CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Bestemmingsplan 'III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A)'.

Gemeenteraad 8 maart 2022, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A)27.945 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Volgens de uitsnede van de Archeologische Waardenkaart kent onderhavig plangebied geen archeologisch waardevolle gebieden of archeologische verwachtingsgebieden. Binnen het bestemmingsplan hoeft dan ook geen rekening te worden gehouden met archeologische waarden of verwachtingen. Wel geldt ten aanzien van archeologie een meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten. Mochten tijdens eventuele grondwerkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen, dan dienen deze (op grond van de meldingsplicht ingevolge art. 5.10 Erfgoedwet 2016) direct gemeld te worden aan de Minister van OCW en de afdeling Omgevingskwaliteit van de gemeente Eindhoven. Vervolgens zal bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden. 3.6.2

Cultuurhistorie

Cultuurhistorische waardenkaart Op 18 maart 2008 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven vastgesteld. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart geeft, naast rijks- en gemeentelijke monumenten een overzicht van de historische structuur van wegen en waterlopen, historisch waardevolle stedenbouwkundige en landschappelijke- en groenstructuren, beschermde stadsen dorpsgezichten en monumentale bomen. Bij de samenstelling van de kaart is onder andere gebruik gemaakt van de gegevens van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. Zoals zichtbaar op de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven maakt het plangebied deel uit van de historische stedenbouwkundige structuur van Vlokhoven.

32

vastgesteld III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A) Gemeente Eindhoven

Beleidskader Het beleidskader voor cultuurhistorie wordt gevormd door de nota 'Vitaal Verleden' en de 'Integrale Visie Erfgoed Eindhoven' (2012). Een belangrijke doelstelling is het herkenbaar houden van de historische gelaagdheid en verscheidenheid van de stad. Het projectgebied, gelegen in het stadsdeel Woensel, ligt aan de Vlokhovenseweg en maakt deel uit van de buurt Vlokhoven. De opzet van de herontwikkeling van de planlocatie is respect voor de cultuurhistorische identiteit van de plek door behoud van het karakteristieke BACS-gebouw; aansluiten bij korrelgrootte, kleurstelling en materiaalgebruik van de directe omgeving; een ingetogen, maar niet historiserend architectonisch beeld.

3.7

Verkeer en parkeren

De mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' is in 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is het verkeersbeleid voor de komende decennia (planhorizon 2040) vastgelegd. Deze visie vormt het bestuurlijke beleidskader voor alle verkeers- en mobiliteitsopgaven. In de volgende paragrafen zijn de essentiële elementen voor het plangebied beschreven. 3.7.1

Autoverkeer

Het plangebied ligt aan de Vlokhovenseweg. De inrichting van de Vlokhovenseweg voldoet niet meer aan de eisen van deze tijd en is toe aan groot onderhoud. Dit geeft de mogelijkheid om de straat opnieuw in te richten. Ook is de wegencategorisering in de visie 'Eindhoven op Weg' geactualiseerd. Er is een nieuwe tussencategorie opgenomen ten opzichte van de vorige wegencategorisering: de zogenaamde 'wijk- en buurtontsluitingsweg'. Na de herinrichting valt de Vlokhovenseweg, onderdeel van een 30 km zone, in deze categorie. Ook krijgt de straat een inrichting die beter past bij het veranderende klimaat. Meer groen, minder verharding en een regenwaterriool zorgen dat het regenwater beter opgevangen kan worden.

vastgesteld III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A) Gemeente Eindhoven

33

3.7.2

Fietsverkeer

De gemeente Eindhoven wil het gebruik van de fiets stimuleren. In de mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' is een fietsnetwerk opgenomen dat bestaat drie soorten fietsroutes. In volgorde van belangrijkheid; snelfietsroutes, primaire fietsroutes en secundaire fietsroutes. Onderdeel van de herinrichting van de Vlokhovenseweg is de aanleg van fietsstroken aan beide zijden van de weg, waarmee de veiligheid van de fietsers en de bereikbaarheid rond de Vlokhovensestraat, dus ook van het aangrenzende onderhavige plangebied, vergroot wordt. 3.7.3

Openbaar vervoer

Eindhoven op Weg gaat uit van twee netwerken voor het openbaar vervoer: een Hoogwaardig Openbaar Vervoer netwerk (HOV-netwerk) en een netwerk van ontsluitende buslijnen. De dichtstbijzijnde OV-halte voor de planlocatie ligt op circa 350 m. De herinrichting van de Vlokhovenseweg brengt hier geen verandering in. 3.7.4

Autoparkeren

De ruimte in de stad is beperkt en kostbaar. De gemeente moet dan ook de schaarse ruimte efficiënt gebruiken. Daarom worden bij een plan eisen aan het aantal te realiseren parkeerplaatsen gesteld. Bij besluit van 17 mei 2016 heeft het College van burgemeester en wethouders de Nota Parkeernormen 2016 vastgesteld. Hierin zijn normen vastgelegd voor parkeren. Deze nota is inmiddels aangepast door de Actualisatie Nota Parkeernormen 2019. 3.7.5

Mobiliteitsplan

Inleiding Het mobiliteitsplan is gebaseerd op de reductie van de ruimte voor de auto’s binnen het plangebied en maximalisatie van de ruimte en de faciliteiten voor langzaam verkeer. Door het gebruik van deelauto’s en het gebruik van de overcapaciteit aan openbare parkeerplaatsen in de omgeving wordt het aantal nieuw te maken parkeerplaatsen verlaagd. Dit komt ten goede aan de hoeveelheid groen die gerealiseerd kan worden als ook aan het autovrij maken van het hof. Ook zorgt het gebruik van elektrische deelauto’s voor minder CO2 uitstoot, zowel in het gebruik als in de productie van auto’s. Gericht op het toekomstig groeiende aantal elektrische auto’s in het plangebied zullen voorbereidingen voor de aanleg van laadpalen nu al standaard worden voorzien. Hiermee wordt het opengraven van de parkeerkoffer/het woonhof voor de aanleg van de voorzieningen, voorkomen. Mobiliteitsplan Files, parkeerdruk, gebruik van fossiele brandstoffen en slechte luchtkwaliteit: niet alleen vanuit de overheid neemt de ‘druk’ toe om duurzame en flexibele mobiliteit in te zetten, maar ook vanuit de huidige markt (de stadsbewoners) verschuift de behoefte van autobezit naar autogebruik. Stadsbewoners (kopers/toekomstige bewoners) stellen daar steeds meer vragen over of stellen eisen met betrekking tot hun mobiliteit.

Het goed faciliteren van de mobiliteit wordt gezien als een belangrijke voorwaarde bij ‘wonen in de stad’. Dit heeft uiteraard ook weer effect op de verkoopbaarheid van woningbouwplannen. De parkeervraag In Eindhoven wordt in de parkeernormering onderscheid gemaakt tussen centrum, schil en restgebied. Voor Ons Lourdeshof gelden de parkeernormen ‘restgebied’. In het ruimtelijk programma dat voor ogen is, krijgt de nieuwe ontwikkeling de functie Wonen. Er worden 24 woningen/appartementen ontwikkeld, te verdelen in verschillende categorieën. Op basis van de ‘Rekentool Parkeerbehoefte Auto’ volgt de een parkeerbehoefte voor de ‘nieuwe situatie’ van 30 parkeerplaatsen. Bij nieuwe planontwikkelingen zoals de beoogde woningbouw bij Ons Lourdeshof wordt vanuit de gemeente Eindhoven de voorkeur gegeven aan zo hoog mogelijke inzet van mobiliteitscorrecties. Dit kan zijn in de vorm van nieuwbouwlocaties lokaliseren dichtbij Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV) of de inzet van duurzame en flexibele mobiliteit in de 34

vastgesteld III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A) Gemeente Eindhoven

vorm van deelauto's. Gezien de grote afstand van onderhavig plan tot de dichtstbijzijnde HOV-halte Hieruit volgt dus geen mobiliteitscorrectie. Door een nog vast te leggen deelmobiliteitsaanbieder worden twee deelauto's binnen het plangebied geplaatst. De deelauto’s kunnen flexibel opgehaald en achtergelaten worden bij alle openbare hubs in Nederland, waardoor het autodelen optimaal flexibel benut kan worden door stads-/bewoners. Vanwege de inzet van de twee deelauto's is een reductie van het aantal te realiseren parkeerplaatsen met 8 stuks toegestaan. Wel moeten er twee parkeer/laadplaatsen voor deze deelauto's worden voorzien. Verder worden 8 parkeerplaatsen in het openbaar gebied aan het plan toegerekend. Dit betekent dat er 16 parkeerplaatsen op eigen terrein moeten worden gerealiseerd.

Invulling parkeerbehoefte voor de ‘nieuwe situatie’ voor fietsen: Alle 24 woningen/appartementen worden voorzien van een berging, waarbij wordt uitgegaan van plaatsing van 3 fietsen in deze berging. Om gebruik van de fiets te stimuleren en ruimte in de berging te besparen zullen daarnaast in het woonhof geclusterde fietsopstelplaatsen gerealiseerd worden.

Parkeerberekening en parkeeroplossing Zie bijlage 2 en 3 voor de parkeerberekening en parkeeroplossing, verkregen via de online tool van de gemeente.

vastgesteld III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A) Gemeente Eindhoven

35

3.8

Groen

3.8.1

Groenbeleidsplan

Begin 2017 is een actualisatie van het groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is (functies als uitgangspunt), welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving als karakteristieke kwaliteit van Eindhoven. Een omgeving die leefbaar en klimaatadaptief is en een volwaardig vestigingsklimaat biedt voor Brainport. Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstadgedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken.

Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het groenbeleidsplan. Het groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Aangezien niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd. In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen (zie figuur onderstaande afbeelding)

Onderhavig plangebied is in het Groenbeleidsplan 2017 aangeduid als 'Stad, rood 36

vastgesteld III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A) Gemeente Eindhoven

beeldbepalend'. In dit gebied wordt als ordeningsprincipe de volgende strategie aangehouden:

In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud en ontwikkeling van deze groene elementen of functies. Het oppervlak groen binnen deze categorie zou niet verder af moeten nemen. 3.8.2

Beleidsregel groencompensatie

Op 13 maart 2018 is de 'Regeling Groencompensatiefonds' vastgesteld. Bij deze regeling hoort de 'Beleidsregel Groencompensatie'. Deze beleidsregel is bedoeld als afwegingskader bij aanvragen voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van groen. In de beleidsregel is de procesafspraak opgenomen dat een initiatiefnemer die voorziet in de (her)ontwikkeling van gebouwen en/of gebieden, een groenplan opstelt. Dit groenplan beschrijft in de vorm van een vragenlijst de aantasting, de bestaande situatie en het beoogde eindbeeld. Bij aantasting en verlies van groen is compensatie vereist. Voornoemde beleidsregel geeft hiervoor de richtlijnen. Als leidend principe geldt: Compenseren van het groen binnen het plangebied; Compenseren van het groen op een alternatieve locatie; Financiële compensatie (in een groencompensatiefonds). Bij fysieke compensatie binnen het plangebied is er sprake van een nieuwe groene inrichting die door de initiatiefnemer/aanvrager wordt uitgevoerd en betaald. Hierbij geldt de huidige kwaliteit als uitgangspunt. Deze dient minstens gerealiseerd te worden na de ontwikkeling. In een groenplan wordt vastgelegd hoe de aangetaste groene kwaliteit wordt beschermd, hersteld en/of gecompenseerd. In dat verband kan ook gebruik gemaakt worden van groen op daken en gevels.

Mocht fysieke compensatie niet (volledig) mogelijk en/of toereikend zijn, dan kan een deel financieel gecompenseerd worden in een groencompensatiefonds. In de huidige situatie zijn binnen het plangebied een aantal bomen van verschillende omvang aanwezig. Voor het overige is het plangebied, een voormalige onderwijslocatie, voor het overgrote deel verhard.

vastgesteld III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A) Gemeente Eindhoven

37

Uit het Groenplan valt af te leiden dat het plangebied, groot 5315 m2, grotendeels verhard is. In de toekomstige situatie zullen zowel de centrale binnentuin en de voor-, als achtertuinen voor de groene invulling zorgen. Uitgaande van een 50% groene invulling van de voor- en achtertuinen, komt het totale groenoppervlak in de nieuwe situatie neer op circa 1.485 m2. Daarmee wordt een behoorlijke toename van groen gerealiseerd. Verder worden in het centrale park drie markante toekomstbestendige bomen aangeplant . Het plangebied van Ons Lourdeshof bestaat uit privé-terrein (kavels) en gemeenschappelijk terrein. Dit gemeenschappelijk terrein, openbaar toegankelijk, bestaande uit het groene woonhof inclusief parkeerkoffer zal mandelig toegekend worden aan de woningen/appartementen in de koop-aanneemovereenkomst. Daarnaast zal in deze overeenkomst een instandhoudingsplicht richting de bewoners worden opgenomen voor het gezamenlijk in stand houden/borgen van de groen kwaliteit van het woonhof i.c.m. het afwateren van hemelwater (en overige ondergrondse infra). Ook op kavelniveau zal een instandhoudingsplicht worden opgenomen, voor het in stand houden/borgen van het groene karakter van de voor-/achtertuinen (i.c.m. erfafscheidingen).

Door het plangebied mandelig te maken wordt betrokkenheid en medeverantwoordelijkheid bij alle bewoners van Ons Lourdeshof gecreëerd en gezamenlijk gebruik van het woonhof door de woongemeenschap versterkt.

38

vastgesteld III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A) Gemeente Eindhoven

3.8.3

Beleid bomen

Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2015. Deze is op 7 april 2015 door de gemeenteraad vastgesteld en op 24 augustus 2016 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels Bomen is van toepassing op bomen die niet onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming (Wnb) vallen. De Wet natuurbescherming is van toepassing op: bossen die buiten de 'bebouwde kom Wnb' liggen; alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are; bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Voor bomen gelden dus ofwel de Wet natuurbescherming ofwel de Verordening Bomen 2015. Voor het vellen van bomen dient, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord-Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing. Verordening Bomen Het bomenbeleid is gebaseerd op drie pijlers: behoud, versterking en ruimte voor dynamiek. Eindhoven wil een aantrekkelijke groene stad zijn en blijven. Bomen spelen daarbij een voorname rol. Een hoogwaardig bomenbestand dat een duurzame bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit en recht doet aan het groene imago van de stad is waar de gemeente naar streeft. Duurzaam behoud van de groene signatuur staat voorop. Het bomenbestand dient echter ook aan te sluiten op intensief gebruik van de openbare ruimte en de gewenste ruimtelijke kwaliteit.

Dit betekent soms dat in een bepaalde situatie andere belangen preferabel zijn en bomen moeten wijken. Het bomenbeleid voorziet in die gevallen in de mogelijkheden tot mitigatie en compensatie.

vastgesteld III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A) Gemeente Eindhoven

39

Groene kaart Een belangrijk onderdeel van de Verordening Bomen is de Groene Kaart. Het is een topografische kaart met daarop aangegeven de beschermde houtopstand. De Groene Kaart bevat verschillende categorieën houtopstanden. Voor bomen in gemeentelijk eigendom (publiek eigendom) kent de Groene Kaart zes categorieën: Monumentale bomen; Waardevolle bomen; Basisbomen; Bomen hoofdstructuur; Bomen nevenstructuur; Bomen in gebieden stad, groen beeldbepalend. De Groene Kaart kent daarnaast voor bomen in particulier eigendom (privaat eigendom) drie categorieën: Waardevolle bomen; Bomen in gebieden, stad groen beeldbepalend; Bomen op percelen van 500 m2 of groter. Voor het vellen van een houtopstand die deel uitmaakt van tenminste één van deze categorieën is, behoudens een aantal vrijstellingen, een omgevingsvergunning verplicht. Nadere regels Bomen De Verordening is uitgewerkt in nadere regels Bomen. Deze zijn op 19 juli 2016 vastgesteld door het college en op 4 augustus 2016 in werking getreden. De beleidsregels geven inzicht in de wijze waarop het college gebruik maakt van de aan haar in de Verordening toegekende bevoegdheden tot het aanwijzen en plaatsen van houtopstanden op de Groene Kaart.

Tevens zijn richtlijnen uitgewerkt voor omgang met overlast, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de weigeringsgronden bij beoordeling van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in houtopstanden. Zie bijlage 4 en 5 voor het rapport en de overzichtstekening van het bomenonderzoek. Het plangebied Uitgangspunt is om het hoogwaardige karakter met waardevolle bomen, dat nu al aanwezig is, te behouden en daarbij tegelijkertijd ruimte te maken voor doorzichten vanuit het hof naar de kerk (en andersom), alsmede voor een aantal nieuwe paden. Het resultaat is dat de historische verbinding tussen kerk en ons plangebied wordt hersteld. De doorwaadbaarheid van het openbaar toegankelijke mandelige plangebied maakt dat het woonhof onderdeel wordt van wandelroutes door de wijk en de speelaanleidingen alsmede het groen nodigen uit tot beweging door ravottende kinderen. De positionering van de bouwvolumes, het parkeren, de verharding en de ondergrondse infra is zodanig dat alle waardevolle en monumentale bomen behouden blijven. Ook bomen die buiten de kwalificatie waardevol vallen, worden behouden aangezien ze van grote meerwaarde zijn voor de groene ervaring van het woonhof. Ook de groene zone tussen het plangebied en het kerkhof kan grotendeels behouden blijven.

3.9

Kabels, leidingen en straalpaden

Er bevinden zich geen (planologisch) relevante (hoofd)kabels, -leidingen of straalpaden in het plangebied.

40

vastgesteld III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 4

4.1

Milieuparagraaf

Milieueffectrapportage

Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: Kolom 1: de activiteit zelf; Kolom 2: drempelwaarden activiteit; Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan); Kolom 4: de besluiten. De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten.

Bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aan de hand van de volgende aspecten te worden beoordeeld of de activiteit inderdaad geen aanzienlijke milieugevolgen kan hebben: de kenmerken van de activiteit (aard, omvang, cumulatie met andere ontwikkelingen); de locatie van de activiteit (kenmerken van het plangebied en de kwetsbaarheid van de omgeving); de mogelijke gevolgen van de activiteit. Het plan houdt in dat de voormalige schoollocatie wordt getransformeerd naar een kleinschalig woongebied. Daarbij worden in een voormalig schoolgebouw 4 appartementen gerealiseerd. Het tweede schoolgebouw, door brand zwaar beschadigd, wordt gesloopt. Op de vrijgekomen gronden worden 20 grondgebonden woningen gerealiseerd. Het plangebied, met ontsluiting op de Vlokhovenseweg, sluit aan bij de omliggende woonbebouwing. De uitgevoerde onderzoeken (bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid en flora en fauna) tonen aan dat het realiseren van 24 woningen op de locatie voldoet aan de wettelijke eisen en een verantwoorde situatie inhoudt vanuit milieuoogpunt. De verrichte onderzoeken onderstrepen de conclusie dat geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten en dat een milieueffectrapportage niet noodzakelijk is.

vastgesteld III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A) Gemeente Eindhoven

41

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk'; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld.

De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand. categorie 1: grootste afstand 10 meter; categorie 2: grootste afstand 30 meter; categorie 3.1: grootste afstand 50 meter; categorie 3.2: grootste afstand 100 meter; categorie 4.1: grootste afstand 200 meter; categorie 4.2: grootste afstand 300 meter; categorie 5.1: grootste afstand 500 meter; categorie 5.2: grootste afstand 700 meter; categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter; categorie 6: grootste afstand 1.500 meter. In de VNG-brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk en kan de richtafstand van de eerstvolgende lagere milieucategorie worden gehanteerd. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied. Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten.

Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten zoals bedrijven en gevoelige functies zoals woningen worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen.

42

vastgesteld III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A) Gemeente Eindhoven

4.2.1

Planspecifiek

De dichtstbijzijnde bedrijfsbestemming, Bedrijven-1, geldt voor de locatie Vlokhovenseweg 46a. Alleen bedrijven genoemd in de "lijst van bedrijfsactiviteiten", behorende tot de categorieën 1 of 2, met uitzondering van geluidszoneringsplichtige inrichtingen of risicovolle inrichtingen zijn toegestaan binnen deze bestemming. De afstand van het plangebied tot genoemde bedrijfsbestemming bedraagt meer dan 50m, aanzienlijk meer dan de maximaal vereiste minimumafstand van 30m tot categorie 2 bedrijven.

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de te volgen bestemmingsplanprocedure.

4.3

Geluid

4.3.1

Wettelijk kader

De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximumhoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. 4.3.2

Wegverkeerslawaai

In opdracht van Van Grunsven Bouwgroep is door Cauberg Huygen B.V. een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeer ten behoeve van de nieuwbouw van 20 grondgebonden woningen en de transformatie van een bestaand pand naar vier appartementen aan de Vlokhovenseweg te Eindhoven. De geplande geluidgevoelige bestemmingen (woningen) betreffen een nieuwe situatie in de zin van de Wet geluidhinder. De planlocatie bevindt zich volgens de Wet geluidhinder binnen de zone langs de John F. Kennedylaan. Om die redenen is voor de planlocatie een onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder noodzakelijk. De locatie is overigens niet gelegen binnen de zone langs een hoofdspoorlijn of rond een gezoneerd industrieterrein. De overige wegen rondom de planlocatie zijn uitgevoerd als 30 km/uur wegen, die volgens de Wet geluidhinder geen geluidzone hebben. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de invloed van de nabijgelegen 30 km/uur wegen inzichtelijk gemaakt. Onderzocht is of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde, vervolgens of bij uitwerking hogere grenswaarden krachtens de Wet geluidhinder kunnen worden aangevraagd en waar zo nodig maatregelen moeten worden toegepast. Tevens wordt getoetst aan het gemeentelijk geluidbeleid. Het plan ligt aan de Vlokhovenseweg.

De inrichting van de Vlokhovenseweg voldoet niet meer aan de eisen van deze tijd en is toe aan groot onderhoud. Dit geeft de mogelijkheid om de straat opnieuw in te richten. De maximumsnelheid wordt daarbij teruggebracht naar 30 km/u. In het kader van "Duurzaam Veilig" zijn alle overige wegen in en nabij het plangebied 30 km per uur wegen geworden. De conclusie van het onderzoek is hieronder weergegeven. Het rapport is als bijlage 5 aan de toelichting toegevoegd.

Uit de berekeningen blijkt dat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden ten gevolge van wegverkeer van de John F. Kennedylaan. De gecumuleerde geluidbelasting is ten hoogste 51 dB. vastgesteld III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A) Gemeente Eindhoven

43

De voorwaarden uit de ‘Beleidsregel hogere waarden Wgh’ van de Eindhoven geldt: "Bij een geluidbelasting van meer dan 53 dB (wegverkeer) geldt een verplichting van tenminste één geluidluwe zijde waaraan verblijfsruimte is gesitueerd". De gecumuleerde geluidbelasting is ten hoogste 51 dB, er wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden. 4.3.3

Railverkeerslawaai

De omvang van de geluidzone (het planologisch aandachtsgebied) langs een spoorweg is afhankelijk van het feit of de spoorweg is aangegeven op de geluidplafondkaart of de zonekaart. De Spoorlijn Eindhoven – Boxtel is weergegeven op de geluidplafondkaart. Voor spoorwegen die zijn aangegeven op de geluidplafondkaart wordt in het artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder de omvang van de geluidzone geregeld. De breedte van de zone is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond. Het geluidplafond bedraagt 73 dB. Dit vertaalt zich naar een zone van 900 meter breed aan weerszijden van de spoorweg. De beoogde woningen zijn niet gelegen binnen de zone van deze spoorweg. Het aspect railverkeerslawaai is niet aan de orde op onderhavig plan. 4.3.4

Industrielawaai

Het plangebied ligt niet in de zone van een industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder, waarop de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers is toegestaan. Het aspect industrielawaai is dan ook niet aan de orde op onderhavig plan. 4.3.5

Luchtvaartlawaai

Het plangebied ligt op hemelsbreed circa 6 km van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militair vliegveld met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). Vanaf 1 november 2009 geldt de Wet luchtvaart. Deze wet omvat een nieuw stelsel van besluitvorming en normen voor alle luchthavens, met uitzondering van Schiphol. Conform de systematiek van deze wet is voor luchthaven Eindhoven één luchthavenbesluit vastgesteld met een militaire geluidsruimte voor militair vliegverkeer en een burgergeluidsruimte voor het commercieel burgermedegebruik. Het luchthavenbesluit is op 26 september 2014 vastgesteld. Met dit besluit is de 35Ke-geluidszone rond de luchthaven vastgelegd als grens van de geluidsbelasting van het gezamenlijke militaire en civiele vliegverkeer. Het plangebied ligt niet binnen deze vastgestelde geluidszone (35Ke-contouren). Deze geluidszone werkt daarom niet belemmerend voor onderhavig plangebied.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. 44

vastgesteld III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A) Gemeente Eindhoven

Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex. 4.4.2

Besluit niet in betekenende mate bijdragen

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.

Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; Een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. 4.4.3

Besluit gevoelige bestemmingen

Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

vastgesteld III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A) Gemeente Eindhoven

45

4.4.4

Goede ruimtelijke ordening

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. 4.4.5

Het plan

Uitvoering van het plan betekent de realisatie van 4 appartementen en 20 grondgebonden woningen op een voormalige schoollocatie. Het aantal van 24 te realiseren woningen ligt ver beneden de drempelwaarde 1.500 woningen in de situatie met één ontsluitingsweg. Een dergelijk project zal een 'niet in betekenende mate bijdrage' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging en derhalve mag deze zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Betreffend plan maakt geen functies mogelijk waarop het Besluit gevoelige bestemmingen van toepassing is. Er worden ook geen woningen toegevoegd langs een drukke rijksweg, provinciale weg of stroomweg binnen de stad Eindhoven. Het plan is voor wat betreft luchtkwaliteit dan ook niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.

4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. 4.5.1

Wettelijk kader

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. 46

vastgesteld III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A) Gemeente Eindhoven

Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. 4.5.2

Beoordeling

De locatie bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, buisleidingen of het spoor. Wel ligt het plan op een afstand van circa 180 meter van de John F. Kennedylaan. Deze transportroute is niet vermeld in de Regeling Basisnet, maar is door de gemeente Eindhoven wel opgenomen in de rapportage "Transport gevaarlijke stoffen door de gemeente Eindhoven – actualisatie van het onderzoek naar de externe veiligheidsrisico’s van bulktransport over gemeentelijke wegen binnen Eindhoven" vastgesteld in 2010. Hierin wordt aangegeven dat de Kennedylaan geen plaatsgebonden risico heeft, maar wel een invloedsgebied. Het plan ligt binnen dit invloedsgebied. In de Visie Externe Veiligheid Eindhoven uit 2009 worden hierbij enkele voorwaarden gesteld. Hierin staat o.a. dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen (minder dan 50 woningen, waarbij de woningen niet specifiek bedoeld zijn voor een hulpbehoevende of minderjarige doelgroep) binnen 200 meter van de lokale wegen de standaard verantwoording groepsrisico geldt. Het plan past binnen deze criteria. Standaard verantwoording groepsrisico bij minder dan 50 woningen langs lokale wegen in de zone van 0 tot 200 m. Binnen zone van 0 tot 200 m zijn de blootstelling aan brandbare gassen (BLEVE) en toxische gassen de bepalende scenario’s.

Uitgaande van de diverse elementen van de verantwoordingsplicht leidt dit tot het volgende standaard externe veiligheidsadvies: De "Beleidsregels bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid gemeente Eindhoven" zijn van toepassing; De ontvluchtingsrichting vanuit het bouwwerk moet van de risicobron af gericht zijn; Eigenaren van bouwwerken moeten, indien van toepassing, ontruimingsafspraken maken met de gebruikers daarvan; Er is geen specifiek verzoek om advies van de Veiligheidsregio noodzakelijk. Conclusie Het aspect externe veiligheid levert geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan.

4.6

Duurzaamheid

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is.

Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2-emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.

vastgesteld III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A) Gemeente Eindhoven

47

Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is.

Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.

Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz.

Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven. 4.6.1

Circulaire economie

Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken

Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen.

In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het 48

vastgesteld III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A) Gemeente Eindhoven

huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval.

Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.

De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier.

Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding?

Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegengaan.

We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen. 4.6.2

Sociale basisbehoeften

The Natural Step neemt de 9 menselijke behoeftes van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt).

Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2016-2020 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.

Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte

We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. vastgesteld III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A) Gemeente Eindhoven

49

Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.

Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO-beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.

MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin. 4.6.3

Planspecifiek

Alle woningen/appartementen worden voorzien van een lucht/waterwarmtepomp (LWWP) t.b.v. warm tapwater, vloerverwarming en -koeling. De buitenunit van de LWWP bevindt zich in de buitenberging, uit het zicht. De binnenunit met boiler wordt in de technische installatiezone op de zolder van de woningen geplaatst waar zich ook de WTW-unit bevindt die de CO2 gestuurde ventilatie verzorgt.

Files, parkeerdruk, gebruik van fossiele brandstoffen en slechte luchtkwaliteit. Niet alleen vanuit de overheid neemt de ‘druk’ toe om duurzame en flexibele mobiliteit in te zetten. Ook vanuit de huidige markt (de stadsbewoners) verschuift de behoefte van autobezit naar autogebruik. Stadsbewoners stellen daar steeds meer vragen over of stellen eisen met betrekking tot hun mobiliteit. Het mobiliteitsconcept voor Ons Lourdeshof is gebaseerd op de reductie van de ruimte voor de auto’s binnen het plangebied en maximalisatie van de ruimte en de faciliteiten voor langzaam verkeer. Door het gebruik van elektrische deelauto’s en het gebruik van de overcapaciteit aan openbare parkeerplaatsen in de omgeving wordt het aantal nieuw te maken parkeerplaatsen gereduceerd. Dit komt ten goede aan de hoeveelheid groen die we kunnen realiseren alsmede aan het autovrij maken van het hof. Gericht op het toekomstig groeiende aantal elektrische auto’s in het plangebied zullen voorbereidingen voor de aanleg van laadpalen standaard worden voorzien.

Alle woningen/appartementen worden voorzien van PV-panelen. Deze zijn van het type "in dak" waardoor ze integraal onderdeel worden van de architectuur.

De bouwmaterialen worden zorgvuldig geselecteerd op basis van hun lange levensduur, circulaire eigenschappen, hernieuwbaarheid en/of lage milieubelasting. Bij de materialisatie van de gevels geven we prioriteit aan de lange levensduur en het hoogwaardige karakter. De baksteenarchitectuur gaat niet alleen vele generaties mee, maar is tevens onderdeel van het collectieve geheugen van de plek. De duurzaamste onderdelen van een gebouw zijn de delen die je nooit hoeft te veranderen zoals dit nu al het geval is bij baksteenarchitectuur van de kerk en het Bacs- gebouw. 50

vastgesteld III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A) Gemeente Eindhoven

In de nieuwbouwwoningen wordt circulair bouwen toegepast door gebruik van hernieuwbare materialen. Zoals toepassing van duurzaam geproduceerd hout en isolatiemateriaal van natuurlijke grondstoffen, zonder toegevoegde chemicaliën. Daarnaast zal de bouwmethode, toepassing van demontabele bouw met droge bouwknopen of prefab elementen bijdragen aan de circulaire economie. Niet alleen in de nieuwbouw, maar ook in het woonhof, zal circulair materiaalgebruik worden toegepast. Dit in de vorm van de inrichtingselementen zoals de houten duurzame fietsnietjes (leunbeugels), gemaakt van circulair sloophout, en de houten speelelementen (boomstammen en liggende boomstam) in de wadi.

Met ‘Natuurinclusief bouwen’ als uitgangspunt wordt zowel de biodiversiteit als de ruimtelijke en ecologische kwaliteit vergroot. Hierdoor ontstaat een aantrekkelijke woon- en leefomgeving, bedoeld voor collectief gebruik, met een uitdagende en inspirerende natuur die bijdraagt aan het welzijnsgevoel van bewoners, passanten en gebruikers van Ons Lourdeshof. Nestkasten voor vogels en vleermuizen worden als integraal onderdeel meegenomen in de gevelarchitectuur. Hierbij wordt niet het absolute minimum aangehouden van wat er moet worden gerealiseerd aan compenserende maatregelen maar eerder wat kan en wat nuttig is in het kader van het stimuleren van biodiversiteit. Hierbij zal in het vervolg van dit project de samenwerking worden gezocht met de stadsecoloog van de gemeente Eindhoven. De natuurinclusieve architectuur beperkt zich niet tot het dierenrijk. Ook planten krijgen een belangrijke rol in het gevelbeeld. Zowel de in de architectuur geïntegreerde pergolastructuur, alsmede diverse blinde muren worden ingezet als verticale tuinen door de inzet van klimbeplanting in combinatie met spandraden.

4.7

Bodem

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd, dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden.Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.

Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen). Om de bodemkwaliteit van onderhavige locatie vast te stellen is in de periode april-juni 2019 door BK ingenieurs een verkennend bodem- en asbest-in-grond onderzoek uitgevoerd aan de Vlokhovenseweg 41A, 41 en 43 te Eindhoven. Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen transformatie van het gebied naar een woonfunctie. Het rapport is als bijlage 7 toegevoegd. Op de locaties zijn gebouwen ten behoeve van onderwijs gesitueerd (de voormalige Mariaschool, later basisschool De Rungraaf). Het buitenterrein is hoofdzakelijk verhard met tegels en klinkers. Op 1 januari 2017 is de basis- school deels afgebrand. Na de brand zijn de brandresten opgeruimd, de bodem is sindsdien niet onderzocht. Onderzoeksresultaten bodemonderzoek vastgesteld III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A) Gemeente Eindhoven

51

Algemene kwaliteit In de zintuiglijk schone bovengrond (0,0 - 0,5 m -mv) is plaatselijk een licht verhoogd gehalte aan lood aangetoond; Ter plaatse van boring 001 is de metselpuin- en baksteenhoudende zandlaag van 0,25 0,35 m -mv matig verontreinigd met zink en licht verontreinigd met cadmium en lood. De onderliggende bodemlaag (0,35 - 0,5 m -mv) is vervolgens separaat onderzocht op de aanwezigheid van zink. Er is geen verhoogd gehalte aangetoond. De bodemlaag van 0,15 - 0,6 m -mv van boring 016 is vanwege de aangetroffen bijmengingen (baksteen, metselpuin en dakpan) tevens separaat onderzocht. Er is geen verhoogd gehalte aangetoond (NEN 5740 standaardpakket grond); De ondergrond (0,5 - 1,9 m -mv) bevat plaatselijk een licht verhoogd gehalte aan lood; In het grondwater is een licht verhoogde concentratie barium aangetoond. De herkomst van deze verontreiniging is onbekend. Waarschijnlijk betreft het een verhoogde achtergrondconcentratie. Asbest-in-grondonderzoek Op de locatie is zowel op het maaiveld als in de contactzone (0 - 0,4 m -mv) visueel en analytisch geen asbest aangetroffen. Conclusie Met dit bodemonderzoek is de huidige bodemkwaliteit op bovengenoemde locatie vastgelegd. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn geen belemmeringen voor het plan.

PFAS Volgens de notitie 'Aanvulling bodemkwaliteitskaart gemeente Eindhoven voor PFAS-verbindingen en grondstromenbeleid PFAS-houdende grond', is Pfas voor een groot gedeelte van het Eindhovens grondgebied geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen. De ontgravingskaart voor PFAS-verbindingen geeft de te verwachten kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond op een voor de bodemkwaliteitskaart niet uitgesloten locatie/gebied. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. Voorafgaand aan het grondverzet moet altijd informatie worden achterhaald waaruit blijkt of de locatie is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. In hoofdstuk 5 van de rapportage van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Eindhoven wordt hier nader op ingegaan. De kaart doet alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. Onderstaande afbeeldingen geven de te verwachten kwaliteit aan van de bodem binnen het plangebied. Voor de beide peildieptes 0 - 1,0 m -mv en 1,0 - 3,0 m -mv is de bodemkwaliteit landbouw/natuur. Dit betekent dat eventueel vrijkomende grond tijdens de realisatieperiode binnen de komgrens verplaatst en gebruikt kan worden.

52

vastgesteld III Centraal Woensel 2007 (Vlokhovenseweg 41-41A) Gemeente Eindhoven

4.8

Explosievenonderzoek

Gemeente Eindhoven beschikt over kaarten met de gebieden die verdacht zijn op het voorkomen van nge’s (niet gesprongen explosieven). In deze gebieden dient voorafgaand aan grondverzet explosieven onderzoek uitgevoerd te worden, in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse (PRA) of een detectie onderzoek. Wanneer op basis van onderzoek nge’s worden aangetroffen worden deze geruimd. De combinatie Bombs Away B.V. te Utrecht en IDDS Explosieven te Noordwijk (vanaf hier: de combinatie) voert momenteel een gemeentebreed vooronderzoek Conventionele Explosieven (vooronderzoek CE) uit voor de gemeente Eindhoven. Vooruitlopend op de resultaten van dit vooronderzoek CE heeft de gemeente Eindhoven de combinatie opdracht gegeven om negen locaties van schoolgebouwen in het onderzoek naar voren te halen en hier een memo voor op te stellen. De aanleiding hiervoor is dat de gemeente van plan is deze schoolgebouwen te verkopen. Ten behoeve van de verkoop van deze percelen is het nodig om de huidige stand van zaken te weten omtrent de bodemkwaliteit. Op 5 juli 2019 is de locatie Vlokhovenseweg 41A, 41 en 43 onderzocht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11754091/1