Bijlage 1 - Bestemmingsplan I Blixembosch 2007 (Vuurvogel)
Tekst van het document
3.8
Groen
3.8.1
Groenbeleidsplan
Begin 2017 is een actualisatie van het groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving als karakteristieke kwaliteit van Eindhoven. Een omgeving die leefbaar en klimaatadaptief is en een volwaardig vestigingsklimaat biedt voor Brainport. Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstadgedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken. Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het groenbeleidsplan. Het groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente.
Aangezien niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd. In het Groenbeleidsplan 2017 zijn procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds. De 34
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Daarnaast geeft het Groenbeleidsplan aan dat er bij toevoeging van woningen wordt gestreefd naar toevoeging van 4-8 m² publiek groen per toegevoegde woning. In dit plan komt dat streven bovenop de groencompensatie. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen. Het plangebied is in het Groenbeleidsplan 2017 aangeduid als 'Stad, rood beeldbepalend'. In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud en ontwikkeling van deze groene elementen of functies. Het oppervlak groen binnen deze categorie zou niet verder af moeten nemen. Binnen de aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal. Beleidsregel groencompensatie In aansluiting op het Groenbeleidsplan is op 13 maart 2018 de 'Regeling Groencompensatiefonds' vastgesteld, inclusief de 'Beleidsregel Groencompensatie'.
Deze beleidsregel is bedoeld als afwegingskader bij aanvragen voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van groen. Bij aantasting en verlies van groen is compensatie vereist. Voornoemde beleidsregel geeft hiervoor de richtlijnen. 3.8.2
Beleid Bomen
Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2016. Deze is op 7 april 2015 door de gemeenteraad vastgesteld en op 24 augustus 2016 in werking getreden. Een aanpassing van de Verordening Bomen is in ontwerp ter visie gelegd en zal in de loop van 2021 door de gemeenteraad worden vastgesteld. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels Bomen is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming. Bomen in het plangebied vallen niet onder de Wet natuurbescherming. Verordening Bomen Het bomenbeleid is gebaseerd op drie pijlers: behoud, versterking en ruimte voor dynamiek. Eindhoven wil een aantrekkelijke groene stad zijn en blijven. Bomen spelen daarbij een voorname rol. Een hoogwaardig bomenbestand dat een duurzame bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit en recht doet aan het groene imago van de stad is waar de gemeente naar streeft. Duurzaam behoud van de groene signatuur staat voorop. Het bomenbestand dient echter ook aan te sluiten op intensief gebruik van de openbare ruimte en de gewenste ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent soms dat in een bepaalde situatie andere belangen preferabel zijn en bomen moeten wijken. Het bomenbeleid voorziet in die gevallen in de mogelijkheden tot mitigatie en compensatie. Groene kaart Een belangrijk onderdeel van de Verordening Bomen is de Groene Kaart.
Het is een topografische kaart met daarop aangegeven de beschermde houtopstand. Binnen het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bomen die als waardevol zijn aangemerkt. Nadere regels Bomen De Verordening is uitgewerkt in nadere regels Bomen. Deze zijn op 19 juli 2016 vastgesteld door het college en op 4 augustus 2016 in werking getreden. De beleidsregels geven inzicht in de wijze waarop het college gebruik maakt van de aan haar in de Verordening toegekende bevoegdheden tot het aanwijzen en plaatsen van houtopstanden op de Groene Kaart. Tevens zijn richtlijnen uitgewerkt voor omgang met overlast, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de weigeringsgronden bij beoordeling van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in houtopstanden. Door middel van een bomenonderzoek moet blijken welke kapvergunningplichtige bomen er staan, welke vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
35
kwaliteiten ze hebben en wat de taxatiewaarde is. Daarbij dient voor de getaxeerde waarde een compensatieplan te worden gevoegd. Groenplan in het plangebied Aangezien er als gevolg van het planvoornemen groen in de vorm van een aantal bomen, een grasveld en een klein bosplantsoen verloren gaat, is op grond van het groenbeleid compensatie vereist. Daartoe is een groenplan gemaakt dat als bijlage 2 bij deze toelichting is gevoegd. In het groenplan is de taxatie van de bestaande bomen meegenomen. Voor het opstellen van het groenplan is onderzoek gedaan naar de kwantiteit en kwaliteit van het bestaande groen. Het huidige groen wordt niet volledig ingepast in het nieuwe ontwerp. Het huidige groen wordt gecompenseerd in het nieuwe terrein. Dit wordt gedaan door zoveel mogelijk soorten groen te handhaven op het terrein. Verder worden andere soorten groen met dezelfde of hogere kwaliteit en waarden teruggebracht.
Figuur 17. Beoogde situatie in het plangebied (bron: DonkerGroen)
In het nieuwe ontwerp wordt veel aansluiting gecreëerd met de omgeving. Dit wordt gedaan door de nieuwe woningen in lijn van de bestaande woningen in de omgeving te plaatsen. Hierdoor ontstaan er dezelfde soort voortuinen qua vorm en grootte. Daarnaast wordt aangesloten op het groen door gebruik te maken van dezelfde soort type haag. In het nieuwe ontwerp wordt veel meer groen gecreëerd dan er aanwezig is op het huidige terrein. Door gebruik van verschillende soorten beplanting wordt aangesloten bij de omgeving. Verder heeft het grote positieve effecten op het milieu door de sierwaarden en is er gekozen voor klimaatbestendige soorten die toekomstgericht zijn. Het terrein krijgt een veel groenere uitstraling door het gebruik van de erfafscheidingen. Hierdoor hebben de aanliggende straten veel meer groene beleving vergeleken met het statische bestaande hekwerk. In figuur 17 is de 36
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
beoogde situatie in groen weergegeven. Deze figuur is op dezelfde manier opgebouwd als figuur 4.
3.9
Kabels, leidingen en straalpaden
Binnen het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels, leidingen of straalpaden aanwezig.
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
37
38
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 4
Milieu
4.1
Milieueffectrapportage
4.1.1
Wettelijk kader
Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: Kolom 1: de activiteit zelf Kolom 2: drempelwaarden activiteit Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan) Kolom 4: de besluiten De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten. In dit kader is alleen 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. van belang.
Het gaat daarbij om de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Het gaat daarbij vooral om gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. 4.1.2
Geen stedelijk ontwikkelingsproject
Uit de jurisprudentie volgt dat of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van Besluit m.e.r afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard, omvang en locatie van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Hieronder wordt ingegaan op deze aspecten. Beoordeling plan Het planvoornemen betreft de realisatie van 14 grondgebonden woningen. Deze woningbouwtypen komen overeen met de directe omgeving van het plangebied. Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied en past goed in het aanwezige woonmilieu. Het planvoornemen zal wat betreft verkeer aansluiten op de aanwezige infrastructuur. De infrastructuur heeft voldoende capaciteit en hoeft hierdoor niet worden opgeschaald. Het toekomstige verkeer gaat op in het heersende verkeersbeeld. De parkeerbehoefte die deze ontwikkeling met zich mee brengt wordt deels op eigen terrein opgelost en deels op beschikbare bestaande parkeerplaatsen in de aangrenzende openbare ruimte. Tenslotte wordt nog opgemerkt dat de uitgevoerde onderzoeken (bodem, bomeneffectanalyse, flora & fauna, archeologie geluid, parkeerdrukmeting en water/duurzaamheid) aantonen dat vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
39
het realiseren van deze woningen op de locatie voldoet aan de wettelijke eisen vanuit milieuoogpunt. De verrichte onderzoeken onderstrepen de conclusie dat geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. 4.1.3
Conclusie
Hieruit kan worden geconcludeerd dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is daardoor niet van toepassing. Ter aanvulling van het voorgaande volgt in dit hoofdstuk de toetsing van het planvoornemen aan de wettelijke normen wat betreft ruimtelijk relevante milieuaspecten, zoals bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, duurzaamheid, bodem, natuur en water.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied. Het plangebied bevindt zich in een gebied met uitsluitend woningen. Er worden geen nieuwe bedrijfsactiviteiten mogelijk gemaakt. Bedrijven en milieuzonering vormt derhalve geen belemmering.
4.3
Geluid
4.3.1
Wettelijk kader
De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.
In het voorliggende bestemmingsplan worden woningen gerealiseerd; deze zijn in de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige bestemmingen. 40
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
4.3.2
Toetsing
In het kader van "Duurzaam Veilig" zijn alle overige wegen in en nabij het plangebied 30 km per uur wegen geworden. Deze wegen en woonerven hebben volgens de Wet geluidhinder geen zone, zodat deze verder buiten beschouwing kunnen blijven. Op deze wegen is de Wet geluidhinder niet van toepassing. Het plangebied ligt niet in de geluidszone van grotere wegen, spoorwegen of industrieterreinen. Het plangebied ligt niet binnen de vastgestelde geluidszone (35Ke-contouren) van Luchthaven Eindhoven. Geluid vormt derhalve geen belemmering.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Wet milieubeheer
Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex. 4.4.2
Besluit niet in betekenende mate bijdragen
In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. 4.4.3
Besluit gevoelige bestemmingen
Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
41
weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien. In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties. 4.4.4
Goede ruimtelijke ordening
Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. 4.4.5
Toetsing
Het plan omvat de realisatie van 14 woningen ter plaatse van een voormalige school. Dit past ruim binnen de getalsmatige begrenzing voor “niet in betekende mate”-projecten. Realisatie van het plan zal niet leiden tot overschrijding van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering. Om aan te tonen dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat, heeft een luchtkwaliteitscheck plaatsgevonden via de Grootschalige Concentratie en Depositiekaarten van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Deze kaarten maken de luchtkwaliteit in Nederland in zowel de bestaande, als de toekomstige situatie inzichtelijk en zijn samengesteld op basis van metingen en modelberekeningen. In onderstaande tabel zijn de resultaten voor het plangebied opgenomen. Uit de gemeten en berekende achtergrondconcentraties blijkt dat deze ruim onder de wettelijke normen van 40 µg/m3 blijven. Op basis van de grootschalige concentratiekaart valt bovendien te concluderen dat er in het plangebied een afname op de middellange termijn verwacht wordt.
Jaar
Stikstofdioxide (NO2)
Fijn stof (PM2,5)
Fijn stof (PM10)
2020
19,04 µg/m³
11,60 µg/m³
18,72 µg/m³
2025
15,29 µg/m³
10,04 µg/m³
16,86 µg/m³
2030
11,54 µg/m³
8,66 µg/m³
15,22 µg/m³
Het plangebied ligt niet binnen 300 meter van rijkswegen of 50 meter van provinciale wegen, zodat het besluit gevoelige bestemmingen niet van toepassing is. 42
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
4.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. 4.5.1
Wettelijk kader
Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. 4.5.2
Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid
De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt. 4.5.3
Toetsing
Het initiatief heeft betrekking op de herontwikkeling van een schoollocatie (een kwetsbaar object) door 14 eengezinswoningen (eveneens een kwetsbaar object). In figuur 18 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. Uit de risicokaart blijkt dat er in de nabijheid van het plangebied (binnen 500 meter) geen risicovolle inrichtingen zijn. Transportroutes en buisleidingen met gevaarlijke stoffen liggen op minimaal 450 meter (Kennedylaan) c.q. op 900 meter (A50 en buisleiding). De gemeentelijke visie op externe veiligheid zegt niets over het plangebied. Externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering.
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
43
Figuur 18. Uitsnede risicokaart met indicatie ligging plangebied
Imperial Logistics De gemeentelijke visie op externe veiligheid zegt niets over het plangebied. Wel is het plangebied gelegen binnen de LC01-contour van Imperial Logistics. Het distributiecentrum Imperial Logistics gevestigd op Ekkersrijt 7604 te Son en Breugel is een BRZO-bedrijf, waarvan het invloedsgebied reikt over onderhavig plangebied. De inrichting valt onder het BRZO vanwege de opslag van zeer giftige stoffen en aqua-toxische stoffen. In 2016 is een risicoanalyse uitgevoerd. Uit deze analyse blijkt dat het plaatsgebonden risico binnen de gemeente Son en Breugel blijft. De onderhavige ontwikkeling is gelegen op een grote afstand van ruim 1,5 kilometer van de inrichting, maar ligt wel binnen het invloedsgebied. In het plangebied wordt een basisschool met verminderd zelfredzame personen vervangen door 14 woningen met zelfredzame personen. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet nodig. Conclusie Het aspect externe veiligheid levert geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
4.6
Duurzaamheid
De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. 44
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
1) CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt. 1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten.
Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is. 1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.
1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. 1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven. 2) Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
45
geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken. 2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen. 2B) geen afval In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval. 2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw. 2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten.
Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier. 3) Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding? 3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan. 3B) oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen. 4) Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften.
We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt). 4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2016-2020 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. 46
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress. 4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte 4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Op 1 mei 2019 heeft in dit kader voor dit project een informatiebijeenkomst plaatsgevonden voor omwonenden. Deze bijeenkomst is in samenspraak tussen initiatiefnemer en de gemeente Eindhoven georganiseerd. In bijlage 3 is het verslag van deze bijeenkomst opgenomen. 5) Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen.
Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan. 5A) Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin. 4.6.1
Toetsing
Het initiatief heeft betrekking op de herontwikkeling van een verouderd en energetisch matig functionerend schoolgebouw door 14 moderne eengezinswoningen. Deze woningen worden aardgasloos gebouwd. Er wordt gebruik gemaakt van warmtepompen en op de daken komen zonnepanelen die een fors deel van de energiebehoefte vanuit de woningen afdekken.
4.7
Bodem
Voor iedere functiewijziging dient in principe een onderzoek te worden verricht naar de bodemen grondwaterkwaliteit. De bodemkwaliteit kan immers van invloed zijn op de beoogde functie en/of de financiële haalbaarheid van het planvoornemen. Derhalve is met behulp van een verkennend bodemonderzoek nagegaan of er grond- en/of grondwaterverontreiniging aanwezig is in het plangebied. Het onderzoek is in 2018 uitgevoerd conform NEN 5740. Het onderzoek is aangevuld met een verkennend asbest in grond onderzoek conform NEN5707) omdat tijdens de uitvoering van het onderzoek plaatselijk bijmengingen met puin in de grond zijn waargenomen. Het verkennend bodem- en asbestonderzoek (Tritium Advies BV, kenmerk: 1802/114/MIB-01, d.d.10 april 2018) is opgenomen in bijlage 4. Eind 2019 is een aanvullend verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van de parameters PFAS. Dit onderzoek (Bodex Milieu, kenmerk: BM.1119419/BRI.01/cbu, d.d. 10 december 2019) is opgenomen in bijlage 5. Verkennend bodemonderzoek Zintuiglijk zijn in de bovengrond plaatselijk zwakke bijmengingen met puin aangetroffen. Uit vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
47
de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond een lichte verontreiniging aanwezig is met PAK. Het grondwater blijkt licht verontreinigd te zijn met nikkel. De lichte verontreinigingen met PAK in de bovengrond en met nikkel in het grondwater zijn in tegenspraak met de hypothese dat de onderzoekslocatie niet-verdacht is. De aangetroffen gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Verkennend asbestonderzoek Zintuiglijk zijn zowel op het maaiveld als in het uitkomende materiaal geen asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) waargenomen. In de opgegraven grond zijn sterke bijmengingen met puin aangetroffen. De puinhoudende grond is aangetroffen in het traject 0,35 tot 0,60 m-mv. In de grondfractie (fractie < 20 mm) is analytisch geen asbest aangetoond. Dit is in overeenstemming met de vooraf gestelde hypothese dat de locatie niet-verdacht is. Aangezien zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest is aangetoond, kan worden geconcludeerd dat de puinhoudende bodem niet asbesthoudend is. Conform NEN 5707 is een nader asbestonderzoek niet noodzakelijk. Aanvullend verkennend bodemonderzoek PFAS Omdat tijdens eerder onderzoek de parameters PFAS niet zijn onderzocht is aanvullend een verkennend onderzoek naar PFAS in de bovengrond uitgevoerd.
Uit het verrichte onderzoek wordt geconcludeerd dat er in de onderzochte bovengrond (0,0 - 0,5 m-mv) een lichte verhoging van PFAS (stoffen PFOS en PFOSA) is aangetoond. In de onderliggende laag (globaal 0,3 - 1,0 m-mv) zijn geen verhogingen aangetoond. De aangetoonde verhogingen hebben in principe geen gevolg voor eventueel grondverzet, met dien verstande dat het materiaal uit de bovengrond 0,0-0,5 m-mv alleen naar een hergebruikslocatie kan waar een gelijk of hoger gehalte PFOS en PFOSA is aangetoond (stand-still beginsel), of het materiaal kan naar een grondbank worden afgevoerd. Hergebruik (in de bovengrond) op de eigen locatie is uiteraard ook toegestaan.
48
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
Figuur 19. Bekende mijnenvelden (rood) en locaties luchtaanvallen (blauw) met indicatie ligging plangebied (bron: Atlas van de Eindhovense ondergrond)
Niet gesprongen explosieven Niet gesprongen explosieven in de Eindhovense bodem zijn onder andere afkomstig van bombardementen en gevechtshandelingen uit de Tweede Wereldoorlog. Zo zijn locaties van het stationsgebied, het centrum en het huidige Flight Forum bij Eindhoven Airport regelmatig gebombardeerd. Ook is er tijdens de Tweede Wereldoorlog veel munitie gedumpt in watergangen en kuilen. Gelukkig zijn veel van deze niet-gesprongen explosieven in Eindhoven geruimd. Uit de interactieve kaart (figuur 19) blijkt dat het plangebied in een verdacht gebied voor niet gesprongen explosieven uit de Tweede Wereldoorlog ligt. Bodem vormt geen belemmering voor de planvorming.
4.8
Natuur
4.8.1
Wet natuurbescherming
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. De nieuwe wet beoogt zoveel mogelijk aan te sluiten bij de Europese kaders (onder andere vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn). De Wnb voorziet in een instrumentarium in de vorm van beheerplannen en programma's voor gebieden en soorten, teneinde de samenhang tussen gebieds- en soortenbescherming mogelijk te maken. Verder is gekozen voor één vergunning- en ontheffingsprocedure en is tegen besluiten rechtsbescherming in twee instanties mogelijk. De provincies zijn in hoofdzaak verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeschermingsbeleid. 4.8.2
Houtopstanden
De regeling zoals die was vervat in de voormalige Boswet is grotendeels ongewijzigd overgenomen in de Wnb en is gericht op het behoud van het bosareaal en is van toepassing op alle bossen en houtopstanden buiten de door de gemeenteraad in dat kader vastgestelde grenzen van de bebouwde kom, die een grotere oppervlakte beslaan dan 1000 m² en op rijbeplantingen van meer dan 20 bomen. Deze regeling is niet van toepassing op het plangebied. 4.8.3
Gebiedsbescherming
De Wnb gaat uit van vijf gebiedssoorten, te weten: Natura 2000-gebieden, het Natuur Netwerk Nederland (NNN), bijzondere nationale natuurgebieden, nationale parken, alsook bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De Wnb verplicht tot het tot stand brengen van het NNN en tot het aanwijzen van Natura 2000-gebieden, die beide van cruciaal belang zijn voor het nakomen van de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn. De provincies kunnen voor de bescherming van het NNN, de bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen zorg dragen door die gebieden op te nemen in de provinciale ruimtelijke verordeningen en daarin te bepalen dat deze in de door de gemeente vast te stellen bestemmingsplannen dienen te worden beschermd. Voor de Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden voorziet de Wnb zelf in verschillende beschermingsregimes, waaronder een vergunningenregime, een toetsingsregime voor (bestemmings)plannen aan de zorgplicht, het programma en het beheerplan. Het aanwijzen van andere soorten natuurgebieden is op grond van deze Wnb niet uitgesloten. Het plangebied ligt op een afstand van minimaal 9,5 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
49
2000-gebied. Onderdelen van het Natuur Netwerk Brabant liggen op minimaal 700 meter afstand. De omzetting van een maatschappelijke bestemming (school) naar een woonbestemming en de bouw van 14 woningen kan op die grote afstand geen significant effect hebben door verstoring of via grondwaterstromen. Alleen externe werking door stikstofdepositie (door de lucht) zou aan de orde kunnen zijn. Op 29 mei 2019 heeft de hoogste bestuursrechter (de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) beslist dat de Programmatische Aanpak Stikstof niet ten grondslag mag worden gelegd aan de toestemmingverlening voor activiteiten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. Voor nieuwe bestemmingsplannen geldt de verplichting voor de gemeenteraad om te beoordelen of als gevolg van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen relevante stikstofdeposities kunnen optreden ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden1. De bestemmingswijziging leidt in dit geval niet tot een significante toename van stikstofdepositie. Bij woningbouw kan stikstofuitstoot optreden als gevolg van ruimteverwarming (gas), verkeersbewegingen van en naar de locatie en tijdelijke bouwwerkzaamheden.
De ruimteverwarming verbetert ten opzichte van de huidige situatie, omdat er gasloze en vrijwel energieneutrale woningen (onder meer door toepassing van zonnepanelen) worden gerealiseerd en de school een energetisch veel mindere prestatie had. De toename van het aantal verkeersbewegingen is dermate beperkt dat de extra verkeersbewegingen opgaan in het verkeersbeeld rond de locatie. Alleen tijdens de bouw zorgt bouwverkeer en voor een tijdelijke en minimale toevoeging die zeker niet leidt tot een significante toename van stikstofdepositie op termijn. Een berekening met Aerius (die is opgenomen in bijlage 6) toont aan dat het verkeer van en naar 14 woningen op deze locatie geen rekenresultaten geeft met een depositie hoger dan 0,00 mol per hectare per jaar. Gelet op de afstand tot Natura 2000-gebieden, het kleinere aantal woningen én de vervanging van een gasgestookte school kunnen op voorhand significante effecten op stikstofgevoelige habitattypes in Natura 2000-gebieden dan ook uitgesloten worden. 4.8.4
Soortenbescherming
Verder moet inzicht worden verkregen in de effecten van de ingreep op de aanwezigheid en het leefgebied van beschermde soorten. De Wet natuurbescherming kent drie categorieën: alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (beschermingsregime Vogelrichtlijn); soorten beschermd volgens de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn; 'andere soorten': soorten die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Of dier- en plantensoorten nu beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Uit het groenonderzoek (bijlage 2) blijkt dat de huidige beplanting op het terrein biodivers is. Er is gebruik gemaakt van verschillende soorten inheemse beplanting met veel sierwaarden. Zo zijn in de bosplantsoenzone veel soorten te vinden met besjes wat dient als voedsel voor fauna voor bijvoorbeeld vogels.
In de zone staan ook veel voor- en najaarbloeiers die voor bijen en vlinders van meerwaarde zijn. Ook is het bosplantsoen een mooie schuilplek voor verschillende fauna. De bestaande Platanen staan in de verharding en zijn al goed uitgegroeid tot volwassen bomen. Daarnaast hebben ze nootachtige vruchten die ook dienen als voeding voor fauna. De boom in de graszone is een Valse Christusdoorn die bekend staat als een drachtboom voor bijen en vlinders door de geurende bloemen. Tegelijkertijd is het groen op de huidige locatie versnipperd en klein van omvang en is kan het daardoor geen belangrijk 50
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
onderdeel zijn van het leefgebied van beschermde soorten. Er is een ecologische quick scan onderzoek uitgevoerd naar mogelijke broedplaatsen van broedvogels en vleermuizen. Deze quick scan is opgenomen in bijlage 7. In de quick scan werd geconcludeerd dat jaarrond onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is. Dit vleermuisonderzoek is uitgevoerd en opgenomen in bijlage 8. Uit het jaarrond onderzoek is gebleken dat vleermuizen in zeer beperkte mate gebruik maken van het plangebied. Er is gedurende het gehele onderzoek één verblijfplaats vastgesteld van één Gewone dwergvleermuis in de woning achter de school, buiten het projectgebied. Daarnaast is er nog éénmaal een uitvliegende Gewone dwergvleermuis vastgesteld aan de achterzijde van de school. Deze verblijfplaats is niet permanent in gebruik en lijkt eerder een tijdelijke uitwijk te zijn geweest voor de betreffende Gewone dwergvleermuis. Er zijn geen vaste verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en of vliegroutes aangetroffen binnen het plangebied. Negatieve effecten op vleermuizen kunnen dan ook worden uitgesloten. Vooruitlopend op het jaarrondonderzoek naar vleermuizen, zijn er reeds compenserende en of mitigerende maatregelen uitgevoerd, uitgaande van overcompensatie. Er zijn twee zomerverblijven model C, ANS-1/2 en acht platte vleermuiskasten model A, ANS-1 geplaatst.
Aan de hand van de resultaten van het vleermuisonderzoek blijken deze mitigerende en/of compenserende maatregelen niet nodig te zijn. Deze vleermuiskasten zijn tijdens de onderzoeken meegenomen en waren nog niet in gebruik door vleermuizen. Het strekt tot de aanbeveling om deze tijdelijk kasten te verwijderen vóór april 2021. Een vorm van natuurinclusief bouwen bij de nieuwbouw is altijd wenselijk. Hierbij kan gedacht worden aan maatregelen voor gebouwbewonende soorten zoals Huismus, Gierzwaluw of vleermuizen. Daarnaast kan er bijvoorbeeld gedacht worden aan groene gevels of daken. Onderstaande maatregelen tijdens de werkzaamheden zijn altijd geldend: Vanuit de Zorgplicht is het een eis om voorzichtig te handelen met alle voorkomende flora en fauna; Indien, ondanks zorgvuldig handelen, er schade lijkt te ontstaan aan beschermde flora en fauna, wordt er direct contact opgenomen met een ter zake deskundige; Om bodem bewonende dieren de mogelijkheid te geven een nieuw leefgebied te vinden, wordt er gefaseerd gewerkt bij de verwijdering van vegetatie, stobben en bodemmateriaal; Dieren krijgen de rust en kans om zich te verplaatsen, indien zij worden aangetroffen tijdens werkzaamheden; Werkzaamheden worden uitgevoerd tussen zonsopkomst en zonsondergang.
Verlichting dient vleermuisvriendelijk te zijn om verstoring te voorkomen zoals: UV-vrije verlichting, beperkte hoogte lichtmasten, convergerende en naar beneden gerichte verlichting en geen sterk bundellicht; Vestiging van Rugstreeppad voorkomen door puinhopen te verwijderen, rijsporen en plasvorming te voorkomen. Daarnaast is het mogelijk een scherm in te graven rondom het plangebied. Deze dient 10 cm te worden ingegraven en verder bovengronds een hoogte van 50 cm te hebben; Er wordt rekening gehouden met broedvogels en het broedseizoen van 15 maart tot en met 15 juli. Werkzaamheden worden gestart voor of na het broedseizoen. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is mogelijk zonder overtreding van de Wet Natuurbescherming.
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
51
52
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 5
5.1
Water
Inleiding
Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid. Het bestemmingsplan I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) heeft een conserverend karakter. Mogelijke ontwikkelingen binnen de planperiode spelen zich daarom hoofdzakelijk af binnen bestaande (water)structuren. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder b en c van het Besluit ruimtelijke ordening.
5.2
Beleid
5.2.1
Rijksbeleid
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning). Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu. Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het waterplan beschrijft de strategische doelen voor het waterbeheer. De condities en maatregelen voor het bereiken van deze doelen staan beschreven in het 'Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren van Rijkswaterstaat. Lagere overheden dienen het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 in hun beleid te verwerken. 5.2.2
Provinciaal beleid
Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (hierna: PMWP) is op 18 december 2015 door Provinciale Staten vastgesteld. Het plan staat voor het samen werken aan een provincie waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving en waarin de zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving centraal staat. De agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het PMWP integreert de milieu- en de wateropgave en het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Behalve het PMWP is er een provinciaal natuurbeleidsplan (Brabant Uitnodigend Groen), een energieplan (Energieagenda) en is er beleid om de Brabantse agrofoodsector te verduurzamen (Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood). Het PMWP vult deze plannen aan daar waar er grote raakvlakken zijn met het milieu- en waterbeleid. De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd. Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB). 5.2.3
Beleid Waterschap
Waterbeheerplan
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
53
Waterschap de Dommel heeft op 29 september 2015 het Waterbeheerplan “Waardevol Water” vastgesteld. Dit strategisch document beschrijft de doelstellingen voor de periode 2016-2021, alsmede de wijze waarop deze bereikt dienen te worden. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Stroomgebiedbeheerplan de Dommel, het Nationaal en het Provinciaal Milieu- en Waterplan. Dit plan biedt ruimte voor initiatieven van derden en speelt in op kansen die zich in het waterschapgebied voordoen, waarbij de in het plan beschreven doelen leidend zijn. In de projecten zelf worden de doelen van het Waterbeheerplan uitgewerkt in concrete maatregelen. Het waterschap heeft de volgende uitgangspunten geformuleerd die richtinggevend zijn voor de plannen en oplossingen. Beekdalbenadering: ook al zijn de verschillen tussen stad en buitengebied groot, toch maken zij deel uit van hetzelfde beekdal waar logische natuurwetten gelden. Door dit beekdal als groter geheel steeds voor ogen te houden, kan integraler en effectiever worden gewerkt. wel is samenwerking met andere overheden, waterpartners en inwoners daarbij essentieel. Water verbindt de stad met het buitengebied. De gebruiker centraal: de omgeving wordt op heel veel verschillende manieren gebruikt en de behoeften en belangen van de gebruikers veranderen continu. Ook de waarde van water verandert mee en daarop moet worden ingespeeld.
Samen sterker: door samen te werken met andere overheden en waterpartners, boeren en bedrijven en door samen oplossingen te zoeken en uitvoering te geven wordt het meest bereikt. Het waterschap wil daarin een inspirerende rol spelen en partijen daartoe de ruimte bieden. Door flexibel te zijn in de samenwerking met en rekening te houden met de inbreng en ideeën van andere partijen wordt de uitvoeringskracht versterkt. Gezonde toekomst: ook toekomstige generaties moeten over voldoende, veilig en schoon water beschikken. Ook in de maatschappij is het streven naar duurzaamheid steeds actueler en de kringloopgedachte sluit hierop aan. Het waterschap ziet dit als een inspirerende uitdaging en wil mensen bewust maken van de waarde van water en het belang van een duurzaam gebruik ervan. Keur De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden.
Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunningverlening. Hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar dit voor staat en welke maatregelen er nodig zijn om daaraan te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen. Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatsen van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden. Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd.
Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende 54
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
oppervlaktewater. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit houdt in dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk. Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd. 5.2.4
Gemeentelijk beleid
Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. In het GRP 2019 – 2022 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Speerpunt van het GRP is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt. Hiervoor zijn uitgangspunten, richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2016-2020 en de hierin benoemde beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen 60mm berging gerealiseerd dient te worden over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied. Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd worden naargelang de hoeveelheid groen binnen datzelfde plangebied. Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de opgave. 5.2.5