Bijlage 1a - Bestemmingsplan Strijp-S fase 4
Tekst van het document
56
vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
Kaart ruimtelijke strategieën Groenbeleidsplan 2017 Dit bestemmingsplan is geheel gelegen binnen de strategie 'Stad, rood beeldbepalend'. Strategie: Stad, rood beeldbepalend In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud van de bestaande structuur, kwaliteit, identiteit en functionaliteit. Uiteindelijk moet het groen in deze meer stenige gebieden omspoeld zijn door grotere groenstructuren die deel uitmaken van de groene dooradering die op de groene wiggen aansluit. Binnen de aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal. Het plangebied is niet aangeduid als groenarme buurt. Toepassing plangebied Het Groenbeleidsplan 2017 omschrijft het beleid voor de combinatie van verdichten en vergroenen. Dit betekent dat voor iedere woning die wordt toegevoegd, er wordt gestreefd naar ten minste 4 tot 8 m² toegevoegd groen. Voor gemengde functies geldt: tenminste 10% toegevoegd groen t.o.v. het Bruto Vloer Oppervlak (BVO). Ook kent de gemeente een regeling voor groencompensatie (Beleidsregel groencompensatie), die kortweg inhoudt dat groen, dat plaats moet maken voor een ontwikkeling, door de ontwikkelende partij moet worden gecompenseerd, fysiek en/of financieel.
Gezien het voorgaande is een Groenplan opgesteld. De rapportage van het complete groenplan is als bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste aspecten van het groenplan. Beoogd is om binnen het plangebied circa 5,5 m2 per woning (in totaal 4.620 m2) openbaar groen op het maaiveld te realiseren. Daarnaast worden er 3.750 m2 aan groene daken gerealiseerd en ruim 2.000 m2 aan privé groen op binnenterreinen. Ook wordt er een semi vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
57
openbaar toegankelijk groen dak van circa 2.800 m2 gerealiseerd. Gelet op de groenmaatregelen die toegepast worden in het plangebied en de openbare ruimte en de uitbreiding van het groenareaal voldoet het plan aan het Groenbeleidsplan 2017. Beleidsregel groencompensatie Op 13 maart 2018 is de 'Regeling Groencompensatiefonds' vastgesteld. Bij deze regeling hoort de 'Beleidsregel Groencompensatie'. Deze beleidsregel is bedoeld als afwegingskader bij aanvragen voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van groen. Bij aantasting en verlies van groen is compensatie vereist, de Beleidsregel geeft hiervoor de richtlijnen. Hierboven is reeds ingegaan op de groenmaatregelen die toegepast worden in het plangebied en de openbare ruimte. 3.8.2
Beleid Bomen
Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2021. Deze is op 6 april 2021 door de gemeenteraad vastgesteld en de verordening met bijbehorende regels is op 23 april 2021 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels voor compensatie is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming is van toepassing op: bossen die buiten de 'bebouwde kom Wnb' liggen; alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are; bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Voor bomen geldt dus of de Wet natuurbescherming of de Verordening Bomen 2021. Voor het vellen van bomen dient, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing.
Verordening Bomen 2021 In de Verordening Bomen 2021 is de bescherming van bomen geregeld, doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij kan ook nog worden gezorgd voor herplant van de te kappen bomen (compensatieplicht). De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen. Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen nodig als: bomen vanaf 45 cm stamomtrek op gemeentegrond of op particuliere percelen groter dan 250 m2; een houtopstand die voor de eerste keer wordt teruggesnoeid tot op de hoofdtakken of stam; een houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht op grond van artikel 6 of een overeenkomst met het college. voor het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte houtopstand of delen ervan met een plantenziekte is een omgevingsvergunning vereist, voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden is wel een vergunning nodig. Groene kaart Er is een groene kaart waarop ter informatie het volgende is aangegeven: 58
vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
Groenstructuur van de gemeente Eindhoven (groene wiggen, groene dooradering en hoofgroenstructuur); Groenarme gebieden; Centrumgebied; Bebouwde komgrens Wet natuurbescherming; (Particuliere) percelen groter dan 250 m2. De informatie op de groene kaart is nodig om: Te duiden waar de waardevolle bomen staan; Te duiden waar de monumentale bomen staan; Inzicht te geven in de Bebouwde komgrens wet natuurbescherming; Inzicht te geven in de gebieden waar een compensatiefactor geldt in het geval financiële compensatie aan de orde is, het centrumgebied en de groenarme gebieden. Om de kaart actueel te houden wordt de informatie over de bomen op de kaart en de kadastrale situatie op de kaart, zeer frequent bijgewerkt. Zo blijft de kaart up-to-date en betrouwbaar voor zowel interne als externe gebruikers. Compensatieplicht bomen Door het kappen van bomen gaat groen verloren. Het weggevallen groen moet in beginsel worden gecompenseerd. Aan een omgevingsvergunning voor het kappen van een houtopstand (bomen) kunnen voorschriften worden verbonden. Onder andere kan een compensatieplicht worden opgelegd. In de Nadere regels Verordening bomen 2021 is bepaald wanneer een compensatieplicht ontstaat en hoe die wordt bepaald. Nadere regels voor compensatie De Verordening is uitgewerkt in nadere regels voor compensatie.
Deze zijn op 21 april 2021 vastgesteld door het college en op 23 april 2021 in werking getreden. Het college mag op basis van de Verordening bomen 2021 compensatie opleggen zoals uitgewerkt in de 'Nadere Regels voor compensatie'. Het plangebied Voor deze ontwikkeling is een Bomen Effect Anayse (BEA) uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn als bijlage 9 behorende bij de toelichting opgenomen. Over het algemeen verkeren de bomen in een goede en voldoende (redelijke) conditie. De levensverwachting van deze bomen bedraagt meer dan 15 jaar bij ongewijzigde groeiplaatsomstandigheden. Bij negen bomen is sprake van achterstallig boomonderhoud door de aanwezigheid van afgestorven takken in de kroon of laaghangende takken in het wegprofiel. Deze bomen zijn tevens als risicoboom geregistreerd. Vier bomen worden aangetast door kastanjebloedingsziekte. Deze bomen sterven uiteindelijk aan deze aantasting. Het bodemprofiel op de projectlocatie bestaat voor minimaal 190 cm-mv uit opgebracht materiaal. De bovenste 80 cm van de bodem is het intensiefst bewerkt en bestaat uit geroerde grond met puin. Dit bodemprofiel is aanwezig op de locatie waar de zomereiken zijn geplant. Het bodemprofiel bij de platanen in het trottoir is bomenzand aangebracht. Tijdens het bodemonderzoek is geen grove beworteling aangetroffen. De bomen beschikken over een wijdverspreid, oppervlakkig wortelgestel.
De beworteling van de bomen is vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
59
voornamelijk oppervlakkig ontwikkeld in de geroerde toplaag van 80 cm diep waarin nog enigszins nutriënten aanwezig zijn. In het licht van de voorgenomen plannen zijn 50 bomen op hun huidige groeiplaats niet duurzaam te behouden. De groeiplaats van deze bomen verdwijnt. 13 bomen zijn conditioneel gezien niet duurzaam te behouden. De overige bomen kunnen duurzaam worden behouden, mits een aantal maatregelen in acht worden genomen. Het doel is om deze waarde te compenseren door middel van het aanplanten van nieuwe bomen binnen het plangebied.
3.9
Hoogbouwbeleid
In de Woondeal met rijk en provincie zijn afspraken gemaakt om veel woningen toe te voegen In Eindhoven, zowel binnen als buiten de Ring. Eindhoven kiest voor verdichting met kwaliteit en wil compact bouwen, de hoogte in om groene ruimte te sparen in de rest van de stad. Dit is vastgelegd in de Eindhovense omgevingsvisie, die 16 juni 2020 is vastgesteld. Voor de Binnenstad is de Verdichtingsvisie Binnenstad opgesteld, deze is door de raad vastgesteld op 15 december 2020, De visie gaat uit van het toevoegen van meer woningen, meer groen, duurzaamheid en een gemengd programma voor de Binnenstad. Er zijn kwaliteitsprincipes opgenomen voor de nieuwe hoogbouw. In de verdichtingsvisie Binnenstad is tevens bepaald dat het bestaande hoogbouwbeleid 'De derde dimensie van een laagbouwstad', vastgesteld door de gemeenteraad in 2008, van kracht blijft, maar in de Binnenstad op een aantal plekken verruimd wordt. Voor onderhavige locatie is het hoogbouwbeleid uit 2008 dus van toepassing.
De hoogbouwvisie van gemeente Eindhoven uit 2008 geeft kansrijke plekken en structuren aan voor hoogbouw in Eindhoven. Strijp-S wordt hierin beschreven als een 'te koesteren hoogbouwstructuur': Strijp-S is van bijzonder cultuurhistorisch belang voor de stad. De gebouwen herinneren aan de ontwikkeling van menige noviteit op het gebied van elektronica, voor zowel consumenten als het bedrijfsleven. Het terrein is helder gestructureerd, gebaseerd op functionele relaties tussen werkruimten voor research, ontwerp, productie en opslag. Vijf van de hoge gebouwen zijn industriële monumenten en zullen worden behouden. Daarbij vindt er op basis van dezelfde bebouwingsschaal een transformatie plaats. Het gebied wordt een stedelijk subcentrum met een gemengd programma van wonen, werken, cultuur en voorzieningen, een combinatie van bestaande en nieuwe gebouwen, een diversiteit in architectuur en kenmerkende, zorgvuldig vormgegeven openbare ruimte. Inmiddels zijn er in het bestemmingsplan voor Strijp-S torens toegelaten tot 113 meter die de komende jaren gerealiseerd gaan worden. Bovengenoemd bestemmingsplan (uit 2008) is inmiddels geactualiseerd door bestemmingsplan 'Strijp-S 2017'. In dit bestemmingsplan is op verschillende locaties hoogbouw toegestaan. Een groot aantal is reeds uitgevoerd en enkele hoogbouw locaties worden komen de jaren nog uitgevoerd.
Voor Strijp-S fase 4 is in dit bestemmingsplan opgenomen dat er, naast de bestaande bebouwing, drie nieuwe hoogbouwlocaties gerealiseerd zullen worden In de stedenbouwkundige structuur worden gebouwen van verschillende maten in breedte en hoogte tot een ensemble gecomponeerd. Daarbij worden bestaande gebouwen met hun zicht60
vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
en rooilijnen in de compositie opgenomen. Oud en nieuw beheersen samen levendige sfeer van fase 4. De mix in gebouwtypen weerspiegelt ook de mix in functies. Hoogbouwtorens met hoogten variërend tussen de 48 en 90 m worden tot 'families gegroepeerd, waarbij schaduwwerking en windhinder op de bestaande omliggende woonbebouwing (vooral de Lijsterbesbuurt) zijn gedubbelcheckt. De compositie bouwt voort op het Eindhovense contrastfenomeen hoogbouw naast laagbouw. Hierbij is vooral de levendigheid van de plintfuncties van groot belang.
Ensembles van hoogteaccenten * Small Foot (tussen Glasgebouw en Videolab) geldt als mogelijk optie voor de toekomst. Deze toren is niet meegenomen in dit bestemmingsplan. Mocht het in de toekomst wel haalbaar zijn, dan volgt deze ontwikkeling een eigen procedure.
vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
61
Situatieschets 3D-volumes De beoogde bebouwing van Strijp-S fase 4 sluit dan ook goed aan op het gemeentelijke Hoogbouwbeleid.
3.10
Bezonning
Voor het beoordelen van de effecten van beschaduwing gelden er geen algemene eisen in Nederland. Het bevoegd gezag kan in het kader van een bestemmingsplan echter wel eisen opnemen. De Gemeente Eindhoven heeft daarom beleidsregels voor bezonning van woningen opgesteld. Deze beleidsregels stellen dat er ter plekke van woningen tussen 19 februari en 21 oktober (een periode van 8 maanden) minimaal 2 uur zonlicht per dag aanwezig moet kunnen zijn op de gevel, ter hoogte van het midden van de vensterbank van het raam van de woonkamer. Voor hoek- en doorzonwoningen mag bezonning op zij- of achtergevels worden opgeteld. Deze eis komt overeen met de veelgebruikte 'lichte TNO-norm' voor bezonning van woningen. Daarnaast stelt de gemeente eisen aan bezonning van tuinen of balkons. Hier dient tussen 21 maart en 21 september minimaal 2 uur zonlicht per dag in de tuin of op balkon te vallen. De duur van bezonning mag in een nieuwe situatie met niet meer dan 50% afnemen ten opzichte van de bestaande situatie. Bovenstaande eisen gelden alleen voor woonfuncties. Er zijn in Nederland, noch in Eindhoven specifieke eisen gesteld aan beschaduwing van functies zoals kantoren of andere gebouwfuncties. Voor de beoogde ontwikkeling is een bezonningsonderzoek uitgevoerd. Deze studie maakt als bijlage 10 onderdeel uit van de toelichting. Hieruit blijkt het volgende.
De potentiële bezonningsduur, de afname van de bezonning alsmede de schaduwwerking zijn op grafische wijze inzichtelijk gemaakt op de data 21 juni (langste dag), 21 juli, 21 augustus, 21 september en 21 oktober, hetgeen tevens representatief is voor de maanden februari, maart, april en mei. De onderzoeksresultaten geven met een interval van 1 maand een beeld van de bezonningssituatie gedurende een groot deel van het jaar, overeenkomend met de periode volgens de eisen van de gemeente Eindhoven.
Uit de rekenresultaten blijkt dat het grootste deel van de bestaande woningen ruimschoots 62
vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
voldoet aan de eisen van de gemeente Eindhoven. Voor een deel van de omliggende bebouwing neemt de bezonningsduur ten gevolge van de geplande nieuwbouw dermate af dat er minder dan 2 uur zon wordt behaald. Een deel van deze bebouwing betreft bedrijfspanden, waardoor deze niet getoetst hoeven te worden. Bij woningen in Lux en Next en aan de Ir. Kalffstraat is een afname van de bezonningsduur te verwachten waardoor niet geheel aan de eisen van de gemeente Eindhoven wordt voldaan. Hierbij wordt opgemerkt dat in de bestaande situatie het aantal zonuren, hoewel meer dan 2 uur, beperkt is. Daarnaast gaat het slechts om een hele kleine periode waarin niet voldaan kan worden aan de beleidsregels ten aanzien van het aantal uur zonneschijn op de gevel. Gelet op al deze omstandigheden prevaleert het ontwikkelen van onderhavige locatie boven het strikt toepassen van de 'beleidsregels voor bezonning woningen' en wordt van deze beleidsregels afgeweken. De bezonning op de balkons en in de tuinen van alle bestaande woningen voldoet eveneens ruimschoots aan de eisen van de gemeente Eindhoven.
3.11
Explosieven
Aan de hand van uitgebreid historisch archiefonderzoek is geïnventariseerd welke locaties mogelijk kans hebben op de aanwezigheid van niet gesprongen conventionele explosieven (zogenaamde blindgangers). Voor de gebieden die 'explosieven-verdacht' zijn wordt een nader onderzoek gewenst geacht. Uit zo'n nader onderzoek moet dan blijken of een feitelijk explosieven onderzoek nodig is. In 2013 is door het college van B&W besloten dat Strijp-S niet meer te typeren is als verdacht gebied, omdat er geen bovenmatig risico geldt vanwege achtergebleven conventionele explosieven. Besloten is dat in Strijp-S voortaan geen preventief onderzoek naar conventionele explosieven meer vereist is.
3.12
Horeca
Op 11 maart 2014 heeft de gemeenteraad het nieuwe horecabeleidsplan 'Kennis maken met een gastvrije stad' vastgesteld. De nota is op 2 november 2016 gepubliceerd. Eindhoven wil aantrekkelijk zijn om er te komen, verblijven, studeren, wonen en werken. Horeca speelt hierbij een belangrijke rol. Het horecabeleidsplan bevat een aantal speerpunten om ervoor te zorgen dat de horeca in Eindhoven kan meebewegen met de ontwikkelingen in de stad. De gemeente wil de vestiging van kwalitatief goede horecabedrijven stimuleren. Daarbij is een wederzijdse versterking van de nabije andere functies belangrijk. Om dit bewerkstelligen maakt het horecabeleidsplan onderscheid gebiedtypen en in typen horeca. Typen horeca Het horecabeleidsplan maakt onderscheid in twee typen horeca: Nat & Droog Het al dan niet schenken van alcohol is vanuit de taken van de overheid zeer bepalend. Om die reden is een eerste onderscheid naar nat en droog logisch. Indien een horecabedrijf geen alcoholische dranken verstrekt, wordt deze gerekend tot de droge horeca. Natte horeca verstrekt alcoholische dranken. Dag, Avond & Nacht Naast de indeling op basis van het schenken van alcoholhoudende dranken moeten we echter ook kijken naar de exploitatietijden. Op basis hiervan kan worden gekeken naar de tijden vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
63
waarop een horecabedrijf invloed heeft op zijn omgeving. Ook dit heeft weer een verband met wanneer de overheid welke taak heeft. Hierin kunnen in beginsel drie typen worden onderscheiden: dag-, avond en nachthoreca. Van belang is hierbij de combinatie met nat of droog. Regels over het schenken van alcohol en openingstijden zijn opgenomen in de drank- en horecawet en in de APV. In het bestemmingsplan worden hierover geen regels opgenomen. Wel wordt in het bestemmingsplan opgenomen welke vorm van horeca is toegestaan. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de lijst van Horeca-activiteiten. Gebiedstypen In het horecabeleidsplan wordt onderscheid gemaakt in drie gebiedstypen: 1. Stimuleringsgebied: gebieden waar uitbouw van de horecasector mogelijk is. 2. Toelatingsgebied: gebieden waar per aanvraag wordt bezien of nieuwe horeca of uitbreiding van bestaande horeca inpasbaar is. Dit is afhankelijk van onder andere infrastructuur, woonbelangen, levendigheid, leefbaarheid en milieu-aspecten. 3. Restrictiegebied: gebieden waar (vanuit leefbaarheid) een vermindering van het aantal horecavestigingen wordt nagestreefd. Beoordeling plan Het plangebied is in het Horecabeleidsplan aangewezen als stimuleringsgebied.
Binnen het horecabeleidsplan wordt het gebied Strijp-S verder als volgt omschreven: "Op circa 27 hectare ontstaat een vernieuwende, dynamische wisselwerking tussen bewoners, bedrijven en bezoekers van Strijp-S. Creativiteit en culturele uitingen worden op Strijp-S deel van de dagelijkse gang van zaken, waardoor de levendigheid 24 uur per dag, 7 dagen per week voelbaar en zichtbaar blijft. Strijp-S wordt een nieuwe woon-, werk- en ontmoetingsplek voor mensen van alle leeftijden, die zich aangesproken voelen door de sfeer op Strijp-S. De ontwikkeling van zeker dit gebied moet bijdragen aan de gewenste profilering van Eindhoven als innovatieve en creatieve kennisstad. Hiervoor kan de horeca een doorslaggevende rol spelen in de profilering. Strijp-S wordt ingezet als een laboratorium voor de horeca (in Eindhoven) en zal zich qua gebiedsprofilering (moeten) gaan onderscheiden van het overige (steeds veranderende) aanbod in Eindhoven." Begin 2018 is voor het hele plangebied van Strijp-S het bestemmingsplan 'Strijp-S 2017' vastgesteld. Voor Strijp-S Fase 4 geldt de bestemming 'gemengd - uit te werken'. Binnen deze bestemming zijn o.a. de volgende publieksgerichte functies mogelijk maatschappelijke voorzieningen, detailhandel, cultuur en ontspanning en horecabedrijven met een maximaal bruto vloeroppervlak van 2.000 m².
De publieksgerichte functies, waaronder ook horeca valt, in voorliggend bestemmingsplan worden gemaximeerd op 3.500 m² bvo. Zoals in paragraaf 3.2.2. is beschreven is er in de praktijk sprake van een netto toevoeging van minder dan 1.000 m2 bvo. Een deel hiervan zal ook ingevuld worden met dienstverlenende functies. Deze toevoeging aan publiekstrekkende functies (horeca en ondersteunende detailhandel) zullen geen onaanvaardbare effecten hebben op de reguliere horeca in de omgeving van het plangebied.
64
vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
3.13
Kantoren
Het kantorenbeleid van de gemeente Eindhoven is voor het laatst in 2012 vastgelegd in de 'Kantorenstrategie Eindhoven 2012-2020'. Dit was midden in de financiële crisis (2008 - 2014) die duidelijk zijn sporen had nagelaten op de nationale én regionale vastgoedmarkt. Dit ging gepaard met ongekend hoge leegstandscijfers. Vandaar dat het toen vastgestelde beleid zich niet alleen richtte op het voeren van regie op de nieuwbouw kantorenmarkt, maar (juist) ook op de bestaande kantorenvoorraad. Op die bestaande markt zijn toen meerdere maatregelen geïntroduceerd die ervoor moeten zorgen dat vraag en aanbod in kwantitatieve én kwalitatieve zin beter op elkaar zijn afgestemd. Zo is met name fors ingezet op de transformatie van incourante kantoorruimte. Dat vraagt om een actieve opstelling van gebouweigenaren, maar meestal is ook nog een (andere) vastgoedpartij nodig die op creatieve wijze met een leegstaand gebouw aan de slag wil gaan. Het gemeentelijk beleid is er nog steeds op gericht dat we een positieve grondhouding hebben met betrekking tot initiatieven die zijn gericht op de transformatie van kansarme kantoren. Daarbij gaat het om gebouwen waarbij de kans dat ze nog als kantoor verhuurd kunnen worden, niet groot is. Binnen Eindhoven worden drie afzonderlijke nieuwbouw kantorenmilieus onderscheiden; Stationsgebied, Strijp-S en Flight Forum.
Deze verschillende kantorenmilieus hebben ieder hun eigen kenmerken en kennen dan ook hun eigen doelgroepen. We zetten erop in dat de ontwikkeling van deze kantoorlocaties optimaal aansluit op de marktvraag. Om overaanbod te voorkomen, maken we (onder andere) gebruik van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' om regie te voeren op de fasering van nieuwbouwprojecten. We willen daarmee voorkomen dat er overaanbod ontstaat doordat meerdere projecten tegelijk worden gerealiseerd. Omdat het gemeentelijk kantorenbeleid inmiddels tien jaar oud was én omdat de kantorenmarkt in Eindhoven in toenemende mate 'communiceert' met de omliggende gemeenten, is in 2022 een 'kantorenbrief' voor het gehele Stedelijk Gebied Eindhoven vastgesteld. Dit regionale kantorenbeleid grijpt vooral terug op een onderzoek dat STEC in 2022 heeft uitgevoerd in opdracht van de Provincie ('Behoefteraming kantoren Noord-Brabant'). Hierin is voor de verschillende typen nieuwbouw kantorenmilieus vastgesteld hoe de verwachte vraag naar kantoren zich de komende tien jaar verhoudt tot de planvoorraad. De voornaamste conclusie daarbij is dat de vraag naar nieuwbouw zich vooral zal concentreren in het zogenaamde centrummilieu / OV-Knoop (lees; stationslocaties) en op campuslocaties.
Omdat de planvoorraad (ook) op deze locaties groter is dan de verwachte vraag, is het van belang dat er - waar mogelijk - regie wordt gevoerd op de realisatie van nieuwbouwprojecten in deze gebieden. Voor een nadere analyse van de geprognosticeerde vraag/aanbod-situatie, wordt verwezen naar de 'Kantorenbrief Stedelijk Gebied Eindhoven, 2022'. Planbeoordeling De doelgroep van Strijp-S Fase 4 bestaat voor een groot deel uit creatieve bedrijven die van elkaar willen leren en waar kruisbestuiving een grote rol speelt. Omdat het veelal gaat om (kleine) startende bedrijven zoeken zij ook kleinschalige kantoor- en of bedrijfsruimte. Deze kunnen zij niet vinden in bijvoorbeeld het centrum van Eindhoven. Het centrum van Eindhoven biedt vooral ruimte aan kantoorgebruikers die op zoek zijn naar grotere, hoogwaardige en moderne kantoren. De doelgroep van Strijp-S Fase 4 is vaak niet op zoek naar dit type kantoor.
Omdat er vanuit de doelgroep van Strijp-S Fase 4 voldoende behoefte is aan de beoogde kantoren (het huidig verhuurd oppervlak is immers groter dan het toekomstig), Strijp-S Fase 4 kwalitatief behoort tot de meest toekomstbestendige kantorenlocaties en een andere doelgroep bedient dan bijvoorbeeld het centrum van Eindhoven, verwachten we dat de theoretische en planologische toevoeging van de kantoorruimte op Strijp-S Fase 4 geen onaanvaardbare ruimtelijke effecten zal hebben op het centrum en de overige kantoorlocaties van Eindhoven.
vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
65
In het vigerende plan is voor kantoren en bedrijfsactiviteiten gezamenlijk een maximale bruto vloeroppervlak opgenomen. Deze oppervlakte wordt in het nieuwe bestemmingsplan overgenomen. Echter is in onderhavig bestemmingsplan gekozen om bedrijfsactiviteiten, kantoren, dienstverlening, (werk)ateliers etc. allen te scharen onder de noemer 'werken', waarvoor een maximum bruto vloeroppervlak van 47.900 m² is opgenomen.
3.14
Kabels, leidingen en straalpaden
Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels, leidingen of straalpaden aanwezig die via de regels van het bestemmingsplan beschermd dienen te worden. Het planvoornemen wordt dan ook planologisch niet belemmerd door de aanwezigheid van kabels, leidingen en straalpaden. Bij de realisatie zal verder aandacht besteed worden aan de reguliere kabels en leidingen die aanwezig zijn in het gebied, onder andere middels een Klic-melding en in nauw overleg met de leidingbeheerder.
66
vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 4
Milieuparagraaf
4.1
Milieueffectrapportage
4.1.1
Wettelijk kader
Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De ondrdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: Kolom 1: de activiteit zelf Kolom 2: drempelwaarden activiteit Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan) Kolom 4: de besluiten De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten. In dit kader is 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. van belang.
Het gaat daarbij om: D 11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. 4.1.2
Stedelijk ontwikkelingsproject
Uit de jurisprudentie volgt dat of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van Besluit m.e.r afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard, omvang en locatie van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Hieronder wordt ingegaan op deze aspecten. Het beoogde programma voor Strijp-S fase 4 beoogt 1480 woningen, 47.900 m² aan werken, 3.500 m² aan publieksgerichte functies en 3.500 m² aan recreatieve voorzieningen/evenementen. Daarmee is de ontwikkeling aan te merken als een stedelijke ontwikkeling zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.. De voorgenomen ontwikkeling is voor wat betreft de omvang kleiner dan de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit betekent dat voordat het ontwerpbestemmingsplan in procedure gaat, het college van burgemeester en wethouders aan de hand van een aanmeldings-notitie moet beoordelen en besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld e.e.a. conform paragraaf 7.6 Wet milieubeheer. vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
67
Voor dit plan is een (vormvrije) m.e.r. beoordelingsnotitie opgesteld. Deze notitie maakt als bijlage 11 onderdeel uit van het bestemmingsplan. Hieruit blijkt dat er geen significante (nadelige) milieueffecten te verwachten zijn. Er hoeft dan ook geen volledige milieueffectrapportage doorlopen te worden ten behoeve van dit bestemmingsplan.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied. 4.2.1
Functies binnen het plangebied
Dit plangebied is gelegen in binnen Strijp-S. Kenmerkend voor Strijps-S is de grote diversiteit aan functies. Het plangebied wordt daarom aangemerkt als een gebied waar duidelijk sprake is van een functiemenging. In de Staat van Bedrijfsactiviteiten wordt functiemenging als uitgangspunt genomen voor milieuzonering. Het begrip "gebied met functiemenging" wordt gebruikt om aan te geven welke functies binnen een gebied met functiemenging onder welke voorwaarden toelaatbaar zijn. De activiteiten in de VNG-brochure opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging bestaan uit de categorieën A, B of C met de volgende betekenis voor de toelaatbaarheid: Categorie A Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen - in gebieden met functiemenging - kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Categorie C De activiteiten uit categorie B waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.
Bij de samenstelling van de "Lijst van bedrijfsactiviteiten" is primair als uitgangspunt genomen, dat daarin slechts dienen te worden opgenomen "bedrijven in enge zin". Activiteiten zoals detailhandel, horeca, kantoren, sport-/recreatie-inrichtingen (zoals een sportschool, een zwembad etc.), onderwijs- en andere maatschappelijke instellingen, alsmede dienstverlenende instellingen/beroepen, zoals kapsalons, artsenpraktijken advocatenkantoren etc. zijn van deze lijst geschrapt. De reden hiervan is dat dergelijke functies in de bestemmingsplannen anders dan voor "bedrijfsactiviteiten" worden bestemd. Verder zijn 68
vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
uitgezonderd bedrijven die niet in het plangebied zijn gewenst. In de afgelopen 10 jaar is gebleken dat voornoemde lijst lang niet dekkend is voor de vestiging van bedrijvigheid op Strijp-S. Veelal is in dit plangebied innovatieve, duurzame en technische bedrijvigheid aanwezig, met een kleine of geen hindercontour. Dergelijke bedrijfsactiviteiten zijn niet te scharen onder de bedrijfsactiviteiten die zijn opgenomen in bovengenoemde "Lijst van bedrijfsactiviteiten". Gelet hierop is in de regels bepaald dat ook bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan die niet in voornoemde lijst zijn opgenomen en die een vergelijkbare hindercontour hebben. Zo wordt voorkomen dat gewenste bedrijfsactiviteiten in het plangebied niet zonder meer toegelaten zijn. De bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten die in een menggebied vanuit het oogpunt van milieuhinder acceptabel worden geacht, zijn in genoemde lijst van bedrijfsactiviteiten opgenomen. Dergelijke bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn toegelaten binnen de opgenomen bestemming 'Gemengd'. Bedrijfsfuncties zijn niet specifiek bestemd. Geluidzoneringsplichtige bedrijven en/of risicovolle inrichtingen zijn zonder meer uitgesloten. 4.2.2
Hinder van bedrijfsactiviteiten buiten het plangebied
Rondom het plangebied zijn een groot aantal niet-woonfuncties mogelijk, zoals detailhandel, horecabedrijven en dienstverlenende bedrijven/instellingen. Het gaat enerzijds om functies binnen het overige deel van Strijp-S, anderzijds om enkele solitaire locaties binnen de aangrenzende woonbuurt 'Philipsdorp'. Aangrenzend deel Strijp-S Het plangebied maakt deel uit van het gebied Strijp-S, waar het bestemmingsplan 'Strijp-S' geldt. Ten westen van het plangebied staan enkele wooncomplexen binnen een bestemming 'Gemengd -1' op ongeveer 30 meter van de toekomstige bebouwing. Op ongeveer 25 meter ten noorden van het huidige Glasgebouw (welke behouden blijft binnen het plangebied) staat 'de hoge rug'. Dit zijn enkele voormalige fabrieksgebouwen met tegenwoordig voornamelijk commerciële ruimten, wonen en horeca. In het verlengde daarvan, op ongeveer 15 meter van het te behouden deel van het Videolab, staat het Chinees paviljoen waar eveneens een horecazaak gevestigd is. De hoge rug en het Chinees paviljoen hebben de bestemming 'Gemengd -2'. Ten slotte staan op ruim 35 meter ten noordoosten van het plangebied enkele gebouwen tegen het spoor met zowel commerciële ruimten als woningen. Deze gebouwen hebben de bestemming 'Gemengd - 3'.
De in het plangebied beoogde functiemenging en daarmee gepaard gaande toegestane functies wijken niet af van het overige deel van Strijp-S en het geldende bestemmingsplan 'Strijp-S 2017'. Dat betekent dat zowel binnen het plangebied als binnen het aangrenzende deel van Strijp-S alleen functies zijn toegestaan die direct naast elkaar kunnen plaatsvinden, met inachtneming van de in het bestemmingsplan opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten. De feitelijke situatie komt overeen met de planologisch toegestane situatie. Geconcludeerd kan worden dat dit bestemmingsplan geen belemmering vormt voor de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van het aangrenzende deel van Strijp-S of vice versa. Een goed woon- en leefklimaat is tevens gegarandeerd. Voormalige Philips bedrijfsschool (Kastanjelaan) Ten zuiden van het plangebied, aan de overzijde van de Kastanjelaan op ruim 40 meter van het plangebied, staat de voormalige Philips bedrijfsschool. Volgens het geldende bestemmingsplan 'Philipsdorp 2013' heeft het complex een maatschappelijke bestemming met ruimte voor maatschappelijke voorzieningen met ondergeschikte horeca- en detailhandelsvoorzieningen en dienstverlenende bedrijven. Uitgaande van de richtafstandenlijst van de VNG (2009) hebben maatschappelijke voorzieningen zoals onderwijsinstellingen, vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
69
gezondheids- en welzijnszorg, bibliotheken, musea, kerkgebouwen, buurt- en clubhuizen en openbaar bestuur een richtafstand van ten hoogste 30 meter, welke in gemengd gebied is terug te brengen tot 10 meter. Hetzelfde geldt voor de ondersteunende functies die zijn toegestaan. Gelet op deze richtafstanden en de werkelijke afstand zijn er planologisch geen belemmeringen onderling. In de feitelijke situatie is het pand getransformeerd naar een woongebouwen met in de plint een horecazaak, een klimzaal en een VR-room (amusementsruimte). Voor alle drie de functies geldt conform VNG-publicatie een richtafstand van 30 meter, in gemengd gebied terug te brengen tot 10 meter (behalve richtafstand voor gevaar). Aan deze richtafstanden wordt voldaan. Kantoorpand Essenstraat Aan de Essenstraat staat een pand met zowel kantoren als woningen. Volgens het bestemmingsplan geldt hier de bestemming 'Gemengd-2'. Volgens de het bestemmingsplan zijn daarbinnen de volgende functies toegestaan: woningen, detailhandel, dienstverlening, kantoor en ateliers. Zowel de feitelijk aanwezige als de planologisch toegestane niet-woonfuncties hebben volgens de VNG-publicatie allen een richtafstand van 10 meter, in gemengd gebied terug te brengen naar 0 meter (behalve richtafstand voor gevaar). Aan deze richtafstanden wordt voldaan. 4.2.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd gelet op de milieuzonering van omliggende bedrijven en activiteiten. Omgekeerd geldt dat de ontwikkeling geen belemmering vormt voor de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende panden en gebouwen.
4.3
Geluid
4.3.1
Wettelijk kader
De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.
In het plangebied zijn geluidgevoelige objecten (met name woningen) toegestaan op plaatsen die binnen wettelijke geluidzones zijn gelegen. Daarom is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 12 bij de toelichting. 70
vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
4.3.2
Weg- en railverkeerslawaai
De geluidbelasting vanwege wegverkeer over omliggende wegen en vanwege railverkeer overschrijden in het plangebied de voorkeursgrenswaarden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting wordt niet overschreden. Bronmaatregelen Bij bronmaatregelen voor wegverkeerslawaai dient in voorliggende situatie met name gedacht te worden aan de toepassing van "stil asfalt" op de omliggende wegen. Toepassing van stil asfalt kan een geluidreductie opleveren van globaal ca. 3 à 4 dB. Het effect van deze maatregel zal in voorliggende situatie weliswaar enig effect kunnen hebben op de optredende geluidbelasting, maar zal niet leiden tot het voldoen aan de voorkeursgrenswaarde bij de woningen. Hiervoor is de mate van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde te groot. Overdrachtsmaatregelen Maatregelen in de overdracht kunnen bestaan uit het plaatsen van schermen. Gegeven het grote aantal bouwlagen van de gebouwen op de planlocatie en de benodigde geluidreductie dienen deze schermen wel een aanzienlijk hoogte te hebben. Een dergelijke maatregel wordt vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet als wenselijk beschouwd.
Maatregelen bij de ontvanger Ter plaatse van het bouwplan kunnen maatregelen getroffen worden aan de gevel teneinde de geluidbelasting hier terug te brengen, bijvoorbeeld door een geluidscherm te integreren in de gebouwgevel (gebouwscherm), door de realisatie van een gedeeltelijke gesloten galerij of door toepassing van (gedeeltelijk) verglaasde balkons of loggia's. Maatregelen bij de ontvanger / op gebouwniveau lijken in voorliggende situatie het meest kansrijk. Aan het bouwplan zullen maatregelen getroffen worden, waarbij aan de randvoorwaarde van het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan waarbij iedere woning zal beschikken over een geluidluwe zijde. Deze maatregelen dienen (omdat het bouwplan nog onvoldoende concreet is) in een later stadium nader uitgewerkt te worden. Rekening houdend met de genoemde maatregelen, kan het bouwplan als akoestisch inpasbaar beschouwd worden. Wel dienen hogere waarden vastgesteld te worden. 4.3.3
Industrielawaai
Het plan ligt niet in de zone van een industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder, waarop de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers is toegestaan. Het aspect industrielawaai is dan ook niet aan de orde op onderhavig plan. 4.3.4
Luchtvaartlawaai
Het plan ligt niet binnen de 35 Ke-contour van een vliegveld (luchthaven Eindhoven Airport). Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor het bestemmingsplan.
vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
71
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Wettelijk kader
Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m³, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m³ en een daggemiddelde van 50 microgram/m³. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m³, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex. 4.4.2
Besluit niet in betekenende mate bijdragen
In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m² bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m² bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Samengevat Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.
Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL
72
vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
4.4.3
Besluit gevoelige bestemmingen
Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.
In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse "Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit" opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties. 4.4.4
Goede ruimtelijke ordening
Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. 4.4.5
Planbeoordeling
Het plan omvat de realisatie van 1480 woningen en planologische toevoeging van 9.400 m2 bvo gemengd (zoals kantoren en commerciële ruimten). Een ontwikkeling met woningen en kantoren die voldoet aan de criteria uit het Besluit niet in betekenende mate en de daarbij behorende regeling hoeft geen toetsing plaats te vinden. De ontwikkeling voldoet hieraan (0,0008*1480 + 0,000012*9.400 (planologische toevoeging) = 1,30) en voldoet bij een ontwikkeling met twee ontsluitingswegen. De ontwikkeling wordt ontsloten op twee hoofdwegen, namelijk de Torenallee en de Kastanjelaan. Daarnaast wordt ter plaatse voldaan aan de normen die gelden voor luchtkwaliteit. Hieronder zijn uitsnedes van de achtergrondconcentratie weergegeven.
vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
73
Concentratie NO2
Concentratie PM10
Concentratie PM2,5
Conclusie 74
vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
De ontwikkeling voldoet aan het Besluit niet in betekenende mate en er wordt voldaan aan de normen voor luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit staat het bestemmingsplan niet in de weg.
4.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. 4.5.1
Wettelijk kader
Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. 4.5.2
Beleidsvisie externe veiligheid
De gemeenteraad van Eindhoven heeft de visie Externe Veiligheid 'Risico's de maat genomen'. Met deze visie wordt richting en uitwerking gegeven aan een verantwoorde veilige, integrale invulling van duurzame ruimtelijke ontwikkeling passend binnen de Brainportontwikkelingen en het Programma Brabant veiliger. In de visie wordt aangegeven waar ruimte bestaat voor nieuwe risicovolle bedrijvigheid en onder welke veiligheidsverhogende condities dat mogelijk is. Tevens wordt aangegeven op welke locaties in de stad geïnvesteerd dient te worden in een beter niveau van beheersbaarheid. Tot slot wordt beschreven waar de veiligheid in de bestaande woonomgeving door het 'aanpakken' van bestaande knelpunten kan worden verbeterd. De beleidsvisie is opgebouwd aan de hand van een aantal gebiedsgerichte risicoprofielen. Daarin zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid voorwaarden opgenomen. In de visie is voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (waaronder het gebied tot 200 m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt. Daarnaast is Strijp-S in de visie betiteld als transitiegebied van werken naar wonen. In de afgelopen jaren is de nodige vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
75
(positieve) ervaring opgedaan met de Visie Externe Veiligheid. Werkenderwijs zijn ook nieuwe inzichten ontstaan, bijvoorbeeld in de praktische toepassing van voornoemde visie. Die ervaringen en inzichten worden zo nodig betrokken bij de toekomstige beleidsontwikkeling (en daarmee dus ook vertaald in gevolgen voor Strijp-S). 4.5.3
Toepassing plangebied
Voor de beoogde ontwikkeling is een rapportage externe veiligheid uitgevoerd. Deze is als bijlage 13 opgenomen bij deze toelichting. Hieronder worden de belangrijkste resultaten beschreven. In de omgeving van het plangebied is één risicobron gelegen, namelijk het spoor, waar gevaarlijke stoffen over vervoerd worden. In onderstaande figuur is het plangebied en de risicobron weergegeven.
Plangebied en risicobron spoor
Conform het Bevt dient het groepsrisico verantwoord te worden, aangezien de ontwikkeling is gelegen binnen de 200 meter van het spoor. Hiervoor dient de hoogte van het groepsrisico berekend te worden met het rekenprogramma RBMII. De uitkomsten worden hieronder weergegeven. Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor Direct nabij het plangebied ligt de spoorweg route 12, Tilburg-Eindhoven. Over dit traject worden ook gevaarlijke stoffen getransporteerd. Op basis van de gegevens afkomstig van de Regeling basisnet worden er gevaarlijke stoffen met volgende kwantiteit over dit traject vervoerd:
76
vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
Stofcategorie
Hoeveelheden in ketelw agens
Maximale effectafstand (m)
A
Brandbaar gas
3650
450
B2
Toxisch gas
2300
995
B3
Zeer toxisch gas
0
>4.000
C3
Zeer brandbare vloeistof
4600
35
D3
Toxische vloeistof
3750
375
D4
Zeer toxische vloeistof
0
>4.000
In de Regeling basisnet zijn vervoerscijfers opgenomen waarmee risicoberekeningen moeten worden uitgevoerd. Dit traject heeft een plaatsgebonden risico van 1 meter en 6 meter en een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter volgens de regeling Basisnet. Volgens het Bevt dient het groepsrisico te worden verantwoord indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen 200 meter van een transportroute. Het plangebied is gedeeltelijk gelegen binnen 200 meter van de spoorweg. Groepsrisico De berekeningen voor de spoorweg zijn uitgevoerd op 11 januari 2022. In deze paragraaf worden de uitkomsten van de berekeningen kenbaar gemaakt. Verantwoording groepsrisico In deze paragraaf wordt ingegaan onder andere welke mogelijke rampenscenario's zich voorkunnen doen en daarnaast zal er een verantwoording van het groepsrisico worden opgesteld. Hier wordt in gegaan op de hoogte van het groepsrisico, eventuele maatregelen, de mogelijkheden voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
De mogelijke scenario's en mogelijkheden tot bestrijding van een ramp De scenario's die kunnen voorkomen aan het spoor zijn: Giftige Wolk Door een ongeval op het spoor breekt bij een tank gevuld met ammoniak (of een andere giftige stof) de aansluiting van de afsluiter af. Er ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de ammoniak vrijkomt. Alle vrijgekomen ammoniak verdampt direct en er ontstaat een giftige wolk die zich snel met de wind mee verspreidt. De toxische wolk kan bij lage concentraties worden geroken. Hogere concentraties veroorzaken vergiftiging. Warme BLEVE Een warme BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de gastank doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tankwand. Het gas komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. De effecten van een warme BLEVE zijn warmtestraling, overdruk en scherfwerking. Deze effecten kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. Koude BLEVE Een koude BLEVE wordt veroorzaakt door een externe beschadiging, bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor scheurt de tankwagon open. LPG (of een andere brandbare (vloei)stof) komt vrij en ontsteekt direct. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. De effecten van een koude vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
77
BLEVE zijn warmtestraling, overdruk en scherfwerking. Deze effecten kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken Plasbrand Een plasbrand ontstaat doordat de tankwagon openscheurt na bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor stroomt een groot deel van de brandbare vloeistof in korte tijd uit. De stof verspreidt zich over het spoor en naast het spoor. Ontsteking van de plas leidt tot een korte hevige brand. De effecten van een plasbrand zijn warmtestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan. Wolkbrand/Gaswolkexplosie Een wolkbrand wordt veroorzaakt doordat na een botsing de afsluiter van de LPG-tank afbreekt (of een andere brandbare stof). Hierdoor ontstaat een gat waar LPG uit stroomt. Er wordt een wolk gevormd die zich over de grond verspreidt en eenvoudig kan worden ontstoken. Het ontsteken van de gaswolk leidt tot een kortdurende vlammenzee. Als de wolk bij het ontbranden niet kan expanderen ontstaat er een gaswolkexplosie. Het effect van een wolkbrand is een kortdurende vlammenzee. Wanneer de brandbare wolk ingesloten is en ontstoken raakt kan naast warmtestraling ook een drukeffect ontstaan: een gaswolkexplosie. De effecten van een wolkbrand/gaswolkexplosie kunnen slachtoffers en schade in de omgeving veroorzaken.
Fakkelbrand Een fakkelbrand wordt veroorzaakt doordat na een botsing een afsluiter afbreekt van de LPG-tank (of een andere brandbare stof). Hierdoor stroomt LPG uit de tankwagen en ontsteekt direct. Er ontstaat een fakkel die blijft branden tot de tank leeg is. Het effect van een fakkelbrand is warmtestraling. Dit effect kan slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. Verantwoording groepsrisico Gezien de hoogte van het groepsrisico dient een volledige verantwoording van het groepsrisico te worden gegeven. Hier wordt in gegaan op de hoogte van het groepsrisico, eventuele maatregelen, de mogelijkheden voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Ook is er wettelijk advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Brabant Zuid-Oost (VRBZO). Hiervoor is een berekening gemaakt van het groepsrisico in zowel de huidige als toekomstige situatie. Hierdoor wordt inzichtelijk wat de invloed is van onderhavig planvoornemen. Groepsrisico huidige situatie In de huidige situatie is een groepsrisico berekend van 1,94 * de oriënterende waarde.
78
vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
Groepsrisico toekomstige situatie In de toekomstige situatie is het groepsrisico berekend op 2,10 * de oriënterende waarde.
Maatregelen ter beperk ing van het groepsrisico Het plangebied ligt op circa 120 meter van het spoor. Tussen het plangebied en het spoor zijn diverse andere gebouwen gerealiseerd welke een afschermende werking hebben voor brand en explosie. Volgens artikel 3.31 van het Bouwbesluit dienen woningen met een mechanische ventilatie deze op een centrale plaats uit te kunnen zetten. De mogelijkheden voor een ruimtelijke ontwikkeling met een lager groepsrisico De grond in Eindhoven om woningbouw te realiseren is schaars. Andere locaties zijn reeds volgebouwd of vallen om andere milieuredenen af om te kunnen bouwen.
vastgesteld Strijp-S fase 4 Gemeente Eindhoven
79
Bereikbaarheid en bestrijdbaarheid Het plangebied vanuit meerdere kanten te bereiken (Kastanjelaan, Ingenieur Kaffstraat, Torenallee, Philitelaan en de Glaslaan.). Het plangebied betreft geen eerste-lijns bebouwing en ligt in zijn volledigheid achter de strook bebouwing van fase 3 langs het spoor. Dit zal in geval van calamiteiten een zekere afscherming bieden. Zelfredzaamheid Binnen het invloedsgebied zijn geen objecten specifiek bedoeld voor verminderd zelfredzame personen toegestaan. 4.5.4
Conclusie
De gemeente Eindhoven accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt verantwoording voor het groepsrisico. Conform het beleidsdocument gehanteerd door de gemeente Eindhoven worden de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beoordeeld aan de hand van het advies van de veiligheidsregio. Het advies van de veiligheidsregio wordt conform wet- en regelgeving overgenomen, tenzij er aantoonbaar zwaarwegende belangen zijn dit niet te doen. In de toekomstige situatie moet er voorts voldaan worden aan de Beleidsregels bluswatervoorziening of een gelijkwaardig voorstel van de brandweer.
4.6
Duurzaamheid
De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. 1. CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In het Klimaatplan 2021-2025 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.