CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Bestemmingsplan III Emmasingelkwadrant-Fellenoord 2013 (TAC-gebouw)

Raadsvergadering 20 december 2022, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan III Emmasingelkwadrant-Fellenoord 2013 (TAC-gebouw)33.888 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 wordt eveneens niet overschreden. Uit de monitoringstool blijkt dat de optredende concentraties NO2 en PM10 ter plaatse van het plangebied ruim onder de in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) gestelde grenswaarden liggen. Gesteld kan worden dat ter plaatse van het plangebied vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan ten aanzien van luchtkwaliteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. Tot slot wordt het groepsrisico verantwoord. 4.5.1

Wettelijk kader

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol vol transport (vervoer gevaarlijke stoffen in leidingen en weg/ spoor en vaarweg).

Dit betekent dat elke 'nieuwe' ontwikkeling getoetst moet worden aan de normen voor plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Indien verwacht wordt dat nabij een 'nieuwe' ontwikkeling gevaarlijke stoffen worden opgeslagen, verwerkt, bewerkt, gebruikt of getransporteerd, dan is een onderzoek naar de risico's noodzakelijk. Voor het PR geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag in geen geval worden overschreden. In Nederland vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

49

zijn weinig locaties waar conflicten zijn met het plaatsgebonden risico. Vooral rond LPG tankstations zijn veelal knelpunten aanwezig. Bij het GR zal, bij beoordeling van nieuwe ontwikkelingen, rekening moeten worden gehouden met een oriënterende waarde. Voor de oriënterende waarde geldt dat afwijken alleen mogelijk is met een degelijke motivering. Vooral in dichtbevolkte en intensief gebruikte gebieden zoals stadscentra kan er spanning zijn tussen de aanwezigheid van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten en het GR.

Beleidsvisie externe veiligheid Met de visie Externe veiligheid 'Risico's op de maat genomen' wordt richting en uitwerking gegeven aan een verantwoorde, veilige, integrale invulling van duurzame ruimtelijke ontwikkeling passend binnen de Brainportontwikkelingen en het Programma Brabant veiliger. In de visie wordt aangegeven waar ruimte bestaat voor nieuwe risicovolle bedrijvigheid en onder welke veiligheidsverhogende condities dat mogelijk is. Tevens wordt aangegeven op welke locaties in de stad geïnvesteerd dient te worden in een beter niveau van beheersbaarheid. Tot slot wordt beschreven waar de veiligheid in de bestaande woonomgeving door het 'aanpakken' van bestaande knelpunten kan worden verbeterd. De beleidsvisie is opgebouwd aan de hand van een aantal gebiedsgerichte risicoprofielen. Daarin zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid voorwaarden opgenomen. Het TAC ligt binnen gebiedsgerichte risicoprofiel D 'woongebied nabij hoofdtransportassen'. In het gebied zijn geen risicovolle bedrijven toegestaan en is sprake van grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen van woningen en kantoren.

4.5.2

Beoordeling

Voor de beoogde ontwikkeling is een rapportage externe veiligheid uitgevoerd. Deze is als bijlage opgenomen bij deze toelichting. Hieronder worden de belangrijkste resultaten beschreven. In de omgeving van het plangebied zijn twee risicobronnen gelegen, namelijk het spoor, waar gevaarlijke stoffen over vervoerd worden, en het bureau van de Politie Oost-Brabant. Aangezien de Politie Oost-Brabant slechts een tijdelijke vuurwerkopslag heeft zonder contour over het plangebied, is alleen de spoorweg relevant voor onderhavig plan. De ontwikkeling ligt namelijk binnen de 200 meter van het spoor, hierdoor dienen de risico's te worden verantwoord door het bevoegd gezag.

50

vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

Het betreft hierbij een gedeelte spoor van het traject Tilburg - Eindhoven. Over dit spoor worden verschillende gevaarlijke stoffen vervoerd. Deze worden weergeven in onderstaande tabel. Dit gedeelte spoor beschikt over een wissel en heeft een plaatsgebonden risicocontour van 6 meter. Aangezien hier brandbare vloeistoffen over vervoerd worden beschikt het spoor ook over een plasbrandaandachtsgebied (PAG)van 30 meter. De ontwikkeling is gelegen op een afstand van circa 140 meter van het spoor. De ontwikkeling is dus niet gelegen binnen het plaatsgebonden risico of het PAG, maar wel binnen het aandachtsgebied. Hierdoor dient er een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden.

Stofcat.

A

B2

B3

C3

D3

D4

Transporten

3650

2300

0

4600

3750

0

Verantwoording groepsrisico Conform artikel 8 van het Bevt dient het groepsrisico te worden verantwoord, hierbij wordt ingegaan op de volgende onderwerpen: De dichtheid van personen en hoogte van het groepsrisico Om de hoogte van het groepsrisico te bepalen is een berekening uitgevoerd met het rekenprogramma RBM II. Hierbij is een berekening uitgevoerd van zowel de huidige- als de toekomstige situatie inclusief de toename door het TAC. Hieronder zijn de fN-curve's opgenomen voor de hoogte van het groepsrisico. De volledige rapportage is opgenomen in de bijlagen. Huidige situatie In de huidige situatie is de hoogte van het groepsrisico berekend op 9,80 * de oriënterende waarde. Het hoogste punt is 500 meter oostelijk gelegen. Dit houdt in dat de ontwikkeling District-E maatgevend is voor de hoogte van het groepsrisico.

Toekomstige situatie In de situatie na de ontwikkeling van het TAC is de hoogte van het groepsrisico berekend op 9,82 * de oriënterende waarde. Het hoogste punt is hierbij ook gelegen ter hoogte van District-E. De ontwikkeling heeft wel een (kleine) invloed op de hoogte van het groepsrisico. Deze neemt met 0,02 toe.

vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

51

Maatregelen ter beperking van de hoogte van het groepsrisico Er zijn enkele maatregelen genomen ter beperking van de hoogte van het groepsrisico. Hierbij kan gedacht worden aan ATB-vv en het convenant warme-BLEVE-vrij samenstellen en rijden van treinen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico Het vergroten van de afstand tot de risicobron om zo te komen tot een lager groepsrisico is niet mogelijk. Daarnaast is er binnen de gemeente Eindhoven weinig grond beschikbaar om de woningopgave uit de woonvisie te realiseren. Percelen binnen het invloedsgebied van risicobronnen moeten hierdoor ook bebouwd worden. 4.5.3

Advies veiligheidsregio Brabant-Zuidoost

Het advies van de Veiligheidsregio is ontvangen op 14 juni 2021 en betreft het volgende: Op detailniveau hebben wij geen adviespunten. In meer algemene zin willen wij via deze weg nogmaals onze zorg uitsprek en over het aantal personen dat in de nabijheid van het spoor wordt gesitueerd. Ingeval van een worst case scenario op het spoor zijn wij als hulpverleningsdienst beperkt in de middelen om hulp te bieden en daarmee ook beperkt om een grootschalig incident te bestrijden. Dit betekent grofweg dat als er op het spoor nabij de woontoren een calamiteit met gevaarlijke stoffen ontstaat de kans groot is dat heel veel bewoners slachtoffer worden. Dit beeld is van belang voor u om mee te wegen bij de verantwoording van het groepsrisico. (In de bijlagen is het volledige advies opgenomen). De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp Het gebouw is voor de hulpdiensten vanuit meerdere kanten te bereiken (Gagelstraat, Ventoselaan, Vonderweg). Het gebouw van TAC betreft geen eerste-lijns bebouwing en ligt in zijn volledigheid achter de ventose flat. Dit zal in geval van calamiteiten een zekere afscherming bieden. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid De ontwikkeling betreft een toename van 255 reguliere woningen. Deze zijn niet specifiek bestemd voor groepen verminderd zelfredzame personen.

Conclusie Het aspect externe veiligheid levert geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan

52

vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

4.6

Duurzaamheid

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. 1. CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. De gemeenteraad heeft in het Klimaatplan 2021-2025 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.

1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2021-2025 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is.

1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.

1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

53

1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.

2 Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken.

2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen.

2B) geen afval In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval.

2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.

2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier.

3) Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding? 54

vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan.

3B) oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.

4. Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt).

4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.

4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte

4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.

Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.

vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

55

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.

4.6.1

Planbeschrijving

Wat het project betreft wordt ingezet op gebouwen die gerealiseerd worden met milieuvriendelijke materialen die toekomstbestendig zijn. Voor de toekomstige bewoners/gebruikers zijn daarnaast ook gebruikskwaliteit en gezondheid van belang. Dit vertaalt zich niet alleen in goede gebouwen. De aanleg van de binnentuin levert een wezenlijk bijdrage in hoe de bewoners het gebied ervaren en beleven en draagt bij aan het voorkomen van hittestress. Programma Het project biedt appartementen in verschillende huursegmenten. Er wordt voorzien in woonruimte voor sociaal (tot € 752,-), middelduur (tot € 1.000,-) en duur (vanaf € 1000,-). Er wordt geen onderscheid gemaakt in de woonkwaliteit. Naast het wonen worden er commerciële functies gerealiseerd voor het Temporary Arts Centre. Dit maakt dat naast het wonen ook werken aandacht krijgt in de plint. Geen afgesloten, donkere ruimten maar juist leven, ook in de avonduren. Dit sluit aan op de trend die al in gang is gezet in Victoriakwartier. De bouwkundige schil Een duurzaam gebouw begint met een energiezuinig casco. De gebouwen zullen goed worden geïsoleerd met Rc waarden van 3,7 m2 K/W voor nieuwe begane grondvloer, voor nieuwe platte daken geldt een Rc waarde 6.3 m2 K/W en voor nieuwe geveldelen is de R-waarde minimaal 4,7 m2 K/W.

Voor de gevelopeningen (ramen) -zijnde de zwakste schakel in de isolatie van de schil- zal een U-waarde van maximaal 1,4 m2 K/W worden gerealiseerd. Er zal in het ontwerp van de gevel worden gezocht naar een optimale verhouding tussen open en dicht. Om de warmtevraag verder te beperken zullen de gebouwen worden voorzien van een energiezuinig, intelligent en gebruiksvriendelijk ventilatiesysteem (CO2) gestuurd op aanwezigheid van de bewoner/gebruiker of voorzien worden van warmteterugwinning. BENG Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD), hetgeen past in de ambitie van de gemeente om een energieneutrale stad te worden. De gemeente spant zich, binnen haar mogelijkheden, in om bouwers en ontwikkelaars vooruit te laten denken en woningen te bouwen die nu reeds aan de toekomstige eisen voldoen. Toekomstbestendig De woningen zijn toekomstbestendig. Er worden lichte scheidingswanden gerealiseerd zodat ruimtes eenvoudig te verplaatsen en te vergroten of te verkleinen zijn. 56

vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

Materialisering Het streven is om zoveel mogelijk herbruikbare materialen toe te passen. Gebruikte materialen dienen vrij van stoffen te zijn die voorkomen op de Rode Lijst van LBC/TNS. Materialen zoals zink, koper en lood worden vermeden. Verwarming De te realiseren woningen worden aardgasloos verwarmd. Het gebouw wordt aangesloten op het distributienetwerk van Ennatuurlijk. De warmtelevering van Ennatuurlijk wordt duurzaam opgewekt. Verlichting De gebouwen worden voorzien van energiezuinige verlichting. In de gemeenschappelijke verkeersruimten zal zoveel mogelijk LED-verlichting worden toegepast. Het uitgangspunt voor de verlichting is: verlichting trappenhuizen en galerijen middels bewegingsmelder en schakelklok; de buitenverlichting wordt geschakeld door een schemerschakelaar/schakelklok; In de woningen worden verkeersruimten, berging, toilet en badkamer voorzien van bewegingsmelder; de overige algemene ruimten worden voorzien van een bewegingsmelders in de ruimte. Mobiliteit Op grond van het gemeentelijke mobiliteitsplan wordt het aantal parkeerplaatsen geminimaliseerd en worden alternatieve en schone vervoerswijzen gestimuleerd. Daarmee wordt aangesloten bij de ambitie van de gemeente om het autoverkeer in het centrum van Eindhoven te beperken. Het plangebied ligt nabij het station en OV-haltes.

Zowel op de begane grond als in kelder worden voorzieningen voor fietsparkeren gerealiseerd. Ook wordt ingezet op Smart Mobility en wordt voorzien in elektrische laadpalen. Klimaatrobuust In een duurzame stad wordt ook duurzaam omgegaan met de afwatering van hemelwater. Met de bergingscapaciteit in De Gender wordt ingespeeld op klimaatverandering die zal zorgen voor grotere hoeveelheden regen in kortere periodes. Door bergingscapaciteit aan de stad toe te voegen kunnen te grote hoeveelheden water op de rioleringsstelsels en afwateringskanalen voorkomen worden. Een gezonde en groene leefomgeving Voorwaarde voor de realisatie van het project en andere ontwikkelingen in het Emmasingelkwadrant, is de realisatie van het Victoriapark. Daarbij wordt de rivier De Gender naar de bovengrond gehaald en weer zichtbaar gemaakt. Daarnaast wordt het te realiseren hof als parkachtige omgeving en zoveel mogelijk onverhard uitgevoerd. De daken van het tussenlid worden uitgevoerd als groen dak. Op deze wijze is er altijd, waar je je ook bevindt in het gebouw, zicht op groen. Deze groene ruimtes worden als duurzaam beschouwd doordat ze een gezonde omgeving scheppen voor de bewoners uit omliggende gebouwen en voor de gebruikers van het park en bijdragen aan het verminderen van hittestress.

Door de afvang van fijnstof, het bevorderen van vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

57

beweging, het produceren van zuurstof en het genereren van een mikroklimaat, zorgt de groene ruimte voor een gezonde omgeving en het bevorderen van de biodiversiteit.

4.7

Bodem

Algemeen In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw bestemmingsplan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. In dit kader is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste resultaten en conclusies. Saneringsevaluatie stamriool Gagelstraat/Mathildelaan, 7 januari 2016 Tijdens rioleringswerkzaamheden heeft er een sanering plaatsgevonden van een sterke grondwaterverontreiniging met VOCl. Tijdens de werkzaamheden heeft er een bemaling plaatsgevonden waarbij een groot deel van het verontreinigde grondwater is geloosd op het vuilwaterriool. Mogelijk is er nog een restverontreiniging met VOCl in het grondwater aanwezig in de nabijheid van de Gagelstraat. De werkzaamheden hebben echter niet geleid tot een verslechtering van de verontreinigingssituatie ter plaatse. Actualiserend onderzoek Emmasingelkwadrant, 27 maart 2020 Relevant is bouwkavel A uit dit onderzoek. Ter plaatse van de onderhavige situatie is een verontreiniging in het grondwater reeds grotendeels gesaneerd. In het actualiserende onderzoek zijn buiten de verontreinigingscontour maximaal licht verhoogde concentraties met barium, naftaleen, "cis" en vinylchloride aangetoond.

58

vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

Afbeelding contour van het verontreinigde grondwater (VOCl > interventiewaarde) in rood Op basis van de resultaten van de uitgevoerde analyses is het uitvoeren van een aanvullend onderzoek en/of het verrichten van bodemsaneringswerkzaamheden niet noodzakelijk. De aangetoonde verhoogde gehalten in de bodem zijn van dien aard dat er geen risico's zijn te verwachten voor de mens, het ecosysteem en/of de verspreiding. Voor de ontwikkeling van de locatie dient nog aanvullend/nader onderzoek uitgevoerd te worden in verband met aanwezige verontreinigingen. Hierbij dient de grond dan tevens onderzocht te worden op PFAS. Deze onderzoeken worden uitgevoerd voor aanvang van de aanvraag omgevingsvergunning. Verk ennend bodemonderzoek Gagelstraat 6a, 27 oktober 2020 Bij het zintuiglijk onderzoek zijn bodemvreemde materialen aangetroffen in de vorm van baksteen, kooldeeltjes, beton en puin. Er zijn voor zover zintuiglijk waarneembaar geen asbestverdachte materialen op of in de bodem aangetroffen. In de bovengrond zijn lichte verontreinigingen met kwik en/of lood aangetoond. In de ondergrond zijn lichte verontreinigingen met zware metalen en PAK aangetoond. Plaatselijk, in de zandige ondergrond met bijmenging met beton en baksteen, overschrijdt het gehalte koper de tussenwaarde. Met betrekking tot het matig verhoogde gehalte koper is aanvullend chemisch onderzoek uitgevoerd.

Uit deze analyseresultaten blijkt een matige verontreiniging met koper in het traject 1,00-1,20 m-mv. Er is geen sprake van een sterke bodemverontreiniging met koper. In het grondwater overschrijden de concentraties aan barium, 1,2-dichloorethenen en tetrachlooretheen ('per') de betreffende streefwaarden. Er is geen sprake van een sterke bodemverontreiniging met VOCl. Verk ennend bodemonderzoek TAC, 15 december 2020 Bij het chemisch onderzoek zijn verontreinigingen met zware metalen in de grond en "PER" in het grondwater aangetoond in gehalten boven de achtergrondwaarde/streefwaarde. De vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

59

hypothese van het verkennend onderzoek (verdacht terrein) dient formeel te worden aangenomen. De resultaten komen overeen met de verwachte bodemkwaliteit in dit gebied en er is geen sprake vaneen sterke verontreiniging. Er is geen aanleiding om nader onderzoek uit te voeren. De aangetroffen gehaltes/concentraties leveren geen milieuhygiënische risico's op voor de gebruikers of voor het milieu. Het terrein(deel) is daarmee vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt voor het voorgenomen gebruik. Alhoewel er geen risico is voor het beoogde gebruik, is er een klein voorbehoud wat betreft de VOCl verontreiniging in het grondwater. Bij het toepassen van een grondwaterstandsverlaging (bij werkzaamheden aan fundering, riolering of aanleg kelder) is het mogelijk dat verontreinigd grondwater, zoals aanwezig in de Gagelstraat, richting onttrekkingsfilters stroomt en dat hierbij de nog niet formeel of volledig gesaneerde verontreiniging met VOCl wordt beïnvloed. Het aantrekken/beïnvloeden geldt als een sanerende handeling en dient als zodanig gemeld te worden bij het bevoegd gezag. Vermoedelijk kan worden volstaan met het opstellen van een kort (deel)saneringsplan aangevuld met een monitoring en evaluatie. Op basis van de aangetoonde concentraties lijkt er geen zuivering nodig van het bronneringswater voor lozing. Conclusies Het bestemmingsplan is wat betreft het aspect bodem uitvoerbaar.

4.8

Natuur

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2021 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen.

Gebiedsbescherming Voor de gebiedsbescherming kan onderscheid worden gemaakt tussen het Natuur Netwerk Brabant op circa 750 meter van het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op circa 4,5 kilometer van het plangebied. Voor beide gebieden moet rekening worden gehouden met de eventuele invloed van de ontwikkeling van het TAC op deze gebieden. Op basis van de afstand tot de beschermde gebieden kan enkel stikstof mogelijk nog een effect hebben en kunnen overige mogelijke effecten (zoals bijvoorbeeld geluidoverlast) worden uitgesloten. Bij het Natuur Netwerk Brabant hoeft geen rekening te worden gehouden met een aantasting door de verspreiding van stoffen in de lucht of water. Het aspect stikstof hoeft dus enkel te worden bepaald op de Natura 2000 gebieden. Uit de stikstofdepositieberekeningen (zie bijlage) volgt dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen stikstofdepositie veroorzaken. Soortenbescherming Ten behoeve van het planvoornemen is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De bijbehorende notitie is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Op basis van de resultaten van deze quickscan dient voor aanvang van de sloop van het TAC gebouw aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen te worden verricht. Dit onderzoek is in 60

vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

augustus 2021 uitgevoerd en is als bijlage bij deze toelichting toegevoegd. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Het plangebied fungeert als foerageergebied voor twee tot drie gewone dwergvleermuizen. Het betreft een niet essentieel foerageergebied. Gedurende het onderzoek werden geen vliegroutes van vleermuizen waargenomen. In het plangebied zijn dus geen essentiële vliegroutes aanwezig. In het kraamseizoen zijn geen kraamverblijfplaatsen waargenomen. In het plangebied zijn één zomer-/paarverblijfplaats en één paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis aanwezig. In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse paarterritoria van gewone dwergvleermuizen aanwezig. Er zijn geen aanwijzingen voor winterverblijfplaatsen voor grotere aantallen vleermuizen. Op basis van bovenstaande is een mitigatieplan opgesteld. In dit plan staat beschreven op welke manier de negatieve effecten worden verzacht dan wel worden voorkomen. Dit mitigatieplan is als bijlage opgenomen bij deze toelichting. Algemene zorgplicht Artikel 1.11 Wnb voorziet in de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nagelaten moeten worden of dat maatregelen genomen moeten worden om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.

Die plicht is niet alleen van belang voor soorten maar ook voor gebieden. De zorgplicht fungeert als vangnet ten opzichte van de bij en krachtens de Wnb gestelde voorschriften. Bestuursrechtelijke handhaving van de zorgplicht is mogelijk in kennelijke gevallen van onzorgvuldig handelen en in situaties waarin er geen concreet voorschrift ter bescherming van de desbetreffende natuurwaarde van toepassing is.

4.9

Explosieven

In Eindhoven is tijdens de Tweede Wereldoorlog hard gevochten, dat heeft zijn sporen in de bodem achtergelaten. Er worden nog steeds diverse soorten munitie of resten daarvan in de bodem gevonden (niet-gesprongen explosieven, nge). Explosieven in de grond die niet aangeraakt of verstoort worden, leveren in beginsel geen gevaar op. Maar bij aanraken of verstoring (bv. heien) is er wel een risico op explosie, dat kan leiden tot schade aan gebouwen, infrastructuur en de gezondheid van mensen. Voor nge's gelden de regels uit de ARBO-wetgeving, meer in het bijzonder de WSCS-OCE Werkveldspecifiek certificatieschema voor het systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven. Eindhoven beschikt over kaarten met de gebieden die verdacht zijn op het voorkomen van nge's. In deze gebieden dient voorafgaand aan grondverzet explosieven onderzoek uitgevoerd te worden, in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse (PRA) of een detectie onderzoek. Wanneer op basis van onderzoek nge's worden aangetroffen worden deze geruimd. Voor het plangebied van het Emmasingelkwadrant is een Risicoanalyse Conventionele Explosieven uitgevoerd (zie bijlage). Uit het historisch vooronderzoek CE is naar voren gekomen dat de projectlocatie in een gebied ligt dat verdacht is op het aantreffen van Conventionele Explosieven (CE).

Uit de analyse van het vooronderzoek is gebleken dat het onderzoeksgebied verdacht is op het voorkomen van CE, in de vorm van Duitse en Britse afwerpmunitie van diverse kalibers en Duitse submunitie. Dit betekent dat er tijdens de uitvoering van de geplande werkzaamheden een risico is op het aantreffen van CE en mogelijke detonatie hiervan. Er zal - vóórdat tot realisatie van het bouwplan wordt overgegaan - een zogenaamde detectie vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

61

uitgevoerd worden om antwoord te krijgen op de vraag of een onderzoek naar explosieven nodig is. Indien nodig zal verder onderzoek plaatsvinden.

4.10

Windhinder

Beleidsregel gemeentelijke normen windhinder Gemeente Eindhoven heeft 26 mei 2020 de beleidsregels gemeentelijke normen windhinder vastgesteld. Voor windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving bestaat een landelijk privaatrechtelijke norm (NEN 8100:2006). In deze norm worden vooral de toepassingscriteria beschreven. Zo is in de norm beschreven wanneer onderzoek naar wind bij bouwwerken nodig is, hoe het onderzoek moet worden uitgevoerd, aan welke eisen moet worden getoetst en hoe rapportage moet plaatsvinden. Ten aanzien van windhinder zijn in de norm vijf kwaliteitsklassen A t/m E gedefinieerd, waarbij A overeenkomt met de kleinste overschrijdingskans en E met de grootste overschrijdingskans. De waardering van de kwaliteitsklasse is afhankelijk van de activiteitenklasse. Ten aanzien van windhinder worden drie verschillende activiteitenklassen I, II en III onderscheiden, die kortweg worden gekenmerkt met 'doorlopen', 'slenteren' en 'langdurig zitten'. De waardering van het lokale windklimaat wordt gekwalificeerd met 'goed', 'matig' of 'slecht'. Bij windgevaar worden twee kwalificaties gegeven: 'beperkt risico' en 'gevaarlijk'. 1. De Gemeente Eindhoven kiest nadrukkelijk voor het toevoegen van hoge gebouwen binnen de stad. De Gemeente Eindhoven stelt daarbij ook eisen aan windhinder en windgevaar. 2.

Windhinder en windgevaar moeten conform NEN 8100:2006 in beeld worden gebracht. 3. Voor de openbare ruimte moet als ondergrens een 'goed' (zoals gekwalificeerd in NEN 8100:2006) windklimaat worden nagestreefd. Voor 'langdurig zitten' wordt altijd een kwalificatie 'goed' verlangd. Deze kwalificatie geldt ook voor 'slenteren' wanneer een hoofdentree van een gebouw ineen dergelijk gebied is gelegen. Een beoordeling 'matig' kan eventueel na bestuurlijke afweging worden geaccepteerd, hierbij spelen kosten van windhinderbeperkende maatregelen en het ontbreken van alternatieven een rol. Een 'slecht' windklimaat is niet toegestaan. In situaties waar, vanwege specifieke locatieomstandigheden, in zeer beperkte mate op niet voor verblijf relevante plekken, het windhinderklimaat in redelijkheid niet kan worden verbeterd, hebben B&W de bevoegdheid van deze eis af te wijken. 4. Bij windgevaar moet de kwalificatie 'gevaarlijk' te allen tijde worden vermeden. Planbeoordeling Voor het planvoornemen is een windhinderonderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.

62

vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

De beschouwde situatie is zonder de aanwezigheid van 'het Karkas' en andere geplande bebouwing ten zuiden van het plan. Dit geeft voor de eerste periode een ander beeld dan verwacht kan worden na realisatie aanvullende plannen. De resultaten tonen aan dat: met name sprake is van windhinderklasse A aan de zuid- en noordzijden van het project, alsook in de binnentuin. Deze klasse A geeft een goed klimaat voor langdurig zitten en voor entrees. aan de west- en oostzijden van het Emmasingelkwadrant ontstaat een minder windklimaat, waarbij met name klassen C en D worden gevonden. voor de activiteit Doorlopen bieden de zones met windhinderklasse C een goed klimaat, terwijl de zones met klasse D een matig klimaat bieden. voor de activiteit Slenteren geldt dat windhinderklasse C een matig comfort en windhinderklasse D een slecht comfort biedt. voor de activiteit Langdurig zitten en voor Entrees is het windklimaat is grotendeels oncomfortabel, behalve in de zones met windhinderklassen A en B. nabij de zuidoostelijke hoek van de Victoriatoren is een zeer klein, bijna verwaarloosbaar gebied met klasse E aanwezig. Hier is er ook een beperkt risico op windgevaar aanwezig. In de verdere omgeving is er geen windgevaar en ook geen beperkt risico op windgevaar aanwezig. In rapportage is met name het windklimaat rondom het TAC gebouw beschouwd.

Dit betekent ook dat enkel adviezen zijn uitgebracht om het windklimaat aan de westkant van het Emmasingelkwadrant te verbeteren. Zo zal het plaatsen van een luifel met een breedte van 2 tot 3,5 meter langs de zuidgevel en een gedeelte van de westgevel helpen om het klimaat tussen het Philips Stadion en TAC te verbeteren. Ook toevoegen van vegetatie tussen TAC en het stadion zal helpen. Voor de naastgelegen Victoriatoren is bij de planvorming van dat gebouw al bepaald dat om de windsnelheden te verminderen de nog te realiseren vegetatie een rol zal moeten gaan spelen. Een inrichtingsplan voor die locatie is nog niet beschikbaar. Zodra dat plan vorm heeft en de vegetatie bekend is, zal een herberekening worden uitgevoerd. Hierna kan bepaald vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

63

worden welke aanvullende voorzieningen eventueel nodig zijn voor een comfortabel windklimaat. Het uitvoeren van een herberekening is bij het bestemmingsplan voor de Victoriatoren als voorwaardelijke verplichting opgenomen. Uit het windonderzoek van de Victoriatoren is ook bekend dat het toevoegen van nieuwe bebouwing langs de Vonderweg, op de locatie van het voormalige Karkas, zal leiden tot windhinder in de Gagelstraat. Dit project is echter nog in ontwikkeling en ook hiervoor zal windonderzoek worden uitgevoerd.

Duidelijk is dat de toekomstige bebouwing ten zuiden van het TAC-gebouw een behoorlijke invloed zal hebben op de windhinderkwaliteit in de Gagelstraat: ter plaatse van de hoek bij de Vicoriatoren verdwijnt klasse D vrijwel geheel (dus toevoegen bebouwing zuid betekent verbetering); ter plaatse van de hoek bij het TAC-gebouw verbetert de kwaliteit (meer Blauw/klasse A direct tegen het gebouw aan Vonderwegzijde), wel blijft de hoek zelf kritisch; toevoeging extra bebouwing aan de zuidzijde levert een verslechtering op in de Gagelstraat (tot en met Oranje/klasse D) Ook voor de Gagelstraat geldt dat om de windsnelheden te verminderen de nog te realiseren vegetatie een rol zal moeten gaan spelen. Een inrichtingsplan is ook hier nog niet beschikbaar. Zodra dat plan vorm heeft en de vegetatie bekend is, zal een herberekening moeten worden uitgevoerd. Hierna kan bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende voorzieningen nodig zijn voor een comfortabel windklimaat. Het voldoen aan windklasse C/D is in de regels als voorwaardelijke verplichting opgenomen.

64

vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 5

5.1

Waterparagraaf

Inleiding

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid. Het bestemmingsplan III Emmasingelkwadrant-Fellenoord 2013 (TAC-gebouw) heeft een conserverend karakter. Mogelijke ontwikkelingen binnen de planperiode spelen zich daarom hoofdzakelijk af binnen bestaande (water)structuren. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder b en c van het Besluit ruimtelijke ordening.

5.2

Beleid

5.2.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning). 5.2.1.1 Nationaal Waterplan 2016 - 2021 Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en milieu. Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het waterplan beschrijft de strategische doelen voor het waterbeheer. De condities en maatregelen voor het bereiken van deze doelen staan beschreven in het 'Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren' van Rijkswaterstaat. Lagere overheden dienen het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 in hun beleid te verwerken. 5.2.2

Provinciaal beleid

5.2.2.1 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (hierna: PMWP) is op 18 december 2015 door Provinciale Staten vastgesteld. Het plan staat voor het samen werken aan een provincie waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving en waarin de zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving centraal staat. De agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het PMWP integreert de milieu- en de wateropgave en het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Behalve het PMWP is er een provinciaal natuurbeleidsplan (Brabant Uitnodigend Groen), een energieplan (Energieagenda) en is er beleid om de Brabantse agrofoodsector duurzaam te maken (Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood). Het PMWP vult deze plannen aan daar waar er grote raakvlakken zijn met het milieu- en waterbeleid. Gedacht kan dan worden aan de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Op deze manier wordt gewerkt aan een integrale benadering van de duurzame fysieke leefomgeving. Wettelijke taken vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

65

De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd. Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Integrale en gezamenlijke aanpak Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven.

Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht. De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan. De provincie gaat verder met het Programma DuurzaamDoor. Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water. 5.2.3

Beleid Waterschap

5.2.3.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.

Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie': op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. 66

vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. Wat schoon is moet schoon blijven. We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied.

van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. 5.2.3.2 Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits "vasthouden-bergen-afvoeren". Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem.

In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. In de Keur is aangegeven dat neerslag, afkomstig van toename verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, die direct tot afvoer naar een (keur)waterlichaam komt, verplicht gecompenseerd dient te worden middels de aanleg van waterbergende voorzieningen. Het waterschap verleent in enkele gevallen vrijstelling van deze verplichting. Dit wordt gedaan indien: de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² bedraagt, of; de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² bedraagt en middels de rekenregels afdoende compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, of; het af te koppelen verhard oppervlak maximaal 10.000 m² bedraagt, of; er binnen het plangebied andere hydraulische afspraken gelden (bv. met de gemeente)

vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

67

Indien een voorziening nodig is, dan bedraagt de maximale toegestane afvoer uit een voorziening 2 l/s/ha bij een neerslagsituatie van 60 mm. Groene (vegetatie)daken gelden hierbij niet als verhard oppervlak. Bij meer dan 10.000 m2 toename nieuw verhard oppervlak of het afkoppelen van 10.000m2 bestaand verhard oppervlak is altijd een voorziening noodzakelijk volgens de geldende beleidsregels van het waterschap.

5.2.4

Gemeentelijk beleid

5.2.4.1 Gemeentelijk Rioleringsplan (2019-2022) Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. In het GRP 2019 - 2022 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel.

Speerpunt van het GRP is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt. Hiervoor zijn uitgangspunten, richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2016-2020 en de hierin benoemde beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen tot max. 75 mm berging gerealiseerd dient te worden over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied. Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd of verhoogd worden naargelang de hoeveelheid groen of grijs binnen datzelfde plangebied. Dit om overlast van hittestress, verdroging en biodiversiteit te beperken. Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de opgave.

5.2.5

Waterplan

Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en het (drink)waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen. Het "Visiedocument" (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2004) geeft het gezamenlijke streefbeeld van de waterpartijen weer. De onderdelen "Taken en Bevoegdheden" en "Maatregelen" zijn achterhaald.

5.3

Eindhovense klimaattoets

Het klimaat verandert. Dat heeft gevolgen voor Eindhoven. We krijgen onder andere te maken met meer en hevigere buien, langere perioden van droogte en meer hitte(stress). Om in de toekomst prettig te wonen en te werken in onze groeiende stad, is het noodzakelijk nú maatregelen te nemen. Dit betekent dat we 'klimaatrobuust' te werk moeten gaan. 5.3.1

Klimaatadaptiebeleid

In samenwerking met Brabantse overheden en kennisinstellingen is een prototype klimaatadaptatie-toets ontwikkeld met richtlijnen en ontwerpnormen voor de (her)inrichting en ruimtelijke ontwikkeling van stedelijk gebied op straat- en wijkniveau. De toets omvat 3 hoofdregels en deze vormen de basis voor het Eindhovens klimaatadaptatie beleid: Zorg voor voldoende bergingsruimte om extreme buien tijdelijk op te vangen en vertraagd af te voeren. 68

vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

Infiltreer regenwater zoveel mogelijk en waar mogelijk op de plek waar het valt, en voorkom daarmee droogte. Zorg dat de straat niet onnodig opwarmt en voldoende plekken voor verkoeling heeft op het heetst van de dag. Voor de klimaatadaptatie normen en richtlijnen is een indeling gemaakt naar ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein (circa 60% van het areaal) en op publiek terrein (circa 40% van het areaal). In de binnenstad ligt deze verhouding zelfs op 80-20%. Bovenstaand is vertaald in een waterbergingsnorm.

5.3.2

Waterbergingsnorm

5.3.2.1 Minimale en maximale ontwerpnormen waterberging openbaar terrein Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op openbaar terrein moet minimaal 20 mm en mag tot 60 mm van de waterbergingsopgave ingevuld worden via primaire waterberging. Voorbeelden zijn waterpleinen, wadi's, watergangen, waterbergende funderingen of bakken. Eventuele resterende mm's (tot 40mm) van de waterbergingsopgave dient secundair te worden ingevuld. Denk daarbij aan parken, plantsoen c.q. grasvelden, parkeerplaatsen en wegen. Dit is acceptabel zolang er geen schade wordt veroorzaakt en/of dit niet ten koste gaat van andere primaire functies zoals op routes van hulpdiensten, markt- of evenement locaties. Als de secundaire waterbergings-opgave niet mogelijk is binnen de grenzen van de ruimtelijke ontwikkeling dan dient de waterbergingsopgave alsnog als primaire waterberging te worden ingevuld. Of er dienen maatregelen te worden genomen om de secundaire waterberging naar nabijgelegen ruimte te verplaatsen als dat hydraulisch mogelijk is. Bij ontwikkelingen op privaat terrein ligt de verantwoordelijkheid voor het opvangen en verwerken van hemelwater in eerste instantie bij de eigenaar van het perceel waar de druppel valt. De landelijke voorkeursvolgorde '(her)gebruiken, vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren´ is van toepassing.

Een voorbeeld van hergebruiken is hemelwater als spoelwater voor toiletten en een voorbeeld van vasthouden is infiltratie van hemelwater in de bodem. Als hergebruik en vasthouden door lokale omstandigheden niet doelmatig is kan hemelwater worden geborgen en vertraagd worden afgevoerd. Dat is de waterbergingsopgave. Hiermee wordt het rioolstelsel bij piekbuien ontlast met als gevolg beperking van wateroverlast. Daarnaast wordt het oppervlaktewatersysteem gelijkmatiger belast. Als ondersteuning voor de berekening van de waterbergingsopgave op privaat terrein is een rekentool ontwikkeld, te vinden via de website rekentool.eindhovenduurzaam.nl/.

5.3.2.2 Ontwerpnorm waterberging privaat terrein De waterbergingsopgave geldt voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein in Eindhoven. In gebieden waar vanuit het verleden afspraken over waterberging zijn gemaakt, wordt in overleg bepaald of en hoe de waterbergingsopgave in de ontwikkeling wordt verhoogd. Klimaatverandering kan namelijk ook in deze gebieden aanvullende waterberging noodzakelijk maken en daarmee het risico op waterschade aan (nieuw)bouw verlagen. Indien nodig worden hierover maatwerkafspraken gemaakt. In het beleid 'Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen' wordt onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen met 150 m² of meer verharding binnen het plangebied en kleinere ontwikkelingen tot 150 m² verharding binnen het plangebied. Voor de eerste groep geldt de eis tot 75 mm waterberging per m² verharding. Dit komt overeen met 75 liter waterberging per m² of voor een bouwplan met 400 m² verhard oppervlak 30 m³ (ofwel 30.000 liter) waterberging. Voor de tweede groep is de eis tot 25 mm. Dit komt overeen met 25 liter waterberging per m² of voor een woning met 100 m² verhard oppervlak 2,5 m³ (ofwel 2500 liter) waterberging. De ontwerpnormen ter voorkoming van wateroverlast betekenen voor particulieren, vastgesteld III Emmasingelkwadrant-Fellenoord2013 (TAC-gebouw) Gemeente Eindhoven

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11997046/1