CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Clusterpaspoort Cluster 9C Knoop XL

Raadsvergadering 1 juli 2025, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Plangrenswijziging Fellenoord11.985 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Clusterpaspoort Ontwikkelvisie Fellenoord Cluster 9c

Vastgesteld door het college van B&W d.d. .... Gemeente Eindhoven KCAP

TU Eindhoven

or Dr. Profess

laan

Dorgelo

Gemeentewerf Remise

9c EY

Kantoorgebouw Dorgelo

Inhoudsopgave 1. Introductie

4

2. Programma en functies

10

3. Stedebouw

12

4. Mobiliteit

18

5. Klimaat(bestendigheid), gezondheid en circulariteit

20

6. Energie

23

7. Milieuaspecten

25

8. Techniek, conditionering en ondergrond

26

9. Samenwerking, participatie en placemaking

28

10. Instrumenten planuitwerking en planproces anterieure overeenkomst

29

Bijlage A. Invulling geven aan de Kritieke Prestatie Indicatoren (KPI’s)

1. Introductie

A. Het clusterpaspoort voor Cluster 9c In maart 2021 is de Ontwikkelvisie Fellenoord (hierna: Ontwikkelvisie) vastgesteld door de gemeenteraad. Deze Ontwikkelvisie is de basis voor de verdere ontwikkeling van dit gebied en geeft uitgangspunten mee voor de verschillende thema’s die van belang zijn in de planuitwerking. In dit clusterpaspoort zijn deze uitgangspunten en doelstellingen vertaald naar Cluster 9C en de openbare ruimte binnen het cluster. Kantoorgebouw Dorgelo (Prof. Dr. Dorgelolaan 30) en de locatie Prof. Dr. Dorgelolaan 40 behoren niet tot het plangebied van de gebiedsontwikkeling zoals aangegeven op pagina 11 van de Ontwikkelvisie. Om moverende redenen is ervoor gekozen om beide locaties op te nemen in het clusterpaspoort zonder daarmee de KPI’s voor Fellenoord te wijzigen, onder de noemer Cluster 9C. Alle clusterpaspoorten voor de gebiedsontwikkeling Fellenoord worden vastgesteld door het college van B&W van de gemeente Eindhoven. Vooraf worden deze in de raadscommissie Knoop XL gepresenteerd, in aanwezigheid van de verantwoordelijk wethouder, conform Amendement Raad in Positie. Omwille van de leesbaarheid wordt in dit clusterpaspoort waar mogelijk via dynamische verwijzingen verwezen naar de Ontwikkelvisie en andere toepasselijke wet- en regelgeving. Hierbij wordt verwezen naar de betreffende regeling, opvolgende regelingen gelden bij de toetsing van het plan.

Planontwikkeling Voor de voorbereiding, uitvoering en gebruiksfase van de ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met de actuele gemeentelijke verordeningen, gemeentelijk beleid, gemeentelijke handboeken en geldende wet- en regelgeving. De Ontwikkelvisie, dit clusterpaspoort en de door de gemeenteraad vastgestelde Kritieke Prestatie Indicatoren (KPI’s) voor de gebiedsontwikkeling Fellenoord, en het op te stellen Ruimtelijk Raamwerk en een Programma van Eisen voor de semi- openbare ruimte vormen de basis voor de verdere planuitwerking voor dit cluster. Deze documenten zijn daarmee het kader voor de eigenaar of initiatiefnemer

4

Cluster 9c

om in samenspraak met de Ontwikkelingsmaatschappij Gebiedsontwikkeling Fellenoord B.V. (hierna: Ontwikkelingsmaatschappij) tot invulling van een realistisch plan voor dit cluster te komen. Invulling geven aan de Kritieke Prestatie Indicatoren (KPI’s) Bij de voorbereiding van het oprichten van de Ontwikkelingsmaatschappij zijn zogenaamde Kritieke Prestatie Indicatoren (KPI’s) opgesteld. De kaders en uitgangspunten zoals opgenomen in dit clusterpaspoort zijn getoetst aan de KPI’s.

Factsheet Cluster 9C

Indicatief laadvermogen bovengronds: max. 50.500 m2 bvo waarvan max. 38.500 m2 bvo nieuw toe te voegen programma Oppervlakte Cluster 9C: Totaal: 15.275 m2 Dichtheid Cluster 9C: Totaal: FSI 3,3 Ontwikkelbaarheid / randvoorwaarden: Direct beginnen. Aandachtspunten zijn: bouwen naast het spoor, situatie kabels en leidingen en groen binnen het cluster Aantal partijen: 1 Type partijen: private partij Uitwerking: eigenaar maakt stedebouwkundig plan

TU Eindhoven

n

rgelolaa

r Dr. Do

Professo

Gemeentewerf

9c Kantoorgebouw Dorgelo

9c

Het (indicatieve) raamwerk openbare ruimte met daarin de clusters aangegeven Clusterpaspoorten Fellenoord - gemeente Eindhoven [NL]

5

B. Ontwikkelvisie Fellenoord

De Fellenoord (niet de Prof. Dr. Dorgelolaan zelf ) transformeert van hoofdweg voor autoverkeer naar een autoluwere stadsboulevard. Door deze substantiële afwaardering wordt het gebied heringericht met focus op langzaam verkeer. Door de overmaat aan verkeersruimte terug te brengen tot 45 meter ontstaat enerzijds een prettige, oversteekbare boulevard en anderzijds veel nieuwe ontwikkelruimte. Deze ruimte wordt aangewend voor een verdichtingsstrategie met als resultaat een stedelijk milieu dat bestaat uit een typologie van gesloten en halfopen bouwblokken. Op flexibele wijze kunnen hoogteaccenten geplaatst worden, zodat een sterk gedefinieerd netwerk van openbare ruimten ontstaat. Daarmee biedt de Ontwikkelvisie ruimte aan diverse toekomstige initiatieven. Bovendien scheppen deze ingrepen condities voor een nieuw type stedelijk gebied met een nieuw vestigingsklimaat als onderdeel van het stadscentrum. De ontwikkeling van een nieuw busstation en de transformatie naar multimodale hub maakt station Eindhoven een belangrijk internationaal knooppunt. Dat biedt bovendien kansen om te werken aan het visitekaartje van Brainport Eindhoven met een fraai, nieuw stationsplein.

De lange termijn ambitie van de Ontwikkelvisie is om met een verbreding van het Dommeltunneltje onder het spoor naast het verbreden van het Dommeldal ook een nieuwe stationsentree te realiseren, om zo op termijn de universiteit en het gebied rond Cluster 9 beter bereikbaar te maken. Aan de oostzijde krijgt het Dommeldal meer ruimte en wordt het groene karakter zoveel mogelijk verweven met de stad. Door sterkere programmering van de groene ruimte ontstaat een stedelijk stadspark.

6

Cluster 9c

Montgomer ylaan

Indicatieve verkaveling uit de Ontwikkelvisie Fellenoord

Kruisstraat

De spoorzone in Eindhoven speelt een sleutelrol in de groei van de stad en het versterken van haar positie als hart van de high-tech maakindustrie van Brainport Eindhoven. Het stationsgebied transformeert van een monofunctioneel gebied, gekarakteriseerd door verkeersruimte en kantoren, naar een levendig en gemengd stadsdistrict met bebouwing van hoge dichtheid. In de Ontwikkelvisie komen verschillende ambities en thema’s bij elkaar zoals gezonde verstedelijking, klimaatadaptatie, maatschappelijke opgaven, de implementatie van een stedelijke mobiliteitsstrategie en de ontwikkeling van een nieuw busstation.

or

sto

Pa

P

t

aa str

r ete

d noor

Felle

9c

C. Raamwerk en ontwikkelclusters Het plangebied van de gebiedsontwikkeling Fellenoord is onderverdeeld in 11 ontwikkelclusters. De kavels van elk ontwikkelcluster dienen in relatie tot elkaar uitgewerkt te worden om de hoge ambities van Fellenoord te kunnen waarmaken. Dit kan betekenen dat samenwerking nodig is voor de eigenaren binnen een cluster. De openbare ruimte buiten de clusters maakt onderdeel uit van het Ruimtelijk Raamwerk, waarin de uitgangspunten voor de herinrichting en ontwikkeling van de openbare ruimte worden opgenomen. Het raamwerk biedt daarmee een kader waarbinnen de openbare ruimte verder wordt uitgewerkt in een schetsontwerp, voorlopige ontwerpen (VO’s) en definitieve ontwerpen (DO’s). Het Ruimtelijk Raamwerk wordt vastgesteld door de Gemeenteraad.

3

1a

2

1b

11

6 4

10

7

8

9a

9b

9c

5

Het (indicatieve) raamwerk openbare ruimte met daarin de clusters aangegeven

9c

Ontwikkelgebied Bijzonder verblijfsgebied waarmee Knoop XL verbonden is. Hoofdroute voetganger Semi-openbare route voetganger Begeleidende bebouwing stadssboulevard Clusters Huidige percelen Hoofdstructuur groen Groene verbinding op niveau Ruimtelijke uitgangspunten raamwerk

Clusterpaspoorten Fellenoord - gemeente Eindhoven [NL]

7

D. Karakter en positionering van Cluster 9c Positionering Cluster 9C bevindt zich langs de Prof. Dr. Dorgelolaan (hierna: Dorgelolaan) in Eindhoven, ten oosten van Cluster 9B. Het cluster vormt een belangrijke schakel tussen TU/e en de Fellenoord en functioneert tevens als verlenging van het stationsgebied. Aan de noordzijde ligt het cluster prominent aan de auto- en snelfietsroute richting het stationsgebied. Het cluster wordt omzoomd door groen en bos, dat onderdeel is van groene wig de Karpen. Deze kwaliteit moet behouden blijven en versterkt worden. Deze groene structuur is belangrijk, want hij vormt een verbinding naar het beekdal van de Dommel. Tegelijk zijn de groene gebieden tussen de bestaande bebouwing en ontwikkelkavels belangrijk vanwege hun ecologische waarde en om aan te sluiten bij het groene campusmilieu van de TU/e.

Indicatieve volumeopbouw uit de Ontwikkelvisie Fellenoord

9c

Karakter Door met Cluster 9 aan te sluiten op de TU/e campus, blijft de Dorgelolaan niet langer een scheiding tussen twee werelden, maar wordt deze veel meer een parkway op de campus. Het cluster vormt samen met de TU/e campus de entree van het stationsgebied vanuit oostelijke richting. Binnen het cluster is het de ambitie om samen met de grondeigenaar/initiatiefnemer een bij de campus passende woonfunctie mogelijk te maken. Om invulling te geven aan deze ambitie is het streven om ook voorzieningen aan de nieuwe bebouwing toe te voegen passend bij de programmering van de TU/e campus. De nieuwe ontwikkeling maakt onderdeel uit van een gebied bestaande uit sprekende gebouwen in een groen landschap van (broek)bossen. Een bijzondere opgave die vraagt om andere kwaliteiten en inrichting van openbare ruimte en inpassing van nieuwbouw in deze ruimtelijke omgeving.

Prof Dr. Dorgelolaan + kantoorgebouw Dorgelo

8

Cluster 9c

Doorfietspad en groenstrook

Groene coulissen

9c

*

9c

Ligging Cluster 9c aan de rand van het dwaalmilieu en netwerk van langzaamverkeerroutes

9c

*

Ligging Cluster 9c en de belangrijke noord-zuid verbindingen van Fellenoord

Ligging Cluster 9c binnen het programmatische conceptdeelgebied congres, onderwijs en wonen in hoogstedelijk groen

Clusterpaspoorten Fellenoord - gemeente Eindhoven [NL]

9

2. Programma en functies Voor Fellenoord ligt de ambitie om een levendig en stedelijk woon – werkmilieu te creëren met bijhorend (maatschappelijk) voorzieningenniveau. Een inclusief gebied waar iedereen een plekje kan hebben, waar de woonbeleving centraal staat en mensen zich thuis voelen. Fellenoord wordt daarnaast een knooppunt van vervoermiddelen, wandel- en fietsroutes en een gebied met (inter)nationale allure. Invulling en verdeling programma Cluster 9C Conform de Ontwikkelvisie is voor het hele gebied Fellenoord de ambitie om te komen tot een programmamix met 70% wonen, 15% werken en 15% voorzieningen. Fellenoord is een etalage waar technologie, design en kennis samenkomen en voelbaar zijn in de programmering en de openbare ruimte. Dit vraagt om bijzondere en zichtbare functies met een TDK-profiel in de plinten en openbare ruimte. Dit kan tot uiting komen door bijvoorbeeld studenten van de TU/e, Fontys, Summa of Design Academy te betrekken bij de planontwikkeling. Inzet is een gebied met kenmerken van een ‘metropolitaan woonmilieu’ en ‘innovatiedistrict’. Daarbij hoort een hoge dichtheid en een menging van functies. Voor het programma van Cluster 9C gelden de onderstaande uitgangspunten. In de volgende paragrafen van dit hoofdstuk volgt op onderdelen een nadere toelichting. • Het indicatief laadvermogen voor Cluster 9C is max. 38.500 m2 bvo nieuwbouw, en ca.

50.500 m2 bvo incl. bestaande bebouwing. • Er bevindt zich in Cluster 9C ca. 12.000 m2 bvo aan bestaande bebouwing. Voor de bestaande bebouwing (kantoorgebouw Dorgelo) blijft behoud het uitgangspunt. • Op deze plek ligt de focus op wonen voor studenten vanwege de nabijheid van de TU/e campus (zie ook doelstelling wonen). • De nabijheid van de TU/e campus maakt dat Cluster 9C een logische plek is voor functies ondersteunend aan het campuslandschap, gedacht kan worden aan bijeenkomstfuncties of een regionale onderwijsvoorziening gelieerd aan de TU/e campus. • De aanwezigheid van kantoorgebouw Dorgelo maakt het minder voor de hand liggend om extra werkprogramma

• •

•

•

toe te voegen aan het cluster. De algemene doelstelling voor werken is om die reden buiten beschouwing gelaten. Deze uitgangspunten leiden daarmee tot de volgende clusterspecifieke programmamix: Het nieuw toe te voegen programma richt zich met name op wonen. Uitgangspunt is om 100% van het woonprogramma studentenwoningen te realiseren, waarvan een aanzienlijk deel onzelfstandig (streven is een minimaal percentage van 50% onzelfstandig). In afwijking van de verdeling in wooncategorieën zoals opgenomen in de Ontwikkelvisie geldt binnen Cluster 9C de volgende differentiatie: 100% betaalbare huur waarvan minimaal 85% sociaal (huurniveau onder de liberalisatiegrens). 2,5% tot 5% van het totale nieuw toe te voegen programma van Cluster 9C bestaat uit gemeenschappelijke voorzieningen om ontmoeting tussen bewoners te stimuleren. Dit kan zowel een voorziening op gebouwniveau als een gemeenschappelijke woonkamer voor een groepswoning zijn. Het percentage voor gemeenschappelijke voorzieningen hangt in belangrijke mate samen met het beoogde woonprogramma (bij meer zelfstandige woonruimten neemt de noodzaak voor gemeenschappelijke ruimten op gebouwniveau toe om daarmee eenzaamheid tegen te gaan). 5% tot 10% van het totale nieuw toe te voegen programma van Cluster 9C bestaat uit (goed toegankelijke) voorzieningen, met name passend bij het campuslandschap en het TDK-profiel.

Te denken hierbij valt aan een onderwijsvoorziening (bijv. VO-dependance) of een ontmoetingsplek met ondersteunende horeca. Bij de invulling van het voornoemde richtpercentage voor voorzieningen dient de initiatiefnemer nader onderzoek te doen naar de concrete behoeftes en wensen in de omgeving. Nieuw toe te voegen programma

85% - 92,5% 0%

Onderwijs gerelateerde voorzieningen en TDK-ruimtes

5% - 10%

Commerciële voorzieningen Niet-commerciële voorzieningen (gemeenschappelijke voorzieningen ten dienste van studentenhuisvesting) Vastgoed-specials

Tabel: richtpercentages programmamix excl. parkeren

10

Cluster 9c

Aandeel

Wonen Kantoren

0% 2,5% - 5% 0%

Doelstelling wonen In Cluster 9C zal de nadruk liggen op woonruimten voor studenten. De opgave om extra woonruimten voor studenten toe te voegen bestaat uit een gezonde mix van zelfstandige en onzelfstandige woonruimten. Een zelfstandige woonruimte beschikt over een eigen toegang, keuken, toilet en douche of bad. Bij onzelfstandige woonruimten valt te denken aan groepswoningen (meerdere kamers met een gemeenschappelijke woonkamer, keuken en badkamer) of ‘Friendswoningen’ vanaf 3 personen. Het in 2021 overeengekomen Convenant studentenhuisvesting 2021-2028 en de afspraken tussen Rijk en regio onder de noemer ‘Project Beethoven’ legitimeren deze behoefte aan studentenwoningen en in het bijzonder onzelfstandige woonruimten. Binnen het convenant wordt een verhouding van 60% onzelfstandig en 40% zelfstandig nagestreefd. Voor een goed woonklimaat in Cluster 9C, zijn gemeenschappelijke ruimten en goed functionerende collectieve voorzieningen (zoals bv. een keuken of wasruimte) essentieel. Gebouwen worden zo ontworpen, dat ze ontmoeting en communityvorming stimuleren om daarmee eenzaamheid te voorkomen. Te denken hierbij valt aan gemeenschappelijke ruimten zoals een centrale hal of daktuin waar bewoners samen kunnen komen om te ontspannen of activiteiten te ondernemen.

Doelstelling voorzieningen en plintenprogramma In de directe nabijheid van Cluster 9C bevinden zich onderwijsinstellingen zoals de TU/e, Fontys en Summa. Gezien de situering van dit cluster, de te verwachten toekomstige behoefte en het bestaande aanbod in de directe omgeving zien we met name ruimte ontstaan voor voorzieningen met een bijeenkomst- of onderwijsfunctie passend bij het campuslandschap, eventueel aangevuld met ondersteunende horeca. Voorzieningen die bedoeld zijn voor een breed publiek zoals horecaclusters, cultuurclusters en detailhandel zijn hier minder passend, gezien de ligging van het cluster. Bij de inpassing van de gewenste voorzieningen dient rekening gehouden te worden dat sommige functies niet in de buurt van het spoor kunnen komen. Dit geldt met name voor functies die bestemd zijn voor het verblijf van groepen

verminderd zelfredzame personen. Daartoe behoren in ieder geval (psychiatrische) ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen, basisscholen, sociale werkplaatsen, of gebouwen of gedeelten daarvan bestemd voor dagopvang van minderjarigen. De invulling van de begane grond (‘plint’) gecombineerd met de openbare ruimte is zeer bepalend voor de beleving van het gebied. De plint moet bijdragen aan de realisatie van de ambitie voor dit ontwikkelgebied. Binnen Cluster 9C is de gewenste plintinvulling voorzieningen ondersteunend aan het campuslandschap. In de plint kunnen ook woonen/of werkgerelateerde functies landen als dat collectieve ruimten of openbaar toegankelijke (TU/e) werk- of ontmoetingsplekken betreft. Parkeerplaatsen voor zowel fiets als auto worden zoveel mogelijk in een ondergrondse parkeergarage gesitueerd, zodat de plint beschikbaar blijft voor voorzieningen. Sociale veiligheid – zien en gezien worden Er wordt binnen Cluster 9C en de overige clusters veel aandacht gegeven om binnen- en buitenruimten sociaal veilig vorm te geven. Dit om anonimiteit in de (semi-) openbare ruimten en binnen de gebouwen te voorkomen. Een integrale aanpak bij ontwerp en beheer van bebouwing en de inpassing van voorzieningen in het gebied zal bijdragen aan de versterking van de sociale basis en een prettig verblijfs- en woongebied voor bewoners en gebruikers.

Andere paragrafen van het clusterpaspoort refereren hier ook aan c.q. zien het belang hiervan (o.a. voorzieningen, plinten, groen en gezondheid). Deels is dit een opgave op gebouw- en clusterniveau maar ook met aanpassingen aan de openbare ruimte buiten het cluster (i.c. de Dorgelolaan als onderdeel van het Ruimtelijk Raamwerk) kan een belangrijke invloed worden uitgeoefend op het veiligheidsgevoel. Bij de ontwikkeling van bebouwing binnen het cluster zal het stimuleren van ontmoeting een van de speerpunten zijn. Dit gaat de eenzaamheid van bewoners tegen, is een goed middel om ondermijning te bestrijden, draagt bij aan een verhoogde woonkwaliteit en betrokkenheid en beperkt de kans op anonimiteit en verloedering. Elk nieuw initiatief moet

dan ook een onderbouwing geven over hoe ontmoeting wordt georganiseerd in en rondom het gebouw. Uitgangspunt hierbij is dat anonimiteit pas achter de eigen voordeur begint en de gemeenschappelijke ruimten in een gebouw hoogwaardig worden vormgegeven. Daarnaast gelden de volgende uitgangspunten waar in de planvorming op getoetst gaat worden: • Elk gebouw heeft gemeenschappelijke centrale ruimte(n) waar uitwisseling tussen personen en functies centraal staat. Bijvoorbeeld de voetgangersingang naar de parkeergarage, de plek waar mensen pakketjes kunnen afhalen of een collectieve wasserette. • In het gebouw worden routes zo vormgegeven dat vanuit elke entree (ook parkeren) de gemeenschappelijke ruimte onderdeel van die route is. Het is niet mogelijk direct vanuit de parkeergarage naar de woonverdieping te gaan. Iedere bewoner komt eerst door de centrale ruimte voordat hij/zij naar de woonverdieping kan gaan. • De liften zijn voor alle bewoners en gebruikers van het gebouw toegankelijk. Er wordt geen onderscheid gemaakt in doelgroepen. • Andere elementen die toevallige ontmoetingen stimuleren kunnen ook hoger in het gebouw een plaats krijgen. Vormen van sport of een andere activiteit, een gemeenschappelijke keuken of een kas op het dak. • Transparantie van ruimten is ook cruciaal voor sociale veiligheid. Voorbeelden zijn de lift of een fietsenstalling.

Door ook de lift transparanter te maken is er meer zichtbaarheid en daarmee meer sociale controle op wie zich in de hoogbouw begeven en wat zij doen. • Het plaatsen van camera’s in de gemeenschappelijke ruimten kan eventueel ook bijdragen aan veiligheid.

Als gevolg van de realisatie van Cluster 9A (TDM) en de optredende schaduwwerking wordt onderzocht of de testopstelling verplaatst dient te worden. Binnen Cluster 9C dient de initiatiefnemer een nieuwe locatie voor de testopstelling in te passen.

TNO SolarBEAT SolarBEAT (Solar Building Elements Application Testing) is een outdoor testfaciliteit van TNO en Technische Universiteit Eindhoven (TU/e). Op het dak en de gevels van het Vertigogebouw testen en monitoren wetenschappers en bedrijven zonne-energietechnieken en hun toepassingen, onder meer zonneramen, zonnegevels, balkonhekken en zonnedakpannen.

Clusterpaspoorten Fellenoord - gemeente Eindhoven [NL]

11

3. Stedebouw Algemeen

3.1 Volumeopbouw

Alle bebouwing in Fellenoord wordt gerealiseerd in clusters. Clusters zijn geen individuele gebouwen, maar stedebouwkundige eenheden binnen het gebied. Individuele plannen binnen een cluster dienen altijd in de context van de opzet van het cluster te worden uitgewerkt op alle aspecten die in het clusterpaspoort worden genoemd. Met andere woorden, er dient een integrale en samenhangende visie op clusterniveau te zijn, alvorens tot individuele gebouwontwikkeling kan worden overgegaan.

De gebouwen in Cluster 9C bestaan uit stevige en sprekende gebouwen in het groen. De bebouwing heeft een hoogte van maximaal 74 meter excl. energiedak. Hiermee wordt aansluiting gezocht met de (nieuwe) bebouwing van de TU/e campus. Tevens biedt dit de kans om de Dorgelolaan als entree voor Knoop XL neer te zetten. De gebouwen begeleiden de openbare ruimte en bevatten een hoge plintruimte met daarboven verdiepingen voor wonen. In de plint is ruimte voor campus ondersteunende en gemeenschappelijke voorzieningen.

Hoofdvolume en opbouw Door de specifieke ligging aan het spoor, in het groen en relatie met de TU/e campus, is ervoor gekozen om de gebouwen in Cluster 9 een afwijkende opbouw ten opzichte van de gebouwen in de overige Fellenoord clusters mee te geven. De gebouwen hebben een duidelijke plint met direct daarboven een hoogbouwlaag. Het uitgangspunt voor de ontwikkelingen in Cluster 9C is een alzijdig en helder leesbaar volume. Hiermee sluiten de volumes aan op de eenduidige volumes van de TU/e campus.

Dorgelolaan 40

9c kantoorgebouw Dorgelolaan 30 Dorgelo

Ca 9

3m 9b

Ca 4

3m

indicatief beeld van een mogelijke volumeopbouw voor cluster 9c

12

Cluster 9c

Coulissenlandschap

Plint • Plinthoogte (min. 7 meter)

De verschillende zijdes reageren op hun context: in het oosten en westen op het groene microklimaten, aan de noordzijde op de Dorgelolaan en aan de zuidzijde maakt het gebouw onderdeel uit van het spoorlandschap. Verfijningen in expressie bijv. aan de kopse kanten maken de gebouwen eleganter vanuit de dominante ‘aanrijrichtingen’ (oost-west).

Hoogbouwlaag • In de hoogbouwlaag zijn de verschillende programma’s goed afleesbaar in de gevel, denk aan collectieve ruimten of sportvoorzieningen. • Binnen een cluster ontstaat een divers beeld doordat hoogteaccenten uit verschillende categorieën voorkomen. Bij meerdere hoogteaccenten binnen de contouren van een ontwikkelkavel (bijv. twee torens naast elkaar) verschillen de bouwhoogtes substantieel van elkaar om daarmee de diversiteit in de stedelijke wand van de Dorgelolaan te borgen. In Cluster 9C is de maximumhoogte voor de nieuwbouw bepaald op 74 meter, exclusief een eventueel energiedak. • Bij de positionering en de hoogte van hoogbouw dient rekening te worden gehouden met de bestaande en toekomstige omgeving (voor o.a. bezonning en windhinder).

Dorgelolaan 40

9c kantoorgebouw Dorgelolaan 30 Dorgelo

Ca 9

3m 9b

Ca 4

3m

indicatief beeld van een mogelijke volumeopbouw voor cluster 9c

Clusterpaspoorten Fellenoord - gemeente Eindhoven [NL]

13

Bebouwingsoppervlak Vanwege de 30 meter veiligheidscontour van het spoor en de begrenzing vanuit groenbehoud is het niet mogelijk om de volledige percelen te bebouwen.

max 74m

Volumes in een groen landschap Een algemene doelstelling en randvoorwaarde voor Cluster 9C is dat de gebouwen zoveel mogelijk in het groene landschap staan, dat zoveel mogelijk behouden en waar mogelijk versterkt wordt. Er wordt ingezet op behoud van de (broek) bossen en behoud en versterking van de groenblauwe verbindingszone parallel aan het spoor. De bestaande (broek) bossen worden beschermd door een 5 meter bebouwingsvrije zone. Deze 5 meter zone wordt zoveel mogelijk vergroend, waarbij er wel ruimte nodig zal zijn voor onderhoud. De verbindingszone betreft een strook van 15 meter die bestaat uit een watergang en bomen. Ook hier wordt ingezet op

bescherming door voldoende afstand tot (ondergrondse) bebouwing te houden. De slanke toren op de ontwikkelkavel Dorgelolaan 30 komt in het groen te staan. Uitgangspunt hiervoor is om de doorsteek tussen kantoorgebouw Dorgelo en de toren incl. de ruimte aan de noordzijde (tot de Dorgelolaan) zoveel mogelijk te vergroenen. Een volledig groene doorsteek is vanwege parkeerontsluiting niet haalbaar. Dit kan ook in de vorm van een groen dek tussen de twee gebouwen.

max 74m

max 74m ~ 63m

~ 42m max 97 m

~ 81 m max 24,6m

max 24,6m max 21,6m

Bouwenvelop Dorgelolaan 40 met indicatieve invullingen

14

Cluster 9c

max 28m

Bouwenvelop Dorgelolaan 30

3.2 Bezonning, hittestress en wind Bezonning en schaduw Voor alle clusters dient een bezonnings- en schaduwstudie in een vroeg stadium (SO) te worden uitgevoerd, waarbij ook de effecten op wind en zon door de bebouwing in de omgeving worden meegenomen. Over het algemeen geldt, dat de verblijfsgebieden (zoals in het Ruimtelijk Raamwerk Fellenoord zal worden aangegeven) aan de normen ten aanzien van wind en zon moeten voldoen. Er moet voor bezonning voor woningen aan geldend beleid voldaan worden. In juni 2024 heeft het college van B&W het nieuw bezonningsbeleid vastgesteld. De meting en toetsing van de effecten van bebouwing op bestaande woningen in de omgeving vindt plaats aan de hand van artikel 5 van het bezonningsbeleid. Hoewel er in Nederland, noch in Eindhoven specifieke eisen worden gesteld aan bezonning van andere functies dan wonen, dient de bezonning van gebouwen zo goed mogelijk te zijn. Waarbij de bouwmassa’s binnen het cluster elkaar zo min mogelijk beschaduwen. De bezonningssituatie van de nieuw te ontwikkelen bebouwing binnen een cluster wordt getoetst aan het EFTAL-criterium.

Hittestress Het is belangrijk dat er een aangenaam woon- en leefklimaat ontstaat in Fellenoord. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen in ieder geval niet een toename van het hitte-eiland mogen veroorzaken. Het uitgangspunt is een ruimtelijke inrichting die zorgt voor afname van het hitte-effect of voorkomt dat het effect toeneemt. Naast de verplichte groen- en wateropgave (door toepassen van de Rekentool klimaatopgave Eindhoven) binnen het cluster moet de initiatiefnemer laten zien welke andere maatregelen er nog getroffen worden die bijdragen aan het voorkomen van hittestress. Denk hierbij aan materiaalen kleurkeuze voor gebouwen en openbare ruimte. Met berekeningen moet worden aangetoond wat het effect van de ontwikkeling op het hitte-eiland en de gevoelstemperatuur is. Wind De stedebouwkundige opzet van een cluster dient in een vroeg stadium in een windtunnel of in een gelijkwaardige computersimulatie te worden getest volgens de methoden beschreven in de NEN 8100:2006.

Dorgelolaan

Het windklimaat wordt getoetst aan de hand van de geldende beleidsregel die gaat over de gemeentelijke normen voor windhinder. Vanaf juni 2020 is de door het college vastgestelde Beleidsregel gemeentelijke normen windhinder van de gemeente Eindhoven vvan kracht. Volgens de beleidsregel bestaat voor windhinder en windgevaar een landelijk privaatrechtelijke norm (NEN 8100:2006). In deze norm worden toepassingscriteria beschreven. Voor de openbare ruimte moet als ondergrens een ‘goed’ (zoals gekwalificeerd in NEN 8100:2006) windklimaat worden nagestreefd. Voor ‘langdurig zitten’ wordt altijd een kwalificatie ‘goed’ verlangd. Deze kwalificatie geldt ook voor ‘slenteren’ wanneer een hoofdentree van een gebouw in een dergelijk gebied is gelegen. Een beoordeling ‘matig’ kan eventueel na bestuurlijke afweging worden geaccepteerd, hierbij spelen kosten van windhinderbeperkende maatregelen en het ontbreken van alternatieven een rol. Een ‘slecht’ windklimaat is niet toegestaan. Bij windgevaar moet de kwalificatie ‘gevaarlijk’ te allen tijde worden vermeden.

Dorgelolaan 40

Broekbos

kantoorgebouw Dorgelo Dorgelolaan 30

broekbos

9b, RVB one Spoorz

langdurig zitten slenteren loopgebied

indicatief schema met criteria voor windklimaat

Clusterpaspoorten Fellenoord - gemeente Eindhoven [NL]

15

3.3 Begane grond, (semi-)openbare ruimte binnen het cluster

3.4 Korrel en fasering

Plinten en positionering Niet alleen het programma, maar ook gevelopeningen en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren bij een goed functionerende plint. In de plint moet de aansluiting tussen het gebouw en de directe omgeving georganiseerd worden. Voor wat betreft de plinten en positionering gelden de volgende uitgangspunten: • Gebouwplinten zijn aan de buitenzijde minimaal 7m hoog. Indien er een entresol wordt toegepast, wordt de plafondhoogte van de plint (incl. entresol) min. 8m hoog. • Met name de campus gerelateerde en collectieve functies bevinden zich op de begane grond. • Het groen rondom het gebouw dient zo continu mogelijk te zijn, met zo weinig mogelijk infrastructurele verbindingen t.b.v. logistiek of parkeren. • Voor zover herinrichting van de openbare ruimte binnen het cluster van toepassing is dient dit in overleg met de gemeente worden ingericht en voldoen aan de eisen die in de handboeken openbare ruimte en toegankelijkheid van de gemeente Eindhoven worden gesteld.

Architectonische diversiteit • Het gebouw heeft een helder hoofdvolume of opbouw. Dit is vanuit de campus goed leesbaar. • Het meest westelijk gelegen gebouw van Cluster 9C is een slanke toren in het groen. • Het meest oostelijk gelegen gebouw van Cluster 9C vormt het entreegebouw van het gebied en is nadrukkelijk geen dichte schijf. Een in het oog springend volume, zoals een ‘square’-vormig gebouw of een gebouw met twee in bouwhoogte verspringende torens, is hier denkbaar. • De verschillende functies zijn afleesbaar in de gevel en zorgen voor menselijke maat en schaal. • Elk gebouw krijgt een expressieve plint, die zich duidelijk onderscheid van de rest van het gebouw. Verfijningen in expressie bijv. aan de kopse kanten maken de gebouwen eleganter vanuit de dominante ‘aanrijrichtingen’ (oostwest). • In samenwerking met AOKE/supervisor/Q-team dient de volumeopbouw en materialisatie van het gebouw verder uitgewerkt te worden. • Qua ‘look and feel’ dient aansluiting te worden gezocht bij de TU/e campus, zodat beide zijden van de Dorgelolaan meer bij elkaar gaan passen.

Oversteekbaarheid Dorgelolaan Om Cluster 9C in functionele zin beter te verbinden met de TU/e campus is het gewenst om de oversteekbaarheid van de Dorgelolaan op een aantal plekken te verbeteren. Dit is ook door de TU/e als kans benoemd. De oversteekbaarheid van de Dorgelolaan dient in de volgende fase van het planproces verder onderzocht te worden door initiatiefnemer in samenspraak met de TU/e. Hierbij geldt het uitgangspunt dat een ontwikkeling binnen Cluster 9C financieel bijdraagt aan de langzaamverkeersverbinding over de Dorgelolaan.

Potentie ontharding Halfverharding paden langs gevel Bouwenveloppen Mogelijkheden ontharding t.o.v. bestaande situatie

16

Cluster 9c

3.5 Clusterkaart

Ambitie verbeteren oversteekbaarheid Dorgelolaan aandachtspunt kruising / opstelruimte

7,4

aandachtspunt kruising / opstelruimte arcering:

voetpad op

5m uit perc

97

24,5

14,5 tauto Vrach2012 (NL)

CROW

21,6

Vrachtauto (NL)

CROW 2012

93,6

ce (NL) Amb ulan 2012 CROW

(NL)

Vrachtaut o 2012

74m 610m2 weer

brand 5m zone

CROW

Vrachtauto (NL)

CROW 2012

43,7

28,1

P -1

5

5

Ambula nce (NL)

CROW 2012

48m

17,8

40m

ntour

eelgrens

74m

30m hinderco

ntour

1990m2

5 30m hinderco

pad 5m uit perc

P -1

eelgrens

5

9b 9c

8.5m uit fiets

in

elder

e.v.t.

uitkra

5m zo

gende

parke

bebo ne on

uwde

erkelde bouw

r

ruim te

30

Vrachtauto (NL)

CROW 2012

eigen terre

nde parkeerk

17,8

e.v.t. uitkrage

Dorgelolaan 40 bvo 25.000 m2*

P -1

Vrachtauto

CROW 2012

tauto Vrach2012 (NL)

CROW

(NL)

n

steekhave

45,5m

Dorgelolaan 30 bvo 13.500 m2*

P -1

NB: Ligging fiets- en voetpad is indicatief. De exacte ligging wordt bepaald in het Ruimtelijk Raamwerk. * BVO gebouw bovengronds

Clusterpaspoorten Fellenoord - gemeente Eindhoven [NL]

17

4. Mobiliteit Met het in maart 2024 vastgestelde Masterplan Mobiliteit 2050 zet de gemeente gericht in op doorontwikkeling naar duurzame mobiliteitsoplossingen. De voor het cluster te ontwikkelen oplossingen dienen maximaal flexibel en adaptief te zijn om op een later moment aan te kunnen haken op later te realiseren collectieve systemen. Auto ontsluiting en autoparkeren Eindhoven heeft besloten tot de invoering van een nul-emissie zone binnen de Ring voor alle motorvoertuigen in 2030. Met ingang van 2025 geldt dit al voor vracht- en bestelvervoer, taxi’s en touringcars (met overgangsregelingen voor bestaande voertuigen). De mobiliteit in de wijk Fellenoord is dus in de toekomst emissieloos. Bij voorkeur vindt het vervoer plaats te voet, al dan niet in combinatie met het openbaar vervoer (EHV Centraal) of via actieve (deel)mobiliteit (fietsen). Dat betekent dat wordt ingezet op een laag autobezit en -gebruik, met als gevolg dat er ook minder parkeerplaatsen voor auto’s worden gerealiseerd. Alternatieven voor de auto worden goed zichtbaar en toegankelijk gepositioneerd. Verder gelden de volgende uitgangspunten om de doelen te bereiken: • De ontwikkelingen binnen het cluster worden voor de berekening van de op te vangen parkeerbehoefte getoetst aan de actuele gemeentelijke parkeernormen. In april 2024 is de Nota parkeernormen 2024 door het college van B&W vastgesteld.

In bijlage 2 van de nota zijn de parkeernormen voor auto’s opgenomen en onder artikel 3.2 de spelregels voor de Gebiedsontwikkeling Fellenoord. • Cluster 9C ligt aan de rand van het ontwikkelgebied Fellenoord. In afwijking van de gebiedsbrede KPI en artikel 3.2 van de Nota Parkeernormen 2024 is het streven om de volledige parkeeropgave zoveel als mogelijk binnen het cluster op te lossen. • Maaiveldparkeerplaatsen zijn niet toegestaan. Uitgezonderd zijn parkeerplekken voor gehandicapten indien dit niet mogelijk is in de parkeergarage. • Autoparkeerplaatsen zijn voor minimaal 15% ingericht en beschikbaar voor e-laden en 100% voorbereid op e-laden. • In de nabije omgeving zijn er geen mogelijkheden meer voor (gratis) parkeren op maaiveld.

18

Cluster 9c

Logistiek • Afvalinzameling, expeditie en logistiek verkeer vindt plaats via de Dorgelolaan. • Dit wordt binnen het cluster afgehandeld, met minimale impact op omgevings- en belevingskwaliteit. • Het complex kent een centraal pakketdienst servicepoint/ verzamelpunt, mogelijk in combinatie met een mobiliteitshub. Actieve mobiliteit Duurzaam vervoer wordt gestimuleerd door het realiseren van een hoogwaardig langzaam-verkeernetwerk dat uitnodigt tot lopen en fietsen. Daarmee wordt tevens het openbaar vervoer bevorderd door goede routes naar het (bus)station. De fietsparkeerplekken zijn daarvoor makkelijker bereikbaar dan de autoparkeerplekken. Daarnaast wordt er vol ingezet op deelmobiliteit, als een hoogwaardig en betaalbaar alternatief voor de eigen auto. Deelmobiliteit dient zichtbaar, toegankelijk en voor iedereen uitnodigend te zijn. Inzet is om door gebruik van deelauto’s de parkeerbehoefte te beperken. Om dit voor elkaar te krijgen, gelden de volgende uitgangspunten: • De ontwikkelingen binnen het cluster worden voor de berekening van de op te vangen fietsparkeerbehoefte getoetst aan de actuele gemeentelijke parkeernormen. In april 2024 is de Nota parkeernormen 2024 door het college van B&W vastgesteld. In bijlage 3 van de nota zijn de fietsparkeernormen opgenomen. • Het cluster is voor voetgangers en fietsers aan de noordzijde via de Dorgelolaan ontsloten.

• De inpandige fietsenstalling is via een korte en directe verbinding met de aanliggende snelfietsroute verbonden. • Belangrijk voor een goede verbinding tussen het cluster en de TU/e campus is een fysieke ingreep ter verbetering van de oversteekbaarheid van de Dorgelolaan voor langzaam verkeer. Een ontwikkeling binnen Cluster 9C dient financieel bij te dragen aan voornoemde verbinding. • Voor bezoekers zijn fietsparkeerplekken (ook voor deelfietsen) clustergewijs te organiseren in openbaar toegankelijke locaties. • Voor bewoners/werkers worden fietsparkeerplekken

clustergewijs, dan wel per bouwblok/kavel gebouwd georganiseerd. Gebouwde fietsparkeervoorzieningen (ook voor deelfietsen) dienen te worden gerealiseerd conform vastgestelde gemeentelijke kwaliteitsrichtlijnen, op logische en goed toegankelijke inpandige locaties, bij voorkeur op de begane grond en gekoppeld aan de fietsroutes. Er dient rekening te worden gehouden met afwijkende fietsmaten (bv. krat- en bakfietsen). Mobiliteitshub Deelmobiliteit is een structureel onderdeel van het te ontwikkelen mobiliteitsaanbod in het ontwikkelgebied. Elk cluster wordt voorzien van een (of meer) inpandige mobiliteitshubs, waar gebruikers terecht kunnen voor passend deelvervoer. Om dit voor elkaar te krijgen, gelden de volgende uitgangspunten: • Ontwikkeling van mobiliteitshubs middels ruimtereservering voor deelmobiliteit binnen het cluster volgens de regels: 1. per 20 woningen 1 parkeerplaats deelauto en ruimte voor 2 (bak)fietsen/LEV etc. 2. per 10 niet-gerealiseerde parkeerplaatsen (van de 50% mobiliteitscorrectie): 1 parkeerplaats deelauto en ruimte voor 2 (bak)fietsen/LEV etc. • De mobiliteitshub wordt op maaiveldniveau gerealiseerd (in ieder geval voor deelfietsen en LEV’s). • De mobiliteitshub in het cluster biedt de basisvoorzieningen voor deelmobiliteit. De aanvulling op deze basisvoorzieningen zijn vooral beschikbaar rondom Eindhoven CS als centrale hub binnen het gebied.

Mobility XL Er wordt maximaal ingezet op ruimte-efficiëntie en gebruiksefficiëntie van het mobiliteitsaanbod. Er wordt toegewerkt naar een gebiedsgerichte aanpak met een balans tussen maatregelen op individueel-, cluster- en gebiedsniveau. Om dit te bereiken zal gebiedsgerichte mobiliteitsregie plaatsvinden door een nog op te richten mobiliteitsbedrijf Mobility XL. De belangrijkste uitgangspunten hiervoor zijn:

•

•

•

Voornemen is een op te richten mobiliteitsorganisatie (Mobility XL) de regie te geven op het realiseren van gebiedsgerichte parkeeroplossingen en de verdeling van parkeerrechten (abonnementen) en het regisseren van het aanbod deelmobiliteit in de clusters. Aansluitend op een stadsbreed netwerk van deelaanbod. Aan iedere initiatiefnemer wordt een bijdrage gevraagd voor het Mobiliteitsfonds Knoop XL. Die middelen zijn nodig voor het organiseren van het voornoemde aanbod, zowel op clusterniveau als op gebiedsniveau. De hoogte van de bijdrage aan het mobiliteitsfonds is opgenomen in de Nota Parkeernormen 2024. De hubruimte in het cluster wordt om niet ter beschikking gesteld aan Mobility XL voor het regisseren van het gewenst aanbod aan deelmobiliteit in overleg met de initiatiefnemers en of eigenaren/huurders.

Clusterpaspoorten Fellenoord - gemeente Eindhoven [NL]

19

5. Klimaat(bestendigheid), gezondheid en circulariteit Klimaatbestendigheid Fellenoord wordt in de toekomst een groene wijk met groen-blauwe verbindingen. De belangrijkste groen-blauwe structuren in de wijk zijn de Fellenoord en het Dommeldal. Fellenoord is een van de laagstgelegen gebieden in Eindhoven, waardoor er zoveel mogelijk grondwaterneutraal gebouwd moet worden. In de toekomst is dit gebied klimaatadaptief ingericht met zo min mogelijk wateroverlast door overtollig regenwater, met veel plekken waar dit water de grond kan infiltreren, of waar het tijdelijk wordt opgeslagen om overbelasting van het riool of de Dommel te voorkomen. Alle ondergrondse oplossingen dienen de ondergrondse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Dit leidt tot de volgende uitgangspunten voor Cluster 9C: • Waterberging private terreinen conform het geldende beleid en de daaraan verbonden rekentool klimaatopgave op eigen kavel en bij grote voorkeur middels groene oplossingen. Bij voldoen aan dit beleid raden we een veilige leegloop en/of overloopvoorziening aan, bijvoorbeeld op aanwezige waterloop langs het spoor. Ook wordt hergebruik van hemelwater maximaal nagestreefd. • Inzet op waterbesparende maatregelen. • Waterveiligheid: 30cm hoogteverschil tussen toegangsniveau gebouw en kruinpeil van de aangrenzende wegen.

Daarbij dient rekening te worden gehouden met het maaiveldverloop, in het bijzonder bij ingangen van parkeergarages. Dit dient in NAP maten te worden aangeleverd bij het ontwerp. Risico’s op wateroverlast bij een lager hoogteverschil moeten in beeld worden gebracht en gedragen worden door de initiatiefnemer. • De ontwikkelingen mogen géén nieuwe (aaneengesloten) ondergrondse belemmering vormen (door bv. parkeergarages, kelders of verloren bekisting/ damwanden) en daarmee grondwaterstromingen negatief beïnvloeden. Door de relatief hoge grondwaterstanden in het gebied is ondergronds bouwen tot een diepte van maximaal één laag het uitgangspunt.

20

Cluster 9c

• •

• •

•

•

•

•

(Groene) daken groter dan 150m2 beschikken over afvoervertraging. We streven ernaar dat de openbare ruimte zodanig wordt ingericht dat schade aan gebouw en maatschappelijke overlast, door een regenbui van 60mm in een uur, zoveel mogelijk wordt voorkomen. Dit komt overeen met een neerslaggebeurtenis die statistisch één keer per 100 jaar voorkomt. Situationeel vertalen we dit door naar een bergingshoeveelheid. Vertrekpunt is dat per m2 verhard openbaar oppervlak er minimaal 60mm hemelwater in het cluster geborgd te worden: minimaal 20mm in een daarvoor ontworpen voorziening, de rest in een secundaire berging, mits dat laatste te combineren is met andere functies op de betreffende locatie. De prestaties van het ontwerp dienen aangetoond te worden via de hierboven benoemde rekentool. De openbare ruimte wordt voor minimaal 10% onthard t.o.v. de uitgangssituatie. Er wordt zoveel mogelijk groen en waterberging op maaiveld gerealiseerd, pas daarna wordt gekeken naar dubbel ruimtegebruik en groen op daken en waterberging op daken of in ondergrondse voorzieningen. Zoveel mogelijk daken dienen beschikbaar te zijn voor toegankelijk kwaliteitsgroen dat uitnodigt om langere tijd te verblijven. De ontwikkelingen dienen de huidige GHG- en GLGwaarden zowel in de gebruiks- als aanlegfase niet negatief te beïnvloeden en de grondwaterstand niet te verlagen of af te voeren buiten het plangebied.

De initiatiefnemer dient mitigerende maatregelen te nemen om de optredende negatieve invloed te compenseren. De ontwikkelingen dienen geen nadelig effect te hebben op de kwaliteit van grondwater, oppervlaktewater en afstromend regenwater. Regenwater wordt geïnfiltreerd of geloosd met dezelfde kwaliteit als dat het uit de lucht valt. Bij de aankleding van buitenzijde van gebouwen géén gebruik maken van uitlogende materialen zoals bv. zink en lood. Dit om de kwaliteit van het oppervlaktewater te beschermen.

Groen en gezondheid Een gezonde stad begint bij de eigen voordeur. Fellenoord wordt een levendige, gezonde en groene wijk, waarbij de openbare ruimte én de inrichting en situering van de gebouwen uitnodigt om te bewegen en elkaar te ontmoeten. Het toevoegen van groen dat gebruikt en beleefd kan worden leidt tot minder hittestress. Daken zijn zo veel mogelijk groen-blauw ingericht (voor waterberging en groen) en zijn beleefbaar en betreedbaar. Binnen Cluster 9C gelden de volgende algemene uitgangspunten voor groen en gezondheid: •

•

•

•

•

•

De groenopgave voor het cluster bestaat uit een aantal onderdelen, te weten 1) de beleidsregel groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven. Hierin staan de spelregels voor: a. groencompensatie (bestaand groen) en b. groenopgave (nieuw groen) en 2) de Verordening Bomen (inclusief Nadere Regels voor Compensatie van bomen). Groen, water en waterberging worden zoveel mogelijk in grotere eenheden gerealiseerd, in samenhang voor het hele cluster draagt bij aan het realiseren van de Ontwikkelvisie. Bij de uitwerking van de groenopgave wordt gebruik gemaakt van de rekentool klimaatopgave. De tool heeft zowel een kwantitatieve als kwalitatieve component. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen drie oppervlakten (maaiveld, dak en gevel) met ieder drie kwaliteitsniveaus. De rekentool verbindt een weegfactor aan elke keuze. Hoe meer de keuze bijdraagt aan leefbaarheid, klimaatadaptatie en biodiversiteit, hoe hoger de weegfactor. Cluster 9C maakt onderdeel uit van ‘groene wig de Karpen’ waardoor financiële invulling van de groenopgave en groencompensatie niet mogelijk is. Groen levert een bijdrage aan biodiversiteit, nieuwe aanplant is resistent tegen ziekte en biedt een habitat voor andere planten en dieren. Voor inspiratie kan gekeken worden naar de 40 van 040 lijst. Op deze lijst staan gewenste inheemse

•

•

•

• •

soorten. De beplanting van daktuinen, groene daken en binnenterreinen moet worden afgestemd op de bezonning op de locatie om te zorgen voor goede groeiomstandigheden en soortkeuze. Tussen bovenkant kelder en maaiveld dient minimaal 1,5 meter werkruimte beschikbaar te zijn voor het creëren van levensvatbaar groen. Denk aan mogelijke combinaties van groene daken (indien van toepassing), waterberging en pv-panelen. Naast efficiënt en doelmatig gebruik van het dak leveren de pvpanelen een hoger rendement tot wel 6 a 7%. Zoveel mogelijk voorkomen dat gebouwen ’s nachts warmte vasthouden, bijvoorbeeld door materialen toe te passen met een hoge solar reflectance index. Er worden geen koeloplossingen geaccepteerd die warme lucht uitblazen. Voor inspiratie over gebouwen die fysieke beweging stimuleren wordt verwezen naar het Inspiratieboek Beweeglogica in Gebouwen van BETA in opdracht van de Gemeente Amsterdam.

Landschappelijke bouwstenen voor de Professor Doctor Dorgelolaan De Prof. Dr. Dorgelolaan is onderdeel van groene wig ‘de Karpen’. Uit ecohydrologisch onderzoek blijkt dat hier een uniek stuk natuur (o.a. broekbos) ligt. Hier ligt de kans om verschillende landschappen te verbinden tot diep in de stad en een robuust ecosysteem te realiseren. Binnen de verdichtingsopgave van Knoop XL is het belangrijk een aantrekkelijke woon/werk omgeving te creëren met behoud en versterking van de kwetsbare en kwalitatieve natuur. De landschappelijke studie helpt om een duurzaam en samenhangend landschap te realiseren. De studie geeft per cluster landschappelijke bouwstenen, deze richten zich op: • Beschermen – wat moet je minimaal doen om de bestaande kwaliteiten/ecosystemen te behouden? Bestaand groen wordt niet aangetast. Binnen Cluster 9C

•

•

•

worden de spoorsloot en de bestaande (broek)bossen beschermd. Aan de randen van de ontwikkelkavels is een maximale begrenzing voor de bebouwing opgenomen ter bescherming van het aangrenzend groen (zie ook de clusterkaart). Versterken en verbinden - natuurlijke landschappen worden hersteld, de groenblauwe ruggengraat wordt versterkt. Dit is belangrijk om een kwaliteitsverbetering te realiseren in samenhang met de intensivering van de clusters. Hiermee wordt de verbinding tussen de bossen sterker en ontstaat er een samenhangend geheel aan landschap. In Cluster 9C wordt de groenblauwe ruggengraat versterkt. Deze is minimaal 15 meter breed en verbind het beekdal met de droge bossen en broekbossen. Creëren - waar mogelijk worden kansen aangegrepen om nieuwe groen/blauwe gebieden te ontwikkelen. In Cluster 9C kan een groene kavel met een klimaatadaptief gebouw worden gecreëerd. Verharding wordt tot een minimum beperkt. Door groene gevels, geveltuinen en nestkasten te integreren, ontstaat een zachtere overgang tussen de bebouwing en de omliggende boskamers en het landschap. Ook gedurende de bouwfase moet aantasting van de natuur en water- en bodemstructuur in de groene wig worden voorkomen. Voorbeelden van mogelijke aantastingen in de bouwfase zijn bronneringen (en bijbehorende effecten op het grondwater), opslag van materiaal en aantasting van bodemstructuur door bouwverkeer.

Circulariteit: Het Nieuwe Normaal Vanuit het Grondstoffenakkoord (2017) is de route ingezet naar een volledige circulaire economie in 2050, en 50% circulair in 2030. De bouwsector neemt hierin een belangrijk aandeel. Deze sector neemt 50% van het grondstoffenverbruik in Nederland voor zijn rekening en daarmee een belangrijk deel van de CO2-uitstoot. Het belangrijkste uitgangspunt bij circulaire gebiedsontwikkeling is waarde behoud. Niets wat van waarde is, zou verloren mogen gaan. Dit kan gaan om

materiële én immateriële waarden en daarmee ook financiële waarden. Alle nieuwbouw, transformatie en buitenruimte (incl. infra) in Fellenoord wordt zo circulair mogelijk ontworpen en gebouwd. Hierbij wordt rekening gehouden met toekomstbestendigheid. Het ontwerp is aanpasbaar voor toekomstig wensen en eisen waaronder flexibiliteit en demonteerbaarheid (materiaalgericht ontwerpen). In Fellenoord wordt gebruik gemaakt van de kennis en ervaring die opgebouwd wordt via Het Nieuwe Normaal. Samen met gemeenten, ontwikkelaars en bouwers wordt gezocht naar de wijze waarop circulariteit een plek kan krijgen in bouwplannen en gebiedsontwikkeling. De thema’s en indicatoren voor gebouwen vanuit het Nieuwe Normaal gebruiken we in Fellenoord bij ontwerp en uitvoering van de clusters. Zie schema hieronder.

Uitwerking ervan zal per cluster maatwerk zijn om te bepalen welke kansen er liggen. Het opstellen van een materialenpaspoort ligt daarbij voor de hand om op die manier zicht te krijgen welke materialen vrijkomen, gebruikt worden en op lange termijn circulair inzetbaar zijn. Daarnaast is het streven om de hoeveelheid huishoudelijk en bedrijfsafval te reduceren.

Clusterpaspoorten Fellenoord - gemeente Eindhoven [NL]

21

We streven naar integrale plannen, waarbij materialisatie niet op zichzelf staat. Het is onderdeel van een integrale duurzaamheidsvisie. Materialen dragen bij aan optimale functievervulling en houden rekening met verandering en dynamiek op de korte en lange termijn. We sturen op Total Cost of Ownership (TCO) en lange levensduur. Keuzes in materialisatie zetten we af tegen de ambities op energiebeheersing, binnenklimaat, groene uitstraling, klimaatrobuustheid etc. Om dit te bereiken gelden binnen Cluster 9C de volgende algemene uitgangspunten voor circulariteit (mede op basis van de normen uit Het Nieuwe Normaal): • • •

Gebruik de leidraad Het Nieuwe Normaal Gebouw. Onderzoek of geheel of gedeeltelijke transformatie tot de mogelijkheden behoort. In het kader van het omgaan met bouw- en sloopafval: voor alle te slopen gebouwen, buitenruimte etc. dient een oogstplan opgesteld te worden, met daarin aangegeven

• •

•

•

hoe de elementen zo hoogwaardig hergebruikt kunnen worden ten eerste in de geplande vervangende nieuwbouw, ten tweede elders in het gebied, ten derde buiten het gebied. Hierbij is Het Nieuwe Normaal Sloop 0.5 te gebruiken als leidraad. Kijk naar de verschillende lagen van een gebouw om te bepalen waar kansen liggen. Iedere gebouwlaag heeft zijn eigen verwachte duurzaamheid. De lagen van een gebouw zijn onder te verdelen als de 6S’en: Ontwerp voor preventie door zich te richten op het voorkomen van het gebruik van producten, elementen of materialen. Dit door simpelweg van de ontworpen functie af te zien of door een geheel andere oplossing te leveren. We beperken materiaalgebruik door efficiënte en compacte ontwerpen, bijvoorbeeld door beperking geveloppervlak, maximalisatie binnenruimte ten opzichte van geveloppervlak etc. Alle gebouwen moeten zoveel mogelijk demonteerbaar

•

•

• •

•

•

•

•

22

Cluster 9c

zijn voor optimaal hergebruik en eventueel afvalscheiding. Dit is aan te tonen met de indicator Losmaakbaarheid uit Het Nieuwe Normaal. Multifunctioneel ontwerpen waardoor ruimten over de jaren heen flexibel kunnen worden benut. Het gebouw moet adaptief zijn voor ander gebruik en functies. Zie Adaptief vermogen. Geen gebruik van materialen die schadelijk zijn voor mens en/of milieu. Alle gebruikte materialen zijn vrij van stoffen die voorkomen op de Rode Lijst van LBC/TNS. Ontwerp waar mogelijk met hernieuwbare materialen (biobased materialen zoals hout) en hergebruikte materialen. De Gemeente Eindhoven streeft naar een bouwopgave die past binnen de grenzen van het Akkoord van Parijs. Uitgangspunt is een zo laag mogelijke materiaalgebonden CO2-uitstoot en een zo hoog mogelijke materiaalgebonden CO2-opslag. Stel een materialenpaspoort op: het materiaalgebruik moet geregistreerd worden zodat bekend is waar welk materiaal (uit welke grondstoffen) is toegepast. Bij ontwerp en bouw wordt gebruik gemaakt van een grondstoffenbank, waarin alle materialen van de te slopen gebouwen te vinden zijn en hergebruikt kunnen worden. Stimuleer het delen van voorzieningen.

6. Energie

Plankaart warmte met leidingverloop De plankaart is gegeven in figuur 3. De plankaart geeft een beeld van de eindsituatie. Deze situatie zal zich in de loop van de tijd ontwikkelen.

Binnen vigerend (gemeentelijk) beleid dient te worden voorzien in energieoplossingen. Deze oplossingen dienen maximaal flexibel en adaptief te zijn om later aan te kunnen haken op te realiseren collectieve energiesystemen. Vertrekpunt is dat Fellenoord een energieneutrale wijk wordt. In Fellenoord zal in de toekomst dan ook zoveel mogelijk energie in het gebied zelf opgewekt worden. Voor een overzicht aan verschillende technieken en innovaties die de energieprestaties van een gebouw verbeteren zie ook het Inspiratieboek voor Duurzame Ontwikkelaars. Sinds 2021 is het wettelijk verplicht om nieuwe woningen gasloos te bouwen. Een aansluiting op het aardgasnet is dus niet mogelijk. Binnen Fellenoord is het uitgangspunt om alle gebouwen aan te sluiten op een collectief (zeer) laag temperatuur warmte- en koudenet. Binnen Cluster 9C gelden de volgende uitgangspunten voor energie: • Een bepaald percentage van het dak- en geveloppervlak dient te worden benut voor energieopwekking via de zon en/of wind. Dit percentage wordt in de anterieure overeenkomst vastgelegd. • Gebouwen voldoen aan de meest recente BENG-eisen. Bij woningen is het essentieel om te rekenen aan de opwarming van de ruimten. In de BENG gaat het om de indicator t.o.v. de maand juli. • Kopers worden meegenomen in de klantreis naar energieneutraal en aangemoedigd om zoveel mogelijk te verduurzamen.

• 100% voeding vanuit duurzame bronnen: alleen groene stroom mag worden ingekocht (aan te tonen d.m.v. groencertificaten), duurzame bronnen moeten passen bij criteria van The Natural Step. • Alle aansluitingen komen op één plek (technische ruimte) de gebouwen binnen.

1 Aansluiting gebouw 1; benodigd aantal bronnen is 1,3. Gerealiseerd aantal bronnen is 2

Aansluiting gebouw 2 en 3; benodigd aantal bronnen is 2,5. Gerealiseerd aantal extra bronnen is 3. Er is ruim een bron aan capaciteit 2 over.

Indicatieve energievoorziening Fellenoord met indicatieve bouwstenen. Figuur 3 Plankaartplankaart energievoorziening Fellenoord met indicatieve bouwstenen.

De hoofdleiding van het bronnet is in vier secties opgedeeld. Sectie A tot en met sectie D. De secties zijn door een rode lijn gescheiden van elkaar. De diameter van de leidingen is 3 Aansluiting gebouw 4; benodigd aantal bronnen is 1. Gerealiseerd extra aantal bronnen is 1.

onderstaand gegeven. Er zijn meerdere clusters van bronnetten gedefinieerd. Die clusters zijn naar wens onderling te koppelen. De diameter van de aansluitleidingen van de groepen bodembronnen (sectie E tot en met sectie I) zijn ook gegeven in de onderstaande tabel. Meer oostelijk buiten de kaart zijn extra bronnen beschikbaar. De koppelleiding dient dan door te lopen over de Professor Dr. Dorgelolaan. Er moet nog exact bekend worden welke energiebehoefte de gebouwen uiteindelijk krijgen. Dan pas zijn de aantallen bronnen duidelijk in beeld. De nieuwbouw is gekoppeld aan de netten. De bestaande bouw vormt een goede koppelkans.

Aansluiting gebouw 5 en 6; benodigd aantal bronnen is 2,2. Gerealiseerd extra aantal bronnen is 1. Optimaal aantal bronnen is bereikt. Er staan nu 6 gebouwen die in totaal 7 bronnen nodig hebben. Bij individuele aansluiting bedraagt het totale aantal bronnen 9. Het 4 bronnet geeft dus een winst van 2 bronnenparen.

Bestaande hoogbouw in het gebied die is voorzien (of kan worden voorzien door vergroting van radiatoren) van lage temperatuur warmteafgifte kan ook op het systeem worden aangesloten. De installatie in het gebouw moet daar mogelijk nog op worden aangepast. Welke aanpassingen er nodig zijn moet blijken uit een inspectie. Bij gebleken geschiktheid kan het gebouw op het bronnet worden aangesloten. De aangegeven plaats van de aansluiting voor aquathermie en andere duurzame bronnen, de bronnen voor WKO, de leidingen voor het bronnet en de plaats van de technische

20220110 Gebiedsenergieplan Fellenoord Eindhoven

11

5 Aansluiting van het bronnet op aquathermie en/of andere bronnen zoals riothermie, energie uit drinkwater of buitenlucht.

Bronnet Fellenoord Het collectief warmte- en koudenet, ook wel bronnet genoemd, omvat bodemenergiebronnen (WKO), aangevuld met bijvoorbeeld aquathermie, riothermie en warmte uit de hoofdleiding van het drinkwater. Het aantal

Figuur 2 Principeschema zeer lage temperatuur bronnet met WKO. Blauwe bollen zijn koude bronnen, rode bollen zijn warme bronnen. De oranje vijfhoek is de installatieruimte in de gebouwen waarop het bronnet wordt aangesloten.

Principeschema zeer lage temperatuur bronnet met WKO. Blauwe bollen zijn koude bronnen, rode bollen zijn warme bronnen. De oranje vijfhoek is de installatieruimte in de gebouwen waarop het bronnet wordt aangesloten. 20220110 Gebiedsenergieplan Fellenoord Eindhoven

10

Clusterpaspoorten Fellenoord - gemeente Eindhoven [NL]

23

bodemenergiebronnen en hun precieze locatie wordt uitgewerkt in de bronnenstrategie Fellenoord. Voor de opslag van energie moet naar een gebiedsgerichte oplossing worden toegewerkt. Om het collectief bronnet te kunnen realiseren, onthoudt de eigenaar zich van het ontwikkelen en realiseren van een eigen WKO-systeem op eigen terrein en/of in de openbare ruimte. Het is wel toegestaan gebouweigen installaties te ontwikkelen/realiseren die op het bronnet kunnen worden aangesloten en hierin samen te werken met de beheerder van het bronnet. Er dient zorg te worden gedragen dat zoveel als mogelijk op klimaatneutrale wijze zelf wordt voorzien in de opwekking van de benodigde energie (elektriciteit) voor het functioneren van de gebouweigen installaties, bijvoorbeeld door het aanbrengen van zonnepanelen op gevels en daken. De gemeente streeft ernaar om binnen een jaar na ondertekening van een anterieure overeenkomst aan de eigenaar/eigenaren een voorstel te doen voor aansluiting op het collectief bronnet. Technische ruimte In het gebouw wordt energie afgenomen van het bronnet. Hiervoor dient een technische ruimte te worden gerealiseerd van ongeveer 10m2, ten behoeve van het plaatsen van een warmtewisselaar voor aansluiting op het bronnet.

De technische ruimte ligt bij voorkeur in een parkeergarage of bergingenlaag in de kelder of de begane grond en mag worden gecombineerd met de technische ruimte voor de energie-opwek, -opslag en -distributie installaties. Energie-opwekking De ontwikkelaar kan zelf een installatie met warmtepompen voor de opwekking van bruikbare warmte voor ruimteverwarming, warm tapwater en koeling ontwerpen en realiseren. De voorkeur is hierin samen te werken met de beheerder van het bronnet. Zij kan tevens een op maat gemaakt aanbod verstrekken voor ontwerp, realisatie en levering van warmte en koude aan woningen en commerciële ruimten. Ook kan het eigendom en het beheer van deze installatie later door de beheerder van het bronnet Fellenoord worden overgenomen.

24

Cluster 9c

Elektriciteit Op het gebouw wordt elektriciteit opgewekt. Daarvoor wordt een optimaal deel van het dakvlak en een optimaal deel van de gevels gebruikt. Streven is een hoeveelheid PV-panelen van 0,0333 m2 per m2 BVO. Energie-opslag De ontwikkelaar kan zelf de opslag van de benodigde bruikbare warmte voor ruimteverwarming, warm tapwater en koeling voor minimaal 1 dag (24 uur) realiseren of ook hierin samenwerken met de beheerder van het bronnet, om aanbod en vraag naar warmte te optimaliseren. Het eigendom en het beheer van deze opslag wordt later bij voorkeur overgenomen door de beheerder van het bronnet Fellenoord. Aansluiting Het bronnet Fellenoord wordt tot in de technische ruimte aangelegd door de beheerder van het bronnet. De installatie eindigt met een warmtewisselaar met het opgegeven vermogen van de aansluiting. Op de warmtewisselaar zijn afsluiters aangebracht. De afsluiters gebouwzijdig van de warmtewisselaar markeren de grens tussen bronnet Fellenoord en de gebouwinstallatie. Als de beheerder van het bronnet de installatie voor energie-opwekking en -opslag overneemt wordt de grens in overleg nader bepaald.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15578345/1