplaatst naar 3.2 zevende lid onder a b. Verplaatst naar 3.2 zevende lid onder c c. Verplaatst naar 3.2 zevende lid onder d 3. Verplaatst naar 3.2 vierde lid . Artikel 3.5 Re-integratietraject Het college kan belanghebbende bij het verkrijgen van betaald werk ondersteuning aanbieden in de vorm van een reintegratietraject.

Artikel 3.5 Re-integratietraject Toevoeging Breed Offensief. Vanuit het oogpunt van harmonisatie en transparantie toegevoegd aan de verordening, het is echter geen nieuwe voorziening.

6

3.

Er kunnen geen voorzieningen worden ingezet als de concurrentieverhoudingen onverantwoord worden beïnvloed of dit kan leiden tot een verdringing van reguliere werknemers. Artikel 3.6 Scholingstraject/werkleertraject 1. Het college kan aan uitkeringsgerechtigden of aan personen die een uitkering op grond van de Participatiewet aanvragen, een scholingstraject/werkleertraject aanbieden.

Artikel 3.6 Scholingstraject en werkleertraject 1. Het college kan aan uitkeringsgerechtigden of aan personen die een uitkering op grond van de Participatiewet aanvragen, een scholingstraject/werkleertraject aanbieden.

2.

Een werkleertraject duurt drie maanden en kan indien noodzakelijk worden verlengd met nogmaals de periode van drie maanden.

2.

Het scholingstraject en/of werkleertraject vindt plaats met behoud van uitkering. Artikel 3.7 Werkstage 1. De werkstage is onderdeel van een re-integratietraject gericht op arbeidsinschakeling.

3.

3.

2.

De werkstage heeft als doel de belanghebbende, indien van toepassing met behoud van uitkering, vaardigheden en kennis te laten opdoen dan wel te onderhouden met betrekking tot aspecten die samenhangen met het verrichten van betaalde arbeid in een bepaalde baan.

3.

De werkstage duurt maximaal 3 maanden. Indien dit noodzakelijk is en hierdoor de kans op arbeidsinschakeling aanmerkelijk wordt verbeterd, kan de periode verlengd worden met maximaal 3 maanden.

Artikel 3.6 Scholingstraject en Werkleertraject Alleen tekstuele wijziging van titel, waarbij “/” in de titel is vervangen door het woord “en”.

Een werkleertraject duurt drie maanden en kan indien noodzakelijk worden verlengd met nogmaals de periode van drie maanden.

Het scholingstraject en/of werkleertraject vindt plaats met behoud van uitkering. Artikel 3.7 Werkstage 1. Het college kan een belanghebbende een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als hij: a. behoort tot de doelgroep; en b. nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. 2. De werkstage is onderdeel van een re-integratietraject gericht op arbeidsinschakeling. 3. De werkstage heeft als doel de belanghebbende, indien van toepassing met behoud van uitkering, vaardigheden en kennis te laten opdoen dan wel te onderhouden met betrekking tot aspecten die samenhangen met het verrichten van betaalde arbeid in een bepaalde baan. 4. In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de werkstage; en b. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt; en c. de duur, deze is maximaal 3 maanden met de mogelijkheid van een eenmalige verlenging. Artikel 3.7a Participatieplaats 1. Het college kan op basis van artikel 10a van de Participatiewet of artikel 38 IOAW/IOAZ een participatieplaats aanbieden aan uitkeringsgerechtigden van 27 jaar of ouder van wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die vooralsnog niet bemiddelbaar is naar regulier werk.

De uitkeringsgerechtigde verricht op arbeidsinschakeling gerichte werkzaamheden die bijdragen aan het versterken van de toekomstige kansen van uitkeringsgerechtigde op de arbeidsmarkt. 2. Het college legt de afspraken over de invulling van de participatieplaats vast in een overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever die de

Artikel 3.7 Werkstage Lid 1 is toegevoegd en het oorspronkelijke lid 3 is herschreven (nu lid 4), beide om het doel, afbakenen en voorwaarden voor de werkstage te verhelderen. Hierdoor zijn het oorspronkelijke lid 1, 2 en 3 opgeschoven naar respectievelijk lid 2, lid 3 en lid 4.

Artikel 3.7a Participatieplaats Herformulering. Sociale activering (maatschappelijke participatie) is geplaatst in 3.8. Bovendien zijn lid 1 en 2 van oud artikel 3.9 samengevoegd tot nieuw 3.7a lid 1. Toevoeging: De afspraken en het doel van de participatieplaats moeten een plek krijgen in de overeenkomst vanuit het oogpunt van duidelijkheid en transparantie. Vandaar dat de voorwaarden expliciet zijn opgenomen in het tweede lid.

7

participatieplaats aanbiedt en de uitkeringsgerechtigde die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. In de overeenkomst wordt ten minste het volgende vastgelegd: a. doel van de participatieplaats; b. beschrijving van de taken en de tijden van aanwezigheid; c. afspraken over begeleiding bij de uitvoering van de werkzaamheden; d. afspraken over de monitoring van de voortgang en de evaluatiemomenten; e. beoogde ontwikkelstappen tijdens de duur van de participatieplaats; f. noodzakelijke inzet van ondersteunende voorzieningen; g. afspraken over aanvullende vergoedingen voor extra kosten van de belanghebbende. 3. De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet bedraagt maximaal € 350,- per zes maanden, mits het college van oordeel is dat belanghebbende in die zes maanden voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. 4. De hoogte van de premie is afhankelijk van het gemiddeld aantal uren per week dat door de uitkeringsgerechtigde is gewerkt in de afgelopen 6 maanden. De maximale premie wordt verstrekt voor het werken van minimaal 24 uren per week. De premie wordt naar rato gekort bij een lager aantal gewerkte uren en verzuim. Artikel 3.7b Proefplaats 1.

Het college kan een uitkeringsgerechtigde toestemming verlenen om voor de duur van twee maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, in het kader van een proefplaatsing bij een werkgever onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. 2. Het doel van de proefplaatsing is de kans op een dienstverband bij de werkgever te bevorderen, waarbij de proefplaatsing voor een zo beperkt mogelijke duur wordt ingezet. 3. Voor een proefplaatsing wordt uitsluitend toestemming verleend als: a. de uitkeringsgerechtigde, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; b. het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op een dienstverband bij de betreffende werkgever;

Artikel 3.7b Proefplaats Toevoeging Breed Offensief. Nieuw in de Participatiewet is de proefplaats. Deze wordt in artikel 6 van de wet, onderdeel h als volgt gedefinieerd: • Proefplaats: Het verrichten van onbeloonde werkzaamheden bij een werkgever voor een beperkte duur gericht op arbeidsinschakeling bij die werkgever. Ook is bepaald in de wet dat de gemeenteraad per verordening moet bepalen: • onder welke voorwaarden de gemeente iemand tijdelijk kan toestaan om met behoud van uitkering op een proefplaats te gaan werken; • onder welke voorwaarden iemand voor een verlenging van 2 naar maximaal 6 maanden in aanmerking komt. Met dit artikel voldoen we aan de wettelijke verplichting en maken we duidelijk waartoe een proefplaats dient en wanneer je er voor in aanmerking komt. 8

c.

4.

5.

6.

als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; d. de werkzaamheden van de uitkeringsgerechtigde niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en e. de werkgever bij aanvang van de proefplaatsing schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de uitkeringsgerechtigde , bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als a. redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de uitkeringsgerechtigde ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk of b. als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de Participatiewet. Als de werkzaamheden tijdens de proefplaatsing wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten. Het college kan een uitkeringsgerechtigde tijdens de periode van de proefplaatsing persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.2.

Artikel 3.8. Persoonsgebonden re-integratiebudget Het college kan aan een belanghebbende een persoonsgebonden re-integratiebudget, gericht op arbeidsinschakeling, aanbieden.

Artikel 3.8. Persoonsgebonden re-integratiebudget Het Persoonsgebonden re-integratiebudget (PRB) als de vorm voor maatwerk is uit de verordening geschrapt omdat binnen alle beschikbare voorzieningen expliciet de ruimte is om het aanbod af te stemmen op de vraag van de inwoner (zie artikel 3.4 en 3.5). Een los artikel over de mogelijkheid om een maatwerk (binnen een) voorziening te ontvangen is daarom niet meer nodig. Artikel 3.8 Sociale Activering 1. Het college kan een belanghebbende die behoort tot de doelgroep, activiteiten in het kader van sociale activering aanbieden indien de mogelijkheid bestaat dat belanghebbende op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen. 2. Het college stemt het aantal uren per week af op de mogelijkheden en capaciteiten van betreffende belanghebbende. Artikel 3.8a Tegenprestatie Bij uitvoering van artikel 9 van de wet ziet het college er op toe dat de uitkeringsgerechtigde zich maximaal naar

Artikel 3.8 Sociale activering Herindeling, was 3.9 (zie ook 3.7a). Tekstuele wijziging ter verduidelijking in verband met splitsing het oude artikel 3.9 in twee artikels (3.7a Participatieplaats en 3.8 Sociale activering).

Artikel 3.8a Tegenprestatie Herindeling van artikel 3.16 naar 3.8a. 9

vermogen inspant om bijstandsonafhankelijk te worden en/of onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden te verrichten. Artikel 3.9 Sociale activering en participatieplaats 1. Het college kan aan een belanghebbende voorzieningen aanbieden die zijn gericht op maatschappelijk functioneren / participeren, ter voorbereiding op arbeidsinschakeling, en, daar waar nodig, ondersteuning bieden. 2. Het college kan op basis van artikel 10a van de Participatiewet of artikel 38IOAW/IOAZ een participatieplaats en scholing aanbieden aan uitkeringsgerechtigden van 27 jaar of ouder, met als doel de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen. 3. Het college verstrekt aan een uitkeringsgerechtigde, die onbeloonde additionele werkzaamheden verricht conform artikel 10a, zesde lid van de Participatiewet, een premie van telkens maximaal € 350,- per 6 maanden. 4. De hoogte van de premie is afhankelijk van het gemiddeld aantal uren per week dat door de uitkeringsgerechtigde is gewerkt in de afgelopen 6 maanden. De maximale premie wordt verstrekt voor het werken van minimaal 24 uren per week. De premie wordt naar rato gekort bij een lager aantal gewerkte uren en verzuim. 5.

De premie, als bedoeld in het tweede lid, wordt geweigerd, indien de uitkeringsgerechtigde naar het oordeel van het college in de periode waarop de premie betrekking heeft, onvoldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op arbeidsinschakeling in het arbeidsproces of de aan de participatieplaats verbonden verplichtingen heeft geschonden. Artikel 3.10 Beschut werk 1. Het college biedt ambtshalve of op verzoek aan de persoon als bedoeld in artikel 10b, eerste lid van de Participatiewet de voorziening beschut werk aan in de vorm van een dienstbetrekking in een beschutte omgeving bij de GRWRE of bij een andere werkgever 2. Om vast te stellen of een persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, gaat het college uit van het advies van het UWV. 3. Om de in artikel 10b lid 1 van de Participatiewet bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken kan het college onder andere de volgende ondersteunende voorzieningen inzetten: a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken;

Artikel 3.9 Sociale activering en participatieplaats Verplaatst en artikel gesplitst naar 3.7a (Participatieplaats) en 3.8 (Sociale activering), zie toelichting daar voor wijzigingen. B. Voorzieningen gericht op gesubsidieerde arbeid Artikel 3.9 Detacheringsbaan 1. Het college kan een belanghebbende een detacheringsbaan aanbieden, waarbij belanghebbende via een andere organisatie bij een werkgever werkt. Die detachering wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever, de andere organisatie en de betreffende belanghebbende. 2. Het doel van een detacheringsbaan is om de belanghebbende de kans te geven betaald werk te verrichten en werkervaring op te doen.

Artikel 3.9 Detacheringsbaan Toevoeging Breed Offensief. Een detacheringsbaan is een van de vormen van gesubsidieerde arbeid. Het is de stap vóór een reguliere plaatsing (met of zonder extra voorzieningen) waarbij belanghebbende in dienst is van het Participatiebedrijf en in overleg bij een extern bedrijf wordt geplaatst voor de werkzaamheden. Het Participatiebedrijf is en blijft de werkgever. Deze voorziening is niet nieuw, maar vanuit het oogpunt van harmonisatie en transparantie opgenomen in de verordening.

Artikel 3.10 Beschut werk 1. Het college verstrekt ambtshalve of op verzoek aan de persoon als bedoeld in artikel 10b, eerste lid van de Participatiewet de voorziening beschut werk aan in de vorm van een dienstbetrekking in een beschutte omgeving bij de GRWRE of bij een andere werkgever. 2. Om vast te stellen of een persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, gaat het college uit van het advies van het UWV. 3. Om de in artikel 10b, eerste lid van de Participatiewet bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken kan het college onder andere de volgende ondersteunende voorzieningen verstrekken: a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken;

B. Persoonlijke ondersteuning naar en bij werk Artikel 3.10 Beschut werk Tekstuele wijziging, in het eerste lid is aanbieden vervangen door verstrekt.

10

c.

aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 4. Het college bepaalt jaarlijks het aantal beschikbare dienstbetrekkingen in een beschutte omgeving en legt dit bij nadere regeling vast. Daarbij neemt het college het bij Ministeriele Regeling vastgestelde minimale aantal in acht. 5. Als er meer personen met een positief advies van het UWV zijn dan het aantal dienstbetrekkingen dat beschikbaar is, dan worden deze personen bij voorrang geplaatst in een dienstbetrekking in het daaropvolgende kalenderjaar. 6. Voor de personen die in een kalenderjaar niet geplaatst kunnen worden omdat het maximaal aantal dienstbetrekkingen is bereikt, kan het college een voorziening inzetten, waarbij werkervaring en arbeidsritme opgedaan wordt.

Artikel 3.11 Loonkostensubsidie 1. Het college biedt loonkostensubsidie aan belanghebbenden met een loonwaarde van 30% tot 80%. 2. Het college waarborgt een evenredige verdeling van de subsidie voor de kosten voor begeleiding op de werkplek, de werkplekaanpassingen en de loonkostensubsidie over de doelgroep loonkostensubsidie met verschillende loonwaarden. Bij de verdeling krijgt een belanghebbende, die gemotiveerd is voor een dienstbetrekking, waarbij loonkostensubsidie wordt verleend, voorrang. 3. Het college kan jaarlijks het subsidieplafond voor de kosten voor begeleiding op de werkplek en de werkplekaanpassingen vaststellen.

c.

4.

5.

6.

aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. Het college bepaalt jaarlijks het aantal beschikbare dienstbetrekkingen in een beschutte omgeving en legt dit bij nadere regeling vast. Daarbij neemt het college het bij Ministeriele Regeling vastgestelde minimale aantal in acht. Als er meer personen met een positief advies van het UWV zijn dan het aantal dienstbetrekkingen dat beschikbaar is, dan worden deze personen bij voorrang geplaatst in een dienstbetrekking in het daaropvolgende kalenderjaar. Voor de personen die in een kalenderjaar niet geplaatst kunnen worden omdat het maximaal aantal dienstbetrekkingen is bereikt, kan het college een voorziening inzetten, waarbij werkervaring en arbeidsritme opgedaan wordt.

Artikel 3.11 Loonkostensubsidie 1. Het college waarborgt een evenredige verdeling van de subsidie voor de kosten voor begeleiding op de werkplek, de werkplekaanpassingen en de loonkostensubsidie over de doelgroep loonkostensubsidie met verschillende loonwaarden. Bij de verdeling krijgt een belanghebbende, die gemotiveerd is voor een dienstbetrekking, waarbij loonkostensubsidie wordt verleend, voorrang. 2. Het college verstrekt de loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, eerste lid van de Participatiewet ambtshalve of op aanvraag. In geval van een aanvraag zijn het vierde tot en met het zevende lid van dit artikel van toepassing. 3. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de belanghebbende, aan de werkgever en de belanghebbende. 4. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een belanghebbende betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de belanghebbende behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de Participatiewet.

Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een belanghebbende als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, van de Participatiewet, wordt de vaststelling of de belanghebbende behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute. 5. Het college stelt binnen 12 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de

Artikel 3.11 Loonkostensubsidie Het oude lid 1 is komen te vervallen omdat de doelgroep beschreven is in artikel 6, lid, onderdeel e van de Participatiewet. De gemeente mag geen onder- en bovengrenzen stellen op het gebied van loonwaarde van de personen die tot de doelgroep behoren. Het oude lid 3 is komen te vervallen in verband met de algemene bepaling in artikel 3.2 lid 5 over budget- en/of subsidieplafonds. Toevoeging derde tot en met vijfde lid vanwege Breed Offensief. Hiermee geven we transparant aan op welke wijze een werknemer of werkgever namens belanghebbende loonkostensubsidie kan aanvragen. Ook maakt lid 5 duidelijk welk proces wij gebruiken voor onder andere loonwaardevaststelling. Hiermee vervalt het oude artikel 3.12. Het opnemen van de wijze waarop een aanvraag plaatsvindt en welk proces wordt gevolgd is een nieuwe verplichting vanuit de Participatiewet (artikel 8a, eerste lid en tweede lid, onder c, van de Participatiewet).

11

6.

werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet. Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht.

Artikel 3.11a Tijdelijke loonkostensubsidie 1. Het college kan op aanvraag of ambtshalve aan een werkgever een tijdelijke loonkostensubsidie toekennen als deze werkgever een belanghebbende met een tijdelijk lagere loonwaarde, en die niet in aanmerking komt voor de loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 3.11, voor minimaal 6 maanden in dienst neemt. De subsidie bestaat uit een vergoeding voor de extra kosten voor begeleiding door de werkgever en een tegemoetkoming voor de eventuele lagere productiviteit. 2. De hoogte van de tijdelijke loonkostensubsidie wordt afgestemd op de loonwaarde van de werknemer. De duur van de loonkostensubsidie wordt afgestemd op de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. 3. De tijdelijke loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 50 procent van de loonkosten gedurende maximaal 6 maanden met een mogelijke verlenging van 6 maanden. 4. De tijdelijke loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op een financiële tegemoetkoming in verband met de indiensttreding van de werknemer of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende ook zonder tijdelijke loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk.

Artikel 3.12 Vaststelling loonwaarde Voor het vaststellen van de loonwaarde van een persoon behorend tot de doelgroep loonkostensubsidie maakt het college gebruik van het een door de Rijksoverheid gevalideerde methodiek.

Artikel 3.11a Tijdelijke loonkostensubsidie Toevoeging vanuit bedoeling Breed Offensief. Doel is om mensen met een arbeidsbeperking beter te ondersteunen naar en bij werk. De voorziening tijdelijke loonkostensubsidie maakt dit mogelijk voor belanghebbende(n) die tijdelijke een arbeidsbeperking hebben. Zo ontstaat er geen afstand tot de arbeidsmarkt door de tijdelijke beperking.

Artikel 3.12 Vaststelling loonwaarde Artikel in deze vorm geschrapt. Onder 3.11 lid 5 is het aanvraagproces loonkostensubsidie gespecificeerd. Hierin wordt verwezen naar het proces dat de gemeente hanteert, in dit geval het preferente proces. In dit proces is onder andere de methode van vaststelling van de loonwaarde bepaald. Het huidige artikel is niet langer nodig. C. Persoonlijke Ondersteuning naar en bij werk Artikel 3.12 Persoonlijke Ondersteuning naar en bij werk B. Het college kan op aanvraag of ambtshalve persoonlijke ondersteuning naar en bij werk verstrekken aan personen behorend tot de doelgroep. C. De persoonlijke ondersteuning naar en bij werk kan op elk moment tijdens het traject naar werk worden aangevraagd of ambtshalve worden ingezet. D. Een aanvraag voor persoonlijke ondersteuning naar en bij werk moet binnen 12 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij de noodzaak voor

C. Persoonlijke Ondersteuning naar en bij werk Artikel 3.12 Persoonlijke Ondersteuning naar en bij werk Toevoeging Breed Offensief. Artikel 8a, tweede lid onder e verplicht de gemeenteraad om regels te stellen over de wijze waarop persoonlijke ondersteuning naar en bij werk wordt geboden. Dit houdt in ieder geval in dat regels over de duur en intensiteit en de kwaliteit van de ondersteuning worden vastgelegd. In het vierde lid staat aan welke kwaliteitseisen een jobcoach moet voldoen. Deze keurmerken en beroepsregisters waarborgen dat de jobcoach inderdaad een professional is. 12

E.

F.

dergelijke ondersteuning redelijkerwijs niet bekend kon zijn vóór of bij aanvang van het dienstverband. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning naar of bij werk verzorgt moet in ieder geval zijn aangesloten bij één van de in dit artikel genoemde keurmerken of beroepsverenigingen: a. Nobco beroepsvereniging met het ‘EIA’ Keurmerk b. Noloc beroepsvereniging met het keurmerk ‘Register Jobcoach’ c. Oval beroepsvereniging d. Hobeon e. NVS beroepsvereniging met het keurmerk ‘nationaal jobcoach register’ Het college biedt door of namens de gemeente gecontracteerde jobcoaches bij voorrang aan op de andere persoonlijke ondersteuning naar en bij werk.

Artikel 3.12a Jobcoaching in natura 1. Het college kan ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden. 2. De hoeveelheid in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de ondersteuningsbehoefte van de betreffende belanghebbende en bedraagt de eerste zes maanden maximaal zesentwintig uur. Indien noodzakelijk kan de inzet worden verlengd met telkens zes maanden tot een maximum van drie jaar. 3. Indien het aantal uren in het voorgaande lid niet toereikend is voor de ondersteuningsbehoefte van de belanghebbende en het noodzakelijk voor de arbeidsinschakeling van belanghebbende is kan het maximaal aantal uren worden verdubbeld. Artikel 3.12b Jobcoaching met subsidie 1. Het college kan op aanvraag subsidie voor het inzetten van jobcoaching verlenen aan de werkgever. 2. Subsidie voor het inzetten van jobcoaching kan worden verleend als: a. de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de belanghebbende behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; b. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; c. de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en d.

de belanghebbende voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever.

Artikel 3.12a Jobcoaching in natura Toevoeging Breed Offensief. Geen nieuwe voorziening. Met betrekking tot de duur en intensiteit is een maximum van zesentwintig uur voor de eerste zes maanden, met een verlenging van telkens zes maanden tot maximaal drie jaar.

Artikel 3.12b Jobcoaching met subsidie Toevoeging Breed Offensief. Jobcoaching met subsidie is mogelijk als een werkgever zelf een jobcoach in dienst heeft of wanneer dit noodzakelijk is voor de ondersteuning. De voorwaarden in dit artikel zijn dan van toepassing.

13

4.

De hoeveelheid in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de ondersteuningsbehoefte van de betreffende belanghebbende en bedraagt de eerste zes maanden maximaal zesentwintig uur. Indien noodzakelijk kan de inzet worden verlengd met telkens zes maanden tot een maximum van drie jaar. 5. Indien het aantal uren in het voorgaande lid niet toereikend is voor de ondersteuningsbehoefte van de belanghebbende en het noodzakelijk voor de arbeidsinschakeling van belanghebbende is kan het maximaal aantal uren worden verdubbeld. 3. Het college kan voor jobcoaching een maximumtarief per uur hanteren dat toereikend is voor de organisatie van jobcoaching, waarbij het college zorgdraagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven. 4. Met instemming van de werkgever en de werknemer voor wie de subsidie wordt verleend, kan de jobcoach mede: a. ondersteuning geven gericht op het vinden van werk; of b. integrale ondersteuning geven bij de overgang van werk naar werk en van werk naar onderwijs. Artikel 3.12c Interne werkbegeleiding 1.

Als een belanghebbende voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. Hierbij geldt als richtlijn dat de subsidie bestaat uit 10% van het aantal uren dienstverband, maal het uurtarief van de begeleider voor de duur van zes maanden, met een eventuele verlenging van twee keer zes maanden indien noodzakelijk. 2. Indien de richtlijn in het eerste lid door omstandigheden niet toereikend is voor de begeleiding kan er subsidie worden verleend voor de aangetoonde meerkosten voor het organiseren van interne werkbegeleiding. 3. Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden. Artikel 3.12d Externe werkbegeleiding 1. Als een belanghebbende voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op extra begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college

Artikel 3.12c Interne werkbegeleiding Toevoeging Breed Offensief. Ook voor interne werkbegeleiding geldt dat de gemeenteraad regels moet stellen over de duur en intensiteit.

Artikel 3.12d Externe werkbegeleiding Toevoeging Breed Offensief. Dit is geen nieuwe voorziening. Deze begeleiding bieden wij normaliter aan onder de noemer nazorg. Vanwege harmonisatie en transparantie nu in de verordening geplaatst. 14

2.

Artikel 3.13 Low-riskpolis Het college stelt bij nadere regeling vast voor welke vergoedingen naar hoogte en duur een werkgever in aanmerking komt bij ziekte van de werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d ontvangt, voor zover artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is.

extra begeleiding of nazorg na plaatsing bieden aan de werknemer en de werkgever voor de noodzakelijke ondersteuning bij het inwerken of het gaan functioneren op de werkplek. Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen personen behorend tot de doelgroep vervolgens zelf te begeleiden. Artikel 3.13 Low-riskpolis Herindeling van 3.13 naar 3.16. Daarnaast een tekstuele wijziging van “Het college stelt bij nadere regeling vast” naar “Het college kan nadere regels vaststellen”.

D. Overige voorzieningen Artikel 3.13 Vervoersvoorziening 1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan belanghebbende die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek of activiteiten in het kader van arbeidstoeleiding kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2. Het college kan een vervoersvoorziening aanbieden als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de belanghebbende kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3. Voor de vaststelling van de hoogte van de vervoersvoorziening maken we gebruik van de geldende normbedragen volgens het UWV met betrekking tot werken onderwijsvoorzieningen. 4. Indien een taxi de goedkoopst adequate voorziening is, bedraagt de hoogte van de vervoersvoorziening het in de markt reguliere tarief voor een taxi. 5. De hoogte van de vergoeding hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt 6. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. 7. Het college kan nadere regels vaststellen over de vervoersvoorziening. Artikel 3.13a Intermediaire voorziening 1.

Het college kan een voorziening toekennen in de vorm van een intermediaire activiteit die bedoeld is ter vervanging of ondersteuning van een visuele of motorische lichaamsfunctie die als gevolg van ziekte of beperking geheel of gedeeltelijk ontbreekt. De

D. Overige voorzieningen Artikel 3.13 Vervoersvoorziening Toevoeging Breed Offensief. Artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, onder 1°, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een vervoersvoorziening die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken.

Artikel 3.13a Intermediaire voorziening Toevoeging Breed Offensief. Artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, onder 2°, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een noodzakelijke intermediaire 15

toekenning van deze intermediaire voorziening is noodzakelijk voor belanghebbende om te kunnen werken of om deel te nemen aan arbeidstoeleiding; 2. Voor het bepalen van de omvang van de intermediaire activiteit maken we gebruik van de geldende normbedragen zoals vastgesteld door het UWV voor werk- en onderwijsvoorzieningen. Deze normbedragen dienen als richtlijn bij het vaststellen van de benodigde ondersteuning. Artikel 3.13b Werkplekaanpassing 1. Het college kan een werkplekaanpassing toekennen in de vorm van een meeneembare of niet-meeneembare voorziening wanneer dit nodig is voor de belanghebbende om te kunnen werken. 2. Het verstrekken van een meeneembare of nietmeeneembare voorziening omvat het voorzien in benodigdheden voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en hulpmiddelen die nodig zijn voor of bij het werk of opleiding. 3. Er is geen limitatieve lijst van meeneembare of nietmeeneembare voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare of niet-meeneembare voorziening worden beschouwd, mits de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. 4. De meeneembare wordt in beginsel in bruikleen verstrekt. Wanneer een voorziening specifiek op maat is gemaakt voor een belanghebbende, kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken.

Artikel 3.14 Studietoeslag 1. Het college kan een individuele studietoeslag, als bedoeld in artikel 36b van de Participatiewet, van maximaal €1.800,- per 6 maanden verlenen. 2. Het college stelt bij Nadere Regeling vast: a. de hoogte van de studietoeslag en b. de frequentie van betaling van de studietoeslag. 3. Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van 6 maanden in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. 4. Het college kan besluiten het bedrag genoemd in het eerste lid voor een of meerdere kalenderjaren te wijzigen danwel de indexering niet toe te passen voor een of meerdere kalenderjaren.

Artikel 3.15 Overige voorzieningen Het college kan een vergoeding verstrekken voor noodzakelijke kosten die gemaakt worden in het kader van arbeidsinschakeling, tenzij

activiteit in het geval er sprake is van een visuele of motorische handicap.

Artikel 3.13b Werkplekaanpassing Toevoeging Breed Offensief. Artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, onder 3°, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van meeneembare voorzieningen voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen De Participatiewet schrijft niet voor dat de gemeenteraad regels moet opnemen in de verordening over het verstrekken van niet-meeneembare voorzieningen. Dit is wel in lijn met het doel van het Breed Offensief, de arbeidsmarktkansen van mensen met een arbeidsbeperking verbeteren. De werkplekaanpassing stond in de voorgaande verordening bij beschut werk. Met dit artikel is deze ook door andere belanghebbenden aan te vragen. Artikel 3.14 Studietoeslag De studietoeslag is sinds 1 januari 2022 geen vorm van bijstand meer, maar valt nog wel onder de Participatiewet. Aangezien de studietoeslag volgt uit de Participatiewet is het artikel hier geschrapt maar is uitgewerkt in artikel 3.7 de nadere regeling sociaal domein. Het is daarom niet langer nodig deze ook in de verordening te hebben staan.

Artikel 3.14 Verwervingskosten (werkbudget) 1. De gemeente kan de incidentele of tijdelijke kosten vergoeden die de inwoner moet maken om werk te krijgen of te behouden, zoals: a. Een vergoeding voor kinderopvang; b. Reiskosten. 2. Het college kan in nadere regels vaststellen over het werkbudget.

Artikel 3.14 Verwervingskosten (werkbudget) Toevoeging vanwege harmonisatie en transparantie Breed Offensief. Verwervingskosten worden al ingezet voor belanghebbenden die dit nodig hebben. Met dit artikel maken we dit transparant.

Artikel 3.15 Overige voorzieningen Artikel in bestaande vorm geschrapt. Niet langer relevant omdat de beschrijving van alle voorzieningen alle ruimte biedt voor maatwerk. 16

a.

b.

een beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening die gezien de aard en doel wordt geacht voor belanghebbende toereikend en passend te zijn; de voorziening wordt aangeboden in de vorm van een subsidie. In dat geval zijn de voorwaarden en verplichtingen van de ASV en de daarop gebaseerde nadere regeling van toepassing.

Artikel 3.15 Werkbonus Met een werkbonus wil het College stimuleren dat inwoners die aan het werk gaan en niet langer een bijstandsuitkering nodig hebben aan het werk blijven. Het college kan nadere regels vaststellen over de hoogte van de werkbonus en de voorwaarden voor de werkbonus.

Artikel 3.16 Tegenprestatie

Paragraaf 3.4 Handhaving Artikel 3.28 Jongeren 1. Indien een jongere in de 4 weken na melding geen of onvoldoende inspanningen heeft gedaan om geaccepteerde arbeid en/of mogelijkheden in regulier bekostigd onderwijs te verkrijgen wordt een maatregel opgelegd van 40%. 2. Indien een jongere onvoldoende meewerkt aan het opstellen of uitvoeren of evalueren van een plan van aanpak, wordt een maatregel opgelegd van 40%.

Artikel 3.29 Algemeen geaccepteerde arbeid trachten te verkrijgen

Artikel 3.15 Werkbonus Vanuit het oogpunt van transparantie en harmonisatie is de Werkbonus extra opgenomen in de verordening. De werkbonus was opgenomen in de nadere regeling sociaal domein onder artikel 3.11. Het betreft ook een bevoegdheid die het college al heeft.

Artikel 3.16 Tegenprestatie Herindeling van 3.16 naar 3.8a. Artikel 3.16 Low-riskpolis Het college kan nadere regels vaststellen voor welke vergoedingen naar hoogte en duur een werkgever in aanmerking komt bij ziekte van de werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d ontvangt, voor zover artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is. Paragraaf 3.4 Handhaving Artikel 3.28 Jongeren 1. Indien een jongere, waarvoor de vierweken zoektermijn als bedoeld in artikel 41, vierde lid van de Participatiewet van toepassing is, in de vier weken na melding geen of onvoldoende inspanningen heeft gedaan om geaccepteerde arbeid en/of mogelijkheden in regulier bekostigd onderwijs te verkrijgen, wordt een maatregel opgelegd van 40%. 2. Indien een jongere onvoldoende meewerkt aan het opstellen of uitvoeren of evalueren van een plan van aanpak, wordt een maatregel opgelegd van 40%. Artikel 3.29 Algemeen geaccepteerde arbeid proberen te verkrijgen

Artikel 3.16 Low-riskpolis Herindeling van 3.13 naar 3.16. Daarnaast een tekstuele wijziging van “Het college stelt bij nadere regeling vast” naar “Het college kan nadere regels vaststellen”.

Paragraaf 3.4 Handhaving Artikel 3.28 Jongeren Wijziging, In verband met het Breed Offensief is artikel 41, vierde lid van de Participatiewet aangepast. De aanpassing zorgt voor een uitzondering voor een specifieke doelgroep van jongeren tot 27 jaar op de vierweken-zoektermijn. Daarom wordt dit artikel aangepast, zodat duidelijk is dat handhaving alleen geldt voor jongeren waar de vierweken zoektermijn van toepassing is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13322941/4