CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Bestemmingsplan XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete)

Raadsvergadering 12 oktober 2021, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling bestemmingsplan XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete)36.283 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Stap 1: Bepaling normatieve parkeerbehoefte Bij elk plan wordt eerst gekeken welke normatieve parkeerbehoefte er geldt. Per functie wordt het normatieve aantal parkeerplaatsen van het betreffende plan berekend. Dit aantal parkeerplaatsen (op gehele getallen afgerond naar boven) is de parkeerbehoefte die bij het plan hoort. In Eindhoven wordt in de parkeernormering onderscheid gemaakt tussen centrum, schilwijk en restgebied.

vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven

53

Stap 2: Toets dubbelgebruik Het in stap 1 bepaalde aantal (berekende) parkeerplaatsen geeft invulling aan een belangrijk deel van de parkeerbehoefte, maar het kan zijn dat verschillende doelgroepen op andere tijden gebruik kunnen maken van dezelfde parkeerplaatsen. Om dat in beeld te brengen is een toets nodig van het dubbelgebruik. Dit wil zeggen dat voor alle maatgevende momenten bepaald wordt of er voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor de parkeerbehoefte op het betreffende moment.

Parkeeropgave Met het doorlopen van de stappen 1 en 2 is de theoretische parkeeropgave voor de nieuwe planontwikkeling bepaald die beantwoord aan de doelstelling om een passende parkeeroplossing te bieden en geen parkeeroverlast in de omgeving te veroorzaken. Omdat wordt gestreefd naar een groene en duurzame stad, is het wenselijk waar mogelijk minder parkeerplaatsen te realiseren dan de berekende parkeerbehoefte. In onderstaande stappen zijn de mogelijkheden weergegeven om deze parkeeropgave in te vullen. In alle gevallen geldt dat de voorgestelde parkeeroplossing slechts van toepassing kan worden verklaard, als deze structureel en beheersbaar kan worden gemaakt.

Stap 3: Mobiliteitscorrectie Met een mobiliteitscorrectie wordt de (normatieve) parkeerbehoefte anders ingevuld dan met (reguliere) parkeerplaatsen. Dit kan door de parkeeropgave (deels) op te vangen door: te ontwikkelen nabij haltes van het HOV (Hoogwaardig Openbaar Vervoer) Voor een ontwikkeling in de directe nabijheid van een HOV-halte zijn de volgende correctiefactoren voor de parkeeropgave van toepassing: - binnen 800 m hemelsbreed van station Eindhoven Centraal: - 50% - binnen 400 m hemelsbreed van een HOV-halte en station Strijp S: - 25% door het inzetten van deelauto's voor bewoners, waarbij één deelauto: - in het centrum maximaal 10 parkeerplaatsen vervangt - in de schilwijken maximaal 7 parkeerplaatsen vervangt - in het restgebied maximaal 4 parkeerplaatsen vervangt de inzet van duurzaam alternatief vervoer. Dit is maatwerk, waarbij de omvang van de correctie van het aantal parkeerplaatsen in onderling overleg zal worden bepaald. Met een mobiliteitsplan wordt aangetoond hoe met de mobiliteitscorrectie aan de 54

vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven

parkeeropgave wordt tegemoetgekomen. In het centrum en de schilwijken is de initiatiefnemer verplicht om een mobiliteitsplan op te (laten) stellen bij nieuwe ontwikkelingen, waarbij gestreefd wordt naar de maximale inzet van de mobiliteitscorrectie.

Stap 4: Gebruik van bestaande parkeerplaatsen Omdat het gewenst is de bestaande parkeerplaatsen in de stad zo goed mogelijk willen benutten, kan de initiatiefnemer de parkeeropgave ook (deels) invullen met private of openbare ongebruikte parkeerplaatsen. Dit kan door bijvoorbeeld gebruik te maken van een bestaand (privé) parkeerterrein van kantoren voor nieuwe woningen, door overcapaciteit in privé parkeergarages bij woningen, inzet van een openbare parkeergarage of gebruik maken van openbare parkeerplaatsen in de straat. Hier dient rekening te worden gehouden met de acceptabele loopafstanden per functie. Aangetoond moet worden dat de openbare dan wel private parkeerplaatsen tijdens de maatgevende tijdstippen in de huidige situatie onbenut zijn. Bij gebruik van openbare parkeerplaatsen moet door middel van een onafhankelijk parkeeronderzoek aangetoond worden dat de toename niet leidt tot een overschrijding van de maximaal parkeerbezetting van 90%. Omdat de openbare ruimte schaars is, dient per benodigde parkeerplaats een bijdrage worden geleverd in het mobiliteitsfonds conform de bedragen genoemd onder stap 6.

Stap 5: Gebruik eigen terrein Voor de parkeerbehoefte die resteert na het doorlopen van stap 1 t/m 4 kunnen op eigen terrein parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Dit worden dan privé parkeerplaatsen voor (deel)auto's. Aangetoond moet worden dat de parkeerplaatsen voldoen aan de minimale afmetingen en goed bereikbaar zijn.

Stap 6: Afkoop Mobiliteitsfonds Indien een plan na stap 5 de parkeeropgave niet (volledig) heeft ingevuld, dient voor het restant van de parkeeropgave in het Mobiliteitsfonds een bijdrage geleverd worden per benodigde parkeerplaats. Vanuit het Mobiliteitsfonds wordt bijgedragen aan de ontwikkeling van stadsbrede duurzame alternatieve mobiliteitsvoorzieningen.

Memo “Eurostaete mobiliteitsoplossingen” In de als bijlage 1 opgenomen memo “Eurostaete mobiliteitsoplossingen” van Toogethr BV is de parkeerbalans opgenomen. Parkeervoorzieningen betreffende Eurostaete worden georganiseerd op basis van de gemeentelijke parkeernorm voor schilwijken en enkel niet-grondgebonden woningen, waarbij zowel bewoners- alsook bezoekers- parkeren in deze norm is opgenomen. De actuele 'Nota Parkeernormen 2019' is op 24 september 2019 door het college vastgesteld. Om de parkeereis van een ontwikkeling te berekenen, heeft de gemeente een rekentool beschikbaar gesteld. Deze tool berekent de normatieve parkeerbehoefte die conform de hierboven genoemde Nota Parkeernormen 2019 behoort bij het programma van Eurostaete. De normatieve parkeervraag bedraagt 424 parkeerplaatsen. Deze behoefte is tot stand gekomen door het programma met de planologisch toegestane verschillende functies en hun omvang in het rekenmodel van de gemeente Eindhoven af te zetten tegen de geldende parkeernormen. Wanneer wordt deze parkeerbehoefte gecorrigeerd, doordat Dubbelgebruik – op basis van aanwezigheidspercentages – wordt toegepast en een mobiliteitscorrectie van 25% wordt toegekend, doordat de ontwikkeling gelegen is binnen een loopafstand van 400 meter tot een vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven

55

HOV-bushalte (op de PSV-laan) leidt dit tot een parkeeropgave van 270 parkeerplaatsen. Vervolgens wordt deze parkeerbehoefte gecorrigeerd door de inzet van 29 deelauto's. Conform Eindhovens gemeentelijk beleid mag voor Eurostaete worden uitgegaan van een reductie van 7 privé-auto's per deelauto. Derhalve kan de beschikbare capaciteit worden beperkt met 174 parkeerplaatsen (zijnde 203 reductie – 29 plaatsen voor de deelauto's). Vervolgens wordt de uiteindelijke parkeerbehoefte (van 270 – 174 = 96 plaatsen) afgezet tegen de te realiseren dan wel voor het project beschikbare parkeercapaciteit. In het geval van Eurostaete gaat het om de beschikbaarheid van 97 dedicated parkeerplaatsen in Parking Philips Stadion. In onderstaand overzicht is de berekening op hoofdlijnen weergegeven :

De berekening toont dat de parkeerbalans sluitend is: alle benodigde parkeerbehoefte voor bewoners, bezoekers en medewerkers inclusief de deelauto's kunnen in de parkeergarage terecht, waardoor geen parkeeroverlast in de omliggende straten ontstaat. In de directe omgeving van Eurostaete (Philipsdorp) zijn de meeste straten reeds gereguleerd. Enkele straten (waaronder de De Jonghstraat, de Gerard Philipsstraat, de Frits Philipsstraat en de Anton Philipsstraat) zijn niet gereguleerd. In het niet-gereguleerde gebied kan iedere automobilist parkeren – ongeacht de bestemming – zolang de voorraad strekt. In het gereguleerde gebied parkeren hoofdzakelijk bewoners (met een vergunning) en bezoekers van bewoners. Ook hier kunnen – zij het tegen betaling aan de ticketautomaat – andere doelgroepen parkeren. Het adres wordt toegevoegd aan het POET-overzicht van de gemeente, waardoor nieuwe bewoners geen parkeervergunning of bezoekersregeling krijgen toegewezen bij de invoering van betaald parkeren.

Fietsparkeren Fietsparkeren voor bewoners wordt eveneens berekend via voormelde rekentool. Net als bij het autoparkeren is deze gebaseerd op de Nota parkeernormen 2019. Uit onderstaande berekening kan worden afgeleid dat in totaliteit 1.385 fietsparkeerplaatsen vereist zijn, waarvan circa 100 bezoekers-fietsparkeerplaatsen.

56

vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven

In de plint van Eurostaete wordt een afgesloten collectieve fietsenstalling gerealiseerd van in totaal 200 plaatsen, waarmee kan worden voorzien in fiets-parkeren van bezoekers van woningen alsmede medewerkers van de voorzieningen in de plint. De overige fietsparkeerplaatsen worden voorzien in de kelder van het gebouw, met een theoretische capaciteit van 1.500 fietsparkeerplaatsen, zoals op onderstaande indicatieve weergave opgenomen.

Aldus kan in totaal worden voorzien in 1.700 fietsparkeerplaatsen, waarmee aan de normatieve omvang van 1.385 fietsparkeerplaatsen ruimschoots kan worden voldaan. Voor het geval dat op termijn mocht blijken, dat de feitelijke hoeveelheid fietsparkeer-plaatsen aanzienlijk meer is dan feitelijk worden gevraagd c.q. gebruikt, is bouwkundig voorzien in de mogelijkheid deze kelder deels ook te gebruiken voor het parkeren van auto's. Hiertoe zal in een gescheiden toegang voor auto's en fietsen worden voorzien. Uitgangspunt blijft dat wordt voldaan aan de normatieve behoefte aan fietsparkeerplaatsen, waarvan echter op gemotiveerd verzoek door het College van B&W bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken, indien uit een parkeerbalans blijkt dat minder fietsparkeerplaatsen noodzakelijk zijn of indien het voldoen aan de in parkeernormen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of voor zover op andere wijze in de nodige parkeerplaatsen wordt voorzien. Aldus is vastgelegd in de (standaard) parkeerregeling in de regels van dit bestemmingsplan.

vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven

57

3.8

Groen

3.8.1

Groenbeleidsplan 2017

In januari 2017 is een actualisatie van het Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is, welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. De doelen van het Groenbeleidsplan 2017 zijn: richting geven aan ontwikkelingen en ambities formuleren; faciliteren van de ontwikkeling van Eindhoven als gezonde, klimaatadaptieve en groene stad om zo de vitaliteit en het welzijn van haar bewoners naar een hoger plan te kunnen brengen; aanknopingspunten bieden voor beheer en inrichting; groen en groenontwikkelingsmogelijkheden voor Eindhoven duurzaam veiligstellen waar het moet en flexibiliteit bieden waar het kan; partners in de stad inspireren en stimuleren: inwoners, bedrijfsleven, kennis- en onderwijsinstellingen en overheid. Het Groenbeleidsplan 2017 blijft van kracht tot de gemeenteraad anders beslist; het streven is een geldigheid van 10 jaar of langer. Het plan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd.

In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatie-fonds. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.

58

vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven

Dit bestemmingsplan is gelegen binnen de strategie 'Stad, rood beeldbepalend'. In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud van de bestaande structuur, kwaliteit, identiteit en functionaliteit. Uiteindelijk moet het groen in deze meer stenige gebieden omspoeld zijn door grotere groenstructuren die deel uitmaken van de groene dooradering die op de groene wiggen aansluit. en ontwikkelen van deze groene elementen of functies. Binnen de aangeduide groenarme buurten - zoals het plangebied - wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal.

Beleidsregel groencompensatie Op 13 maart 2018 is de 'Regeling Groencompensatiefonds' vastgesteld. Bij deze regeling hoort de 'Beleidsregel Groencompensatie'. Deze beleidsregel is bedoeld als afwegingskader bij aanvragen voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van groen. Bij aantasting en verlies van groen is compensatie vereist, de Beleidsregel geeft hiervoor de richtlijnen.

Groen in huidige en toekomstige situatie Eurostaete Het huidig groen bestaat uit heesterbeplanting in betonnen plantenbakken met een gesloten bodem als onderdeel van het gebouw of als losse elementen rondom het gebouw. Aan de Gerard Philipslaan staan drie bomen. Het huidige groen heeft weinig tot geen betekenis op de aspecten natuur (ecologie/biodiversiteit), klimaat/ milieu en water (klimaatbestendigheid/adaptatie), productie en recreatie (gebruikswaarde) en de identiteit (cultuurhistorie en belevingswaarde). Het betreft geen 'volwassen' groen. De plantenbakken zijn gesloten betonnen plantenbakken waardoor de groeimogelijkheid van het groen beperkt is. Op de plantenbakken wordt geen (extra) hemelwater geloosd om enige vorm van vertraagde hemelwaterafvoer te faciliteren. In de toekomstige situatie wordt op het dak een daktuin aangelegd als hoogwaardig verblijfsgebied voor de bewoners van Eurostaete, met de mogelijkheid van waterberging. Deze daktuin kent een oppervlakte van circa 780m² incl. terras en wordt nader uitgewerkt binnen de constructieve mogelijkheden. De drie bestaande bomen aan de Gerard Philipslaan worden ingepast in het ontwerp. Daarnaast draagt ontwikkelaar een bedrag groot € 200.000,- bij aan de vergroening van de PSV-laan. Deze bijdrage is te zien als een compensatie overeenkomstig een groen invulling van 2.000 m². Aldus is sprake van een vergroening van ca.

2.800 m², ofwel 6,6 m2 per woning. Hiermee wordt op deze binnenstedelijke locatie (waar een diversiteit van belangen en beleid geldt en waarbij bovendien sprake is van gestapelde bouw dus relatief weinig ruimtebeslag op begane grond) voldaan aan het streven in het groenbeleidsplan 2017 van 4-8 m2 toevoeging groen per woning.

Trefpunt groen Met Trefpunt Groen Eindhoven heeft op 14 mei 2019 overleg plaats gevonden. In deze bespreking is het plangebied en de hierin voorziene ontwikkeling in detail besproken. Door Trefpunt Groen Eindhoven is aangeven dat zij akkoord zijn met het plan gezien het feit dat het om een inbreidingslocatie gaat. Bij de verdere planontwikkeling zal, daar waar mogelijk, met de adviezen van Trefpunt groen rekening worden gehouden c.q. deze adviezen worden geïmplementeerd.

vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven

59

3.8.2

Verordening bomen

Op 7 april 2015 heeft de gemeenteraad de Verordening Bomen 2015 vastgesteld. Deze is op 24 augustus 2016 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels Bomen samen, vervangen het onderdeel houtopstanden uit de Algemene Plaatselijke Verordening, het Bomenbeleidsplan 2008 en de Nota Niet kappen tenzij. Het bomenbeleid van de gemeente Eindhoven heeft tot doel een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te ontwikkelen dat een duurzame bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit en het groene imago van Eindhoven. Centraal hierbij staat het behoud en het versterken van een gezond, gevarieerd, duurzaam en kwalitatief hoogwaardig bomenbestand. Samen met de Nadere regels bomen vormt de Verordening Bomen 2015 het bomenbeleid van de gemeente Eindhoven Deze verordening biedt tevens handvaten voor het verlenen van vergunningen, toezicht en handhaving op het gebied van bomen. Het bomenbeleid is gebaseerd op drie pijlers: behoud, versterking en ruimte voor dynamiek. Eindhoven wil een aantrekkelijke groene stad zijn en blijven. Bomen spelen daarbij een voorname rol. Een hoogwaardig bomenbestand dat een duurzame bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit en recht doet aan het groene imago van de stad is waar de gemeente naar streeft. Duurzaam behoud van de groene signatuur staat voorop.

Het bomenbestand dient echter ook aan te sluiten op intensief gebruik van de openbare ruimte en de gewenste ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent soms dat in een bepaalde situatie andere belangen preferabel zijn en bomen moeten wijken. Het bomenbeleid voorziet in die gevallen in de mogelijkheden tot mitigatie en compensatie. Een belangrijk onderdeel van de Verordening Bomen is de Groene Kaart. Het is een topografische kaart met daarop aangegeven de beschermde houtopstand. De Groene Kaart bevat verschillende categorieën houtopstanden. Voor bomen in gemeentelijk eigendom (publiek eigendom) kent de Groene Kaart zes categorieën: Monumentale bomen; Waardevolle bomen; Basisbomen; Bomen hoofdstructuur; Bomen nevenstructuur; Bomen in gebieden stad, groen beeldbepalend. De Groene Kaart kent daarnaast voor bomen in particulier eigendom (privaat eigendom) drie categorieën: Waardevolle bomen; Bomen in gebieden stad, groen beeldbepalend; Bomen op percelen van 500 m2 of groter. Voor het vellen van een houtopstand die deel uit maakt van tenminste één van deze categorieën is, behoudens een aantal vrijstellingen, een omgevingsvergunning verplicht. De Verordening is uitgewerkt in nadere regels Bomen. Deze zijn op 19 juli 2016 vastgesteld door het college en op 4 augustus 2016 in werking getreden.

De beleidsregels geven inzicht in de wijze waarop het college gebruik maakt van de aan haar in de Verordening toegekende bevoegdheden tot het aanwijzen en plaatsen van houtopstanden op de Groene Kaart. Tevens zijn richtlijnen uitgewerkt voor omgang met overlast, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de weigeringsgronden bij beoordeling van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in houtopstanden.

Plangebied Binnen het plangebied is geen sprake van te handhaven bomen. Buiten het plangebied staan aan de PSV-laan diverse bomen. Voor deze bomen moet voorkomen worden dat eventuele bemalings-activiteiten een negatieve invloed hebben op het 60

vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven

wortelstelsel van de aanwezige boom (bomen).

Het tijdelijk verlagen van de waterstanden kan wortelgroei stimuleren. Na beëindiging van de werkzaamheden komen haarwortels onder het grondwaterniveau. De aangroei van wortels is gestimuleerd in de droge periode. Grondwater (hangwater) uit de capillaire zone kan niet langer door het wortelstelsel worden opgenomen (te diep doorgeschoten) met alle gevolgen van dien. Om toch tijdelijke grondwaterstanden te kunnen verlagen, zonder nadelige beïnvloeding nabij de boom (bomen), kan bevloeiing of bewatering worden toegepast. Bij solitaire bomen in het groeiseizoen is er vaak sprake van een behoorlijke verdamping en is bevloeiing van de bodem vaak niet afdoende. Indien een voedingsdrain ontbreekt kan een verticale bewateringsfilter aangebracht worden ter hoogte van het wortelstelsel. Het verticaal filter word aangesloten op een netvat of waterbak welke verhoogd is opgesteld. Het netvat kan worden voorzien van een regelbare afsluiter zodat de hoeveelheid te infiltreren water ingeregeld kan worden. Visuele controle op het waterniveau van het netvat geeft aan wanneer deze wederom gevuld dient te worden. In de regel eens per 2 à 3 dagen. Voorafgaand aan de realisatie van de bebouwing zal door ontwikkelaar een plan opgesteld worden de invloed van eventuele bouwwerkzaamheden op de omliggende bomen te minimaliseren.

In overleg met de eigenaren van de bomen zal dit plan ten uitvoer worden gebracht.

3.9

Detailhandel

Leegstaande winkelpanden en borden met 'opheffingsuitverkoop' en 'leegverkoop' sieren de Nederlandse winkelstraten. Door onder meer de economische crisis en de toenemende invloed van internetverkopen heeft de retail-sector het erg moeilijk. Tegelijkertijd bieden de veranderingen in de sector ook nieuwe uitdagingen en mogelijkheden voor innovatieve concepten. Duidelijk is in ieder geval dat regionale afstemming steeds meer noodzakelijk wordt. Bovendien vraagt de provincie in de Verordening Ruimte om regionale afstemming en zijn regionale afspraken van belang voor de Ladder voor duurzame verstedelijking. Naar aanleiding hiervan heeft de Metropoolregio Eindhoven een detailhandelsvisie opgesteld. Hierin zijn de verschillende trends en ontwikkelingen en de gevolgen daarvan beschreven. Vervolgens is er een visie opgesteld, op basis waarvan concrete afspraken geformuleerd zijn. In de subregio's is vervolgens gewerkt aan subregionale detailhandelsvisies. Deze visies bieden een kader, maar vragen wel nog om lokale verankering. Dat is gebeurd in de vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven

61

gemeentelijke Detailhandelsnota. Op 15 december 2015 is de Eindhovense detailhandelsnota “Wie kiest, wordt gekozen” vastgesteld. De detailhandelssector heeft te maken met veel veranderingen. In de detailhandelsnota worden duidelijke keuzes gemaakt over waar welke vormen van detailhandel zijn toegestaan en waar niet. In de nota wordt eerst ingegaan op verschillende onderdelen. Vervolgens wordt per stadsdeel de positie en het perspectief van alle winkelcentra beschreven. In de nieuwe detailhandelsnota is per stadsdeel de positie en het perspectief van alle winkelcentra beschreven. Voor stadsdeel Centrum waar het plangebied is gelegen is het navolgende opgenomen : Het centrum van Eindhoven wordt gezien als één winkelconcentratie, met daarbinnen verschillende delen zoals het kernwinkelgebied en De Bergen als bijzonder aanloopmilieu. Ook in de toekomst moeten deze gebieden elkaar blijven aanvullen en ieder een eigen taak vervullen (het geheel is meer dan de som der delen). Om dat te kunnen doen, moeten ze blijven beschikken over eigen kenmerken en kwaliteiten. Dit is duidelijk voor de consument, biedt aanknopingspunten voor strategie en investeringen van ondernemingen en biedt mogelijk heden voor elkaar versterkende effecten (doelgroepen, combinatiebezoeken, e.d.). … Compacte binnensteden qua winkelaanbod hebben toekomst.

Consumenten hebben behoefte aan meer functies op een kleiner oppervlak. Qua winkelaanbod is dus waakzaamheid gevraagd voor de randgebieden in het centrum. Waar dit onder druk komt, kan functiemenging een oplossing bieden. De toename van het aantal inwoners, de herontwikkeling van randen van / bij het centrum (zoals het terrein van Philips Lichting, Marienhage, Van Der Meulen Ansems, NRE), bieden kansen om de aantrekkelijkheid, verblijfskwaliteit, diversiteit van het totale centrumgebied van Eindhoven te verbeteren. Hoewel voor deze gebieden geen substantiële toevoegingen van detailhandel zijn gewenst, wordt het volledig uitsluiten van detailhandel te beperkend geacht. … Voor zowel het kernwinkelgebied, het aanloopmilieu en de randgebieden geldt dat er ruimte moet zijn voor een zekere functiemenging (aanwezigheid detailhandel, horeca, dienstverlening, cultuur, vermaak, etc.) en lexibiliteit. Dit verhoogt de aantrekkingskracht, verblijfsduur en herhalingsbezoek. De aard en mate van de menging is afhankelijk van het thema en functioneel concept. Ook initiatieven die gericht zijn op tijdelijkheid kunnen de aantrekkingskracht verhogen. Pop ups (kunnen) verrassen en bieden (meer) beleving. Naast ingrepen in de openbare ruimte kunnen pop ups ook bijdragen aan de ervaring van technologie, design en kennis in het centrum. Kansen liggen er ook in de dagelijkse artikelensector.

We zien dat de binnenstad in verhouding tot de referentiesteden een beperkt aanbod heeft. Dit gecombineerd met de groei van de bevolking (die niet alleen uit jonge internationale kenniswerkers zal bestaan maar ook oudere die de nabijheid van voorzieningen waarderen) in het centrum is een motief om het aanbod aan dagelijkse voorzieningen te versterken. Het centrum huisvest twee supermarkten (Tramstraat en Vestdijk). De inwoner van het centrum is verder met name aangewezen op het aanbod in de radialen. De focus ligt niet op inpassing van een nieuwe grootschalige supermarkt in het centrum, maar op (een) extra steunpunt(en) en food-speciaalzaken (bijv. duurzaam en biologisch). Tot slot kan de ontwikkeling van het centrum niet los worden gezien van andere concentraties in de Eindhovense detailhandelsstructuur. In dit verband is met name van belang om het onderscheid met Strijp-S en WoensXL te benadrukken. Het onderscheid met het stadsdeelcentrum WoensXL is met name het bezoekmotief (recreatief versus boodschappen doen) en met Strijp-S in de aard van het aanbod en de uitstraling/mentaliteit van het gebied (grootschaligheid en bekende concepten versus 62

vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven

relatieve kleinschaligheid en experimenteren). Het plangebied van Eurostaete is gelegen in het aanloopgebied tussen Strijp S en het centrum. Hierbij geldt dat er sprake mag zijn voor functiemenging. In dit plan is daarom ruimte voor een levendige plint waar detailhandel kan plaatsvinden. Dit past binnen het detailhandelsbeleid. Aldus kan worden geconcludeerd dat de beoogde plintinvulling in Eurostaete in overeenstemming is met het detailhandelsbeleid.

3.10

Kabels, leidingen

Planologisch relevante leidingen dienen in het bestemmingsplan te worden bestemd. Tevens moeten relevante zones worden aangegeven, waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd : gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Daarnaast moeten optisch vrije paden in het bestemmingsplan worden opgenomen. Binnen het plangebied liggen geen hoofdtransportleidingen en straalpaden die vanuit ruimtelijk oogpunt relevant zijn voor verwerking in het bestemmingsplan. Binnen het plangebied bevinden zich geen onder- of bovengrondse hoogspanningsleidingen. Ook in de nabijheid van het plangebied ontbreken dergelijke leidingen.

3.11

Hoogbouwvisie

Hoogbouwbeleid In de notitie 'De derde dimensie van een laagbouwstad, Hoogbouwvisie Eindhoven' (Gemeente Eindhoven, vastgesteld door de Raad in haar vergadering van 16 december 2008) is het hoogbouwbeleid van de gemeente Eindhoven vastgelegd. Het doel van de notitie is het vormen van een afwegingskader voor nieuwe hoogbouwprojecten. Het hoogbouwbeleid levert een bijdrage aan de doelstellingen van het raadsprogramma Ruimtelijke Kwaliteit. Het beleid is bindend voor besluitvorming en visieontwikkeling, maar heeft geen juridische status (dat ligt vast in bestemmingsplannen). Het is allereerst een toetsingskader waarmee de wenselijkheid van hoogbouw kan worden bepaald. Hoogbouw is een vorm van intensief ruimtegebruik en levert een belangrijke bijdrage aan de manier hoe de stad omgaat met de verstedelijkingsdruk. Eindhoven wil het beste van twee werelden zijn. Aan de ene kant is Eindhoven een dynamische stad, die prikkelt en stimuleert; aan de andere kant is Eindhoven een stad waar het goed en rustig wonen is, met volop groenvoorzieningen. Het is daarom belangrijk dat gebieden in de stad zich sterk van elkaar onderscheiden om daarmee die diversiteit te waarborgen. Vanuit die visie bezien moeten duidelijke keuzes worden gemaakt over de gebieden waar hoogbouw wel of niet wordt toegestaan.

Dit is sterk afhankelijk van externe factoren en de bereikbaarheid per auto en openbaar vervoer speelt een bepalende rol. Een belangrijke functie wordt toegedicht aan de HOV-lijnen. In de Hoogbouwnota wordt Eindhoven verdeeld in gebieden waar hoogbouw mogelijk is en laagbouwmilieu's. De locatie is niet gelegen in een als laagbouwmilieu aangeduid gebied :

vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven

63

Qua hoogbouw wordt in de Hoogbouwnota wordt onderscheid gemaakt tussen hoogbouw in de S-categorie (buurtaccenten tot vijf lagen hoog), de M-categorie (structuurdragende hoogbouw tot 45 meter), de L-categorie (stedelijke oriëntatiepunten tot ongeveer 75 meter), de XL-categorie (regionale landmarks, torengebouwen zichtbaar van buiten de stad tot 105 meter) en de XXL-categorie (gebouwen hoger dan 105 meter). Ten aanzien van het centrumgebied is in de Hoogbouwnota het navolgende te lezen : “In het centrum staan vier van de vijf XL-categorie torengebouwen van de stad. Het gebied wordt daarnaast met de doorontwikkeling van de HOV-lijnen steeds beter bereikbaar. Hierbij valt met name het stationsgebied op in meervoudige bereikbaarheid. Dit biedt mogelijkheden voor verdere intensivering. Hoge gebouwen versterken de stedelijkheid van het centrum en kondigen het centrum van de stad in de wijde omgeving aan. De Binnenring vormt daarbij het 'parelsnoer' voor hoogbouw in de binnenstad, waarbij continu aansluiting wordt gezocht bij de bestaande omliggende hoogtes. Het Emmasingelkwadrant biedt op basis van de ontwikkelingsvisie voor dat gebied ruimte voor hoogbouw tot en met de L-categorie. Het Stationsgebied leent zich door de bijzondere ligging in de radiaalconcentrische structuur van de stad en de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied voor superhoogbouw (XXL-categorie).

Het plangebied c.q. bouwplan Het ontwerp bestaat uit een ensemble van twee gebouwen met verschillende hoogtes van circa 38 m1 en 100 m1, zoals op onderstaande afbeeldingen weergegeven.

64

vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven

De voorgestelde hoogste hoogte van maximaal 100 meter behoort tot de XL categorie uit voormeld hoogbouwbeleid. In de ruimtelijke vorm van de stad wordt een (toren)gebouw met deze hoogte aangemerkt als “stedelijk oriëntatiepunt”. Het is een type gebouw dat herkend wordt als een bekend punt in de stad. Ter plekke van het Philips stadion wordt met het hoogbouwdeel van Eurostaete een nieuw accent geïntroduceerd en aldus een groot stedenbouwkundig gebaar gemaakt als tegenwicht voor het stadion. De hoogbouw past goed binnen de ambities van Eindhoven en draagt bij aan een herkenbare skyline. Aldus sluit het bouwplan voldoende aan bij de hoogbouwvisie.

3.12

Windhinder, privacy en bezonning

3.12.1

Windhinder

In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Op basis van artikel 3.1. Wro dient in het kader van de zorg voor een goede ruimtelijke ordening echter bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar te worden meegenomen in de afwegingen, indien aard of omvang van de bebouwing en van de omgeving hiertoe aanleiding geeft. In 2006 is de privaatrechtelijke norm NEN 8100 'Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving' uitgekomen. Deze norm geeft richtlijnen (methodes) voor het uitvoeren van windtunnel- en CFD onderzoek. Daarnaast wordt een beoordelingsmethodiek van windhinder en windgevaar. Hierbij wordt gewerkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. In een tabel is voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) een beoordeling van het windklimaat gegeven (slecht, matig, goed). Daarnaast is een toetsingskader ten aanzien van windgevaar uitgewerkt. vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven

65

Door ONE Simulations BV is voor het plan op basis van voormelde NEN 8100 een theoretische beschouwing van het windklimaat opgesteld, welke als bijlage 2 bij de toelichting is opgenomen. Het windklimaat is inzichtelijk gemaakt met behulp van Computational Fluid Dynamics (CFD) simulaties aan de hand van de methodiek die omschreven staat in de NEN 8100. Een CFD simulatie geeft inzicht in de te verwachten luchtstromingen, rekening houdend met verschillende fysische verschijnselen. Het lokale windklimaat voor de nieuwe situatie wordt vergeleken met de huidige situatie. Aan de hand hiervan kan worden beoordeeld of er maatregelen genomen moeten worden genomen wanneer een gevaarlijk windklimaat ontstaat.

Het berekende windklimaat wordt vervolgens getoetst aan de beleidsregel gemeentelijke normen windhinder van de gemeente Eindhoven Hierin worden een aantal punten genoemd, welke hieronder zijn samengevat : Hoofdentree moet voldoen aan de kwalificatie goed voor activiteit slenteren Openbare ruimten moeten voldoen aan de kwalificatie goed Kwalificatie matig kan eventueel na bestuurlijke afweging worden geaccepteerd Slecht is niet toegestaan, maar hiervan kan door B&W worden afgeweken Bij windgevaar moet de kwalificatie gevaarlijk te allen tijde worden vermeden Als conclusie wordt vermeld : In de huidige situatie is het percentage overschrijding in het gebied van interesse kleiner dan 20% en wordt overal maximaal kwaliteitsklasse D (matig bij doorlopen) gehaald. In de nieuwe situatie, nabij de hoeken van de woontoren, treedt op twee plaatsen een matig tot slecht windklimaat op. Dit zijn bekende onvermijdelijke knelpunten bij torens. Bij de westelijke punt van het gebouw is een gebied met matig windklimaat voor slenteren (klasse D). In dit gebied ligt de kruising van de Gerard Philipslaan en de Anton Philipslaan en hier zullen dus voornamelijk auto's rijden. Er zijn op deze kruising geen stoplichten of zebrapaden, waardoor verwacht wordt dat hier de activiteit doorlopen geldt. Hierdoor wordt gesteld dat er niet veel hinder door voetgangers wordt ervaren.

Daarbij wordt in de huidige situatie in dit gebied ook windklasse D behaald, dus is er geen verslechtering op het trottoir. Bij de oostelijke punt wordt in een k lein gebied een slecht windklimaat behaald. Echter, in dit gebied ligt een kleine, met hekwerk afgesloten, parkeerlocatie. Het is daarom niet te verwachten dat hier veel hinder wordt ervaren. In de oorspronk elijke situatie wordt hier al een matig windklimaat behaald. Langs de gehele noordoost gevel van de gebiedsontwikk eling wordt windklasse A behaald. Dit geldt ook voor de hoofdentree van de Eurostaete woontoren gelegen aan deze gevel. In beide situaties is de overschrijdingskans kleiner dan 0,03 % en is er volgens de NEN 8100 geen sprake van windgevaar. In de directe omgeving wordt voldaan aan de punten genoemd in de beleidsregel gemeentelijke normen windhinder In de rapportage wordt aldus aangetoond dat voor wat betreft het aspect windhinder wordt voldaan aan gemeentelijk beleid. Voor wat betreft het aspect windgevaar blijkt dat hiervan geen sprake is. Conclusie is dat het aspect windhinder de totstandkoming van dit bestemmingsplan niet in de weg staat.

3.12.2

Privacy en bezonning

Privacy 66

vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven

In een hoogstedelijk gebied als waarvan het plangebied onderdeel uitmaakt is een beperking van privacy en vrij uitzicht als gevolg van nieuwe ontwikkelingen inherent aan verdichting. Door toevoeging van het woongebouw - waarmee de ontwikkeling rondom woongebied Hartje Eindhoven wordt afgerond - is voor bepaalde bestaande woonappartementen sprake van minder privacy en minder uitkijk. De afronding van dit gedeelte van de PSV-laan met woningen in plaats van kantoren sluit goed aan op het bestaande woongebied zowel qua functie alsook qua gebouwvolumes. Van privaatrechtelijke belemmeringen is geen sprake en afrondende woonbebouwing ten opzichte van hetgeen ter plaatse is gerealiseerd is evenmin een onverwachte ontwikkeling. Gelet op de afstanden tussen nieuwbouw en bestaande bebouwing en gezien de aard van de centrum stedelijke omgeving zal geen sprake zijn van een onaanvaardbare aantasting van de privacy.

Bezonning In het kader van de planontwikkeling is onderzoek gedaan inzake de bezonning. In het bezonningsonderzoek van Aveco de Bondt van 13 november 2020 (opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting) wordt uitgegaan van de gemeentelijke “beleidsregels voor bezonning woningen” zoals vastgesteld door het College van B&W op 10 januari 2017. Gemeentelijk beleid is dat bij omliggende woningen minimaal 2 uur zonneschijn per dag in de periode van 19 februari t/m 21 oktober aanwezig dient te zijn op de gevel, ter hoogte van het midden van de vensterbank van het raam van de woonkamer. Per woning mag de bezonning op voor-, achter- en zijgevels worden opgeteld. Dit komt overeen met de zogenaamde 'lichte' TNO norm.

In het onderzoek is navolgende conclusie opgenomen : Het woon- en leefklimaat van woningen in de omgeving van Eurostaete wordt in het kader van bezonning nauwelijks of niet beïnvloedt. Alle onderzochte bestaande woonlocaties hebben minimaal 2 uur bezonning en voldoen aan het beleid van de gemeente Eindhoven. Vanuit het eigen gebouw bekeken, is de locatie van Eurostaete gebonden aan het bestaande gebouw Eurobuilding waardoor er geen optimalisatie of oplossingen in de planlocatie mogelijk zijn om meer bezonning toe te laten treden. Deze beperking van de locatie dient afgewogen te worden bij het ontwikk elen van woningen op deze planlocatie in relatie tot de stedenbouwkundige link met de gebiedsontwikkeling van Strijp. vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven

67

Uit de resultaten volgt dat het gebouw Eurostaete op de maatgevende dag 19 februari bij de lagere bouwlagen aan de Gerard Philipslaan weinig tot geen bezonningsuren heeft. De noordoostgevel en de noordwestgevel hebben door de oriëntatie van het gebouw geen bezonningsuren op 19 februari. Op 21 maart (tot en met 21 september) is er wel bezonning op deze gevels en in de periode van 21 april tot en met 21 augustus is er minimaal 2 uur bezonning. Voor de hogere bouwlagen is de bezonning altijd optimaal (geen beschaduwing). Het woon- en leefklimaat van de bestaande woningen in de omgeving van Eurostaete wordt in het kader van bezonning dus niet of nauwelijks beïnvloed. De woningen hebben minimaal 2 uur bezonning en voldoen daarmee aan het beleid van de gemeente. Wat het bouwplan Eurostaete zelf betreft zorgen de hoogstedelijke omgeving van en de combinatie van een woontoren en kleinschalige (éénzijdig georiënteerde) appartementen ervoor dat niet alle appartementen voldoen aan de gemeentelijke beleidsregel van minimaal 2 uur zon per dag. Dit is echter inherent aan hoogbouw en bouwen in een hoogstedelijk gebied.

Gezien de wens om te komen tot hoogbouw en hierbinnen een woonprogramma (60% middeldure huur) met relatief veel kleinere woningen, die niet in alle bouwdelen een tweezijdige oriëntatie kunnen bezitten, kan gedurende een beperkt deel van het jaar derhalve niet worden voldaan aan gemeentelijk bezonningsbeleid, waardoor dit beleid in beperkte mate ondergeschikt geacht moet zijn aan de overige belangen bij de voorgestane ontwikkeling. Met inachtneming van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect bezonning de totstandkoming van dit bestemmingsplan niet in de weg staan.

3.13

Explosieven

Aan de hand van uitgebreid historisch archiefonderzoek is voor Eindhoven geïnventariseerd welke locaties mogelijk kans hebben op de aanwezigheid van niet gesprongen conventionele explosieven (zogenaamde blindgangers). Voor de gebieden die 'explosieven-verdacht' zijn wordt een nader onderzoek gewenst geacht. Uit zo'n nader onderzoek moet dan blijken of een feitelijk explosieven onderzoek nodig is. Doordat de geallieerden dwars door Eindhoven zijn getrokken naar Son en er over en weer is geschoten met artillerie, is het nooit helemaal uit te sluiten dat er explosieven worden aangetroffen bij de grondwerkzaamheden. Aldus is in het kader van dit bestemmingsplan gekeken naar de mogelijk om te komen tot een onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van CE of delen daarvan binnen het projectgebied. Vanwege de aanwezige verhardingen en obstakels in het onderzoeksgebied is het echter ten tijde van de totstandkoming van het bestemmingsplan niet mogelijk om een onderzoek in het veld te doen naar de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven. Vastgesteld kan worden dat de thans nog onbebouwde gronden op de kop van Eurostaete verdacht zijn voor het aantreffen van niet gesprongen explosieven. Voorafgaand aan graaf- en bouwwerkzaamheden zal (in eerste instantie) een vlakdekkend detectieonderzoek worden uitgevoerd.

Hierbij wordt de locatie middels een meersonde gradiometer en een grondradar ingemeten. Op grond van de analyse worden op een locatiekaart de vrijgegeven gebieden en eventueel aanwezige verdachte objecten aangegeven met een uniek identificatienummer. Aan de hand van de uitkomsten zal worden bezien of en zo ja welke aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Conclusie is dat het aspect CE de totstandkoming van dit bestemmingsplan niet in de weg staat, maar wel aanvullende aandacht behoeft.

68

vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 4

4.1

Milieuparagraaf

M.e.r.-beoordeling

Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. Bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Voor dit bestemmingsplan is 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. van belang: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Uit de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 volgt dat de omvang van een project voor een gemeente niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt.

Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Op 16 mei 2017 is de Implementatiewet 'herziening m.e.r.-richtlijn' in werking getreden. Met deze wet wordt de herziene Europese m.e.r.-richtlijn in Nederlandse wetgeving vertaald. Op basis van deze wetgeving worden voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling enkele procedurele vereisten uit de Wet milieubeheer van toepassing. Dit betekent dat de initiatiefnemer voortaan een melding moet doen van het voornemen om een activiteit uit te voeren die beneden de drempelwaarde van de D-lijst van het Besluit m.e.r. blijven. Waar tot de wetswijziging het voor activiteiten die onder de drempelwaarde uit de D-lijst bleven geen besluit nodig was voor de m.e.r. (vormvrij), moet nu voor elke activiteit een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gemaakt, en er moet daarop worden besloten. Hierdoor is een aparte beoordeling nodig die voorafgaand aan de behandeling moet plaatsvinden. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan uiteindelijk tot twee conclusies leiden: •

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: Er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;

•

belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten:

Er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. Uit de jurisprudentie volgt dat of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van Besluit m.e.r afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard, omvang en locatie van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Hieronder wordt ingegaan op deze aspecten. De in het kader van dit bestemmingsplan aan de orde zijnde planinvulling valt onder een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. Het aantal woningen ligt echter ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. De voorgestane ontwikkeling binnen het plangebied past aldus ruimschoots binnen de genoemde vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven

69

drempelwaarden. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r wordt benoemd wat onder een gevoelig gebied wordt verstaan: gebieden die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied is niet in een dergelijk gebied gelegen en is dusdanig ver verwijderd van de Ecologische Hoofdstructuur, een Vogel- of Habitatrichtlijngebied of overig beschermd natuurgebied dat van externe werking geen sprake is. Uit deze - hier als bijlage 4 opgenomen - beoordeling volgt dat negatieve effecten voor het milieu zijn uit te sluiten. Een MER is niet noodzakelijk. De beslissing op de vormvrije m.e.r.-beoordeling is voorafgaand aan het vrijgeven van het ontwerpbestemmingsplan genomen.

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In de omgeving van het plangebied is een bedrijf gelegen die een mogelijke beperking met zich mee kunnen brengen ten aanzien van de uitvoerbaarheid van de woonbestemming, zijnde het PSV voetbalstadion. Het hierbij relevante aspect betreft het geluidsaspect en wordt hierna besproken in paragraaf 4.3.

4.3

Geluid

4.3.1

Normstelling en geluidsbronnen

De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan met ontheffing tot een bepaald maximum in een aantal gevallen mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bron en/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.

In het voorliggend plan zijn 480 woningen als geluidgevoelige bestemmingen opgenomen. Aldus is door Ingenieursbureau Aveco de Bondt een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd. Ook is gekeken naar de geluidsaspecten van het nabijgelegen Philips stadion. De rapportage betreffende dit onderzoek (d.d. 23 oktober 2020, ref. 70

vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven

Rng/0620/18.0966.02) is als bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. Doel van het onderzoek is te bepalen of op de gevels van de nieuwe woningen wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder, aan het geluidbeleid van de gemeente Eindhoven en akoestisch inpasbaar is nabij het Philips Stadion.

4.3.2

Wegverkeerslawaai

Langs alle wegen bevinden zich als gevolg van de Wet geluidhinder geluidzones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. Binnen de geluidzone van een weg moet de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen voldoen. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van woningen, zijnde nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, zodat nader akoestisch onderzoek naar geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeerslawaai noodzakelijk is. Het plan ligt in de zone van de PSV-laan en dus moet het aspect wegverkeerslawaai worden onderzocht. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB. Wordt deze voorkeursgrenswaarde overschreden dan kan door de gemeente een hogere waarde worden vastgesteld, indien de geluidbelasting lager is dan de maximale ontheffingswaarde, indien maatregelen gericht op terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn dan wel op overwegende bezwaren stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. De overige wegen in en nabij het plangebied zijn 30 km per uur wegen. Deze wegen en woonerven hebben volgens de Wet geluidhinder geen zone, zodat hiervoor geen hogere waarden kunnen worden aangevraagd of verleend.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient wel te worden beoordeeld of de geluidbelasting op de gevels van nieuwe woningen nabij wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur voldoet aan de voorkeursgrenswaarden van 48 dB. Op basis van het voorgaande is voor wel zowel de zoneplichtige wegen als voor de genoemde 30-km/uurwegen in voormeld onderzoek getoetst of de geluidsbelasting van de nieuw te bouwen woningen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. Voordat wordt getoetst aan de grenswaarden in de Wgh dient volgens artikel 110g Wgh de berekende geluidbelasting vanwege het wegverkeer te worden gecorrigeerd. In artikel 3.4, lid 1 RMG2012 is de aftrek van artikel 110g Wgh omschreven. Deze aftrek is 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/uur is. Door Ingenieursbureau Aveco de Bondt wordt aangegeven dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen als gevolg van de PSV-laan ten hoogste 61 dB bedraagt en aldus de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt niet overschreden. Geluidreducerende wegdekverharding levert een reductie op van ten hoogste 3 dB, waarmee de voorkeurswaarde niet wordt gehaald.

Het beperken van de rijsnelheid en omvang van het verkeer op de PSV-laan wordt niet haalbaar geacht te zijn vanwege het doorgaande karakter van deze weg. Het is vanwege de beperkte ruimte niet mogelijk om een effectief geluidscherm langs de PSV-laan te projecteren om het geluid van deze weg te reduceren. Daarnaast is een geluidscherm niet effectief door de hoogte van het gebouw en er op hogere bouwlagen geen afscherming meer kan plaatsvinden. Aldus stuit vanuit verkeerskundige en financiële overwegingen het toepassen van bronmaatregelen op overwegende bezwaren en stuit vanuit stedenbouwkundige overwegingen, het toepassen van overdrachtsmaatregelen op overwegende bezwaren. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente, zoals nader beschreven in par. 4.3.6.

vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven

71

4.3.3

Railverkeerslawaai

Het plan ligt in de zone van de spoorlijn Eindhoven-Boxtel, met een zonebreedte aan weerszijden daarvan van 600 meter en dus moet het aspect railverkeerslawaai worden onderzocht. Door Ingenieursbureau Aveco de Bondt wordt aangegeven dat de geluidbelasting op de nieuwe woningen als gevolg van de spoorweg ten hoogste 67 dB bedraagt en aldus hoger is dan de voorkeurswaarde van 55 dB, maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde van 68 dB. Door toepassing van raildempers kan een geluidreductie van 3 dB worden behaald. De omstandigheden ter hoogte van het plan, het supportersstation ter hoogte van het stadion met remmende en optrekkend treinverkeer, staan een effectieve werking van raildempers in de weg. Hiermee is het aannemelijk dat de geluidreductie van 3 dB niet kan worden behaald en dat deze maatregel onvoldoende effectief is. Naast de spoorweg staan reeds geluidschermen van 2 tot 3 meter hoog. Met een geluidscherm van 8 meter hoog zal de reductie op de hogere woonlagen ten hoogste 1 dB zijn. Aldus zijn bronmaatregelen niet mogelijk en/of onvoldoende doeltreffend en zijn vanwege de kosten van de benodigde constructie van een geluidsscherm op een perron en het veiligheidsaspect (het 'insluiten' van personen op het perron tussen geluidsschermen is niet gewenst) overdrachtsmaatregelen ter hoogte van het station geen reële optie.

Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente, zoals nader beschreven in par. 4.3.6.

4.3.4

Industrielawaai, Philips stadion

Het plan ligt niet in de zone van een industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder, waarop de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers is toegestaan. Het plan ligt wel in de directe nabijheid van het Philips stadion. In het Philips-stadion vinden zowel wedstrijden alsook in beperkte mate evenementen plaats, die in het kader van het aspect industrielawaai relevant zijn. Het stadion heeft geactualiseerde geluidsnormen, waartoe door bureau DGMR recent akoestisch onderzoek is verricht. Bij de ontwikkeling van Eurostaete is uitgegaan van een nieuwe milieuvergunning voor het Philips stadion. De representatieve geluidsituatie van het Philips stadion wordt ook in deze nieuwe situatie gekenmerkt door overwegend een zeer geluidarme dagelijkse bedrijfssituatie, met tijdelijke hogere geluidsuitstraling gedurende een relatief beperkte (avond)periode tijdens gemiddeld 20 tot 30 wedstrijddagen per jaar. Vanwege het beperkt aantal (muziek)evenementen zijn deze niet maatgevend.

Gezien de grote hoeveelheid bestaande woningen rondom het Philips stadion is ervan uitgegaan dat bij een gewijzigde vergunning voor PSV rekenschap is gegeven aan de omliggende woonfunctie en dat – tegen de achtergrond van de binnenstedelijke locatie, de evidente aanwezigheid en het belang van het stadion alsmede de beperkte periode van geluidproductie – is geoordeeld dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Tijdelijke hoge geluidbelastingen bij de betreffende bestaande woningen worden dus aanvaardbaar geacht. Dat geeft aanleiding tot de conclusie dat ook bij nieuwe woningen van Eurostaete sprake zal zijn van een aanvaardbaar binnenstedelijk woon- en leefklimaat, omdat : • De hogere geluidbelasting ten opzichte van de geluidsarme representatieve situatie slechts in beperkte mate optreedt, omdat wedstrijddagen een beperkt aantal dagen per jaar zijn en op deze dagen slechts een beperkt aantal uren sprake is van “wedstrijd- en muziekgeluid”. • Tijdens wedstrijden muziek maatgevend is in de berekeningen, in verband met het niet mogen toepassen van de bedrijfsduurcorrecte op muziekgeluid, waarmee een 72

vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven

overschatting plaatsvindt van het werkelijk optredende geluidniveau. Tijdens wedstrijden is bovendien slechts gedurende een beperkte periode van muziekgeluid. • De stedelijke omgeving van de locatie Eurostaete nabij de PSV laan en het spoor maakt dat met het aspect geluid ook vanwege deze bronnen rekening is gehouden in het ontwerp van Eurostaete. De geluidwering (gevelisolatie) is afgestemd op de geluidbelasting van het spoor en biedt derhalve extra geluidwering voor tijdelijke geluid vanuit het PSV-stadion. Om te bepalen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is aangesloten bij de vergunning van het Philips Stadion, waarin is gesteld dat een hoger beoordelingsniveau in de dag- en avondperiode aanvaardbaar is. Uit de resultaten blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gehele zuidoostgevel en vanaf de 11de verdieping aan de zuidwestgevel meer bedraagt dan 55 dB(A) in de dag- en/of avondperiode. De gevels van deze woningen worden in principe zonder te openen raamdelen uitgevoerd en dienen minimaal één geluidluwe zijde te hebben.

4.3.5

Luchtvaartlawaai

Het plangebied ligt op hemelsbreed circa 5,5 km van de luchthaven Eindhoven. Het plangebied ligt niet binnen de vastgestelde geluidszone (35Ke-contouren. Luchtvaartlawaai werkt derhalve niet belemmerend voor onderhavig plangebied en is onderzoek op dit onderdeel niet aan de orde.

4.3.6

Cumulatie, hogere waarde , geluidbeleid gemeente Eindhoven

Wet Geluidhinder In artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder is bepaald dat een hogere grenswaarde alleen kan worden verleend indien toepassing van (bron- of overdrachts)maatregelen onvoldoende doeltreffend is of overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Indien de woningen zijn gelegen binnen de zone van twee of meer geluidzones en sprake is van een overschrijding van de zogenaamde voorkeurswaarde van de twee of meer geluidbronnen, dient op grond van artikel 110f van de Wet geluidhinder ook onderzoek te worden gedaan naar de effecten van de samenloop van verschillende geluidbronnen. Voor de cumulatie is aangesloten op de methodiek in hoofdstuk 2 van bijlage 1 van het RMG2012. Hierbij dient de aftrek ingevolge artikel 110g Wgh niet te worden toegepast. Voor het verkrijgen van een hogere grenswaarde dan de voorkeurswaarde dient de procedure gevolgd te worden zoals is omschreven in artikel 110c Wgh. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 66 dB. Hierbij is voor wegverkeerslawaai gerekend zonder de aftrek artikel 110g Wgh. Hiermee wordt de maximaal toelaatbare grenswaarde van 68 dB zonder aftrek artikel 110g Wgh voor wegverkeerslawaai niet overschreden.

Gemeentelijk beleid De gemeente Eindhoven heeft geluidbeleid (Hogere Waarden Beleid Geluid, kenmerk svs/LD10002448, d.d. maart 2010) vastgesteld met een aanvullende uitleg voor de voorwaarde 'geluidluwe zijde' in de Beleidsregels hogere waardenbeleid geluid (Gemeenteblad 2018, 153767, d.d. 17 juli 2018). De hoofdlijn van het geluidbeleid is dat: eerst maatregelen aan de bron worden onderzocht, en als deze (gemotiveerd) niet vastgesteld XIII Strijp binnen de Ring 2007 (Eurostaete) Gemeente Eindhoven

73

mogelijk blijken; overdrachtsmaatregelen worden onderzocht, en als deze (gemotiveerd) niet mogelijk blijken; maatregelen bij de ontvanger worden onderzocht. Voor de afweging en onderbouwing waaruit blijkt dat onvoldoende bron- of overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen is aangesloten op artikel 110a, lid 5 Wgh. Dit zijn de overwegingen van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke en financiële aard. De voorwaarden voor het toestaan van een hogere waarde zijn navolgende : bij een geluidbelasting van meer dan 53 dB vanwege wegverkeerslawaai en/of 55 dB vanwege spoorweglawaai geldt een verplichting van tenminste één geluidluwe zijde waaraan verblijfsruimte is gesitueerd; wanneer de bestemming binnen de zone van meerdere bronnen ligt dan geldt dat de gecumuleerde geluidbelasting de maximaal toelaatbare grenswaarde niet mag overschrijden. In de aanvulling op het gemeentelijk geluidbeleid zijn enkele oplossingsrichtingen opgenomen voor het realiseren van een geluidluwe zijde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11743162/1