Bijlage 1 - Bestemmingsplan III Binnenstad (VDMA-terrein)
Tekst van het document
3.14
Kabels, leidingen en straalpaden
Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels, leidingen of straalpaden aanwezig die via de regels van het bestemmingsplan beschermd dienen te worden. Het planvoornemen wordt dan ook planologisch niet belemmerd door de aanwezigheid van kabels, leidingen en straalpaden. Bij de realisatie zal verder aandacht besteed worden aan de reguliere kabels en leidingen die aanwezig zijn in het gebied, onder andere middels een Klic-melding en in nauw overleg met de leidingbeheerder.
54
vastgesteld III Binnenstad (VDMA-terrein) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 4
Milieuparagraaf
4.1
Milieueffectrapportage
4.1.1
Wettelijk kader
Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: Kolom 1: de activiteit zelf Kolom 2: drempelwaarden activiteit Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan) Kolom 4: de besluiten De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten. In dit kader is 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. van belang.
Het gaat daarbij om: D 11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
4.1.2
Stedelijk ontwikkelingsproject
Uit de jurisprudentie volgt dat of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van Besluit m.e.r afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard, omvang en locatie van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Hieronder wordt ingegaan op deze aspecten. Het beoogde programma voor het VDMA zal zo'n 750 woningen en 33.900 m² bvo aan diverse commerciële functies (zoals kantoren, maatschappelijke voorzieningen en horeca) mogelijk maken en is daarmee aan te merken als een stedelijke ontwikkeling zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.. De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. 22 juni 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders, op basis van de aanmeldnotie m.e.r-beoordeling besloten dat geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden. Voor dit plan is een (vormvrije) m.e.r. beoordelingsnotitie opgesteld. Deze notitie maakt als bijlage 7 onderdeel uit van het bestemmingsplan. Hieruit blijkt dat er geen significante (nadelige) milieueffecten te verwachten zijn. Er hoeft dan ook geen volledige milieueffectrapportage doorlopen te worden ten behoeve van dit bestemmingsplan.
vastgesteld III Binnenstad (VDMA-terrein) Gemeente Eindhoven
55
4.2
Bedrijven en milieuzonering
Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009.
Toepassing plangebied Dit plangebied is gelegen in het centrum van Eindhoven. Het plangebied wordt daarom aangemerkt als een gebied waar duidelijk sprake is van een functiemenging. Een gebied met functiemenging wordt gebruikt daar waar sprake is van milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd of waar men een grote levendigheid tot stand wil brengen. In de Staat van Bedrijfsactiviteiten wordt functiemenging als uitgangspunt genomen voor milieuzonering. Het begrip "gebied met functiemenging" wordt gebruikt om aan te geven welke functies binnen een gebied met functiemenging onder welke voorwaarden toelaatbaar zijn. De activiteiten in de VNG-brochure opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging bestaan uit de categorieën A, B of C met de volgende betekenis voor de toelaatbaarheid: Categorie A Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen - in gebieden met functiemenging - kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden.
Categorie C De activiteiten uit categorie B waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Bij de samenstelling van de "Lijst van bedrijfsactiviteiten" is primair als uitgangspunt genomen, dat daarin slechts dienen te worden opgenomen "bedrijven in enge zin". Activiteiten zoals detailhandel, horeca, kantoren, sport-/recreatie-inrichtingen (zoals een sportschool, een zwembad etc.), onderwijs- en andere maatschappelijke instellingen, alsmede dienstverlenende instellingen/beroepen, zoals kapsalons, artsenpraktijken advocatenkantoren etc. zijn van deze lijst geschrapt. De reden hiervan is dat dergelijke functies in de bestemmingsplannen anders dan voor "bedrijfsactiviteiten" worden bestemd. Verder zijn uitgezonderd bedrijven die niet in het plangebied zijn gewenst. Hinder van bedrijfsactiviteiten buiten het plangebied 56
vastgesteld III Binnenstad (VDMA-terrein) Gemeente Eindhoven
Rondom het plangebied zijn een groot aantal niet-woonfuncties mogelijk zoals: detailhandel, horecabedrijven, dienstverlenende bedrijven/instellingen en bedrijven in de categorie 1 en 2 zoals genoemd in de lijst van bedrijfsactiviteiten in het geldende bestemmingsplan. Voor dit type horeca en bedrijven geldt volgens de "Staat van bedrijfsactiviteiten - functiemenging" van de VNG voornamelijk de categorieën A en B. In de afgelopen 10 jaar is gebleken dat voornoemde lijst lang niet dekkend is voor de vestiging van bedrijvigheid in Eindhoven. Veelal is in dit plangebied innovatieve, duurzame en technische bedrijvigheid aanwezig, met een kleine of geen hindercontour. Dergelijke bedrijfsactiviteiten zijn niet te scharen onder de bedrijfsactiviteiten die zijn opgenomen in bovengenoemde "Lijst van bedrijfsactiviteiten". Gelet hierop is in de regels bepaald dat ook bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan die niet in voornoemde lijst zijn opgenomen en die een vergelijkbare hindercontour hebben. Zo wordt voorkomen dat gewenste bedrijfsactiviteiten in het plangebied niet zonder meer toegelaten zijn. De bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten die in een menggebied vanuit het oogpunt van milieuhinder acceptabel worden geacht, zijn in genoemde lijst van bedrijfsactiviteiten opgenomen. Bedrijfsfuncties zijn niet specifiek bestemd.
Geluidzoneringsplichtige bedrijven en/of risicovolle inrichtingen zijn zonder meer uitgesloten. De VNG-afstanden betreffen richtafstanden. Deze generieke afstanden zijn niet op elke situatie toepasbaar. Er kunnen bijzondere omstandigheden zijn waarom in het specifieke geval de richtafstanden niet representatief zijn. In dat geval moet de geluidsbelasting op een andere wijze worden bepaald. Bij de beoordeling van de belangen van het naastgelegen hotel aan de Vestdijk 47 zijn de "akoestische" milieubelangen van het bedrijf in het milieukader (milieuvergunning, Activiteitenbesluit) leidend. Bij de afweging van de akoestische belangen van een bedrijf dat onder het Activiteitenbesluit valt is de situatie anders dan bij een vergunningplichtig bedrijf. Ondanks dat er wordt voldaan aan de richtafstand van 0 meter is in het kader van een goede ruimtelijke ordening onderzocht of vanwege de ontwikkeling van het plan sprake is van een verhoogde kans op geluidhinder en of het hotel wordt beperkt in haar bedrijfsvoering. Dit onderzoek maakt als bijlage onderdeel uit van deze toelichting. Uit de resultaten blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als gevolg van de installaties op de daken van het hotel ter plaatse van de nieuw te realiseren gebouwen voor alle perioden ten hoogste 50 dB(A) bedraagt.
Dit houdt in dat alleen in de dagperiode wordt voldaan aan de grenswaarden van respectievelijk 50/45/40 dB(A) uit stap 2 van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de avond- en nachtperiode kan niet worden voldaan aan de grenswaarden. Indien wordt gekeken naar stap 3 van de VNG-publicatie kan eveneens niet worden voldaan aan de grenswaarde van 45 dB(A) in de nachtperiode. De maatgevende bron voor de overschrijding in de avond- en nachtperiode is de dakventilator aan de noordkant van het hotel. Na reductie met 10 dB van deze bron bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in alle etmaalperioden ten hoogste 45 dB(A). Hiermee kan wel worden voldaan aan stap 3 van de VNG-publicatie. De genoemde reductie kan worden behaald met een absorberend scherm van 1,5 m rondom de dakventilator. Om aan de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit te kunnen voldoen moeten aanvullend maatregelen worden getroffen aan de bron 'Chiller opstelplaats'. De bijdrage van deze bron moet met 5 dB worden gereduceerd. Hieraan wordt voldaan wanneer de bedrijfsduur van deze bron in de nachtperiode (23.00 - 07.00 uur) maximaal 2,66 uur (33% van de tijd) bedraagt. In het onderzoek is gemotiveerd dat hieraan in de praktijk reeds zal worden voldaan. In het onderzoek is als uitgangspunt is genomen dat de chillers volcontinu aan staan. Dit kan worden beschouwd als een conservatieve benadering.
Het is namelijk niet aannemelijk dat vastgesteld III Binnenstad (VDMA-terrein) Gemeente Eindhoven
57
deze installaties in de maatgevende nachtperiode volcontinu aan staan. De genoemde aanvullende maatregelen zullen getroffen worden als het bouwplan uitgevoerd gaat worden. Hierover zal initiatiefnemer afspraken maken met het hotel aan de Vestdijk 47. De eventueel te nemen maatregelen zullen bij de aanvraag omgevingsvergunning meegenomen worden. Hinder van bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied De ontwikkeling zelf voorziet naast woningbouw in meerdere niet-woonfuncties, zoals horeca, dienstverlenende bedrijven/instellingen, kantoren, bedrijven in de categorie A en B. Dergelijke type bedrijvigheid en horeca valt binnen de categorie A en B van de "Lijst van bedrijfsactiviteiten - functiemenging". Doordat deze lijst onderdeel uitmaakt van de regels kan in het plangebied geen bedrijvigheid gerealiseerd worden dat een negatieve invloed heeft op het woon en leefklimaat van de beoogde woningen en op de woningen in de omgeving.
4.3
Geluid
4.3.1
Wettelijk kader
De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.
In dit bestemmingsplan worden woningen mogelijk gemaakt. Dit zijn geluidgevoelige objecten. Voor deze ontwikkeling is een akoestisch onderzoek naar het weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek maakt als bijlage 9 onderdeel uit van de toelichting. Hieronder wordt ingegaan op de uitkomsten van het akoestisch onderzoek. Het beoogde planvoornemen zal verschillende functies krijgen. Alleen de woonvoorzieningen zijn binnen dit project aan te duiden als geluidgevoelige objecten. Onderstaande afbeelding toont waar de verschillende woonvoorzieningen gerealiseerd zullen worden.
58
vastgesteld III Binnenstad (VDMA-terrein) Gemeente Eindhoven
Overzicht VDMA. De rood gestippelde vierkanten (A t/m E) tonen de locaties waar woonvoorzieningen gerealiseerd zullen worden
4.3.2
Wegverkeerslawaai
Van alle onderzochten wegen blijkt dat alleen overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde plaatst vindt vanwege het wegverkeerslawaai op de Vestdijk. Bij blok B worden aan twee zijdes de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De ten hoogste berekende geluidbelasting van 52 dB op de westelijke zijde vindt plaats op 16,5 en 19,5 meter hoogte. De ten hoogste berekende geluidbelasting van 50 dB aan de zuidelijke zijde vindt plaats op 10,5 meter hoogte. Bij blok C wordt de voorkeursgrenswaarde aan de noordelijke en zuidelijke zijde overschreden. De ten hoogte berekende geluidbelasting van 50 dB op de noordelijke zijde vindt plaats op 16,5 meter hoogte. De ten hoogte berekende geluidbelasting van 55 dB op de zuidelijke zijde vindt eveneens plaats op 10,5 meter hoogte. Op deze weg bedraagt de maximale rijsnelheid 30 km/uur. Derhalve is het toetsingskader op grond van de Wet geluidhinder formeel niet van toepassing.
4.3.3
Railverkeerslawaai
Met behulp van het rekenmodel is op het te beoordelen nieuwbouwplan de geluidbelasting vanwege het spoorverkeer op traject Tilburg- Venlo. Uit de resultaten blijkt dat bij blok B, C en D de voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt overschreden. De hoogst berekende geluidbelasting is 59 dB. Deze geluidbelasting vindt plaats op de bovenste verdiepingen van gebouw C en D. vastgesteld III Binnenstad (VDMA-terrein) Gemeente Eindhoven
59
Cumulatie Het plangebied is gelegen binnen de zone van verschillende geluidbronnen (wegverkeer en spoorverkeer). Aangezien er sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, is de cumulatieve geluidbelasting inzichtelijk gemaakt. De cumulatieve geluidbelasting op de woningen en appartementen bedraagt ten hoogste 60 dB. Voor de cumulatieve geluidbelasting zijn geen wettelijke grenswaarden vastgelegd. Ingevolge artikel 110a lid 6 Wgh dient het bevoegd gezag te beoordelen of deze cumulatie leidt tot een aanvaardbare geluidbelasting. Maatregelen om de geluidbelasting ter plaatse van de woongebieden terug te brengen zijn niet mogelijk of lijken niet doelmatig. Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven dient daarom voor deze locaties hogere waarden vast te stellen. Hogere waarden beleid gemeente Eindhoven Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is tevens rekening gehouden met het document "Hogere Waarden Beleid Geluid" d.d. maart 2010 en "het gemeenteblad Beleidsregels hogere waardenbeleid geluid" d.d. 17 juli 2018 van de gemeente Eindhoven. In onderhavige situatie is op een enkele locatie sprake van een geluidbelasting van meer dan 53 dB ten gevolge van wegverkeer. De ten hoogte berekende geluidbelasting van 55 dB vindt plaats op de zuidelijke zijde van Blok C op 10,5 meter hoogte.
De appartementen die aan deze gevels zijn gelegen dienen voorzien te zijn van een geluidluwe gevel. Hetzelfde geldt voor de bovenste verdiepingen van gebouw C en D vanwege het spoorweglawaai. Indien de overschrijdingen plaats vinden op eenzijdig gerichte woningen accepteert de gemeente dat per woning tenminste één geluidgevoelige ruimte beschikt over een raam waar de geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde en dit raam over zodanige spui-ventilatie mogelijkheden beschikt dat voldaan wordt aan de desbetreffende eisen van het Bouwbesluit. Wanneer de geluidbelasting op de te openen delen hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kunnen in/op/aan de gevel maatregelen worden getroffen waardoor alsnog een stille zijde gerealiseerd wordt. Minimaal moeten deze maatregelen de te openen delen afdoende afschermen zodat aldaar aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. De initiatiefnemer kan overwegen om bij de realisatie van de woningen en appartementen bovenstaande aanvullende maatregelen met betrekking tot gevelwering in acht te nemen. Met daarin achtnemende dat er toetsing aan de geluidweringseisen vanuit het Bouwbesluit reeds moeten plaatsvinden als gevolg van het spoorweglawaai. Met uitzondering van bronmaatregelen in de vorm van een stiller wegdektype zijn er redelijkerwijs geen maatregelen mogelijk.
Het bevoegd gezag dient een afweging te maken over de doelmatigheid van de voorgestelde bronmaatregel en de aanvaardbaarheid van de berekende geluidniveaus. In onderhavige situatie bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting maximaal 60 dB exclusief aftrek artikel 110g van de Wgh. De gecumuleerde geluidbelasting overschrijdt derhalve de maximaal toelaatbare grenswaarde (maximale ontheffingswaarde) niet en wordt dus voldaan aan deze aanvullende voorwaarde uit het gemeentelijk geluidbeleid. Voor woningen met een hogere waarden dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) van maximaal 33 dB te worden gegarandeerd. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk.
60
vastgesteld III Binnenstad (VDMA-terrein) Gemeente Eindhoven
4.3.4
Industrielawaai
Het plan ligt niet in de zone van een industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder, waarop de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers is toegestaan. Het aspect industrielawaai is dan ook niet aan de orde op onderhavig plan.
4.3.5
Luchtvaartlawaai
Het plangebied ligt op hemelsbreed circa 6,5 km van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militair vliegveld met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). Vanaf 1 november 2009 geldt de Wet luchtvaart. Deze wet omvat een nieuw stelsel van besluitvorming en normen voor alle luchthavens, met uitzondering van Schiphol. Conform de systematiek van deze wet is voor luchthaven Eindhoven één luchthavenbesluit vastgesteld met een militaire geluidsruimte voor militair vliegverkeer en een burgergeluidsruimte voor het commercieel burgermedegebruik. Het luchthavenbesluit is op 26 september 2014 vastgesteld. Met dit besluit is de 35Ke-geluidszone rond de luchthaven vastgelegd als grens van de geluidsbelasting van het gezamenlijke militaire en civiele vliegverkeer. Het plangebied ligt niet binnen deze vastgestelde geluidszone (35Ke-contouren). Deze geluidszone werkt daarom niet belemmerend voor onderhavig plangebied.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Wettelijk kader
Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex. 4.4.2
Besluit niet in betekenende mate bijdragen
In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij vastgesteld III Binnenstad (VDMA-terrein) Gemeente Eindhoven
61
minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Samengevat Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.
4.4.3
Besluit gevoelige bestemmingen
Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.
In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties. 4.4.4
Goede ruimtelijke ordening
Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. 62
vastgesteld III Binnenstad (VDMA-terrein) Gemeente Eindhoven
4.4.5
Planbeschrijving en toetsing
Voor deze ontwikkeling is een onderzoek luchtkwaliteit uitgevoerd. Dit onderzoek maakt als bijlage 10 onderdeel uit van de toelichting. Uit dit onderzoek blijkt het volgende. Op basis van de verkeersbijdrage kan worden gesteld dat het plan voldoet aan de Regeling NIBM en een verder onderzoek naar luchtkwaliteit achterwege kan worden gelaten. In het kader van goede ruimtelijke ordening is bekeken wat de huidige- en toekomstige achtergrondconcentraties zijn in het plangebied. Hierbij moet worden opgemerkt dat in verhouding tot de huidige situatie in het gebied het plan een lagere verkeersgeneratie beoogd en daarmee een verbetering biedt aan de luchtkwaliteit in de nabije omgeving in de toekomst. Op basis van deze gegevens en dat de gemeente proactief inzet om autogebruik in de binnenstad te verminderen kan worden gesteld dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling van VDMA.
4.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid.
4.5.1
Wettelijk kader
Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
vastgesteld III Binnenstad (VDMA-terrein) Gemeente Eindhoven
63
4.5.2
Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid
De gemeenteraad van Eindhoven heeft de visie Externe Veiligheid 'Risico's de maat genomen'. Met deze visie wordt richting en uitwerking gegeven aan een verantwoorde veilige, integrale invulling van duurzame ruimtelijke ontwikkeling passend binnen de Brainportontwikkelingen en het Programma Brabant veiliger. In de visie wordt aangegeven waar ruimte bestaat voor nieuwe risicovolle bedrijvigheid en onder welke veiligheidsverhogende condities dat mogelijk is. Tevens wordt aangegeven op welke locaties in de stad geïnvesteerd dient te worden in een beter niveau van beheersbaarheid. Tot slot wordt beschreven waar de veiligheid in de bestaande woonomgeving door het 'aanpakken' van bestaande knelpunten kan worden verbeterd. De beleidsvisie is opgebouwd aan de hand van een aantal gebiedsgerichte risicoprofielen. Daarin zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid voorwaarden opgenomen. Het plangebied VDMA ligt niet binnen een gebiedsgerichte risicoprofiel.
4.5.3
Conclusie
De locatie van het plangebied waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft ligt niet binnen de invloedsfeer van risicovolle inrichtingen en niet binnen de invloedsgebied van het vliegveld. Het plangebied ligt eveneens niet binnen het invloedsgebied van wegen, spoor-, waterwegen of buisleidingen waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.6
Duurzaamheid
De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. 1. CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.
1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) 64
vastgesteld III Binnenstad (VDMA-terrein) Gemeente Eindhoven
voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is.
1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.
1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz.
1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.
2 Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken.
2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen.
vastgesteld III Binnenstad (VDMA-terrein) Gemeente Eindhoven
65
2B) geen afval In de toekomst willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval.
2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.
2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier.
3) Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding?
3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan.
3B) oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.
4. Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt).
4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2016-2020 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 66
vastgesteld III Binnenstad (VDMA-terrein) Gemeente Eindhoven
'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.
4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte
4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.
Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.
4.6.1
Planbeschrijving
VDMA is een ontwikkeling die verdergaat dan het creëren van een gezonde leefomgeving waarin mens, dier en milieu in synergie samenleven. Op VDMA wordt maatschappelijke verantwoordelijkheid genomen en op een actieve en positieve manier bijgedragen aan de samenleving en de leefomgeving. Het duurzaamheidsconcept VDMA zet met acht thema's in op de verandering naar een duurzame leefomgeving die past bij een nieuw tijdperk. De focus ligt daarbij op circulaire economie en de transitieopgaven voor klimaat, energie en mobiliteit in de omgeving. De volledige bandbreedte wordt bespeeld: van hightech PV-gevels tot lowtech heide daken op de lagere bebouwing. Energie-, afval- en materialenkringlopen worden zo veel mogelijk gesloten om een zo klein mogelijke carbon footprint achter te laten voor toekomstige generaties en het beroep op fossiele bronnen te minimaliseren.
vastgesteld III Binnenstad (VDMA-terrein) Gemeente Eindhoven
67
Acht thema's: 1. CO2-reductie: duurzame opwekking en energiebesparing; 2. Mobiliteit: STOMP - stimuleren van eerst lopen (Stappen), dan fietsen (Trappen), dan OV & deel Mobiliteit als alternatief op de Personenauto; 3. Afval & Materialen: Gebouwen (o.a. circulaire materialen en bouwmethoden) en dagelijkse grondstoffen (hergebruiken en scheiden aan de bron); 4. Biodiversiteit: Het Brabants Stadsbos met haar grote variëteit aan ecosystemen; 5. Klimaatrobuustheid: regenwaterretentie, buffering en toepassen van veel groen; 6. Sociale impact: inclusief programma en bevorderen van collectiviteit; 7. Gezondheid: bevorderen van een gezonde levensstijl - gezond lichaam en geest; 8. Zichtbare duurzaamheid: De 'Loop' met zijn geïntegreerde duurzame systemen en de 'Circulaire Lobby', die duurzaamheid en circulariteit ervaarbaar en zichtbaar maakt. Naast duurzame technieken en het toevoegen van natuur is er aandacht voor de sociale transitie, de sterke identiteit van het project en de hoeveelheid mogelijkheden tot ontmoeten, samenwerken en samenleven versterkt de gemeenschapszin. Mensen voelen hier binding met de plek en worden gestimuleerd verantwoordelijkheid te nemen voor de omgeving en elkaar.
De sociaal maatschappelijke positionering van VDMA wordt voorgesteld als een uitnodigend podium: Join The Stage! VDMA is een plek voor iedereen, die is gericht op aanjagen, zichtbaar en voelbaar maken van vergaande duurzame keuzes. Het podium daagt deelnemers ook uit om verantwoordelijkheid te nemen op basis van een moderne en toekomstbestendige visie op bijvoorbeeld mobiliteit. Met een forse investering in schonere en gezondere alternatieven, wordt het autobezit en -gebruik indringend ontmoedigd. Beyond Paris Proof VDMA is Beyond Paris Proof, meetbaar, aantoonbaar en haalbaar: Nul-op-de-meter: alle gebouwen zijn energieneutraal. Gasloos: de warmtevoorzieningen in het hele gebied zijn aardgasvrij. CO2 naar 'benee': alleen al bij de bouw wordt een significante CO2-reductie behaald door o.a. het gebruik van circulair en biobased bouwmateriaal. Bewoners en bezoekers worden actief gestimuleerd en gefaciliteerd bij energiereductie.
4.7
Bodem
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw bestemmingsplan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Voor dit plangebied is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek maakt als bijlage 11 onderdeel uit van de toelichting. Historisch bodemonderzoek Op de locatie hebben in het verleden verdachte bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden vanaf circa 1900 tot circa 2007. Vanaf 2007 zijn er geen verdachte activiteiten meer bekend. Binnen de locatie zijn in het verleden meerdere ondergrondse brandstoftanks in gebruik geweest. De meeste tanks zijn gesaneerd (gecleaned) en / of verwijderd. De gehele onderzoekslocatie en de daarbinnen gelegen verdachte deellocaties zijn in het verleden onderzocht. Hieruit blijkt dat in de bodem ter plaatse van de locatie licht tot sterk verhoogde concentraties aan zware metalen, PAK en/of minerale olie aanwezig zijn. De verontreinigingen zijn toe te schrijven aan de voormalige bedrijfsactiviteiten en het (historische) gebruik van de locatie. Voor zover dit te achterhalen is zijn de verontreinigingen ontstaan voor 1987.
68
vastgesteld III Binnenstad (VDMA-terrein) Gemeente Eindhoven
Met betrekking tot asbest wordt geconcludeerd dat slechts beperkt onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van asbest in de bodem. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen in de opgeboorde grond en het gebruik van asbest in de bestaande gebouwen dient de gehele locatie te worden bestempeld als verdacht voor asbest in de grond. Dit wordt bevestigd met het indicatieve asbest onderzoek waaruit is gebleken dat er asbest aanwezig is in de grond op een deel van het parkeerterrein. Er zijn geen directe (punt)bronnen of activiteiten bekend waarbij PFAS is gebruikt. Atmosferische depositie wordt gezien als de enige bron van PFAS-verontreiniging op deze locatie. Er is geen onderzoek verricht naar de aanwezigheid van PFAS. Met het oog op de afvoer van grond tijdens eventuele saneringen en latere nieuwbouw wordt geadviseerd om onderzoek naar PFAS uit te voeren. Gelet op het bovenstaande is geadviseerd om vooraf aan graafwerkzaamheden en/of aanvraag omgevingsvergunning een actualiserend en nader grond- en grondwateronderzoek en tenminste een verkennend asbestonderzoek uit te voeren ter plaatse van de voorgenomen ontwikkelingslocatie.
4.8
Natuur
De Wet Natuurbescherming, hierna Wnb, biedt bescherming aan Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden, hout en houtproducten. Aanwezigheid van beschermde gebieden of beschermde soorten en/of hun beschermde leefomgeving kan van invloed zijn op de uitwerking van bestemmingen. In het onderhavig plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. In het kader van onderhavig plan worden ook geen negatieve effecten verwacht op elders gelegen Natura 2000-gebieden. Onderhavig bestemmingsplan maakt ontwikkelingen mogelijk die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor de gunstige staat van instandhouding van beschermde planten- of diersoorten. Ten behoeve van deze ontwikkeling is een 'natuurtoets' uitgevoerd. Deze notitie voorziet in een toets aan het soorten- en gebiedsbeschermingsdeel van de Wnb aan de hand van een bureaustudie en een habitatgeschiktheidsanalyse. De natuurtoets maakt als bijlage 12 onderdeel uit van de toelichting. De resultaten van dat onderzoek worden hieronder beschreven.
4.8.1
Gebiedsbescherming
Plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux ligt op circa 4,3 kilometer afstand ten oosten van het plangebied.
vastgesteld III Binnenstad (VDMA-terrein) Gemeente Eindhoven
69
Ligging van het plangebied (rode contour) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (rode arcering) (bron: kaartbank.brabant.nl). In het plangebied is geen NNN-gebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied is op circa 140 meter ten oosten van het plangebied gelegen. Het gebied met de NNN status betreft de rivier de Dommel en haar oevers.
4.8.2
Soortenbescherming
Op basis van het bureauonderzoek en het terreinbezoek wordt per soortgroep ingegaan op de eventuele (kans op) aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Flora Tijdens het terreinbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze worden gezien het feit dat het plangebied grotendeels verhard is (parkeerplaats of gebouw) en de biotoop-specifieke eisen die die planten aan hun standplaats stellen, ook niet verwacht. Het kan daarmee worden uitgesloten dat de soorten in het plangebied voor komen. Vogels Algemene broedvogels Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 3.1). Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door eventuele kap- en sloopwerkzaamheden niet uit te voeren in de broedtijd (circa maart tot en met juli) en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wet Natuurbescherming aan de orde. Zo kunnen in het plangebied nesten gebouwd worden door (algemeen voorkomende) soorten 70
vastgesteld III Binnenstad (VDMA-terrein) Gemeente Eindhoven
met name in opgaande vegetatie). Indien nesten aanwezig zijn mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet verwijderd of verstoord worden. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen om te werken dan dient het plangebied (waar de werkzaamheden plaatsvinden) vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient vooraf aan de werkzaamheden het plangebied gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een erkend ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plangebied dan worden locatiespecifieke maatregelen voorgesteld en/of wordt het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest niet meer in gebruik is. Jaarrond beschermde nesten Er is een aantal vogelsoorten waarvan de broedplaatsen jaarrond beschermd zijn en bij verwijdering van de broedplaats altijd ontheffing moet worden aangevraagd. Dit zijn de zogenoemde categorie 1-4-vogelsoorten. Het is niet uit te sluiten dat vaste rust- en verblijfplaatsen van de gierzwaluw en de huismus in het plangebied aanwezig zijn. Voor deze soorten geldt dat aantasting niet zonder meer toegestaan is.
Indien daadwerkelijk verblijfplaatsen van de soorten aanwezig zijn in de bebouwing en deze wordt gesloopt, dan worden de beschermde verblijfplaatsen verstoord en vernietigd. Dit is een overtreding van gestelde verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming (artikel 3.1). Om de functie van het plangebied en tevens het effect van de plannen op deze eventueel aanwezige jaarrond beschermde nesten te kunnen bepalen, is een vervolgonderzoek naar het voor komen van deze soorten en hun nesten uitgevoerd. Dit nader onderzoek maakt als bijlage 13 onderdeel uit van de toelichting. De resultaten van dat onderzoek worden hieronder beschreven. Huismus In het plangebied is één nestlocatie van de huismus waargenomen. Daarnaast is net buiten het plangebied een aantal nestlocaties gevonden. Het gebouw waar de nestlocatie van de huismus in het plangebied aanwezig is blijft in de huidige staat behouden. Ook worden in de directe omgeving van dit nest geen activiteiten voorzien die voor verstoring van de locatie kunnen zorgen. Daarmee blijft de functionaliteit van de nestlocatie in het plangebied behouden. Ook de nesten buiten het plangebied ondervinden geen hinder van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. In het plangebied is één locatie aanwezig die door de populatie huismussen rond het plangebied wordt gebruikt als verzamellocatie. Een dergelijke plek wordt een 'vergaderlocatie' genoemd.
Door de voorgenomen planontwikkeling verdwijnt deze plek. Een vergaderlocatie wordt als essentieel gezien voor het functioneren van een populatie huismussen. Net ten noorden is in de achtertuinen ook veel wintergroen aanwezig dat veelvuldig door huismussen wordt gebruikt als vergaderlocatie. Het groen in het plangebied is daarmee niet essentieel voor de lokale populatie. Zeker niet als mee wordt gewogen dat bij de toekomstige invulling van het plangebied, middels een stadsbos, heel veel groene leefruimte komt voor de huismus. Wel wordt geadviseerd om bij de aanleg van het toekomstige park wintergroene beplanting op te nemen (bijvoorbeeld in de vorm van hagen) om als schuilplaats voor de huismus te laten dienen. Daarmee heeft het planvoornemen geen invloed op beschermde delen (nesten, essentiële vastgesteld III Binnenstad (VDMA-terrein) Gemeente Eindhoven
71
vergaderlocaties) van het leefgebied van huismussen. Wel hebben de nestkasten voor huismussen in het plangebied een beschermde status in het kader van de Wet natuurbescherming doordat zij onderdeel uitmaken van de tijdelijke mitigatie van project Lichthoven. Dit staat los van het al dan niet in gebruik zijn van de kasten. Het kunnen functioneren van de kasten voor huismussen moet gewaarborgd worden totdat de definitieve invulling van de mitigatieopgave vanuit het project Lichthoven is ingevuld. Gierzwaluw In het plangebied zijn geen nestlocaties van de gierzwaluw aangetroffen. Wel is net buiten het plangebied een aantal nestlocaties gevonden. Deze nestlocaties ondervinden geen hinder van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. Het planvoornemen heeft daarmee geen invloed op beschermde nesten van gierzwaluwen. Wel hebben de nestkasten voor gierzwaluwen in het plangebied een beschermde status in het kader van de Wet natuurbescherming doordat zij onderdeel uitmaken van de tijdelijke mitigatie van project Lichthoven. Dit staat los van het al dan niet in gebruik zijn van de kasten. Het kunnen functioneren van de kasten voor gierzwaluwen moet gewaarborgd worden totdat de definitieve invulling van de mitigatieopgave vanuit het project Lichthoven is ingevuld. Zoogdieren Vleermuizen Vleermuizen worden verwacht in verschillende gebouwen in het plangebied.
Vleermuizen zijn beschermde soorten en staan vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn. In het kader van de Wet natuurbescherming is daarom een aantal verbodsbepalingen ten aanzien van vleermuizen neergelegd die in principe niet overtreden mag worden door onder andere een ruimtelijke ontwikkeling. Door de toekomstige sloop van de gebouwen is mogelijk sprake van het verstoren en aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Indien daadwerkelijk verblijfplaatsen aanwezig zijn en indien de gebouwen gesloopt worden, is dit afhankelijk van de ingreep (zonder aanvullende maatregelen) in overtreding met de wet. Een dergelijke aantasting, verstoring of vernietiging is in strijd met de Wet natuurbescherming. Om te bepalen of vleermuisverblijven aanwezig zijn is een onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen in het plangebied worden uitgevoerd. Dit nader onderzoek maakt als bijlage 13 onderdeel uit van de toelichting. De resultaten van dat onderzoek worden hieronder beschreven. In het plangebied zijn verschillende verblijven van gewone dwergvleermuizen aangetroffen. Het gaat om zomerverblijven, paarverblijven, één kraamverblijf en één massawinterverblijf. Het plangebied vormt daarmee een belangrijke locatie voor de lokale populatie gewone dwergvleermuizen.
In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van het totaal aantal verblijven en of ze in een vleermuiskast aanwezig zijn of niet.
72
vastgesteld III Binnenstad (VDMA-terrein) Gemeente Eindhoven
De exacte invulling van het plangebied en de manier van renovatie en herbouw worden nog nader uitgewerkt. Het is daarom nu niet vast te stellen of de vleermuisverblijven hinder ondervinden van het voornemen of dat vleermuisverblijven verdwijnen. De kans dat een of meerdere vleermuisverblijven geraakt worden is echter reëel. Om die reden wordt er vanuit gegaan dat een ontheffing verleend dient te worden voor de gewone dwergvleermuis. Geadviseerd wordt om bij het uitwerken van de plannen zo veel mogelijk rekening te houden met de vleermuisverblijven om zo veel mogelijk schade aan bestaande verblijven te voorkomen. Indien vleermuisverblijven dus geraakt worden is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. De wettelijke uitvoerbaarheid van het voornemen wordt vanuit de soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming bepaald door het al dan niet verkrijgen van een ontheffing. Op basis van de huidige informatie is het vanuit soortenbescherming aannemelijk dat een ontheffing verkregen kan worden, waardoor het plan zoals dat voor ligt uitvoerbaar wordt. Voor de gewone dwergvleermuizen in het plangebied kan een combinatie van mitigerende maatregelen en een fasering in tijd en ruimte er voor zorgen dat effecten op soorten minimaal zijn. Daarnaast is voor de gewone dwergvleermuis te verwachten dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is.
De staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis is - met maatregelen - voldoende / gematigd positief. Naast de nestkasten die in gebruik zijn door vleermuizen hebben ook de nestkasten die niet in gebruik zijn voor deze soort in het plangebied een beschermde status in het kader van de Wet natuurbescherming doordat zij onderdeel uitmaken van de tijdelijke mitigatie van project Lichthoven. Dit staat los van het al dan niet in gebruik zijn van de kasten. Het kunnen functioneren van de kasten voor vleermuizen moet gewaarborgd worden totdat de definitieve invulling van de mitigatieopgave vanuit het project Lichthoven is ingevuld. De voorkeur is om de bestaande vleermuisverblijven in het plangebied te behouden. In het kader van een eventuele ontheffing moet goed onderbouwd worden indien dit niet mogelijk is. Bij het uitwerken van de soortonderzoeken en het bepalen van het effect van het planvoornemen op vleermuizen is dit meegenomen. In paragraaf 4.8.2.2 zijn de resultaten van dit onderzoek nader toegelicht. Steenmarter Het is niet uit te sluiten dat de steenmarter in het oude fabrieksgebouw in het plangebied een verblijfplaats heeft. De steenmarter is beschermd middels artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Bij de sloop van de gebouwen wordt mogelijk een verblijfplaats van de steenmarter vernietigd.
Een dergelijke aantasting, verstoring of vernietiging is in strijd met de Wet natuurbescherming. Om de gebouwen te mogen slopen is een nader onderzoek uitgevoerd naar het voor komen van de steenmarter. Dit onderzoek maakt als bijlage 14 onderdeel uit van deze toelichting. Uit het onderzoek en de toetsing volgt dat er geen effect wordt verwacht op steenmarter. Dit vastgesteld III Binnenstad (VDMA-terrein) Gemeente Eindhoven
73
betekent dat er voor deze soort geen vervolgstappen noodzakelijk zijn.
4.8.2.1 Randvoorwaarden voor soorten in planvorming Het ontwerpproces en realisatiefase biedt de mogelijkheid om de randvoorwaarden die de soorten stellen aan hun leefomgeving mee te nemen in de planvorming. Om dit te kunnen doen is een rapportage opgesteld (zie bijlage 15) wat de mogelijkheden zijn om: De huidige verblijfplaatsen te behouden; De huidige verblijfplaatsen (tijdelijk en permanent) te compenseren wanneer deze moeten verdwijnen door het voornemen. Hieronder zijn samenvattende overzichten gegeven van de beschermde functies van de soorten in het plangebied en de manier waarop hier mee om gegaan kan worden in het kader van de geplande herontwikkeling van het terrein. Bij aantasting van een beschermde functie is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Gewone dwergvleermuis
Functie
Aantal Behoud
Mitigatie
Compensatie
Zomerverblijfplaat 10 s
Spouw muren open laten,
Alternatieve Spouw muren open laten, voorzieningen in de vorm dak betimmering geschikt van vleermuiskasten in de maken, boeiborden directe omgeving. toegankelijk maken, open stootvoegen creëren OF 40 inbouw voorzieningen realiseren.
Paarverblijfplaats
Spouw muren open laten
Alternatieve Spouw muren open laten, voorzieningen in de vorm dak betimmering geschikt van vleermuiskasten in de maken, boeiborden omgeving. toegankelijk maken, open stootvoegen creëren OF 8 inbouw voorzieningen realiseren.
Kraamverblijfplaat 1 s
Spouw muur Rekening houden met planning
Bij voorkeur het direct realiseren van permanente compensatie door gefaseerd te bouw en. Indien niet mogelijk, vier 'Korstenkasten' ophangen.
Massaw interverbli 1 jfplaats
Ruimte tussen tw ee gebouw en behouden. Ingang behouden. Rekening houden met planning.,
Realiseren van Spouw muren open laten, bebouw ing, vóór de open stootvoegen creëren. w erkzaamheden die Alternatieve bouw w erken invloed hebben op het zoals geadviseerd in het w interverblijf OF huidige onderzoek. Standaard verblijfplaats behouden voorzieningen voldoen niet en geen w erkzaamheden als uitvoeren die een massaw interverblijfplaats. negatieve invloed hebben op de verblijfplaats (denk aan trillingen). Mitigatie met alternatieve voorzieningen zoals kasten is niet mogelijk.
74
2
Spouw muren open laten, open stootvoegen creëren of 4 meerlaagse inbouw voorzieningen realiseren. Vleermuistoren