CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Centrumgebied

Raadsvergadering 12 oktober 2021, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven Centrum20.272 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

projectnummer

datum

20797.4197

5 mei 2021

24

Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum

4

Ve r t r e k p u n t e n G e b i e d s p l a n

Op basis van de gebiedsanalyse is de gebiedsindeling vastgesteld (Beheer- en Doelgebiedsgrens, zie paragrafen 2.9 en 2.10). Deze gebiedsindeling is de basis voor het verder uitwerken van het gebiedsgerichte grondwaterbeheer. Naast de gebiedsindeling vormen de wet- en regelgeving (paragraaf 4.1), de technisch inhoudelijke uitgangspunten (paragraaf 4.2) en de strategische doelstellingen (paragraaf 4.3) het vertrekpunt voor de verdere invulling van het gebiedsgericht grondwaterbeheer. De daadwerkelijke invulling van het gebiedsgerichte grondwaterbeheer is vervolgens uitgewerkt in de hoofdstukken 5 tot en met 8. Juridisch kader Bij gebiedsgericht grondwaterbeheer is sprake van verschillende bestuursorganen en een groot aantal wetten, regels en beleid. Afhankelijk van het gebied, de doelstellingen van de gebiedsgerichte aanpak en de betrokken actoren zijn bepaalde wetten en regels in meer of mindere mate van belang. Voor de gebiedsgerichte aanpak in Eindhoven-Centrum zijn de Wet bodembescherming, de Waterwet en de Kaderrichtlijn Water (KRW) / Grondwaterrichtlijn het meest relevant. Per 1 januari 2022 zal de Omgevingswet meerdere wetten integraal vervangen. De wetten die in deze situatie relevant zijn worden onderstaand kort toegelicht.

Wet bodembescherming, gebiedsgericht Sinds juli 2012 biedt de Wet bodembescherming (Wbb) een grondslag om verontreinigingen in het grondwater gebiedsgericht aan te pakken. De gebiedsgerichte aanpak is daarmee een volwaardig alternatief voor de, reeds lang op grond van de Wet bodembescherming mogelijke, gevalsgerichte en clustergerichte aanpak van verontreinigingen. Wbb Artikel 55c geeft de wettelijke basis voor het instellen van een gebiedsaanpak. In onderstaande tekst is dit artikel, toegespitst op de situatie in Eindhoven, opgenomen. Wbb Artikel 55c 1. Het college van B&W kan op verzoek van een bestuursorgaan of ambtshalve, een gebied aanwijzen waar een gebiedsgerichte aanpak zal plaatsvinden. 2. Een gebiedsgerichte aanpak is gericht op: a. het zoveel mogelijk voorkomen van de risico’s van verspreiding van verontreiniging buiten het aangewezen gebied, en b. de bescherming van bestaande en beoogde functies van, in en op de bodem binnen het aangewezen gebied. 3.

Van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan gebruik worden gemaakt indien gevallen van verontreiniging in het diepere grondwater in een gebied zodanig gemengd zijn of gemengd kunnen raken dat deze gevallen voor de toepassing van deze wet naar het oordeel van het College van B&W niet ten opzichte van elkaar zijn te onderscheiden en af te bakenen, dan wel indien gevallen van verontreiniging in het diepere grondwater in een gebied elkaar naar het oordeel van het College van B&W bij een afzonderlijke aanpak van die gevallen in betekenende mate kunnen beïnvloeden, en, naar het oordeel van het College van B&W: a. wenselijk geachte ruimtelijke ontwikkelingen en andere plannen voor ontwikkeling van het gebied hierdoor worden belemmerd;

projectnummer

datum

20797.4197

5 mei 2021

25

Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum

b. het treffen van maatregelen ter voorkoming van verspreiding van verontreiniging buiten het gebied hierdoor achterwege dreigt te blijven of niet op doelmatige of kosteneffectieve wijze kan plaatsvinden, of c. andere bijzondere omstandigheden een gebiedsgerichte aanpak wenselijk maken. Bij de gebiedsgerichte aanpak zijn individuele gevallen van verontreiniging niet langer het vertrekpunt. Vaak is het ook niet of nauwelijks meer mogelijk om de verontreiniging op grote diepte te saneren. Vertrekpunt is nu dan ook het grondwater in het gehele betreffende gebied. De gebiedsgerichte aanpak richt zich daarom op het beheer van het gehele grondwatersysteem binnen het daartoe aangewezen gebied en stimulering van de aanpak van de bronnen van de verontreiniging. Bij de gebiedsgerichte aanpak gaat het niet langer om de sanering van individuele verontreinigingen, maar om de beheersing van mogelijke risico’s binnen het gebied. Risicobeheersing is hierbij een kernbegrip. Dat houdt in dat verspreiding van de verontreiniging buiten – primair – het Doelgebied en – secundair – het Beheergebied aan strikte beperkingen is onderworpen. Binnen het Doelgebied dienen de daartoe aangegeven (beoogde) functies in afdoende mate te worden beschermd en werkt de tijd in op de verontreinigende stoffen via Natural Attenuation, waarbij eventueel wordt gestimuleerd met in situ saneringsmethoden.

In juridische zin valt ook dit beheren, c.q. beheersen van de verontreiniging onder het begrip “saneren”. Gebiedsgericht grondwaterbeheer gaat (in veel gevallen) verder dan alleen de aanpak van de verontreinigingen in het diepere grondwater. Er ontstaat een doelmatige aanpak als gevolg waarvan ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkelingen met gebruik van de ondergrond worden gefaciliteerd. Enkele relevante uitgangspunten voor het gebiedsgericht grondwaterbeheer zijn: • gebiedsgerichte aanpak is een volwaardig alternatief voor de gevalsgerichte aanpak van bodemverontreiniging; • uitgangspunt is het beheren van verontreiniging en mogelijke risico’s in plaats van saneren; • een gebiedsgerichte aanpak wordt vastgelegd in een gebiedsbeheerplan; • het bevoegd gezag Wet bodembescherming beslist over een gebiedsgerichte aanpak; • alleen een bestuursorgaan kan verantwoordelijk zijn voor een gebiedsgerichte aanpak; • de gebiedsgerichte aanpak ziet alleen op het (diepere) grondwater en niet op verontreinigingen in de bovengrond; • alle in het Beheergebied aanwezige bodemverontreinigingen met VOCl waarvoor de gemeente Eindhoven op basis van de Wbb verantwoordelijk is, maken bij start van het Gebiedsgericht Beheer onderdeel uit van de gebiedsgerichte aanpak; • deelname aan de gebiedsgerichte aanpak is voor overige saneringsplichtigen, c.q. probleemhebbers vrijwillig.

Met de GGB-beheerder zullen individuele afspraken gemaakt moeten worden over de voorwaarden waaronder deelname aan de gebiedsgerichte aanpak mogelijk is. Deze afspraken worden vastgelegd in een specifieke afkoopovereenkomst. Bij een gebiedsgerichte benadering is het definiëren en volledig afperken van een geval van bodemverontreiniging niet langer noodzakelijk. Dit is een groot voordeel omdat de vrijvallende financiën op een andere wijze ingezet kunnen worden.

projectnummer

datum

20797.4197

5 mei 2021

26

Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum

Waterwet / Keur De Waterwet regelt sinds 2009 het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet richt zich daarbij vooral op het waterkwantiteitsbeheer, waarbij de Wbb met name de waterkwaliteit in het grondwater regelt. Veel activiteiten in het watersysteem, en dus ook in het grondwater, zijn vergunnings- of meldingsplichtig. Bijvoorbeeld voor grotere grondwateronttrekkingen zoals WKO-systemen is een vergunning van de Provincie Noord-Brabant nodig. Het Waterschap De Dommel heeft naast de Waterwet ook eigen regels. Die regels staan in de zogenaamde Keur. In de Keur zijn door De Dommel onder meer de meldings- en vergunningscriteria opgenomen voor grondwateronttrekkingen. Bij het opstellen van dit Gebiedsplan is rekening gehouden met beleid en regelgeving van de provincie en het waterschap. Kaderrichtlijn Water / Grondwaterrichtlijn Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. De KRW heeft mede tot doel te bereiken dat de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater verbetert en goed is. Aantoonbaar moet zijn dat er a) geen trendmatige achteruitgang is waardoor de algehele toestand zou kunnen verslechteren en b) dat er geen toevoer is van (nieuwe) verontreinigingen.

Ons bodembeleid, met name zoals neergelegd in de Wet bodembescherming (Wbb) en de Circulaire Bodemsanering per 1 juli 2013, geeft invulling aan de KRW-doelstellingen voor grondwater. Omgevingswet Op 1 januari 2022 treedt de Omgevingswet in werking. Een groot aantal wetten, waaronder de bovenstaand genoemde Wbb en Waterwet, wordt dan vervangen door de nieuwe Omgevingswet. Doordat onderhavig Gebiedsplan op dat moment reeds in werking getreden is, vallen de in dit plan vastgelegde afspraken onder het zogenaamde overgangsrecht en blijven deze gewoon van kracht. Vier jaar nadat de Omgevingswet in werking is getreden wordt het Gebiedsplan van rechtswege een programma. Uitgangspunten en onderbouwing Bronaanpak De doelstelling van de gebiedsgerichte aanpak van het grondwater is dat de grondwaterverontreinigingen zich niet verplaatsen tot buiten het gebied. Concreet betekent dit dat de interventiewaarde voor VOCl (met VC als pluimbepalende parameter, dus 5 µg/l) de Doelgebiedsgrens (zie paragraaf 2.10) niet overschrijdt. Om deze doelstelling op de langere termijn te kunnen garanderen, en het risico van overschrijding van dit niveau te verlagen, is een reductie van de uitstroom van verontreinigingen uit de originele bronnen noodzakelijk.

Tevens vermindert dit het risico dat er hoge kosten voor actieve maatregelen moeten worden gemaakt om dit doel te bereiken, Door de hoeveelheid verontreiniging die zich vanuit de oorspronkelijke verontreinigingsbron naar het grondwater verplaatst significant te verlagen zullen (op termijn) de concentraties in het pluimgebied gestaag lager worden (kwaliteitsverbetering) én zal de grens van 5 µg/l aan VC op de Doelgebiedsgrens niet worden bereikt. Hierdoor neemt voor de GGB-beheerder het

projectnummer

datum

20797.4197

5 mei 2021

27

Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum

risico van overschrijding van de met het bevoegd gezag afgesproken concentraties op de gebiedsgrens aanzienlijk af. Een eventuele aanpak van de verontreinigingsbron maakt geen deel uit van dit gebiedsbeheerplan en dient volgens het reguliere Wbb-spoor, door de locatie-eigenaar of initiatiefnemer, uitgevoerd te worden. De bronaanpak moet dan leiden tot een dusdanige vrachtverwijdering en/of maatregel dat er een significante vermindering van de uitstroom van verontreiniging wordt bereikt. Wat onder “significant” wordt verstaan is maatwerk en wordt per geval met de GGB-beheerder overeengekomen als onderdeel van de afkoopovereenkomst. Toekomstige ontwikkelingen In de periode van tientallen jaren waarvoor dit gebiedsbeheerplan van kracht zal zijn zullen, door stedelijke ontwikkelingen en vanuit aspecten als bijvoorbeeld klimaatadaptatie en energietransitie, veranderingen gaan optreden in de onttrekkingen, infiltraties en grondwaterstromen binnen het gebied (zie paragrafen 2.3 en 2.4). De huidige invulling van het beheer is bepaald op actuele gegevens van de onttrekkingen en WKO’s. Uiteraard is bij het opstellen van het Gebiedsplan en de invulling van het gebiedsgericht beheer wél zo goed als mogelijk geanticipeerd op veranderingen, maar monitoring van de wijzigingen en de effecten daarvan is essentieel.

Om de doelen te kunnen halen moet de GGB-beheerder regie voeren over het gebied en de ondergrondse ontwikkelingen daarin. De GGB-beheerder heeft vanuit de Wbb hiertoe de mogelijkheden omdat ieder initiatief met een relevant effect op de grondwaterverontreiniging op basis van artikel 28 gemeld en door de GGB-beheerder goedgekeurd moet worden4. Het voorliggende plan gaat uit van verdunning, afbraak en overige natuurlijke processen in de pluimen gecombineerd met beheersende effecten door WKO-bronnen en daarnaast het risicogericht wegnemen van de verontreinigingsbronnen. Dit biedt voldoende oplossing om weloverwogen en met de GGB-beheerder afgestemde - veranderingen in het grondwatersysteem op te vangen en de gehanteerde aanpak, met de daarbij behorende verontreinigingssituatie, beheersbaar te houden. Consequentie van de aanwezige verontreiniging in het diepe grondwater is dat er, vanwege de kwaliteit, aandacht zal moeten blijven voor een verantwoorde omgang met het grondwater. Modelberekeningen Zoals in paragraaf 2.9 toegelicht zijn er diverse berekeningen uitgevoerd met een speciaal voor het Centrumgebied Eindhoven opgesteld grondwatermodel. Het Gebiedsbeheer is in belangrijke mate gebaseerd op de uitkomsten van deze berekeningen.

Voor alle in paragraaf 2.5 genoemde verontreinigde locaties is modelmatig bepaald wat de maximale verspreiding van het grondwater is in een periode van 50 jaar. Daarnaast is modelmatig berekend wat de verwachte verspreiding van de verontreiniging (op basis van meest mobiele stof, vinylchloride, en rekening houdend met retardatie en natuurlijke afbraak) in het grondwater is. Vervolgens is bepaald in hoeverre hierbij sprake is van bedreiging van de begrenzing van het Doelgebied en/of Beheergebied. De hieruit voortkomende relevante locaties zijn getoetst op de mate van kans op overschrijding van die grenzen. Dit levert een 4

Er wordt vanuit gegaan dat alle onttrekkingen (dus ook WKO’s) vallend onder artikel 28 Wbb gemeld worden aan de ODZOB en vervolgens getoetst worden door de gemeente Eindhoven in haar rol als GGB-beheerder. Dit geldt tevens voor alle lozingsmeldingen op de riolering die bij de gemeente Eindhoven binnenkomen.

projectnummer

datum

20797.4197

5 mei 2021

28

Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum

indicatieve prioritering op voor eventuele sanering / beheersing van de bron en/of beheersing van de pluim. De volgende locaties zijn bij deze beoordeling van de modelberekeningen als “relevant” naar voren gekomen: 1. Hessen Kasselstraat De locatie Hessen Kasselstraat ligt op korte afstand van de (zuid-)westelijke begrenzing van het Beheergebied. In deze grondwaterlaag zijn hoge concentraties aan CIS en VC aangetoond (zowel cis-1,2-dichlooretheen als vinylchloride zijn stoffen die ontstaan bij de natuurlijke afbraak van VOClverontreinigingen). De lopende, te continueren beheersing is niet voldoende om de verontreiniging in het 1e WVP (Watervoerend pakket), de verontreinigingspluim dus, volledig op zijn plaats te houden. 2. Palingstraat De locatie Palingstraat ligt in het westelijke deel van het Beheergebied en laat een verre noordelijke verspreiding zien. De lopende, te continueren beheersing is niet voldoende om de verontreiniging in het 1e WVP (eveneens hoge concentraties aan CIS en VC) ), de verontreinigingspluim dus, volledig op zijn plaats te houden. 7. De Witte Dame (maakt (nog) geen onderdeel uit van GGB-plan) Dit betreft de enige bekende, binnen het Beheergebied gelegen, locatie waarvoor de gemeente Eindhoven niet verantwoordelijk is. Signify is als verantwoordelijk “veroorzaker” momenteel een bronsanering aan het voorbereiden.

De locatie ligt centraal in het Beheergebied. De grondwaterverontreiniging in het 1e WVP wordt continu gevoed vanuit de bron in de deklaag (met zeer hoge concentraties aan PER, TRI, CIS en VC). Zij wordt direct beïnvloed door de in de nabijheid aanwezige WKO-installaties (de Admirant en de Lichttoren). Mede door het feit dat deze verontreiniging (nog) niet in het Gebiedsplan is opgenomen, vormt deze een potentiële bedreiging voor dit Gebiedsplan. 8. Strijpsestraat / Den Bult (valt buiten het GGB, toch relevant i.v.m. instroom in GGB-gebied) De locatie Strijpsestraat / Den Bult ligt op korte afstand van de westelijke begrenzing buiten het Beheergebied. Er is sprake van verontreiniging tot op grote diepte in het 1e WVP en in aanzienlijke concentraties (met name CIS). De modellering laat een grote toekomstige verspreiding zien tussen de WKO’s van Strijp-S en het Philips-stadion door. Modelmatig bezien blijft de verontreiniging dus buiten het Beheergebied. 12. Kruisstraat 97 / 138 De locatie Kruisstraat 97 / 138 bevindt zich in het noordelijke deel van het Doelgebied, redelijk nabij de begrenzing. Er is sprake van verontreiniging (CIS) in het 1e WVP die modelmatig op een termijn van (ruim) 25 jaar de grens van het Doelgebied overschrijdt. 13.

Tapuitstraat (/ Rietvinkstraat) De locatie Tapuitstraat ligt op zeer korte afstand van de (zuid-)oostelijke begrenzing van het Beheer- en Doelgebied. Er is sprake van verontreiniging tot in het 1e WVP en in aanzienlijke concentraties (met name CIS en VC). De verontreiniging bedreigt modelmatig in een periode van (ruim) 10 jaar de grens van het Doelgebied. 17. Kerkstraat 10-34 De locatie Kerkstraat ligt centraal in het zuidelijk deel van het Beheergebied. Er is vrijwel zeker sprake van verontreiniging tot in het 1e WVP. De contouren van

projectnummer

datum

20797.4197

5 mei 2021

29

Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum

de verontreiniging in het 1e WVP zijn niet goed bekend. Modellering toont aan dat eventuele verontreiniging in het 1e WVP onder invloed staat van de WKO de Admirant en mogelijk de Heuvelgalerie. Algemeen geldende conclusie Naast bovenstaande effecten, per individuele verontreiniging, is uit de modelberekeningen in zijn algemeenheid ook gebleken dat het grondwater in de deklaag zich richting het oppervlaktewater, de Dommel, verspreidt en hier op termijn, door een kwelsituatie, ook in uit kan stromen. Uitgaande van bronaanpakken binnen het Gebiedsbeheer wordt op langere termijn een verbetering van de algemene grondwaterkwaliteit gerealiseerd. Hieruit volgt derhalve ook een afname van de kans van daadwerkelijke “natuurlijke lozingen” op de Dommel en anders zeker een afname van de concentraties aan VOCl. De huidige verwachte gemodelleerde concentraties in het grondwater (zonder aanvullende maatregelen in de bronnen van de verontreinigingen!) liggen maximaal op enkele µg/l aan VC en/of CIS. Er is daardoor sprake van een te overzien risico dat in het kader van de gebiedsaanpak uiteraard zal worden gemonitord. Indien nodig kan desgewenst relatief snel worden gereageerd door het treffen van aanvullende maatregelen (bijvoorbeeld een geohydrologische beheersing, extra bronverwijdering of een bioscherm).

Waar mogelijk en waar de meerwaarde is aangetoond kan met slimme combinaties van functies of ingrepen in het Beheergebied de vracht preventief worden aangepakt. Risicoreductie, verhoging van de gebruiksmogelijkheden van het grondwater en kosteneffectiviteit zijn daarbij afwegingsfactoren.

Strategische doelstellingen Vanuit het kader van de Wet bodembescherming (Wbb) is het van belang om de milieutechnische en financieel-juridische voor- en nadelen van gebiedsgericht grondwaterbeheer verantwoord tegen elkaar af te zetten. De GGB-beheerder heeft de strategische doelstelling als volgt geformuleerd: “Een oplossing bieden voor gewenste maatschappelijke ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld de energietransitie, in de omgang met de aanwezige grondwaterverontreiniging binnen het gebied. Daarnaast is dit een kostenefficiënte saneringsoplossing voor het verontreinigd grondwater in het gebied, waarbij in elk geval geen verspreiding van verontreiniging buiten het Beheergebied, maar liever ook niet buiten het Doelgebied, mag optreden. Hiermee wordt het gebied buiten deze gebiedsgrenzen beschermd”. Met de geformuleerde strategische doelstelling wordt invulling gegeven aan het beschermen, benutten en verbeteren van de kwaliteit van het grondwater. In het volgende hoofdstuk is nader uitgewerkt hoe invulling wordt gegeven aan deze strategische doelstelling. Indien een partij besluit niet deel te nemen aan het gebiedsgericht beheerplan dient een verontreinigde locatie die binnen het Beheergebied ligt, te worden aangepakt conform de reguliere, gevalsgerichte, regels binnen de Wbb. Op die manier kan de kwaliteitsverbetering gegarandeerd worden, ook wanneer partijen niet deelnemen.

projectnummer

datum

20797.4197

5 mei 2021

30

Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum

5

Uitwerking gebiedsgerichte aanpak

In de navolgende paragrafen wordt nader toegelicht hoe invulling wordt gegeven aan het duurzaam beheren van het grondwater door het te beschermen, te benutten en te verbeteren. Beschermen Algemeen De te beschermen functies, zoals genoemd in Wbb artikel 55c, zijn nader omschreven in de Memorie van Toelichting op de Wijziging van de Wbb. De bescherming van de kwaliteit van het grondwater wordt gerealiseerd door (horizontale en verticale) fysieke grenzen te stellen aan de verspreiding van verontreinigende stoffen. Dit wordt de gebiedsgrens genoemd. Hiertoe wordt een maximale grens aangewezen waarbinnen de verontreinigingen dienen te blijven. Middels monitoring wordt deze grens bewaakt. Bij het beschermen ligt de focus op het mogelijk maken van bestaande en beoogde functies en meer in algemene zin de grondwaterkwaliteit van het 1e en 2e watervoerend pakket. Daarnaast dienen humane risico’s te worden voorkomen. Bescherming gebiedsgrenzen “De maximaal aanvaardbare concentratie aan verontreiniging buiten het beheergebied, bij het passeren van de Beheergebiedsgrens, is de interventiewaarde.

Daarbovenop geldt als doelstelling dat de concentratie op de Doelgebiedsgrens enkel in uitzonderingsgevallen de interventiewaarde mag overschrijden.” Vanuit de gebiedsgerichte benadering dient voorkomen te worden dat de verontreinigingen met concentraties hoger dan de interventiewaarde zich tot buiten het aangewezen Doelgebied – primair – en Beheergebied – secundair – verspreiden. In de verontreinigingspluimen in het centrum van Eindhoven vindt veelal geen volledige biologische afbraak plaats. Het dominante mechanisme dat resulteert in afname van concentraties in die pluimen is daarom Natural Attenuation. Het is een feit dat natuurlijke processen langzaam verlopen en dus veel tijd in beslag nemen. Daarom is een relatief groot gebied aangemerkt als Beheergebied, zodat er genoeg tijd en ruimte is om eventueel een interventie of bronsanering uit te voeren. Daarnaast is het gebied zó gekozen dat vrijwel alle huidige en verwachte WKO-systemen in het Centrumgebied onderdeel uit maken van dit Beheergebied. De ambitie van de GGBbeheerder spreekt uit het feit dat er daarnaast ook een (kleiner) Doelgebied is gedefinieerd waar de verontreinigingen niet uit mogen stromen. Op de Beheergebiedsgrens, maar feitelijk op de Doelgebiedsgrens, mag de concentratie aan verontreiniging maximaal de interventiewaarde worden. Dit betreft 5 µg/l voor VC als zijnde de meest mobiele parameter.

Stroomafwaarts daarvan is de concentratie in de pluim lager dan de interventiewaarde, waarmee wordt voorkomen dat dat grondwatervolume “vergrijst” door instroming van sterk verontreinigd grondwater. De focus bij het gebiedsgericht beheer van het verontreinigde grondwater ligt op het bewaken van de grenzen van het Doel- en Beheergebied. Hiertoe wordt een monitoringsnetwerk van peilbuizen ingericht (zie hoofdstuk 6). Bij overschrijding van de geldende gehalten worden maatregelen getroffen en, indien blijkt dat de verontreiniging het Doelgebied dreigt te verlaten, dienen aanvullende beheersmaatregelen getroffen te worden in de stroombaan van de pluimen. Dit kan bijvoorbeeld zijn in de vorm van injectie van voedingstoffen, eventueel aangevuld met bacteriën die in staat zijn de VOCl-verontreiniging af te breken. Hiermee

projectnummer

datum

20797.4197

5 mei 2021

31

Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum

worden de omstandigheden voor afbraak verbeterd en worden natuurlijke processen versneld. Uiteindelijk resulteert een maatregel erin dat de gebiedsgrenzen, en het stroomafwaarts daarvan gelegen gebied, beschermd worden. Enkel in uitzonderlijke gevallen kan (door de GGB-beheerder) toegestaan worden dat de Doelgebiedsgrens overschreden wordt en dat verontreiniging zich mag verspreiden tot maximaal de Beheergebiedsgrens. In deze uitzonderingsgevallen zal een objectieve afweging gemaakt moeten worden op, in elk geval, de aspecten “grondwaterkwaliteit”, “doelmatigheid”, “te leveren inspanning”, “maatschappelijk belang van veroorzakend aspect”, “financiën” en overige relevante punten. Deze onderbouwing maakt onderdeel uit van de periodieke “evaluatie” (zie ook par. 6.3) en wordt ter informatie aan de diverse bij het gebiedsbeheer betrokken instanties (ODZOB/Waterschap/provincie) gestuurd. Omgekeerd geldt ook dat het voor verontreinigingen, die aanwezig zijn buiten het Beheergebied, niet toegestaan is dat zij het Beheergebied instromen. Althans niet zonder dat deze verontreinigingspluim opgenomen is in het Gebiedsgericht Beheer. Als concentratiegrens wordt ook hiervoor de Interventiewaarde aangehouden.

Kortom, indien verontreinigingen het Beheergebied instromen in concentraties boven de Interventiewaarden zullen er door de voor die verontreiniging verantwoordelijke partij maatregelen genomen dienen te worden. Bescherming kwetsbare objecten “Er mogen geen risico’s voor mens of ecosysteem optreden, kwetsbare objecten dienen beschermd te worden.” Kwetsbare objecten moeten beschermd worden en risico’s voor mens en ecologie moeten voorkomen dan wel weggenomen worden. Het gaat dan met name om het wegnemen van humane risico’s en het verwijderen van verontreinigingsvracht dan wel het nemen van passende beheersmaatregelen bij de bron om nalevering naar de pluim te voorkomen. Van belang is om te vermelden dat moederproducten (PER en TRI) in de Waterwet en KRW als prioritaire stoffen (voormalige zwarte lijststoffen) zijn aangemerkt. Indien deze stoffen in het oppervlaktewater worden aangetroffen (of dreigen te komen), wordt bekeken welke maatregelen noodzakelijk zijn om (verdere) instroom naar dit oppervlaktewater te voorkomen. Voor afbraakproducten (DCE en VC) geldt vaak een andere benadering. Hierbij spelen maatschappelijke afwegingen, zoals milieurendement en kosten een belangrijke(re) rol.

Binnen het Beheergebied bevinden zich enkele beschermde/kwetsbare objecten (zie ook paragraaf 2.7): • De Dommel als ecologische verbindingszone en als KRW-oppervlaktewater; • Karpendonkse plas en de IJzeren Man, beide onderdeel van het Nationaal Natuurnetwerk; • Gebieden met kwelsituatie of zeer ondiepe grondwaterstand binnen het Beheergebied; • Het 2e watervoerend pakket als onze strategische drinkwatervoorraad. De verontreiniging bevindt zich voornamelijk in het onderste deel van de deklaag (ca. 12-20 m -mv) en in (de top van) het 1e watervoerend pakket (ca. 25 à 40 m -mv). Over het algemeen kan gesteld worden dat de stromingsrichting in de deklaag “richting de Dommel” of laaggelegen gebieden (zoals Neckerspoel) is. Binnen de “Dommelgebieden”, en een strook

projectnummer

datum

20797.4197

5 mei 2021

32

Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum

parallel daaraan, is sprake van kwel. Bij de monitoringsopzet wordt terdege rekening gehouden met de aanwezigheid van deze kwetsbare objecten. Verwacht wordt, ondersteund door de modelberekeningen, dat deze kwetsbare objecten niet daadwerkelijk bedreigd worden door de aanwezige verontreiniging in het grondwater, althans dat het oppervlaktewater ter plaatse niet verontreinigd raakt. De kwetsbare objecten drinkwaterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied en boringsvrije zone bevinden zich aan de stroomopwaartse zijde, buiten het Beheergebied. Deze gebieden worden niet beïnvloed door de verontreinigingen binnen het Beheergebied. Benutten Algemeen Benutten is het gebruik maken van de ondergrond voor binnenstedelijke dynamiek. Hierbij moet gedacht worden aan het faciliteren van bodemenergiesystemen, bouwputbemalingen bij gebiedsontwikkeling, grondwaterwinningen voor industrieel gebruik en onderhoudswerkzaamheden aan bijvoorbeeld rioleringen. Stagnatie van de werkzaamheden en kosten dienen hierbij te worden beperkt door alleen die eisen aan het werk te stellen die vanuit het “Beschermen” en zo mogelijk “Verbeteren” strikt noodzakelijk zijn. Specifiek Binnen het vastgestelde Beheergebied wordt verspreiding van verontreiniging, oftewel ‘vergrijzing’, toegestaan.

Een gegeven waarmee rekening wordt gehouden is dat, ondanks het feit dat verdunning plaatsvindt en naleverende bronnen verwijderd worden (zie paragraaf 5.3), gebieden die nu nog schoon zijn in de komende decennia (licht) verontreinigd kunnen raken. Daarbij kunnen, afhankelijk van de mate van verontreiniging, eventueel aanvullende maatregelen van kracht zijn. Derhalve dienen diverse belangen tegen elkaar afgewogen te worden. Het gaat hierbij om (andere) overheidsbelangen, commerciële belangen en belangen van private partijen binnen het gebied. Overheidsbelangen kunnen aan de orde zijn in het kader van ruimtelijke plannen/ontwikkelingen en waterplannen. Commerciële en overige belanghebbenden, nu of in de toekomst, kunnen zijn: • vergunninghouders van industriële grond- en/ of drinkwaterwinningen; • vergunninghouders van open WKO-installaties; • vergunninghouders voor het uitvoeren van een bronbemaling; • beschikkinghouders van ernstige niet-spoedeisende gevallen van grondwaterverontreiniging; • beschikkinghouders van lopende grondwatersaneringen; • beschikkinghouders van reeds afgeronde saneringen waarbij een restverontreiniging in het grondwater is achtergebleven (nazorg); • andere overheden/instanties zoals provincie Noord-Brabant, waterschap De Dommel en drinkwaterbedrijf Brabant Water.

Binnen het Beheergebied zijn op dit moment diverse onttrekkingen en WKO-systemen aanwezig (zie paragrafen 2.3 en 2.4). Daarnaast zijn er diverse concrete plannen om aanvullende WKO-systemen te realiseren. Gezien de gewenste energietransitie en de bouwplannen (bijvoorbeeld in de Spoorzone) is de verwachting dat het aantal WKO-systemen in de komende jaren een grote vlucht gaat nemen in het Beheergebied. Het separaat beheren van aanwezige grondwaterverontreinigingen wordt onmogelijk, waardoor een gebiedsgerichte aanpak de enige mogelijke optie is om een blokkade van deze (gewenste) ontwikkelingen te

projectnummer

datum

20797.4197

5 mei 2021

33

Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum

voorkomen. Het blijft hierbij wel van belang dat water ten behoeve van een open WKO systeem in hetzelfde bodempakket wordt teruggebracht zodat verspreiding van de (eventueel aanwezige) verontreiniging naar andere bodempakketten wordt voorkomen. Gezien de dikte van het 1e watervoerend pakket en de verticale begrenzing van het Beheergebied op ca. 90 m -mv (70 m -NAP) hoeft dit geen beperkingen op te leveren. Binnen het Beheergebied kunnen er onttrekkingen bijkomen of juist stoppen als gevolg van stedelijke ontwikkelingen of klimaatadaptatie. Afhankelijk van de locatie en de aard van deze onttrekkingen, al dan niet in combinatie met infiltratie van grondwater, hebben deze een positief of negatief effect op de aanwezige verontreinigingen. Een netto-onttrekking kan immers leiden tot vrachtverwijdering, waar een infiltratie juist voor een versnelde verspreiding kan zorgen. Indien men voornemens is een onttrekking op te starten, dan dient dit in overleg met de GGB-beheerder plaats te vinden. Deze verplichting is voor relevante onttrekkingen geborgd middels wetgeving, namelijk art. 28 van de Wet bodembescherming. Verbeteren Algemeen Verbeteren richt zich op het met gerichte inspanningen op wat langere termijn toch realiseren van een trendomkeer in de grondwaterkwaliteit. Deze trendomkeer wordt met name gerealiseerd door het saneren van de bronnen van de verontreinigingen.

Vrachtverwijdering wordt uiteraard niet alleen nagestreefd om aan de regels van de KRW te voldoen. Daarnaast wordt op deze manier ook gehoor gegeven aan de wens van de gemeente Eindhoven om naar een verbeterde leefomgeving toe te werken, waarbij de kwaliteit van het grondwater steeds minder belemmeringen oplevert. Verwijdering van bronnen Binnen het Beheergebied wordt gestreefd naar een kwaliteitsverbetering door het wegnemen van uitstroom van verontreiniging vanuit de bestaande bronnen (sanering dan wel beheersing). De sanering van verontreinigingsbronnen vormt geen onderdeel van het Gebiedsbeheerplan. Voor de aanpak van de afzonderlijke bronnen moeten daarom afzonderlijke saneringsplannen opgesteld worden. In deze saneringsplannen dient duidelijk gemaakt te worden hoeveel vracht wordt weggenomen door de ingreep en wat het effect hiervan is op de ontwikkeling van de pluim. De GGB-beheerder zal een prioritering maken in de aanpak van verontreinigingsbronnen. Belangrijke factoren bij deze prioritering zijn: a. de risico’s van de verontreinigingsbron in relatie tot het Gebiedsplan, bijvoorbeeld de kans op overschrijding van grenzen; b. de in de verontreinigingsbron aanwezige vracht; c. ruimtelijke ontwikkelingen, bijvoorbeeld mogelijkheden voor “samenloop” of juist de verwachting van een negatief effect op verspreiding; d. uiteraard de financiële middelen.

In paragraaf 2.5 is een overzicht opgenomen van de locaties, binnen het Beheergebied, die onderdeel uit maken van dit Gebiedsplan (16 stuks, nog exclusief de Witte Dame). In 4.2 is voor deze locaties een prioritering op basis van de bodemverontreiniging opgenomen, dus enkel op grond van bovenstaande onderdelen a en b. Sec vanuit dit verontreinigingsoogpunt bezien betekent dit dat bepaalde locaties (bijvoorbeeld Tapuitstraat) meer risico opleveren voor het gebiedsbeheer dan de overige locaties. Een (aanvullende) bronaanpak op deze

projectnummer

datum

20797.4197

5 mei 2021

34

Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum

locatie levert, vanuit gebiedsbeheer bezien, dan ook meer risicoreductie op dan op andere locaties. Kwaliteitsverbetering in de pluim In dit gebiedsbeheerplan wordt uitgegaan van een geleidelijke kwaliteitsverbetering van het grondwater door de aanpak van verontreinigde bronnen en biologische afbraak en verdunning in de pluimen. Biologische afbraak vindt meestal slechts gedeeltelijk plaats, de afname van concentraties in de pluim treedt vervolgens met name op door overige natuurlijke processen. Verdunning bijvoorbeeld leidt weliswaar in dat geval tot afname van concentraties in de pluim, maar de pluim wordt daarnaast door verdunning ook groter. Looptijd van het plan Gezien het relatief trage verloop van de processen in de bodem is het van belang om gedurende langere tijd goede regie te voeren op de beheersing van en omgang met de verontreinigingen in het grondwater. Daarom is de looptijd van het GGB 50 jaar. Gedurende deze periode wordt de verspreiding van de grondwaterverontreinigingen binnen het beheergebied goed gevolgd en worden de biologische afbraakprocessen en Natural Attenuation in de ondergrond gestimuleerd. Hierdoor verbetert de grondwaterkwaliteit gestaag. Monitoring van de optredende verspreiding en beheer- en beheersmaatregelen zorgen ervoor dat de grenzen van het beheergebied niet worden overschreden en dat kwetsbare objecten worden beschermd.

projectnummer

datum

20797.4197

5 mei 2021

35

Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum

6

Monitoring Algemeen

Aan de hand van het monitoringprogramma wordt getoetst in hoeverre de doelstellingen van het Gebiedsplan ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. De monitoring in het Doel/Beheergebied is gestoeld op twee kenmerken: 1. omgevingsgerichte (controlerende) monitoring op de gebiedsgrens, bedoeld om te toetsen of de beheerdoelstelling gerealiseerd wordt; 2. gebiedsgerichte (verifiërende) monitoring binnen het gebied, gericht op bescherming van bedreigde objecten, het toetsen van de pluimontwikkeling en de algemene grondwaterkwaliteit en daarmee (dus) de mogelijke risico’s voor het gebiedsbeheer. Bij de beschrijving van de monitoringsopzet in de navolgende paragrafen, wordt, als onderdeel van de omgevingsgerichte (controlerende) monitoring (1), naast een monitoring ter controle van de gebiedsgrens ook de monitoring beschreven ter plaatse van de zuidwestkant van het TU/e-terrein, zie paragraaf 2.10. De resultaten van de gebiedsgerichte (verifiërende) monitoring (2) zijn essentieel om het Gebiedsbeheer verantwoord uit te voeren. Voor de opzet van de monitoring is gebruik gemaakt van de resultaten van het specifiek hiervoor opgestelde grondwater- en stoftransportmodel. Gezien de toekomstige dynamiek in het Beheer- en Doelgebied moet het gebied, wat betreft grondwaterstromingsrichting en -snelheid, tot op zekere hoogte als een “black box” beschouwd worden.

Vroegtijdig (h)erkennen van potentiële risico’s is essentieel om te kunnen blijven voldoen aan de doelstelling van het Gebiedsbeheer. Zoals in de volgende paragraaf zal blijken is (een deel van) de omgevingsgerichte (controlerende) monitoring (1) een steekproefsgewijze monitoring. De minimaal verantwoorde intensiteit van dit monitoringsonderdeel wordt nadrukkelijk bepaald door de intensiteit waarin de gebiedsgerichte monitoring (2) wordt uitgevoerd. Het uitgangspunt voor de in de volgende paragraaf beschreven (minimale) omgevingsgerichte monitoring (1) is dat de gebiedsgerichte monitoring (2) zeer intensief wordt uitgevoerd en dat alle mogelijkheden die de GGB-beheerder heeft ook worden benut. Om de beschreven intensiteit verantwoord te laten zijn moet de GGB-beheerder: • randvoorwaarden opnemen in alle af te sluiten afkoopovereenkomsten met betrekking tot het leveren van relevante gegevens. Bijvoorbeeld omtrent onttrekkings- en infiltratiedebieten, filterstellingen, grondwaterkwaliteit etc. • de plaats en schakeling van toekomstige WKO’s regisseren om tot een risico reducerende lay-out/werking van toekomstige WKO-systemen te komen. De GGB-beheerder is verantwoordelijk voor de uitvoering van de monitoring. De GGBbeheerder legt de resultaten van de monitoring en de eventuele te ondernemen aanvullende maatregelen ter goedkeuring voor aan het bevoegd gezag Wbb.

projectnummer

datum

20797.4197

5 mei 2021

36

Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum

Monitoringsdoelstellingen Op basis van de in paragrafen 2.9 en 2.10 beschreven gebiedsgrenzen en -indeling en de gehanteerde uitgangspunten zijn de volgende monitoringsdoelen geformuleerd: Omgevingsgerichte (controlerende) monitoring 1. controle Doelgebiedsgrens (en Beheergebiedsgrens); 2. verificatie rand TU/e-terrein. Gebiedsgerichte (verifiërende) monitoring 3. verificatie bedreigde objecten; 4. verificatie pluimgedrag; 5. verificatie algemene gebiedskwaliteit. De monitoringsdoelen en de bijbehorende monitoringsinspanning worden in de volgende paragrafen toegelicht. Dit betreft de strategie en visie op de monitoring met een gedeeltelijke getalsmatige invulling. De concrete invulling van de monitoring inclusief exacte locaties en meetregime wordt vastgelegd in een “Monitoringsplan in het kader van Gebiedsgericht Grondwater Beheer Eindhoven Centrum” dat parallel aan dit Gebiedsplan wordt opgesteld. De inhoud van dit monitoringsplan wordt afgestemd met de ODZOB. Ad 1. Controle Doelgebiedsgrens (en Beheergebiedsgrens) Het uitgangspunt is dat op de Doelgebiedsgrens de concentratie in de pluim maximaal oploopt tot de interventiewaarde. Uit de modelberekeningen blijkt dat, zonder aanvullende saneringsmaatregelen, deze grens de komende 25 jaar waarschijnlijk nergens wordt bereikt.

Gezien de grondwaterstromingsberekeningen zullen enkele bekende verontreinigingspluimen deze grens in de periode daarna wel kunnen bereiken. Uiteraard is bij al deze berekeningen uitgegaan van de op dit moment actieve WKO-systemen en onttrekkingen waarbij, in beperkte mate, geanticipeerd is op verwachte toekomstige ontwikkelingen. Omdat de schakeling van WKO-doubletten (combi van koude- en warmtebron) ten opzichte van elkaar grotendeels bepaalt of de grondwaterstroming min of meer stagnant of juist extra snel is, kan zeker niet enkel van modelvoorspellingen uitgegaan worden. Monitoring op de Doelgebiedsgrens is daarmee essentieel. Zoals eerder gesteld is het streven van de GGB-beheerder om verontreiniging niet verder te laten stromen dan deze (Doelgebieds-)grens. Hiermee is een zo gering mogelijk grondwatervolume betrokken in het Gebiedsgericht Grondwaterbeheer en wordt maximale bescherming geboden aan de IJzeren Man en Karpendonkse Plas. Mocht om zwaarwegende redenen besloten worden om te accepteren dat de Doelgebiedsgrens wordt overschreden dan wordt op dat moment een nieuwe monitoringslijn ingericht ter hoogte van de Beheergebiedsgrens. NB: uit de modelberekeningen blijkt dat het verontreinigde grondwater in de toekomst ónder de IJzeren Man en Karpendonkse Plas door stroomt. Ad 2.

Verificatie rand TU/e-terrein Middels de modelberekeningen is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd van mogelijke effecten als gevolg van de WKO-doubletten op het TU/e-terrein. Hieruit is gebleken dat, bij de huidige verwachte schakeling van de WKO-systemen, eventueel aan de zuidwestkant van het

projectnummer

datum

20797.4197

5 mei 2021

37

Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum

terrein aanwezige verontreiniging - in relatief korte termijn, namelijk ca. 10 jaar - de oostkant van het terrein kan bereiken en daarmee de Doelgebiedsgrens. Aangezien de GGB-beheerder geen invloed heeft op de schakeling (of wijziging van de instelling) van dit bestaande WKO-systeem moet dit als een potentiële bedreiging voor het Gebiedsgerichte Beheer worden beschouwd. In de monitoringsopzet is rekening gehouden met een intensief meetnet aan de zuidwestzijde van het TU/e-terrein zodat de kwaliteit van het instromende grondwater bekend is. Feitelijk is dit monitoringsdoel een “voorloper” van de monitoring ten noordoosten van het TU/e -terrein. Het biedt tevens de kans om bij overschrijding een bewuste keuze te maken tussen “vergrijzing” van het grondwater onder het TU/e-terrein en een extensieve beheersingsmaatregel aan de bedreigde zuidwestkant. Ad 3. Verificatie bedreigde objecten Vanuit de gebiedsinventarisatie in combinatie met de uitgevoerde modelberekeningen is een aantal bedreigde objecten gedefinieerd. De IJzeren Man en Karpendonkse Plas vallen buiten het Doelgebied en worden dus niet bedreigd door het Gebiedsgericht Grondwaterbeheer. Mocht in een later stadium besloten worden om verontreiniging het Doelgebied uit en het Beheergebied in te laten stromen dan zullen beide plassen wél in dit monitoringsdoel betrokken moeten worden.

De Dommel daarentegen valt binnen het Doelgebied en is, gezien de stromingsrichting in de deklaag en de kwelsituatie, een bedreigd object dat zeker aandacht behoeft. In eerste instantie wordt de monitoring hiervan risicogericht ingestoken. Dit betekent concreet dat op basis van de meest risicovolle grondwaterverontreinigingen op dit moment (beschouwd vanuit diepte, stromingsrichting en verontreinigingsgehalten) de monitoringslocaties van het oppervlaktewater worden geselecteerd. Ad 4. Verificatie pluimgedrag De onder voorgaande monitoringsdoelen 1 en 3 beschreven monitoringsinspanning richt zich met name op het “eindpunt”, op de maximaal toegestane verspreiding. In het kader van verantwoord Gebiedsbeheer is het uiteraard wenselijk, maar ook noodzakelijk, om eerder inzicht te hebben in het verspreidingsgedrag van de bekende grondwaterverontreinigingen en de invloed van alle WKO-systemen op de grondwaterstromingen en -kwaliteit. De GGB-beheerder zal hiertoe een selectie maken van bestaande (monitorings)peilbuizen van de twee gevallen van bodemverontreiniging die op grond van ligging, gemeten concentraties en huidige pluimgrootte een potentieel risico vormen voor de Doelgebiedsgrens. Dit zijn de verontreinigingen 12, Kruisstraat en 13, Tapuitstraat. De resultaten van deze monitoringspeilbuizen geven een vroegtijdig voorspellend gedrag op de Doelgebiedsgrens.

Het doel van deze monitoring is om de risico’s van het Gebiedsbeheer beter, en eerder, in te kunnen schatten zodat indien nodig tijdig bijgestuurd kan worden. Voor de duidelijkheid, de hier bedoelde monitoringspeilbuizen zijn niet dezelfde als die in figuur 9, op de rand van het Doelgebied, zijn weergegeven.

projectnummer

datum

20797.4197

5 mei 2021

38

Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum

Ad 5. Verificatie algemene gebiedskwaliteit Naast de onder Ad 4. beschreven verificatie van het pluimgedrag van twee specifieke “gevallen van bodemverontreiniging” zal de GGB-beheerder een selectie maken van overige bestaande (monitorings-)peilbuizen van alle, in het Beheergebied gelegen, “gevallen van bodemverontreiniging”. Deze selectie wordt gemaakt op grond van ligging en gemeten concentraties. De resultaten van de monitoring hebben eveneens tot doel om de risico’s van het Gebiedsbeheer beter en eerder in te kunnen schatten zodat tijdig bijgestuurd kan worden. Als onderdeel van dit monitoringsdoel geldt ook dat lopende beheersingen / onttrekkingen periodiek bemonsterd zullen worden, c.q. resultaten (in het kader van verplichte monitoring) gebruikt zullen worden: • diepere filters van de ontwatering Fellenoord/Neckerspoel • influent beheersing Hessen Kasselweg • influent beheersing Palingstraat Daarnaast kunnen de GGB-beheerder meer gegevens ter beschikking staan, afhankelijk van de te maken afspraken. De GGB-beheerder kan, als onderdeel van de afspraken met initiatiefnemers, verzoeken om monitoringsgegevens van grondwateronttrekkingen, of met WKO-beheerders afspreken dat periodiek de concentratie van het onttrokken grondwater wordt gemeten.

Het is cruciaal dat de GGB-beheerder en de ODZOB op dit vlak goede afstemming hebben over de ontvangen meldingen en vergunningaanvragen voor werkzaamheden in de ondergrond. De verplichting om informatie te leveren geldt ook voor probleemeigenaren die hun pluim overdragen aan de GGB-beheerder. Het is zeer aan te raden om, als onderdeel van de afkoopovereenkomst, de (voormalige) probleemeigenaar gegevens te laten verstrekken omtrent en/of betrekking hebbend op de grondwaterkwaliteit (bijv. van de bronsanering, van de monitoring van het effect van de bronsanering, c.q. effect naar pluim etc.). Met dergelijke gegevens van verontreinigingsconcentratie, -diepte en plaats van monstername kan het grondwaterbeheer, met name wijzigingen die in de loop van de tijd optreden, beter gestuurd worden. Uitgangspunten monitoringssysteem Diepte en ligging Voor de monitoringsopzet worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: - het verticale grondwatertraject tot ca. 60 m -mv wordt opgedeeld in drie relevante waterlagen, afgeleid van de grondwatermodellagen. De bijbehorende globale monitoringsdieptes zijn ca. 20-25 m -mv, 35-40 m -mv en 50-55 m -mv. De exacte filterstelling wordt per locatie afgestemd op de bodemopbouw; - het verticale grondwatertraject tussen ca. 60 en ca. 90 m -mv wordt opgedeeld in twee relevante waterlagen. De bijbehorende globale monitoringsdieptes zijn ca.

65-70 m -mv en 75-80 m -mv. Ook hiervoor geldt de exacte filterstelling per locatie wordt afgestemd op de bodemopbouw; - ruimtelijke steekproefsgewijze verdeling langs de gehele Doelgebiedsgrens (h.o.h.afstand ca. 800 meter); - de monitoringspeilbuizen op de grens (Doelgebied en Beheergebied) worden waar mogelijk op een “5-jaars”-afstand geplaatst. Op basis van de resultaten van de uitgevoerde modelberekeningen is dit ca. 100 meter.

projectnummer

datum

20797.4197

5 mei 2021

39

Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum

Stoffen De monitoring richt zich alleen op de aanwezigheid van VOCl’s, aangezien het Gebiedsplan daar specifiek voor bedoeld is. Van deze VOCl’s is Vinylchloride de meest belangrijke en kritische op grond van de grootste mobiliteit. Als analysepakket wordt het pakket VOCl-11 gebruikt. Waar nodig wordt dit aangevuld met overige VOCl’s indien deze al eerder zijn aangetoond (als voorbeeld: de chloormethanen bij ’De Witte Dame’) en blijkt dat de parameters uit pakket VOCl-11 onvoldoende zekerheid bieden om als ‘gidsparameter’ te dienen. Geohydrologische situatie Naast monitoring op grondwaterkwaliteit wordt bij elke monitoringsronde ook de stijghoogte van het grondwater in de peilbuizen bepaald. Op deze manier wordt inzicht verkregen in de lokale geohydrologische situatie in het beheergebied en kan periodiek de stromingsrichting herijkt worden. Frequentie Er wordt aangevangen met jaarlijkse monitoring, gedurende de eerste 5 jaar (tot het eerste ijkoment, de levering van het eerste evaluatierapport, zie 6.5), om een goede databasis te leggen. Vervolgens vindt monitoring elke 5 jaar plaats (de ligging van de monitoringspeilbuizen is gebaseerd op een 5-jaars afstand van de grens). Indien er onverwachte resultaten uit de monitoring komen vindt herbemonstering plaats na 3 maanden.

Gefaseerde opzet van het monitoringssysteem In deze paragraaf wordt een eerste globale invulling gegeven aan de opzet en aanleg van het monitoringssysteem in de tijd. De daadwerkelijke gedetailleerde opzet wordt, in een parallel tijdsspoor, nader uitgewerkt in een separaat Monitoringsplan. In navolgende figuur 9 is de globale strategische verdeling van te plaatsen peilbuizen ten behoeve van de monitoring weergegeven. De peilbuizen liggen, zoals eerder beschreven, in het verlengde van de aangetoonde pluimen, als afscherming van de WKO-bronnen van de TU/e en ruimtelijk verdeeld over de Doelgebiedsgrens. Met betrekking tot de voorgestelde ligging van de monitoringspeilbuizen / -punten wordt opgemerkt dat de aangegeven locatie een zoekgebied met een diameter van 100 meter representeert. De exacte locatie wordt afgestemd op de lokale omstandigheden en de vereiste 5-jaarsafstand.

projectnummer

datum

20797.4197

5 mei 2021

40

Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum

Figuur 9. Strategische verdeling monitoringspunten NB: Toelichting op de ligging van de grenzen. De Doelgebiedsgrens ligt voor een belangrijk deel op de Beheergebiedsgrens. Alleen in de bekende en – naar de toekomst verwachte – richting van de grondwaterstroming ligt er ruimte tussen de Doelgebieds- en Beheergebiedsgrens (noordelijke en noordoostelijke kant).

Opzet bij aanvang Omgevingsgerichte (controlerende) monitoring 1. controle Doelgebiedsgrens (en Beheergebiedsgrens); 2. verificatie rand TU/e-terrein. De omgevingsgerichte monitoring richt zich primair op de verwachtingen van het geohydrologische model. Dit betekent dat doelgerichte monitoring wordt verricht op die plaatsen waar er sprake is – op grond van het model – van potentiële bedreiging van de Doelgebiedsgrens. Dat zijn in eerste instantie: • monitoring nabij de Doelgebiedsgrens stroomafwaarts van de meest relevante verontreinigingen (zie paragraaf 6.2) te weten: o locatie 12 Kruisstraat 97/138 o locatie 13, Tapuitstraat Deze monitoringspeilbuizen worden waar mogelijk op een “5-jaars”-afstand van de Doelgebiedsgrens geplaatst. Op basis van de resultaten van de uitgevoerde modelberekeningen is dit ca. 100 meter. Voor de globale ligging zie figuur 9: “Pluimgerichte risicomonitoring” , 4 locaties, elk 5 filters;

projectnummer

datum

20797.4197

5 mei 2021

41

Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum

•

•

extra monitoring nabij de Doelgebiedsgrens aan de noordzijde, bedoeld om de onzekerheid in de stromingsrichting stroomafwaarts van de Kruisstraat af te dekken. Deze monitoringspeilbuizen worden eveneens waar mogelijk op 100 meter afstand van de Doelgebiedsgrens geplaatst. Voor de globale ligging zie figuur 9: “Intensievere monitoring” , 2 locaties, elk 3 filters; monitoring ter plaatse van de zuidwestkant van het TU/e-terrein (zie paragraaf 6.2 ad 2 van het Gebiedsplan). Deze monitoring richt zich op de controle van verspreiding naar de WKO van de TU/e. Voor de globale ligging zie figuur 9: “Intensievere monitoring” . Deze bestaat uit: o 3 monitoringslocaties, elk 3 filters aan de zuidzijde van de Professor Dr. Dorgelolaan o 2 monitoringslocaties, elk 3 filters aan de oostzijde van het TU/e-terrein, langs de John F. Kennedylaan

Gebiedsgerichte (verifiërende) monitoring 1. verificatie bedreigde objecten; 2. verificatie pluimgedrag; 3. verificatie algemene gebiedskwaliteit. Doelgerichte omgevingsgerichte monitoring kan alleen indien periodiek voldoende informatie over de ontwikkelingen binnen het Beheergebied beschikbaar komt, de gebiedsgerichte monitoring. Hiermee wordt de algemene kwaliteit en de ontwikkeling daarin als gevolg van afbraak, maar ook dynamiek, binnen het Beheergebied gecontroleerd. De informatie komt van peilbuizen en bestaande (en nieuwe) bodemenergie-installaties en onttrekkingen: • verificatie bedreigd object de Dommel waarbij de kwaliteit van het oppervlaktewater direct stroomafwaarts van de potentiële instroming wordt gemonitord. Voor de globale ligging zie figuur 9 “Risicogerichte monitoring oppervlaktewater” : o het oppervlaktewater in de zuidwesthoek van het TU/e-terrein, bedreigd door de verontreiniging “Kruisstraat”, 1 locatie; o het oppervlaktewater aan de zuidoostkant van het gebied ter hoogte van de Bleekstraat, bedreigd door de verontreiniging “Kerkstraat”, 1 locatie; • verificatie pluimgedrag van de 2 meest relevante verontreinigingen.

Hierbij wordt gebruik gemaakt van één of enkele bestaande peilbuizen in de navolgende pluimen, exacte locaties nog nader te bepalen: o locatie 12 Kruisstraat 97/138, 1-2 locaties; o locatie 13, Tapuitstraat, 1-2 locaties; • verificatie algemene gebiedskwaliteit. Onderstaande opzet is als voorbeeld ingebracht. Het vereist – met name qua WKO en tijdelijke onttrekkingen – de nodige afspraken en handhaving om dit te kunnen garanderen: o overige relevante gevallen van bodemverontreiniging (onderdeel van het GGB), te weten locaties 1. Hessen Kasselstraat, 2. Palingstraat en 17. Kerkstraat. Hierbij wordt gebruik gemaakt van één of enkele bestaande peilbuizen (niet perse nu gelinkt aan deze gevallen, locaties nader te bepalen). In totaal 4-6 locaties; o de Witte Dame (locatie onder verantwoordelijkheid van Signify) Van deze locatie wordt jaarlijks een monitoringsrapportage verwacht. Meerdere locaties; o de diepere filters van de ontwatering Fellenoord/Neckerspoel. 3 locaties;

projectnummer

datum

20797.4197

5 mei 2021

42

Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum

o o

o

het influent van de bestaande onttrekkingen / grondwaterbeheersingen ter plaatse van de Hessen Kasselstraat en de Palingstraat. 2 locaties; bestaande WKO-installaties binnen het Beheergebied. Van deze locaties worden elk half jaar bemonsteringsresultaten verwacht (zomer en winterinstellingen). Voor nieuwe WKO’s wordt een vergelijkbare verplichting opgelegd. 14 (deels geclusterde) locaties en groeiend; tijdelijke grondwateronttrekkingen. Voor nieuwe tijdelijke grondwateronttrekkingen / bouwputbemalingen wordt minimaal inzicht in de start- en eindsituatie als verplichting opgelegd. Aantal locaties afhankelijk van dynamiek.

Aanvulling van de basisopzet Aan de monitoring van het instromende grondwater nabij de Beheergrens (aan de zuidzijde en het zuidelijke en noordelijke deel van de westzijde) wordt gefaseerd invulling gegeven. Wijzigende geohydrologische omstandigheden en/of potentiële bedreiging van het Beheergebied van buitenaf vormen directe aanleidingen om specifieke peilbuizen te plaatsen. Voor de globale ligging zie figuur 9: “Monitoring Doelgebiedsgrens” 10 locaties; De monitoring van de Beheergrens moet uiterlijk binnen 10 jaar actief zijn. Geadviseerd wordt deze peilbuizen eerst 3 jaar jaarlijks te monitoren en vervolgens te laten aansluiten bij de 5 jaars-periode. Vervolgactie bij geconstateerde overschrijding In geval van een geconstateerde overschrijding vindt verdere risicogerichte intensivering plaats. De verdere detaillering hiervan (actiewaarde, aanvullende monitoring etc.) wordt nader uitgewerkt in het nog op te stellen Monitoringsplan.

Naar aanleiding van de monitoringsresultaten wordt, indien noodzakelijk, een 2e of zelfs 3e monitoringslijn ingesteld: • 2e lijn bij overschrijding van de actiewaarde rond de zuidwesthoek van de TU/e: o geïntensiveerde monitoring aan de noordoostzijde van de Doelgebiedsgrens (het bedreigde gebied in geval van doorslag bij de WKO’s van TU/e); e • 2 lijn bij overschrijding van de actiewaarde aan de noordzijde van de Doelgebiedsgrens: o steekproefsgewijze monitoring op de Beheergebiedsgrens, ten noorden van de Doelgebiedsgrens (stromingsrichting van het merendeel van de diepe verontreinigingen); • 3e lijn bij overschrijding van de actiewaarde aan de noordoostzijde van de Doelgebiedsgrens: o steekproefsgewijze monitoring op Beheergebiedsgrens, noordoostelijk van de Doelgebiedsgrens (stromingsrichting vanuit gebied TU/e). Indien wordt besloten om verontreiniging het Doelgebied uit (maar nog steeds binnen het Beheergebied) te laten stromen dan zullen De IJzeren Man en Karpendonkse Plas aanvullend in het monitoringsdoel voor “bedreigde objecten” worden opgenomen. Dit resulteert in de volgende monitoring: • het oppervlaktewater van De IJzeren Man en Karpendonkse Plas. Overigens blijkt uit de modelberekeningen dat het grondwater ónder de IJzeren Man en Karpendonkse Plas door stroomt.

projectnummer

datum

20797.4197

5 mei 2021

43

Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum

IJkmomenten Elke vijf jaar (in principe geen eindtermijn) is er een ijkmoment in het volgen van de verontreinigingen (in elk geval monitoringsdoelstellingen 1 t/m 3). Op dat moment wordt het Gebiedsbeheer geëvalueerd en worden de bevindingen vastgelegd in een evaluatierapportage. Indien mogelijk wordt ingegaan op de volgende onderwerpen: - het moment waarop, naar verwachting, overschrijdingen van de interventiewaarde gemeten zouden kunnen gaan worden; - een bijgestelde verwachting van de stromingsrichting, waardoor de ontworpen locaties van de peilbuizen in relatie tot de stroombaan richting de Doelgrens niet meer overeenkomen; - een bijgestelde verwachting van de diepte van de grondwaterverontreiniging; - lay-out van WKO-systemen en de effecten daarvan op de grondwaterstroming en verspreiding van verontreiniging. Deze evaluatie wordt in overleg met het bevoegd gezag Wbb (ODZOB als gemandateerde namens de gemeente Eindhoven) en met het bevoegd gezag Waterwet (de provincie NoordBrabant en waterschap De Dommel) besproken. Op basis van de evaluatie wordt bekeken in hoeverre de resultaten van de monitoring of ontwikkelingen binnen het Doel- (of Beheer)gebied aanleiding geven om het monitoringprogramma (meetpunten, meetfrequentie) bij te stellen.

Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij het aantreffen van een nu nog onbekende verontreiniging of bij monitoringsresultaten die afwijken van de verwachting. Als onderdeel van deze periodieke evaluatie wordt ook bekeken óf en wélke bronsaneringsmaatregelen in de komende 5 jaar genomen kunnen of móeten worden. In het Monitoringsplan worden de actiewaarden, vervolgstappen etc. concreet beschreven en uitgewerkt. De actiewaarden worden, in combinatie met de locatie van de monitoringspeilbuizen, zodanig gekozen dat er tijd en ruimte is voor maatregelen om te voorkomen dat de Gebiedsgrenzen overschreden worden. Fall-back maatregelen Zoals beschreven in hoofdstuk 2, onderbouwd middels diverse modelberekeningen en gevoeligheidsanalyses, zijn de Doel- en Beheergebiedsgrens zo gekozen dat de kans op onverwachte effecten niet aannemelijk is. De vaststelling van deze grenzen is echter grotendeels gebaseerd op aannames en verwachtingen afkomstig uit een grondwatermodel en dus een versimpelde weergave van de werkelijkheid. Daarnaast speelt dat de toekomstige dynamiek in de ondergrond moeilijk te voorspellen en (vooralsnog) moeilijk te regisseren is. Als risico reducerende maatregelen zullen de verontreinigingssituatie en ontwikkelingen binnen het Doelgebied goed gemonitord worden (verificatie) en zullen daarnaast brongerichte saneringsmaatregelen genomen worden.

Er bestaat echter een kans dat de doelen niet gehaald worden en dat fall-back maatregelen nodig zijn. Deze kans wordt nu als klein beoordeeld, maar dat kan wijzigen als gevolg van resultaten van de monitoring. In geval van (een gerede kans op) verspreiding voorbij de

projectnummer

datum

20797.4197

5 mei 2021

44

Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum

Gebiedsgrens zullen in overleg met betrokkenen de verder te nemen preventieve stappen bepaald worden. Er staan diverse opties open voor aanvullende maatregelen, bijvoorbeeld een gerichte onttrekking, een bioscherm, algehele stimulering biologische afbraak, innovatieve nieuwe technieken of een combinatie van verschillende mogelijkheden Indien inzet van dergelijke maatregelen aan de orde is zal in overleg met het bevoegde gezag de meest effectieve en duurzame maatregel worden ingezet. Vanwege de te verwachten dynamiek in dit gebied in combinatie met de veelheid aan eventueel optredende effecten is het onmogelijk om nu reeds een plan op te stellen met te nemen maatregelen. Op het moment dat dit aan de orde is, zal in nauw overleg met het bevoegd gezag Wbb bepaald worden welke maatregelen genomen gaan worden. Dit is onder andere geborgd middels de eerder genoemde vijfjaarlijkse evaluatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11743208/1