CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1c - Toelichting Campinaterrrein

Gemeenteraad 22 september 2021, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Campinaterrein34.447 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

In het nieuwe beleid wordt niet alleen op nieuwbouw gestuurd, maar ook op de bestaande kantorenmarkt. De focus ligt daarbij op het terugdringen van kantorenleegstand in bestaande gebouwen. Met deze aanpak hoopt het college vraag en aanbod op de Eindhovense kantorenmarkt in kwantitatieve én kwalitatieve zin beter op elkaar af te stemmen, zodat een goede balans ontstaat met toekomstbestendige locaties, die bijdragen aan de realisatie van de Brainport-ambities van stad en regio. Binnen Eindhoven worden drie afzonderlijke nieuwbouw kantorenmilieus onderscheiden, te weten Stationsgebied, Strijp-S en Flight Forum. Deze verschillende kantorenmilieus voorzien in een specifieke en onderscheidende behoefte. Het is belangrijk om deze onderscheidende kwaliteiten de komende jaren verder uit te bouwen. Het is daarnaast belangrijk dat ongebreidelde groei van de kantorenvoorraad, door toevoeging van niet duurzame/toekomstbestendige nieuwbouw, wordt voorkomen. Kantoorgebruikers die op zoek zijn naar nieuwe huisvesting worden daarom zoveel mogelijk bediend op de bestaande kantorenmarkt. Nieuwbouw van kantoren op geprioriteerde locaties en door middel van toekomstbestendige gebouwen is nog slechts met inachtneming van hiervoor genoemde uitgangspunten mogelijk. De gemeente voert geen leegstandsverordening in. De uitvoering hiervan kost veel inspanning, 54

vastgesteld Campinaterrein Gemeente Eindhoven

terwijl ervaringen elders leren dat het gewenste resultaat veelal uitblijft. Wel komt er een ‘Eindhovense Leegstandsmonitor kantoren’ (actueel overzicht van leegstaande kantoren), bedoeld als stimulerend middel om marktpartijen ertoe aan te zetten ‘iets’ met leegstaande gebouwen te gaan doen. De gemeente Eindhoven zal ook proactief partijen met elkaar in verbinding brengen, om zo bij te dragen aan mogelijke nieuwe samenwerkingsverbanden en creatieve oplossingen voor dit vraagstuk. In onze ‘slimme regio’ zijn legio partijen die samen in staat zijn om ‘slimme oplossingen’ te bedenken. De gemeente Eindhoven zal, uiteraard passend binnen wet- en regelgeving, proactief meewerken aan gewenste transformatie van leegstaande kantoren. Echter niet alle kantoren zijn geschikt voor andere functies. Soms vanwege technische aspecten of locatiegebonden aspecten. Een deel van de kantoren zal dus naar verwachting op termijn gesloopt worden.

Beoordeling plangebied Het plangebied valt binnen gebied 'overige locaties' zoals beschreven in de Kantorenstrategie 2012-2020. In totaal gaat het hier om een bescheiden hoeveelheid vierkante meters. Mede daarom geldt hier als uitgangspunt dat de markt aan zet is, en dat de de initiatieven per geval toetst op criteria die de haalbaarheid en wenselijkheid inzichtelijk maken. Zoals in paragraaf 2.4 (Programma > werken) en in paragraaf 3.2.3 (Ladder voor duurzame verstedelijking) is beschreven voorziet de realisatie van maximaal 10.200 m² bvo aan werkruimte (kantoren, bedrijfsruimten en zakelijke dienstverlening) binnen de ontwikkeling van het Campinaterrein, in een kwantitatieve en een kwalitatieve behoefte.

3.13

Kabels, leidingen en straalpaden

Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels, leidingen of straalpaden aanwezig. Het planvoornemen wordt dan ook niet belemmerd door de aanwezigheid van kabels, leidingen en straalpaden.

vastgesteld Campinaterrein Gemeente Eindhoven

55

56

vastgesteld Campinaterrein Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 4

4.1

Milieuparagraaf

Bedrijven en milieuzonering

Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI-codes) in de richtafstandentabel gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk'; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten.

Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied. Toepassing plangebied Functies binnen het plangebied Kenmerkend voor Campina is de grote diversiteit aan functies. Het plangebied wordt daarom aangemerkt als een gebied waar duidelijk sprake is van een functiemenging. In de Staat van Bedrijfsactiviteiten wordt functiemenging als uitgangspunt genomen voor milieuzonering. Het begrip "gebied met functiemenging" wordt gebruikt om aan te geven welke functies binnen een gebied met functiemenging onder welke voorwaarden toelaatbaar zijn. De activiteiten in de VNG-brochure opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging bestaan uit de categorieën A, B of C met de volgende betekenis voor de toelaatbaarheid: Categorie A Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen - in gebieden met functiemenging - kunnen worden uitgevoerd.

De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Categorie C vastgesteld Campinaterrein Gemeente Eindhoven

57

De activiteiten uit categorie B waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Bij de samenstelling van de "Lijst van bedrijfsactiviteiten" is primair als uitgangspunt genomen, dat daarin slechts dienen te worden opgenomen "bedrijven in enge zin". Activiteiten zoals detailhandel, horeca, kantoren, sport-/recreatie-inrichtingen (zoals een sportschool, een zwembad etc.), onderwijs- en andere maatschappelijke instellingen, alsmede dienstverlenende instellingen/beroepen, zoals kapsalons, artsenpraktijken advocatenkantoren etc. zijn van deze lijst geschrapt. De reden hiervan is dat dergelijke functies in de bestemmingsplannen anders dan voor "bedrijfsactiviteiten" worden bestemd. Verder zijn uitgezonderd bedrijven die niet in het plangebied zijn gewenst. Voor het Campinaterrein is bepaald dat alleen de categorieën A en B zijn toegestaan. In de afgelopen 10 jaar is gebleken dat voornoemde lijst lang niet dekkend is voor de vestiging van bedrijvigheid in Eindhoven. Veelal is in dit plangebied innovatieve, duurzame en technische bedrijvigheid aanwezig, met een kleine of geen hindercontour. Dergelijke bedrijfsactiviteiten zijn niet te scharen onder de bedrijfsactiviteiten die zijn opgenomen in bovengenoemde "Lijst van bedrijfsactiviteiten".

Gelet hierop is in de regels bepaald dat ook bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan die niet in voornoemde lijst zijn opgenomen en die een vergelijkbare hindercontour hebben. Zo wordt voorkomen dat gewenste bedrijfsactiviteiten in het plangebied niet zonder meer toegelaten zijn. De bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten die in een menggebied vanuit het oogpunt van milieuhinder acceptabel worden geacht, zijn in genoemde lijst van bedrijfsactiviteiten opgenomen. Bedrijfsfuncties zijn niet specifiek bestemd. Geluidzoneringsplichtige bedrijven en/of risicovolle inrichtingen zijn zonder meer uitgesloten. Hinder van bedrijfsactiviteiten buiten het plangebied Het plangebied ligt in een omgeving met een hoge mate van bedrijvigheid waardoor kan worden uitgegaan van 'gemengd gebied'. Bedrijfsbestemmingen binnen het bestemmingsplan Bedrijventerrein De Kade zijn mogelijk van invloed op het woon- en leefklimaat. Meer specifiek zijn het inrichtingen gelegen op de volgens de Wet geluidhinder gezoneerde industrieterreinen DMV Campina en DAF. Industrieterrein DMV Campina is opgeheven omdat na realisatie van dit bestemmingsplan geen zoneringsplichtige inrichtingen meer aanwezig zijn of kunnen worden gevestigd binnen het plangebied (industrie maakt plaats voor woon- en werkgebied). Ter inventarisatie van de omgeving is een onderzoek uitgevoerd ('Onderzoek naar ruimtelijke kansen').

De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 12 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen per hinderaspect de belangrijkste resultaten wat betreft milieuzonering (hoofdstuk 3 in het rapport). Geluid Bij de projectie van gevoelige bestemmingen binnen 50 meter afstand tot het resterend deel van het industrieterrein wordt geadviseerd nader onderzoek uit te voeren naar de onderdelen geluid, geur en stof, omdat niet aan de richtafstanden kan worden voldaan. Dit geldt voor drie inrichtingen die direct ten westen van het plangebied aanwezig zijn, te weten: Jongeneel, Dirk Boutslaan 18; Voskamp, Kanaaldijk-Zuid 3; Shapeways, Kanaaldijk-Zuid 3a. In paragraaf 4.2.3 wordt ingegaan op het nader onderzoek geluid. Stof Stofhinder is over het algemeen alleen te verwachten in de omgeving van bedrijven waar op- en overslag van grote hoeveelheden stuifgevoelige bulkgoederen worden overgeslagen op het buitenterrein. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig die dergelijke activiteiten ontplooien. Het betreffen met name bedrijven met 58

vastgesteld Campinaterrein Gemeente Eindhoven

stofafzuigingsinstallatie of beperkte overslag van niet-stuifgevoelige stoffen in de buitenlucht. Van deze bedrijven is geen stofhinder te verwachten, ook wegens de geldende regelgeving op dit vlak conform het Activiteitenbesluit. Voor stof geldt weliswaar geen wettelijk kader voor beoordeling, maar in het Activiteitbesluit zijn hier wel middelvoorschriften voor opgenomen, waardoor het er op neerkomt dat stofhinder niet buiten de inrichtingsgrens mag optreden. Het onderdeel stof behoeft daarmee feitelijk geen onderzoek, omdat in het Activiteitenbesluit voorschriften zijn opgenomen waardoor stofhinder buiten de inrichtingsgrens moet worden voorkomen. Naar verwachting kunnen de beoogde bedrijven voor nader onderzoek naar het aspect stof daarmee voldoen aan de voorschriften conform het Activiteitenbesluit. Geur Hetzelfde kan worden gesteld in relatie tot geurhinder. Bestaande inrichtingen ten westen van het plangebied kennen geen relevante geuremissie. Ten oosten van het plangebied zou de geuremissie van het DAF-terrein relevant kunnen zijn. In de directe omgeving van deze emissiebronnen zijn echter al in ruime mate gevoelige bestemmingen aanwezig, die de emissie (middels vergunningsvoorschriften) dusdanig beperken dat ter plaatse van het plangebied geen relevante immissie plaatsvindt.

4.2

Geluid

4.2.1

Wettelijk kader

De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximumhoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde (48 dB) en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.

Dit planvoornemen maakt geluidsgevoelige objecten mogelijk. Het plangebied is gelegen binnen geluidzones van wegen. Het plangebied is niet gelegen binnen geluidzone(s) van railverkeer, industrie of luchtvaart. In de voorgaande paragraaf (4.1) is geconcludeerd dat nader akoestisch onderzoek benodigd is bij drie inrichtingen. In het navolgende wordt voorts ingegaan op het wegverkeerslawaai en op deze drie inrichtingen.

4.2.2

Wegverkeerslawaai

Voor dit bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 13 bij deze toelichting gevoegd. Op basis van de resultaten van het akoestisch onderzoek worden onderstaande conclusies getrokken. Daarbij wordt de benaming van gebouwen gehanteerd zoals weergegeven in onderstaande afbeelding:

vastgesteld Campinaterrein Gemeente Eindhoven

59

Benaming van gebouwen

Dirk Boutslaan De hoogst berekende geluidsbelasting als gevolg van de Dirk Boutslaan bedraagt na aftrek 55 dB en treedt op ter plaatse van de zuidgevel van gebouw T4. De gebouwen C3, C5, E1, E5, en T4 ondervinden een geluidsbelasting van meer dan 48 dB. De maximaal te ontheffen waarde wordt niet overschreden. Kanaaldijk-Zuid De hoogst berekende geluidsbelasting als gevolg van de Kanaaldijk-Zuid bedraagt na aftrek 52 dB en treedt op ter plaatse van de noordgevel van gebouw T1. Alleen de noordgevels van T1 en T5 ondervinden een geluidsbelasting van meer dan 48 dB. De maximaal te ontheffen waarde wordt niet overschreden. Ring De hoogst berekende geluidsbelasting als gevolg van de Ring bedraagt na aftrek 65 dB en treedt op ter plaatse van de oostgevel van gebouw T5. Hiermee wordt tevens de maximaal te ontheffen waarde overschreden. Op de bouwlagen vanaf 4,5 meter tot en met 46,5 meter boven maaiveld treedt een geluidsbelasting van 64 of 65 dB. Op de volgende gebouwen en gevels treedt een geluidsbelasting van meer dan 48 dB, maar ten hoogste 63 dB op: - E3 (oost); - E4 (oost); - E5 (oost en zuid); - G1 (alle gevels); - G2 (noord en oost); - T1 (noord en oost); - T2 (oost en zuid); - T3 (noord, oost en zuid); - T4 (noord, oost en zuid); 60

vastgesteld Campinaterrein Gemeente Eindhoven

- T5 (noord, oost (overige bouwlagen) en zuid). Van de genoemde gebouwen is tenminste de westgevel geluidluw, met uitzondering van gebouw G1. De zuid- en westgevel zijn op de onderste 2 bouwlagen wel geluidluw. Maatregelenafweging Als gevolg van drie wegen wordt de voorkerusgrenswaarde van 48 dB overschreden. Conform de Wet geluidhinder dient een maatregelenonderzoek plaats te vinden. Hierbij dienen achtereenvolgens bron-, overdrachts- en gevelmaatregelen te worden overwogen. Het beperken van de rijsnelheid of de verkeersintensiteiten van de betreffende wegen zijn onder andere vanuit verkeerskundig oogpunt geen reële maatregelen. Bronmaatregelen De Dirk Boutslaan beschikt over een referentiewegdek (AC 16 surf). Wanneer deze verharding wordt vervangen door een stiller wegdektype (zoals SMA-NL5), bedraagt de geluidsbelasting ten hoogste 54 dB, een reductie van 1 dB. Hiermee wordt nog niet ter plaatse van alle toetspunten aan de voorkeursgrenswaarde voldaan. Wel wordt ter plaatse van 11 toetspunten/-hoogten de overschrijding weggenomen. De Kanaaldijk-Zuid beschikt over een referentiewegdek (AC 16 surf). Het wegdeel onder het viaduct van de Ring bestaat uit elementenverharding. Met een stiller wegdektype (zoals SMA-NL5) kan een reductie van ten hoogste 1 dB behaald worden. De geluidsbelasting bedraagt dan nog ten hoogste 51 dB en overschrijdt nog steeds de voorkeursgrenswaarde .

Wel wordt ter plaatse van 8 toetspunten/-hoogten de overschrijding weggenomen. Ter hoogte van het plangebied beschikt de Ring over een referentiewegdek. Wanneer dit wegdek tussen Ruysdaelbaan en Geldropseweg (circa 500 meter) wordt vervangen door een dunne deklaag type B, wordt hiermee de geluidsbelasting met circa 2 dB gereduceerd tot ten hoogste 63 dB. Hiermee wordt overal binnen het plangebied voldaan aan de maximaal te ontheffen waarde, en op grond hiervan kan de maatregel doelmatig genoemd worden. Binnen de genoemde 500 meter zijn echter 2 viaducten gelegen, waarvan niet zeker is of een alternatief (zwaarder) wegdek toe te passen is. De aanleg van een geluidsreducerend wegdek is vanuit civieltechnisch oogpunt (beheer, onderhoud en duurzaamheid) echter niet realistisch in de volgende gevallen: Binnen 50 meter vanuit het hart van het kruispunt, bij scherpe bochten, bij bushaltes, bij rijstroken die minder dan 3,50 meter breed zijn en HOV-banen. Er treedt voor het wegdek dan groot en snel kwaliteitsverlies op. Indien het te asfalteren wegdeel minder dan 50 meter bedraagt. Aanleg is vanwege een beperkte lengte van het geluidsreducerend wegdek vanuit beheers- en onderhoudsoverwegingen niet wenselijk. Een andere in theorie mogelijke maatregel is het verplaatsen van de ontvanger.

Door het vergroten van de afstand tussen bron en ontvanger zal de geluidsbelasting ter plaatse van de ontvanger lager zijn. Om ter plaatse van gebouw T5 te kunnen voldoen aan de maximaal te ontheffen waarde zal de rooilijn circa 12 meter verder van de Ring af moeten worden gerealiseerd. Overdrachtsmaatregelen Het plaatsen van een geluidsscherm of -wal kan een effectief middel zijn om het geluid in de woonomgeving terug te dringen. Geluidsschermen zijn echter alleen mogelijk als er voldoende ruimte tussen de bron en de woningen is. Deze ruimte is veelal alleen bij het hoofdverkeerswegennet en bij spoorlijnen aanwezig, en niet langs wegen als de Dirk Boutslaan en de Kanaaldijk-Zuid. Daarnaast kunnen schermen een ongewenste verkeerskundige of stedenbouwkundige barrière vormen. Omdat veel hogere waarden optreden vastgesteld Campinaterrein Gemeente Eindhoven

61

op grote hoogte, zou een effectief scherm (afgezien van een luifelvariant) dusdanig hoog moet zijn dat deze stedenbouwkundig niet wenselijk zijn te noemen. Cumulatieve geluidsbelasting Bij een relevante blootstelling door meerdere geluidsbronnen dient onderzoek te worden gedaan naar de effecten van de samenloop van verschillende geluidsbronnen (cumulatie). Ook in het kader van het gemeentelijk geluidbeleid is inzicht in de gecumuleerde geluidsbelasting vereist, met het verschil dat bij toepassing van het beleid de aftrek conform artikel 110 Wgh wel mag worden toegepast. In de bijlage van het akoestisch onderzoek is een overzicht opgenomen van de gecumuleerde geluidsbelasting voor toetspunten waar deze hoger is dan 48 dB. Uit het overzicht blijkt, dat (zonder het treffen van maatregelen) op de oostgevel van gebouw T5 vanaf 4,5 meter tot en met 49,5 meter boven maaiveld een gecumuleerde geluidsbelasting van meer dan 63 dB optreedt. Conclusie Voor delen van het plan moet een hogere waarde worden vastgesteld vanwege de geluidsbelasting als gevolg van: Dirk Boutslaan Kanaaldijk-Zuid Ring Voor bouwblokken met een geluidsbelasting van meer dan 48 dB moet een hogere waarde worden vastgesteld.

De gemeente Eindhoven kan hierbij de volgende kenmerken van het plan in overweging nemen: de berekende geluidsbelastingen zijn lager dan de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB, met uitzondering van de oostgevel van blok T5; elk blok beschikt over een geluidluwe gevel; bron- en overdrachtsmaatregelen zijn niet doelmatig of stuiten op bezwaren; met het plan wordt met de (vervangende) nieuwbouw een nieuwe invulling en impuls aan het terrein gegeven. Wanneer geen maatregelen aan de Ring worden getroffen, voldoet de oostgevel van T5 niet aan het gemeentelijk beleid en moet nader onderzoek worden uitgevoerd naar aanvullende maatregelen zoals borstweringen, balkonelementen, loggia's, vliesgevels of zelfs dove gevels. Voor woningen met een hogere waarde dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) van maximaal 33 dB te worden gegarandeerd. Woningen met een geluidbelasting hoger dan 53 dB dienen op basis van het lokale geluidbeleid te worden voorzien van een geluidluwe zijde. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk.

4.2.3

Omgevingslawaai

De herontwikkeling van het Campinaterrein voorziet in woningen binnen 50 meter afstand van een drietal inrichtingen ten westen van de locatie, zoals in paragraaf 4.1 is toegelicht. Voor het aspect geluid is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 14 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de conclusies uit dat onderzoek. Uit akoestisch onderzoek blijkt dat ter plaatse van de nieuwe woningen wordt voldaan aan alle richtwaarden uit stap 2 van de VNG-publicatie. Uitzondering is de indirecte hinder in de dagperiode als gevolg van de inrichting van Jongeneel. De geluidsbelasting als gevolg van het bestemmingsverkeer op de Dirk Boutslaan is echter tot 10 dB lager dan de geluidsbelasting van het reguliere verkeer op die weg. Daarom wordt de richtwaarde uit stap 3 van de publicatie 62

vastgesteld Campinaterrein Gemeente Eindhoven

toegepast. In dat geval wordt het maximale geluidniveau als gevolg van het aan- en afrijden van verkeer niet getoetst aan de betreffende richtwaarde. Bij toepassing van stap 3 is niet langer sprake van overschrijding. Op grond hiervan wordt geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.2.4

Conclusie

Wat betreft railverkeer, luchtvaartverkeer en industriezones vormt geluid geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Wat betreft omgevingslawaai door toedoen van naastgelegen inrichtingen kan worden geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wat betreft wegverkeerslawaai dient voor een groot aantal gevels hogere waarden te worden verleend. Daarnaast wordt de maximum geluidbelasting op een aantal gevels overschreden (> 63 dB).

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Wettelijk kader

Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 25 microgram/m³. In Eindhoven is de jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 overal lager dan 20 microgram/m³.

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. vastgesteld Campinaterrein Gemeente Eindhoven

63

Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. 4.3.2

Besluit gevoelige bestemmingen

Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties. 4.3.3

Goede ruimtelijke ordening

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. 4.3.4

Planbeschrijving en toetsing

Voor deze ontwikkeling is een onderzoek luchtkwaliteit. De rapportage van deze berekening is als Bijlage 15 bij de toelichting gevoegd. Hierna volgen de resultaten. Met behulp van de AERIUS lucht rekentool 2020 is beoordeeld of er ter hoogte van de toetspunten langs de wegen sprake is van een overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In onderstaande tabel zijn voor peiljaar 2020 en de relevante stoffen de hoogst berekende concentraties weergegeven. Op de in de tabel gepresenteerde resultaten is geen zeezoutaftrek toegepast. 64

vastgesteld Campinaterrein Gemeente Eindhoven

Stoffen

2020

NO2 concentratie

36,8 µg/m³

PM10 concentratie

22,5 µg/m³

PM10 overschrijdingsdagen

10,8 dagen

PM2,5 concentratie

13,3 µg/m³

Op basis van de resultaten wordt geconcludeerd dat voor de toekomstige situatie (peiljaar 2020) geen overschrijdingen optreden. Uit de NSL-monitoringstool en de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland blijkt eveneens dat er sprake is van een dalende trend van concentraties luchtverontreinigende stoffen naar toekomstig peiljaar 2030.Gezien de worstcase uitgangspunten en de dalende concentraties wordt geconcludeerd dat er voor het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen zijn voor het plan. Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan ten aanzien van luchtkwaliteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 4.3.5

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.

4.4

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. Tot slot wordt het groepsrisico verantwoord. 4.4.1

Wettelijk kader

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

vastgesteld Campinaterrein Gemeente Eindhoven

65

4.4.2

Risicobronnen

Na raadpleging van de Professionele Risicokaart en de gemeentelijke versie is gebleken dat de locatie zich niet bevindt binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, buisleidingen of het spoor. Transport Het plangebied bevindt zich nabij de Hugo van de Goeslaan (Ring). Deze transportroute is niet vermeld in de Regeling Basisnet, maar is door de gemeente Eindhoven wel opgenomen in de rapportage "Transport gevaarlijke stoffen door de gemeente Eindhoven - actualisatie van het onderzoek naar de externe veiligheidsrisico's van bulktransport over gemeentelijke wegen binnen Eindhoven" (vastgesteld in 2010). Hierin wordt aangegeven dat de ringweg geen plaatsgebonden risico heeft, maar wel een invloedsgebied. Het plan ligt gedeeltelijk binnen dit invloedsgebied.

Uitsnede risicokaart gemeente Eindhoven (plangebied = rood omlijnd; groen = invloedsgebied Ring) In de Visie Externe Veiligheid Eindhoven uit 2009 worden hierbij enkele voorwaarden gesteld. Hierin staat onder andere dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen (minder dan 50 woningen, waarbij de woningen niet specifiek bedoeld zijn voor een hulpbehoevende of minderjarige doelgroep) binnen 200 meter van de lokale wegen de standaard verantwoording groepsrisico geldt. Aangezien het plan meer dan 50 woningen betreft, past het plan niet binnen het criteria van de standaardverantwoording van de gemeente Eindhoven. Hierdoor dient er een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij dient ook de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld te worden een advies uit te brengen. 4.4.3

Verantwoording groepsrisico

De Hugo van der Goeslaan valt niet onder de Regeling Basisnet, maar in deze situatie dient hier conform het gemeentelijk beleid wel een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Het groepsrisico wordt in dit geval verantwoord aan de hand van artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes. 66

vastgesteld Campinaterrein Gemeente Eindhoven

Hoogte van het groepsrisico Het groepsrisico is berekend op 10 juni 2020 met het rekenprogramma RBM II. Hiervoor zijn twee berekeningen uitgevoerd, waarvan een van de huidige situatie en een van de situatie ná de onderhavige ontwikkelingen op het Campinaterrein. De volledige berekeningen zijn opgenomen in Bijlage 16 van dit bestemmingsplan. In de berekeningen is rekening gehouden met een worst-case scenario van het aantal LPG-transporten over deze gemeentelijk weg. Huidige en toekomstige situatie In de huidige situatie is de hoogte van het groepsrisico berekend op 0,019 * de oriënterende waarde. In de toekomstige situatie is de hoogte van het groepsrisico berekend op 0,050 * de oriënterende waarde.

Groepsrisico huidige situatie

Groepsrisico toekomstige situatie

Uit de berekeningen blijkt dat het groepsrisico ruim onder de 0,1 * de oriënterende waarde is gelegen. Het groepsrisico zal door onderhavige ontwikkeling wel toenemen. Aangezien het groepsrisico in zowel de huidige als toekomstige situatie onder de 0,1 blijft, kan op grond van artikel 8 lid 2 onder a van het Bevt worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. 4.4.4

Advies veiligheidsregio Brabant Zuidoost

Naar aanleiding van de ontwikkeling is een advies aangevraagd bij de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost. Hierbij is door de Veiligheidsregio verwezen naar het preadvies dat is verleend op 3 juli 2017. De adviespunten worden hieronder benoemd, het volledige advies is opgenomen in Bijlage 17. Advies De volgende punten kunnen worden meegewogen in de verdere uitwerking van het plan: 1. Algemene uitgangspunt is dat er zo min mogelijk mensen en alleen zelfredzame mensen verblijven in de buurt van risicobronnen. vastgesteld Campinaterrein Gemeente Eindhoven

67

2. Gebouwen en het plangebied zijn snel en veilig te verlaten indien er een calamiteit is op de weg waar gevaarlijke stoffen over worden vervoerd. 3. De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk. 4. Zware bedrijvigheid vermijden. Reactie advies Veiligheidsregio: Ad 1. Het bestemmingsplan biedt binnen het invloedsgebied geen ruimte voor groepen verminderd zelfredzame personen. Conform het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL) zullen zich hier binnen 200 meter van de Hugo van der Goeslaan geen zeer kwetsbare objecten/gebouwen vormen. Ad 2 & 3. De gebouwen in het plangebied dienen zo ingericht te worden dat snel en veilig gevlucht kan worden van de risicobron af. Verder is het plangebied vanuit meerdere windrichtingen te bereiken voor de hulpdiensten. Ad 4. Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden om zware bedrijvigheid te laten terugkomen. De nieuwe bestemmingen zijn gericht op wonen, werken en recreëren. Zware bedrijvigheid valt hier niet onder.

Mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp De hulpdiensten kunnen snel en van meerdere kanten het plangebied bereiken. Ook de bluswatervoorzieningen zijn voldoende aanwezig en voldoen aan de beleidsregels 'Bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen'. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Het plan biedt binnen het invloedsgebied geen ruimte voor groepen verminderd zelfredzame personen. Er wordt uitgegaan van een situatie waarbij de populatie in geval van een incident voldoende zelfredzaam is.

4.4.5

Conclusie

Het aspect externe veiligheid levert geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan.

4.5

Duurzaamheid

4.5.1

Duurzame en gezonde ontwikkeling van Eindhovenin het hart van de Brainportregio

Alles wat we als gemeente doen draagt bij aan een goede kwaliteit van leven, nu en in de toekomst. Met name hier in Eindhoven maar ook daarbuiten. Om te werken aan een goede kwaliteit van leven in Eindhoven zorgen we er voor dat we de stad zowel boven- als ondergronds zodanig ontwerpen en inrichten dat deze vanuit economisch, ecologisch en menselijk oogpunt gezond, aantrekkelijk en toekomstbestendig is: gezonde en duurzame verstedelijking. In een gezonde stad is ruimte voor de natuur en duurzame voedsel-, energie-, water-, grondstoffen- en afvalkringlopen. Niet alleen hier en nu maar ook elders in de wereld en voor volgende generaties. Kwaliteit van leven wordt in steeds grotere mate bedreigd door globale problemen als klimaatverandering en luchtvervuiling. Integrale duurzaamheid gaat daarom ook in deze opgave verder dan de gebouwen alleen. We streven ernaar in elk project ook het gebied/ de openbare ruimte te verduurzamen en daarmee een integrale bijdrage te leveren aan kwaliteit van leven in Eindhoven.

68

vastgesteld Campinaterrein Gemeente Eindhoven

4.5.2

Een systeemaanpak

De gemeente Eindhoven heeft gekozen voor een aanpak die uitgaat van een systeembenadering van duurzaamheid voor de ontwikkeling van Eindhoven tot duurzame, gezonde, energie-neutrale, flexibel bestuurde, aantrekkelijke en inspirerende stad; The Natural Step-aanpak.

4.5.3

The Natural Step: Vier principes van een duurzame samenleving

The Natural Step Aanpak is eind jaren '80 ontstaan in Zweden in een nauwe samenwerking tussen overheid, wetenschap en bedrijfsleven; een Triple Helix. In de kern van The Natural Step-aanpak vinden we vier duurzaamheidsprincipes, gebaseerd op de ecologische en sociale systeemeigenschappen. Aan de basis van deze principes ligt ruim 20 jaar wetenschappelijk onderzoek en de praktische toepassing daarvan bij bedrijven, gemeenten, scholen en non-profit organisaties over de hele wereld. De 4 duurzaamheidsprincipes kunnen we zien als spelregels. Houden we ons aan deze regels dan zijn we duurzaam bezig. Ze vertellen wat de grenzen zijn die we moeten respecteren als we een duurzaam product, een duurzame organisatie of duurzame gemeenschap willen ontwikkelen.

Niet meer en sneller stoffen uit de aardkorst in het milieu brengen dan de natuur kan verwerken.

vastgesteld Campinaterrein Gemeente Eindhoven

69

Niet meer en sneller natuurvreemde stoffen in het milieu brengen dan de natuur kan verwerken.

De natuur niet sneller afbreken dan de tijd die nodig is om te herstellen.

Geen dingen doen waardoor w e mensen beperken in het kunnen vervullen van hun behoeften.

4.5.4

Ambities duurzaamheid

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. 1) CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te proberen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt. 1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Sinds 1 juli 2018 moeten kleinverbruikers, zowel nieuwe woningen als nieuwe bedrijven, 'aardgasloos bouwen'.

In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad bovendien vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en daarom nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is. Met de beleidsregel 'Voorkomen aansluiting nieuwbouw op aardgas', die wordt gehanteerd tot 31 december 2020 (of 1-7-2018), wordt beoogd nieuwe aansluitingen op aardgas te voorkomen. 1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor 70

vastgesteld Campinaterrein Gemeente Eindhoven

fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten. 1C) Warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. 1D) Duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op het gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven. 2) Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden.

(Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken. 2A) Duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen. 2B) Geen afval In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval. 2C) Flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw. 2D) Deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten.

Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik) van het product bij de leverancier. 3) Natuur 3A) Biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven vastgesteld Campinaterrein Gemeente Eindhoven

71

willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan. 3B) Oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen. 4) Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt). 4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2016-2020 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken.

Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress. 4B) Gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte. 4C) Participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen. Specifiek Eindhovens Daarnaast zijn er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis).

Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan. Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.

72

vastgesteld Campinaterrein Gemeente Eindhoven

4.5.5

Toepassing plangebied

Initiatiefnemer BPD wil vooroplopen met duurzame gebiedsontwikkeling, zo ook bij het Campinaterrein. Voor initiatiefnemer gaat duurzame gebiedsontwikkeling naast milieu over sociale, ruimtelijke en economische waarde. People, planet en prosperity zijn het logische vertrekpunt om het Campinaterrein te ontwikkelen als plek waar mensen zich thuis voelen, nu en in de toekomst. De uitdagingen die hiermee gepaard gaan, worden omgezet in kansen. Door samen met (toekomstige) bewoners en partners een duurzame leefomgeving te creëren wilt initiatienemer zich onderscheiden. Daarbij richten zij zich op het behalen van concrete resultaten. BPD gelooft dat de basis voor verduurzaming bestaat uit het faciliteren en mobiliseren van bewoners en gebruikers. Zij vormen dan ook het ijkpunt. De duurzaamheidsstrategie van BPD is gebouwd op vier pijlers die in samenhang worden benaderd. 1. Energietransitie: energiebesparing en duurzame energie hebben hoge prioriteit bij de ontwikkeling van het Campinaterrein. 2. Klimaatadaptatie: de leefomgeving is zo ingericht dat deze bestand is tegen wateroverlast, hittestress en langdurige droogte. 3. Circulaire gebiedsontwikkeling: (her)gebruiken van grondstoffen en beperken afvalstromen bij de bouw van de nieuwe woningen en de inrichting het gebied. 4.

Gezondheid: op het Campinaterrein is het aangenaam verblijven en worden zettenbewoners aangezet tot gezond gedrag. Het doel van initiatiefnemer is vooruitstrevend en aanjagend te zijn en met het Campinaterrein boven de wettelijke norm te scoren. 1. Energietransitie Het Campinaterrein wordt een gasloze wijk. Voor het verwarmen en koelen wordt een Warmte Koude Opslag (WKO) toegepast. Energie wordt opgeslagen en onttrokken aan de bodem waarbij een slimme onderlinge wisselwerking wordt gefaciliteerd tussen de vraag naar warmte en koude van de woningen en de overige functies op het Campinaterrein. Mogelijk wordt de WKO gekoppeld aan een systeem voor Thermische Energie uit Oppervlaktewater (TEO). De nieuwbouw op het Campinaterrein voldoet aan de eisen voor Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG). Daarbij streven we naar een energie neutrale opzet voor de nieuwbouw en een zo goed mogelijk energielabel voor het te transformeren erfgoed. Hierbij maken we zoveel mogelijk gebruik van hernieuwbare energiebronnen en kijken naar koppelkansen en ketensamenwerking. Ook is er aandacht voor het voorkomen van te hoge ruimtetemperaturen in de zomer. Het energieverbruik wordt op een gebruiksvriendelijke en laagdrempelige gemonitord en geoptimaliseerd tijdens de gebruiksfase. 2. Klimaatadaptatie Het huidige Campinaterrein is geheel verhard en bebouwd.

Onderdeel van het nieuwe Campinaterrein is het 'open maken' van circa 6.000 m² (semi-)openbare ruimte. Deze oppervlakte wordt voorzien van een rijke variatie van planten- en boomsoorten. Daarnaast wordt circa 4.500 m² daken van de nieuwbouw groen uitgevoerd. Een deel van deze daken krijgt een dubbele of zelfs driedubbele functie: waterbergend dak, waarop een groen dak wordt aangelegd, waarboven (deels) een energieleverend dak komt in de vorm van een PV-installatie (fotovoltaïsche installatie/ zonnepanelen). In de deeluitwerkingen wordt verder gekeken naar de mogelijkheden van gevelgroen en groen op/aan de buitenruimtes van de woningen. Deze invullingen zorgen voor een klimaatadaptief plan dat beter bestand is tegen hitte, droogte en wateroverlast. Naast klimaatbestendigheid draagt het groen bij aan geluid- en windhindereductie en een verbetering van de luchtkwaliteit en biodiversiteit van Eindhoven. Het nieuwe Campinaterrein wordt in zijn geheel afgekoppeld: het hemelwater dat op het terrein valt wordt niet via de riolering afgevoerd. Verder wordt voorzien in het bergen van 60 mm regenwater voor het gehele terrein, in totaal een bergingscapaciteit van ca. 2.000 m³. Dit wordt gerealiseerd middels de berging en infiltratie in de onverhard groene ruimte en de groene en vastgesteld Campinaterrein Gemeente Eindhoven

73

deels waterbergende daken. Ten tijde van extreme piekbelastingen kan de gerealiseerde capaciteit onvoldoende blijken om alle hemelwater te bergen. Voor die zeldzame gevallen wordt voorzien in een overstortvoorziening naar het Eindhovens Kanaal. 3. Circulaire gebiedsontwikkeling Bij de ontwikkeling van het Campinaterrein passen we zoveel mogelijk hergebruikte en herbruikbare materialen toe. Daarnaast ontwerpen we de gebouwen en het openbaar gebied zo dat materialen in de toekomst ook hoogwaardig hergebruikt kunnen worden. Circulair ontwerp gaat over het bewustzijn van de totale levenscyclus van het gebouw en openbare ruimte in de ontwerpfase; het reduceren van de total cost of ownership, inclusief onderhoud, beheer, en end-of-life. Er zullen materialenpaspoorten opgesteld worden die worden ondergebracht bij Madaster. Eigendom en toegang tot de informatie van het materialenpaspoort wordt bij oplevering overgedragen aan de eigenaar. Het materialenpaspoort is een logboek waarin staat welke materialen zijn toegepast en wat de milieu-impact en herkomst van deze materialen is. Daarnaast een BIM-model en eventueel een handleiding voor hoe te demonteren. Voor de toekomstwaarde van de gebouwen en het terrein worden in het ontwerp- en realisatieproces materialen geselecteerd op basis van hun milieu footprint.

Per 1 januari 2018 geldt voor de Milieuprestatie Gebouwen (MPG) een maximum schaduwprijs van 1,00 euro per m² BVO per jaar. Dat is de verplichte norm. Initiatiefnemer streeft in dit gebied een lagere MPG na. Initiatiefnemer heeft aandacht voor het terugwinnen van materialen bij het slopen van de indifferente en storende bestaande bebouwing op het terrein. Daarnaast wordt ernaar gestreefd om de bij de sloop vrijkomende materialen zo maximaal, zo lokaal en zo hoogwaardig mogelijk te hergebruiken of te recyclen. 4. Gezondheid Het Campinaterrein is sociaal- en functiedivers. Er wordt een diversiteit aan woningtypen gerealiseerd, van sociale huur tot dure koop. Naast wonen is er ruimte voor werken en recreëren. De (stedenbouwkundige) opzet van het plan, de inrichting van (semi-)openbare en private buitenruimten en de gebouwen zijn (sociaal) veilig, (mentaal) gezond en nodigen uit tot ontmoeting en tot onthaasting. Bewoners en gebruikers ervaren een hoge mate van 'mentaal eigenaarschap' van hun leefomgeving. Bij de ontwikkeling van het plan worden bewoners en bedrijven betrokken bij lokale investeringen en waarde ontwikkeling. Bewoners en de buurt spelen een actieve rol bij het inrichten van de gedeelde buitenruimtes en tuinen. Er worden aangename verblijfplekken gerealiseerd, om elkaar te ontmoeten en te bewegen, voor zowel de wijkbewoners als anderen uit de omgeving.

Het bewegen wordt gestimuleerd door aansluiting te zoeken bij het STOMP principe dat als leidend mobiliteitsprincipe wordt gehanteerd. STOMP (Stappen- Trappen- Openbaar vervoerMobility as a service-Privé auto) helpt van links naar rechts met een hiërarchie, startend met een beloopbare en befietsbare stad. Op het Campinaterrein maakt de aanwezigheid wonen, werken en voorzieningen, dit mogelijk. Daarnaast wordt ingezet op openbaar vervoer. In de nabijheid van het Campinaterrein bevinden zich twee (H)OV-haltes. Samen met de OV-aanbieders, gemeente en provincie wordt gekeken naar mogelijkheden om een halte bij het Campinaterrein te realiseren. Op het Campinaterrein wordt (elektrisch) deelvervoer gefaciliteerd. Met fietsen, scooters, auto's en ongetwijfeld nog nieuwe vormen van deelmobiliteit zijn er voldoende mogelijkheden. Deze worden geconcentreerd in een multimodale en multifunctionele hub aan de rand van het Campinaterrein. Dit wordt ook de plek waar de particuliere auto zijn plaats krijgt. Het terrein zelf wordt autoluw. De klimaatadaptieve groene inrichting van de (semi-)openbare ruimte zorgt naast klimaatbestendigheid voor geluid- en windhindereductie en een verbetering van de luchtkwaliteit en biodiversiteit.

Ook binnen de woningen is er aandacht voor een aangenaam binnenklimaat door de aanwezigheid van LTV (laag temperatuur verwarming), gebalanceerde ventilatie en maatregelen ter voorkoming van oververhitting. De woningen en eigen buitenruimten kijken zoveel mogelijk uit op groen, water en/of open ruimte. Bij de ontwerpen is er aandacht voor de balans tussen ervaring van ruimtelijkheid (uitzicht), daglichttoetreding en 74

vastgesteld Campinaterrein Gemeente Eindhoven

bezonning enerzijds, en voldoende privacy anderzijds. Zo ervaart de bewoner enerzijds bescherming/privacy in de woning en privé buitenruimte en anderzijds de gezamenlijkheid van het Campinaterrein. Dit alles zorgt voor een aangename en gezonde leefomgeving die het fysieke en mentale welzijn bevordert.

4.6

Bodem

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw bestemmingsplan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Na het vertrek van de inrichting is de eindsituatie van de bodemkwaliteit onderzocht. De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 18 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste resultaten en conclusies. Op basis van de resultaten van de uitgevoerde analyses is het uitvoeren van een aanvullend onderzoek en/of het verrichten van bodemsaneringswerkzaamheden niet noodzakelijk. De aangetoonde verhoogde gehalten in de bodem zijn van dien aard dat er geen risico's zijn te verwachten voor de mens, het ecosysteem en/of de verspreiding. Voor de ontwikkeling van de locatie dient nog aanvullend/nader onderzoek uitgevoerd te worden in verband met aanwezige verontreinigingen. Hierbij dient de grond dan tevens onderzocht te worden op PFAS. Deze onderzoeken worden uitgevoerd voor aanvang van de aanvraag omgevingsvergunning. 4.6.1

Conclusies

Het bestemmingsplan is wat betreft het aspect bodem uitvoerbaar.

4.7

Natuur

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die begin 2022 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen. 4.7.1

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt niet binnen het Natuurnetwerk Brabant of een EVZ. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN betreft een EVZ welke direct ten noorden van het plangebied ligt in de vorm van het Eindhovensch Kanaal. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zal het kanaal niet fysiek wijzigen en zullen de omgevingscondities op dit kanaal nagenoeg gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNB/EVZ niet worden aangetast. Eventuele toekomstige plannen met de kade van het kanaal maken geen deel uit van de in onderhavige quickscan te toetsen plannen. Indien van toepassing zal dit via een separaattraject worden beoordeeld. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB/EVZ met betrekking tot de appartementen wordt niet noodzakelijk geacht. Voor Natura 2000-gebieden geldt dat het plangebied op grote afstand hiervan is gelegen (circa 3,3 km). Gezien de aard en de beperkte omvang van de ingreep zorgt dit ervoor dat eveneens geen negatief effect te verwachten is op de wezenlijke kenmerken en waarden van Natura 2000-gebieden. Ter bepaling of er sprake is van stikstofdepositie is een berekening uitgevoerd. Uit deze berekening is geconcludeerd dat geen sprake is van stikstofdepositie door toedoen van dit project (bouw- en gebruiksfase) op het nabijgelegen Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux". Er is sprake van 0,00 mol/ha/jaar depositie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11744106/1