CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Nota van zienswijzen TAM-omgevingsplan BIC Noord - ASML en wegenstructuur

Raadsvergadering 10 maart 2026, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling wijzigingsbesluit TAM-omgevingsplan BIC Noord – ASML en wegenstructuur34.935 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Deze gevoeligheid maakt dat de residuele methode met name geschikt is als toetsingsinstrument en minder geschikt is om in een vroeg planologisch stadium als leidende waarderingsmethode te hanteren. In het onderhavige geval betreft het een TAM-omgevingsplan waarin de planologische kaders en kostenverhaalsregels worden vastgesteld, zonder dat sprake is van een uitgewerkt en vaststaand bouwplan. In deze fase brengen onzekerheden ten aanzien van programmering, fasering en kostenontwikkeling met zich mee dat toepassing van de residuele methode als primair waarderingsinstrument een verhoogd risico kent. Om die reden is in het taxatierapport gekozen voor de comparatieve methode als primair uitgangspunt voor de bepaling van de complexwaarde, aangevuld met een residuele benadering als tweede waarderingsbenadering. Hiermee wordt aangesloten bij de jurisprudentie en een zorgvuldige waarderingspraktijk, waarbij wordt voorkomen dat de complexwaarde onevenredig wordt beïnvloed door de onzekerheden die inherent zijn aan de residuele grondwaardemethode. Begrip “per” geval en toepassing waarderingsystematiek. Gesteld wordt dat per geval beoordeeld moet worden welke

26

waarderingsmethode het meest passend is. Daarbij is niet nader gespecificeerd op welk niveau met de term “geval” wordt gedoeld. Dit kan zien op de taxatie als geheel dan wel op afzonderlijke eigendommen binnen het kostenverhaalsgebied. Voor zover met “per geval” wordt gedoeld op de taxatie van de complexwaarde als geheel, wordt opgemerkt dat in het taxatierapport een gemotiveerde keuze is gemaakt voor de toe te passen waarderingsmethodiek. Deze keuze is consistent toegepast op het gehele complex, hetgeen noodzakelijk is om onderlinge vergelijkbaarheid en samenhang binnen het kostenverhaalsgebied te waarborgen. Voor zover met “per geval” wordt gedoeld op afzonderlijke eigendommen of eigendom nummers, wordt opgemerkt dat de keuze van de waarderingsmethodiek niet op dat niveau plaatsvindt. Wel vindt per eigendom een afzonderlijke toets plaats bij de bepaling van de inbrengwaarde, waarbij wordt beoordeeld welke waarde hoger is: de gebruikswaarde of de complexwaarde. Deze toetsing volgt rechtstreeks uit artikel 15.22 Omgevingswet en betreft de waarde toepassing per eigenaar, niet de keuze van de waarderingsmethode. Bij de gebruikswaarde geldt vanzelfsprekend wel dat de waarderingsmethode kan verschillen naar gelang het gebruik dat aan de orde is.

Met deze systematiek is zowel voldaan aan het vereiste van een consistente en navolgbare waarderingsmethodiek op complexniveau als aan de wettelijke verplichting om per eigendom de hoogste relevante waarde als inbrengwaarde te hanteren. Residuele waarderingsmethode en herkomst van uitgangspunten Opgemerkt wordt dat in paragraaf 6.4.2 niet voldoende duidelijk is dat de residuele grondwaardeberekening en de daarin gehanteerde opbrengsten niet zelfstandig door de taxateur zijn geraamd. Voor zover hierover onduidelijkheid is ontstaan, wordt dit als volgt verduidelijkt. De residuele grondwaardeberekening is gebaseerd op de kostenverhaalsopzet en de daarin opgenomen opbrengsten- en kostenramingen. Deze ramingen zijn niet zelfstandig door de taxateur opgesteld, maar als uitgangspunt gehanteerd binnen de residuele waarderingsbenadering, die aanvullend is toegepast naast de comparatieve methode. Dat de taxateur niet zelfstandig nieuwe opbrengsten- en kostenramingen heeft opgesteld, kan niet worden aangemerkt als een tekortkoming. De opbrengsten- en kostenraming is door een deskundige derde vastgesteld en input geweest voor de residuele benadering. Betreffende documenten zijn niet onaannemelijk bevonden door taxateur. Het fungeert in dit kader

27

als consistentietoets, waarbij wordt beoordeeld of de uit de kostenverhaalsregels volgende opbrengsten en kosten leiden tot een grondwaarde die zich verhoudt tot de op basis van marktvergelijkingen vastgestelde complexwaarde. De zienswijze stelt voorts dat de opbrengsten in de residuele grondwaardeberekening onjuist zouden zijn geraamd doordat is uitgegaan van een eenheidsprijs per m² bruto vloeroppervlakte in plaats van per bouwkavel of kadastrale oppervlakte. Voor deze stelling bestaat geen wettelijke grondslag. De Omgevingswet noch het Omgevingsbesluit schrijft voor op welke wijze opbrengsten binnen een residuele berekening moeten worden gemeten of uitgedrukt. Het hanteren van opbrengsten per m² bruto vloeroppervlakte vormt een aanvaardbare en gangbare systematiek bij residuele grondwaardeberekeningen en sluit aan bij de planologisch toegestane bebouwingsmogelijkheden. Dat deze systematiek zou leiden tot per definitie te laag geraamde opbrengsten, wordt niet gevolgd en is niet onderbouwd. Daarbij wordt benadrukt dat de residuele grondwaardeberekening in dit geval niet normerend is geweest voor de vaststelling van de inbrengwaarde, maar aanvullend is gebruikt als toets naast de comparatieve waarderingsmethode.

Eventuele verschillen van inzicht over de gehanteerde opbrengstmaatstaf binnen de residuele berekening kunnen daarom niet leiden tot de conclusie dat de inbrengwaarderaming onzorgvuldig tot stand is gekomen. Ad. 20 De zienswijze stelt dat het taxatierapport niet onafhankelijk tot stand is gekomen, omdat de residuele grondwaardeberekening is opgesteld door een derde partij die tevens betrokken is bij de kostenverhaalsopzet. Deze conclusie wordt niet gevolgd. Op grond van het Reglement Gedrags- en Beroepsregels NRVT dient de Register-Taxateur zijn werkzaamheden objectief, onafhankelijk, zorgvuldig en transparant uit te voeren. Deze onafhankelijkheid ziet op het vormen van een zelfstandig professioneel oordeel over de waardering en niet op de verplichting om alle onderliggende berekeningen of ramingen zelf op te stellen. Het gebruik van door derden aangeleverde informatie is binnen het NRVT-kader toegestaan, waarbij de herkomst van deze informatie inzichtelijk is gemaakt en deze informatie door taxateur is beoordeeld op aannemelijkheid en in samenhang met overige gegevens is gewogen.

28

In het taxatierapport is expliciet vermeld dat de residuele grondwaardeberekening is opgesteld door een externe planeconoom en als bijlage is opgenomen. Deze berekening is toegepast als tweede waarderingsbenadering bij de bepaling van de complexwaarde, conform de geldende NRVT-richtlijnen. De aangeleverde berekening is door de taxateur beoordeeld op interne consistentie, aannemelijkheid van de gehanteerde uitgangspunten en aansluiting bij de planologische en markttechnische kaders. Omdat deze beoordeling geen aanleiding gaf tot aanpassing, is de berekening ongewijzigd in het rapport betrokken. In dat kader is van belang dat de residuele berekening op verzoek van de taxateur is doorgerekend met een commerciële disconteringsvoet. Daarmee heeft de taxateur actief invloed uitgeoefend op de gehanteerde parameters en is getoetst of de uitkomsten zich verhouden tot marktconforme rendementseisen. Dit benadrukt dat de residuele berekening niet kritiekloos is gevolgd, maar als toetsend instrument is gebruikt binnen de waarderingsafweging. De residuele uitkomst is vervolgens gewogen in samenhang met de uitkomst van de comparatieve waarderingsmethode. De complexwaarde is vastgesteld op basis van een zelfstandige waarderingsopvatting van de taxateur, waarbij de residuele methode een ondersteunende en toetsende rol heeft vervuld en niet normerend is geweest.

Conclusie De zienswijze leidt tot wijzigingen in het vast te stellen TAMomgevingsplan. Aan artikel 61.1 wordt de tabel toegevoegd zoals opgenomen in voorgaande beantwoording.

2.8 A Active4you en Stichting Vakantiehuis ‘De Sprinkhaan’ Hieronder volgt een samenvatting van de zienswijze: Active4you is een organisatie die diverse zorgvormen aanbiedt aan kinderen jeugdigen en (jong)volwassenen met een verstandelijke en/of psychiatrische beperking. In 2020 is Active4you intensiever gaan samenwerken met Vakantiehuis De Sprinkhaan om tot een meer intensieve begeleiding te komen van kwetsbare doelgroepen. Sinds maart 2021 huurt Active4you De Sprinkhaan volledig. 1. Door alle veranderingen in de omgeving zoals de Dirk Noordhoflaan, de nieuwe verbindingsweg tussen Eindhoven en Best, de uitbreiding en verbreding van het weggebruik van de Erica en de Spottersweg, bedrijventerrein DPD en ASML BIC Noord, wordt het steeds moeilijker rust en schone lucht voor deelnemers te garanderen. De voorziene uitbreiding van de weg en daarbij de infrastructuur zal zorgen voor overprikkeling van de deelnemers voor wie het juist belangrijk is dat ze kunnen ontsnappen aan de maatschappij. Zij zijn gebaat bij rust, reinheid en regelmaat en een prikkelarme omgeving.

29

2. Ondanks dat De Sprinkhaan formeel geen geluidsgevoelige bestemming is als recreatieve functie, moet deze locatie juist wel als geluidgevoelig worden gezien vanwege de kwetsbare doelgroep. Active4you verleent hier zorg voor de kwetsbare doelgroep, dus ligt een maatschappelijke bestemming als zorglocatie meer voor de hand. In het uitgevoerde onderzoek is door Antea Group wel aangegeven de locatie als geluidsgevoelig te behandelen. Omdat De Sprinkhaan/Active4you in functie en gebruik vergelijkbaar is met zorg- en verblijfsfunctie, waarbij prikkelreductie essentieel is, vraagt dat om een zwaardere motivering en waar nodig aanvullende maatregelen vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 3. Het plan BIC-Noord ASML zorgt voor een verdere intensivering van de overlast, terwijl De Sprinkhaan en Active4you vanwege de leeftijd van de bebouwing deze nodig moet vernieuwen. De Sprinkhaan en Active4you zijn bezig met een oplossing binnen de maatschappelijke bestemming met de activiteit zorg. De gemeente Oirschot heeft op 412-2024 aangegeven bereid te zijn medewerking te verlenen aan het wijzigen van het bestaande gebruik (recreatie) naar een locatie voor zorgactiviteit voor 21 zorgbehoevenden, 3 begeleiders en het vervangen van het hoofdgebouw voor onbepaalde tijd. Met de uitbreiding van de weginfrastructuur komt die uitbreiding in gevaar.

Zonder een goede locatie met goede faciliteiten komt het bestaansrecht van Active4you in gevaar. 4. De toename van het geluid is nu al veel groter dan in 2016 voor de komst van de Spottersweg en aanpassing Erica en sluiting van de Oirschotsedijk werd aangenomen. Destijds ging met uit van een hoogst te verwachten geluidsbelasting van 47dB(A), terwijl men nu uitgaat van een gemiddelde geluidsbelasting in de heersende situatie van gemiddeld 58Lden. Op basis daarvan is destijds besloten geen aanvullende maatregelen voor De Sprinkhaan te nemen. Hoewel de hoogste geluidsbelasting en de gemiddelde heersende waarde twee verschillende eenheden zijn, geeft het wel aan dat de geluidsbelasting in de afgelopen jaren enorm is toegenomen. Met het plan neemt het verder toe. In ca. 10 jaar is een meer dan 4-voudige geluidsbelasting ontstaan. Zonder aanvullende geluidswerende voorzieningen moet dat niet mogelijk zijn. 5. Is het nog mogelijk om voor nieuwe huisvesting een vergunning te krijgen in lijn met het principe-besluit van de gemeente Oirschot d.d. 412-2024 en is de toekomstige geluids- en gezondheidssituatie op deze locatie zodanig dat een exploitatie over 15 – 30 jaar mogelijk is? 6. Als gevolg van de grenscorrectie gaat het perceel van De Sprinkhaan behoren tot grondgebied van Eindhoven. Verder gaan Best en Oirschot binnenkort fuseren.

Het is daardoor niet meer duidelijk wie waar nog over bevoegd is. Gevraagd wordt om één aanspreekpunt met mandaat namens alle 3 betrokken gemeenten. 7. Omdat de Sprinkhaan geen gevoelige bestemming is, zou geen rekening gehouden hoeven te worden met fijnstof. Vanwege de

30

doelgroep, moet De Sprinkhaan wel worden gezien als ‘gevoelige bestemming’. Niet duidelijk is wat de afstand is van de uitgebreide weg t.o.v. de Sprinkhaan. Active4you gaat ervan uit dat de nieuwe weg(uitbreiding) schadelijk is voor de deelnemers. De ontwerpstukken voor De Sprinkhaan bieden onvoldoende transparantie en toetsbaarheid mbt de uitgevoerde berekeningen, te verwachten concentraties op de locatie en in de buitenruimte en de eventuele te nemen maatregelen bij verslechtering. 8. De weginfrastructuur en de komst van het bedrijventerrein doen afbreuk aan rust en ruimte voor de bezoekers. 9. De vraag is of het überhaupt nog mogelijk is een vergunning te krijgen in lijn met een eerder principe-besluit van 4-12-2024 van Oirschot en is nog wel een exploitatie van 15-30 jaar op deze locatie mogelijk? 10. De plannen voor de weginfrastructuur lijken de plannen van hen in gevaar te brengen. Zonder goede locatie komt het bestaansrecht van Active4you in gevaar. Active4you wil zekerheid voor een maatschappelijke bestemming met zorgwoningen. Als dat niet mogelijk blijkt, willen ze graag samen met de gemeenten een alternatieve locatie zoeken waar beiden wel toekomst hebben. Standpunt gemeente Ad. 1 Gezien het doel dat Active4you zich stelt, is het begrijpelijk dat Active4you zich zorgen maakt over de toenemende druk qua geluid op de locatie De Sprinkhaan.

De locatie is mooi gelegen, maar de gemeente ziet ook dat de locatie is gelegen naast een oefenterrein van Defensie, nabij Eindhoven Airport, en de snelwegen A58 en A2/N2. Het hoogste heersende geluidsniveau aan de rand van de bebouwing oostelijk op het terrein bedraagt in 2025 58 dB. Zonder de planontwikkeling in BIC Noord zou als gevolg van de autonome ontwikkeling het hoogste geluidsniveau in 2040 met 2 dB toenemen tot 60 dB. Als gevolg van de planontwikkeling komt daar in 2040 2dB bij en bedraagt het hoogste geluidsniveau 62 dB. Het geluid op deze locatie kan echter niet los worden gezien van het geluid van de snelwegen dat er altijd is. Mede vanwege de geleidelijkheid waarmee de toename in de tijd gaat plaatsvinden, zal dit niet een merkbaar verschil in geluidbeleving gaan opleveren. Eerder is in het kader van het bestemmingsplan ‘Weginfrastructuur omgeving Eindhoven-Noordwest, Oirschot en Best’ akoestisch onderzoek gedaan waaruit al is gebleken dat het gecumuleerde geluid vooral wordt veroorzaakt door deze snelwegen. Los van de voorgenomen ontwikkeling voor de uitbreiding van ASML in BIC-Noord is daarmee in feite al sprake van een locatie, waar geluidwerende maatregelen voor getroffen kunnen/moeten worden en nauwelijks mogelijkheden bestaan om het geluid in de omgeving met maatregelen te verminderen.

31

In 2017 is het ‘bestemmingsplan Weginfrastructuur omgeving Eindhoven Noordwest, Oirschot en Best’ vastgesteld. Een vergelijkbare zienswijze is destijds door Vakantiehuis De Sprinkhaan ingediend. In het kader van de beantwoording van die zienswijze heeft de gemeente destijds laten onderzoeken of het maken van een geluidsscherm langs de nieuwe weg of op het perceel van De Sprinkhaan tot een afname van de geluidbelasting zou kunnen leiden. De conclusie uit dat onderzoek was dat gezien de cumulatie van geluid afkomstig met name van de omliggende snelwegen en de luchtvaart, het plaatsen van een scherm (van 4 meter hoog) een geluidreductie van 1dB zou opleveren. Aangezien een reductie van 1 dB of minder te verwaarlozen is en niet hoorbaar, staat een dergelijke rigoureuze ingreep niet in verhouding tot de effecten van deze maatregel. Ad. 2 In het akoestisch onderzoek (bijlage 4 bij de motivering, van Antea Group, projectnummer 0500089.100, d.d. 21 januari 2026) is de toename van geluid als gevolg van een combinatie van de te wijzigen wegen, de aanleg van nieuwe wegen, en de verkeersgroei die hiermee te verwachten valt berekend. De Zonnedauw 10 is in de berekeningen opgenomen. Uit de berekening blijkt een toename van het geluid. Op één van de 14 gemeten punten is een toename berekend van 3,58 dB en piekt daarmee op 61dB.

Dat betreft uitsluitend de toename als gevolg van de wijziging in de geluidsbron gemeentewegen. Zoals Active4you ook zelf aangeeft is Zonnedauw 10 formeel juridisch geen geluidgevoelige functie. In het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente Oirschot, waar het bestemmingsplan Buitengebied Oirschot onderdeel van uitmaakt, heeft het terrein een recreatieve functie. Een maatschappelijke/zorgfunctie is ter plaatse op grond van het geldende Omgevingsplan niet toegestaan. Uit het akoestische onderzoek blijkt dat als gevolg van het plan een toename is berekend tot maximaal 61 dB. Voor geluidgevoelige gebouwen geldt een maximum van 70dB op de buitengevel. Die waarde wordt ook als gevolg van het plan bij lange na niet gehaald. Met andere woorden ook als de Zonnedauw wel een geluidgevoelig gebouw zou zijn, zou met een waarde van 61 dB nog geen sprake zijn van een onacceptabele akoestische situatie. Ad.3 Zoals hiervoor onder ad.2 is aangegeven, is uit het akoestische onderzoek gebleken dat als gevolg van het plan, maar mede vanwege de autonome verkeersgroei sprake zal zijn van een toename van de geluidsbelasting. Gelet op het feit dat al sinds de oprichting van de bebouwing in 1967 niets meer aan de akoestische situatie van de gebouwen is gedaan, wekt het geen verbazing dat enige mate van overlast door de klanten van Active4you wordt ervaren.

Gezien de mededelingen dat het gebouw is

32

voorzien van enkel glas en geen andere isolatie kent, maakt het dat tot een gebouw dat niet meer van deze tijd is. Los van de voorgenomen ontwikkeling was vernieuwing hoe dan ook geboden, gezien de mensen aan wie Active4you haar diensten verleend. Ad. 4 Zoals hiervoor al is aangegeven, is de geluidsbelasting de afgelopen jaren door allerlei andere ontwikkelingen op Zonnedauw 10 al toegenomen. Al die tijd zijn investeringen om het gebouw Zonnedauw 10 tegen het toenemende geluid te beschermen uitgebleven. Voor het kunnen opvangen van de doelgroep die Active4you wenst te bedienen is het voorstelbaar dat Active4you aanvullende akoestische maatregelen wil treffen. Vanuit ASML en de gemeente Eindhoven is eerder aangegeven hierin te willen meedenken en eventueel te willen bijdragen. Bedacht moet daarbij wel worden dat het niet zo kan zijn dat alle geluidwerende maatregelen die nodig blijken om een vergelijkbaar binnenklimaat te bereiken als bij een geluidgevoelig gebouw, daarmee voor rekening van ASML en/of de gemeente moeten komen. De hoeveelheid benodigde geluidwerendheid ten opzichte van de situatie zoals die bestond na realisatie van de weg op grond van het bestemmingsplan ‘Weginfrastructuur omgeving Eindhoven Noordwest, Oirschot en Best’ is immers beperkt.

De gemeente zal een onderzoek laten uitvoeren naar de geluidwering van de gevels om te bezien of en zo ja welke geluidbeperkende maatregelen nodig zijn voor een aanvaardbaar verblijfsklimaat voor deze kwetsbare doelgroep. Ad. 5 Op deze vraag kan de gemeente Eindhoven het antwoord niet geven. Het bevoegd gezag om op een aanvraag omgevingsvergunning te beslissen is (vooralsnog tot 2028) nog steeds het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oirschot. Met de komst van ASML is niet gezegd dat de gewenste vergunning van Active4you daarmee automatisch van de baan is. Active4you zal aan de hand van diverse onderzoeken moeten aantonen dat hetgeen zij aan zorgverlening op deze locatie wenst aan te bieden nog steeds mogelijk is gelet op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ad. 6 Het verzoek van Active4you is begrijpelijk. Iedere gemeente is echter verantwoordelijk voor zijn eigen grondgebied. Eerste aanspreekpunt is de gemeente Oirschot, maar er is afstemming tussen de gemeenten hierover en inmiddels zijn er ook gesprekken geweest tussen Active4you en de gemeenten. Ad. 7 Voor het TAM-omgevingsplan en de wijzigingen in de wegenstructuur in de omgeving van BIC Noord is een memo luchtkwaliteit opgesteld (bijlage 6 bij motivering TAM-omgevingsplan, van Antea Group, projectnummer

33

0492444.100, d.d. 23 oktober 2025). Uit deze memo blijkt dat de toename van de verslechtering van de luchtkwaliteit “Niet In Betekenende Mate” (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit houdt in dat de verslechtering van de luchtkwaliteit wegvalt tegen het jaarlijks beter worden van de luchtkwaliteit. Ad 8. Zoals onder ad. 1 al is opgemerkt ligt De Sprinkhaan al in een gebied met een wat hogere geluidsbelasting, zodat van echte rust op deze locatie geen sprake is. Of De Sprinkhaan vanwege het toenemende geluid vanwege de weg een locatie wordt waar het niet langer meer prettig is om te verblijven en/of te recreëren is daarbij subjectief. De toename van geluid is voor een gedeelte toe te schrijven aan de autonome ontwikkeling. Met andere woorden ook zonder ingebruikname van de gronden door ASML neemt het geluid in de komende jaren toe als gevolg van toenemend autoverkeer. Bovendien zal het geluid dat aan de ontwikkeling van ASML is toe te schrijven niet van vandaag op morgen plaatsvinden, maar geleidelijk over de komende jaren waarin de ASMLcampus langzaam maar zeker tot wasdom komt. Ad. 9 en 10 De zekerheid waar Active4you naar op zoek is kan niet door de gemeente Eindhoven worden gegeven.

Indien Active4you zekerheid wil hebben over haar toekomstplannen, dan zal ze daar een aanvraag omgevingsvergunning voor moeten indienen, op grond waarvan alle merites van de zaak door de gemeente Oirschot in de beoordeling betrokken dienen te worden. Het feit dat Oirschot met een principebesluit heeft laten weten bereid te zijn om medewerking te verlenen aan het vervangen van het hoofdgebouw en het realiseren van 21 zorgwoningen en 3 woningen voor (zorg)begeleiding, betekent niet per definitie dat die medewerking ook daadwerkelijk leidt tot een vergunning. Ook voor Active4you geldt dat alle aspecten die in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten worden beoordeeld, positief moeten zijn om tot daadwerkelijke vergunningverlening te kunnen komen. Tussen Active4you, stichting De Sprinkhaan, de gemeente Oirschot en de gemeeente Eindhoven en ASML wordt een intentieovereenkomst afgesloten om de mogelijkheden te verkennen om De Sprinkhaan op de locatie te kunnen behouden dan wel te verplaatsen. Conclusie De zienswijze leidt niet tot wijzigingen in het vast te stellen TAMomgevingsplan.

34

2.8.B Vakantiehuis “De Sprinkhaan” en 2.8.C Stichting De Sprinkhaan 1. Het vakantiehuis ligt op een steenworp afstand van het tracé van de weginfrastructuur die uitgebreid gaat worden, waaronder de Spottersweg en Erica. Er zijn derhalve zorgen over rust en luchtkwaliteit. 2. De plannen voor vernieuwing van de huisvesting en toevoeging van verblijf op locatie staan nu stil en zijn in grote mate afhankelijk van de ontwikkeling van de infrastructuur rondom De Sprinkhaan. Aanvullende kosten voor geluidwerende voorzieningen maken de haalbaarheid nog slechter. Het bestaansrecht van De Sprinkhaan en Active4you komt in gevaar. De Sprinkhaan en Active4you vervullen al decennialang een uniek maatschappelijke functie voor kwetsbare kinderen, jeugdigen en (jong) volwassenen. De overheid moet samen met alle initiatiefnemers de randvoorwaarden scheppen deze voorziening zo duurzaam mogelijk te behouden. Standpunt gemeente Ad. 1 De zorgen over rust en luchtkwaliteit zijn voorstelbaar. In de beantwoording van de zienswijze van Active4You onder ad. 1 t/m 7 is uitgebreid op deze onderwerpen ingegaan. Voor de beantwoording van dit onderdeel uit de zienswijze wordt hiernaar verwezen. Ad. 2 Uit onderzoek dat is uitgevoerd naar de akoestische situatie van De Sprinkhaan komt naar voren dat het heersende cumulatieve geluidsniveau op het hoogst gemeten punt al 58 dB bedraagt in 2025.

In de autonome situatie komt daar in 2040 2 dB bij en als gevolg van de planontwikkeling in 2040 nog een eens 2 dB. Dat brengt de cumulatieve geluidbelasting op het hoogst gemeten punt op 62 dB. Ongeacht de planontwikkeling zijn dus al geluidwerende voorzieningen en dus investeringen noodzakelijk om in het oude uit de jaren 60 stammende gebouw een acceptabel binnenniveau te kunnen behalen gelet op de dienstverlening die Active4You ter plaatse aanbiedt. Op voorhand valt niet in te zien dat een 2 dB toename als gevolg van de planontwikkeling ertoe zal leiden dat de kosten voor geluidwerende voorzieningen dermate toenemen, dat als gevolg daarvan het bestaansrecht van De Sprinkhaan en Active4You in gevaar komt. Voor Active4You geldt dat zij huurder is van De Sprinkhaan en eventueel haar dienstverlening op een andere locatie zou kunnen aanbieden. Vanuit gemeente Eindhoven en de gemeente Oirschot wordt meegedacht over een andere locatie. Dergelijke locaties liggen echter niet voor het oprapen, zodat het nog onzeker is of een alternatieve locatie beschikbaar is. Op dit moment heeft de locatie van De Sprinkhaan planologisch gezien ook geen

35

maatschappelijke functie, maar een recreatieve bestemming op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan Buitengebied Oirschot 2020 dat deel uitmaakt van het Omgevingsplan Oirschot. Gezien het feit dat de akoestische situatie zeer geleidelijk zal gaan veranderen, is deze verandering over de periode van 2025 tot 2040 met 2 dB in de praktijk in feite niet merkbaar. Juist ook vanwege het feit dat het overgrote deel van het geluid van de snelwegen afkomstig is. Als gevolg van de ontwikkeling is het naar de mening van de gemeente dan ook niet zo dat van de recreatieve mogelijkheden die het omgevingsplan biedt geen gebruik meer gemaakt zou kunnen worden. Conclusie De zienswijze leidt niet tot wijzigingen in het vast te stellen TAMomgevingsplan.

2.9 Bewoner Looierstraat Best Hieronder volgt een samenvatting van de zienswijze: Bewoner maakt zich zorgen over het toenemen van omgevingsgeluid en luchtvervuiling door meer verkeer als gevolg van de ontwikkeling op BIC Noord. Woningen recht tegenover het plan ervaren ook meer geluidsoverlast. Standpunt gemeente De raad heeft begrip voor de uitgesproken zorg, maar meent de zorg te kunnen wegnemen door te wijzen op de uitgevoerde onderzoeken voorafgaand aan het in procedure brengen van dit TAM-omgevingsplan en de daaruit naar voren gekomen resultaten. Voorafgaand aan het ontwerpTAM-omgevingsplan is naar verschillende omgevingsaspecten onderzoek gedaan. Luchtkwaliteit en geluid maken daar deel van uit. In bijlage 4 en bijlage 6 is onderzoek gedaan naar de aspecten geluid en luchtkwaliteit. In de uitgesproken zorg ziet de raad geen aanleiding te twijfelen aan de uitkomsten van de uitgevoerde onderzoeken. Uit bijlage 4 blijkt dat op de woning van deze bewoner geen sprake is van een berekende hogere waarde van het omgevingsluid als gevolg van de aanpassingen van de weginfrastructuur. Voor zover uit de berekeningen blijkt dat bij enkele buurpanden wel sprake is van een toename van het omgevingsgeluid, gaat het om een toename van minder dan 1dB in de situatie dat de volledige ontwikkeling is gerealiseerd.

Een toename van minder dan 1 dB is voor het menselijk gehoor niet waarneembaar. Wat betreft luchtkwaliteit ligt de woning aan de Looierstraat in een zogenaamd luchtkwaliteitsaandachtsgebied. Het gaat daarbij om een aandachtsgebieden voor zowel NO2 (stikstofdioxide) als PM10 (fijnstof).

36

In het memo inzake luchtkwaliteit wordt op basis van gestelde normen aan de hand van een voorgeschreven ‘tool’ een worst-case berekening gemaakt over de te verwachten toename van NO2 en PM10. Blijft de toename onder 1,2 μg/m3 dan is sprake van een zogenaamde “Niet In Betekenende Mate” (NIBM) bijdrage. Met andere woorden de betreffende toename is zodanig klein dat deze geen negatief effect heeft op de luchtkwaliteit. Is de berekende bijdrage groter dan 1,2 μg/m3 dan dient aanvullend onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit te worden uitgevoerd. In dit geval is gebleken dat de NIBM-bijdrage worst-case benaderd blijft onder de gestelde norm van 1,2 μg/m3, zodat aanvullend onderzoek naar luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Conclusie zienswijze De zienswijze leidt niet tot wijzigingen in het vast te stellen TAMomgevingsplan.

2.10 Gasunie Hieronder volgt een samenvatting van de zienswijze: Gasunie geeft aan in artikel 48.1 van de planregels geen dieptebepaling te wensen in het vergunningenstelsel. Ook een kleine dieptemaat kan bij werkzaamheden risico’s veroorzaken. Verzocht wordt verder alle werkzaamheden binnen de leidingzone vergunningsplichtig te maken, zonder onderscheid naar graafdiepte. Voorgesteld wordt artikel 48.1 te vervangen door onderstaande tekst: Artikel 48.1 — Werken en werkzaamheden binnen de leidingzone Het is verboden binnen de zone Leiding-Gas zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden; b. het egaliseren, afgraven, ophogen of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; c. het aanbrengen, indrijven of verwijderen van voorwerpen in de bodem, zoals palen, lichtmasten, funderingen of ander straatmeubilair; d. het aanleggen, verharden, verwijderen of wijzigen van wegen, paden, parkeerplaatsen en overige oppervlakteverhardingen; e. het planten, rooien of vervangen van bomen of beplanting die diepwortelend is of kan worden; f. het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of verleggen van sloten, vijvers, bermsloten, drainage of andere watergangen; g. overige werkzaamheden die de bodemroering, belasting, stabiliteit of bereikbaarheid van de gastransportleiding kunnen beïnvloeden.

Artikel 48.4 bevat nu de tekst “onevenredige afbreuk”. Verzocht wordt om dit artikel zodanig aan te passen dat vergunningverlening uitsluitend

37

mogelijk is na schriftelijk positief advies van de leidingbeheerder, waaruit blijkt dat de veiligheid van de leiding volledig wordt geborgd. Standpunt gemeente Het betreffende artikel wordt aangepast. Na aanpassing luidt lid 48.1 ‘Toepassingsbereik’ als volgt: Dit artikel is van toepassing op een aanlegactiviteit ter plaatse van ‘LeidingGas’, voor zover die bestaat uit: a. het egaliseren, afgraven, ophogen van gronden en/of het anderszins

ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden; c. het aanbrengen, indrijven of verwijderen van voorwerpen in de bodem,

zoals palen, lichtmasten, funderingen of ander straatmeubilair; d. het aanleggen, verharden, verwijderen of wijzigen van wegen, paden,

parkeerplaatsen en overige oppervlakteverhardingen; e. het planten, rooien of vervangen van bomen of beplanting die

diepwortelend is of kan worden; f. het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of verleggen van sloten, vijvers, bermsloten, drainage of andere watergangen; g. overige werkzaamheden die de bodemroering, belasting, stabiliteit of bereikbaarheid van de gastransportleiding kunnen beïnvloeden. Na aanpassing luidt lid 48.4 als volgt: De in artikel 48.2 genoemde omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de criteria: De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien vooraf advies wordt ingewonnen van de leidingbeheerder en uit het advies blijkt dat de veiligheid van de leiding is geborgd. Conclusie De zienswijze voor zover deze ziet op risico’s bij de uitvoering van werkzaamheden in de bodem leidt tot aanpassing van artikel 48 in het vast te stellen TAM-omgevingsplan.

2.11 Trefpunt Groen Eindhoven Hieronder volgt een samenvatting van de zienswijze: 1. Situering campuspad Het voornemen is het campuspad aan te leggen binnen de huidige 30m brede EVZ, 10 mtr daarvan is nodig voor de aanleg van het campuspad. TGE vindt dat het campuspad buiten de huidige 30 mtr van de EVZ moet worden aangelegd, ook al wordt deze 10 mtr gecompenseerd. De oostelijke oever ontwikkelt zich sinds 2022 als ecologische verbindingszone. Verschillende planten- en diersoorten hebben zich gevestigd. De 30 mtr zone is bovendien ingericht als

38

2.

3. 4.

5.

6.

7.

compensatie voor de bouw van BIC 1 en bijbehorende wegaanpassingen. Natuur die al is aangelegd ter compensatie van een andere ontwikkeling mag niet opnieuw aangetast en opnieuw gecompenseerd worden. EVZ en campuspad op verbeelding De verbeelding van het TAM-omgevingsplan komt niet overeen met de intentie om de eerste 20mtr vanaf de Ekkersrijt als EVZ te behouden en de resterende 10 mtr als campuspad. Er zijn enkele locaties waar minder dan 10 mtr van de huidige evz overblijft. Als het plan blijft zoals het is, zullen er schadelijke knelpunten ontstaan voor dieren op de oostelijke oever. Als het campuspad niet buiten de 30 mtr wordt aangelegd, dan moet de verbeelding een correcte weergave van 20 mtr evz en 10 mtr campuspad weergeven. De verbeelding moet in dat geval worden aangepast aan de werkelijk overeengekomen afstanden van 20 en 10 mtr. De “Waarde- Ecologische verbindingszone” is niet op de verbeelding opgenomen wel in de regels in artikel 17. TGE gaat uit van een vergissing; Afstand bebouwing tot NNB Er is verschil tussen wat er in het VOSP is vastgelegd over de afstand tussen het bouwvlak en NNB en wat er in het TAM-plan is opgenomen. In het VOSP staat 20 mtr afstand bouwvlak tot NNB en een margezone van 10 mtr. In het TAMplan staat slechts een marge van 10 mtr tussen NNB en bouwvlak opgenomen, terwijl deze volgens het VOSP 20 mtr zou moeten zijn.

In de regels wordt geen onderscheid gemaakt tussen de strook waar bouwen verboden is en het gebied waar bouwen onder bepaalde voorwaarden kan worden toegestaan. TGE wil de verbeelding aangepast zien aan de afstanden uit het VOSP en de regels zodanig aanpassen dat ze overeenkomen met wat in het VOSP is vastgelegd. 20meter waar niet gebouwd mag worden en 10 mtr die mogelijk aangetast mag worden mits aan de voorwaarden is voldaan zoals bijvoorbeeld in artikel 7.2 van de regels. Ecologisch inrichten westoever De ecologische inrichting van de westoever moet plaatsvinden voordat de te compenseren gebieden worden aangetast. Dit zou ook voldoende tijd geven voor natuurontwikkeling voordat de ASML Campus in gebruik wordt genomen. Dit moet in het TAM-plan worden vastgelegd of in andere overeenkomsten tussen gemeente en ASML; Als het campuspad inderdaad binnen de huidige EVZ moet worden aangelegd, is dit des te belangrijker, voordat de werkzaamheden van het campuspad van start gaan. Natuurinclusief ontwerpen Het document Landschappelijke inpassing ASML op BIC Noord, biedt dat wel voldoende waarborgen voor natuurinclusief ontwikkelen? TGE ziet graag meer garanties opgenomen in het TAM-omgevingsplan die dat waarborgen. Aanpassingen wegennetwerk De betrokken gemeenten moeten zich inspannen om de effecten van de versnippering van bossen en andere gebieden als gevolg van de

39

wegenaanpassingen te mitigeren. Mitigatiemaatregelen (faunapassages en ecobrug) moeten wettelijk bindend worden gemaakt. Standpunt gemeente Ad. 1 De EVZ Ekkersrijt wordt verbreed naar de westoever en de eerder ingerichte oostoever wordt heringericht. De beoogde EVZ zone wordt ingericht als een nat kralensnoer. Het betreft een afwisseling van poelen, struweel, bomenrijen en schraal grasland. Zo ontstaat een robuuste EVZ met een breedte van 50 meter. Aan de oostzijde van de EVZ wordt buiten de 50 meter zone het campuspad aangelegd. Zelfs nog voor compensatie en ontwikkeling van de EVZ had plaatsgevonden, zat het campuspad in de plannen. Het standpunt van TGE dat natuur die al gecompenseerd is, niet nog een keer gecompenseerd mag worden, is begrijpelijk. Ook onze voorkeur zou het hebben om de natuur die is aangelegd verder tot ontwikkeling te laten komen. In dit geval ontkomen we niet aan de opgave de oostelijke oever in gebruik te nemen ten behoeve van het campuspad, de openbare noord-zuid fietsverbinding door het plangebied. De gronden ten oosten van het geplande campuspad heeft ASML nodig voor de ontwikkeling van de campus. Deze gronden zijn in erfpacht aan ASML uitgegeven. Hoewel het een groot gebied is, luistert het toch nauw om het gewenste programma binnen de bouwvlakken te kunnen ontwikkelen.

Dat heeft te maken met een aantal beperkingen waar bij de inrichting van het gebied rekening gehouden moet worden. Te denken valt daarbij aan het risicogebied vanwege de luchthaven, waardoor er in een groot deel van het oostelijke bouwvlak bijvoorbeeld geen kantoorgebouwen mogen worden gebouwd en de relatief smalle strook die daardoor voor bebouwing overblijft tussen de Ekkersrijt en het beperkingengebied. Met de Provincie is de verlegging en verbreding van de ecologische verbindingszone besproken en door de Provincie akkoord bevonden. Uit de Provinciale Omgevingsverordening waar de compensatieplicht uit voortvloeit, blijkt overigens ook niet, dat eerder gecompenseerde natuur niet nog een keer in een compensatieopgave kan worden betrokken. Ad. 2 De constatering dat de afstand tot het campuspad niet overal ten minste 20 mtr bedraagt is terecht. In de zienswijze geeft TGE op 3 punten aan waar minder dan 10 mtr van de evz tot de Ekkersrijt overblijft. Twee van de drie geconstateerde knelpunten kunnen worden opgelost door de verbeelding daarop aan te passen. Daarnaast geldt dat voor het meest zuidelijk aangegeven knelpunt niet alleen de verbeelding maar ook het feitelijke verloop van de Ekkersrijt zodanig moet en kan worden aangepast dat ook daar de afstand van 20 meter ruim kan worden gehaald.

40

De hieronder staande afbeeldingen geven de locaties van de wijzigingen op de verbeelding weer. Op de tweede afbeelding is ook het feitelijk te wijzigen verloop van de Ekkersrijt weergegeven.

Voor het tweede gesignaleerde knelpunt ter hoogte van de onderdoorgang bij de bestaande Dirk Noordhoflaan geldt dat het bestaande kunstwerk maatgevend is en daar de verbeelding niet kan worden aangepast. De situering van het campuspad onder de onderdoorgang wordt nl. mede bepaald door de minimaal benodigde rijhoogte voor onderhoudsvoertuigen. Om die reden kan het campuspad daar niet verder in oostelijke richting worden opgeschoven en blijft de afstand daar 10 meter en daarmee gelijk aan de bestaande situatie. Ad. 3 Van een vergissing is hier geen sprake. De dubbele functie “WaardeEcologische verbindingszone” is wel op de verbeelding opgenomen. Dit betreft echter een relatief klein gedeelte. Op onderstaande afbeelding is deze dubbelbestemming aangegeven.

41

l Ad. 4 Terecht wijst TGE er op dat in het ontwerp-TAM-omgevingsplan de zone aan de noordzijde van het functievlak “Bedrijf” grenzend aan het NNBgebied ten opzichte van de maat die in het VOSP was opgenomen is verkleind, van 20 naar ca. 10 meter. Het uitgangspunt is echter nog steeds net als in het VOSP dat de eerste 20 meter vanaf het NNB gebied onbebouwd blijft. Om die reden zullen wij de zone aan de noordkant van het bouwvlak aanpassen op de verbeelding naar de situatie zoals die in het VOSP is opgenomen. Overigens moet ook worden opgemerkt dat aan de zijde van het Beatrixkanaal de afstand die onbebouwd moet blijven ten opzichte van het VOSP is toegenomen van 10 naar ca. 15 mtr. Dat zijn de zones die dus absoluut onbebouwd moeten blijven. In de Omgevingsverordening is in artikel 5.31 Externe werking Natuur Netwerk Brabant, lid 1 bepaald dat: “Een omgevingsplan dat een ontwikkeling toelaat in Stedelijk Gebied of in Landelijk Gebied, die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant, bepaalt in aanvulling op het Besluit activiteiten leefomgeving dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd, overeenkomstig artikel 5.37 Compensatie.” Bij de vaststelling van het TAM-plan zijn we gehouden de Omgevingsverordening van de provincie in acht te nemen.

Zoals blijkt uit de motivering bij het ontwerp-TAM-omgevingsplan en bijlage 10 bij de motivering is een natuurtoets gebiedsbescherming uitgevoerd. In deze natuurtoets is ook gekeken naar de potentiële verstoring door ‘externe werking’. In zijn algemeenheid geldt dat vanuit ecologisch perspectief een afstand van 30 meter tot NNB heeft te gelden als een afstand waarbinnen geen

42

effecten te verwachten zijn vanwege gebouwen en/of gebruik op de ecologische en natuurwaarden van het NNB. Daarmee is niet gezegd dat binnen de zone van 30 meter tot het NNB in een omgevingsplan in geen geval gebouwen en/of gebruiksmogelijkheden voorzien mogen worden. Omdat binnen een afstand van 30 meter mogelijk sprake kan zijn van verstoring van de ecologische waarden en kenmerken van de NNB zijn in het kader van dit omgevingsplan om die reden regels opgenomen die het gebruik van gronden ten behoeve van bebouwing en het gebruik zonder bebouwing niet zonder meer mogelijk maken. Op de verbeelding is daar waar de ‘Natuur-1’ gronden grenzen aan de ‘Bedrijf’ gronden een zone opgenomen van 20 meter breed welke niet bebouwd mogen worden (noordzijde). De eerstvolgende 10 meter mag in beginsel wel worden gebruikt en/of bebouwd mits met een onderzoek is vastgesteld, dat met dit gebruik/bebouwing geen indirecte verstoring van de ter plaatse aanwezige natuurwaarden ontstaat of kan ontstaan. Aan de zijde van het Beatrixkanaal is de zone die onbebouwd moet blijven 15 meter. Voor de eerstvolgende 15 meter geldt hetzelfde als hiervoor geschetst.

Als uit het onderzoek blijkt dat de bebouwing kan leiden tot een indirecte verstoring van de natuurwaarden, dan kan de omgevingsvergunning alleen worden verleend indien de indirecte gevolgen volledig door maatregelen worden voorkomen dan wel, indien zulks niet mogelijk is, conform de Omgevingsverordening Noord-Brabant volledig worden gecompenseerd. Is voorkomen niet mogelijk en ook compensatie niet, dan kan de omgevingsvergunning dus niet worden verleend. Uitgangspunt blijft dat als op een afstand van minder dan 30 meter van de NNB gronden bebouwd of in gebruik genomen gaan worden, ASML zal moeten onderbouwen met onderzoek dat geen indirecte verstoring van de natuurwaarden zal ontstaan. Of als dat wel het geval is, aan moeten geven welke maatregelen getroffen moeten worden om de indirecte verstoring te voorkomen, dan wel volledig te compenseren. In ieder geval kan ASML niet bouwen buiten de zones naast de bouwvlakken (20 meter in het noorden en 15 m langs de zijde Beatrixkanaal). Wij zijn van mening dat we hiermee overeenkomstig de Provinciale omgevingsverordening voorzien in een regeling waarmee de belangen van de NNB-gebieden worden beschermd. Ad. 5 Deze gedachte is begrijpelijk, maar is niet afdwingbaar op grond van de omgevingsverordening.

De natuurcompensatie dient plaats te vinden binnen 3 jaar na onherroepelijk worden van het TAM-omgevingsplan en in stand te worden gehouden. Wel zal de gemeente nadat het inrichtingsplan voor de EVZ zone en het campuspad gereed is, zo spoedig mogelijk na dat het omgevingsplan is vastgesteld, starten met de aanleg van de EVZ zone,

43

een en ander in afstemming met de realisatie van de bouw. Dit om te voorkomen dat er schade aan de net aangelegde ruimte optreedt. Voor de werkzaamheden in het kader van het bouwrijp maken van de 1e fase wordt gehandeld conform een ecologisch werkprotocol en een mitigatieplan en activiteitenplan. Ad. 6 Vanuit de provincie is gevraagd om het natuurinclusief bouwen meer terug te laten komen in de regels van het TAM-omgevingsplan. Het gaat dan om bouwwerken/-onderdelen die direct in/boven de EVZ worden gerealiseerd (loopbruggen en overbouwingen). De planregels (artikel 35) worden hierop aangepast. Verder geldt dat bij het TAM-omgevingsplan als bijlagen zijn opgenomen het DOSP beeldkwaliteit gebouwen en DOSP landschapsplan buitenruimte ASML. In de regels is bepaald dat een omgevingsvergunning voor bouwwerken alleen wordt verleend als vaststaat, dat voor wat betreft de inrichting van de bijbehorende buitenruimte wordt voldaan aan het bepaalde in het DOSP Landschapsplan ASML buitenruimte. In het DOSP “Landschappelijke inpassing ASML op BIC Noord Eindhoven” staan de uitgangspunten waar bij de planvorming rekening mee gehouden moet worden en waar in het kader van de vergunningverlening aan getoetst moet worden.

Wij zijn van mening dat daarmee voldoende zekerheid in het plan is opgenomen om een zorgvuldige landschappelijke inrichting te bereiken, waarbij de evz en de inrichting van de terreinen rondom de gebouwen vloeiend in elkaar kunnen overlopen. Ad. 7 De gemeente Eindhoven en ASML spannen zich in om de natuur zodanig in de planontwikkeling op te nemen dat ook de natuur ter plaatse van de beoogde ontwikkeling verbetert. Wat betreft de 2e ecologische verbinding over het Beatrixkanaal geldt dat wij een dergelijke verbinding wenselijk vinden. Naar de noodzaak ervan loopt op dit moment een onderzoek. Wat precies wordt bedoeld met het ‘wettelijk bindend maken van mitigatiemaatregelen’ blijkt uit de zienswijze niet. Wij vatten het echter zo op dat om mitigatiemaatregelen aan te kunnen leggen, het binnen de betreffende functies zonder meer mogelijk moet zijn om deze aan te kunnen leggen. Dat is nu niet overal het geval. Om die reden voegen we in de functieomschrijving van de functie ‘Natuur1’ toe dat, naast de al genoemde functies waarvoor gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt, deze gronden ook mogen worden gebruikt t.b.v. faunavoorzieningen. Hiertoe moeten ook faunapassages worden gerekend. In de functie “Verkeer” is dat al geregeld.

Wij wijzigen ook van de overige functies de functieomschrijvingen door daar het gebruik voor ‘faunavoorzieningen’ aan toe te voegen, zodat de aanleg van faunapassages binnen het hele plangebied zonder meer mogelijk is.

44

Conclusie De zienswijze voor zover deze ziet op het verloop van de EVZ en de bouwvlakgrens in het noorden van het westelijk van de EVZ gelegen bouwvlak, geeft aanleiding tot wijziging van de verbeelding van het vast te stellen TAM-omgevingsplan. Daarnaast worden n.a.v. de zienswijze voor zover deze ziet op het mogelijk maken van mitigerende maatregelen (faunavoorzieningen) in de artikelen 7 t/m 11 de aanleg van dergelijke voorzieningen bij recht mogelijk gemaakt.

2.12 Bewoner Pasteurlaan Hieronder volgt een samenvatting van de zienswijze: Bewoner richt zijn zienswijze tegen alle ontwerpbesluiten. In het kader van de beantwoording wordt hier alleen ingegaan op de zienswijzen die betrekking hebben op het TAM-omgevingsplan. 1. In het ontwerp-TAM-omgevingsplan is onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe de conclusies uit de ecologische onderzoeken sturend zijn geweest voor het ontwerp en welke concrete mitigerende en compenserende maatregelen juridisch worden geborgd. De bewoner beschouwt dit als een inhoudelijke tekortkoming, omdat zonder expliciete doorvertaling naar het ontwerp en de besluitvorming niet kan worden vastgesteld of aan de zorgplicht en de soortenbescherming wordt voldaan. 2. De EVZ wordt gepresenteerd als robuust en doorlopend landschappelijk element, uit de stukken blijkt echter dat sprake is van areaalverlies, versmalling van delen van de zone optreedt en verstoring door gebruik, verlichting en infrastructuur is een reëel aandachtspunt. Deze discrepantie vraagt om een expliciete en transparante onderbouwing. Als negatieve effecten optreden dienen aanvullende maatregelen te worden benoemd om de functionaliteit van de EVZ te waarborgen/verbeteren. Zonder deze onderbouwing is onvoldoende inzichtelijk of wordt voldaan aan de provinciale instructieregels; 3.

Onvoldoende duidelijk is gemaakt: - hoe de gemeente de beleidsregels groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen heeft toegepast; - hoe groencompensatie, biodiversiteitsbehoud en ecologische kwaliteit concreet zijn geborgd; - of en zo ja, waarom van gemeentelijk beleid wordt afgeweken. Het ontbreken van deze expliciete afweging is in strijd met de vereiste zorgvuldige voorbereiding en motivering van besluiten. 4. Het bovenop de wettelijke verplichting tot bescherming en mitigatie van beschermde soorten, opnemen van maatregelen gericht op versterking van biodiversiteit, landschappelijke structuur en jaarrond draagkracht voor vogels is wenselijk. Het ontbreken van ambities zoals BREEAM certificering of expliciete biodiversiteits-KPI’s zijn een gemiste kans binnen een project van deze schaal en impact.

45

5. Het vastleggen van ecologische uitgangspunten in de ontwerpbesluitvorming en de verbinding aan uitvoering en beheer, voorkomt dat noodzakelijke maatregelen pas in latere fases ad hoc moeten worden toegevoegd. Verwezen wordt naar de syllabus Natuurinclusief Ontwikkelen. Voor bestekken wordt geadviseerd in de contracten en bestekken van ontwerpende en/of uitvoerende partijen op te nemen de natuurinclusiviteit en het praktische beheer. Standpunt gemeente Ad. 1 Aan het ontwerp-Tam-omgevingsplan zijn maar liefst vier natuuronderzoeken vooraf gegaan. Deze zijn opgenomen in de bijlagen 10 t/m 13 bij de motivering. Met deze onderzoeken naar gebieds- en soortenbescherming is inzicht verkregen of en zo ja op welke locaties aantasting van de natuur plaats vindt en op welke wijze en waar deze aantastingen gecompenseerd kunnen worden. Voor de gebieden waarvan duidelijk is geworden waar en voor hoeveel m2 er aan natuur gecompenseerd moet worden, is een compensatieplan opgesteld. In de regels is vervolgens bepaald dat de natuurcompensatie gerealiseerd moet zijn en in stand moet worden gehouden, maximaal 3 jaar na het onherroepelijk worden van het TAM-omgevingsplan. Uit de natuuronderzoeken gericht op de soortenbescherming is gebleken dat er voldoende compenserend leefgebied en/of verblijfplaatsen in en aansluitend aan het plangebied gevonden kan worden.

Daarmee staat in voldoende mate vast dat ook aan de toets van soortenbescherming kan worden voldaan. De uiteindelijke toetsing of en zo ja wanneer en onder welke voorwaarden bepaalde werkzaamheden mogen plaatsvinden is gekoppeld aan een natuurvergunning voor de betreffende soorten. Deze worden in een later stadium aangevraagd en volgen een eigen vergunningenprocedure. Daarmee voldoet het TAM-omgevingsplan aan de eisen zoals gesteld in de provinciale verordening en de Omgevingswet en is ook de compensatieverplichting juridisch geborgd. Ad 2. Mede naar aanleiding van de zienswijze van de provincie worden een aantal extra waarborgen in de regels opgenomen. Deze zien onder andere op natuurinclusief bouwen ter plaatse van de EVZ. Daarmee wordt voldaan aan de instructieregels van de provincie. Een belangrijke aanvulling op de regels ten behoeve van het zelfstandig kunnen functioneren van de EVZzone wordt bereikt door de verplichting op te nemen om binnen de functie Verkeer – Verblijfsgebied een voorziening te realiseren die een rechtstreekse toegang vanuit het campuspad naar de EVZ-zone verhindert. Voor zover gronden met de NNB status aan de oostzijde verdwijnen worden deze o.a. aan de westzijde van de Ekkersrijt gecompenseerd.

46

Verder is als bijlage 5 bij de regels opgenomen de Natuurtoets gebiedsbescherming in BIC Noord. Hierin is de compensatieopgave opgenomen en daarmee de onderbouwing dat aan de instructieregels van de Omgevingsverordening wordt voldaan. Ad. 3 Wat betreft groen en water wordt niet van het gemeentelijke beleid afgeweken. Binnen het plangebied is meer dan voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in voldoende vierkante meters ten behoeve van de groenopgave alsmede ten behoeve van de waterberging zoals bedoeld in de beleidsregel Groen en Water bij ruimtelijke ontwikkelingen. Deze inrichting is opgenomen in het DOSP landschapsplan ASML Buitenruimte dat als bijlage 4 deel uitmaakt van de regels. Per aanvraag omgevingsvergunning dient inzichtelijk te worden gemaakt dat de inrichting van de buitenruimte voldoet aan dit plan. Dit is geborgd in de regels in artikel 29.9 onder c van de regels. Ten aanzien van groencompensatie, biodiversiteit en ecologische kwaliteit geldt dat ook dat is geborgd in het TAM-omgevingsplan. Dit is opgenomen in bijlage 5 bij de regels. In de regels is opgenomen en daarmee geborgd dat de natuurcompensatie zoals in bijlage 5 opgenomen binnen 3 jaar na onherroepelijk worden van het TAM-omgevingsplan moet zijn uitgevoerd, op straffe van het niet in gebruik mogen nemen van de gebouwen of gronden voor bedrijf (artikel 7.3 onder a van de regels). Ad.

4 Anders dan in de zienswijze wordt gesuggereerd ontbreken de ambities inzake BREEAM niet. Vorig jaar september heeft de gemeenteraad het VOSP BIC Noord vastgesteld. Daarin zijn in hoofdstuk 8 “BKP architectuur ASML-campus” duurzaamheidsambities verwoord. In de motivering is dit ook opgenomen. In het kader van duurzaamheid luidt de ambitie: “De ontwerpen volgen de principes van de WELL-standaarden, gericht op het bevorderen van de gezondheid en het welzijn van gebruikers. Daarnaast streven we naar het behalen van BREEAM Excellent labels voor alle gebouwen.” Ad. 5 Het gedane voorstel wordt gewaardeerd. Het sluit echter niet aan bij de in Eindhoven gehanteerde werkwijze. Wat betreft de aanbeveling geldt dat bij aanbestedingen bepaalde duurzaamheids- en biodiversiteitsaspecten wel een rol spelen in de selectie. Gelet op voorgaande beantwoording is gebleken dat wordt gehandeld conform het gemeentelijke en provinciale beleid. Van afwijkingen is geen sprake. Bovendien is de ecologische kwaliteit en toekomstbestendigheid in de planregels geborgd.

47

Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding tot gewijzigde vaststelling van het TAM-omgevingsplan.

2.13 Eigenaren perceel aan de Oirschotsedijk Hieronder volgt een samenvatting van de zienswijze: 1. De eigenaren hebben beroep ingesteld tegen het in 2025 vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied Eindhoven 2023. Dat beroep is nog niet behandeld. Al sinds 2015 is er regelmatig contact over mogelijke verwerving van het perceel door de gemeente, ook nu nog zijn gesprekken gaande. De gesprekken beperken zich nu tot een miniem gedeelte van het perceel (ca. 14m2). Dit maakt deel uit van ontwerponteigeningsbeschikking van 4 december 2025. 2. De eigenaren wijzen op een tegenstelling tussen de integrale betrokkenheid van het perceel in de ontwikkeling van BIC-Noord-ASML en het feit dat het perceel niet is opgenomen als onderdeel van het Ontwerp-Tam-omgevingsplan. Terwijl het perceel wel integraal onderdeel is van het VOSP. Dat vormt het ruimtelijk kader voor de ontwikkeling van heel BIC Noord en niet alleen de ASML-campus. 3. Het ontwerp-TAM-omgevingsplan sluit aan bij de integrale benadering, maar vertaald dat niet door in de planbegrenzing van het ontwerp-TAMomgevingsplan. Water en waterberging Waterhuishouding en waterberging zijn uitgewerkt als samenhangend systeem voor heel BIC Noord, gekoppeld aan regionale opgaven. Het perceel maakt onderdeel uit van hetzelfde watersysteem. Waterberging vormt een noodzakelijke voorwaarde voor uitvoerbaarheid van het plan.

Infrastructuur en ontsluiting De wegenstructuur, verkeersafwikkeling en HOV-verbindingen zijn gebiedsbreed geregeld. Het perceel wordt slechts meegenomen voor het deel dat de gemeente nodig heeft. Natuur en ecologie De beoordeling van ecologische en natuuraspecten is integraal uitgevoerd voor BIC Noord. Daarmee is erkend dat natuurstructuren gebiedsoverschrijdend zijn, planologisch samenhangend moeten worden afgewogen en de natuurwaarden structuurbepalend zijn. Het perceel maakt deel uit van het NNB/NNN en maakt een wezenlijk deel uit van het groene karakter dat BIC Noord-ASML moet krijgen. 4. Het perceel wordt aangehaakt bij water, natuur, infrastructuur maar krijgt geen planologische positie. Dit leidt tot een tussenpositie en daarmee tot een onevenwichtige toedeling. Van het perceel wordt gebruik gemaakt vanwege de NNB status om BIC Noord-ASML als

48

ecologisch verantwoord met behoud van natuurwaarden en groene karakter te kunnen geven. De rechtszekerheid vereist dat voor een grondeigenaar duidelijk is welke planologische status een perceel heeft binnen een integrale gebiedsontwikkeling. 5. De planologische afbakening van het ontwerp-TAM-omgevingsplan heeft directe gevolgen voor de positie van de eigenaren. Door het perceel buiten de planbegrenzing te houden, wordt het niet betrokken bij de integrale gebiedsontwikkeling BIC Noord, terwijl het perceel feitelijk en functioneel onderdeel uitmaakt van de ontwikkeling, zoals blijkt uit het VOSP, de integrale gebiedsopgaven in het ontwerp-TAMomgevingsplan en de NNB-status. 6. De Raad van State heeft herhaaldelijk geoordeeld dat planbegrenzing niet mag worden ingezet om financiële consequenties van gebiedsontwikkeling te sturen of om verwerving tegen een lagere waarde te faciliteren. Het ontwerp-TAM-omgevingsplan legt meerdere gebiedsbrede opgaven juridisch vast en het perceel speelt daarin een functionele rol. Het uitsluiten uit het plan leidt tot een onrechtvaardig verschil in behandeling t.o.v. andere percelen in BIC Noord. 7. Het buiten de planologische begrenzing houden van het perceel met als gevolg dat geen complexwaarde wordt gehanteerd, leidt tot een onevenredige lastenverdeling en is in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het vereiste van etfal. Standpunt gemeente Ad.

1 Het feit dat er beroep is ingesteld tegen het vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied Eindhoven 2023 neemt niet weg dat het de raad vrijstaat van zijn bevoegdheid gebruik te maken om gronden die binnen het bestemmingsplan Buitengebied 2023 zijn gelegen te betrekken in een nieuw vast te stellen omgevingsplan. Ad. 2 t/m 4 Van een tegenstelling zoals deze door de indieners wordt gezien is geen sprake. Het nu voorliggende TAM-omgevingsplan maakt uitbreiding van ASML in BIC Noord en de wegenstructuur in de omgeving van BIC Noord mogelijk. Ter plaatse van het betreffende perceel van de eigenaren van het perceel is anders dan in de fase van het ontwerp-TAM-omgevingsplan werd aangenomen geen 14m2 maar 515 m² nodig voor de aanleg van een weg/(HOV) busbaan. De verbeelding wordt hier ambtshalve op gewijzigd (zie hoofdstuk van deze nota). Gebleken is dat de geplande busbaan dient op te schuiven omdat deze in de vrijwaringszone van de snelweg was gesitueerd en daar geen toestemming van Rijkswaterstaat voor kan worden verkregen. Als gevolg van de verlegde situering zijn meer m2 grond benodigd. Dat betekent echter niet dat gelet op het nog steeds relatief kleine gedeelte van het totale perceel, het gehele perceel binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan opgenomen zou moeten worden.

49

Op het overige deel van het betreffende perceel van bijna 4 ha zijn in dit TAM-omgevingsplan geen ontwikkelingen voorzien. Dat is ook vrijwel onmogelijk gezien de provinciale Omgevingsverordening en de daarin opgenomen instructieregels aan de gemeenten. Wij moeten die regels in acht nemen bij het opstellen van een omgevingsplan. Het perceel is binnen de Omgevingsverordening Noord-Brabant volledig aangewezen als gebied dat behoort tot het Natuur Netwerk Brabant alsmede tot het gebied dat is aangewezen als Attentiezone Waterhuishouding. Artikel 5.30 lid 1 onder a van de Omgevingsverordening luidt: Een omgevingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant: a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken ; Artikel 5.41 Attentiezone waterhuishouding bepaalt in lid 1: Een omgevingsplan ter plaatse van Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Vanwege deze bepalingen heeft het perceel in het bestemmingsplan Buitengebied Eindhoven 2023 de bestemming ‘Natuur – 1’ gekregen met de aanduiding “Attentiezone Waterhuishouding”.

Daarmee staat vast wat de planologische betekenis is van deze gronden en is van rechtsonzekerheid naar onze mening geen sprake. Ad. 5 Het is vaste jurisprudentie dat de raad beleidsruimte toekomt bij het bepalen van de begrenzing van het plangebied van een bestemmingsplan. Onder de Omgevingswet bestaan geen aanwijzingen dat hier thans anders over wordt gedacht. In dit geval heeft de raad de begrenzing van het plangebied zodanig bepaald, dat binnen deze begrenzing de beoogde ontwikkeling kan plaatsvinden. Niet valt in te zien dat door slechts een klein gedeelte van het totale perceel binnen de planbegrenzing te betrekken niet langer gesproken zou kunnen worden van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Of de gronden al dan niet een rol kunnen gaan spelen bij de verdere ontwikkeling van BIC mix kan op dit moment niet op worden vooruitgelopen. Feit blijft in ieder geval dat op grond van de Omgevingsverordening Noord-Brabant het perceel is aangewezen als Natuur Netwerk Brabant en Attentiezone Waterhuishouding en de gemeenteraad op grond van de instructieregels uit de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16598563/2