CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Bestemmingsplan Park Forum Oost (volkstuinen)

Raadsvergadering 7 mei 2024, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Park Forum Oost (volkstuinen)23.607 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Beoordeling plan

Met de beoogde ontwikkeling worden 64 volkstuinen gerealiseerd.

Het plangebied ligt in stedelijk gebied met een bedrijfsbestemming bestemd voor bedrijven met een maximale milieucategorie 4.1. en daarbij behorene voorzieningen. Met voorliggend planvoornemen wordt de bedrijfsbestemming wegbestemd om plaats te maken voor landschappelijk ingepaste volkstuinen. Het stedelijk gebied wordt niet uitgebreid.

Daarnaast is sprake van een verplaatsing van een reeds bestaande volkstuin. De betreffende volkstuin moet worden verwijderd door de komst van een multifunctionele politielocatie waar diverse eenheden en faciliteiten zullen worden gehuisvest. De volkstuin paste niet in deze plannen en is door vaststelling van bestemmingsplan "Land Forum (politielocatie)" in die zin wegbestemd. In die zin maakt dit bestemmingsplan geen extra volkstuin mogelijk.

Bovenstaande maakt dat geen sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' in de zin van het Besluit m.e.r. De functiewijziging van 'bedrijf' naar ‘recreatie (volkstuin) is erg kleinschalig en valt niet onder een landinrichtingsproject (D9).

De verkeersgeneratie is minimaal, en veel minder dan de bestaande planologische bestemming kan genereren. Het planvoornemen zal wat betreft verkeer aansluiten op de aanwezige infrastructuur, deze heeft voldoende capaciteit.

vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

39

4.1.3

Conclusie

Het plan is geen stedelijk ontwikkelingsproject in het kader van het Besluit milieueffectrapportage. De functiewijziging van 'bedrijf' naar ‘recreatie (volkstuin) is erg kleinschalig en valt niet onder een landinrichtingsproject (D9). Het opstellen van een vormvrije m.e.r. aanmeldnotitie is niet noodzakelijk. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen milieubelemmeringen met zich meebrengt.

4.2

Bedrijven en milieuzonering

4.2.1

Inleiding

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven wordt gebruik gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (VNG, uitgave 2009).

De VNG-publicatie geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk. Daarnaast kent de publicatie het omgevingstype 'gemengd gebied'. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen een hogere milieubelasting kent. De reductie met één afstandstap leidt niet tot een lager beschermingsniveau voor gevaar. 4.2.2

Beoordeling plan

Een volkstuinencomplex is geen milieugevoelig object. Een volkstuinencomplex heeft zelf ook een zeer beperkt effect op de omgeving. Volkstuinen worden in de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de VNG niet benoemd. Het plangebied wordt omgeven door groen en de weg Park Forum Oost. De dichtstbijzijnde woning is gesitueerd op een afstand van minimaal 180 meter. De toekomstige functie verenigt zich met de bestaande functies in de omgeving. De naastgelegen biomassacentrale moet aan strikte eisen qua emissie voldoen, waardoor er geen belemmerende afstandseisen van toepassing zijn. De ontwikkeling leidt daarmee niet tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van milieugevoelige objecten. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect milieuzonering. 4.2.3

Conclusie

Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

40

vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

4.3

Natuur

4.3.1

Algemeen

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2023 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen verantwoordelijkheden bij de provincies en gemeenten te liggen. 4.3.2

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt op circa 600 meter van het natuurgebied (bos) bij Eindhoven Airport, dat deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). In combinatie met de aard en de relatief beperkte omvang van de ingreep is geen negatief effect te verwachten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB.

Figuur 4.1: Plangebied, rood omcirkeld, ten opzichte van Natuurnetwerk Brabant (bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten)

vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

41

Figuur 4.2: Plangebied, rood omkaderd, ten opzichte van Natura 2000-gebied (bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten) Het plangebied is op relatief grote afstand - circa 5 kilometer - van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Kempenland-West' gelegen. Vanwege de ligging en de aard van de voorgenomen ingreep, kunnen negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen redelijkerwijs op voorhand worden uitgesloten. Omdat dit niet voor stikstofdepositie kan worden gegarandeerd is een stikstofdepositie berekening uitgevoerd. De berekening, met bijbehorende memo, is als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. Uit de berekening is gebleken dat er geen sprake is van stikstofdepositie door toedoen van dit planvoornemen.

4.3.3

Soortenbescherming

Ten behoeve van dit planvoornemen is een quickscan natuur uitgevoerd om te onderzoeken of de geplande werkzaamheden mogelijk negatieve invloed heeft op flora & fauna en of daarbij overtreding van de Wnb plaatsvindt. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de conclusies. Vogels In het plangebied bevinden zich geen vogelnesten van vogels met een jaarrond beschermde status. Dit geldt ook voor vogels in de categorie 'niet jaarrond beschermd, maar waarvan een goed beeld nodig is of er na de ingreep goede alternatieven zijn om nieuwe nesten te bouwen' en vogels in de categorie vaak voorkomend. Voor deze vogels geldt dat de voorgenomen werkzaamheden geen overtreding van de Wnb veroorzaken als bewoonde nesten niet worden verstoord of vernield. In hoofdstuk 6 van de rapportage is beschreven hoe verstoring of vernieling kan worden voorkomen. 42

vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

Vleermuizen Er zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig in boomholten in het plangebied. Nader onderzoek moet aantonen of deze holten daadwerkelijk in gebruik zijn door vleermuizen. Zijn de holten in gebruik door vleermuizen? Dan is behoud van de betreffende bomen noodzakelijk om overtreding van artikel 3.5 lid 2 en 4 Wnb te voorkomen. Er is mogelijk sprake van een vaste vliegroute en foerageergebied van vleermuizen in het plangebied. Het verwijderen van enkele bomen zal hierop geen noemenswaardig effect hebben. Er blijven immers ruimschoot voldoende bomen aan de randen van het projectgebied aanwezig. Bovendien trekken de toekomstige volkstuinen insecten aan, waardoor het gebied waarschijnlijk zelfs geschikter wordt als foerageergebied. Bouwverlichting en openbare verlichting kan wel zorgen voor verstoring van vleermuizen en het verlaten van verblijfplaatsen. In dat geval is sprake van overtreding van artikel 3.5 lid 2 en 4 Wnb. Werken bij daglicht en het laten toetsen van het verlichtingsplan door een vleermuisdeskundige is noodzakelijk om deze overtredingen te voorkomen.

Nationaal beschermde soorten In het projectgebied zijn (mogelijk) soorten aanwezig die in het kader van de Wnb op nationaal niveau beschermd zijn. Het gaat om deze soortgroepen: grondgebonden zoogdieren (haas, konijn, vos, egel, ree, eekhoorn, bunzing, das, wezel, steenmarter en verschillende soorten muizen); amfibieën (bruine kikker en gewone pad). Haas, ree, eekhoorn, das en steenmarter Er is geen sprake van overtredingen van verbodsbepalingen voor haas, ree, eekhoorn en das. Deze soorten mijden het projectgebied namelijk zodra de werkzaamheden beginnen. Bovendien zijn er geen verblijfplaatsen van deze soorten in het projectgebied aanwezig. Voor deze soorten is het projectgebied maar een klein onderdeel van het leefgebied dat zich over een veel groter oppervlak uitstrekt.

Konijn, vos, egel, muizen, bruine kikker en gewone pad Met de voorgenomen werkzaamheden gaan mogelijk verblijfplaatsen verloren van konijn, vos, egel, muizen, bruine kikker en gewone pad. En mogelijk worden exemplaren gedood door grondwerkzaamheden. Om dit te voorkomen, moeten bepaalde exemplaren gevangen worden en verplaatst naar een rustige locatie buiten het werkgebied. Het verloren gaan van verblijfplaatsen en het moeten wegvangen van exemplaren is een overtreding van artikel 3.10 lid 1a en lid 1b Wnb. Omdat het om ruimtelijke ontwikkelingen gaat, geldt in Noord-Brabant een provinciale vrijstelling voor deze soorten en deze verbodsbepalingen. Er moet wel zorgvuldig worden gehandeld. Hoofdstuk 6 van bijlage 5 beschrijft wat dat inhoudt.

Bunzing en wezel Met de voorgenomen werkzaamheden gaan mogelijk verblijfplaatsen verloren van bunzing en wezel. Nader onderzoek moet aantonen of er werkelijk verblijfplaatsen aanwezig zijn. Is hier sprake van? Dan is behoud van de betreffende verblijfplaatsen noodzakelijk om overtreding van artikel 3.10 lid 1b Wnb te voorkomen. Voor deze soorten geldt namelijk geen provinciale vrijstelling. Hoofdstuk 6 van bijlage 5 beschrijft wat het nader onderzoek inhoudt.

Welke rust- en voortplantingsplaatsen van beschermde soorten zijn mogelijk aanwezig? vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

43

In het projectgebied kunnen niet-jaarrond beschermde vogelnesten aanwezig zijn. Jaarrond beschermde nesten en nesten van eekhoorn zijn niet aanwezig in het projectgebied. Maar deze kunnen wel in de directe omgeving aanwezig zijn. Holten in drie verschillende bomen zijn mogelijk geschikt als vleermuisverblijfplaatsen. Daarnaast gebruiken vleermuizen het gebied mogelijk als onderdeel van een foerageergebied en vliegroute. Verder zijn er konijnen- en muizenholen aanwezig in het projectgebied en mogelijk een vossenhol. Dassenholen zijn er niet. Op beschutte plaatsen kunnen rustplaatsen van egel, bruine kikker en gewone pad aanwezig zijn. Ook bunzing en wezel kunnen verblijfplaatsen hebben in het projectgebied.

Wordt met de voorgenomen volkstuinverhuizing verbodsbepalingen uit de Wnb overtreden? Gaan met de voorgenomen werkzaamheden geen bewoonde nesten verloren? Dan zijn geen overtredingen van de verbodsbepalingen uit de Wnb te verwachten voor vogels. Blijkt uit nader onderzoek dat boomholten in gebruik zijn door vleermuizen? Dan is behoud van de betreffende bomen noodzakelijk om overtreding van artikel 3.5 lid 2 en 4 Wnb te voorkomen. Ten aanzien van vleermuizen moet ook bij daglicht worden gewerkt. En het verlichtingsplan moet worden aangepast zodat er geen verstoring optreedt. Blijkt uit nader onderzoek dat bunzing en wezel aanwezig zijn? Dan is behoud van de betreffende verblijfplaatsen noodzakelijk om overtreding van artikel 3.10 lid 1b Wnb te voorkomen. Voor overige soorten is geen sprake van overtreding van de verbodsbepalingen of geldt een provinciale vrijstelling. Zorgvuldig handelen jegens de aangetroffen soorten blijft wel vereist. Gezien de resultaten wordt in het vervolgproces nader onderzoek uitgevoerd naar boombewonende vleermuis, bunzing en wezel. 4.3.4

de

Conclusie

Er worden geen negatieve effecten verwacht beschermde natuurgebieden van het NNB.

van het planvoornemen op omliggende

Vanuit soortenbescherming is uit een quickscan flora en fauna en nader onderzoek gebleken dat er mogelijk meerdere beschermde soorten van het plangebied gebruik maken om te verblijven en/of als leefgebied. Hier wordt nader onderzoek naar verricht conform het advies in de rapportage van de quickscan natuur. Indien ontheffing benodigd is en wordt verleend en indien het bij de ontheffing behorende mitigatieplan wordt uitgevoerd, is het bestemmingsplan uitvoerbaar wat betreft soortenbescherming. Omdat het soorten betreffen waarvoor met passende mitigerende maatregelen ontheffing kan worden verleend, en omdat de directe omgeving voldoende aanknopingspunten bevat om de mitigerende maatregelen te kunnen uitvoeren, kan worden geconcludeerd dat deze omstandigheid de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat. Behalve voor de hierboven genoemde soorten worden er aangaande soortenbescherming geen overtredingen van de Wnb verwacht. De zorgplicht zal ten alle tijden in acht genomen worden en met de aanbevelingen uit de eindconclusie van de quickscan natuur (zie bijlage) wordt bij de planrealisatie rekening gehouden.

4.4

Geluid

4.4.1

Wettelijk kader

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, railverkeer, industrie en luchtvaart.

44

vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

4.4.2

Beoordeling plan

In dit geval is geen sprake van een geluidsgevoelig object, waardoor de Wet geluidhinder niet van toepassing is op het planvoornemen. Bovendien zijn personen normaal gesproken slechts gedurende een deel van het jaar en slechts een gedeelte van de dag aanwezig in de volkstuin. De vaak aanwezige opstallen mogen zij niet permanent benutten. Dergelijke opstallen zijn daarom in beginsel geen geluidsgevoelige bestemming. 4.4.3

Conclusie

Toetsing aan weg-, industrie- of spoorweglawaai is niet noodzakelijk.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Wettelijk kader

Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex. 4.5.2

Besluit niet in betekenende mate bijdragen

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen.

Samengevat Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

45

ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.

4.5.3

Besluit gevoelige bestemmingen

Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties. 4.5.4

Goede ruimtelijke ordening

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.

46

vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

4.5.5

Planbeschrijving en toetsing

Het plan voorziet in de realisatie van een volkstuin. Hierdoor is per definitie het Beluit gevoelige bestemmingen niet van toepassing, omdat geen sprake is van een school, kinderopvang of een verzorgingstehuis. Er wordt met het bestemmingsplan geen gebouw voor permanent verblijf mogelijk gemaakt. Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Op basis van artikel 5.16, lid 1, aanhef en onder c van de Wet Milieubeheer kan het project zonder nader onderzoek doorgang vinden.

Om na te gaan of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goede luchtkwaliteit is de NSL Monitoringskaart gebruikt. Als rekenjaar wordt uitgegaan van het jaar 2020. Hieruit blijkt dat de achtergrondwaarde jaargemiddelde voor NO2 op de Heerbaan tussen de 19,4 µg/m3 en de 25,2 µg/m3 ligt, waarmee het jaargemiddelde niet wordt overschreden. De achtergrondwaarde jaargemiddelde voor PM10 op de Heerbaan ligt tussen de 16,4 µg/m3 en 18,4 µg/m3, waarmee het jaargemiddelde niet wordt overschreden. Uit de NSL Monitoring blijkt ten slotte dat het maximale aantal overschrijdingsdagen niet wordt overschreden. 4.5.6

Conclusie

Voor het planvoornemen hoeft niet aan de bepalingen in het Besluit gevoelige bestemmingen te worden getoetst (de afstand is voldoende groot). Het project draagt niet in betekenende mate bij aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Aan de jaargemiddelden en grenswaarden voor luchtkwaliteit wordt voldaan. Luchtkwaliteit vormt hiermee geen belemmering voor deze ruimtelijke ontwikkeling.

4.6

Bodem

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw bestemmingsplan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie.

Op en nabij de locatie zijn in het verleden enkele bodemonderzoeken uitgevoerd en is tevens een bodemsanering uitgevoerd. Op basis van deze gegevens waren er (na sanering) geen belemmeringen voor de realisatie van een volkstuin. Aangezien deze gegevens relatief oud waren en geen onderzoek was uitgevoerd naar de aanwezigheid van PFAS, is een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd in 2022 (bijlage 6). 4.6.1

Verkennend bodemonderzoek

IVerkennend bodemonderzoek Park Forum Oost te Eindhoven (toekomstige volkstuin), opgesteld door BK ingenieurs, rapport van 24 augustus 2022 met kenmerk 223557.R01.

Bij het onderzoek is uitsluitend te toplaag onderzocht op het standaard analysepakket, aangevuld met PFAS. Hierbij bleek dat geen verhoogde gehalten aanwezig zijn in deze toplaag. Zintuiglijk zijn in de bovengrond geen bodemvreemde bijmengingen aangetoond.

vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

47

Figuur 4.3: Geen vervuilde bodem 4.6.2

Conclusie bodemonderzoek

De uitgevoerde onderzoeken vormen geen belemmering voor de realisatie van een volkstuinencomplex op de locatie. Opgemerkt wordt dat geen recent onderzoek is uitgevoerd naar de grondwaterkwaliteit. Indien in tegenstelling tot eerdere berichten toch grondwater gebruikt wordt, dient hier eerst onderzoek naar gedaan te worden. Ook moet rekening gehouden worden met de ligging nabij een drinkwaterwinning. 4.6.3

Niet-gesprongen explosieven (NGE)

Er kunnen als gevolg van gevechtshandelingen ten tijden van de Tweede Wereldoorlog conventionele explosieven in het plangebied zijn achtergebleven. Conform de gemeentelijke explosievenkaart is het plangebied verdacht op NGE vanaf maaiveld. Om deze reden is een vooronderzoek en risicoanalyse uitgevoerd.

Het terrein is verdacht op het voorkomen van explosieven. Voorafgaand aan de ontwikkeling van Meerhoven zijn in het gebied diverse onderzoeken uitgevoerd naar de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten en zijn delen vrijgegeven. In de vrijgegeven gebieden liggen tot de vrijgegeven diepte geen explosieven meer.

48

vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

Figuur 4.4: Vrijgegeven gebieden

De groen gearceerde gebieden zijn vrijgegeven tot een diepte van 5 meter onder maaiveld.

Het oranje gebied is ook deels vrijgegeven het is echter niet bekend tot op welke diepte. Wel weten we zeker dat de toplaag van 0,5 meter onder maaiveld dusdanig vergraven is dat daar zeker geen explosieven meer aanwezig zijn. 4.6.4

Conclusie niet-gesprongen explosieven (NGE)

Ter plaatse van de oranje gemarkeerde gebieden is het advies om niet dieper te graven dan 0,5 meter op de overige terreindelen bestaan er geen belemmeringen.

4.7

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.

In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied.

vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

49

4.7.1

Wettelijk kader

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.

Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

50

vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

4.7.2

Beoordeling plan

Figuur 4.4: Uitsnede atlasleefomgeving.nl/kaarten)

risicokaart,

plangebied

rood

omcirkeld

(bron:

Met de realisatie van dit planvoornemen zal de populatiedichtheid in de dagperiode toenemen. De beoogde volkstuinen liggen echter niet binnen een invloedsgebied of plaatsgebonden risicocontour van een buisleiding, een inrichting of transportroute, zoals op voorgaande uitsnede van de risicokaart is te zien. Het explosieaandachtsgebied van vliegbasis Eindhoven dan wel het invloedsgebied van Bio-energiecentrale Meerhoven zijn niet gelegen binnen het plangebied. 4.7.3

Conclusie

Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.8

Duurzaamheid

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

51

1. CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2021-2025 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.

1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2021-2025 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is.

1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.

1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz.

1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven. 52

vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

2 Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waarde vernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken.

2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen.

2B) geen afval In 2050 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval.

2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.

2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier.

3) Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding?

3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan.

3B) oppervlakte groen vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

53

We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.

4. Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt).

4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2021-2025 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2025 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.

4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte

4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.

Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin. 54

vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

4.8.1

Beoordeling plan

Vanwege toenemende en langdurige droogte als gevolg van klimaatveranderingen zal er zoveel mogelijk regenwater opgevangen worden in een regenwaterton. Dit water kan tijdens droogte gebruikt worden. Onnodig watergebruik zal voorkomen worden. Daarnaast zal de bodem zo bewerkt worden dat deze zoveel mogelijk water vast houdt en zo min mogelijk verdampt. Dit kan door middel van compost, het bedekken van de bodem met organisch materiaal.

vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

55

56

vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 5

5.1

Waterparagraaf

Inleiding

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid.

Het bestemmingsplan Park Forum Oost (volkstuinen) heeft een conserverend karakter. Mogelijke ontwikkelingen binnen de planperiode spelen zich daarom hoofdzakelijk af binnen bestaande (water)structuren. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder b en c van het Besluit ruimtelijke ordening.

5.2

Beleid

5.2.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning).

5.2.1.1 Nationaal Water Programma 2022-2027 De Waterwet vereist dat de Rijksoverheid eens per zes jaar een Nationaal Waterplan voor het nationale waterbeleid en een Beheer- en ontwikkelplan voor het beheer van de rijkswateren (Bprw) opstelt. 'In de geest' van de nieuwe Omgevingswet worden deze plannen nu al in samenhang beschreven in één Nationaal Waterprogramma voor beleid en beheer. Voor het waterbeleid is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie.Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) vervangt het Nationaal Waterplan 2016-2021, inclusief alle tussentijdse wijzigingen en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (Brpw) 2016-2021. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid voor de periode 2022-2027: waterveiligheid, waterkwaliteit en klimaatadaptatie. Het beschrijft tevens de uitvoering daarvan en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, de woningbouw en de transitie landelijk gebied is noodzakelijk.

Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het wateren bodemsysteem meegenomen als leidend principe.

vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

57

5.2.2

Provinciaal beleid

5.2.2.1 Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 is op 3 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld en op 22 december 2021 in werking getreden. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma's van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Het doel is niet alleen meer wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden.

Wettelijke taken De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd. Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Integrale en gezamenlijke aanpak Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven. Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht. De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan.

De provincie gaat verder met het Programma DuurzaamDoor. Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water.

58

vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

5.2.3

Beleid Waterschap

5.2.3.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.

Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.

Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

59

5.2.3.2 Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.

In de Keur is aangegeven dat neerslag, afkomstig van toename verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, die direct tot afvoer naar een (keur)waterlichaam komt, verplicht gecompenseerd dient te worden middels de aanleg van waterbergende voorzieningen. Het waterschap verleent in enkele gevallen vrijstelling van deze verplichting. Dit wordt gedaan indien: de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² bedraagt, of; de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² bedraagt en middels de rekenregels afdoende compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, of; het af te koppelen verhard oppervlak maximaal 10.000 m² bedraagt, of; er binnen het plangebied andere hydraulische afspraken gelden (bv. met de gemeente) Indien een voorziening nodig is, dan bedraagt de maximale toegestane afvoer uit een voorziening 2 l/s/ha bij een neerslagsituatie van 60 millimeter. Groene (vegetatie)daken gelden hierbij niet als verhard oppervlak. Bij meer dan 10.000 m2 toename nieuw verhard oppervlak of het afkoppelen van 10.000 m2 bestaand verhard oppervlak is altijd een voorziening noodzakelijk volgens de geldende beleidsregels van het waterschap.

5.2.3.3 Hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar dit voor staat en welke maatregelen er nodig zijn om daaraan te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen. Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatsen van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden. Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom 60

vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit houdt in dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk. Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd. 5.2.4

Gemeentelijk beleid

5.2.4.1 Water- en klimaatadaptatie Aanpak (WKA) 2023-2026 Het Water- en klimaatadaptatie Aanpak (WKA, bijlage 7) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. In het WKA 2023-2026 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel.

Speerpunt van het WKA is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt. Hiervoor zijn uitgangspunten, richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2016-2020 en de hierin benoemde beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen tot max. 75 mm berging gerealiseerd dient te worden over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied. Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd of verhoogd worden naargelang de hoeveelheid groen of grijs binnen datzelfde plangebied. Dit om overlast van hittestress, verdroging en biodiversiteit te beperken. Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de waterklimaatopgave. 5.2.5

Waterplan

Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en het (drink)waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen. Het "Visiedocument" (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2004) geeft het gezamenlijke streefbeeld van de waterpartijen weer. De onderdelen "Taken en Bevoegdheden" en "Maatregelen" zijn achterhaald.

5.3

Eindhovense klimaattoets

Het klimaat verandert. Dat heeft gevolgen voor Eindhoven. We krijgen onder andere te maken met meer en hevigere buien, langere perioden van droogte en meer hitte(stress). Om in de toekomst prettig te wonen en te werken in onze groeiende stad, is het noodzakelijk nú maatregelen te nemen. Dit betekent dat we 'klimaatrobuust' te werk moeten gaan. 5.3.1

Klimaatadaptiebeleid

In samenwerking met Brabantse overheden en kennisinstellingen is een prototype klimaatadaptatie-toets ontwikkeld met richtlijnen en ontwerpnormen voor de (her)inrichting en ruimtelijke ontwikkeling van stedelijk gebied op straat- en wijkniveau. De toets omvat 3 hoofdregels en deze vormen de basis voor het Eindhovens klimaatadaptatie vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

61

beleid: Zorg voor voldoende bergingsruimte om extreme buien tijdelijk op te vangen en vertraagd af te voeren. Infiltreer regenwater zoveel mogelijk en waar mogelijk op de plek waar het valt, en voorkom daarmee droogte. Zorg dat de straat niet onnodig opwarmt en voldoende plekken voor verkoeling heeft op het heetst van de dag. Voor de klimaatadaptatie normen en richtlijnen is een indeling gemaakt naar ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein (circa 60% van het areaal) en op publiek terrein (circa 40% van het areaal). In de binnenstad ligt deze verhouding zelfs op 80-20%. Bovenstaand is vertaald in een waterbergingsnorm. 5.3.2

Waterbergingsnorm

5.3.2.1 Minimale en maximale ontwerpnormen waterberging openbaar terrein Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op openbaar terrein moet minimaal 20 millimeter en mag tot 60 millimeter van de waterbergingsopgave ingevuld worden via primaire waterberging. Voorbeelden zijn waterpleinen, wadi's, watergangen, waterbergende funderingen of bakken. Eventuele resterende millimeters (tot 40 millimeter) van de waterbergingsopgave dient secundair te worden ingevuld. Denk daarbij aan parken, plantsoen c.q. grasvelden, parkeerplaatsen en wegen. Dit is acceptabel zolang er geen schade wordt veroorzaakt en/of dit niet ten koste gaat van andere primaire functies zoals op routes van hulpdiensten, marktof evenement locaties. Als de secundaire waterbergings-opgave niet mogelijk is binnen de grenzen van de ruimtelijke ontwikkeling dan dient de waterbergingsopgave alsnog als primaire waterberging te worden ingevuld. Of er dienen maatregelen te worden genomen om de secundaire waterberging naar nabijgelegen ruimte te verplaatsen als dat hydraulisch mogelijk is.

Bij ontwikkelingen op privaat terrein ligt de verantwoordelijkheid voor het opvangen en verwerken van hemelwater in eerste instantie bij de eigenaar van het perceel waar de druppel valt. De landelijke voorkeursvolgorde '(her)gebruiken, vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren' is van toepassing. Een voorbeeld van hergebruiken is hemelwater als spoelwater voor toiletten en een voorbeeld van vasthouden is infiltratie van hemelwater in de bodem.

Als hergebruik en vasthouden door lokale omstandigheden niet doelmatig is kan hemelwater worden geborgen en vertraagd worden afgevoerd. Dat is de waterbergingsopgave. Hiermee wordt het rioolstelsel bij piekbuien ontlast met als gevolg beperking van wateroverlast. Daarnaast wordt het oppervlaktewatersysteem gelijkmatiger belast. Als ondersteuning voor de berekening van de waterbergingsopgave op privaat terrein is een rekentool ontwikkeld, te vinden via de website rekentool.eindhovenduurzaam.nl/.

5.3.2.2 Ontwerpnorm waterberging privaat terrein De waterbergingsopgave geldt voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein in Eindhoven. In gebieden waar vanuit het verleden afspraken over waterberging zijn gemaakt, wordt in overleg bepaald of en hoe de waterbergingsopgave in de ontwikkeling wordt verhoogd. Klimaatverandering kan namelijk ook in deze gebieden aanvullende waterberging noodzakelijk maken en daarmee het risico op waterschade aan (nieuw)bouw verlagen. Indien nodig worden hierover maatwerkafspraken gemaakt.

In het beleid 'Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen' wordt onderscheid 62

vastgesteld Park Forum Oost (volkstuinen) Gemeente Eindhoven

gemaakt tussen ontwikkelingen met 150 m² of meer verharding binnen het plangebied en kleinere ontwikkelingen tot 150 m² verharding binnen het plangebied. Voor de eerste groep geldt de eis tot 75 millimeter waterberging per m² verharding. Dit komt overeen met 75 liter waterberging per m² of voor een bouwplan met 400 m² verhard oppervlak 30 m³ (ofwel 30.000 liter) waterberging. Voor de tweede groep is de eis tot 25 millimeter. Dit komt overeen met 25 liter waterberging per m² of voor een woning met 100 m² verhard oppervlak 2,5 m³ (ofwel 2500 liter) waterberging. De ontwerpnormen ter voorkoming van wateroverlast betekenen voor particulieren, ontwikkelaars en de gemeente een opgave om klimaatadaptief te bouwen. Vanaf 1 januari 2020 geldt voor particulieren en ontwikkelaars een wateropgave om bij ruimtelijke ontwikkelingen klimaatadaptief te handelen. De datum van indiening van de aanvraag voor de omgevingsvergunning is leidend.

5.3.2.3 Stimulans klimaatadaptatiebeleid De gemeente Eindhoven draagt met het klimaatbeleid ook bij aan het verbeteren van de kwaliteit van een gezonde leefomgeving en meer biodiversiteit door de voorkeur te geven aan vergroenen als klimaat adaptieve maatregel.

Het beleid is zo opgesteld dat vergroening op privaat terrein bij nieuwbouw wordt gestimuleerd en beloond. Hoe groener een plangebied wordt ingericht hoe lager de waterbergingseis in mm wordt. Ook groene ontwikkelingen in groen arme buurten worden op deze manier gestimuleerd.

De website geeft een overzicht van deze mogelijke beloningen via de 'rekentool'. De stimuleringsregeling waarbij méér groen een lagere waterbergingsopgave oplevert geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein. 5.3.3

Toelichting rekentool

De gemeente Eindhoven maakt bij de beoordeling van de voor een nieuwe ontwikkeling in een plangebied voorgestelde maatregelen gebruik van een rekentool. Deze rekentool klimaatopgave, beschikbaar op rekentool.eindhovenduurzaam.nl, maakt het een ontwikkeling mogelijk interactief haar plangebied en de te nemen maatregelen te beschrijven en te controleren of aan de gemeentelijke eisen wat betreft waterberging en vergroening wordt voldaan. Bovendien kan een afschrift van de beschrijving van het plangebied en de keuze van de maatregelen met voorbeelden voor de verdere uitwerking gedownload worden om bijgevoegd te worden bij de eventuele watertoets of aanvraag van de omgevingsvergunning.

De werking van de rekentool kan worden aangepast aan nieuwe inzichten en de uitkomst van de laatste versie van de tool is maatgevend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13969188/2