CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Bestemmingsplan II Binnenstad (Wal-Stadhuisplein- Begijnenhof)

Raadsvergadering 26 november 2024, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bp II Binnenstad (Wal Stadhuisplein Begijnenhof)33.065 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Een specifieke marktbehoefte voor een concept als de Stadskamer is niet in een kwantitatieve berekening te vatten en daarom hebben we een referentie analyse uitgevoerd van vergelijkbare nationale en internationale projecten. De Stadskamer is geen draagvlakvolgende voorzieningen maar heeft naar verwachting een groot verzorgingsgebied, dat past in de binnenstad van Eindhoven waar het merendeel van het draagvlak bestaat uit werknemers, bezoekers en toeristen. De ontwikkeling van een functie zoals de Stadskamer aan het Stadhuisplein past binnen de ambitie van de gemeente om door een combinatie van functies meer beleving te creëren aan het Stadhuisplein. De Stadskamer is in lijn met de ambitie van de gemeente dynamisch, bruist van het stedelijk leven en biedt hoogwaardige culturele en commerciële voorzieningen. Geconcludeerd wordt dat het maximale programma van de Citywall ten aanzien van de commerciële functies, voldoet aan de laddertoets.

82

vastgesteld II Binnenstad (Wal-Stadhuisplein- Begijnenhof) Gemeente Eindhoven

3.12

Kantoren

Het kantorenbeleid van de gemeente Eindhoven is voor het laatst in 2012 vastgelegd in de 'Kantorenstrategie Eindhoven 2012-2020'. Dit was midden in de financiële crisis (2008 - 2014) die duidelijk zijn sporen had nagelaten op de nationale én regionale vastgoedmarkt. Dit ging gepaard met ongekend hoge leegstandscijfers. Vandaar dat het toen vastgestelde beleid zich niet alleen richtte op het voeren van regie op de nieuwbouw kantorenmarkt, maar (juist) ook op de bestaande kantorenvoorraad. Op die bestaande markt zijn toen meerdere maatregelen geïntroduceerd die ervoor moeten zorgen dat vraag en aanbod in kwantitatieve én kwalitatieve zin beter op elkaar zijn afgestemd. Zo is met name fors ingezet op de transformatie van incourante kantoorruimte. Dat vraagt om een actieve opstelling van gebouweigenaren, maar meestal is ook nog een (andere) vastgoedpartij nodig die op creatieve wijze met een leegstaand gebouw aan de slag wil gaan. Het gemeentelijk beleid is er nog steeds op gericht dat we een positieve grondhouding hebben met betrekking tot initiatieven die zijn gericht op de transformatie van kansarme kantoren. Daarbij gaat het om gebouwen waarbij de kans dat ze nog als kantoor verhuurd kunnen worden, niet groot is. Binnen Eindhoven worden drie afzonderlijke nieuwbouw kantorenmilieus onderscheiden; Stationsgebied, Strijp-S en Flight Forum.

Deze verschillende kantorenmilieus hebben ieder hun eigen kenmerken en kennen dan ook hun eigen doelgroepen. We zetten erop in dat de ontwikkeling van deze kantoorlocaties optimaal aansluit op de marktvraag. Om overaanbod te voorkomen, maken we (onder andere) gebruik van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' om regie te voeren op de fasering van nieuwbouwprojecten. We willen daarmee voorkomen dat er overaanbod ontstaat doordat meerdere projecten tegelijk worden gerealiseerd. Omdat het gemeentelijk kantorenbeleid inmiddels tien jaar oud was én omdat de kantorenmarkt in Eindhoven in toenemende mate 'communiceert' met de omliggende gemeenten, is in 2022 een 'kantorenbrief' voor het gehele Stedelijk Gebied Eindhoven vastgesteld. Dit regionale kantorenbeleid grijpt vooral terug op een onderzoek dat STEC in 2022 heeft uitgevoerd in opdracht van de Provincie ('Behoefteraming kantoren Noord-Brabant'). Hierin is voor de verschillende typen nieuwbouw kantorenmilieus vastgesteld hoe de verwachte vraag naar kantoren zich de komende tien jaar verhoudt tot de planvoorraad. De voornaamste conclusie daarbij is dat de vraag naar nieuwbouw zich vooral zal concentreren in het zogenaamde centrummilieu / OV-Knoop (lees; stationslocaties) en op campuslocaties.

Omdat de planvoorraad (ook) op deze locaties groter is dan de verwachte vraag, is het van belang dat er - waar mogelijk - regie wordt gevoerd op de realisatie van nieuwbouwprojecten in deze gebieden. Voor een nadere analyse van de geprognosticeerde vraag/aanbod-situatie, wordt verwezen naar de 'Kantorenbrief Stedelijk Gebied Eindhoven, 2022'. Ten aanzien van het plan Door SWECO Nederland B.V. is een ladderonderbouwing kantoren opgesteld. Het volledige onderzoeksrapport is terug te vinden in bijlage 5. Opwaardering Stadhuisplein en Citywall Eindhoven gewenst Het voorliggende project Citywall omvat de voormalige panden van Hogeschool TIO, de ABN-AMRO en een voormalig gemeentegebouw gelegen aan het Stadhuisplein / Wal te Eindhoven. Het project draagt bij aan het creëren van een centrum stedelijk leefmilieu doordat het bestaat uit vier blokken waar wonen gecombineerd wordt met verschillende voorzieningen. Voor kantoren is in het project maximaal 9.500 m² bvo gereserveerd. Behoefte aan 9.500 m2 bvo kantoorruimte in Citywall

vastgesteld II Binnenstad (Wal-Stadhuisplein- Begijnenhof) Gemeente Eindhoven

83

Eindhoven is de kantorenstad van Noord-Brabant en is na de G4 de grootste kantorenstad van het land. De huidige kantorenmarkt laat een polariserende trend zien. Door ontwikkeling, die na corona in een stroomversnelling zijn gekomen, neemt het kantoorgebruik op vele plekken in Nederland af. Daartegenover laten de centrumlocaties nabij OV-knopen in de G5 juist een sterke groei in de vraag zien. Bedrijven zijn steeds meer op zoek naar plekken op dynamische locaties waar het kantoor een bredere functie voor het personeel heeft dan alleen werken. Het zijn locaties van ontmoeten en samenwerken, die een belangrijke rol spelen in het aantrekken van nieuw talent. Deze ontwikkeling is ook zichtbaar in het Stedelijk Gebied Eindhoven (SGE). De uitbreidingsvraag in het SGE bedraagt maximaal circa 48.200 m2 in de komende 10 jaar. Maar, uitgaande van het 'Covid-19 als katalysator' scenario is er zelfs sprake van een negatieve uitbreidingsvraag van circa -103.000 m2 vvo. Daartegenover staat veel harde plancapaciteit. Dit resulteert in een overschot aan plancapaciteit van kantoren in het SGE. Wanneer we inzoomen per werkmilieu ontstaat er een ander beeld. Het grootste deel van de vraag richt zich op hoogstedelijk centrummilieus / OV-knopen, terwijl hier maar een beperkt planaanbod is. Voor deze locaties ontstaat er een tekort van 5.600 tot 43.000 m2 vvo.

Citywall bevindt zich in het hoogstedelijk centrummilieu. Daarmee leidt de ontwikkeling van Citywall niet tot onaanvaardbare ruimtelijke effecten (leegstand). Onderzoeksresultaten Uit de confrontatie van vraag en aanbod in het onderzoeksgebied volgt dat er behoefte is aan toevoeging van kantoorruimte in Citywall in het centrum/stationsmilieu van Eindhoven. De totale vraag bedraagt maximaal 116.000 m2 vvo voor de komende tien jaar. Daartegenover staat een harde planvoorraad van circa 73.000 m2 vvo. Hieruit volgt een behoefte van circa 5.600 tot 43.100 m2 vvo voor de komende tien jaar, De leegstand in het centrum/OV-knoop gebieden ligt op circa 6,5% en daarmee net boven het gewenste frictieniveau (in de berekening van de vraag is de gewenste frictieleegstand overigens meegerekend). Het beoogde concept van Citywall sluit goed aan op de kwalitatieve vraag van kantoorgebruikers naar centrumlocaties, met goede ov- en autobereikbaarheid, een dynamische omgeving met een ruim voorzieningenaanbod en een sterke functiemix binnen het concept met horeca, onderwijs, (flexibele) werkplekken en ruimte voor ontmoeting en evenementen. De ontwikkeling Citywall maakt de realisatie van maximaal 9.500 m2 kantoren mogelijk. We constateren dat de beoogde ontwikkeling van kantoorruimte in Citywall niet zorgt voor onaanvaardbare ruimtelijke effecten (leegstand).

Ook wanneer wordt uitgegaan van het 'Covid-19 als katalysator' scenario, waarbij de behoefte (circa 5.600 m2 vvo) kleiner is dan de beoogde ontwikkeling (9.500 m2 vvo) concluderen we dat dit niet leidt tot onaanvaardbare leegstand in het onderzoeksgebied.

3.13

Kabels, leidingen en straalpaden

Kabels en leidingen kunnen een belemmering vormen ten aanzien van de uitvoerbaarheid van een project. Binnen het projectgebied of in de nabijheid ervan zijn geen kabels of leidingen aanwezig die een belemmering (kunnen) vormen voor de voorgestane ontwikkeling van het projectgebied. Er zal een klic-melding worden gedaan voor aanvang van de graaf- en bouwwerkzaamheden.

84

vastgesteld II Binnenstad (Wal-Stadhuisplein- Begijnenhof) Gemeente Eindhoven

3.14

Windhinder

Op basis van artikel 3.1. Wro dient in het kader van de zorg voor een goede ruimtelijke ordening bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar te worden meegenomen in de afwegingen, indien aard of omvang van de bebouwing en van de omgeving hiertoe aanleiding geeft. Windhinderonderzoek Om de impact van de nieuwe ontwikkeling op de omliggende omgeving te bestuderen is d.d. 28 september 2023 een onderzoek naar windhinder op basis van NEN 8100 uitgevoerd door ARUP. Het volledige onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 16. Het plan bestaat uit een drie torens van 71, 55 en 37 m op drie plint gebouwen tussen 15-20 m hoog. Tussen de plintblokken zijn er twee onderdoorgangen in het ontwerp aanwezig. Deze kruisen elkaar en hebben als hoofdrichting NW-ZO en NO-ZW. Het windhinderonderzoek is uitgevoerd door middel van een Computational Fluid Dynamics (CFD) analyse. In de beoordeling van het windklimaat is uitgegaan van de NEN8100:2006 Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving. De resultaten van de analyse worden navolgend weergegeven. Er is met behulp van een numerieke simulatie antwoord gegeven op de vraag waar en in welke mate risico op windhinder en -gevaar optreedt. Navolgend is het plangebied weergegeven.

Afbeelding. 3D impressie plangebied, d.d. 13-06-2023 Er is een windhinder studie uitgevoerd voor het ontwerp van een nieuwbouwontwikkeling aan het Stadhuisplein in Eindhoven. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Het plan is getoetst aan de Beleidsregel voor windhinder van de gemeente Eindhoven. Uitvoering conform randvoorwaarden NEN8100 met behulp van Computational Fluid vastgesteld II Binnenstad (Wal-Stadhuisplein- Begijnenhof) Gemeente Eindhoven

85

Dynamic (CFD) computer simulatie. De CFD-analyse toetst het plangebied op 12 windrichtingen. Het onderzoek heeft betrekking op de beoordeling van windhinder en windgevaar ter plaatse van het openbare gebied op maaiveldniveau. Het effect van bestaande vegetatie (bomen) is niet meegenomen in de analyse (conservatieve benadering). Conclusie Het onderzoek laat zien dat er over het algemeen een goed windklimaat heerst in het plangebied. Door de toegangen van het binnenterrein deels te overdekken, is deze goed beschut tegen harde wind. Het grootste deel van het binnenterrein is geclassificeerd als kwaliteitsklasse A en daarom geschikt voor de activiteit 'langdurig zitten'. Ook op het Stadhuisplein heerst een goed windklimaat (kwaliteitsklasse A) dat geschikt is voor de activiteit 'langdurig zitten'. Langs de Wal, in de onderdoorgangen naar het binnenterrein en bij het parkeerterrein ten NW van de geplande ontwikkeling heerst voornamelijk kwaliteitsklasse C, wat acceptabel is voor de gewenste activiteit 'doorlopen'.

Aandachtpunten Wel bestaan er een aantal aandachtspunten voor het plan: Bij het parkeerterrein ten NW van de geplande ontwikkeling zijn er enkele gebieden van kwaliteitsklasse D. Dit is matig voor activiteit 'doorlopen'. Aangezien het hier om een toegangsgebied voor een parkeerterrein gaat en er geen bestaande of geplande gebouwingangen zijn wordt er weinig tot geen voetverkeer verwacht. Bij een aantal geplande gebouwingangen komt kwaliteitsklasse C voor, hier is minimaal kwaliteitsklasse B gewenst. De vier ingangen waar het om gaat zijn de ingang aan de Wal, de ingang vanuit het parkeerterrein en de twee meest Noordelijke ingangen aan het Begijnenhof. Ook aan de Noordoost zijde van het Begijnenhof heerst kwaliteitsklasse C. Voor ingangen tot de daargelegen gebouwen zijn dus ook maatregelen nodig om het windklimaat te verbeteren. In een groot deel van het Begijnenhof heerst kwaliteitsklasse D. Dit is matig voor de activiteit 'doorlopen' en het zou wenselijk zijn het windklimaat in dit gebied te verbeteren tot kwaliteitsklasse C. Bij het parkeerterrein ten NW van de geplande ontwikkeling is er een klein gebied met een beperkt risico op windgevaar. Dit mag volgens NEN 8100 alleen worden geaccepteerd bij activiteit 'doorlopen'.

Aangezien het hier een toegangsgebied voor een parkeerterrein is, en er geen bestaande of geplande gebouwingangen zijn in het gebied, is dit niet kritisch. Aanbevelingen Om het windklimaat op de bovengenoemde aandachtspunten te verbeteren is een aantal maatregelen mogelijk: Om het windklimaat bij de gebouwingangen aan het Begijnenhof te verbeteren is in de nieuwste ontwerpversie een colonnade toegevoegd, zowel aan de Noord Oost zijde van Citywall als bij het gebouw aan de overkant. De verwachting is dat hierdoor het windklimaat bij de gebouwingangen aan weerszijden van het Begijnenhof zal verbeteren. In de CFD analyse is het effect van bestaande vegetatie (bomen) niet meegenomen (conservatieve benadering). Het modelleren van het effect van de bestaande begroeiing in het Begijnenhof (zie Figuur 9) zal een positief effect hebben op het windklimaat in de straat. Er moet echter worden opgemerkt dat het effect van bomen het grootst is tijdens de zomermaanden wanneer ze blad dragen. Ook het beoogde toevoegen van groen (zie Figuur 10) in de openbare ruimte langs het Begijnenhof en bij het parkeerterrein ten NW van de geplande ontwikkeling kan een positief effect hebben op het windklimaat en bijdragen aan een verbetering van de gebieden van kwaliteitsklasse D. Maar ook hier moet rekening worden gehouden met 86

vastgesteld II Binnenstad (Wal-Stadhuisplein- Begijnenhof) Gemeente Eindhoven

seizoensvariatie van de vegetatie. De verwachting is dat aanpassingen in het ontwerp van Citywall zeer beperkt effect zullen hebben op de kwaliteit van het windklimaat in het Begijnhof. Oplossingen hiervoor zullen waarschijnlijk het best bij de gebouwen aan de noordoost zijde van de straat gezocht kunnen worden, bijvoorbeeld door de gevel op maaiveld meer 'getrapt' te ontwerpen. Addendum windhinderonderzoek In het onderzoek van september 2023, dat hiervoor uiteen is gezet, is uitgegaan van een ontwerp bestaande uit drie torens van 71, 55 en 37 meter op die plint gebouwen tussen 15-20 meter hoog. Op de verbeelding van het bestemmingsplan zijn andere maximale bouwhoogten zijn toegestaan, te weten: 80, 65 en 45 meter. Daarom is door ARUP een addendum op de oorspronkelijke windstudie gemaakt. Dit addendum is bijgevoegd als bijlage 17 bij de toelichting. Hieronder volgt eerst een impressie van het plangebied, waarna de belangrijkste conclusies uit het addendum worden weergegeven.

Afbeelding 3D impressie plangebied Op basis van de uitgevoerde CFD-analyse is het windklimaat geanalyseerd volgens de NEN 8100 en beoordeeld volgens de beleidsregel gemeentelijke normen windhinder Eindhoven. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen windhinder en windgevaar. De resultaten van dit onderzoek laten weinig verschil zien met de resultaten uit het windhinderonderzoek dat als bijlage 16 is opgenomen. Daarom gelden nog steeds dezelfde conclusies en aanbevelingen voor het plan. Hieronder wordt op de conclusie, aandachtspunten en aanbevelingen van het addendum windhinderonderzoek ingegaan. Conclusies Het onderzoek laat zien dat er over het algemeen een goed windklimaat heerst in het plangebied: Door de toegangen van het binnenterrein deels te overdekken, is deze goed beschut tegen harde wind. Het grootste deel van het binnenterrein is geclassificeerd als kwaliteitsklasse A en daarom geschikt voor de activiteit 'langdurig zitten'. Ook op het Stadhuisplein heerst een goed windklimaat (kwaliteitsklasse A) dat geschikt is voor de activiteit 'langdurig zitten'. Langs de Wal, in de onderdoorgangen naar het binnenterrein en bij het parkeerterrein ten NW van de geplande ontwikkeling heerst voornamelijk kwaliteitsklasse B of C, wat acceptabel is voor de gewenste activiteit 'doorlopen'.

Op de Belverdère laag heerst aan de Zuid en Oost zijde van blok C voornamelijk kwaliteitsklasse A. Dit is geschikt voor de activiteit 'langdurig zitten'. Aandachtspunten vastgesteld II Binnenstad (Wal-Stadhuisplein- Begijnenhof) Gemeente Eindhoven

87

Er bestaat een aantal aandachtspunten voor het plan: Bij het parkeerterrein ten NW van de geplande ontwikkeling zijn er enkele gebieden van kwaliteitsklasse D. Dit is matig voor activiteit 'doorlopen'. Aangezien het hier om een toegangsgebied voor een parkeerterrein gaat en er geen bestaande of geplande gebouwingangen zijn wordt er weinig tot geen voetverkeer verwacht. Bij een aantal geplande gebouwingangen komt kwaliteitsklasse C voor, hier is minimaal kwaliteitsklasse B gewenst. De vier ingangen waar het om gaat zijn de ingang aan de Wal, de ingang vanuit het parkeerterrein en de twee meest Noordelijke ingangen aan het Begijnenhof. Ook aan de Noordoost zijde van het Begijnenhof heerst kwaliteitsklasse C. Voor ingangen tot de daargelegen gebouwen zijn dus ook maatregelen nodig om het windklimaat te verbeteren. In een groot deel van het Begijnenhof heerst kwaliteitsklasse D. Dit is matig voor de activiteit 'doorlopen' en het zou wenselijk zijn het windklimaat in dit gebied te verbeteren tot kwaliteitsklasse C. Bij het parkeerterrein ten NW van de geplande ontwikkeling is er een klein gebied met een beperkt risico op windgevaar. Dit mag volgens NEN 8100 alleen worden geaccepteerd bij activiteit 'doorlopen'. Aangezien het hier een toegangsgebied voor een parkeerterrein is, en er geen bestaande of geplande gebouwingangen zijn in het gebied, is dit niet kritisch.

Op de Belverdère laag, bij de gebouwhoeken aan de West zijde van blok C, is sprake van een matig tot slecht windklimaat voor de activiteit slenteren (kwaliteitsklasse C en D). Dit wordt naar verwachting veroorzaakt door valwind vanaf de toren van blok C en blok A. Aanbevelingen Om het windklimaat op de bovengenoemde aandachtspunten te verbeteren is een aantal maatregelen mogelijk: Om het windklimaat bij de gebouwingangen aan het Begijnenhof te verbeteren is in de nieuwste ontwerpversie een colonnade toegevoegd, zowel aan de Noord Oost zijde van City Wall als bij het gebouw aan de overkant. De verwachting is dat hierdoor het windklimaat bij de gebouwingangen aan weerszijden van het Begijnenhof zal verbeteren. In de CFD analyse is het effect van bestaande vegetatie (bomen) niet meegenomen (conservatieve benadering). Het modelleren van het effect van de bestaande begroeiing in het Begijnenhof (zie Figuur 8) zal een positief effect hebben op het windklimaat in de straat. Er moet echter worden opgemerkt dat het effect van bomen het grootst is tijdens de zomermaanden wanneer ze blad dragen. Ook het beoogde toevoegen van groen (zie Figuur 9 in de bijlage) in de openbare ruimte langs het Begijnenhof en bij het parkeerterrein ten NW van de geplande ontwikkeling kan een positief effect hebben op het windklimaat en bijdragen aan een verbetering van de gebieden van kwaliteitsklasse D.

Maar ook hier moet rekening worden gehouden met seizoensvariatie van de vegetatie. De verwachting is dat aanpassingen in het ontwerp van City Wall zeer beperkt effect zullen hebben op de kwaliteit van het windklimaat in het Begijnhof. Oplossingen hiervoor zullen waarschijnlijk het best bij de gebouwen aan de noordoost zijde van de straat gezocht kunnen worden, bijvoorbeeld door de gevel op maaiveld meer 'getrapt' te ontwerpen. Het windklimaat aan de West zijde van de Belvédère laag kan mogelijk lokaal, nabij de gevel, worden verbeterd door het toevoegen van luifels om de valwind vanaf de toren van blok C te verminderen. Borstweringen rond de buitenrand van het blok zullen waarschijnlijk een beperkt effect hebben. Hoewel ze de horizontaal naderende wind kunnen tegenhouden, zijn ze minder effectief tegen de wind die verticaal vanaf de torens neerdaalt. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat 88

vastgesteld II Binnenstad (Wal-Stadhuisplein- Begijnenhof) Gemeente Eindhoven

er geen onevenredige windhinder of windgevaar ontstaat indien de aanbevelingen zoals gesteld door ARUP BV worden overgenomen. Hierbij wordt mede in overweging genomen dat de locatie in een hoog stedelijk gebied is gelegen waarbij niet altijd mogelijk is om overal voor elke activiteit 'goed' te behalen.

3.15

Bezonning

Er bestaan geen wettelijke normen die zien op een minimum aantal zonuren per dag in een woning of op een balkon. De wetgever heeft ervoor gekozen regulering hiervan over te laten aan bestuursorganen. Dit betekent dat bestuursorganen op dit onderwerp beleidsruimte hebben. Deze beleidsruimte heeft de gemeente Eindhoven ingevuld door in 2017 de beleidsregels voor bezonning woningen vast te stellen. Deze beleidsregels zijn in 2024 vervangen door de beleidsregels voor bezonning woningen 2024. Volgens deze beleidsregels is ten aanzien van zonlicht in de woning onder andere het volgende bepaald: In de periode van 21 maart t/m 21 september is er minimaal 2 uur zonneschijn per dag aanwezig op ten minste één gevel van de woning. De regels zijn echter niet van toepassing op uitzonderingsgebieden. Hier wordt getoetst aan de bezonningsregels voor de aanwezige sunspots. Het stadhuisplein betreft een sunspot zoals benoemd in de verdichtingsvisie. Ten aanzien van het Stadhuisplein als sunspot geldt dat er geen vermindering van bezonning plaats mag vinden op 21 maart tussen 09:00 en 16:30 uur. Het plan van Citywall is echter uitgezonderd van deze norm, nu dit plan reeds op het moment van inwerkingtreding van deze nieuwe beleidsregel in ontwikkeling was (zie artikel 7 van de beleidsregels in combinatie met bijlage 3 van de beleidsregel).

Desalniettemin zijn de gevolgen voor bezonning als gevolg van dit plan van Citywall wel bezien. Daarop wordt nu ingegaan. Bezonningsstudie In het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' is het van belang om de gevolgen van het bestemmingsplan te bezien op de aspecten 'bezonning en privacy'. Door DWA is daarom een bezonningsstudie uitgevoerd. Het volledige onderzoek is bijgevoegd als bijlage 18. Met behulp van de modellering- en rekensoftware is het aantal uur direct zonlicht op het Stadhuisplein bepaald voor de relevante momenten in het jaar. Hierbij is het aantal bezonningsuren in de oude en nieuwe situatie bekeken en onderzocht wat de afname van bezonning op het plein is. Hieruit blijkt dat gedurende de zomer in de avond een beperkte afname van bezonning zichtbaar is. Dit betreft een afname van ca. 0,5 - 1,5 uur. De verblijfskwaliteit van het plein als 'sunspot' wordt hiermee niet noemenswaardig verminderd. Het plangebied valt op basis van beleid binnen het gebied van de 'binnenstad'. Er gelden dus geen regels voor bezonning vanuit beleidsmatig oogpunt gezien. Desondanks is onderzocht welk effect de nieuwbouw op de bezonning van bestaande woongebouwen in de omgeving heeft. De bezonning is voorts getoetst aan de lichte TNO-norm.

Hiervoor wordt vereist dat er ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag mogelijk zijn in de periode van 19 februari - 21 oktober op de vensterbank aan de binnenkant van het raam. Uit het onderzoek blijkt dat de afname van direct zonlicht voornamelijk zal optreden ter plaatse van de direct omliggende kantoorgebouwen en op de Sint-Catharinakerk, waarvoor de bezonningsnorm niet van toepassing is. Op enkele woningen blijft in de periode 19 februari - 21 oktober nog ten minste 2 uur direct zonlicht op de gevel mogelijk, waarmee aan de lichte TNO-norm kan worden voldaan. Het realiseren van (hoge) nieuwbouw mag verder geen significant effect hebben op de bezonning van tuinen en balkons van woningen in de omgeving. Het plan betreft echter een ontwikkeling in de binnenstad, waardoor deze beleidsregel formeel niet geldt. Desondanks is voor de woningen in de omgeving van het plan onderzocht of er een afname van bezonning vastgesteld II Binnenstad (Wal-Stadhuisplein- Begijnenhof) Gemeente Eindhoven

89

optreedt ter plaatse van de buitenruimten. Uit de bezonningsstudie blijkt dat er ten gevolge van de nieuwbouw geen significante verslechtering optreedt van de bezonning op de omliggende woningen en dat er voor de buitenruimten wordt voldaan aan de voorwaarden. Aan het aspect bezonning wordt derhalve voldaan. Addendum bezonningstudie Bij de bezonningsstudie zoals hierboven uiteen is gezet, is uitgegaan van torens van ca. 70 en 50 meter hoogte en laagbouw aan het Stadhuisplein van ca. 40 meter hoogte. Volgens het bestemmingsplan is het echter mogelijk om op deze posities torens van 80 en 65 meter hoogte te realiseren en een laagbouw van 45 meter. In het addendum is het effect van de gebouwen, met de maximale hoogtes die het bestemmingsplan toestaat, op de bezonningsuren op de omliggende gebouwen en de 'sunspot' Stadhuisplein onderzocht. Het addendum is bijgevoegd als bijlage 19. Uit het addendum volgt het volgende. De bezonningsuren zijn vergeleken met gebouwen uit de bezonningsstudie van september 2023, zoals beschreven in 'Notitie bezonningsstudie Stadhuisplein'. Met de hogere gebouwen volgens het bestemmingsplan nemen de bezonninguren op enkele posities in de omgeving met ten hoogste 0,5-1,0 uur af. Er blijft voor alle situaties nog steeds voldoende bezonning mogelijk bij omringende woningen en ook op het Stadhuisplein.

De conclusies uit de voorgaande notitie blijven ongewijzigd.

90

vastgesteld II Binnenstad (Wal-Stadhuisplein- Begijnenhof) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 4

Milieuparagraaf

4.1

Milieueffectrapportage

4.1.1

Wettelijk kader

Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: Kolom 1: de activiteit zelf Kolom 2: drempelwaarden activiteit Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan) Kolom 4: de besluiten De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten. In dit kader is 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. van belang.

Het gaat daarbij om de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aan de hand van de volgende aspecten te worden beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben: 1. de kenmerken van de activiteit (aard, omvang, cumulatie met andere ontwikkelingen); 2. de locatie van de activiteit (kenmerken van het plangebied en de kwetsbaarheid van de omgeving); 3. de mogelijke gevolgen van de activiteit. Door AROM is een vormvrije m.e.r.-notitie opgesteld ten behoeve van onderhavig plan. De volledige notitie is te vinden in bijlage 14. Uit de notitie blijkt dat negatieve effecten voor het milieu zijn uit te sluiten. Gelet op de beperkte effecten en gelet op de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r., kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die kleinschaliger is dan de drempelwaarden. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is bij onderhavig plan niet zodanig dat normen worden overschreden. De kenmerken van onderhavig plan, in relatie tot de plaats vastgesteld II Binnenstad (Wal-Stadhuisplein- Begijnenhof) Gemeente Eindhoven

91

en de potentiële effecten van het plan, zijn dusdanig beperkt in aard en omvang dat deze geen belangrijke nadelige milieugevolgen met zich meebrengen die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Op 12 december 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven besloten dat er geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld voor het realiseren van de woningen en commerciële functies in het plangebied. Uit de opgestelde aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat het plan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben. Het opstellen van een milieueffectrapport is dan ook niet noodzakelijk.

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied.

4.2.1

Staat van bedrijfsactiviteiten

De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze staat is gebaseerd op bovengenoemde VNG - brochure. In deze staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met potentiële milieuemissies. Op grond van deze staat wordt een beleidsmatige selectie gemaakt van die bedrijfsactiviteiten die in het plangebied worden toegestaan. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI -codes) in deze staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk'; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q.

bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand. categorie 1: grootste afstand 10 meter; categorie 2: grootste afstand 30 meter; categorie 3.1: grootste afstand 50 meter; categorie 3.2: grootste afstand 100 meter; categorie 4.1: grootste afstand 200 meter; 92

vastgesteld II Binnenstad (Wal-Stadhuisplein- Begijnenhof) Gemeente Eindhoven

categorie 4.2: grootste afstand 300 meter; categorie 5.1: grootste afstand 500 meter; categorie 5.2: grootste afstand 700 meter; categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter; categorie 6: grootste afstand 1.500 meter.

4.2.2

Ten aanzien van het plangebied

In de directe omgeving van het plangebied zijn bedrijven gelegen. Van belang is om te bezien of er eventuele belemmeringen zijn. Hieronder is het overzicht van in de buurt gelegen bedrijven weergegeven.

Het plangebied is getypeerd als 'gemengd gebied'. Voor het de richtafstanden kan om die reden één afstandstap terug worden gedaan. Dat betekent dat de richtafstand van 10m naar vastgesteld II Binnenstad (Wal-Stadhuisplein- Begijnenhof) Gemeente Eindhoven

93

0m gaat en de richtafstand van 30m naar 10m. Nieuwe bedrijven Het plan voorziet in het mogelijk maken van bedrijven zoals kantoren en horeca. Het is noodzakelijk om te toetsen of tussen deze bedrijven en de al bestaande woningen voldoende afstand zit om een goed woon- en leefklimaat te garanderen.

Hieruit is te concluderen dat de richtafstanden in een gemengd gebied geen nadelige effecten zullen hebben, omdat de maximale richtafstanden van 10 meter niet rijken tot andere bedrijven en/of woningen. 4.2.3

Conclusie

De conclusie is dat er sprake is van een aanvaardbaar leefklimaat ter plaatse van de nieuwe functie en dat bedrijvigheid van omliggende bedrijven niet in gevaar komt. Er reiken namelijk geen richtafstanden van bedrijven tot het nieuwe woongebied. Met de huidige planopzet wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure 'Bedrijven- en milieuzonering'.

4.3

Geluid

4.3.1

Wettelijk kader

De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.

In het voorliggende bestemmingsplan liggen de volgende geluidgevoelige bestemmingen: 94

vastgesteld II Binnenstad (Wal-Stadhuisplein- Begijnenhof) Gemeente Eindhoven

a. b.

een woongebouw een onderwijsgebouw.

4.3.2

Ten aanzien van het plangebied

Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai Door Peutz is onderzoek verricht naar het aspect geluid ten aanzien van het weg- en railverkeerslawaai. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 7. Navolgend zijn de belangrijkste resultaten en conclusies van het rapport weergegeven. Kantoorfuncties zijn niet geluidgevoelig en worden derhalve niet nader beschouwd. De maximale gecumuleerde geluidbelasting exclusief aftrek ex artikel 110g Wgh bedraagt 62 dB ter plaatse van de zuidwest gevel van het noordwestelijke volume. In het noordelijke bouwblok is een onderwijsfunctie geprojecteerd. De maximale geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Wal bedraagt ten hoogste 40 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh. De geluidbelasting op de gevels van het onderwijsblok is hiermee lager dan de voorkeursgrenswaarde. Uit de rekenresultaten blijkt dat op de meeste woningen gelegen aan de Wal een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde plaatsvindt ten gevolge van het wegverkeer op de Wal. Dit betekent dat hiervoor, bij een beoordeling conform de Wet Geluidhinder, een verder onderzoek naar te nemen maatregelen dient te worden uitgevoerd. Bronmaatregelen Ten aanzien van wegverkeerslawaai kunnen bronmaatregelen bestaan uit het toepassen van geluidreducerend asfalt of snelheidsverlaging. Snelheidsverlaging heeft een direct effect op de geluidemissie van wegverkeer.

Het terugbrengen van de maximumsnelheid op de Wal wordt in voorliggende situatie niet realistisch geacht, aangezien de maximum snelheid reeds 30 km/u bedraagt. Toepassing van geluidreducerend asfalt tevens een mogelijkheid om geluidemissie aan de bron te reduceren. Echter, dit is in stedelijke situaties om technische redenen niet altijd wenselijk. Het toepassen van geluidreducerend asfalt in een 30 km/u-zone is niet effectief aangezien motorgeluid (en niet het rolgeluid) doorgaans maatgevend is in de geluidbelasting. Overdrachtsmaatregelen Overdrachtsmaatregelen kunnen bestaan uit het plaatsen van schermen of geluidwallen. Gezien de ligging van de voorgenomen ontwikkeling is het treffen van een maatregel in het overdrachtsgebied eveneens niet effectief. Aangezien de afscherming tussen een woning of ander geluidgevoelig gebouw voor een goede effectiviteit een behoorlijke lengte en hoogte dient te hebben, nemen de kosten voor een geluidscherm al snel toe. Aangezien het gestapelde woningen betreft betekent dit dat een dergelijk geluidscherm, om voldoende geluidreductie te kunnen behalen bij de bovenste woningen, het zicht van de onderste woningen wegneemt. Derhalve kan gesteld worden dat de plaatsing van geluidschermen geen geschikte maatregel is.

Maatregelen bij de ontvanger Indien bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of onvoldoende blijken te zijn om de geluidbelasting vanwege weg- en railverkeer tot de voorkeursgrenswaarde te beperken, kunnen voorzieningen aan of in de woningen worden gerealiseerd. Eventuele maatregelen, zoals de toepassing van schermen of balkons met een verhoogde borstwering, kunnen er zorg voor dragen dat aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. Gezien de nabije ligging van het bouwplan aan de Wal, heeft de laagbouw reeds een afschermend effect op de gevel van de hoogbouw. De volumeopzet is hierin dus gunstig gekozen voor de woningen in de bovenbouw. vastgesteld II Binnenstad (Wal-Stadhuisplein- Begijnenhof) Gemeente Eindhoven

95

Notitie verkeersaantrekkende werking Peutz heeft in een aparte notitie inzichtelijk gemaakt wat de akoestische invloed van de verkeersaantrekkende werking van het plan Citywall op omliggende geluidgevoelige bestemmingen is. In de notitie wordt een kwalitatieve beoordeling van het geluid ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking beschreven. De notitie dient als oplegnotitie bij het hiervoor toegelichte onderzoeksrapport. De notitie is bijgevoegd als bijlage 21. Hierna volgen de belangrijkste conclusies. De verwachte weekdaggemiddelde etmaalintensiteit op de Wal 6.829 motorvoertuigen voor het prognosejaar 2033. Indien daar de verkeersgeneratie van het bouwplan bij wordt opgeteld is er sprake van een verkeerstoename van ca. 6%. Bij een toename van het verkeer van 6% is (uitgaande van een gelijkblijvende verdeling van het verkeer in licht, middelzwaar en zwaar verkeer en in dag-, avond- en nachtperiode) sprake van een toename van het geluid op de directe omgeving ca. 0,2 à 0,3 dB. Dit is akoestisch verwaarloosbaar.

4.3.3

Conclusie

Aangezien het bouwplan niet gelegen is in de zone van wegen en/of spoorwegen is de Wet Geluidhinder niet van toepassing. In het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing hanteert de Gemeente Eindhoven ook bij 30 km/u-wegen de systematiek van het geluidbeleid. Getoetst is of de 30 km/u wegen voldoen uit de voorwaarden uit het geluidbeleid. De grenswaarde waarbij aanvullende maatregelen nodig zijn (bij woningen) van 53 dB wordt door de 30 km/u-wegen niet overschreden. Zowel vanuit de Wet Geluidhinder als vanuit het geluidbeleid van de Gemeente Eindhoven (in het kader van een ruimtelijke onderbouwing) zijn derhalve geen beperkingen van toepassing. Ook de effecten van deze ontwikkelingen op de omgeving zijn akoestisch verwaarloosbaar. Het aspect geluid levert geen belemmeringen op voor onderhavig plan.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd.

Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex.

96

vastgesteld II Binnenstad (Wal-Stadhuisplein- Begijnenhof) Gemeente Eindhoven

4.4.2

Besluit niet in betekenende mate bijdragen

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen.

Samengevat Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.

4.4.3

Besluit gevoelige bestemmingen

Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van vastgesteld II Binnenstad (Wal-Stadhuisplein- Begijnenhof) Gemeente Eindhoven

97

snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.

4.4.4

Goede ruimtelijke ordening

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.

4.4.5

Ten aanzien van het plangebied

Met het plan worden een hogeschool, commerciële functies en woningen toegevoegd. Er worden geen 'gevoelige bestemmingen' zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen toegevoegd, waardoor deze geen belemmering vormt voor dit plan. Het toevoegen van de functies zorgt wel voor extra verkeersgeneratie. Voor de verkeersaantallen is aangesloten bij het mobiliteitsplan CityWall Eindhoven van SVA (Stiphout Verkeersadvies). Zij hebben de volgende uitgangspunten aangehouden: De kengetallen uit CROW publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren zijn gebruikt. De CROW kengetalen zijn uitgesplitst naar de stedelijkheidsgraad en stedelijke zone; De omgevingsadressendichtheid van de gemeente Eindhoven is gemiddeld ca. 2.700 adressen per km2, daarmee hoort de gemeente tot de hoogste stedelijkheidsgraad: zeer sterk stedelijk; De planlocatie ligt in het hart van Eindhoven en is onderdeel van de binnenstad. Binnen de kaders voor stedelijke zones die CROW-publicatie 381 biedt, is op deze situering de categorie ‘centrum’ van toepassing; De CROW kengetallen hebben een bandbreedte, bij het bepalen van de verkeersgeneratie is uitgegaan van gemiddelde kengetallen; Voor de functies museum, centrum/wijkgebouw, Tearoom, koffiehuis en restaurant zijn in CROW publicatie 381 (of voorlopers daarvan) geen kengetallen voor de verkeersgeneratie beschikbaar.

Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van deze functies is daarom aansluiting gezocht bij de CROW kengetallen voor de categorie binnenstad/hoofdwinkel(stads)centrum > 175.000 inwoners; Omdat de berekening van de verkeergeneratie uitgedrukt wordt in een weekdag gemiddelde en de werkdag maatgevend is voor het plan Citywall, zijn de weekdag gemiddelde omgerekend naar een werkdag gemiddelde. Hierbij is gebruik gemaakt van correctiefactoren uit CROW publicatie 381: Woonfuncties factor 1,11 Overige functies factor 1,33 Op basis van CROW publicatie 381 leidt een 10% lagere parkeernorm tot 7,5% minder verkeersgeneratie. De HOV-correctie verlaagt de parkeernorm met 25% en levert dus 18,75% minder verkeersgeneratie op. Deze uitgangspunten resulteren in de volgende verkeersgeneratie:

98

vastgesteld II Binnenstad (Wal-Stadhuisplein- Begijnenhof) Gemeente Eindhoven

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14618690/3