Bijlage 1 - Bestemmingsplan XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete)
Tekst van het document
Voor dit project is de onderstaande oplossingsrichting één van de mogelijkheden: We accepteren dat voortaan ook in minimale zin aan de eis van een geluidluwe zijde wordt voldaan wanneer (vooral bij eenzijdig gerichte woningen (dus met maar één buitengevel) en bij hoogstedelijke (ver-) nieuwbouw) per woning tenminste één geluidgevoelige ruimte beschikt over een raam waar de geluidbelasting voldoet aan de voorkeurswaarde. Dit raam dient over zodanige spui-ventilatie mogelijkheden te beschikken dat voldaan wordt aan de desbetreffende eisen van het Bouwbesluit. Wanneer de geluidbelasting op de te openen delen hoger is dan de voorkeurswaarde kunnen in/op en/of aan de gevel maatregelen worden getroffen waardoor alsnog een stille zijde gerealiseerd wordt. Minimaal moeten deze maatregelen de te openen delen afdoende afschermen zodat aldaar aan de voorkeurswaarde wordt voldaan. Voor de nadere uitwerking van een dove gevel in combinatie met loggia's is in overleg met de gemeente Eindhoven besloten om aan te sluiten op de voorwaarden die zijn opgenomen in het geluidbeleid van de gemeente Amsterdam (“Amsterdams Geluidbeleid, Hogere waarde Wet geluidhinder 2016”). Hierin zijn voorwaarden opgenomen om dove gevels te onderbreken door geveldelen als verglaasde balkons of loggia's.
Toetsing bouwplan aan beleid : wegverkeer en spoorweglawaai Door Aveco de Bondt is getoetst of kan worden voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in het geluidbeleid voor het toestaan van een hogere waarde. Bij een geluidbelasting van meer dan 53 dB vanwege wegverkeerslawaai en/of 55 dB vanwege spoorweglawaai geldt een verplichting van tenminste één geluidluwe zijde waaraan een verblijfsruimte is gesitueerd. In de rapportage van Aveco de Bondt wordt aannemelijk gemaakt dat op een technisch haalbare wijze voldaan kan worden aan geluidluwe zijdes en uiteengezet de mogelijke bouwkundige voorzieningen voor het realiseren van geluidluwe zijdes. Bij eenzijdig georiënteerde woningen, zonder loggia, dient daar waar nodig een bouwkundige oplossing in de gevel te worden verwerkt voor het realiseren van een geluidluwe zijde. Daar waar geen loggia's zijn voorzien en er dus een eenzijdige georiënteerde woning is zonder buitenruimte, zijn bouwkundige voorzieningen voor het realiseren van geluidluwe zijdes nodig. Vorenbedoelde oplossingen zijn inzichtelijk gemaakt en technisch haalbaar. Bij wijzigingen in de indeling of het ontwerp dient bij de aanvraag Omgevingsvergunning (aspect bouwen) te worden aangetoond dat elke woning een geluidluwe zijde heeft.
Bij die aanvraag Omgevingsvergunning dient tevens te worden aangetoond dat de geluidwering van de gevels voldoende is om de binnenwaarde van 33 dB te waarborgen. 74
vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven
Toetsing bouwplan aan beleid : Philips Stadion Op basis van de informatie uit het akoestisch onderzoek van DGMR, met kenmerk M.2018.0869.01.R001, d.d. 26 juli 2019, is door Aveco de Bondt een akoestisch rekenmodel gereproduceerd om de langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus op de gevels van Eurostaete inzichtelijk te maken en te beoordelen op aanvaardbaarheid. De niet-wedstrijddagen worden gezien als de representatieve bedrijfssituatie conform Activiteitenbesluit, waarbij wordt voldaan aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) voor industrielawaai. Het vaststellen van eventuele hogere waarden tot ten hoogste 55 dB(A)) komt aldus niet aan de orde. Wat de wedstrijddagen betreft is dus sprake van een niet- representatieve bedrijfssituatie waarin blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gehele zuidoostgevel en vanaf de 11de verdieping aan de zuidwestgevel meer bedraagt dan 55 dB(A) in de dag- en/of avondperiode. De gevels van deze woningen worden uitgevoerd zonder te openen delen waarbij de betreffende woningen minimaal één geluidluwe zijde hebben. De (muziek)geluidniveaus bij grootschalige evenementen (bv Groots van Guus Meeuwis) zijn circa 80 à 85 dB(A) bij de woningen.
Deze worden aanvaardbaar geacht vanwege het beperkt aantal keren dat deze zullen optreden, temeer omdat dat voor een groot deel van de woningen van Eurostaete specifieke geluidvoorzieningen worden getroffen. Samenvattend kan aldus worden geteld, dat de representatieve geluidsituatie van het Philips Stadion ook in de nieuwe vergunde situatie wordt gekenmerkt door een overwegend geluidarme dagelijkse bedrijfssituatie, met tijdelijke hogere geluidsuitstraling gedurende een relatief beperkte (avond)periode tijdens gemiddeld 20 tot 30 wedstrijddagen per jaar en enkele malen in geval van een grootschalig evenement. Tijdelijke hoge geluidbelastingen bij omliggende (bestaande) woningen worden van gemeentewege aanvaardbaar geacht. Dat geeft aanleiding tot de conclusie dat ook bij nieuwe woningen van Eurostaete sprake zal zijn van een aanvaardbaar (binnenstedelijk) woon- en leefklimaat gerelateerd aan de betreffende hoogstedelijke woonomgeving.
Conclusie en advies Aveco de Bondt adviseert - met inachtneming van de in haar rapportage opgenomen vaststellingen en oplossingsrichtingen - om voor de nieuwe woningen een hogere waarde vast te stellen voor de PSV-laan en de spoorweg. Voor het aantal vast te stellen hogere waarden is in de onderstaande tabel uitgegaan van een flexibele invulling van het plan aangezien het in de verdere uitwerking mogelijk is dat de indeling en/of het ontwerp nog (licht) wijzigt waardoor een eventuele verschuiving in de hoogte en aantal vast te stellen hogere waarden kan worden 'opgevangen'.
vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven
75
4.3.7
Conclusie
Op grond van het vorenstaande zal een procedure hogere grenswaarde worden doorlopen, waarvan het ontwerp besluit hogere waarde samen met het bestemmingsplan ter inzage ligt. Het aspect geluid vormt aldus geen belemmering voor de voorgestane invulling van het plangebied c.q. totstandkoming van het onderhavige bestemmingsplan.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Wettelijk kader
Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m³ (ìg/m³), voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m³ en een daggemiddelde van 50 microgram/m³. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 25 microgram/m³. In Eindhoven is de jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 overal lager dan 20 microgram/m³.
In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt o.a. voor woningbouw-locaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg of niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen. Voor nieuwe kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte (van alle binnenruimten) omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg of niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.
Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.
76
vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven
4.4.2
Besluit gevoelige bestemmingen
Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.
In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AMvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.
4.4.3
Goede ruimtelijke ordening
Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient op basis van artikel 3.1. Wro altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.
4.4.4
Planbeschrijving en toetsing
Het programma dat in het plangebied zal worden gerealiseerd omvat de realisatie van maximaal 480 woningen en maximaal 499 m2 plintfuncties Wat betreft het aspect luchtkwaliteit kan verwezen worden naar de als bijlage 7 opgenomen notitie van Ingenieursbureau Aveco de Bondt d.d. 6 november 2020, projectnummer 18.0966.04 Aveco de Bondt concludeert dat gezien de aard (woningen en commerciële ruimten) en omvang van de ontwikkeling het project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In beginsel vormen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. Om te bepalen of de plaatselijke luchtkwaliteit voldoet aan de normen voor een goed woon- en leefklimaat is gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool, de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN) en Luchtmeetnet. Aveco de Bondt concludeert dat de NO2-concentratie en PM10-concentratie bij de rekenpunten nabij het plangebied lager zijn dan 35 ìg/m3. De Vonderweg, Boschdijk en Fellenoord zijn vergelijkbare wegen en op sommige trajecten nog drukker dan de PSV-Laan. De Beukenlaan is een drukkere weg vergeleken met vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven
77
de PSV-Laan. Gezien het feit dat er op deze gemeentelijke wegen voldaan wordt aan de wettelijke norm is de kans zeer klein dat de rustigere PSV-laan wat betreft de achtergrondconcentraties NO2 en PM10 een belemmering vormt voor voorgenomen ontwikkeling. De concentraties rondom de gemeentelijke wegen voldoen aan de wettelijke normen en vormen geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat. Het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) maakt jaarlijks kaarten met grootschalige concentraties in Nederland in het kader van natuur- en milieubeleid. Het geeft de gemeten concentraties aan onder andere stikstofdioxide en fijn stof in de lucht weer. Op basis van de GCN blijkt dat de achtergrondconcentraties fijn stof en stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied ver onder de wettelijke norm zit. In 2016 bedroeg de achtergrondbelasting respectievelijk circa 19,7 ìg/m³ en circa 26 ìg/m³. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke norm van 40 ìg/m³. Op basis van het voorgaande wordt door Aveco de Bondt geconcludeerd, dat zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Het bouwplan binnen het plangebied voorziet niet in gevoelige bestemmingen, noch is het plangebied gelegen in de nabijheid van een provinciale of rijksweg.
Om die reden vindt het Besluit gevoelige bestemmingen in dit gebied geen toepassing.
4.4.5
Conclusie
Gezien het voorgaande kan geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. c.q. geen invloed heeft op de ruimtelijke ontwikkelings-mogelijkheden van het plangebied.
4.5
Externe veiligheid
Het externe veiligheid beleid is gericht op het beheersen van risico´s en de effecten van calamiteiten en het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt het groepsrisico verantwoord. Ten aanzien van het aspect Externe veiligheid is door Adviesgroep AVIV BV uit Enschede een rapportage opgesteld d.d. 13 oktober 2020 (projectnummer 204316) (bijlage 8) alsmede een aanvullende rapportage opgesteld d.d. 15 oktober 2020 (projectnummer 204316), (bijlage 9). Hierbij zijn zowel het project Eurostaete alsook het naastgelegen project Hartje Eindhoven beoordeeld. Deze paragraaf 4.5 is mede gebaseerd op deze rapportages.
4.5.1
Wettelijk kader
Rijk sbeleid Het Rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege het : gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen); transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen); 78
vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven
gebruik van luchthavens. Dat gebeurt o.a. door te voorkomen dat te dicht bij kwetsbare bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico: Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte.
Het eindbeeld van het Basisnet spoor was medio 2012 reeds beschikbaar. Het laat ten aanzien van Eindhoven zien dat, ondanks in voorbereiding zijnde plannen tot verdichting in de spoorzone en toenemend vervoer van gevaarlijke stoffen, de risico's ten opzichte van de bestaande situatie zullen afnemen. Het rijk accepteert het dan nog bestaande groepsrisico (3,2 x de oriënterende waarde) in Eindhoven. Thans wordt een actualisering van het Eindhovens beleid inzake het Groepsrisico (inclusief bijhorende instrumenten) voorbereid voor de gehele spoorzone.
Gemeentelijke Visie externe veiligheid De gemeenteraad van Eindhoven heeft de visie Externe Veiligheid ('Risico's de maat genomen') vastgesteld. Met deze visie wordt richting en uitwerking gegeven aan een verantwoorde veilige, integrale invulling van duurzame ruimtelijke ontwikkeling passend binnen de Brainportontwikkelingen en het Programma Brabant Veiliger. In de visie wordt aangegeven waar ruimte bestaat voor nieuwe risicovolle bedrijvigheid en onder welke veiligheidsverhogende condities dat mogelijk is. Tevens wordt aangegeven waar in de stad geïnvesteerd dient te worden in een beter niveau van beheersbaarheid. Tot slot wordt beschreven waar de veiligheid in de bestaande woonomgeving door het 'aanpakken' van bestaande knelpunten kan worden verbeterd.
vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven
79
De beleidsvisie is opgebouwd aan de hand van een aantal gebiedsgerichte risicoprofielen. Daarin zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid voorwaarden opgenomen. Het plangebied ligt binnen gebiedsgericht risicoprofiel D 'woongebied nabij hoofdtransport-assen'. Aan dit gebied stelt de visie vanuit het oogpunt van externe veiligheid de volgende voorwaarden: Geen risicovolle bedrijven toegestaan; Gebieden met grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen van woningen en kantoren; Kwetsbare objecten > 30 m uit de transportas; Functies voor beperkt zelfredzame groepen > 200 m uit transportas; Evenementen > 200 m uit transportas (met uitzondering van daartoe bestemde gebouwen/ruimtes); Zelfredzaamheid en beheersbaarheid worden op peil gebracht en restrisico's worden door het college van B&W acceptabel bevonden.
4.5.2
Risicobronnen
Op onderstaande weergave is het plangebied aangegeven :
Spoorwegemplacement Eindhoven Centrum Op circa 750 meter van het plangebied is het spoorwegemplacement Eindhoven Centrum gelegen. Uit een in 2016 uitgevoerde analyse bleek dat een aanzienlijk dichterbij gelegen ontwikkeling op ca. 30 m tot het buitenste spoor geen wijziging van het groepsrisico tot gevolg had. Naar verwachting heeft de ontwikkeling van Eurostaete en Hartje Eindhoven daarom evenmin een wijziging van het groepsrisico tot gevolg. In de Checklist milieu DRGL 2016 wordt bovendien vermeld dat op emplacement Eindhoven volgens de vigerende vergunning niet met gevaarlijke stoffen mag worden gerangeerd (samenstellen/splitsen). Dat sluit andere handelingen zoals locwissel niet uit. Blijkens informatie van Omgevingsdienst Zuidoost Brabant zijn handelingen met gevaarlijke stoffen op emplacement Eindhoven niet meer vergund. Het emplacement is nog wel opgenomen in de Revi. 80
vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven
Gelet op bovenstaande wordt emplacement Eindhoven verder niet beschouwd.
Transport over het spoor Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Boxtel-Eindhoven. Voor dit traject geldt ter hoogte van het plangebied een plaatsgebonden risicocontour van maximaal 5 meter. Binnen deze contour zijn geen (beperkt) kwetsbare gebouwen bestemd. Het plangebied is niet gelegen binnen voormelde contour. Daarnaast geldt er voor het spoortraject een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter vanaf het spoor. Het plangebied is niet gelegen binnen voormeld gebied. Onderstaande tabel toont de hoogte van het groepsrisico als factor ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Er is aangegeven hoeveel de berekende frequentie op een bepaald aantal slachtoffers maximaal afwijkt van de oriëntatiewaarde. Een factor 3.1 betekent bijvoorbeeld dat het groepsrisico meer dan drie keer groter is dan de oriëntatiewaarde.
Uit bovenstaande tabel blijkt dat de oriëntatiewaarde in zowel de huidige als toekomstige situatie wordt overschreden. Door de ontwikkeling van Eurostaete neemt het groepsrisico toe. Omdat er sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde dient het groepsrisico te worden verantwoord. Momenteel wordt een actualisering van het Eindhovense beleid inzake het Groepsrisico voorbereid voor de gehele spoorzone. Zodra dit geactualiseerde beleid door de gemeenteraad is vastgesteld zal dit dus ook het plangebied van toepassing zijn.
Hoogspanningsleidingen Hoogspanningsleidingen gaan gepaard met magnetische velden. Met het oog op gezondheidsrisico's wordt uit voorzorg geadviseerd om bij bovengrondse hoogspanningsleidingen geen nieuwe gevoelige bestemmingen binnen de 0,4 micro-teslazone toe te staan. Binnen het plangebied bevinden zich geen onder- of bovengrondse hoogspanningsleidingen. Ook in de nabijheid van het plangebied ontbreken dergelijke leidingen.
Vliegveld Het plangebied is gelegen op circa 4,5 km van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militair vliegveld met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). Vanaf 1 november 2009 geldt de Wet luchtvaart. Conform de systematiek van deze wet is voor luchthaven Eindhoven één luchthavenbesluit vastgesteld op 26 september 2014. In het kader van dit luchthavenbesluit is een milieueffectrapportage uitgevoerd. In het Milieueffectrapport Militair Luchtvaartterrein Eindhoven (MER) zijn onder andere de gevolgen voor geluid, de luchtkwaliteit en externe veiligheid weergegeven voor de maximaal mogelijke gebruiksruimte van de luchthaven. Het aanwijzingsbesluit komt overeen met planalternatief 2 uit het MER. Uit de vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven
81
rapportage blijkt dat het plangebied buiten de 10-6 contour van het vliegveld is gelegen. Het plangebied ondervindt dan ook geen belemmeringen als gevolg van de externe veiligheid van luchthaven Eindhoven.
4.5.3
Verantwoording groepsrisico
Als het groepsrisico door een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een transportroute meer dan 10% toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie en groter is dan 10% van de oriëntatiewaarde dient het groepsrisico te worden verantwoord. Het groepsrisico wordt bepaald per kilometer route en vergeleken met de oriëntatiewaarde. Deze waarde helpt het bevoegd gezag bij de afweging of de kans op een ramp opweegt tegen het maatschappelijk voordeel van het voorgenomen besluit. Het begrip oriëntatiewaarde houdt in dat het bevoegd gezag gemotiveerd kan besluiten een hogere kans op een ramp te accepteren. Doordat het plan binnen 200 meter van het spoor is gelegen dient conform artikel 8 van het Bevt het groepsrisico volledig te worden verantwoord. Daarnaast dient op basis van artikel 7 van het Bevt advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio Zuidoost-Brabant. In de motivering bij het betrokken besluit moeten ten minste de volgende gegevens worden opgenomen: 1°. de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan of besluit wordt vastgesteld, rekening houdend met de in dat gebied reeds aanwezige personen en de personen die in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan of de geldende bestemmingsplannen of een omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten zijn, en 2°.
de als gevolg van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft; het groepsrisico op het tijdstip waarop het plan of de vergunning wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat plan of besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de oriëntatiewaarde; de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die bij de voorbereiding van het plan of de vergunning zijn overwogen en de in dat plan of die vergunning opgenomen maatregelen, waaronder de stedenbouwkundige opzet en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte, en de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor-en nadelen daarvan. Als basismotivering is het navolgende als uitgangspunt genomen :
Maatregelen aan de bron Voor het traject Boxtel-Eindhoven is met de vervoerder afgesproken dat er warme-BLEVE-vrij wordt gereden. Dit wil zeggen dat de kans op een warme-BLEVE zeer klein is. Daarnaast is een 2,5 meter hoge wand op de spoordijk aangebracht en een wal langs het spoor , zodat uitstroming van vloeistoffen wordt tegengehouden (namelijk: opvangen in het spoorbed) en de hittestraling wordt gedempt. Een koude-BLEVE is wel een scenario dat als realistisch moet worden beschouwd. De afstand van een koude-BLEVE waarop de warmtestraling nog 35 kW/m2 bedraagt is 80 meter vanaf het spoor. In geval van een calamiteit op het spoor geldt dat voornamelijk de gevel aan de bronzijde de effecten van een calamiteit opvangt. De BLEVE is een extreem gevaarlijke en bijzondere soort van explosie waarbij een houder met vloeistof onder druk bezwijkt, dit een plotselinge "kook" van de vloeistof veroorzaakt, hierdoor in zeer korte tijd zeer veel vloeistof verdampt en als gevolg hiervan een grote overdruk 82
vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven
ontstaat die de houder volledig "opblaast". Onderscheid kan gemaakt worden tussen koude BLEVE's en warme BLEVE's. Een warme BLEVE kan ontstaan wanneer een drukvat wordt opgewarmd, waardoor de dampdruk boven de vloeistof in het drukvat toeneemt. Door de verhoogde temperatuur kan de sterkte van het drukvat afnemen. Wanneer de dampdruk de bezwijkdruk van het drukvat overschrijdt, zal de tank openscheuren, waarna het plotselinge kookproces zoals hierboven beschreven zal optreden. Van een koude BLEVE is sprake wanneer het drukvat bezwijkt door een andere oorzaak dan verhoogde temperatuur (bijvoorbeeld mechanische impact). Binnen het invloedsgebied van het spoor c.q. spoorcomplex kunnen alle soorten risico's voorkomen. Er zijn drie soorten ongevalscenario's te onderscheiden, te weten : explosie (druk), brand en het vrijkomen van toxische stoffen (door brand of het vrijkomen van een toxisch gas). Voor alle drie de scenario's gelden specifieke maatregelen. Explosie: bij een explosie komen hoge drukken tot stand. Dicht bij de bron zijn de drukken zo hoog dat maatregelen bijna niet mogelijk zijn. Ondanks dat bij de milieuvergunning de BBT zijn toegepast voor de risicovolle activiteiten op het emplacement, kunnen drukken bij de bron zo hoog zijn dat maatregelen niet mogelijk zijn en/of dermate hoge kosten met zich meebrengen dat het niet redelijk is deze maatregelen toe te passen.
Brand: bij een brand komt veel hitte vrij. Bij een brand met vloeistoffen bedraagt op een afstand van 20 meter van de bron de warmtestraling ongeveer 20 kW/m2, hierna neemt de warmtestraling geleidelijk af. Bij transport over het spoor wordt deze zone gerekend tot het PAG. De breedte van een PAG-zone bedraagt 30 meter, gemeten vanaf het midden van het buitenste spoor. Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen deze PAG's gelden strengere eisen voor de gebouwen. Die eisen zullen worden opgenomen in het Bouwbesluit 2012 en de daarbij behorende ministeriële regeling. Het plangebied is echter gelegen buiten het PAG.
Toxisch: afhankelijk van de toxiciteit van de vrijkomende (verbrandings)gassen kunnen op grote afstand van de bron nog slachtoffers vallen. De enige maatregel die hiertegen getroffen kan worden is er voor te zorgen dat de toxische stoffen niet in de gebouwen kunnen komen. Hierbij geldt o.a. dat de ventilatiesystemen moeten kunnen worden uitgezet. Deze maatregel kan relatief gemakkelijk worden toegepast en geldt voor alle nieuwbouw binnen het gehele plangebied waar meerdere personen gedurende een langere periode van de dag in verblijven. Motivering wenselijkheid ontwikkeling De gemeente Eindhoven heeft de Spoorzone aangemerkt als met prioriteit te ontwikkelen gebied. Het gebied omvat circa 300 meter aan weerszijden van het spoor en loopt vanaf de campus van de TU/E, via het Stationsdistrict, het Stadionkwartier, Strijp-S, tot en met Strijp-T. Veel gebouwen en functies worden de komende jaren herijkt en herontwikkeld. Beide projecten Eurostaete en Hartje Eindhoven zijn er op gericht om te komen tot een afronding van de ter plaatse gerealiseerde woonomgeving “Hartje Eindhoven”. Bedoeling is om aldaar te komen tot een hoogstedelijk woonmilieu direct aansluitend aan de binnenstad van Eindhoven, dat tevens een brugfunctie heeft tussen de binnenstad en de nieuwe stadswijk Strijp S.
De woonfunctie ter plaatse wordt tevens uitermate wenselijk geacht juist vanwege de directe vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven
83
nabijheid tot het station, zodat concreet invulling kan worden gegeven aan de wens c.q. noodzaak tot alternatieve mobiliteit van bewoners van Eindhoven. Vanwege de afspraak om te komen tot woningen binnen bepaalde prijscategorieën is op deze locatie een bepaald volume noodzakelijk om tot een haalbare ontwikkeling te kunnen komen. Dat geeft aanleiding om te denken aan een hogere wooncomplexen, die ook stedenbouwkundig als wenselijk wordt gezien.
Maatregelen ter beperking groepsrisico In de rapportage van Adviesgroep AVIV BV d.d. 15 oktober 2020 (bijlage 9) wordt aangegeven dat er twee soorten maatregelen zijn waarmee het risico beperkt kan worden : 1. Maatregelen die de kans kleiner maken op een ongeval (bronmaatregelen). 2. Maatregelen die de gevolgen beperken van een ongeval (ruimtelijke maatregelen). Het groepsrisico kan effectief gereduceerd worden door het treffen van bronmaatregelen, dat wil zeggen maatregelen die het vervoer en de infrastructuur betreffen. Deze bronmaatregelen zijn niet expliciet onderzocht. De reden hiervoor is dat het treffen van bronmaatregelen een landelijke afweging vergt en deze afweging heeft plaatsgevonden in het kader van het Basisnet. In dit rapport wordt derhalve ingegaan op getroffen en (eventueel) te treffen ruimtelijke maatregelen. Een overzicht van (mogelijk te treffen) maatregelen is opgenomen in tabel 4 op pagina 11 van voormelde rapportage van AVIV BV met hierbij aangegeven op welke stofcategorie de betreffende maatregel effect heeft en een beoordeling van de maatregel toegepast op onderhavige situatie. De relevante aspecten worden hierna in deze paragaaf nader besproken.
Zelfredzaamheid Bij incidenten met een brandbare vloeistof is vluchten de insteek omdat schuilen niet effectief is. In het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn voldoende vluchtmogelijkheden van het spoor af, zodat de vluchttijd bijzonder kort is Bij incidenten met een toxische vloeistof is schuilen de insteek. Bij calamiteiten met toxische wolken, waarvan omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing mede afhankelijk is van de weersgesteldheid, is het van belang dat personen veilig inpandig kunnen verblijven. Hiertoe is het van belang dat eventuele centrale mechanische ventilatie kan worden uitgezet. Naast voldoende mogelijkheden voor vluchten (bij brand) of schuilen (bij toxische stoffen) is het tevens van belang dat de beoogde functies erop gericht zijn alleen functies voor doelgroepen van personen met een normale zelfredzaamheid mogelijk te maken.
Bestrijdbaarheid /Hulpverlening / bluswatervoorziening De mogelijkheden van de voorbereiding op, de bestrijding en de beperking van de omvang van een ramp berusten op de ongevalsscenario's die als representatief worden beschouwd. Binnen het hele spectrum van mogelijke ongevallen (calamiteiten) en de daarbij behorende ontwikkelingsscenario's zijn er situaties waarin brandweer en hulpdiensten mogelijkheden heeft om kansrijk op te treden in de beperking van de gevolgen en vlotte hulpverlening van gewonden. Er zijn ook situaties waarin dat niet mogelijk zal zijn omdat de hoeveelheid gevaarlijke stof die vrijkomt te groot is. Bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met een goede bereikbaarheid voor hulpdiensten via meerdere wegen.
84
vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven
Door de planvaststelling wordt de hoogte van Eurostaete vergroot. In geval van een calamiteit op het spoor die leidt tot brand op de hoger gelegen verdiepingen, zal het voor de brandweer moeilijker zijn om deze verdiepingen met een blusstraal te bereiken. In de directe nabijheid van Eurostate zijn diverse brandkranen. Volgens de veiligheidsregio ZOB zijn de openbare voorzieningen op dit moment voldoende. Het gebouw Eurostaete wordt voorzien van een sprinklerinstallatie.
Bouwkundige maatregelen, vluchtroutes, trappenhuis, warmtestraling. Verder kunnen er bij de bouw van de gebouwen maatregelen genomen worden om de effecten van een incident te verkleinen. Conform voormelde uitgangspunten zoals geformuleerd in het externe veiligheidsonderzoek zal in het bouwplan worden gezorgd voor brandcompartimentering, een sprinklersysteem, afsluitmogelijkheden lucht en beheersing luchtcirculatie, ontruimingsinstallatie en ontruimingsplan. Wat betreft de indeling van het plangebied zijn goede vluchtroutes zinvol. Uiteraard worden de nooduitgangen en vluchtwegen gesitueerd dat van de risicobron af kan worden gevlucht en kennen deze routes een voldoende capaciteit. In het Eurostaete-gebouw heeft de veiligheidsregio de aanvullende eis gesteld, dat het trappenhuis van de hoge toren brandwerend en explosiewerend uitgevoerd moet worden. Volgens het scenarioboek externe veiligheid geldt op een afstand tussen 40 en 50 m een overdruk van 0.35 tot 0.17 bar. Aangetoond is dat de toren van Eurostaete bij optreden van een LPG-tank explosie op het spoor niet omvalt: de achterzijde en het trappenhuis blijven overeind.
Daarnaast is de sterkte van het vluchttrappenhuis aangetoond door middel van de wandcontrole in dit trappenhuis, waarmee een langere vluchttijd feitelijk mogelijk wordt gemaakt en daarmee de nadelen van een hogere toren en langere vluchtroute voldoende worden gecompenseerd. Verwezen wordt naar de rapportage van bureau Tielemans, opgenomen als bijlage 12. Een mogelijk ongevalsscenario is het vrijkomen en ontsteken van uitgestroomde brandbare vloeistof uit een wagon op het spoor resulterend in een plasbrand. Het blijkt dat uitgaande van vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven
85
de overheersende windrichting, dus van de gebouwen af, de warmtebelasting op de gevel kleiner is dan 10 kW/m2 zodat brandoverslag niet waarschijnlijk is (bijlage 10).
Overleg en pre-advies Veiligheidsregio Op 16 april 2019 heeft een overleg plaatsgevonden met de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost, waarna het College op 25 juni 2019 aan de Veiligheidsregio een pre-advies heeft gevraagd. Dit leidde tot het preadvies d.d. 9 juli 2019, hier opgenomen als bijlage 11. De belangrijkste punten van dit advies betreffen: Wij adviseren de gemeente om bij de verantwoording van het groepsrisico de volgende aspecten worden meegenomen: 1) Een beschrijving dat door deze planvaststelling er veel meer mensen slachtoffer kunnen worden door een calamiteit op het spoor. De kans op zo'n calamiteit is klein. Door deze planontwikkeling zijn er meer mensen in de nabijheid van het spoor aanwezig. Daarnaast moeten ze vluchten uit een hoogbouw, waardoor het langer duurt om op tijd, als dat lukt, uit het gebouw te vluchten. Als een calamiteit plaatsvindt moeten deze mensen zichzelf in veiligheid brengen en de hulpdiensten moeten meer mensen uit een hoog gebouw(en) helpen met evacueren. 2) Een beschrijving dat wellicht de mogelijkheden om op te kunnen treden beperkt is in het plangebied omdat het te onveilig is om dicht bij het rampgebied te komen. 3) Een beschrijving dat ondanks dat er maatregelen worden getroffen het risico om een groot aantal slachtoffers toeneemt met deze ontwikkeling. Ook al is de kans klein.
4) Een uitgebreidere beschrijving van de risicocommunicatie zodanig dat hieruit blijkt dat de bewoners bekend worden met de risico's en weten hoe ze moeten handelen als het mis gaat. In reactie op dit advies kan worden vastgesteld, dat de in juni / juli 2019 voorliggende rapportage “VGr / Gebiedsontwikkeling PSV-laan in Eindhoven, bijdragen aan de paragraaf externe veiligheid” van Adviesgroep AVIV BV mede naar aanleiding van dit advies is verfijnd en is gebracht tot het document van d.d. 15 oktober 2020, dat als bijlage 9 bij deze toelichting is opgenomen. In lijn met en in aanvulling op het in bijlage 9 gestelde en hetgeen reeds is verwoord in deze paragraaf 4.5 kan worden vastgesteld, dat in het kader van de verantwoording groepsrisico een aantal aspecten van belang zijn. Aan de hand hiervan wordt de gemeentelijke reactie op het pre-advies van de Veiligheidsregio hieronder vormgegeven: •
Afstand tot de risico's vergroot de veiligheid
Vanuit veiligheidsoogpunt is een grotere afstand van het plangebied tot het spoor beter. Echter het vergroten van de afstand tot het spoor maakt de ontwikkeling zoals deze in het plangebied wordt voorgestaan onmogelijk. Bij de keuze om medewerking aan deze ontwikkeling te geven is het voor de gemeente Eindhoven van belang dat wordt gekomen tot verdere verdichting van het (hoog)stedelijke woonmilieu. Hiermee kan worden voldaan aan de woningbouw-opgave die de gemeente heeft gesteld op basis van het (Brainport) groeiscenario. Juist door bebouwing in de nabijheid van het spoor toe te staan ontstaat de mogelijkheid om te komen tot een meer hoogwaardige afwikkeling van verkeersstromen via openbaar vervoer, zodat de automobiliteit in Eindhoven wordt beperkt c.q. de (ongewenste) toename van auto's de (gewenste) toename van woningen niet onmogelijk maakt. De voorgestane invulling van de locatie zorgt bovendien voor een verbinding van het gebied Strijp S met de Eindhovense binnenstad, waarmee een voor bewoners en publiek aangename hoogstedelijke zone ontstaat. 86
vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven
Het zijn deze belangen, die ertoe leiden dat de toename van het risico aanvaardbaar wordt geacht, ondanks dat deze toename door het nemen van maatregelen als beschreven in deze paragraaf 4.5 Externe Veiligheid en in de als bijlage bij deze toelichting opgenomen documenten betreffende het aspect Externe Veiligheid niet volledig wordt gecompenseerd. Bij onderhavige ontwikkeling is tenslotte rekening gehouden het minimaliseren van eventuele risico's door de bebouwing buiten de plaatsgebonden risicocontour en het plasbrandaandachtsgebied van het spoortraject te situeren. •
De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpverleningsdiensten mogelijk
In de visie 'Externe Veiligheid, risico's de maat genomen' zijn de mogelijkheden voor hulpverleningsdiensten ten aanzien van het spoor en emplacement uitgewerkt. Hierin is ook het maatrampniveau beschreven van wat de Veiligheidsregio aan kan. Voor te ontwikkelen gebieden/ruimtelijke plannen zijn kaders vastgelegd ten aanzien van het te realiseren niveau van beheersbaarheid (bereikbaarheid, bluswater en zelfredzaamheid). Zowel de aanwezige beheersmiddelen als de zelfredzaamheid zijn voldoende meegenomen bij de voorzieningen en voldoen aan de voorwaarden gesteld in de 'Beleidsregel bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid' en zijn voldoende voor de hulpverlening. Een aantal voorzieningen zullen nog nader in de omgevingsvergunning worden uitgewerkt. Uitgangspunt is dat de bereikbaarheid van de locatie niet wijzigt door de gebiedsontwikkeling. De mogelijkheden voor de hulpdiensten om de gevolgen van een ongeval te bestrijden worden door de planvaststeliing niet negatief beïnvloed. Wel is het zo dat zich meer mensen in het plangebied gaan bevinden en dus kunnen er meer mensen slachtoffer worden door een calamiteit op het spoor. De kans op zo'n calamiteit is echter klein. Feit is verder dat de mensen zullen moeten vluchten uit een hoogbouw.
Als een calamiteit plaatsvindt moeten deze mensen zichzelf in veiligheid brengen en de hulpdiensten moeten meer mensen uit een hoog gebouw(en) helpen met evacueren. • Gebouwen en gebieden bieden bescherming en zijn snel en voldoende veilig te verlaten Mocht de situatie zich voordoen dat hulpdiensten niet kunnen optreden in het plangebied om dat het te onveilig is om dicht bij het rampgebied te komen dan is zelfredzaamheid van het grootste belang. De vluchtwegen en de bouwkundige schil van de gebouwen vormen in dit geval de primaire bron van personenveiligheid. Het is belangrijk dat is nagegaan of de gebouwen bestand zijn tegen warmtestraling en druk. Dit aspect is hiervoor beschreven. Vluchtroutes in de gebouwen en buiten de gebouwen worden zodanig uitgevoerd dat ze zoveel als mogelijk leiden van het spoor af. In de gebouwen zullen geen groepen verminderd zelfredzame personen verblijven. De aanvullende bron van personenveiligheid betreft de risico- en crisiscommunicatie, waardoor bewoners en bezoekers bekend zijn met de wijze waarop men zich in veiligheid kan brengen. Deze communicatie zal worden vormgegeven door het op te nemen in de te verstrekken koop- en huurdersinformatie alsmede door diverse aanduidingen in de gebouwen.
Conclusie EV onderzoek Als conclusie wordt in de rapportage van Adviesgroep AVIV BV d.d. d.d. 15 oktober 2020 (bijlage 9) aangegeven : Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Het groepsrisico is hoger dan de oriëntatiewaarde en neemt toe door de ontwikkeling. Het bevoegd gezag heeft geen mogelijkheden om maatregelen te treffen aangaande het vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven
87
transport van gevaarlijke stoffen over de spoorroute door Eindhoven het groepsrisico te beperken. De bereikbaarheid van de locatie wijzigt niet door de gebiedsontwikkeling. De bluswatervoorzieningen langs het spoor zijn in voldoende mate aanwezig. Voor zover mogelijk zijn vluchtwegen binnen de panden zo gesitueerd dat van de risicobron af kan worden gevlucht. De gebouwen zullen geen plaats bieden aan verminderd zelfredzame personen. Beide gebouwen worden voorzien van afsluitbare ventilatie. Uitgaande van de overheersende windrichting is de warmtebelasting op de gevel van beide gebouwen kleiner dan 10 kW/m2. De constructie van Eurostaete is zodanig uitgevoerd dat de achterzijde en het trappenhuis van de toren niet bezwijken door belastingen ten gevolge van drukgolf. Door de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling neemt het aantal personen in de nabijheid van het spoor toe. In geval van een calamiteit met gevaarlijke stoffen op het spoor kunnen daardoor meer mensen slachtoffer worden. De kans op een dergelijke calamiteit is erg klein. Met de voorziene te treffen maatregelen zijn de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid geoptimaliseerd. Gelet op het vorenstaande en met inachtneming van de opgesomde maatregelen wordt het groepsrisico aanvaardbaar geacht. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.6
Duurzaamheid
4.6.1
Gemeentelijke ambities
De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. 1. CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.
1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk 88
vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven
voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is. 1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten. 1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte.
Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. 1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.
2 Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken. 2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen. 2B) geen afval In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval. 2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.
2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven
89
beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier.
3) Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding? 3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan. 3B) oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.
4. Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt). 4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2016-2020 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater.
Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress. 4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte 4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.
90
vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven
Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.
4.6.2
Planbeschrijving en duurzaamheid
Eurostaete draagt bij aan de ambitie van Eindhoven om in een voortvarend tempo te verduurzamen. De woningen worden 'all-electric' (gasloos) en energiezuinig gebouwd met een warmte-koude opslagsysteem. Hierbij wordt warmte en koeling uit het, in de bodem aanwezige, grondwater als energiebron gebruikt. Door te voorzien in een royale fietsenstalling wordt fietsgebruik gestimuleerd. Het auto parkeren wordt voor het grootste deel opgelost in reeds bestaande voorzieningen. De daken van blok 1 en 2 worden uitgerust als daktuinen en zijn daarmee een vrij toegankelijk en prettig verblijfsgebied voor alle bewoners. Met deze daktuinen wordt ontmoeting onder de bewoners gestimuleerd. In de tabel is aangegeven op welke wijze deze ontwikkeling bijdraagt aan een gezonde en toekomstbestendige ontwikkeling in Eindhoven.
vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven
91
92
vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven
4.7
Bodem
Het (industriële) verleden van Eindhoven heeft zijn sporen in de bodem nagelaten. In de afgelopen jaren heeft op zeer veel locaties in Eindhoven om diverse redenen milieukundig bodemonderzoek plaatsgevonden, bijvoorbeeld in het kader van het verlenen van omgevingsvergunningen of in het kader van de aan- of verkoop van locaties. Uit al deze onderzoeken blijkt dat diverse locaties in Eindhoven de bodem verontreinigd is of verontreinigd is geweest. In het bodeminformatiesysteem van de gemeente zijn al deze gegevens geregistreerd. Het komt echter zelden voor dat er als gevolg van bodemverontreiniging sprake is van risico's voor de gezondheid van mensen. Dergelijke locaties zijn op dit moment binnen en in de directe omgeving van het plangebied dan ook niet bekend. In opdracht van ontwikkelaar is door Aveco de Bondt een Verkennend bodemonderzoek PSV-laan te Eindhoven (projectnummer 18069904, ref. R-LBR-282-18069904 uitgevoerd, zoals beschreven in de rapportage van 28 maart 2019 (hier opgenomen als bijlage 13. Middels vijf grondboringen en de plaatsing van een peilbuis is inzicht verkregen in de gesteldheid van vaste bodem en grondwater. De conclusie luidt : Grond In het grondmengmonster van de bovengrond is een licht verhoogd gehalte aan som-PAK gemeten.
Het aangetoonde gehalte overschrijdt de betreffende achtergrondwaarde (index 0,01) maar geeft geen aanleiding voor het uitvoeren van nader onderzoek. Grondwater In het grondwatermonster uit de peilbuis zijn licht verhoogde concentratie aan nikkel en naftaleen gemeten. Resumé Gezien de vastgestelde bodemk waliteit zijn er geen risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu. Voor geen van de gemeten stoffen wordt de interventiewaarde overschreden. Gegeven de in dit rapport beschreven onderzoeksresultaten, wordt de grond vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het huidige gebruik en voorgenomen nieuwbouw. Het aspect bodem levert aldus geen belemmeringen op de voor ontwikkelingen binnen het plangebied.
4.8
Natuur
4.8.1
Natuurbeschermingsbeleid en - wetgeving
Het natuurbeschermingsbeleid en de wet- en regelgeving op het gebied van flora en fauna kennen twee sporen, namelijk een gebiedsgericht en een soortgericht spoor. Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot voormelde actuele natuurwetgeving. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. In navolgende paragrafen zal de toetsing van het voornemen plaatsvinden aan enerzijds de vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven
93
soortenbescherming en anderzijds de gebiedsbescherming.
4.8.2
Soortenbescherming
In verband met de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met soortenbescherming en met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Als gevolg hiervan zijn veel soorten niet meer beschermd. Echter een aantal andere vlinder- en libellesoorten en florasoorten zijn nu wel beschermd. Tevens blijft de algemene zorgplicht gelden. Daarnaast geldt in bepaalde provincies voor een aantal van de Tabel 1-soorten uit de Flora- en faunawet wet geen vrijstelling meer. Dit zijn voor de provincie Noord-Brabant de bunzing, hermelijn en wezel. Voor de strikt beschermde soorten in de nieuwe Wet Natuurbescherming, namelijk de soorten die zijn beschermd in de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn, geldt dat deze in de Flora- en faunawet gelijkwaardige bescherming genieten. De conclusies ten aanzien van deze soorten zullen dan ook niet veranderen met het van kracht worden van de nieuwe wet. Een tweetal algemene voorwaarden vanuit de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing : 1. in het broedseizoen van vogels (globaal half maart tot half juli) mogen de vegetatie, bosjes en opstallen niet worden verwijderd. Werkzaamheden tijdens deze periode zouden leiden tot directe verstoring van broedvogels en het broedsucces. Alle vogels zijn beschermd.