Bijlage 1 toets NNB evz
Tekst van het document
RAPPORT Ontwikkeling EDGE te Eindhoven, advies EVZ de Dommel Toetsing aan de planologische gebiedsbescherming (NNB), Stationsweg te Eindhoven Klant:
EDGE Technologies
Referentie: BG8492WATRP2005291123 Status:
S0/P01.02
Datum:
Vrijdag 29 mei 2020
Projectgerelateerd
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Larixplein 1 5616 VB EINDHOVEN Netherlands Water Trade register number: 56515154 +31 88 348 42 50 T info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W
Titel document: Ontwikkeling EDGE te Eindhoven, advies EVZ de Dommel Ondertitel: Beoordeling van de effecten op het NNB Referentie: BG8492WATRP2005291123 Status: P01.02/S0 Datum: Vrijdag 29 mei 2020 Projectnaam: Advisering rondom het herbegrenzen van het NNB Projectnummer: BG8492 Auteur(s): Pauline Maas, Geoffrey de Rooij
Opgesteld door: Pauline Maas Gecontroleerd door: Geoffrey de Rooij Datum/paraaf: 16 april 2020 GoEDGEkeurd door: Sten Camps Datum/paraaf: 29 mei 2020
Classificatie Projectgerelateerd
Disclaimer Niets uit deze specificaties/drukwerk mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van HaskoningDHV Nederland B.V.; noch mogen zij zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor deze specificaties/drukwerk ten opzichte van anderen dan de personen door wie zij in opdracht is gegeven en zoals deze zijn vastgesteld in het kader van deze Opdracht. Het geïntegreerde QHSE-managementsysteem van HaskoningDHV Nederland B.V. is gecertificeerd volgens ISO 9001:2015, ISO 14001:2015 en ISO 45001:2018. Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
ii
Projectgerelateerd
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1
Aanleiding van het onderzoek
1
1.2
Doel van het rapport
1
1.3
Leeswijzer
1
2
Planvoornemen
2
2.1
Ligging van het plangebied
2
2.2
Beschrijving van het planvoornemen
2
2.3
Ligging ten opzichte van planologisch beschermd gebied
4
2.4
Onderzoeksmethode
4
3
Planologische gebiedsbescherming
5
3.1
Natuurnetwerk Brabant
5
3.2
Toepassen van het “Nee, tenzij”-principe
6
3.3
Kleinschalig herbegrenzen
7
4
Toetsing
8
4.1
Ecologische verbindingszone De Dommel
8
4.2
Beheertype N03.01 Beek en bron, en doelsoorten
8
4.3
Aangewezen natuurdoeltype en natuurbeheertype van het NNB
8
4.4
Wezenlijke kenmerken en waarden
9
4.5
Functies van de EVZ en doelsoorten
11
4.6
Effectbeoordeling op de natuurwaarden
14
4.7
Mitigerende maatregelen
15
4.8
Kansen
17
5
Conclusie
19
Literatuur
20
Bijlagen
20
Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
iii
Projectgerelateerd
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding van het onderzoek
Voor het parkeerterrein aan de Stationsweg te Eindhoven worden plannen ontwikkeld voor de bouw van een kantoorgebouw van ca. 27.000 m2, een woontoren met circa 175 woningen en ondergrondse parkeervoorzieningen voor de gebruikers. De ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Om de gewenste ontwikkeling planologisch mogelijk te maken wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Onderdeel van de procedure is een onderzoek naar de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten en het maken van een analyse van de mogelijke effecten op die soorten, als gevolg van de werkzaamheden. Hiervoor is door bureau Els & Linde een oriënterend onderzoek uitgevoerd. Onderzocht is of er effecten op beschermde natuurwaarden zijn te verwachten. Uit de resultaten van het onderzoek is gebleken dat er geen kans is op een verblijfplaats van beschermde soorten en dat er geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig is. Omdat het plangebied voor een deel binnen de huidige begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; in de Provincie wordt het netwerk Natuurnetwerk Brabant genoemd, afgekort als NNB) is gelegen, en in het plan het voornemen is opgenomen deze begrenzing aan te passen, is ook een toetsing aan de regels uit de Provinciale Verordening noodzakelijk.
In het oosten grenst het parkeerterrein aan een plantsoen dat aan de oever van de – ter plekke gekanaliseerde – Dommel ligt. De Dommel en haar oever valt uitdrukkelijk buiten het plangebied. Er is in de uitgevoerde quickscan niet uitgebreid gekeken naar de kans op effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de nabij gelegen het plangebied gelegen planologische beschermde natuurwaarden die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Brabant (NNB).
1.2
Doel van het rapport
Onderhavige notitie betreft een toetsing van de kans op (negatieve) effecten op wezenlijke waarden en kenmerken van de nabijgelegen planologisch beschermde natuurwaarden van het NNB. Daarmee wordt beoordeeld op welke wijze herbegrenzing van de aanduiding EVZ mogelijk is en of de herbegrenzing leidt tot negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden. Er wordt beschreven voor welke doelsoorten het NNB is aangewezen en er wordt inzichtelijk gemaakt of de voorgenomen plannen kunnen leiden tot negatieve gevolgen voor het NNB en de EVZ, en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. De onderzoeksvragen zijn als volgt: Wat zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van de aanwezige NNB en welke doelsoorten zijn aangewezen? Kunnen de voorgenomen plannen een effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van nabijgelegen NNB, de doelsoorten en/of op de werking van de EVZ? En welke maatregelen kunnen genomen worden om (negatieve) effecten te verminderen? Welke kansen zijn er om aanwezige natuurwaarden te verbeteren?
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 is het projectvoornemen kort toegelicht. In hoofdstuk 3 is het kader van de planologische gebiedsbescherming opgenomen, cf. de Verordening Ruimte (geconsolideerde versie, d.d. 2017). In hoofdstuk 4 is de toetsing opgenomen en worden de onderzoeksvragen beantwoord, en is de conclusie opgenomen. Tot slot is een overzicht van de relevante geraadpleegde literatuur opgenomen.
Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
1
Projectgerelateerd
2
PLANVOORNEMEN
2.1
Ligging van het plangebied
Het plangebied ligt tegen het spoor aan in het centrum van de stad (uit: Quickscan Ecologie Stationsweg Eindhoven, Els & Linde bv, d.d. 19 mei 2019). Het parkeerterrein ligt aan de Stationsweg te Eindhoven ten zuiden van het spoor (Figuur 2-1). Het terrein wordt momenteel als parkeerterrein gebruikt.
Figuur 2-1: Ligging van het plangebied (blauw vlak) in het centrum van Eindhoven, aan de Stationsweg. Het plangebied ligt ten zuiden van het Centraal Station, ten noorden van De Effenaar en ten westen van de rivier de Dommel. De ligging en begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland is met rood weergegeven (bron kaart: Quickscan Els en Linde, d.d. 19 mei 2019).
2.2
Beschrijving van het planvoornemen
EDGE Eindhoven (zie ‘Lichthoven fase 2’ in Figuur 2.1) is een stedenbouwkundige ontwikkeling aan de zuidkant van Centraal Station Eindhoven. Het plangebied ligt in het centrum van de gemeente en wordt in grote lijnen begrensd door het spoorwegcomplex (noordzijde), de Stationsweg (zuidzijde), de Dommel (oostzijde) en het parkeerterrein bij het Student Hotel (westzijde) (zie Figuur 2-2). Het gebied maakt deel uit van de herontwikkelingslocatie 'Lichthoven', voorheen ook wel aangeduid als 'Stationslocatie Zuid-Oost'. Het plangebied omvat in ieder geval de gronden die tot ontwikkeling worden gebracht. De tot ontwikkeling te brengen gronden hebben een gezamenlijk oppervlak van 6.120 m2. Aan de oostzijde grenst het projectgebied aan de oever van de Dommel. De Dommel is als ecologische verbindingszone (EVZ) bestemd. Voor de Dommel en in een 50 meter brede zone zijn de gebiedsaanduidingen van toepassing, zoals te zien is in Figuur 2-3. De aanduiding 'Natuur Netwerk Brabant' geldt voor het water van de Dommel. De aanduiding 'Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone' is breder, deze heeft ook betrekking op de gronden ter weerszijden van de Dommel. De breedte van de aanduiding is 50 meter. Het planvoornemen vindt gedeeltelijk plaats binnen de huidige begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
2
Projectgerelateerd
Figuur 2-2: Boven: plangebied en omgeving (Bron: VO+/Omgevingsvergunning door MVSA Architects, 2019); onder: verbeelding behorende bij het bestemmingsplan.
Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
3
Projectgerelateerd
2.3
Ligging ten opzichte van planologisch beschermd gebied
Gebieden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) liggen aangrenzend aan het parkeerterrein. Dit betreft de Ecologische verbindingszone de Dommel. De Dommel is ook binnen de bebouwde kom aangewezen als Natuurnetwerk Nederland. Er vindt door het planvoornemen een wijziging in de begrenzing van de oostelijk gelegen NNB plaats. Het betreft een kleinschalige ingreep. De te herbegrenzen delen van het NNB betreft alléén het deel dat valt binnen de voorgenomen te bebouwen delen van het plangebied. De herbegrenzing heeft daardoor alleen betrekking op een smalle strook aan de meest westelijke rand van de 50 meter zone van het NNB (met rode arcering in Figuur 2-3 weergegeven). Aan de oostgevel van het gebouw wordt een zwevende trap gerealiseerd, welke boven het NNB hangt (zie rood in onderstaand figuur).
Behoud en herstel van watersystemen Natuur Netwerk Brabant ecologische verbindingszone Figuur 2-3: weergave van de van toepassing zijnde begrenzing van het NNB (Natuurbeheerplan, kaartbank.nl).
2.4
Onderzoeksmethode
Bij het opstellen van een bestemmingsplan zijn gemeenten verplicht aansluiting te zoeken bij de wezenlijke ecologische kenmerken en waarden die in het natuurbeheerplan zijn beschreven. De beheertypenkaart en in een ambitiekaart geven actuele waarden en beheertypen aan. Beide kaarten vormen de kern van het natuurbeheerplan. De beheertypenkaart brengt in beeld wat de actuele situatie is. De ambitiekaart geeft de gewenste eindsituatie (ambitie) aan. De wezenlijke waarden en kenmerken zijn per gebied vastgelegd in de bijlage van het natuurbeheerplan. Zolang geen sprake is van een significante aantasting, is er vanwege het NNB geen grond om de activiteit tegen te houden. Wel wordt de activiteit uiteraard nog getoetst aan ander (ruimtelijk) beleid of regelgeving. Naast behoud en ontwikkeling van ecologische waarden en kenmerken streeft de provincie binnen het NNB ook behoud na van cultuurhistorische waarden en andere wezenlijke kenmerken zoals rust en stilte. Voor de toetsing is gebruik gemaakt van een bronnenonderzoek. Uitgangspunt is de uitgevoerde ecologische quickscan van Bureau Els & Linde (d.d. 19 mei 2019) en de natuurbeheerplankaart van de provincie Noord-Brabant (Natuurbeheerplan 2020). De gemeente Eindhoven heeft een Kansenkaart Biodiversiteit gepubliceerd, deze is geraadpleegd.
Daarnaast is door Royal HaskoningDHV een inschatting gemaakt van de mogelijk effecten en externe werking. Er heeft geen aanvullend veldonderzoek plaatsgevonden omdat voldoende gegevens bekend zijn over de wezenlijke kenmerken en waarden van de nabijgelegen EVZ. Wel is voor het voorkomen van verschillende soorten de NDFF geraadpleegd. Tot slot zijn de regels uit de Provinciale Verordening geraadpleegd. Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
4
Projectgerelateerd
3
PLANOLOGISCHE GEBIEDSBESCHERMING
3.1
Natuurnetwerk Brabant
Het Natuurnetwerk Brabant (NNB) is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones (EVZ) met elkaar verbonden zijn (Provincie Brabant, dossier NNB). Hierdoor kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen tussen verschillende natuurgebieden. Zo wordt de biodiversiteit (het totaal aan planten en dieren) bevorderd. Het doel van het NNB-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Deze leefgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten. Om de populaties gezond te houden en de genetische uitwisseling te bevorderen, moeten de gebieden groot genoeg zijn en de mogelijkheid bieden voor migratie tussen de gebieden. Om het NNB als zo`n netwerk te laten functioneren, werkt de provincie samen met andere partijen aan het aanleggen van ecologische verbindingszones en het oplossen van faunaknelpunten in de wegenstructuur. Als de omstandigheden in een bepaald gebied (tijdelijk) verslechteren, dan kan een soort uitwijken naar een ander geschikt gebied. In het licht van de klimaatveranderingen is dit van toenemend belang. De ecologische verbindingszones zijn (vaak) langgerekte landschapselementen die als groene schakels de Brabantse natuurgebieden met elkaar verbinden.
Het Natuur Netwerk Brabant hangt samen met het Natuur Netwerk in de andere delen van Nederland en met het Europese netwerk van natuurgebieden, bekend onder de naam Natura 2000. Het NNB bestaat uit: Bestaande natuur- en bosgebieden; Gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn gronden die met subsidie uit het Natuurbeheerplan zijn gerealiseerd als nieuwe natuur en waar de landbouwfunctie of een andere niet-natuurbestemming is verdwenen; Nog niet gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn meestal agrarische gronden die in het Natuurbeheerplan zijn aangewezen als nieuwe natuur, maar waar de gewenste natuurfunctie nog niet is gerealiseerd. De oude functie of bestemming is nog aanwezig; Ecologische verbindingszones. Het provinciale beleid is erop gericht om het netwerk in 2027 gereed te hebben. Dit wordt in het algemeen bereikt door: Het concreet aanwijzen van de gebieden die tot het NNB behoren en het vastleggen van de natuurdoelen (bepalen); Voor zover nodig functiewijziging van landbouwgrond en ander niet-natuurgebruik naar natuurgebied door aankoop of particulier natuurbeheer (deelname); Inrichten van deze gebieden zodat de natuurkwaliteit (omschreven in natuurdoelen) ontwikkeld kan worden (inrichting); Realiseren van de natuurkwaliteit door een duurzaam beheer en eventueel aanvullend omgevingsbeleid (uitvoering).
De ecologische verbindingszones (EVZ’s) vormen een essentiële bouwsteen van het Natuurnetwerk Brabant. Door groene verbindingen te leggen tussen de natuurgebieden zorgen EVZ’s ervoor dat dieren en planten niet geïsoleerd raken. Externe werking Ook wanneer een activiteit of ontwikkeling plaatsvindt buiten het Natuur Netwerk Brabant (NNB) kan dit aantasting geven van de ecologische waarden binnen het NNB. Dit is in ieder geval aan de orde als een ontwikkeling een negatief effect heeft op de waarden van het NNB vanwege geluid, licht of betreding.
Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
5
Projectgerelateerd
3.2
Toepassen van het “Nee, tenzij”-principe
Het ontwikkelen van ruimtelijke ingrepen die leiden tot significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden is niet toegestaan. Er is een uitzondering mogelijk als er sprake is van een groot openbaar belang en alternatieven aantoonbaar ontbreken. Het ontbreken van alternatieven mag niet zonder meer worden aangenomen. Het tweede lid stelt eisen aan het onderzoek dat daarvoor uitgevoerd moet worden. Voorts gelden er eisen dat de aantasting van waarden zoveel mogelijk wordt voorkomen en gecompenseerd. Als een gemeente onder toepassing van de “Nee, tenzij” een ontwikkeling wil toelaten, doet de gemeente een verzoek tot herbegrenzing van het NNB. Deze eis is opgenomen omdat anders blijvende beperkingen blijven gelden voor de ontwikkeling. Dat is niet wenselijk. Volgens artikel 3.25. van de Interim Verordening zal een bestemmingplan gelegen in het NNB: 1. Strekken tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden; 2. Regels stellen ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken; 3. En bepalen dat zolang het NNB niet is gerealiseerd, de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten.
Voor een wijziging van de begrenzing op verzoek bij kleinschalige ingrepen gelden de volgende voorwaarden: 1. Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing van het Natuur Netwerk Brabant op verzoek van de gemeente wijzigen ten behoeve van een individuele, kleinschalige ingreep. 2. Een verzoek om wijziging van de begrenzing, als bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een bestemmingsplan waaruit blijkt dat: a. de voorgestelde ingreep slechts leidt tot een beperkte aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB in het desbetreffende gebied; b. de voorgestelde ingreep leidt tot een kwalitatieve of kwantitatieve versterking van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB als geheel; c. de voorgestelde ingreep is onderbouwd met een afweging van alternatieven; d. de voorgestelde ingreep vergezeld gaat van zodanige maatregelen dat er sprake is van een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing; e. de uitvoering van de voorgestelde ingreep en de daarbij betrokken maatregelen en de monitoring daarvan zijn verzekerd; f. wordt voldaan aan de regels inzake het compenseren van verlies van ecologische waarden en kenmerken bedoeld in artikel 5.6 (compensatieregels). 3. Artikel 3.2 (kwaliteitsverbetering van het landschap) is niet van toepassing op een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid. 4.
Op een verzoek als bedoeld in het eerste lid is artikel 38.5 (procedure grenswijziging op verzoek) van toepassing. De compensatieregels conform artikel 5.6 houden in dat: 1. De op grond van de verordening verplichte compensatie vindt, naar keuze, plaats door: a. fysieke compensatie, overeenkomstig artikel 5.7; b. financiële compensatie, overeenkomstig artikel 5.8. 2. De omvang van de compensatie wordt bepaald door de omvang van het vernietigde of verstoorde areaal en de ontwikkeltijd van de aangetaste natuur, conform de volgende indeling: a. natuur met een ontwikkeltijd van 5 jaar of minder: geen toeslag; b. tussen 5 en 25 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 1/3 in oppervlak; c. tussen 25 en 100 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 2/3 in oppervlak; d. bij een ontwikkelingsduur van meer dan 100 jaar: de toeslag in oppervlak en de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer is maatwerk; e. bij verstoring van natuur: maatwerk.
Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
6
Projectgerelateerd
3.3
Kleinschalig herbegrenzen
Voor kleinschalige herbegrenzingen is het uitvoeren van een “Nee, tenzij”-toets niet noodzakelijk. Bij deze ontwikkelingen wordt er een beperkte inbreuk gemaakt op de omvang van het NNB en ook de aantasting van natuurwaarden is zeer beperkt. Mogelijk optredende externe effecten (verstoring van de oevers door gebruikers/bewoners van de locatie) moet worden voorkomen. Daarnaast is een voorwaarde voor het met goed gevolg doorlopen van de aanvraag voor een aanpassing van de begrenzing van het NNB dat het plan ook leidt tot een versterking van het NNB. Dit kan bijvoorbeeld doordat er knelpunten worden opgelost of een kwaliteitsverbetering ontstaat naast de verplichte compensatie. De wijze waarop dit gerealiseerd moet worden, dient uitgewerkt te worden. Reikwijdte van de begrenzing NNB De op de kaart opgenomen aanwijzing van het NNB heeft een grotere reikwijdte dan alleen de oevers en de Dommel en een deel van de projectlocatie valt onder de regels die in artikel 11 behorende bij deze aanduiding zijn gesteld. In dat artikel is bepaald dat een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Natuur Netwerk Brabant – ecologische verbindingszone' strekt tot de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone met een breedte van ten minste 50 meter in bestaand stedelijk gebied en zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling.
De begrenzing is in dit geval onjuist omdat de ecologische verbindingszone al is gerealiseerd maar de aanduiding 'Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone' is breder dan de gerealiseerde EVZ. De begrenzing is tevens geprojecteerd op gronden die geen deel van de EVZ uitmaken. Artikel 11 behorende bij deze aanduiding bepaalt dat een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone' strekt tot de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone en dat het bestemmingsplan regels stelt voor zover dat nodig is om te voorkomen dat het gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone. De gronden buiten de gerealiseerde EVZ hebben geen functie in het behoud en het beheer van de EVZ en ontwikkeling van de gronden buiten de gerealiseerde EVZ leidt er niet toe dat het gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone. Om die reden wordt de provincie verzocht de EVZ te herbegrenzen1. De grondslag en bijkomende voorwaarden voor deze herbegrenzing zijn opgenomen in artikel 5.3, Lid 1 IOV.
1
Toelichting op het Bestemmingsplan Lichthoven, fase 2, voorontwerp, d.d. 13 februari 2020.
Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
7
Projectgerelateerd
4
TOETSING
4.1
Ecologische verbindingszone De Dommel
De provincie Noord-Brabant heeft enkele modellen voor ecologische verbindingszones uitgewerkt (Groene Schakels, Provincie Noord-Brabant). Voor de Dommel is het model ‘Nat Kralensnoer’ van toepassing. Het model Nat Kralensnoer verbindt gebieden waarin soorten leven die natte en vochtige omstandigheden nodig hebben. Het Nat Kralensnoer is opgebouwd uit een corridor met stapstenen en ziet er daardoor uit als een kralensnoer. Ecologische verbindingszones zijn opgebouwd uit één of meerdere bouwstenen. Bouwstenen voor het Nat Kralensnoer zijn: poel, moeras, grasland, struweel en bos. Omdat de zone meestal gerealiseerd wordt langs een waterloop of beek, is er in principe altijd een smalle corridor aanwezig, die bestaat uit de waterloop met zijn oevers. Hoewel de ecologische verbindingszone ter hoogte van het plangebied reeds is gerealiseerd en de gerealiseerde onderdelen niet samenvallen met het plangebied, blijft de juridische werking van het werkingsgebied ‘NNB ecologische verbindingszone’ van toepassing.
4.2
Beheertype N03.01 Beek en bron, en doelsoorten
De Dommel maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De natuurbeheerplannen zijn ook via de viewer van provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Hierop is nabij het plangebied alleen de loop van de Dommel aangewezen als het natuurdoeltype N03.01 Beek en bron. Het beheertype N03.01 Beek en bron omvat bronnen en stromend water met bronmos, bronkruid, beekstaartjesmos, waterranonkels, sterrekroossoorten, vederkruiden, waterviolier en enkele fonteinkruiden. De aangewezen doelsoorten zijn dus watergebonden planten zoals de fonteinkruiden. Dergelijke vegetaties zijn erg variabel in bedekking, ook binnen één seizoen. Omringend water en zandbanken zonder deze soorten wordt ook tot het beheertype gerekend (info beheertypen, Atlas.Brabant.nl; zie Figuur 4-2).
Figuur 4-2: Uitsnede van het natuurbeheerplan (kaartbank.brabant.nl), de loop van de Dommel is aangewezen als het natuurbeheertype N03.01 Beek en bron, en maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Brabant.
4.3
Aangewezen natuurdoeltype en natuurbeheertype van het NNB
Op de kansenkaart biodiversiteit staat aangegeven welke soorten in potentie, bij een juiste inrichting en beheer, kunnen voorkomen. Op de kansenkaart zijn voor de groene gebieden in de stad natuurdoeltypen aangewezen. Voor de parkeerplaats en omgeving zijn geen natuurdoeltype benoemd. De natuurdoeltypen bevinden zich, op het Dommelplantsoen ten zuiden van de Dokter Schaepmanlaan na, allen buiten het centrum (begrenst door de binnenring) van Eindhoven (Figuur 4-3).
Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
8
Projectgerelateerd
Figuur 4-3: Uitsnede van de kansenkaart biodiversiteit Eindhoven, te zien is dat in het centrum van Eindhoven, begrenst door de binnenring, alleen in het zuiden (in het Dommelplantsoen) natuurdoeltypen zijn aangewezen. In de directe omgeving van het plangebied (blauw vlak) zijn geen natuurdoeltypen aangewezen.
4.4
Wezenlijke kenmerken en waarden
Huidige inrichting Het plangebied zelf bestaat uit een parkeerterrein. Dit terrein is volledig geasfalteerd. De gehele Dommel alsook de oever tussen het water en het parkeerterrein vallen buiten het plangebied en blijven in haar huidige vorm en kwaliteit aanwezig. Ook voor een eventueel bouwdepot wordt geen ruimtebeslag gelegd op terreinen met door de provincie aangewezen natuurbeheertypen of direct aangrenzende oevers of andere groenstroken (zie Figuur 4-4 en 4-5). Het voorgenomen plan legt een klein ruimtelijk beslag op de zone begrenst zijnde EVZ binnen het NNB. Daarnaast wordt aan de oostgevel van het gebouw een zwevende trap gerealiseerd, deze trap hangt boven gebied begrenst zijnde EVZ. De trap raakt het maaiveld niet. Het nu aanwezige bankje zal verdwijnen. Aanwezige natuurwaarden De natuurwaarden zijn in het stedelijk gebied gelegen. In opdracht van Waterschap De Dommel is in 1999 door Tauw een visie opgesteld voor de ecologische verbindingszone Dommel in Eindhoven in de vorm van het Toetsingskader Stadsdommel Eindhoven (zie bijlage). Er zijn knelpunten vastgesteld voor het functioneren van de Dommel en haar oevers als ecologische verbindingszone, zoals een niet-optimale waterkwaliteit, niet voldoende variantie in de opgaande structuren, niet-passeerbare stuwen, bruggen en duikers voor aanwezige dieren en beheer dat niet is afgesteld op de aanwezige natuurwaarden.
Inmiddels zijn veel van dezer knelpunten door het waterschap opgelost. In dit toetsingskader zijn een aantal oplossingsrichting aangegeven die specifiek van toepassing zijn op de oever ten oosten van het plangebied voor de ontwikkeling van Lichthoven. Dit zijn 1) het aanpassen van de oever, aanleg van een natuurvriendelijke oever, eventueel met vooroever van stort- of breuksteen en 2) het aanbrengen van looprichels/doorlopende oevers onder brug Stationsweg en duiker onder NS-station (aangrenzend aan plangebied). Dit is reeds in 2013 door Waterschap De Dommel gerealiseerd.
Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
9
Projectgerelateerd
Figuur 4-2: Impressie van het plangebied tijdens het veldbezoek van Bureau Els & Linde, d.d. 9 mei 2019 (bron afbeelding: quickscan Els & Linde, d.d. 19 mei 2019, blz. 6, achter bankje). Met het oranje vlak is de begrenzing van en het ruimtebeslag op het NNB, zoals deze in de bestaande situatie is verbeeld, weergegeven. Dit is gebaseerd op de opgenomen begrenzing van het NNB op de verbeelding van het plangebied (Figuur2-2, onder). De berm rechts van het vlak is en blijft begrenst als NNB.
Figuur 4-5: Impressie van het plangebied, ingang van de parkeerplaats, rechts de groenstrook, bomen en oever, welke binnen de EVZ begrensd zijn (bron: googlemaps, opnamedatum maart 2019).
Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
10
Projectgerelateerd
Uit de notitie is te concluderen dat er in de gerealiseerde situatie aanwezig is: De natuurvriendelijke oever met vooroever van breuksteen met beoogde toekomstige uitstroom Nieuwe Gender. De oeverstrook is weelderig begroeid en biedt beschutting aan dieren; Het natuurvriendelijk grasland, door aanpassing van het maaibeheer (extensief maaien); Een breukstenen drempel in de Dommel, dit is één van de vis-passeerbare drempels die zijn aangelegd ter vervanging van de stuw die in het verleden benedenstrooms het NS-station in de Dommel stond. (Aangrenzend aan onderhavig plangebied) de looprichels onder brug Stationsweg en in de duiker onder het NS-station in de vorm van, op zware kwaliteit beugels opgehangen, vocht- en weerbestendige loopplanken die tussen de opstaande randen zijn opgevuld met zwarte grond. Uit de Uitsnede uit definitief ontwerp project Dommel Natuurlijk Schoon in de notitie is op te maken dat het aanwezige asfalt geen onderdeel is van de groene waarden in de EVZ. Het aangrenzende grasveld is bestemd als ‘natuurlijk grasland’, welke extensief beheerd wordt. In de onderstaande afbeelding is de overzicht wintersituatie gerealiseerde EVZ in februari 2019 te zien. Daarin is het ruimtebeslag indicatief weergegeven (Figuur 4-6, uit de Notitie gerealiseerde Evz Dommel bij Lichthoven, juli 2019).
Figuur 4-6: Evz Dommel Lichthoven februari 2019, overzicht wintersituatie gerealiseerde EVZ (bron Notitie gerealiseerde Evz Dommel bij Lichthoven, juli 2019). Ruimtebeslag terreinbegrenzing is met een oranje vlak indicatief weergegeven.
4.5
Functies van de EVZ en doelsoorten
In het rapport Dommel door Eindhoven tot Wilhelminakanaal van Waterschap de Dommel (2008) is een ontwerp opgesteld voor de EVZ door het dichtbebouwde en -bevolkte centrum van Eindhoven. De inrichting van de EVZ Dommel door Eindhoven is reeds gerealiseerd. De EVZ Dommel door Eindhoven heeft de volgende functies (Staro, 2017): Leefgebied voor mobiele beekoever-soorten als vlinders (moerasvegetaties), libellen en broedvogels. Voor deze soorten zijn leefgebieden ingericht binnen de EVZ, zodat deze dieren meer verblijfsruimte en betere migratiemogelijkheden krijgen. Migratieroute voor zoogdieren met als doelsoort de bunzing. Deze soort, is voldoende mobiel om de EVZ te kunnen overbruggen. Daarbij rekening houdend met alle barrières onderweg en de geringe aanwezigheid van leefgebied.
Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
11
Projectgerelateerd
In het onderstaande kader zijn voor deze soorten, met uitzondering van de plantensoorten en (beek)vissen, de belangrijke kenmerken en biotoopeisen overgenomen (uit Toetsingskader Stadsdommel Eindhoven, voor ecologische inrichting en optimaal waterbeheer, 1999). Genoemde indicatorsoorten voor de EVZ zijn: waterspitsmuis, bunzing, franjestaart, ijsvogel, geelsprietdikkopje, duizendknoopfonteinkruid, dotterbloem, langbladige ereprijs, kamsalamander, alpenwatersalamander, beekoeverlibel, (beek)vissoorten.
Kader: kenmerken, habitat- en migratie-eisen van de indiocatorsoorten EVZ Dommel
Waterspitsmuis Muisachtige. Nestmogelijkheden langs het water zijn een ‘must’ omdat dit de enige plaats is waar de juvenielen kunnen overleven. Ruige oevervegetaties gewenst met zo extensief mogelijk beheer. Stelt eisen aan de waterkwaliteit: helder, stromend water is een vereiste. Minimumareaal van een individu <2 ha, van een populatie 10-20 ha. Water breder dan 200 meter is een barrière evenals een breedte van weg+berm >20 meter. Bunzing Marterachtige. De soort kan zich goed handhaven in halfopen landschap met bosjes van 30-90 ha en park/kleinschalig landschap; ook in stedelijk gebied met parken. Jacht- en rustgebied zijn gescheiden. Loopstroken onder bruggen dienen het liefste breder te zijn dan 60 cm en dekking te bieden. Minimumareaal 100-200 ha, maximaal 1.250 ha. Bunzing heeft, in tegenstelling tot een soort als de steenmarter, een voorkeur voor waterelementen, omdat amfibieën een belangrijk deel van het menu uitmaken. Franjestaart Vleermuis. Biotoop van de soort bestaat uit licht beboste gebieden en rivierdalen. Jachtgebied bestaat uit markante punten (open plek, kruising van wegen, kolken, vijvers, etc.). Verplaats zich via lijnvormige elementen (vast traject!). gaat eerst drinken (waterplassen) alvorens op jacht te gaan. Vlieghoogte 1,5 tot 6 (maximaal 16) meter. Maximale trekafstand 62 km, meestal over (veel) kleine afstanden.
Slaapplaatsen langs verbindingszones gewenst (holle bomen, spouwmuren, vleermuiskasten). IJsvogel Algemene broedvogel. Komt voor in beboste gebieden met beken en stroompjes. Zoekt voedsel (stekelbaars, pos, rivierdonderpad, salamanders, libellenlarven en kikkervisjes) tot op 4 km vanaf nest in heldere, niet te snel stromende beken met overhangende takken. Jongen vliegen uit tot circa 50 km vanaf het nest. Steile, rustige oevers zijn gewenst (>1 meter hoog). Areaal tot 25 ha. Kamsalamander Amfibie. Grootste in Nederland voorkomende salamander. Voorkeur voor kleinschalige, gevarieerde landschappen op klei- en leemgrond. Afstand tussen leefgebieden 300-400 meter. Voor salamanders geldt in zijn algemeenheid dat een afstand van enkele honderd meters overbrugbaar is (van poel tot poel). Hangt mede af van ‘weerstand’ van het tussenliggende gebied. Alpenwatersalamander Amfibie. Biotoop: water met weinig begroeiing in licht glooiend, bosrijk gebied. Minimumareaal: 50 ha. Voorkeur voor lemige bodems. Soort kan ook voorkomen in wat zuurdere typen water, zoals vennen. Afstand tussen leefgebieden 300-400 meter. Beekoeverlibel Ongewervelde. Larven leven één of meerdere jaren onder het wateroppervlak tussen de waterplanten op op/in de bodem. Oevervegetatie is in de voortplantingsperiode vooral van belang. Daarom in mei, juni en juli niet maaien van de oevervegetatie.
Geelsprietdikkopje Vlinder. Stand-vlinder in verruigde graslanden en bossen waar droge en natte delen elkaar afwisselen. In juni, juli en augustus (‘vliegtijd’) zijn met name de droge delen van belang. Meer dan 50% van de vegetatie is mozaïekvorm, de rest is vooral lijnvormig. Waardplanten: Timotheegras, gladde witbol, kweek en boskortsteel. Voedselplanten: braam, akkerdistel, Jacobskruiskruid, langdradige ereprijs, wilgenroosje en vogelwikke. Maximaal af te leggen afstand 250 meter. Niet maaien van vegetatie in mei en juni.
Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
12
Projectgerelateerd
Voorkomen van doelsoorten Niet alle voor de EVZ aangewezen doelsoorten komen voor nabij het plangebied voor de ontwikkeling van Lichthoven fase 2. Het voorkomen van waterspitsmuis nabij de locatie is uitgesloten, omdat geen voor de soort geschikte (riet)ruigte aanwezig is. Het ingerichte deel van de oever is niet van voldoende omvang om te functioneren voor waterspitsmuis. De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. De bunzing is vooral nachtactief. De soort is niet vaak vermeld in de geraadpleegde verspreidingsgegevens. Van bunzing is niet bekend of de soort voorkomt, er zijn slechts beperkt waarnemingen bekend (van verkeerslachtoffers, in de bouwde kom van Eindhoven). Bunzingen maken gebruik van grote jachtgebieden, het is daardoor niet uitgesloten dat de soort zich langs de oevers van de Dommel verplaatst of zelfs gebruik maakt van groene delen van de oevers om te jagen. Het behouden van holle bomen, ‘overhoekjes’ en andere kleinschalige landschapselementen zijn goede maatregelen die er voor zorgen dat de bunzing voldoende schuilplaatsen heeft. Er worden voor het voornemen geen effecten verwacht voor bunzing waardevolle elementen. Franjestaarten zijn in Nederland tamelijk zeldzaam.
Hij is vooral aan bosrijke omgeving en kleinschalig landschap gebonden en kan in dergelijke gebieden vrij algemeen zijn. Waarnemingen van jagende franjestaarten zijn bekend van bosrijke gebieden met waterpartijen of waterrijke gedeelten. Vanwege het verspreidingsgebied wordt het voorkomen van franjestaart (vleermuis) in de bebouwde kom van Eindhoven niet verwacht; de soort is wel in 2016 waargenomen op De Ruyrter van Steveninckkazerne, aan de noordoostzijde van Eindhoven (richting Oirschot). Het voorkomen van vleermuizen in het centrum van Eindhoven is ook bekend. Bijzonder is de vastgestelde slaapplaats van watervleermuizen onder de spoorwegdoorgang (waarneming uit 2010; NDFF). In 2017 heeft de Gemeente Eindhoven maatregelen getroffen om aanwezige vliegroutes van vleermuizen langs de Dommel ter hoogte van de Kanaalstraat te verbeteren. Hiervoor is door Bureau Maasarend een vleermuisinventarisatie uitgevoerd. Het onderzoek is volgens de voorschriften voor het in kaart brengen van vliegroutes van ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en watervleermuis uitgevoerd. Er zijn alleen migrerende en overvliegende watervleermuizen en gewone dwergvleermuizen waargenomen (Maasarend, 2017). Het is te verwachten dat deze soorten ook boven de Dommel ter hoogte van de Stationsweg over de beek vliegen/foerageren.
Kamsalamanders planten zich voort in stilstaande wateren, zoals poelen, en komen voor in visvrije wateren. De soort is op verschillende locaties ten noordoosten in de bebouwde kom van Eindhoven waargenomen. Het betreft voornamelijk waarnemingen rondom de Karpendonksche Plas. De soort wordt niet in de Dommel in Eindhoven verwacht. Alpenwatersalamanders zijn niet kieskeurig wat betreft zijn voortplantingsbiotoop. In het voorjaar is hij in allerlei typen water te vinden, zolang het niet snel stromend of rijk aan vis is. Het voorkomen van deze soort is daarom niet uitgesloten, er zijn daarnaast verschillende waarnemingen binnen de stedelijke bebouwing van Eindhoven bekend. De beekoeverlibel is familie van de korenbouten en is vrij zeldzaam. Het achterlijf is smaller dan van de gewone beekoeverlibel en de zuidelijke oeverlibel. De Beekoeverlibel wordt in Nederland voornamelijk aangetroffen in vochtige heidevegetaties, zwak stromende kleine beken en kleine plassen en sloten. De voortplantingsbiotoop staat onder invloed van kwel (Buchwald 1989a). Het water mag niet te voedselrijk zijn en een hoge watertemperatuur is noodzakelijk (Clausnitzer 1988). Binnen de bebouwde kom van Eindhoven zijn op basis de geraadpleegde gegevens geen waarnemingen van het voorkomen van de soort nabij de Dommel in de bebouwde kom van Eindhoven bekend.
Geelsprietdikkopje is een moeilijk te herkennen vlindersoort. Een bedreigde standvlinder die vooral voorkomt in het oosten van het land (vooral Drenthe, de Veluwe en Zuid-Limburg); in de duinen en op kleigrond schaars. Het verspreidingsbeeld wordt gedeeltelijk vertroebeld door verkeerde determinaties (vaak verwarring met het zwartsprietdikkopje).Er zijn geen bekend waarnemingen.
Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
13
Projectgerelateerd
Daarnaast kan de ‘bijzondere’ broedvogels, als bijvoorbeeld grote gele kwikstaart voorkomen (in 2016 territorium-indicerend waargenomen; uit de reactie voorontwerp bestemmingsplan door Waterschap De Dommel). De oevers en aanwezige opgaande begroeiingen langs de Dommel zijn geschikt voor (water)vogels om tot broeden te komen. Er blijft voldoende broedgelegenheid langs De Dommel beschikbaar.
4.6
Effectbeoordeling op de natuurwaarden
4.6.1
Ruimtelijk beslaglegging op het NNB
De huidige begrenzing is illustratief opgenomen in Figuur 2-3 (inclusief de trap boven de NNB), Figuur 4-4 en Figuur 4-6. Door het projectvoornemen wordt een ruimtelijk beslag gelegd op een klein deel dat binnen de begrenzing van het NNB is gelegen. Kwalitatief betekent dit dat door de voorgenomen ingreep een zeer klein deel van het aanwezige grasveld verdwijnt. Het overige deel dat niet langer als NNB begrenst kan worden is geasfalteerd en heeft geen natuurwaarde. Er zijn hier geen bijzondere of beschermde natuurwaarden in aanwezig of te verwachten. Het fysieke ruimtebeslag (inclusief de zwevende trap) leidt derhalve niet tot het optreden van knelpunten waardoor de aangewezen doelsoorten van het EVZ significante hinder ondervinden, en/of niet meer in of van het EVZ gebruik kunnen of zullen maken. Het nemen van mitigerende maatregelen is niet noodzakelijk. Wel dient de inrichting van het terrein aan te sluiten op de aanwezige natuurwaarden, en deze waar mogelijk te versterken.
4.6.2
Verstoring (bouw-, graafactiviteiten, geluid)
Indirecte effecten (externe werking) als gevolg van verstoring door licht, geluid en menselijke aanwezigheid in de aanlegfase worden niet zondermeer verwaarloosbaar geacht, ondanks dat het gebied in de huidige situatie overdag ook intensief gebruikt wordt en verstoring door licht en geluid alom aanwezig zijn in deze intensief stedelijke omgeving. De uitvoering van de werkzaamheden tijdens de aanlegfase van het project kan leiden tot verstoring van de nabijgelegen natuurwaarden. Dit kan van invloed zijn op het voorkomen van doelsoorten van het EVZ. Er wordt in de volgende paragraaf ingegaan op of effecten optreden en welke maatregelen genomen moeten worden om negatieve effecten te voorkomen, dan wel zo veel als mogelijk te mitigeren.
4.6.3
Effecten door gewijzigd gebruik van het plangebied (externe werking)
Het in de huidige situatie begrensde deel van het NNB bestaat uit een klein stukje van het grasgazon, de stenen en bestrating en het asfalt van de parkeerplaats. Doordat het plangebied een gemengde bestemming krijgt, kunnen de volgende effecten optreden: Er kan mogelijk/meer lichtuitstraling plaatsvinden op het NNB en de opgaande groenstructuren; Er zal meer verstoring als gevolg van meer activiteiten en aanwezigheid van mensen nabij de EVZ, bijvoorbeeld door optische verstoring en/of verstoring door geluid zijn aan de rand van het NNB, en verstoren daardoor voor dieren geschikte broedlocaties of rustplaatsen in de oeverzone. Het beoogde (nieuwe) gebruik van het plangebied kan leiden tot verstoring van de nabijgelegen natuurwaarden. Dit kan van invloed zijn op het voorkomen van doelsoorten van het EVZ. Er wordt in de volgende paragraaf ingegaan op of effecten optreden en welke maatregelen genomen moeten worden om negatieve effecten te voorkomen, dan wel zo veel als mogelijk te mitigeren.
4.6.4
Degradatie van gerealiseerde elementen, faunavoorzieningen
Eventueel gerealiseerde (fauna)voorzieningen, bijvoorbeeld faunarichels onder de tunnels langs de waterloop (die gebruikt kunnen worden door grondgebonden zoogdiersoorten om zich te verplaatsen) worden niet aangetast. Ook de inrichting van de natuurvriendelijke oever wordt niet gewijzigd. Het planvoornemen heeft geen invloed op de inrichting van deze zone, dit blijft in haar huidige vorm aanwezig.
Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
14
Projectgerelateerd
De aangebrachte voorzieningen zijn robuust en behoeven niet aangepast/verbeterd te worden. Een kans om de werking van de voorzieningen te verbeteren zijn er niet. Het is wel goed om de functie te monitoren, maar dit valt buiten de scope van onderhavig project.
4.6.5
Bemaling op de waterstand
Het kan nodig zijn om gedurende de uitvoeringsfase te bemalen. Omdat de Dommel continu een wisselende hoeveelheid water voert, heeft deze een sterk effect op de lokale (freatische) grondwaterstand, zeker in terreinen op enkele tientallen meters vlak langs de rivier. Verwacht wordt dat in perioden met normale neerslaghoeveelheden voldoende tegendruk wordt gegeven vanuit de Dommel dat terreinen die horen bij de EVZ langs de Dommel (inclusief de Dommel zelf) geen verdrogend effect ondervinden. Verder zijn er in de huidige situatie geen verdrogingsgevoelige natuurwaarden aanwezig, gezien de huidige inrichting van het onderhavige perceel (verharding, grenzend aan grasland en bomen, zie Figuur 4-4) Tot slot zijn er geen indicaties voor andere negatieve effecten tijdens zowel de gebruiks- als de aanlegfase door bemaling.
4.7
Mitigerende maatregelen
In de voorgaande paragraaf is beschreven of (negatieve) effecten kunnen optreden op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB, de EVZ De Dommel. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten door de bemaling of op de in de EVZ aanwezige faunavoorzieningen (looprichels). Onderstaande is voor de (mogelijk) optredende effecten beschreven welke maatregelen er genomen worden of genomen kunnen worden. Ook worden kansen benoemd om de EVZ en/of natuurwaarden te versterken. De rapporten zijn voor de volledigheid opgenomen in de bijlagen, en maken integraal onderdeel uit van het planvoornemen.
4.7.1
Herbegrenzing van het NNB
De ruimtelijke beslaglegging op het NNB leidt niet tot een aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden. Het is wel een voorwaarde de inrichting van het terrein aan te laten sluiten op de aanwezige natuurwaarden, eventueel de doelsoorten van het EVZ, en deze waar mogelijk te versterken (zie paragraaf 4.8).
4.7.2
Verstoring tijdens de aanlegfase (bouw-, graafactiviteiten, geluid)
Aanwezige natuurwaarden die in het deel dat tussen het plangebied en de waterloop van de Dommel gelegen zijn, mogen niet verstoord worden, zowel in de aanleg- als gebruikersfase. Indien dat nodig is, worden maatregelen opgenomen waarmee dit uitgangspunt geborgd wordt. Werken buiten kwetsbare (voortplantings)periode Het bouwrijp maken van het terrein (inclusief het verwijderen van het omliggende groen en eventueel te kappen bomen), dient uitdrukkelijk te gebeuren buiten het voortplantingsseizoen. Er is geen vaste periode in de wet vastgelegd, globaal loopt de broedperiode van half maart tot half juli. Voorkomen van betreding van de EVZ Er wordt niet in of aan de oeverzone tussen de Dommel en het plangebied gewerkt, en ook tijdens de aanlegfase van het project blijft dit deel gevrijwaard. Ook voor een eventueel bouwdepot wordt geen ruimtebeslag gelegd op door de provincie aangewezen natuurbeheertype of direct aangrenzende oevers of andere groenstroken). Voorkomen van verstoring van (foeragerende/overvliegende) vleermuizen Vleermuizen zijn in de nacht actief. Indien werkzaamheden plaatsvinden gedurende de nacht, welke (bijvoorbeeld in het kader van veiligheid) verlicht worden, kan dit leiden tot verstoring. In de duiker over de Dommel is een slaapplek van watervleermuis bekend.
Watervleermuizen vliegen vaak laag over wateren om te foerageren en zich te verplaatsen tussen de slaapplek en het foerageergebied. Indien licht uitstraalt op de EVZ en het water van de Dommel, leidt tot dit tot verstoring van de aanwezige vleermuizen, omdat zij het licht willen vermijden. Om dit te voorkomen, dienen geen werkzaamheden gedurende de nacht
Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
15
Projectgerelateerd
uitgevoerd te worden. Wanneer dit wel gebeurt, kan dit alleen met objectgerichte verlichting gebeuren, waarbij als absolute voorwaarde geldt dat geen -onnodige- verlichting uitstraalt op de EVZ en het water.
4.7.3
Verstoring tijdens de gebruiksfase (activiteit, verlichting)
Doordat het plangebied een gemengde bestemming krijgt, kan lichtuitstraling plaatsvinden op het NNB en de opgaande groenstructuren en is het daarnaast mogelijk dat (meer) verstoring als gevolg van meer activiteiten en aanwezigheid van mensen nabij de EVZ, bijvoorbeeld door optische verstoring en/of verstoring door geluid zijn aan de rand van het NNB, en verstoren daardoor voor dieren geschikte broedlocaties of rustplaatsen in de oeverzone optreedt. Voorkomen van betreding van de EVZ De EVZ dient gezien te worden als een natuurgebied en niet toegankelijk gemaakt te worden voor bewoners/wandelaars of passanten om te betreden. In het ontwerp is hierin voorzien door het aanbrengen van een fysieke afscheiding (zie figuur 4.7) Daarnaast is er een hoogteverschil tussen de bebouwing (parkeergarage en terraszone) en het maaiveld aan de zijde van De Dommel, wat ook betreding van de EVZ voorkomt. Tot slot wordt er aan de zijde waar de EVZ grenst aan de Stationsweg een hek gerealiseerd.
Figuur 4-7: fysieke afscheiding EVZ (bron: Voorlopig Ontwerp Buitenruimte, Buitenruimte Lichthoven fase 2, Edge Eindhoven, door Bureau ZUS. 20 mei 2020).
De fysieke afscheiding zorgt er ook voor dat vogels kunnen broeden en zich terug kunnen trekken bij gevaar. In de huidige situatie hebben vogels geen broedgebied in het plangebied, alleen aan de randen en in de oeverzone. In de toekomstige situatie worden verschillende nestkasten (zie bijlage 3: notitie BREEAM Nieuwbouw kantoorgebouw Stationsweg te Eindhoven) gerealiseerd voor broedvogels. Daarnaast kunnen algemene broedvogels foerageren, bijvoorbeeld op insecten of bessen. Het plangebied wordt daarmee geschikt voor broedvogels. Onnodige verlichting beperken (vleermuizen en broedvogels) Met verlichting van het terrein, en in het bijzonder de uitstraling daarvan op EVZ De Dommel, dient rekening te worden gehouden met onder andere de doelsoorten vogels en vleermuizen. Vogels binnen het stedelijk gebied zijn voornamelijk dag-actief en daarom gevoelig voor nachtelijke verlichting van het leefgebied. Vleermuizen zijn in meerdere of mindere mate gevoelig voor licht. Licht-mijdende vleermuissoorten zijn grootoorvleermuizen en Myotis-soorten, zoals watervleermuis en franjestaart. In de overbrugging van het Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
16
Projectgerelateerd
spoor over de Dommel is een slaapplak van watervleermuis vastgesteld, het is dus bekend dat zij in de omgeving voorkomen. Van watervleermuis en gewone dwergvleermuis is daarnaast bekend dat zij foerageren boven de Dommel. Uitgangspunt met betrekking tot het aanbrengen van verlichting, bijvoorbeeld langs wandelpaden (ook in de zone parallel langs het spoor in het plangebied) of parkeerplaatsen, moet zijn dat de verlichting laag en objectgericht wordt geplaatst. Er dient daarnaast geen gevelverlichting en boomkruinverlichting te worden toegepast. Er mag geen verlichting uitstralen op het water van de Dommel.
4.8
Kansen
Onderstaand wordt ingegaan op de inpassing van de natuurwaarden en de voorzieningen die aangebracht worden. Inpassing van natuurwaarden, versterking van mogelijkheden voor natuur Voor de buitenruimte van Lichthoven fase 2 is door Bureau Zus een voorlopig ontwerp voor de buitenruimte opgesteld (Bureau Zus, 2020; zie bijlage). Op basis van afstemming en afweging van verschillende scenario’s met Gemeente Eindhoven is in februari 2020 een visie opgesteld voor de publieke buitenruimte van Lichthoven. De visie ‘pocketpark met stadssingel’ gaat uit van een sterke verankering aan de Dommelzone met vergroening en routes. Er worden natuur-inclusieve maatregelen opgenomen in de uitwerking van het ontwerp van de gebouwen en de inrichting van het plangebied. De visie voor de buitenruimte van Lichthoven gaat uit van een zo’n groen mogelijke inrichting van het parkeerdek en strook langs het spoor in aansluiting op de Dommelzone. Hiermee sluit dit ‘pocketpark’ aan op de groenstructuur van parken en tuinen langs de Dommel en de groene wiggen van Eindhoven langs Dommel en Spoor. Hiermee wordt het verlies van de groenwaarden in de strook die begrenst is zijnde NNB, in het plangebied gecompenseerd. Een dergelijke inrichting van de buitenruimte versterkt daarnaast de EVZ, doordat op deze wijze een nieuwe ‘steppingstone’ gecreëerd wordt.
In de lagere groenborders van het parkeerdek en op de dakterrassen komt onderbeplanting van vaste planten en een bloemrijk graskruidenmengsel. Inheems bloemenmengsel D2 voor ecologische dakbegroeiing met eenjarige, tweejarige planten, vaste planten en grassen. Naast nectar biedt dit mengsel een aantal planten die van belang zijn als waardplant voor vlinders. Het mengsel is zorgvuldig samengesteld voor het extreme klimaat dat daken beheerst: droogte, hitte, wind, zon. Daarbij zijn alle genoemde bloemetjes in het mengsel niet zo tolerant voor droogte als de veelbeproefde Sedumsoorten. Drie inheemse Sedum-soorten zijn onderdeel van het mengsel. Aanbrengen van voor doelsoorten geschikte verblijfsmogelijkheden Het planvoornemen wordt tevens beoordeeld in het licht van BREEAM. BREEAM staat voor Building Research Establishment Environmental Assessment Method. BREEAM-NL is een beoordelingsmethode om de duurzaamheidprestatie van gebouwen te bepalen. Een hoge BREEAM-score is van invloed op zowel de waarde, als op het groene imago van het gebouw en zou bovendien van invloed zijn op een gezondere en productievere werk- en leefomgeving. EDGE Technologies streeft de score “Exellent” na (ATKB, 2019, zie bijlage). Er worden meerdere inrichtingsmaatregelen uitgevoerd ten behoeve van het medegebruik van het terrein door inheemse plant- en diersoorten.
Voor de aangewezen doelsoort van de EVZ, de ijsvogel, wordt een ijsvogelbroedwand voorgesteld, voor diverse vleermuissoorten worden er kasten aangebracht. Voorzien is in een advies ten aanzien van het aanplanten van inheemse heesters en het plaatsen van insektenhotels. Voor algemene broedvogels worden er nestkasten aangebracht. Dit leidt tot een verbetering ten aanzien van de huidige natuurwaarden (verhardingen in gebruik als paarkeerplaats), en compenseert dit voor het verloren gaan van de strook en kleine oppervlakte grasveld. De kansen om natuurwaarden in het plangebied te realiseren zijn in het ontwerp geïntegreerd. Uitgangspunt is dat de voorzieningen zoals opgenomen in de BREAAM-notitie ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Omdat dit onder de BREEAM-certificering valt, worden de voorzieningen ook onderhouden en bij verval
Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
17
Projectgerelateerd
vervangen, wat inhoudt dat soorten duurzaam gebruik kunnen maken bij het juiste onderhoud van de voorzieningen. Een ter zake kundige ecoloog dient hierop toe te zien. Gefaseerd beheer van de EVZ toepassen (buiten scope) De meeste vlinders leven van nectar. Behalve nectar uit bloemen eten sommige vlinders nog ander voedsel. Naast de frequent gemaaide delen gazon in de tuin zijn stukken bloemrijk grasland aanwezig als nectarbron voor vlinders. De meeste vlinders leggen hun eitjes op planten die later door de rups gegeten zullen worden: de waardplant van de vlinder. Meestal zijn dit wilde plantensoorten, maar ook sommige gecultiveerde planten worden als waardplant gebruikt. Gefaseerd maaien en onderhouden van het groen en de planten op de oevers van de Dommel is belangrijk. Bij het gefaseerd uitvoeren moet een deel van de vegetatie ongemoeid blijven, dit deel wordt bij de volgende ronde meegenomen. In dit kader is niet erg als zich ook, langs de oevers, brandnetels (geschikt voor soorten als kleine vos, landkaartje en atalanta), grassen (geschikt voor rupsen van bruin zandoogje) overblijven. Monitoring faunavoorzieningen (buiten scope) De aangebrachte voorzieningen zijn robuust en behoeven niet aangepast/verbeterd te worden.
Omdat de bunzing is aangewezen als doelsoort van de EVZ, is het nuttig om het gebruik van de voorzieningen door fauna te laten monitoren (en eventueel aan te passen op de eisen die waargenomen soorten stellen). Hierdoor wordt kennis verkregen over de daadwerkelijk aanwezigheid van (beschermde) soorten in dit deel van de EVZ, op een plek die erg nauw is en ingekaderd wordt door de stedelijke bebouwing, om eventuele knelpunten in beeld te brengen en waar mogelijk op te lossen.
Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
18
Projectgerelateerd
5
CONCLUSIE
De gehele Dommel alsook de oever tussen het water en het parkeerterrein vallen buiten het plangebied en blijven in haar huidige vorm en kwaliteit aanwezig. De inrichting is momenteel een natuurvriendelijke oever (NVO) en zal van kracht blijven en kunnen blijven functioneren. De ecologische waarden en kenmerken van het NNB bestaan uit gras, bomen en de reeds gerealiseerde natuurvriendelijke oever. De zone heeft op deze locatie geen essentiële functie voor de aangewezen doelsoorten van de EVZ. Het project heeft daarmee geen significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het aangewezen Natuurnetwerk Brabant. Binnen het terrein van de stedenbouwkundige ontwikkeling worden daarnaast natuurwaarden aangebracht, in de huidige situatie is het terrein in gebruik als parkeerplaatsvoorziening, met alleen groene waarden aan de randen van het terrein.
Om te borgen dat het terrein, met name de oeverzone en Dommel, in haar huidige omvang en kwaliteit aanwezig blijft, worden volgende mitigerende maatregelen getroffen: een fysieke afscheiding wordt gerealiseerd, zodat de waarden niet degraderen (met andere woorden: er dient voorkomen te worden dat het gebied betreden wordt om zo de waarden van de oeverzone en de verbindingsfunctie te handhaven), uitstralende verlichting wordt niet toegestaan; uitgangspunt met betrekking tot het aanbrengen van verlichting, bijvoorbeeld langs wandelpaden (ook in de zone parallel langs het spoor in het plangebied) of parkeerplaatsen, moet zijn dat de verlichting laag en objectgericht wordt geplaatst, er geen boomkruinverlichting wordt toegepast, en geen verlichting uitstraalt op het water van de Dommel (aandachtspunt hierbij is het toepassen van lage, weinig uitstralende verlichting van de trap aan de oostgevel van de nieuwbouw). Om de huidige natuurwaarden in het gebied te versterken, worden volgende maatregelen getroffen: • Verblijfsmogelijkheden voor broedvogels in de vorm van nestkasten worden gerealiseerd; • Voor diverse vleermuissoorten worden kasten aangebracht; • Inheemse beplantingen en heesters worden aangebracht; • Het parkeerdek en dakterras wordt groen ingericht (sedumdak). Het toepassen van ‘kleinschalig herbegrenzen’ is daardoor mogelijk.
De conclusie van voorliggende beoordeling dient daarvoor overgenomen te worden in het bestemmingsplan.
Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
19
Projectgerelateerd
LITERATUUR • • • • • • • • • • • • • • • • • •
ATKB, BREEAM Nieuwbouw kantoorgebouw Stationsweg te Eindhoven, Ontwerpfase BREEAM LE 4, d.d. 11-07-2019. Begrenzing van het NNB, https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan. Bureau Els en Linde, Quickscan Ecologie Stationsweg te Eindhoven, d.d. 14-05-2019. Bureau ZUS, Buitenruimte Lichthoven Fase 2, Edge Eindhoven, Voorlopig Ontwerp Buitenruimte, d.d. 20-05-2020. Bureau ZUS, Groenplan EDGE Eindhoven, V2.1, d.d. 24-04-2020. Gemeente Eindhoven, 2016. Groenbeleidsplan 2017 en Waterschap De Dommel. Dommel door Eindhoven tot Wilhelminakanaal, 2008. Informatie verspreiding en determinatie van geelsprietdikkopje: https://www.vlinderstichting.nl/vlinders/overzicht-vlinders/details-vlinder/geelsprietdikkopje Maasarend, Praktisch in ecologie, Eindrapportage vleermuisinventarisaties Dommel en Eindhovensch Kanaal te Eindhoven, uitgevoerd in opdracht van Gemeente Eindhoven, september 2019. Natuurbeheerplankaart van de provincie Noord-Brabant (https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan; Natuurbeheerplan 2020). Reactie Provincie Noord-Brabant, Onderwerp Voorontwerp-bestemmingsplan ‘Lichthoven fase 2’, d.d. 15-04-2020, kenmerk C2260942/4683576. Royal HaskoningDHV, Beoordeling effecten op ecologische verbindingszone Dommel, project EGDE Technologies, Stationsweg te Eindhoven, d.d. 07-02-2020.
Royal HaskoningDHV, Rapport m.e.r.-beoordeling EDGE Eindhoven, aanmeldingsnotitie, definitief, d.d. 12-02-2020. Staro Natuur en Buitengebied, Herinrichting Dommeltuin Mariënhage visie ecologie Kloostercomplex Mariënhage te Eindhoven, november 2017. Tauw, Toetsingskader Stadsdommel Eindhoven voor ecologische inrichting en optimaal waterbeheer, in opdacht van Waterschap de Dommel, december 2006. Verbeelding Bestemmingsplan Lichthoven fase 2, Van Riezen en Partners, d.d. 11-02-2020. Verordening ruimte Noord-Brabant, artikel 5 Natuur Netwerk Brabant, geconsolideerde versie, per 15-07-2017. Waterschap de Dommel, Reactie voorontwerp bestemmingsplan Lichthoven fase 2, kenmerk: Z61253/U129561, d.d. 8 mei 2020. Waterschap de Dommel, Toetsingskader Stadsdommel Eindhoven. Notitie EVZ Dommel bij de ontwikkeling Lichthoven, Stationsweg Eindhoven, 31 juli 2019.
BIJLAGEN 1. Notitie Ecologische verbindingszone Dommel bij de ontwikkeling Lichthoven, Stationsweg Eindhoven, door Waterschap De Dommel, 31 juli 2019. 2. Voorlopig Ontwerp Buitenruimte, Buitenruimte Lichthoven fase 2, Edge Eindhoven, door Bureau ZUS. 20 mei 2020 3. Notitie BREEAM Nieuwbouw kantoorgebouw Stationsweg te Eindhoven, door ATKB BV, 11 juli 2019.
Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
20
Projectgerelateerd
Bijlage 1: Notitie Ecologische verbindingszone Dommel bij de ontwikkeling Lichthoven, Stationsweg Eindhoven, door Waterschap De Dommel, 31 juli 2019
Friday, 29 May 2020
BEOORDELING VAN DE EFFECTEN OP HET NNB
BG8492WATRP2005291123
21
1
Notitie Ecologische verbindingszone Dommel bij de ontwikkeling Lichthoven, Stationsweg Eindhoven De Opgave Door Waterschap De Dommel is een visie opgesteld voor de ecologische verbindingszone (evz) Dommel in Eindhoven in de vorm van het Toetsingskader Stadsdommel Eindhoven (1999): Indicatorsoorten waterspitsmuis, bunzing, franjestaart, ijsvogel, geelsprietdikkopje, duizendknoopfonteinkruid, dotterbloem, langbladige ereprijs, kamsalamander, alpenwatersalamander, beekoeverlibel, beek vissoorten. Oplossingsrichtingen evz algemeen: • Verbetering waterkwaliteit; • Structuurvariatie, profielvorm, taludvorm, passende oeverbescherming met ontwikkeling van water- en oevervegetaties; • Gevarieerder substraat in en langs de Dommel (plaatselijk hogere stroomsnelheden); • Passeerbare stuwen; • Bij stuwen omleiden van landsoorten; • Bruggen en duikers passeerbaar maken, voldoende doorvlieghoogte, waar mogelijk doorlopende oever maken met voldoende hoogte / waar nog niet mogelijk loopstroken aanbrengen >=60 cm • Wandel- en fietspaden niet dicht langs de oever; • Aangepast beheer van de vegetatie voor gevarieerde samenstelling en structuur.