CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Bp II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum)

Raadsvergadering 29 november 2022, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum)24.374 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.2.3

Conclusie

Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

32

vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

4.3

Natuur

4.3.1

Algemeen

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2023 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen verantwoordelijkheden bij de provincies en gemeenten te liggen.

4.3.2

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt op circa 570 meter van het natuurgebied Karpen, dat deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Tussen het plangebied en dit natuurgebied ligt een hoofdverkeersader, de N270 - Eisenhowerlaan, die als drukke invalsweg tot de ring rond Eindhoven fungeert. Hierdoor is er samen met de aard en de relatief beperkte omvang van de ingreep geen negatief effect te verwachten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB. De verkeersader blijft immers maatgevend. Het plangebied is op relatief grote afstand - circa 4,5 kilometer - van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Leenderbos, Groote Heide & Plateaux' gelegen. Vanwege de ligging en de aard van de voorgenomen ingreep, kunnen negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen redelijkerwijs op voorhand worden uitgesloten. Dat geldt ook voor stikstofdepositie. Voor de gebruiksfase geldt dat er minimaal een BENG-gebouw (bijna energie neutraal) wordt gerealiseerd. Hierdoor is er - gezien de afstand - geen negatief effect te verwachten. Voor de bouwfase is een AERIUSberekening uitgevoerd. Uit deze berekening volgt dat de depositie lager of gelijk is aan 0,00 mol/hr/jr. Dit houdt in dat significant negatieve effecten op de instandhouding van Natura 2000-gebieden door de depositie van stikstof zijn uit te sluiten. De AERIUSberekening en het bijbehorende memo is als bijlage bij deze toelichting opgenomen.

4.3.3

Soortenbescherming

Met het planvoornemen is beoogd een nieuw schoolgebouw te realiseren op het sportveld ten zuiden van het huidige schoolgebouw. Na de werkzaamheden zullen de terreinen rondom het schoolgebouw als natuurondersteunend ingericht worden. Om te bepalen of het planvoornemen mogelijk zou kunnen leiden tot overtredingen van de Wnb is in 2019 een quickscan flora & fauna (zie bijlage) uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat de ter plaatse aanwezige bebouwing en begroeiing geschikt zijn als vaste verblijfplaats en/of als leefgebied voor de wezel, de bunzing, de steenmarter, de das, vleermuizen, de alpenwatersalamander en de vinpootsalamander. Om deze reden is een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd. De rapportages van de uitgevoerde onderzoeken zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgt de conclusie uit het aanvullend ecologisch onderzoek: het leefgebied van de steenmarter en das wordt aangetast door de geplande werkzaamheden, waardoor een ontheffing en mitigatieplan voor deze soorten een verplichting zijn vanuit de Wnb. door het slopen van de bebouwing binnen het plangebied gaan de aangetroffen zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis verloren, waardoor een ontheffing en mitigatieplan voor deze soort een verplichting is vanuit de Wnb.

binnen het plangebied bevindt zich geen essentieel foerageergebied van vleermuizen en door het planvoornemen verdwijnen geen (essentiële) vliegroutes van vleermuizen aangetroffen, waardoor hiervoor geen verplichtingen bestaan vanuit de Wnb. vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

33

het plangebied is onderdeel van het leefgebied van de alpenwatersalamander. Bij voorgenomen werkzaamheden zal dit leefgebied aangetast worden en/of verloren gaan, waardoor er verplichtingen bestaan vanuit de Wnb ten aanzien van deze soortgroep; de omschreven werkwijzen met betrekking tot de zorgplicht dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen; een ontheffing in het kader van de Wnb is voor de soorten wezel, bunzing en vinpootsalamander niet noodzakelijk; de aanbevelingen in de quickscan flora en fauna dienen nageleefd te worden. Voor de soorten steenmarter, das, gewone dwergvleermuis en alpenwatersalamander is een ontheffing van de Wnb (soorten) benodigd. Hiertoe is een mitigatieplan opgesteld dat onderdeel uitmaakt van de ontheffingsaanvraag (Wnb soortbescherming). De ontheffingsaanvraag is in behandeling bij het bevoegd gezag. De definitieve uit te voeren maatregelen zullen worden vastgelegd in de voorschriften van de ontheffing.

4.3.4

Conclusie

Er worden geen negatieve effecten verwacht van het planvoornemen op omliggende beschermde natuurgebieden van het NNB. Vanuit soortenbescherming is uit een quickscan flora en fauna en nader onderzoek gebleken dat er meerdere beschermde soorten van het plangebied gebruik maken om te verblijven en/of als leefgebied. Voor deze soorten steenmarter, das, gewone dwergvleermuis en alpenwatersalamander - is een ontheffing van de Wnb aangevraagd bij de provincie Noord-Brabant (Omgevingsdienst Brabant Noord - ODBN). Indien ontheffing wordt verleend en indien het bij de ontheffing behorende mitigatieplan wordt uitgevoerd, is het bestemmingsplan uitvoerbaar wat betreft soortenbescherming. Omdat het soorten betreffen waarvoor met passende mitigerende maatregelen ontheffing kan worden verleend, en omdat de directe omgeving voldoende aanknopingspunten bevat om de mitigerende maatregelen te kunnen uitvoeren, kan worden geconcludeerd dat deze omstandigheid de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat. Behalve voor de hierboven genoemde soorten worden er aangaande soortenbescherming geen overtredingen van de Wnb verwacht. De zorgplicht zal ten alle tijden in acht genomen worden en met de aanbevelingen uit de eindconclusie van de quickscan flora en fauna (zie bijlage) wordt bij de planrealisatie rekening gehouden.

4.4

Geluid

4.4.1

Algemeen

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, railverkeer, industrie en luchtvaart. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bron34

vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

en/of overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen. Dit plan voorziet in de nieuwbouw van een school. Hiertoe wordt de bestaande school gesloopt. De bestemming van de locatie blijft ongewijzigd. Een school is een "ander geluidsgevoelig gebouw" in de zin van de Wgh. Art. 1.2 Bgh wijst onder andere onderwijsgebouwen aan als een "ander geluidsgevoelig gebouw". Door adviesbureau K+ is een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek maakt als bijlage onderdeel uit van deze toelichting. Hierna volgen de resulten in paragraaf 4.4.2 en 4.4.3.

4.4.2

Wegverkeerslawaai

Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Eisenhouwerlaan. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van de 30 km/uur weg Celebeslaan, gezien de lage voertuigintensiteit op deze fietsstraat is deze weg verder niet beschouwd. Voor de Eisenhouwerlaan geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van deze weg ter plaatse van de school een overschrijding van de voorkeurgrenswaarde veroorzaakt. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Voor de nieuwbouw is een hogere grenswaarde vereist indien de overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten. De nieuwe school wordt gebouwd als vervanging van de bestaande school. Het aanleggen van een geluidscherm (overdrachtsmaatregel) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is niet doeltreffend in onderhavige situatie. De Eisenhouwerlaan is al voorzien van 1-laag ZOAB.

Het aanbrengen van een ander stiller wegdek om de geluidbelasting ten gevolge van de Eisenhouwerlaan terug te dringen is uit het oogpunt van financiële aard, praktische uitvoerbaarheid, beheer en onderhoud niet wenselijk. Daarom is een hogere grenswaarde vereist en verleend. Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een hogere grenswaarde, is voor de toekomstige geluidgevoelige bebouwing een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Dit zal uitgevoerd worden bij de aanvraag omgevingsvergunning. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd en is er dus te allen tijde sprake van een goed binnenklimaat met betrekking tot geluid.

4.4.3

Railverkeerslawaai

Voor railverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de zone (600 meter) van de spoorlijn VenloEindhoven en Eindhoven-Weert. Voor het spoor geldt dat de geluidbelasting ter plaatse van de school de voorkeurgrenswaarde van 53 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 68 dB wordt niet overschreden. Voor de nieuwbouw is een hogere grenswaarde vereist indien de overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten. De nieuwe school wordt gebouwd als vervanging van de bestaande school. Gezien de beperkte omvang van het project is het niet reëel om maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied te treffen, met als doel om de geluidbelasting te reduceren. De kosten van dergelijke maatregelen zullen na verwachting ongeveer 1 mln euro bedragen en stuiten vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

35

daarmee op overwegende bezwaren van financiële aard. Daarom is een hogere grenswaarde vereist. Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een hogere grenswaarde, is voor de toekomstige geluidgevoelige bebouwing een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Dit zal uitgevoerd worden bij de aanvraag omgevingsvergunning. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd en is er dus te allen tijde sprake van een goed binnenklimaat met betrekking tot geluid.

4.4.4

Industrielawaai

Het plangebied is niet gelegen binnen gezoneerd industrieterrein. 4.4.5

Luchtvaartlawaai

Het plangebied ligt op hemelsbreed circa 8,3 kilometer van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militair vliegveld met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). Vanaf 1 november 2009 geldt de Wet luchtvaart. Deze wet omvat een nieuw stelsel van besluitvorming en normen voor alle luchthavens, met uitzondering van Schiphol. Conform de systematiek van deze wet is voor luchthaven Eindhoven één luchthavenbesluit vastgesteld met een militaire geluidsruimte voor militair vliegverkeer en een burgergeluidsruimte voor het commercieel burgermedegebruik. Het luchthavenbesluit is op 26 september 2014 vastgesteld. Met dit besluit is de 35Ke-geluidszone rond de luchthaven vastgelegd als grens van de geluidsbelasting van het gezamenlijke militaire en civiele vliegverkeer. Het plangebied ligt niet binnen deze vastgestelde geluidszone (35Ke-contouren). Deze geluidszone werkt daarom niet belemmerend voor dit plangebied.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Wettelijk kader

Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex.

36

vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

4.5.2

Besluit niet in betekenende mate bijdragen

De invloed van deze ontwikkeling op de luchtkwaliteit ter plaatse wordt bepaald door de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe activiteiten op deze locatie. De luchtkwaliteitseisen van de Wet luchtkwaliteit vormen geen belemmering voor de plannen wanneer de activiteiten 'niet in betekenende' mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (artikel 5.16 lid 1 onder c Wm). Uit artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en voorschrift 3B.2 van bijlage 3b van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' volgt dat een bouwplan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit wanneer het plan niet voorziet in de bouw van meer dan 1.500 woningen.

4.5.3

Besluit gevoelige bestemmingen

Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse "Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit" opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.

4.5.4

Goede ruimtelijke ordening

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.

vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

37

4.5.5

Planbeschrijving en toetsing

Besluit gevoelige bestemmingen Het plan voorziet in de bouw van een school. Daarmee wordt een gevoelige bestemming mogelijk gemaakt. De school is geprojecteerd op een afstand van 80 meter van de wegrand van een provinciale weg (Eisenhowerlaan). Daarmee is het plan niet gelegen binnen 50 meter van een provinciale weg, drukke gemeentelijke weg of binnen 300 meter van een rijksweg (snelweg). Daarom zijn de bepalingen opgenomen in het Besluit gevoelige bestemmingen niet op deze ontwikkeling van toepassing. Niet in betekenende mate Het beoogd bouwplan voorziet in de bouw van een nieuwe middelbare school. De bestaande schoolbebouwing wordt gesloopt. Met het plan wordt niet beoogd het leerlingenaantal te doen toenemen. Gezien het voorgaande kan aldus geconcludeerd worden dat onderhavig bouwplan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Op basis van artikel 5.16, lid 1, aanhef en onder c van de Wet Milieubeheer kan het project zonder nader onderzoek doorgang vinden. Toetsen aan grenswaardes Om na te gaan of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goede luchtkwaliteit is de NSL Monitoringskaart gebruikt. Als rekenjaar wordt uitgegaan van het jaar 2020. Hieruit blijkt dat de achtergrondwaarde jaargemiddelde voor NO2 op de N270 (Eisenhowerlaan) tussen de 19,4 µg/m3 en de 25,2 µg/m3 ligt, waarmee het jaargemiddelde niet wordt overschreden.

De achtergrondwaarde jaargemiddelde voor PM10 op de N270 ligt tussen de 16,4 µg/m3 en 18,4 µg/m3, waarmee het jaargemiddelde niet wordt overschreden. Uit de NSL Monitoring blijkt ten slotte dat het maximale aantal overschrijdingsdagen niet wordt overschreden.

4.5.6

Conclusie

Voor het planvoornemen hoeft niet aan de bepalingen in het Besluit gevoelige bestemmingen te worden getoetst (de afstand is voldoende groot). Het project draagt niet in betekenende mate bij aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Aan de jaargemiddelden en grenswaarden voor luchtkwaliteit wordt voldaan. Luchtkwaliteit vormt hiermee geen belemmering voor deze ruimtelijke ontwikkeling.

4.6

Bodem

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw bestemmingsplan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen bouw van de nieuwe school. Hiertoe zijn een tweetal verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd, namelijk ter plaatse van de nieuwbouw op het sportveld en ter plaatse van de nieuwbouw ten noorden van het sportveld en ten zuiden van de bebouwing (o.a. park, fietsenstallingen en schoolplein). De rapportages zijn als bijlagen bijgevoegd bij deze toelichting. Hierna volgen de belangrijkste conclusies en resultaten.

38

vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

4.6.1

Verkennend bodemonderzoek sportveld

Het verkennend bodemonderzoek, uitgevoerd door Anteagroup (projectnummer 0472582.10, d.d. 4 oktober 2021) geeft de volgende resultaten. Grond In de zintuiglijk schone bovengrond zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan cadmium en kwik aangetoond. In de matig sintelhoudende laag in boring 003 van 0,5-0,7 m-mv zijn kobalt, cadmium en kwik maximaal licht verhoogd aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetoond. De analyseresultaten van de onderzochte grond(meng)monsters zijn getoetst aan de normen uit het Besluit bodemkwaliteit voor ontvangende bodem. Hieruit blijkt dat behoudens de matig sintelhoudende laag in boring 003 de bodem voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse 'Achtergrondwaarde'. De matig sintelhoudende laag in boring 003 voldoet aan de maximale klasse 'Industrie'. PFAS In het kader van de Wet bodembescherming is tot op heden geen beleid opgesteld ten aanzien van PFAS. Het Tijdelijk Handelingskader PFAS geeft echter wel invulling aan de zorgplicht uit de Wet bodembescherming (Wbb). De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek, omdat de gemeten gehalten lager zijn dan de betreffende maximale toepassingswaarden zoals opgenomen in het geactualiseerde Tijdelijk handelingskader (versie van juli 2020).

De resultaten vormen ons inziens geen milieuhygiënische belemmering voor het toekomstige gebruik van de locatie; de uiteindelijke beslissing hiertoe is aan het bevoegd gezag Wbb. De analyseresultaten van de onderzochte grond(meng)monsters zijn indicatief getoetst aan de normen uit het geactualiseerde Tijdelijk handelingskader van 2 juli 2020, of de vastgestelde waarden in het gebiedspecifieke beleid. Hieruit blijkt dat de grond voldoet aan de klasse Landbouw/Natuur. Grondwater In het grondwater is eenmaal een matig verhoogde concentratie aan cadmium aangetoond (regionaal verhoogde achtergrondwaarde) en zijn zink, barium en xylenen maximaal licht verhoogd aangetoond. Toetsing hypothese De vooraf opgestelde hypothese 'onverdachte locatie' wordt verworpen, vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten met zware metalen in de grond en licht tot matig verhoogde concentraties in het grondwater. De vooraf opgestelde hypothese 'verdachte locatie' ter plaatse van de voormalige weg wordt aanvaard vanwege de aanwezige bijmengingen met sintels en licht verhoogde gehalten aan zware metalen. De onderzoeksresultaten geven vanuit de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek, omdat de gemeten concentraties kleiner zijn dan de betreffende interventiewaarde.

De resultaten vormen ons inziens geen milieuhygiënische belemmering voor het gebruik van de locatie als sportveld of voor toekomstige bebouwing. De uiteindelijke beslissing hiertoe is aan het bevoegd gezag.

4.6.2

Verkennend bodemonderzoek schoolplein

Het verkennend bodemonderzoek, uitgevoerd door Geofoxx (documentkenmerk 20220214_a2RAP, d.d. 16 maart 2022) geeft de volgende resultaten.

vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

39

Bij het chemisch onderzoek is een verontreiniging met cadmium aangetoond, in een gehalte boven 0,5 x indexwaarde. Het matig verhoogd gehalte is gerelateerd aan de baksteen- en kolenhoudende bovengrond ter plaatse van de voormalig weg. In de zintuigelijk schone monsters (spoortje baksteen) zijn hooguit licht verhoogde gehalten cadmium aangetoond. Er is een relatie met de voormalige weg en, net zoals in eerder uitgevoerd onderzoek, is hier geen sprake van een sterke verontreiniging (en dus ook niet van een geval van ernstige bodemverontreiniging). Daarnaast zijn er op de locatie bij het chemisch onderzoek hooguit licht verhoogde gehalten/concentraties aan barium, cadmium, koper, kwik, lood en zink aangetoond. Op basis hiervan bestaat geen reden om nader onderzoek uit te voeren. De hypothese van het verkennend onderzoek (verdacht terrein) wordt hiermee bevestigd. De verzamelde gegevens worden echter voldoende geacht om een betrouwbare uitspraak te kunnen doen over de chemische kwaliteit van de bodem. Het referentiekader ten behoeve van de omgevingsvergunning is afdoende vastgelegd. Na toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit is de grond op het grootste deel van de locatie indicatief geclassificeerd als herbruikbaar (variërend van "vrij toepasbaar" tot klasse industrie). De matig met cadmium verontreinigde grond ter plaatse van de voormalige weg is "niet toepasbaar".

Opgemerkt dient te worden dat dit enkel de kolengruis en baksteenhoudende bovengrond (0,00 - 0,50) betreft. De "niet toepasbare" grond kan op basis van zintuigelijke waarnemingen separaat worden ontgraven. Volgens de indicatieve toetsing van de analyseresultaten aan het handelingskader (d.d. 13 december 2021) is het zand ter plaatse van de onderzoekslocatie m.b.t. het gehalte PFAS herbruikbaar (kwaliteitsklasse 'landbouw/ natuur'). Er worden geen belemmeringen verwacht met betrekking tot de geplande graafwerkzaamheden. De locatie wordt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.

4.6.3

Conclusie

De onderzoeksresultaten vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en de afgifte van een omgevingsvergunning voor bouwen.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1

Algemeen

Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied.

4.7.2

Wettelijk kader

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van toepassing. Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit 40

vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. 4.7.3

Beoordeling plan

Spoor De nieuwbouw is gelegen op een afstand van circa 190 meter van het spoor, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Aangezien de school voor een klein gedeelte binnen de 200 meter van het spoor is gelegen, dient het groepsrisico te worden verantwoord conform artikel 8 van het Bevt. Hiernaast moet de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld worden een advies uit te brengen. Het plan is niet gelegen binnen een plasbrandaandachtsgebied of plaatsgebonden risicocontour. Gemeentelijke weg De nieuwe school is voor een klein gedeelte gelegen binnen 200 meter van de Eisenhowerlaan. Deze weg is aangewezen als gemeentelijke weg waarover gevaarlijke stoffen vervoerd conform het gemeentelijk rapport 'Transport gevaarlijke stoffen door de gemeente Eindhoven'. In de 'Visie externe veiligheid Eindhoven - Risico's de maat genomen' wordt voor deze wegen gehanteerd dat er bij minder dan 50 woningen en/of functies die niet bestemd zijn voor een specifieke hulpbehoevende doelgroep binnen 200 meter een standaard verantwoording groepsrisico geldt. De ontwikkeling betreft een middelbare school, studenten van een middelbare school worden niet gezien als verminderd zelfredzaam.

Aangezien het in dit plan gaat om een locatie binnen deze 200 meter en de populatie ten opzichte van de huidige school gelijk blijft geldt deze standaard verantwoording groepsrisico conform 'Visie externe veiligheid Eindhoven - Risico's de maat genomen'. Geadviseerd wordt de afzuigopeningen van de toegepaste mechanische ventilatie hoog en afgekeerd van de risicobronnen te realiseren. Concreet zou dit betekenen dat aan de oostelijke zijde van het te realiseren gebouw de meest ideale optie is. Standaard verantwoording groepsrisico Binnen zone van 0 tot 200 m tot aan de gemeentelijk weg Eisenhowerlaan zijn de blootstelling aan brandbare gassen (BLEVE) en toxisch gassen de bepalende scenario's. Uitgaande van de diverse elementen van de verantwoordingsplicht leidt dit tot het volgende standaard externe veiligheidsadvies conform Visie externe veiligheid Eindhoven: De "Beleidsregels bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid gemeente Eindhoven" zijn van toepassing. De ontvluchtingsrichting vanuit het bouwwerk moet van de risicobron af gericht zijn. Eigenaren van bouwwerken moeten, indien van toepassing, ontruimingsafspraken maken met de gebruikers daarvan. Er is geen specifiek verzoek om advies van de Veiligheidsregio noodzakelijk. Wel moet een kopie van het advies naar de VRBZO worden toegezonden.

vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

41

4.7.4

Verantwoording groepsrisico

Advies Veiligheidsregio: Veiligheidsregio Brabant Zuidoost heeft advies gegeven m.b.t. dit planvoornemen. Het advies is als bijlage 14 bij deze toelichting gevoegd. Het advies gaat in op 3 onderwerpen, namelijk bereikbaarheid en bluswatervoorziening, risicocommunicatie en mechanische ventilatie. De adviezen zijn doorgevoerd in deze paragraaf. Verandering van bevolkingsdichtheid De bevolkingsdichtheid zal met onderhavige wijziging niet te komen veranderen. De school zal worden herbouwd met hetzelfde aantal leerlingen. De school komt wel dichter bij het spoor te liggen, op een afstand van 190 meter. Hoogte van het groepsrisico Om het hoogte van het groepsrisico te kunnen bepalen is een berekening (zie bijlage) uitgevoerd met het programma RBM II. Gezien de situatie met twee sporen zijn hiervoor vier scenario's berekend. Spoor richting Maastricht (huidige situatie) Spoor richting Maastricht (toekomstige situatie) Spoor richting Venlo (huidige situatie) Spoor richting Venlo (toekomstige situatie) Om de wijzigingen in het groepsrisico te kunnen bepalen zijn voor beide sporen zowel een berekening van de huidige als toekomstige situatie uitgevoerd. Spoor richting Venlo

De hoogte van het groepsrisico is hierbij berekend op 0,059 * de oriënterende waarde. Uit de berekening is gebleken dat de hoogte van het groepsrisico met dit initiatief niet wijzigt. Spoor richting Maastricht

42

vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

De hoogte van het groepsrisico is hierbij berekend op 0,077 * de oriënterende waarde. Uit de berekening is gebleken dat de hoogte van het groepsrisico met dit initiatief ook voor dit spoor niet wijzigt. Aangezien het groepsrisico onveranderd blijft en het groepsrisico niet hoger is dan de oriënterende waarde op deze locatie, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen Opkomsttijd: in dit plangebied is de eerste eenheid (TS) in 5 - 6 minuten ter plaatse ( werktijd - buiten werktijd) volgens het brandweerzorgplan. Post VRBZO op het TU/e terrein verzorgt( onder normale omstandigheden) als eerste dit verzorgingsgebied. Voor de spoorzone kan dezelfde tijd worden aangehouden, echter is ook afhankelijk van plaats en aard incident. Bereikbaarheid: op dit moment is de school voorzien van twee adressen en voldoet aan de minimale eisen die gesteld worden in de beleidsregels bereikbaarheid & Bluswater van de VRBZO. De huidige toegangen zijn echter niet geschikt als goede opstelplaats en dient in overleg met afdeling planvorming verder onderzocht te worden. Vooral gezien het feit dat de bouw verder van de openbare weg af komt te liggen en de huidige rijloper langs adres van Celebeslaan nummer 10 van groot belang kan zijn voor hulpdiensten om de achterkant van de school te bereiken. Zelfredzaamheid De herontwikkeling betreft een middelbare school. Leerlingen van een middelbare school (circa 12+) worden beschouwd als voldoende zelfredzaam. Risicocommunicatie over de handelingsperspectieven zal hier wel moeten worden toegepast.

4.7.5

Conclusie

Met inachtneming van bovenstaande punten kan worden geconcludeerd dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is wat betreft het deelaspect externe veiligheid.

vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

43

4.8

Duurzaamheid

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. 1) CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. De gemeenteraad heeft in het Klimaatplan 2021-2025 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt. 1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk.

We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers - woningen, winkels, kantoren - mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is. 1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins).

Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten. 1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. 1D) duurzame energie opwekking 44

vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven. 2) Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken. 2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen. 2B) geen afval In 2025 willen we 0% restafval hebben.

In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval. 2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw. 2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier. 3) Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding? 3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen.

Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan. 3B) oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen. vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

45

4) Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt). 4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2021-2025 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2025 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater.

Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress. 4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan. Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.

Toepassing plangebied Ten behoeve van duurzaamheid, gezondheid, energie en circulariteit is een notitie opgesteld waarin is ingegaan op deze onderdelen. Per onderdeel zijn eisen, ambities en doelen gesteld met een onderbouwing en invulling hoe aan deze eisen en doelen kan worden voldaan. Om op deze wijze te komen tot een kwalitatief hoogwaardig en duurzaam onderwijsgebouw. De notitie is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste aspecten. Ambitie en toegepaste maatregelen Bij het samenstellen van de energieconcepten is uitgegaan van het driestappenmodel. Kern van dit model, dat vergelijkbaar is met het trias-energetica model, is dat eerst gekeken wordt of de energievraag zo ver mogelijk gereduceerd kan worden, alvorens na te denken over de duurzame invulling van de resterende energievraag. Bij het nieuwe Lorentz Casimir Lyceum 46

vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

wordt er naast de installatietechnische maatregelen vooral ook nadrukkelijk gekeken naar stap 1, beperking van de energievraag. Door het optimaliseren van het oppervlak en de oriëntatie van de gevelopeningen wordt de energievraag van het gebouw geminimaliseerd.

Vanuit de bovenstaande benadering is een energieconcept, bestaande uit samenhangende bouwkundige en installatietechnische maatregelen, samengesteld:

vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

47

Circulair Het nieuwe onderwijsgebouw dient minimaal aan de BENG eisen te voldoen en dat wordt behaald met de maatregelen uit de bovenstaande tabel. Om vervolgens een energieneutraal gebouw te realiseren zijn er extra PV-panelen noodzakelijk met een vermogen van 396 kWp. Tijdens het verdere ontwerptraject wordt onderzocht of dit vermogen op het dak is in te passen. Binnen de planontwikkeling wordt gebruik gemaakt van donor materialen. Op dit moment zijn al een deel van het staal t.b.v. de hoofddraagconstructie, gevelkozijnen en dak isolatie gekocht. Er wordt nog verder gezocht naar direct inzetbare materialen en de toepassingen van vrijkomende materialen uit de te slopen gebouwen. Bij nieuwe producten wordt gekeken naar de herkomst van grondstoffen, bij voorkeur circulair en naar de circulaire toepassing bij einde levensduur van het gebouw. Natuur Het plangebied ligt in een groene omgeving en het gebouw zal hierin te gast zijn. In de gevel worden voorzieningen getroffen voor gebouwbewonende vogels en vleermuizen. Bij de terreinuitwerking wordt vergroening en ecologische versterking als kader meegenomen.

48

vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

4.9

Kabels, leidingen en straalpaden

Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels, leidingen of straalpaden aanwezig. Het projectvoornemen wordt dan ook niet belemmerd door de aanwezigheid van kabels, leidingen en straalpaden.

vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

49

50

vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 5

5.1

Waterparagraaf

Inleiding

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding in het plangebied. Daarnaast wordt, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, vastgelegd aan welke watereisen de ontwikkeling moeten voldoen. Ruimtelijke plannen worden onder meer getoetst aan "hydrologisch neutraal" ontwikkelen conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c van het Besluit ruimtelijke ordening.

5.2

Beleid

5.2.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning). 5.2.1.1 Nationaal Water Programma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Dit staat in één programma waarmee de Rijksoverheid anticipeert op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit is gedaan voor de periode 2022 - 2027, maar ook verder vooruit. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen.

Hierbij is gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema's, ook in de verschillende 'water' gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden).

5.2.2

Provinciaal beleid

5.2.2.1 Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (hierna: RWP) is op 3 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

51

toegerust zijn op natte én droge tijden.

5.2.3

Beleid Waterschap

5.2.3.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding.

Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; Wat schoon is moet schoon blijven. We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn.

Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

52

vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

5.2.3.2 Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits "vasthouden-bergen-afvoeren". Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.

In de Keur is aangegeven dat neerslag, afkomstig van toename verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, die direct tot afvoer naar een (keur)waterlichaam komt, verplicht gecompenseerd dient te worden middels de aanleg van waterbergende voorzieningen. Het waterschap verleent in enkele gevallen vrijstelling van deze verplichting. Dit wordt gedaan indien: de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² bedraagt, of; de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² bedraagt en middels de rekenregels afdoende compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, of; het af te koppelen verhard oppervlak maximaal 10.000 m² bedraagt, of; er binnen het plangebied andere hydraulische afspraken gelden (bv. met de gemeente) Indien een voorziening nodig is, dan bedraagt de maximale toegestane afvoer uit een voorziening 2 l/s/ha bij een neerslagsituatie van 60 mm. Groene (vegetatie)daken gelden hierbij niet als verhard oppervlak. Bij meer dan 10.000 m2 toename nieuw verhard oppervlak of het afkoppelen van 10.000m2 bestaand verhard oppervlak is altijd een voorziening noodzakelijk volgens de geldende beleidsregels van het waterschap.

5.2.4

Gemeentelijk beleid

5.2.4.1 Gemeentelijk Rioleringsplan (2019 - 2022) Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. In het GRP 2019-2022 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Speerpunt van het GRP is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt. Hiervoor zijn uitgangspunten, richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2021-2025 en de hierin benoemde beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen 60mm berging gerealiseerd dient te worden over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied. Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd worden naargelang de hoeveelheid groen binnen datzelfde plangebied. Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

53

ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de opgave.

5.2.5

Waterplan

Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en het (drink)waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen. Het "Visiedocument" (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2004) geeft het gezamenlijke streefbeeld van de waterpartijen weer. De onderdelen "Taken en Bevoegdheden" en "Maatregelen" zijn achterhaald.

5.3

Eindhovense klimaattoets

Het klimaat verandert. Dat heeft gevolgen voor Eindhoven. We krijgen onder andere te maken met meer en hevigere buien, langere perioden van droogte en meer hitte(stress). Om in de toekomst prettig te wonen en te werken in onze groeiende stad, is het noodzakelijk nú maatregelen te nemen. Dit betekent dat we 'klimaatrobuust' te werk moeten gaan.

5.3.1

Klimaatadaptiebeleid

In samenwerking met Brabantse overheden en kennisinstellingen is een prototype klimaatadaptatie-toets ontwikkeld met richtlijnen en ontwerpnormen voor de (her)inrichting en ruimtelijke ontwikkeling van stedelijk gebied op straat- en wijkniveau. De toets omvat 3 hoofdregels en deze vormen de basis voor het Eindhovens klimaatadaptatie beleid: Zorg voor voldoende bergingsruimte om extreme buien tijdelijk op te vangen en vertraagd af te voeren. Infiltreer regenwater zoveel mogelijk en waar mogelijk op de plek waar het valt, en voorkom daarmee droogte. Zorg dat de straat niet onnodig opwarmt en voldoende plekken voor verkoeling heeft op het heetst van de dag. Voor de klimaatadaptatie normen en richtlijnen is een indeling gemaakt naar ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein (circa 60% van het areaal) en op publiek terrein (circa 40% van het areaal). In de binnenstad ligt deze verhouding zelfs op 80-20%. Bovenstaand is vertaald in een waterbergingsnorm.

5.3.2

Waterbergingsnorm

Minimale en maximale ontwerpnormen waterberging openbaar terrein Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op openbaar terrein moet minimaal 20 mm en mag tot 60 mm van de waterbergingsopgave ingevuld worden via primaire waterberging. Voorbeelden zijn waterpleinen, wadi's, watergangen, waterbergende funderingen of bakken. Eventuele resterende mm's (tot 40mm) van de waterbergingsopgave dient secundair te worden ingevuld. Denk daarbij aan parken, plantsoen c.q. grasvelden, parkeerplaatsen en wegen. Dit is acceptabel zolang er geen schade wordt veroorzaakt en/of dit niet ten koste gaat van andere primaire functies zoals op routes van hulpdiensten, markt- of evenement locaties. Als de secundaire waterbergings-opgave niet mogelijk is binnen de grenzen van de ruimtelijke ontwikkeling dan dient de waterbergingsopgave alsnog als primaire waterberging te worden ingevuld. Of er dienen maatregelen te worden genomen om de secundaire waterberging naar nabijgelegen ruimte te verplaatsen als dat hydraulisch mogelijk is. 54

vastgesteld II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum) Gemeente Eindhoven

Bij ontwikkelingen op privaat terrein ligt de verantwoordelijkheid voor het opvangen en verwerken van hemelwater in eerste instantie bij de eigenaar van het perceel waar de druppel valt. De landelijke voorkeursvolgorde '(her)gebruiken, vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren´ is van toepassing. Een voorbeeld van hergebruiken is hemelwater als spoelwater voor toiletten en een voorbeeld van vasthouden is infiltratie van hemelwater in de bodem. Als hergebruik en vasthouden door lokale omstandigheden niet doelmatig is kan hemelwater worden geborgen en vertraagd worden afgevoerd. Dat is de waterbergingsopgave. Hiermee wordt het rioolstelsel bij piekbuien ontlast met als gevolg beperking van wateroverlast. Daarnaast wordt het oppervlaktewatersysteem gelijkmatiger belast. Als ondersteuning voor de berekening van de waterbergingsopgave op privaat terrein is een rekentool ontwikkeld, te vinden via de website rekentool.eindhovenduurzaam.nl/.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11890707/6