CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Bestemmingsplan IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1)

Raadsvergadering 24 mei 2022, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling bestemmingsplan IX Stratum binnen de ring 2007 (Hofdijkstraat 1)21.939 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor bomen in gemeentelijk eigendom (publiek eigendom) kent de Groene Kaart zes categorieën: Monumentale bomen; Waardevolle bomen; Basis bomen; Bomen hoofdstructuur; Bomen nevenstructuur; Bomen in gebieden stad, groen beeldbepalend. De Groene Kaart kent daarnaast voor bomen in particulier eigendom (privaat eigendom) drie categorieën: Waardevolle bomen; Bomen in gebieden stad, groen beeldbepalend; Bomen op private gronden groter of gelijk aan 500 m². Voor het vellen van een houtopstand die deel uitmaakt van tenminste één van deze categorieën is, behoudens een aantal vrijstellingen, een omgevingsvergunning noodzakelijk. Nadere regels De Verordening is uitgewerkt in nadere regels Bomen. Deze zijn op 19 juli 2016 vastgesteld door het college en op 4 augustus 2016 in werking getreden. De beleidsregels geven inzicht in de wijze waarop het college gebruik maakt van de aan haar in de Verordening toegekende bevoegdheden tot het aanwijzen en plaatsen van houtopstanden op de Groene Kaart. Tevens zijn richtlijnen uitgewerkt voor omgang met overlast, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de weigeringsgronden bij beoordeling van de kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in houtopstanden. Toepassing plangebied Binnen het plangebied zijn geen bomen aanwezig.

Op de perceelsgrens zijn zoals hiervoor omschreven enkel wild gegroeide struiken aanwezig. Er zijn dus geen waardevolle bomen aanwezig binnen of in de directe omgeving van het plangebied. De dichtsbijzijnde bomen staan ten zuiden van het plangebied in de achtertuinen van de woningen langs de Anna vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

35

Bijnsweg, ook dit zijn geen waardevolle bomen en daarnaast heeft het toestaan van woningen binnen het plangebied geen negatief effect op deze bomen. Kortom, er zijn geen bomen of andere aanwezige natuurwaarden aanwezig binnen of in de directe omgeving van het plangebied.

3.9

Kabels, leidingen en straalpaden

Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels, leidingen of straalpaden aanwezig. Het planvoornemen wordt dan ook niet belemmerd door de aanwezigheid van kabels, leidingen en straalpaden.

36

vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 4

4.1

Milieuparagraaf

Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op verschillende onderzoeks- en milieuaspecten welke van belang zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Bij de ontwikkeling van nieuwe functies dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven en inrichtingen om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten. In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI -codes) in de richtafstandentabel gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk'; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk.

Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied. Toepassing plangebied Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van maximaal 40 woningen mogelijk gemaakt. De exacte locatie van deze toekomstige woningen is op dit moment nog niet bekend dus er is uitgegaan van de grens van het bouwvlak om de afstanden tot omliggende bedrijven te bepalen. Ten oosten van het plangebied, langs de Aalsterweg, zijn verschillende bedrijven / voorzieningen gevestigd. Het betreft horeca en detailhandel met allen een grootste afstand van 10 meter. In alle gevallen ligt het bouwvlak op ruim 20 meter afstand van deze bedrijven. Daar komt tevens bij dat er sprake is van een gemengd gebied waardoor de afstand van 10 meter terug valt naar 0. Er is, naast woningen, namelijk ook sprake van andere functies (met name langs de Aalsterweg) zoals winkels, horeca en andere kleine bedrijven. Ten noordwesten van vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

37

het plangebied op een afstand van ongeveer 70 meter ligt, weliswaar volledig afgeschermd door tussenliggende bebouwing, het Parktheather. Dit theater heeft een grootste afstand van 30 meter. Ook ligt het plangebied in de buurt van hoofdinfrastructuur (de Aalsterweg). Op de nu volgende afbeelding wordt dit verder verduidelijkt. Gezien de afstanden tot de verschillende voorzieningen en voorgaande uiteenzetting vormen deze voorzieningen geen belemmering voor het planvoornemen en vormen woningen binnen het plangebied ook geen belemmering voor de verschillende bedrijfsactiviteiten in de directe omgeving.

Luchtfoto waarop goed te zien is dat er sprake is van een gemengd gebied. Langs de Aalsterweg, die als hoofdontsluitingsweg kan worden aangemerkt zijn naast woningen namelijk ook een café, een restaurant, een bakkerij, een drogist, een kaaswinkel, een wijnwinkel, een lederwarenwinkel, een taalschool, een kapper en een hypotheekverstrekker gelegen. Daarnaast is iets meer naar het noord - westen nog het Parktheather gelegen met bijbehorend restaurant, er is dus duidelijk sprake van een gemengd gebied

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

38

vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

4.3

Geluid

De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.

Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 40 appartementen mogelijk. Appertementen (woningen) zijn geluidgevoelige bestemmingen in de zin van de Wgh. Toepassing plangebied Wegverkeerslawaai Om te kunnen controleren of er wordt voldaan aan de normen uit de Wgh is er een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd door bureau Kragten, rapportnummer WND608-0001-VL, datum 13 september 2018. De conclusies uit dit onderzoek zijn nu volgend weergegeven en de volledige onderzoeksrapportage is bijgevoegd als bijlage 2. Uit het onderzoek blijkt dat, ten gevolge van verkeer op de Aalsterweg, de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder ter plaatse van een deel van het plangebied wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Vanwege de overige wegen in de omgeving van het plangebied bedraagt de geluidbelasting niet meer dan 48 dB.

vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

39

Afbeelding waarop de geluidsbelasting van de Aalsterweg goed zichtbaar is, voor de gele gedeelten geldt dat als hier woningen worden gerealiseerd er hogere grenswaarden moeten worden aangevraagd

De maximaal toegestane snelheid op de Aalsterweg bedraagt 50 km/uur. Een verdere snelheidsverlaging op deze, binnen de bebouwde kom gelegen gebiedsontsluitingsweg, is geen reële optie. Door het toepassen van een wegdektype met een hogere geluidreducerende werking op de Aalsterweg kan de geluidbelasting worden gereduceerd, echter niet tot maximaal de voorkeursgrenswaarde. Daarnaast zullen maatregelen aan het wegdek dermate kostbaar zijn, dat deze redelijkerwijs niet te verlangen zijn. Het op grotere afstand van de weg realiseren van de woningen, in het gebied waar de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden stuit mogelijk op stedenbouwkundige bezwaren. Het plaatsen van schermen en/of wallen zal, vanwege de ligging van het bouwplan in stedelijk gebied, stuiten op landschappelijke en/of verkeerskundige bezwaren. Aangezien bron- en/of overdrachtsmaatregelen niet haalbaar of gewenst zijn, zal voor de woningen een hogere waarde aangevraagd moeten te worden. Een hogere waarde wordt vaak berekend aan de hand van de specifieke locatie en gevelconstructie zoals aangevraagd wordt bij een omgevingsvergunning.

Omdat nog geen verkaveling van het plangebied bekend is, moet in dit geval een hogere waarde van 53 dB, de maatgevende geluidbelasting vanwege de Aalsterweg, op voorhand worden vastgesteld aan de hand van het bouwvlak om daarmee de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan te verzekeren. Railverkeerslawaai Het plangebied ligt op ruim 1,6 kilometer van het Centraal Station van Eindhoven. Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen de zone van de spoorlijnen Eindhoven - Weert en Eindhoven - Venlo, die vanaf het station in (zuid)oostelijke richting lopen. Het aspect railverkeerslawaai is dan ook niet van toepassing op dit bestemmingsplan. Industrielawaai Het plan ligt niet in de zone van een industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder, waarop de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers is toegestaan. Het aspect industrielawaai is 40

vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

dan ook niet van toepassing op dit bestemmingsplan. Luchtvaartlawaai Het plangebied ligt op hemelsbreed circa 7 km van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militair vliegveld met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). Vanaf 1 november 2009 geldt de Wet luchtvaart. Deze wet omvat een nieuw stelsel van besluitvorming en normen voor alle luchthavens, met uitzondering van Schiphol. Conform de systematiek van deze wet is voor luchthaven Eindhoven één luchthavenbesluit vastgesteld met een militaire geluidsruimte voor militair vliegverkeer en een burgergeluidsruimte voor het commercieel burgermedegebruik. Het luchthavenbesluit is op 26 september 2014 vastgesteld. Met dit besluit is de 35Ke-geluidszone rond de luchthaven vastgelegd als grens van de geluidsbelasting van het gezamenlijke militaire en civiele vliegverkeer. Het plangebied ligt niet binnen deze vastgestelde geluidszone (35Ke-contouren). Deze geluidszone werkt daarom niet belemmerend op het planvoornemen. Conclusie Gezien voorgaande conclusies vormt het aspect geluid geen belemmering voor het planvoornemen mits er hogere waarden worden vastgesteld. Gelijktijdig met de bestemmingsplanprocedure zal om die reden ook een procedure hogere waarden worden doorlopen.

4.4

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 25 microgram/m3. In Eindhoven is de jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 overal lager dan 20 micogram/m3.

Besluit niet in betekenende mate bijdragen In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

41

minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. Besluit gevoelige bestemmingen Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken.

Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien. In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.

Goede ruimtelijke ordening Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. Toepassing plangebied Dit bestemmingsplan voorziet in het mogelijk maken van maximaal 40 woningen. Uitgaande van het 3% criterium (1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg) is binnen het plangebied daarmee bij lange na geen sprake van een project dat in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Derhalve hoeft er niet te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. 42

vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening is eveneens gekeken naar de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (zowel PM10 als PM2.5) ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling. Om een goed beeld te krijgen van deze concentraties is gebruik gemaakt van de resultaten uit de NSL Monitoringstool (monitoringsronde 2020). Met deze Monitoringstool wordt de luchtkwaliteit jaarlijks in beeld gebracht langs de drukste wegen in Nederland, zowel voor het gepasseerde jaar als voor de toekomst. De Monitoringstool wordt jaarlijks geactualiseerd op basis van de generieke invoergegevens en verkeersgegevens van het Rijk, provincies en gemeenten. De (maximale) concentraties in de directe nabijheid van de voorgenomen ontwikkeling zijn in onderstaande tabel in beeld gebracht. Als uitgangspunt zijn de waarden van het dichtstbijzijnde meetpunt genomen (langs de Aalsterweg richting kruising Leenderweg, zie meest noordelijke aangeduide meetpunt op navolgende afbeelding).

Uitsnede kaart NSL-monitoringstool. Dichtstbijzijnde meetpunten rood omcirkeld 2020

2030

Maatgevende richtw aarde

NO2

19.942

13.501

50

PM10

17.411

15.118

32.5

PM2,5

9.937

8.113

25

Uit de NSL- monitoringskaart blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van de rekenpunten ver onder de maatgevende richtwaarden liggen. Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van het plangebied ruimschoots wordt voldaan aan de richtwaarden. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Conclusie vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

43

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.5

Externe veiligheid

Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening worden gehouden met het aspect externe veiligheid. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en risicovol transport. Daarbij gaat het om de risico's verbonden aan 'risicovolle inrichtingen', waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het 'vervoer van gevaarlijke stoffen' via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken: bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers. Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (april 2015).

Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; 1 januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt.

Eindhoven heeft te maken met verschillende risicobronnen die niet allemaal even risicovol zijn. De meest risicovolle bronnen vormen het transport van gevaarlijke stoffen over de rijkswegen (A2, A58 en A67), het spoor en enkele risicovolle bedrijven. Voor deze risicobronnen moet een afstand worden aangehouden waarbinnen geen kwetsbare functies mogen liggen. Bij de rijkswegen en het spoor wordt momenteel rekening gehouden met een afstand van 30 meter. In sommige gevallen kan deze afstand iets groter zijn. Bij de lokale wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt gelden geen afstandseisen. In de visie is een aantal aanvullende maatregelen bij functies nabij risicobronnen (wonen, werken, recreatie) opgenomen. Om de risico's zo klein mogelijk te houden, komen er aanvullende beschermingsmaatregelen voor de veiligheid van kwetsbare functies in de buurt 44

vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

van risicobronnen. Nieuwe kwetsbare functies moeten op een afstand van minimaal 30 meter van het spoor en de rijkswegen worden gesitueerd. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen een afstand van 200 meter van een transportas, of in het invloedsgebied van een risicovol bedrijf zijn in principe mogelijk. Om de veiligheid te verhogen, komen er maatregelen voor zelfredzaamheid en beheersbaarheid. De gemeente zorgt ervoor dat het basisniveau voor beheersbaarheid (bereikbaarheid, bluswater e.d.) voor de hulpdiensten op orde is. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied van 200 meter rondom de risicobron zorgt de initiatiefnemer voor nodig geachte extra veiligheidsverhogende (bouwkundige) maatregelen (bouwbesluit plus) en aanvullende voorzieningen voor zelfredzaamheid en beheersbaarheid. In een gebied van 200 meter rondom een risicovolle transportas worden geen functies toegestaan voor personen die verminderd zelfredzaam zijn (zoals kinderdagverblijf, basisschool, bejaardenhuis, verpleeghuis, ziekenhuis e.d.).

Uitsnede van de Risicokaart, het plangebied is geel omcirkeld

Toepassing plangebied De risicokaart (www.risicokaart.nl) is geraadpleegd en hieruit is gebleken dat in of nabij het plangebied geen risicovolle inrichtingen, transportassen en/of buisleidingen aanwezig zijn. Risicovolle inrichtingen De dichtstbijzijnde inrichting (gasdrukregel- en meetstation (gasreduceerstation) van Endinet B.V.) is gelegen op ruim 1,1 kilometer ten noorden van van het plangebied zoals te zien is op voorgaande afbeelding. De overige inrichtingen liggen op nog grotere afstand van het plangebied en daarmee zijn er binnen of nabij het plangebied geen risicobronnen gelegen die van invloed zijn op het plan. Transport gevaarlijke stoffen over het spoor De spoorweg is op meer dan 1 kilometer van het plangebied gelegen. Het plangebied is vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

45

derhalve niet gelegen binnen de invloedssfeer van het spoor. Transport gevaarlijke stoffen over de weg De rijkswegen zijn op meer dan 2 kilometer van het plangebied gelegen. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedssfeer van een weg waarover gevaarlijke stoffen getransporteerd worden. Vliegveld Eindhoven De zones van de invloedssfeer van Eindhoven Airport hebben ten doel om te voorkomen dat (te) hoge bebouwing wordt opgericht, waardoor belemmeringen voor deze systemen ontstaan. Er gelden dus hoogtebeperkingen. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedssfeer van Eindhoven Airport. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit planvoornemen.

4.6

Duurzaamheid

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Dit programma wordt uitgevoerd vanuit een overkoepelende filosofie, gebaseerd op de methodiek van "The Natural Step". Het programma kent vier pijlers zoals weergegeven in onderstaande figuur.

Energie / CO2-emissie Eindhoven heeft in 2008 de ambitie vastgelegd om 'energieneutraal' te worden in de toekomst (2035 - 2045). Dat wil zeggen dat alle energie die de stad dan nog gebruikt, duurzaam wordt opgewekt. Daarbovenop heeft de gemeenteraad in de 'Klimaatverordening gemeente Eindhoven 2016' vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. Dit betekent dat bij elk project of ontwikkeling enerzijds ingezet moet worden op een zo groot mogelijke bijdrage aan de beperking van de CO2 emissie, en anderzijds dat in de planontwikkeling gekwantificeerd moet worden wat voor en na de ingreep de omvang van de CO2 emissie is, uitgedrukt in kg CO2/jaar. Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk.

Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins) en daarnaast dat smart mobility concepten een vlucht zullen nemen, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten. Circulaire Economie 46

vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. De gemeente Eindhoven wil een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die men gebruikt hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin. Toepassing plangebied Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 40 woningen mogelijk. Bij de verdere uitwerking van het plan zal rekening moeten worden gehouden met de uitgangspunten uit het Programma Duurzaamheid.

Er bestaat geen aanleiding om een borging in de regels van dit bestemmingsplan op te nemen, aangezien het bouwbesluit in de borging, voor zover deze is vereist, voorziet. Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.7

Bodem

Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet. Onderzoek Om te kunnen controleren of er sprake is van bodemkwaliteit die geschikt is voor de bestemming 'Wonen' is er een bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy, rapportnummer 7690.001 versie D1 , datum 14 september 2018. Dit onderzoek bestond uit een verkennend bodem- en asbest in puin onderzoek en een asfaltonderzoek. De conclusies uit de onderzoeksrapportage zijn nu volgend weergegeven en het volledige onderzoek is bijgevoegd als bijlage 3. Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd, dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL).

De bodem bestaat voornamelijk uit matig tot uiterst siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bodem onder de asfaltverharding is bovendien tot maximaal 1,0 m -mv zwak humeushoudend. De ondergrond is plaatselijk op wisselde diepte zwak tot matig zwak gleyhoudend. Plaatselijk (boring 10 en 11), is de bodem zwak grindhoudend. Zeer plaatselijk (boring 01), komt vanaf 2,65 m -mv een sterk zandige kleilaag voor van circa 20 cm. Verk ennend bodemonderzoek NEN 5740 De bodem onder de aanwezige puinlagen is plaatselijk licht verontreinigd met cadmium, kwik, vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

47

lood, zink, minerale olie en PAK. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en molybdeen. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "verdacht" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er echter géén reden voor een nader onderzoek. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing. Verk ennend onderzoek asbest in puin NEN 5897 In de bodem zijn zintuiglijk in de fractie > 20 mm géén asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. In de puinlaag is analytisch echter hechtgebonden en niet hechtgebonden asbest geconstateerd. Het indicatieve gehalte ter plaatse van de parkeerplaats, noordelijk deel (asbestinspectiegaten 01, 07, 08, 09 en 10) overschrijdt (vooralsnog) de interventiewaarde. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in puin. Asfaltonderzoek Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat het asfalt op de onderzoekslocatie geheel teervrij is.

Het onderzoek is uitgevoerd conform de CROW-richtlijn, waarmee wordt voldaan aan de eisen zoals beschreven in het "Formulier Acceptatie Asfaltgranulaat t.a.v. Milieuhygiënische Eigenschappen" (NCOB versie 4.2, april 2010). Gezien de resultaten uit het bodem- en asfaltonderzoek is nader onderzoek op deze punten niet noodzakelijk. Echter gezien het voorgaande dient er wel aanvullend een nader onderzoek naar asbest in puin te worden uitgevoerd. Onderzoek naar asbest in bodem en puin Derhalve is een nader onderzoek naar asbest in bodem en puin uitgevoerd (Econsultancy, rapportnummer 7690.002, d.d. 27 november 2018) bijgevoegd als bijlage 4. Tijdens de visuele inspectie van het maaiveld en de toplaag (maaiveldinspectie) zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie (voor zover waarneembaar) géén asbestverdachte (plaat)materialen waargenomen. De bodem direct onder de aanwezige puinlaag bestaat voornamelijk uit sterk siltig, matig fijn, zwak humeus zand. De bodem onder de aanwezige puinlaag is zwak baksteen-, beton-, kolengruis-, plastic- en/of glashoudend. Ter plaatse van de sleuven 03 en 04 is in de puinlaag asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. Het door Econsultancy aangetroffen asbestverdachte plaatmateriaal (fractie > 20 mm) ter plaatse van (enkel) sleuf 04 is volgens het laboratorium daadwerkelijk asbesthoudend.

Analytisch (fractie < 20 mm) is in de puinlaag ter plaatse van sleuf 04 géén asbest aangetoond. Ter plaatse van de puinlaag van sleuf 04 is een totaal berekend asbestgehalte vastgesteld van 14,6 mg/kg d.s. In de geanalyseerde (meng)monsters is ter plaatse van de baksteen- en betonhoudende bodem direct onder de aanwezig puinlaag ter plaatse van het zuidelijk deel van de parkeerplaats, (sleuf 01, 02, 03, 04 en 05) is in de fijne fractie (< 20 mm) analytisch hechtgebonden asbest aangetoond (2,9 mg/kg d.s.). In de overige (meng)monsters is analytisch geen asbest aangetroffen. Op de onderzoekslocatie is géén sprake van een verontreiniging met asbest in bodem en/of puin. De maximale hergebruikswaarde uit de Regeling Bodemkwaliteit (100 mg/kg d.s.), wordt niet overschreden.

48

vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

Conclusie Gezien de uitkomsten van de uitgevoerde onderzoeken kan gesteld worden dat er géén belemmeringen voor het aspect bodem bestaan voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging.

4.8

Natuur

Per 1 januari 2017 is de Flora en faunawet opgegaan in de nieuwe Wet Natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming biedt bescherming aan Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden, hout en houtproducten. De aanwezigheid van beschermde gebieden of beschermde soorten en/of hun beschermde leefomgeving kan van invloed zijn op de uitwerking van bestemmingen. Dit bestemmingsplan maakt ontwikkelingen mogelijk die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor de gunstige staat van instandhouding van beschermde plantenof diersoorten. Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux' bevindt zich op geruime afstand (circa 3.5 kilometer) en het projectgebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)). Vanwege de aard en de relatief beperkte omvang van de ingreep (herontwikkeling in het stedelijk gebied) is er geen negatief effect te verwachten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN en Natura 2000-gebieden. Gezien het vorenstaande is er geen noodzaak voor toetsing aan zowel de Wet natuurbescherming als het Natuurnetwerk Nederland (gebiedsbescherming). Het plangebied bevindt zich binnen het stedelijk gebied van Eindhoven. De afstand tot het aangrenzende buitengebied is daardoor groot. Natura 2000 gebieden en het NatuurNetwerkBrabant liggen dan ook op ruime afstand.

Het planvoornemen is dan ook niet van negatieve invloed op Natura-2000 gebieden of andere natuurgebieden. Soortenbescherming Behalve de mogelijke effecten op natuurgebieden moet ook duidelijk zijn of het betreffende plan effecten heeft, en zo ja welke, op beschermde soorten. De Wet natuurbescherming beschermt niet alleen gebieden, maar ook plant- en diersoorten. Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om beschermde dieren te verontrusten, verjagen, vangen of te doden. Ook rust- en voorplantingsplaatsen mogen niet worden verontrust of beschadigd. Beschermde planten mogen niet worden vernield. Voor handelingen die mogelijk schadelijk kunnen zijn voor beschermde soorten, moet een ontheffing worden aangevraagd. Onderzoek Ten behoeve van dit plan is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd om aan te kunnen tonen of er beschermde soorten binnen het plangebied aanwezig zijn. Deze Quickscan is uitgevoerd door Econsultancy, rapportnummer 7778.001 versie D1, datum 4 september 2018 en bijgevoegd als bijage 5. Uit deze quickscan blijkt dat ten aanzien van algemene broedvogels overtredingen kunnen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Daarnaast dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van onder andere algemene zoogdieren en amfibieën.

Met betrekking op gebiedsbescherming zijn ten aanzien van de voorgenomen plannen op de onder-zoekslocatie geen negatieve effecten te verwachten op Natura-2000 gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Ten aanzien van houtopstanden zijn alleen de gemeentelijke verordeningen van toepassing. Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor het planvoornemen. vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

49

50

vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 5

5.1

Waterparagraaf

Inleiding

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding in het plangebied. Daarnaast wordt, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, vastgelegd aan welke watereisen de ontwikkeling moeten voldoen. Ruimtelijke plannen worden onder meer getoetst aan "hydrologisch neutraal" ontwikkelen conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c van het Besluit ruimtelijke ordening.

5.2

Beleid

5.2.1

Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021

De zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving staat centraal in dit Provinciaal Milieu- en Waterplan. Het Provinciaal Milieuplan 2012-2015 en het Provinciaal Waterplan 2010-2015 gaven hieraan de afgelopen jaren invulling. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP) 2016-2021 integreert de milieu- en de wateropgave, geheel in de geest van de Omgevingswet. Het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Brabant is duurzaam beschermd tegen overstromingen vanuit het hoofdwatersysteem. In 2050 heeft de provincie alle maatregelen uitgevoerd die nodig zijn om te voldoen aan de wettelijke beschermingsnormen. Er is lokaal maatwerk geleverd en zoveel mogelijk rekening gehouden met economie, natuur, recreatie, cultuurhistorie, landschap, agrarisch gebruik en leefbaarheid in dorpskernen. De kwaliteit van het rivierengebied is veel hoger dan voorheen en heeft een belangrijke economische waarde. Het rivierbed van de rivieren wordt zo min mogelijk bebouwd. Het regionale watersysteem is robuust ingericht, zodat wateroverlast voorkomen kan worden, ook bij een veranderend klimaat. Hierbij wordt de trits vasthouden, bergen, afvoeren gehanteerd. Als in het systeem waterkeringen noodzakelijk zijn, dan voldoen ze aan de gestelde normen.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt ervoor gezorgd dat die niet ten koste gaan van de hoeveelheid water die het watersysteem kan bergen (waterbergend vermogen). 5.2.2

Waterbeheerplan 2016 - 2021 'Waardevol Water'

Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's: Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

51

Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbouwen en 'grenzeloos' organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. De belangrijkste uitdagingen voor de komende planperiode zijn: Voldoende water voor landbouw en natuur; Wateroverlast en hittestress; Kringloop denken; Steeds meer ongewenste stoffen in het water, zoals medicijnen; Vergroten waterbewustzijn. 5.2.3

Keur oppervlaktewateren

Op 1 maart 2015 is de nieuwe keur van Waterschap De Dommel in werking getreden. In de keur is een verbod opgenomen om zonder een vergunning hemelwater af te voeren naar oppervlaktelichamen. Het verbod is van toepassing wanneer door een ontwikkeling het verhard oppervlak toeneemt of het bestaand oppervlak wordt afgekoppeld en waardoor neerslag naar een oppervlaktelichaam worden afgevoerd. Het verbod geldt niet wanneer het af te koppelen verhard oppervlak minder dan 10.000 m² betreft of wanneer de toename van het verhard oppervlak minder dan 2.000 m² betreft. Ook wanneer de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak, is het verbod niet van toepassing. Een toename van het verhard oppervlak tussen 2.000 en 10.000 m² is mogelijk, mits compenserende maatregelen (retentievoorziening) zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. 5.2.4

Hydrologisch neutraal bouwen

Hydrologisch neutraal bouwen is overgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar het voor staat en welke maatregel er nodig is om hier aan te voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen. Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatse van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden. Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater.

De realisatie van nieuw verhard oppervlak en afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit betekent dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits "vasthouden-bergen-afvoeren". Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of het infiltreren van water in de bodem en past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewater- als grondwatersysteem. Als niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd. 52

vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

5.2.5

Gemeentelijk rioleringsplan (2015 - 2018)

Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. Met het GRP geeft de gemeente invulling aan de gemeentelijke zorgplicht en op het gebied van (grond)water. Het GRP bevat de geplande activiteiten voor het beheer en onderhoud van het rioolstelsel en bevat maatregelen ter verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Deze maatregelen bestaan vooral uit het afkoppelen van verhard oppervlak. Daarbij wordt regenwater gescheiden van afvalwater ingezameld en afgevoerd naar het oppervlaktewater. Waar mogelijk dient regenwater eerst te worden geborgen binnen het plangebied waarna alsnog vertraagd kan worden afgevoerd. Daar komt nog bij dat de gemeente Eindhoven momenteel bezig is met het opstellen van het 'Gemeentelijk rioleringsplan (2019 - 2023)'. Gezien het feit dat de verdere uitwerking van dit planvoornemen nog moet plaatsvinden en dit bestemmingsplan pas in 2019 zal worden vastgesteld dient er vooruitlopend op het vaststellen van dit nieuwe beleid ook al rekening gehouden met dit beleid. Belangrijkste wijziging ten opzichte van het huidige beleid betreft het feit dat vanaf 1 januari 2019 alle verharding in een plan gecompenseerd dient te worden. De norm hierbij is 60 mm waterberging per m2 verharding.

Echter, indien het plan groener wordt valt deze norm lager uit. Kortom het gaat dus om het aantal m2 verhadring / bebouwing en de m2 groen. Bij de verdere uitwerking van het plan zal hiermee rekening gehouden moeten worden.

5.3

Beschrijving watersysteem plangebied

5.3.1

Huidige situatie

Het plangebied is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is nagenoeg volledig verhard door de bestaande bebouwing (de garages en de voormalige supermarkt) en terreinverharding grotendeels bestaande uit de voormalige parkeerplaats. De oppervlakte van de voormalige supermarkt en het parkeerterrein samen betreft ongeveer 3.400 m2. Binnen het plangebied zijn geen oppervlakte wateren aanwezig.

vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

53

5.3.2

Toekomstige situatie

Het planvoornemen voorziet in de realisatie van ongeveer 40 appartementen. Het verhard oppervlak zal in de nieuwe situatie enigszins afnemen doordat er naast de realisatie van woningen en openbare ruimte tevens groen en tuinen worden gerealiseerd. Dit neemt niet weg dat het beleid van de gemeente Eindhoven ziet op volledige compensatie / infiltratie van hemelwater met een norm van 60 mm per m2. Er zullen dus de nodige waterhuishoudkundige maatregelen moeten worden genomen om hemelwater te bergen en vertraagd af te voeren. Te denken valt hierbij aan bijvoorbeeld groendaken voor het bergen en vertraagd afvoeren van hemelwater en infiltratievoorzieningen voor infiltratie binnen het plangebied. Bij de verdere uitwerking van de plannen zal hier rekening mee gehouden worden. Waterkwaliteit Bij de inrichting, bouw en beheer fase worden zo min mogelijk vervuilende stoffen toegevoegd aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Blootstelling van uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, koper en lood aan hemelwater moet tot een minimum beperkt worden. Overige afspraken Ten behoeve van het aspect water zijn nog aanvullende afspraken gemaakt tussen initiatiefnemer en gemeente.

Deze afspraken staan hieronder vermeld: Een eventuele parkeerkelder zal waterdicht worden uitgevoerd; De nieuwe ontwikkeling zal haar afval- en hemelwater gescheiden op de erfgrens aanbieden en afwateren via het gemengde rioolstelsel. De aansluiting(en) op het gemeentelijke rioolstelsel vindt in overleg met de afdeling huisaansluitingen van de gemeente Eindhoven plaats; Er wordt rekening gehouden met onderhoud en beheer van de groene daken (bereikbaarheid e.d.); Bestrijdingsmiddelen zijn voor het onderhoud van de sedumdaken niet toegestaan; De eventuele groene daken dienen het hemelwater vertraagd af te voeren op het gemeentelijke rioolstelsel. In het technisch ontwerp dient duidelijk zijn hoe de vertraging op een beheersbare manier ingezet kan worden. Bij het indienen van de omgevingsvergunning voor dit plan levert initiatiefnemer een technisch uitgewerkt ontwerp aan waaruit op te maken is hoe de ontwikkeling haar totale bergings- en vertragingsopgave definitief invult. Dit dient nog ter goedkeuring voorgelegd te worden aan Waterschap de Dommel en de gemeente Eindhoven.

5.4

Advies / overleg Waterschap

Het Waterschap de Dommel heeft op 16 mei 2019 laten weten dat zij kunnen instemmen met het plan.

54

vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 6

6.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Het bestemmingsplan 'IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1)' is te typeren als een gedetailleerd plan. De methodiek van het bestemmingsplan is gebaseerd op de SVBP2012. Waar dat noodzakelijk is wordt afgeweken van de standaard en is specifiek ingespeeld op de situatie binnen het onderhavige plangebied.

6.2

Planmethodiek

Er is, volgens de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik. Al dan niet in combinatie met een nadere - eisen - regeling.

6.3

Verbeelding

Op de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied de bestemming 'Wonen' gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen omdat de manier van raadplegen verschillend is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.

6.4

Regels

De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, in bestemmingsregels, in algemene regels en in overgangs- en slotregels. De Inleidende regels in hoofdstuk 1 bestaan uit begrippen en de wijze van meten, teneinde te voorkomen dat discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In Artikel 1 Begrippen wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als in de regels gebruikte begrippen niet in dit artikel voorkomen, dan geldt de uitleg/interpretatie conform het normale taalgebruik. In "Artikel 2 Wijze van meten" worden de te gebruiken meetmethodes vastgelegd. Vervolgens komen de regels per bestemming aan bod, de regels bij de bestemmingen worden hierna afzonderlijk toegelicht. Bestemming `Wonen' Deze bestemming is over het gehele plangebied gelegd. In de bouwregels is bepaald dat hoofdgebouwen uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak' mogen worden gebouwd met in achtneming van de maximale bouwhoogtes zoals aangeduid op de verbeelding. Ter plaatse van de bouwaanduiding 'parkeergarage' op de verbeelding is met in achtneming van de voorgeschreven bouwhoogte en bouwdiepte de bouw van een parkeergarage voor de bewoners toegelaten. Daarnaast dient er een groene erfafscheiding te worden gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1'.

Met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is het maximum aantal woningen binnen de bestemming voorgeschreven. Aan huis-verbonden-beroepen vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

55

Het gebruik van ruimten voor aan huis verbonden beroepen is binnen de woonbestemming toegestaan (tot maximaal 50 m2). Het is het onder bepaalde voorwaarden mogelijk om maximaal 75 m² vloeroppervlak te benutten voor aan huis gebonden beroepen. Tevens is het onder bepaalde voorwaarden mogelijk om maximaal 30 m2 te benutten voor kleinschalige bedrijvigheid. Algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Onder de Algemene regels zijn opgenomen de Anti-dubbeltelregel, Algemene bouwregels en de Algemene afwijkingsregels. In de Algemene bouwregels zijn de parkeerregels opgenomen, die voorschrijven dat bij het bouwen van een gebouw voldoende parkeergelegenheid moet worden gerealiseerd. Deze plicht is gekoppeld aan de actuele gemeentelijke parkeernota. De verwijzing naar parkeernormen is dynamisch. Wanneer er nieuwe parkeernormen worden vastgesteld, dient aan deze nieuwe normen te worden voldaan. Daarnaast bevatten de algemene bouwregels voorschriften met betrekking tot het realiseren van voldoende waterberging. De Algemene afwijkingsregels bevatten bepalingen op basis waarvan in bepaalde gevallen binnenplans kan worden afgeweken van de bepalingen uit de bestemmingsregels. Overgangs- en slotregels In de Overgangs- en slotregels zijn het Overgangsrecht en de Slotregel opgenomen.

Bijlagen bij de Regels De lijst van bedrijfsactiviteiten is opgenomen in verband met de bedrijvigheid als nevenfunctie bij de woonfunctie. In verband met de toepassing van de parkeereis is de Nota Parkeernormen 2016 als bijlage bij de regels opgenomen.

56

vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 7

7.1

Financiële aspecten

Inleiding

Naast het toetsen van een bestemmingsplan aan diverse milieu- en veiligheidsaspecten, dient ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Hierbij wordt gekeken naar de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. De economische haalbaarheid komt aan bod in dit hoofdstuk.

7.2

Economische haalbaarheid

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, waarin ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, dient de gemeenteraad eveneens een exploitatieplan vast te stellen. Dit heeft te maken met de wettelijke verplichting om de kosten, die de gemeente moet maken om deze ontwikkeling mogelijk te maken, te verhalen op de eigenaar/ontwikkelaar. Van deze verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien indien het kostenverhaal op een andere manier is geregeld. Dit kan bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of door het afsluiten van een overeenkomst. In dit geval heeft de initiatiefnemer heeft een anterieure overeenkomst met de gemeente gesloten. Door het afsluiten van een anterieure overeenkomst zijn er voor de gemeente Eindhoven aan het planvoornemen geen kosten verbonden. De economische uitvoerbaarheid is niet in het geding.

vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

57

58

vastgesteld IX Stratum binnen de Ring 2007 (Hofdijkstraat 1) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 8

8.1

Procedure

Bekendmaking ex artikel 1.3.1 Bro

De gemeente heeft de voorbereiding van dit bestemmingsplan conform artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bekend gemaakt.

8.2

Samenspraak

Op 3 juli 2019 heeft een informatiebijeenkomst plaatsgevonden. Over het algemeen wordt herontwikkeling van deze locatie ten behoeve van woningbouw als een positieve ontwikkeling beschouwd. Een verslag van de avond met alle gemaakte opmerkingen is te vinden in . In zijn de op deze avond getoonde mogelijke en realistische stedenbouwkundige invullingen van het juridisch kader van dit plan opgenomen.

8.3

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Op grond van artikel 6.18 Besluit omgevingsrecht juncto artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is overleg nodig met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het project in het geding zijn. Het planvoornemen gaat uit van de realisatie van maximaal 40 woningen in het stedelijk gebied van Eindhoven. Hierbij spelen geen belangen van andere gemeenten of het Rijk een rol.

8.4

Zienswijzen

Kennisgeving van de ter inzage legging en de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen is in de Staatscourant en het weekblad Groot Eindhoven gepubliceerd. Ook is kennis gegeven van de mogelijkheid om de digitale versie van het ontwerp bestemmingsplan via de gemeentelijke website www.eindhoven.nl/bestemmingsplannen en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl te raadplegen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 9 september 2021 tot en met 20 oktober 2021 op de gebruikelijke wijze ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is iedereen in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of mondeling een zienswijze ten aanzien van het ontwerp bestemmingsplan kenbaar te maken. Naar aanleiding van de tervisielegging zijn een aantal zienswijzen ontvangen, die zijn samengevat in een zienswijzennota. Deze is als bijlage 9 aan deze toelichting toegevoegd. Enkele zienswijzen hebben op een aantal punten geleid tot verduidelijking van de toelichting en aanpassing van de regels.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11766499/1