Bijlage 1 - Bestemmingsplan I Blixembosch 2007 (Vuurvogel)
Tekst van het document
Vastgesteld bestemmingsplan
I Blixembosch 2007 (Vuurvogel)
Augustus 2021
I Blixembosch 2007 (Vuurvogel)
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Het plangebied
8
1.3
Voorgaande plannen
8
1.4
Leeswijzer
9
Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied
11
2.1
Historisch perspectief
11
2.2
Beschrijving plangebied
12
2.3
Project
13
Hoofdstuk 3 Uitgangspunten, randvoorwaarden en beleidskader
17
3.1
Inleiding
17
3.2
Rijksbeleid
17
3.3
Provinciaal beleid
22
3.4
Gemeentelijk beleid
26
3.5
Volkshuisvesting
27
3.6
Archeologie en cultuurhistorie
30
3.7
Verkeer en parkeren
32
3.8
Groen
34
3.9
Kabels, leidingen en straalpaden
37
Hoofdstuk 4 Milieu
39
4.1
Milieueffectrapportage
39
4.2
Bedrijven en milieuzonering
40
4.3
Geluid
40
4.4
Luchtkwaliteit
41
4.5
Externe veiligheid
43
4.6
Duurzaamheid
44
4.7
Bodem
47
4.8
Natuur
49
Hoofdstuk 5 Water
53
5.1
Inleiding
53
5.2
Beleid
53
5.3
Beschrijving watersysteem plangebied
55
5.4
Toekomstige situatie van het watersysteem
56
5.5
Conclusie
57
Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving
59
6.1
Algemeen
59
6.2
Planmethodiek
59
2
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
6.3
Verbeelding
59
6.4
Planregels
59
Hoofdstuk 7 Handhaving
63
7.1
63
Handhavingsnota Leefomgeving 2018-2021
Hoofdstuk 8 Financiële aspecten
65
Hoofdstuk 9 Procedure en maatschappelijke uitvoerbaarheid
67
9.1
Bekendmaking ex artikel 1.3.1 Bro
67
9.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
67
9.3
Inspraak
67
9.4
Zienswijzen
67
Bijlagen bij de toelichting
69
Regels
71
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
73
Artikel 1
Begrippen
73
Artikel 2
Wijze van meten
79
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
81
Artikel 3
81
Wonen
Hoofdstuk 3 Algemene regels
85
Artikel 4
Anti-dubbeltelregel
85
Artikel 5
Algemene afwijkingsregels
87
Artikel 6
Overige regels
89
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
91
Artikel 7
Overgangsrecht
91
Artikel 8
Slotregel
93
Bijlagen bij de regels
95
Bijlage 1
96
Lijst van bedrijfsactiviteiten bij wonen
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
3
4
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
Toelichting
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
5
6
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
Tussen de straten Vuurvogel en Tovermolen, grenzend aan de straat Dwaallichtje is een voormalig schoolgebouw gelegen. Dit pand staat inmiddels enige tijd leeg en op basis van een aanbestedingsselectie is voor de locatie een woningbouwplan ontwikkeld. De bestaande bebouwing zal worden gesloopt en op de vrijgekomen locatie worden 14 woningen gerealiseerd. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan biedt geen ruimte voor de realisatie van een woonfunctie op de betreffende locatie. Om het woningbouwplan toch doorgang te verschaffen, is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Het bestemmingsplan "I Blixembosch 2007 (Vuurvogel)" bestaat uit een digitale en analoge verbeelding (plankaart) met de daarbij behorende regels. Bij het bestemmingsplan is een toelichting gevoegd. In de toelichting wordt aangegeven waarom het bestemmingsplan is opgesteld en welke afwegingen hebben plaatsgevonden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Naast de digitale versie is er tevens een papieren versie van het bestemmingsplan beschikbaar. De digitale versie is juridisch bindend. Op grond van de Coördinatieverordening Eindhoven 2019 is de coördinatieregeling (afdeling 3.6 Wet ruimtelijke ordening) van toepassing verklaard. Dit is een instrument om alle benodigde procedures (bestemmingsplan, omgevingsvergunning voor het bouwen en andere toestemmingen) in een keer te doorlopen.
Figuur 1. Begrenzing plangebied (bron: Pdok) vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
7
1.2
Het plangebied
Het plangebied bestaat uit het perceel kadastraal bekend als Woensel sectie W nummer 4590 met een oppervlakte van circa 2.586 m². Figuur 1 toont de begrenzing van het plangebied. Het plangebied wordt aan de westzijde begrensd door de Tovermolen, aan de zuidzijde door het Dwaallichtje en aan de oostzijde door de Vuurvogel. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan de zijkanten van woningbouwkavels, te weten geschakelde woningen aan de Tovermolen en rijwoningen aan de Vuurvogel.
1.3
Voorgaande plannen
Het bestemmingsplan "I Blixembosch 2007 (Vuurvogel)" vervangt deels het bestemmingsplan Blixembosch 2007, onherroepelijk sinds 20 oktober 2009. In het vigerende bestemmingsplan heeft het volledige plangebied de bestemming 'Maatschappelijk' (figuur 2). Er is een sprake van een groot bouwvlak waarbinnen 70% van het oppervlak bebouwd mag worden met een goot- en bouwhoogte van 6 meter. De omgeving bestaat voornamelijk uit de bestemming Woondoeleinden I met een bouwgrens op de voorgevels en met achtertuinen als te bebouwen erven.
Figuur 2. Vigerend bestemmingsplan Woensel (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
8
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting bestaat uit 9 hoofdstukken. Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2. Hierin is een beschrijving van het plangebied gegeven. Hoofdstuk 3 bevat de uitgangspunten bij, de randvoorwaarden en de beleidskaders voor het opstellen van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in en een verantwoording van alle relevante milieuaspecten. Hoofdstuk 5 bevat de waterparagraaf. In deze paragraaf is beschreven op welke wijze rekening wordt gehouden met de gevolgen van het bestemmingsplan voor de waterhuishouding. De juridische vormgeving van het bestemmingsplan is verwoord in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de handhaving van het bestemmingsplan. De financiële uitvoerbaarheid is verantwoord in hoofdstuk 8. Hoofdstuk 9 gaat ten slotte in op de gevolgde procedure, inclusief een paragraaf over de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
9
10
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 2
2.1
Beschrijving plangebied
Historisch perspectief
Het plangebied is gelegen binnen het stadsdeel Woensel. Tot 1929 was Woensel een zelfstandig dorp, daarna werd het buitenwijk van Eindhoven. Woensel is één van de vijf lobben die rond het centrum van Eindhoven zijn ontwikkeld. De structuur van het stadsdeel Woensel wordt bepaald door de radiale- en tangentstructuur van Eindhoven. De radialen verdelen Woensel als het ware in 'taartpunten' en worden gevormd door de toegangswegen naar het centrum van Eindhoven. Vanaf het eind van de jaren vijftig zijn onbebouwde delen van Woensel ontwikkeld als woningbouwlocatie. Eind jaren '80 is de wijk Blixembosch ontwikkeld. De wijk Blixembosch is gebouwd op voormalige akkergronden en bestaat na gefaseerde nieuwbouwplannen van de gemeente Eindhoven uit verschillende buurten. Het plangebied maakt deel uit van Blixembosch-Oost, de tweede grote uitbreiding die in de jaren negentig is ontwikkeld. De buurt waarin het plangebied is gelegen wordt in de volksmond Sprookjesbos genoemd, naar de straatnamen. Midden in de buurt aan een park is toen ook basisschool De Vuurvlinder gebouwd. De wijk grenst in het noorden aan de A50 en in het oosten aan de Kennedylaan, een van de belangrijkste ontsluitingswegen van Eindhoven. In 2009 is het Knooppunt Ekkersrijt aangelegd, waarbij de autosnelwegen naar Tilburg en naar Uden-Veghel aan elkaar zijn geknoopt met een aansluiting van de Kennedylaan.
Er is toen aan de zijde van de wijk Blixembosch ruimte vrijgekomen die door de gemeente Eindhoven is ingevuld met nieuwbouw. De basisschool De Vuurvlinder die uit zijn jasje was gegroeid heeft daar een nieuw en groter onderkomen gevonden. Het plangebied is via de Sterredaalder aangesloten op de weg Sprookjesbosch, die in het zuiden de wijk ontsluit op de Tempellaan, een gebiedsontsluitingsweg die een ongelijkvloerse aansluiting op de Kennedylaan heeft. De gehele buurt Sprookjesbos is ingericht als een 30-kilometer zone. Er staan voornamelijk grondgebonden woningen in alle vormen: vrijstaand, twee-onder-een-kap, geschakeld en aaneengebouwd.
Figuur 3. Zicht vanaf Dwaallichtje in 2008 toen de school nog in gebruik was (bron: Google Streetview)
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
11
2.2
Beschrijving plangebied
In het plangebied is het voormalig schoolgebouw van basisschool De Vuurvlinder gelegen. Dit pand staat inmiddels enige tijd leeg en zal worden gesloopt ten behoeve van woningbouw. Het huidige pand is een laag hoog en staat met de zijkanten naar de Vuurvogel en de Tovermolen. Aan de zijde van het Dwaallichtje, een straat die ter plaatse voor een deel alleen fietspad is, ligt het schoolplein, een volledige verhard en omheind gebied met drie platanen (figuur 3). Aan de zijde van de Vuurvogel is een verhard gebied met enkele parkeerplaatsen en aan de Tovermolen is een smalle tuin met een haag en een solitaire boom. Figuur 4 biedt een overzicht.
Figuur 4. Bestaande situatie in het plangebied (bron: DonkerGroen)
De omgeving van het plangebied bestaat uit grondgebonden woningen. Aan de Vuurvogel tegenover het park ligt aangrenzend aan het plangebied een blok van aaneengebouwde woningen van oorspronkelijk twee lagen zonder kap die de bocht in de straat volgen met een steeds verspringende voorgevel. Bij het grootste deel van de woningen is inmiddels een derde laag in een setback aangebracht. Aan de Tovermolen staan twee-onder-een-kap woningen van twee lagen met een kap die door middel van garages aan elkaar geschakeld zijn. Alleen de woning grenzend aan het plangebied is een vrijstaande woning zonder eigen garage die aan de garage van de naastgelegen twee-onder-een-kapwoning geschakeld is. Aan het Dwaallichtje is op de hoek van de Tovermolen een ensemble van twee twee-onder-eenkappers en een vrijstaande woning gerealiseerd die aan elkaar zijn geschakeld met garages en met een ingebouwd elektriciteitshuisje. Het ensemble bestaat uit woningen 12
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
van twee lagen met een kap die in verschillende richtingen ligt. De rest van het Dwaallichtje bestaat uit een fietspad dat grenst aan de zijkant van een woning die op de Vuurvogels is georiënteerd. Het park tegenover de Vuurvogel bestaat uit een veelkantig vlak, waarbij in het midden een cirkelvormig grasveld dat wordt begrensd door een wandelpad. In de hoeken buiten de cirkel is hoog opgaande beplanting. Op de hoek tegenover de school is een rechthoekig verhard plein met een carré van platanen.
2.3
Project
Het voormalige schoolgebouw wordt gesloopt en maakt plaats voor 14 eengezinswoningen met bijbehorende tuinen en parkeergelegenheid. Het gaat om rijwoningen met twee bouwlagen en een derde laag als setback. De woningen hebben een maximale bouwhoogte van 10 meter. Er zijn drie rijen geprojecteerd, waarbij steeds de voorgevelrooilijn van de aangrenzende woningen is opgezocht. In figuur 5 is het stedenbouwkundig plan weergegeven. De langste rij van zes woningen staat aan de Vuurvogel en is georiënteerd op het park. De kortste rij van drie woningen is georiënteerd op de Tovermolen. De overige vijf woningen zijn georiënteerd op het Dwaallichtje. Op deze manier komt een evenwichtige verdeling van oriëntatie tot stand, zonder dat er 'achteraf-plekken' ontstaan. Voor de twee woningen op de hoek van de Vuurvogel en het Dwaallichtje en voor de twee woningen op de hoek van het Dwaallichtje en de Tovermolen is een garage in de achtertuin gepositioneerd. De overige woningen hebben een bijgebouw in de achtertuin die is gesitueerd aan een binnenterrein met zeven parkeerplaatsen. Dit binnenterrein is ontsloten op de Vuurvogel.
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
13
Figuur 5. Stedenbouwk undig plan (bron: Van Boven Architecten)
De woningen worden gebouwd in een klassieke baksteenarchitectuur met een modern-industriële look. De positie ten opzichte van elkaar ondersteund door hagen in de erfgrenzen, de keuze voor warme kleur en de aandacht voor detaillering maken van het geheel van 14 woningen een ensemble dat goed past in de wijk. Figuur 6, 7 en 8 geven een impressie.
14
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
Figuur 6. Impressie gevelaanzichten aan het Dwaallichtje (bron: Van Boven Architecten)
Figuur 7. Impressie gevelaanzichten aan de Tovermolen (bron: Van Boven Architecten)
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
15
Figuur 8. Impressie gevelaanzichten aan de Vuurvogel (bron: Van Boven Architecten)
16
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 3 beleidskader
3.1
Uitgangspunten, randvoorwaarden en
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ruimtelijke beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Verantwoord wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past in het (toekomstig) ruimtelijk beleid. Er wordt geen complete samenvatting gegeven van alle beleidsaspecten. Uitsluitend de relevante beleidskaders voor het plangebied zijn in dit hoofdstuk weergegeven en verantwoord.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
In de definitieve Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk ambities van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. Het Rijk zet twee zaken helder neer: een kader voor prioritering van investeringen om Nederland in beweging te krijgen en een selectief ruimtelijk beleid dat meer loslaat en overlaat aan provincies en gemeenten. Het is de uitdaging om Nederland in de wereldeconomie van de toekomst concurrerend te houden. Dat betekent dat onze stedelijke regio's en netwerken versterkt moeten worden door de kwaliteit voor de leefomgeving te verbeteren, hoogwaardige en klimaatbestendige woon- en werkmilieus te realiseren, de bereikbaarheid te verbeteren en de mobiliteit te verduurzamen, maatregelen te treffen ten behoeve van waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimte te maken voor de noodzakelijke transitie naar duurzame energie. Het Rijk onderscheidt 13 nationale belangen in de SVIR. Daarnaast kiest ze nadrukkelijk voor een vereenvoudiging van de regelgeving en brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij degenen die het aangaat: burgers en bedrijven. Zo beëindigt het Rijk zijn rol bij nationale landschappen, rijksbufferzones, binnenstedelijk bouwen, landsbrede verstedelijkingsafspraken, sport- en recreatievoorzieningen.
Het Rijk vindt de stedelijke regio's rond de Mainports (Rotterdam en Amsterdam), de Brainport, greenports en de valleys van nationaal belang (nationaal belang 1). De gebiedsontwikkeling Brainport Avenue is van nationaal belang. In de SVIR wordt Brainport Zuid-Oost Nederland beschouwd als de belangrijkste toptechnologieregio van ons land.Het centrum van deze Brainport is gelegen in Eindhoven met o.a. High-tech systemen, medische technologie en automotive als belangrijkste thema's. Daarnaast zijn Chemelot in Sittard-Geleen als belangrijk chemie-cluster, het medische cluster in Maastricht en de greenport Venlo als cluster van agro-food, tuinbouw en logistiek belangrijk. In de regio Eindhoven moeten vanwege de groei van het aantal huishoudens in de periode tot 2040 nog circa 40.000 woningen worden bijgebouwd en ook een kleine 30.000 woningen worden vervangen die niet meer voldoen aan de woonwensen. Het vestigingsklimaat voor (buitenlandse) bedrijven en kenniswerkers behoeft versterking met hoogwaardige woonmilieu's, stedelijke voorzieningen, voldoende aanbod van cultuur en sport en grensoverschrijdende verbindingen. Ook de diversiteit aan toegankelijke groengebieden rond de steden en een robuust netwerk voor natuur vormen voor deze regio een belangrijke vestigingsfactor. Realisatie Uitgangspunt bij het realiseren van de doelstellingen is een integrale, regionaal-specifieke
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
17
aanpak, waarmee investeringen en ander rijksinstrumentarium zo effectief en efficiënt mogelijk ingezet kunnen worden. Dat vraagt om een gedegen afweging van alle relevante belangen en goede afstemming en samenwerking tussen regio en Rijk. Over de rijksopgaven zullen op basis van de MIRT-gebiedsagenda's afspraken worden gemaakt. De SVIR kent een realisatieparagraaf, waarin per nationaal belang de aanpak is uitgewerkt op basis van lopende en voorziene projecten. Het Rijk heeft voor de realisatie van de nationale belangen de beschikking over de volgende vier instrumenten: Kaders (gebiedsgerichte of thematische uitwerkingen van de SVIR, relevante wetgeving); Bestuurlijke prestatieafspraken (bijvoorbeeld afspraken met provincies en gemeenten, internationale afspraken met overheden in buurlanden); Financieel (bijvoorbeeld Infrastructuurfonds, Deltafonds); Kennis (bijvoorbeeld inzetten van het College van Rijksadviseurs bij ruimtelijke ontwikkelingen, verspreiden van “best practices”). Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van aard (beleidsmatig versus procesmatig). Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit geeft de juridische kaders die nodig zijn om het geldende ruimtelijk rijksbeleid te borgen.
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. De ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp en aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Bro. Nationaal belang 13 vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld kantoorlocaties, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen) moet in het bestemmingsplan worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik. Ladder duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Daarin staat: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Onderhavige ontwikkeling is een stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Hieronder wordt ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. Toepassing van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' houdt een antwoord op maximaal vier opeenvolgende rechtsvragen in. Vraag 1. Is er sprake van een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling? Functies die in de jurisprudentie worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling, zijn bijvoorbeeld bedrijventerreinen, winkelvoorzieningen en accommodaties voor recreatie en leisure. Ook ontwikkelingen van meer dan 11 woningen worden als stedelijke ontwikkeling gezien. In dit geval is er sprake van een nieuwe ontwikkeling, omdat het bestemmingsplan de nieuwbouw van maximaal 14 woningen mogelijk maakt. Vraag 2. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Ter verantwoording van de kwantitatieve behoefte voor de realisatie van de woningen, wordt gebruik gemaakt van de cijfers die voortkomen uit de afspraken die de provincie en de gemeenten met elkaar maken binnen het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO). Deze 18
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
afspraken worden vastgelegd in de Regionale Agenda Wonen en zijn gebaseerd op de 'Bevolkings- en woningbehoeftenprognose Noord-Brabant'. In 2017 heeft de provincie deze prognose geactualiseerd. In vergelijking met de vorige prognose van 2014, valt de verwachte groei van de Noord-Brabantse bevolking hoger uit. Dit hangt vooral samen met hogere buitenlandse migratiesaldi en een ietwat sterkere natuurlijke aanwas. De hogere bevolkingsgroei leidt tezamen met de vergrijzing en de individualisering tot een sterke groei van het aantal huishoudens. Hiermee groeit ook de behoefte aan woningen. In de periode 2017 tot 2030 zal de woningvoorraad in Noord-Brabant met ruim 120.000 woningen toe moeten nemen, om de verwachte groei van het aantal huishoudens op te kunnen vangen en de bestaande woningtekorten terug te dringen. Specifiek voor de regio Zuidoost-Brabant zijn in de Regionale Agenda Wonen Zuidoost-Brabant 2016 relevante ontwikkelingen ten aanzien van de woningmarkt benoemd. Om in de totale woningbehoefte voor de periode 2016 tot 2026, exclusief vervangende nieuwbouw door sloop, te kunnen voorzien dienen de 21 gemeenten in Zuidoost-Brabant gezamenlijk circa 31.000 woningen te realiseren. Een zorgvuldige afstemming van vraag en aanbod blijft hierbij van groot belang. In Eindhoven en omgeving is sprake van een (sub)regionale woningmarkt.
Daarom werkt de gemeente samen met de 21 andere gemeenten in de regio (MRE) en de provincie. Jaarlijks stelt de gemeente een voortschrijdend 10-jaren woningbouwprogramma vast in het gecombineerde portefeuillehoudersoverleg Ruimte en Wonen/Regionaal Ruimtelijk Overleg Zuidoost Brabant. Daarnaast is er een intensieve samenwerking in het Stedelijk Gebied Eindhoven (Eindhoven, Helmond, Son en Breugel, Nuenen, Best, Oirschot, Geldrop-Mierlo, Waalre en Veldhoven). In december 2013 is het Bestuursconvenant Stedelijk Gebied 2013 ondertekend door de negen gemeentebesturen, met instemming van de afzonderlijke gemeenteraden. Met betrekking tot het thema wonen wordt met name ingezet op het streven naar evenwicht (terugdringen van scheefheid) tussen stad en randgemeenten voor wat betreft sociale woningvoorraad en vrije sectorwoningen, maar ook inhoudelijke afspraken over de bestaande (sociale) voorraad en de (spreiding van) huisvesting van bijzondere doelgroepen. In december 2017 is het richtinggevende 'Afsprakenkader Wonen 2017' vastgesteld in het RRO. Hierin is opgenomen dat ruim baan gegeven wordt aan initiatieven die uitgaan van herstructurering, transformatie en inbreiding. Dit betreft de locaties die binnen het bestaand stedelijk, zoals aangegeven in de provinciale Verordening ruimte.
Op deze manier kunnen zowel de groei van de bevolking opgevangen worden, als kwalitatief aantrekkelijke, unieke, toonaangevende, innovatieve en gevarieerde woonmilieus ontstaan. Hierbij worden de kwantitatieve provinciale prognoses 2017 als richtinggevend beschouwd. Hieruit volgt dat de bevolking in het stedelijk gebied tot 2030 met nog ruim 25.000 personen toe zal nemen. Daarnaast geldt dat het aantal huishoudens eveneens met 25.000 toe zal nemen. Specifiek voor de gemeente Eindhoven is geprognosticeerd dat de bevolking groeit van 232.535 personen in 2020 naar 256.680 personen in 2030. Daarnaast is de prognose dat de woningvoorraad in de gemeente Eindhoven in een laag scenario toeneemt van 107.810 woningen in 2017 naar 126.390 woningen in 2040. Eind 2017 is bovendien een woningbouwoffensief aangekondigd, als reactie op de oververhitte woningmarkt. Het streven is om de komende jaren een jaarlijkse woningbouwproductie van circa 3.000 woningen te realiseren. In dat verband is het planvoornemen tevens opgenomen in het 'Overzicht bouwlocaties 2018' van de gemeente Eindhoven. De behoefte is daarmee aantoonbaar aanwezig. Vraag 3. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? Er is sprake van een herontwikkelingslocatie binnen bestaand stedelijk gebied. Vraag 4 komt daarmee niet meer aan de orde. Conclusie vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
19
Aan de vereisten van de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt voldaan. 3.2.2
Ontwerp Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
In Nederland staan we voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Denk aan de opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. Door goed in te spelen op deze veranderingen kan Nederland vooroplopen en kansen verzilveren. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI zijn deze maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie duurzaam economisch groeipotentieel sterke en gezonde steden en regio’s toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Het ontwerp NOVI heeft van 20 augustus tot en met 30 september 2019 ter inzage gelegen. Naar verwachting wordt de NOVI eind 2020 vastgesteld. In dit bestemmingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de ontwerp NOVI opgenomen. 3.2.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Naast de SVIR is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel AMvB Ruimte genoemd, van toepassing. Het besluit bevat regels ter borging van een aantal nationale belangen. Het gaat onder meer over rijksbelangen zoals rijksvaarwegen, zones buisleidingen, zones van hoogspanningsleidingen en militaire objecten. Voor Eindhoven is de 380 Kv hoogspanningsleiding van belang. Deze is gelegen in Eindhoven Noord en (deels) Oost. Verder is in het Barro opgenomen dat de provinciale begrenzing van het Nationaal NatuurNetwerk (NNN) direct doorwerkt naar het bestemmingsplan. De gebieden die het NNN vormen worden bij provinciale Interim Omgevingsverordening aangewezen (zie ook paragraaf 3.3.3) waarmee het NNN een provinciaal belang is geworden. Tot slot worden de belangen van luchthaven Eindhoven via het Barro geborgd. Het plangebied valt buiten de beperkingenzone van de luchthaven. In dit bestemmingsplan is geen sprake van strijdigheden met het Barro. 3.2.4
Bakens luchthaven Eindhoven en radarverstoringsgebied vliegbasis Volkel
Bij het bepalen van de maximaal toegestane bouwhoogte in het bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de bakens van luchthaven Eindhoven en het radarverstoringsgebied van vliegbasis Volkel. Bakens luchthaven Eindhoven Op en nabij de luchthaven Eindhoven zijn bakens (zie figuur 9) aanwezig om de richting van het vliegverkeer (zowel horizontaal als verticaal) te kunnen volgen: een VDF baken: Vertical Directional Finder. Dit is een hulpmiddel voor de luchtverkeersleiding om de richting te kunnen bepalen van het vliegtuig waarmee op dat moment wordt gecommuniceerd. een NDB; Non Directional Beacon. Dit wordt door vliegtuigen gebruikt als navigatiehulpmiddel op luchtroutes. Het is een bakenzender die een radiosignaal uitzendt dat door een peilontvanger in het vliegtuig wordt opgevangen. Hierdoor wordt de richting van het signaal ten opzichte van het vliegtuig bepaald. Door de richting van twee verschillende bakens te peilen kan de piloot zijn/haar positie bepalen. De toetsingsgebieden liggen voor VDF geheel over het plangebied, maar hebben gezien de maximaal toegestane bouwhoogte geen consequenties.
20
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
Figuur 9. Afbeelding hoogtebelemmeringen bakens nabij luchthaven Eindhoven. Blauwe lijnen= VDF. Rode lijnen= NDB.
Radarverstoringsgebied Volkel Om het ongestoord functioneren van radar- en communicatie-apparatuur op de vliegbasis Volkel te waarborgen ligt er rond deze vliegbasis een cirkel met een straal van 50 nautische mijl (=27,8 km), gemeten vanaf de positie van de radar. Binnen dit radarverstoringsgebied moet voor ieder obstakel hoger dan 65 meter worden berekend of er verstoring van de radar optreedt. Onderhavig plangebied ligt niet binnen dit radarverstoringsgebied.
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
21
Figuur 10. Uitsnede uit kaart hoogtebelemmeringen als gevolg van luchthaven Eindhoven. Blauwe lijnen- arcering= radarverstoringsgebied van vliegbasis Volkel.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1
Omgevingsvisie
De Brabantse Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Op 14 december 2018 is de omgevingsvisie vastgesteld. Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma's. Tot die zijn vastgesteld blijven bestaande beleidsplannen voor natuur, ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer en milieu en water van kracht. Daarmee wil Brabant op tijd klaar zijn voor de Omgevingswet wanneer deze in 2021 wordt ingevoerd. In de Omgevingswet staan waarden als veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor ieder van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Maar ook een concreet tussendoel: waar moeten we in 2030 op zijn minst staan om dat langetermijndoel te halen? De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. 3.3.2
Structuurvisie
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De structuurvisie bestaat uit twee delen (A en B) en een uitwerking. Deel A Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie van de provincie bestaat op hoofdlijnen uit een robuust en veerkrachtig natuur- en watersysteem, met aandacht voor bescherming tegen hoogwater, droogte en biodiversiteit. Een multifunctioneel landelijk gebied, waar de functies landbouw, recreatie en natuur in relatie tot elkaar ruimte krijgen en een gevarieerd en aantrekkelijk stedelijk gebied met sterke steden, groene geledingszones en uitloopgebieden (intensieve recreatie, stadslandbouw). Aandacht wordt gevraagd voor sterke regionale economische clusters, (inter)nationale bereikbaarheid en knooppuntontwikkeling 22
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
(zowel in de centra als aan de randen van de steden). De provincie realiseert haar doelen door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.
Figuur 11. Visiekaart Structuurvisie
Deel B De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend. Deze vier ruimtelijke structuren worden in deel B beschreven en zijn: 1. de groenblauwe structuur De groenblauwe structuur bestaat uit bestaande natuur, watersystemen en nieuwe natuur in hiervoor kansrijke gebieden. Het behoud en de ontwikkeling van natuurwaarden is hier belangrijk. Daarnaast biedt de groenblauwe structuur ruimte aan een natuurlijk en robuust watersysteem. Dit is nodig voor een goed waterbeheer en biedt mogelijkheden om in te spelen op de effecten van klimaatverandering. 2. het landelijk gebied Het landelijk gebied ligt buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur. Het landelijk gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Land- en tuinbouw zijn de grootste ruimtegebruikers. De provincie streeft hier naar een multifunctionele gebruiksruimte, met behoud van agrarische productieruimte in die delen van het landelijk gebied waar de landbouw leidend is voor nieuwe ontwikkelingen. 3. de stedelijke structuur De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. De provincie kiest hier voor twee perspectieven. Ten eerste stedelijke concentratiegebieden waar de groei van de verstedelijking wordt opgevangen.
De provincie wil de verstedelijking op goed ontsloten plekken concentreren en de groene ruimte tussen steden openhouden. Ten tweede dienen vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
23
kernen in het landelijk gebied zoveel mogelijk te worden ontzien van verdere verstedelijking. Alleen de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt daar opgevangen. 4. de infrastructuur Het infrastructuurnetwerk bestaat uit een fijnmazig en samenhangend netwerk van wegen, spoorlijnen, vaarwegen, luchthavens en buisleidingen. De Brabantse infrastructuur maakt deel uit van het internationale netwerk van infrastructuur in noordwest Europa. De provincie kiest hier voor een goede bereikbaarheid van BrabantStad en de economische clusters van Noord-Brabant. Voor het personenvervoer zijn het hoofdwegennet en het OV-netwerk BrabantStad de dragers. Het goederenvervoer wordt zoveel mogelijk via de te ontwikkelen Goederenruit (spoor en waterwegen) geleid. Zo wordt ruimte gemaakt voor het versterken van de (inter)nationale ontsluiting (weg, water, spoor en lucht) van de Brabantse steden. Uitwerking structuurvisie De provincie heeft geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkeld, maar geeft haar visie op het landschap vorm in de zogenaamde 'gebiedspaspoorten'. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze kunnen worden versterkt. Er zijn ook deelstructuurvisies opgesteld voor specifieke onderwerpen. Zo is voor het gebied ten oosten van Eindhoven de deelstructuurvisie Brainport Oost opgesteld.
Deze bevat keuzes voor wonen, werken en bereikbaarheid ten oosten van Eindhoven. Eindhoven vormt samen met de provincie en met de steden Breda, Helmond, 's-Hertogenbosch en Tilburg het stedelijk netwerk BrabantStad. Dit samenwerkingsverband vervult een voortrekkersrol bij de ruimtelijke en economische ontwikkeling van Noord-Brabant. Sterke steden zijn een voorwaarde voor de toekomst van Noord-Brabant. Vooral in deze steden is de dynamiek van Noord-Brabant goed zichtbaar. De provincie ziet deze steden als het brandpunt van de verstedelijking. Hier wordt geïnvesteerd in de binnensteden (stationsgebieden, kanaal- en snelwegzones) en worden hoogstedelijke functies, zoals bovenregionale voorzieningen, geconcentreerd. Daardoor wordt de centrale positie van de steden versterkt en het draagvlak voor hoogwaardig openbaar vervoer en stedelijke- en culturele voorzieningen op peil gehouden. Dat draagt bij een hoogwaardig leef- en vestigingsklimaat in Noord-Brabant. 3.3.3
Interim omgevingsverordening
De Interim omgevingsverordening is vastgesteld door Provinciale Staten op 25 oktober 2019 en vervangt een aantal provinciale verordeningen: provinciale milieuverordening verordenring natuurbescherming verordening ontgrondingen verordening ruimte verordening water verordening wegen Om straks klaar te zijn als de Omgevingswet in werking treedt, heeft de provincie eerst een Interim omgevingsverordening vastgesteld. Het is een ‘Interim’ omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet nog niet zijn verwerkt. Er is wel zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening (bijvoorbeeld bij de opbouw en de digitale vormgeving).Deze Interim omgevingsverordening voegt de bestaande regels over de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk samen in één verordening en is beleidsneutraal. Alleen aanpassingen die nodig zijn vanwege de samenvoeging of vanwege al vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie, worden meegenomen. In de Interim omgevingsverordening staan regels voor: 24
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
Burgers en bedrijven: dit zijn zogenaamde rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Deze regels bevatten voorwaarden om zo’n activiteit te verrichten en geven ook aan of je bijvoorbeeld eerst een melding moet doen voordat je mag beginnen. Bestuursorganen van de overheid: dit zijn zogenaamde instructieregels. Met deze regels kan de provincie een opdracht geven aan gemeenten over onderwerpen die zij in het bestemmingsplan moeten opnemen of aan het waterschap over de manier waarop ze hun taken uitvoeren. Rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven Het gaat hier om regels die naast een eventuele vergunningplicht gelden. Er zijn in de Interim Omgevingsverordening voor de volgende thema's rechtstreekse regels opgenomen: grondwaterbescherming, grondwateronttrekking, bodemsanering, stortplaatsen, ontgrondingen, varend ontgassen, stiltegebied, wegen, natuur en landbouw. De meeste van deze regels waren eerst opgenomen in de Provinciale milieuverordening, de Verordening wegen, de Verordening ontgrondingen en de Verordening natuurbescherming.
Figuur 12. Interim omgevingsverordening
Het plangebied valt binnen het concentratiegebied voor verstedelijking (figuur 12). Daaraan gekoppeld is de instructieregel voor gemeenten dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. In dit geval wordt voldaan aan die instructieregel. Verder is daaraan gekoppeld de instructieregel voor waterschappen dat een overstromingskans van 1/100 per jaar geldt voor het plangebied en dat daarop de bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren moet zijn ingericht. Ook aan deze instructieregel wordt voldaan.
Het plangebied maakt geen deel uit van natuur en stiltegebieden, gebieden voor grondwaterbescherming, waterveiligheid en waterberging, specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen. Er geldt wel een verbod op uitbreiding van veehouderij, daarvan is in het plangebied geen sprake.
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
25
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Interimstructuurvisie 2009
In december 2009 is de Interimstructuurvisie 2009 door de gemeenteraad vastgesteld. Met de Interimstructuurvisie 2009 geeft de gemeenteraad invulling aan de ambitie om Eindhoven door te ontwikkelen in zijn kwalitatief hoogwaardige combinatie van wonen, werken en groen. De nadruk ligt daarbij ook op leefbaarheid en bereikbaarheid. Als kerngemeente van Brainport Zuidoost-Brabant stuurt Eindhoven aan op het bieden van ruimte aan een krachtige ontwikkeling van deze economische kernzone, een hoge kwaliteit van de leefomgeving en aandacht voor sociale betrokkenheid en ondernemend burgerschap tot op buurtniveau. Op deze wijze geeft de raad invulling aan het begrip duurzame ruimtelijke kwaliteit. Het bestemmingsplangebied ligt buiten een transformatiegebied.
Figuur 13. Uitsnede kaart ruimtegebruik Interim Structuurvisie met indicatie ligging plangebied
De Interimstructuurvisie is het resultaat van de integratie van de ruimtelijk relevante raadsprogramma's die tot medio 2009 zijn vastgesteld. Dit is onder andere verbeeld in een kaart die inzicht biedt in de verdeling van het actuele en gewenste grondgebruik (zie figuur 13). Het plangebied is op de kaart 'Gebruik van de ruimte' uit de Interimstructuurvisie aangeduid als wonen. Deze gronden zijn voornamelijk bedoeld voor wonen, inclusief alle afgeleide wijk- en buurtgerichte functies op het gebied van (middelbaar-/ basis-)onderwijs, zorg, opvang, cultuur, religieuze voorzieningen, ontspanning en vrije tijd, groen (o.a. buurt- en wijkparken, sportfaciliteiten en –velden, buurtontmoetingsruimten), detailhandel en werken (woonwerkcombinaties en kleine bedrijven met milieucategorie 1, 2 en gedeeltelijk 3). Deze 26
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
functies zijn noodzakelijk voor het functioneren van een gebied als woongebied. Zij vallen dus onder deze definitie en worden niet afzonderlijk in beeld gebracht, mede omdat hun ruimtebeslag relatief beperkt is. Binnen deze functie wordt in het plangebied basisonderwijs vervangen door wonen, hetgeen past in de Interimstructuurvisie.
3.5
Volkshuisvesting
3.5.1
Regionaal beleid
Samen staan de negen gemeenten in het Stedelijk Gebied Eindhoven(SGE) aan de lat om een woon- en leefklimaat van hoge kwaliteit te realiseren en de veranderende kwalitatieve en kwantitatieve vraag zo goed mogelijk te bedienen. Dit is een voorwaarde voor een aantrekkelijke vestigingsplek voor nieuwe inwoners en om te kunnen blijven concurreren met andere (inter)nationale topregio's. Dit gaat niet alleen. We hebben elkaar maar vooral bewoners en partners, zoals corporaties, ontwikkelaars, beleggers, bouwondernemingen en makelaars, nodig. Die investeren mee in de kwaliteit van de regio en het woonklimaat. Als samenwerkende partners in een creatieve regio zoeken we daarbij ook naar mogelijkheden om innovaties in het bouwproces te realiseren. Het Regionaal Ruimtelijk Overleg (gemeenten, provincie) heeft op 13 december 2017 het 'Afsprakenkader Wonen 2017' bekrachtigd dat door de afzonderlijke negen gemeenteraden is vastgesteld. Hierin zijn o.a. de volgende afspraken over woningbouwontwikkelingen opgenomen: 1. We geven ruim baan aan initiatieven die uitgaan van herstructurering, transformatie en inbreiding. Dit betreft de locaties binnen het bestaand stedelijk gebied zoals dat is aangegeven in de provinciale Verordening ruimte. 2.
Alle overige initiatieven stemmen we op elkaar af, waarbij geldt dat we geen nieuwe uitleglocaties ontwikkelen, tenzij…….Het regionaal portefeuillehoudersoverleg neemt hierover een unanieme beslissing. Uitleglocaties liggen buiten het bestaand stedelijk gebied zoals aangegeven in de provinciale Verordening ruimte. 3. In principe beschouwen we de kwantitatieve provinciale prognoses 2017 als richtinggevend op het niveau van het Stedelijk Gebied. Hierbij maken we zo optimaal mogelijk gebruik van de ruimte die de Brabantse Agenda Wonen biedt. Door de woningbouwontwikkelingen goed te monitoren kunnen we ingrijpen op het moment dat dat nodig is en voorkomen we dat goede plannen voor de korte termijn (2021) worden tegengehouden op basis van de programmering op langere termijn (2030). Hierdoor ontstaat meer ruimte om snel in te kunnen spelen op marktontwikkelingen. 4. Het Stedelijk Gebied Eindhoven heeft een bestuursopdracht voor de aanpak van een negental majeure projecten gegeven. Het onderdeel programmering kan echter volgens het coördinatieteam op dit moment niet voldoende worden uitgewerkt. Hiervoor heeft zij kaders in de vorm van een regionale visie op wonen en bijbehorende marktonderzoek(en) nodig. Deze visie wordt 2e helft 2019 verwacht.
Het merendeel van de majeure projecten kan daar niet op wachten omdat er enerzijds behoefte is aan deze woningen en anderzijds bestemmingsplannen geactualiseerd, gewijzigd dan wel opgesteld moeten worden. Daarom is in het portefeuillehoudersoverleg van 26 oktober en 21 december 2017 besloten het onderdeel programmeren, voor nu uit de Bestuursopdracht te halen en ten aanzien van de locaties planologische voorwaarden in de nieuwe bestemmingsplannen mee te geven. In het Afsprakenkader 2017 is aangegeven welke plannen regionaal afgestemd worden. Een nieuw bestemmingsplan dat meer dan 75 woningen in stedelijke kernen of 25 woningen in landelijke kernen mogelijk maakt, dient regionaal afgestemd te worden. Via het coördinatieteam worden deze plannen aan het portefeuillehoudersoverleg voorgelegd. De provincie ziet er op toe dat de plannen regionaal afgestemd worden. Wanneer bij het vooroverleg blijkt dat dat niet het geval is worden de plannen door de provincie niet in vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
27
behandeling genomen. Het initiatief voorziet in de realisatie van 14 nieuwe woningen. Dit past binnen de kwantitatieve prognose voor Eindhoven. Bovendien is de locatie gelegen binnen het 'concentratiegebied voor verstedelijking' zoals aangegeven in de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. Daarmee past het binnen de afspraken voor woningbouwontwikkelingen. Woonbouwprogramma 2021-2024 Het Woonprogramma 2021-2024 stelt dat er een grote behoefte is aan grondgebonden woningen waarbij de focus ligt op het middensegment. Echter is er ook een kleinere, 10% behoefte in het dure koopsegment. De woningen vallen binnen de prijsklasse van het dure koopsegment (koopsom vanaf 450.000 tot 550.000). Deze 14 woningen zijn erg ruim (groot woonoppervlakte) en passen prima in de buurt. 3.5.2
Woonvisie
De Woonvisie is op 15 december 2015 vastgesteld. In de woonvisie gaat de gemeente in op haar ambities op het gebied van bouwen en wonen. Daarmee maken we de richting waarin we ons willen ontwikkelen duidelijk aan de stad, haar bewoners en alle partijen die een rol spelen in de verdere ontwikkeling van de stad. Ambitieuze stad Eindhoven groeit en dat creëert een nieuwe vraag naar wonen. Eindhoven wil verder verstedelijken. Onder stedelijkheid verstaan we een gemengde en gevarieerde omgeving waar mensen wonen, werken en elkaar ontmoeten. En een stad die tegelijk ook groen en gemoedelijk blijft. We staan voor de unieke kans om de stad als geheel, en het gebied binnen de Rondweg in het bijzonder, de komende jaren te laten groeien. We verwachten dat het inwonersaantal van Eindhoven de komende 10 jaar fors zal toenemen, harder dan de prognoses nu voorspellen. De bijzondere bevolkingsopbouw van Eindhoven (een relatief jonge bevolking) draagt daaraan bij. Die groei moet ook op het vlak van wonen gefaciliteerd worden. Tot 2030 willen we minstens twee derde van de extra woningcapaciteit binnen de Rondweg realiseren. Voor het gebied binnen de Rondweg staan met projecten als Strijp S, Stationsomgeving, NRE en Philips Lighting in deze periode al circa 5.000 nieuwe woningen in de planning.
Daarnaast is de wens dat boven winkels wooneenheden worden gerealiseerd en kantoren worden omgebouwd tot woningen. Hierin is de markt aan zet. Eindhoven formuleert in deze Woonvisie geen concreet woningbouwprogramma, gegoten in cijfers en categorieën. Dat zou niet passen bij de rol van een gemeente anno 2015. We willen ruimte geven aan de markt om gewenste ontwikkelingen te realiseren. Zonder op voorhand aan te geven wat-waar-wanneer gebouwd moet worden. Dat doen we door gebruik te maken van een model voor de onderbouwing van de wenselijkheid van nieuwe initiatieven. Daarin vragen we van initiatiefnemers (projectontwikkelaars, corporaties, gemeentelijke grondexploitaties) om in te gaan op een aantal punten zoals bijvoorbeeld het marktsegment, het woonmilieu en de periode van oplevering. Solidaire stad Wij willen dat Eindhoven een samenleving is, waarvan iedereen onderdeel is. De meeste inwoners kunnen zelfstandig hun plaats vinden in die samenleving, sommigen hebben een steuntje in de rug nodig. We zorgen dat er voor hen een vangnet is. We hebben oog voor mensen in lastige situaties: asielzoekers, daklozen, mensen in psychische nood en ex-gedetineerden. Door de decentralisatie in de zorg moeten meer mensen met een beperking een plek in de wijk vinden. De vergrijzing zet de komende jaren stevig door. Veel ouderen, met of zonder zorgvraag, zullen langer thuis blijven wonen.
Het is belangrijk dat er voor al deze mensen een plek blijft op de woningmarkt. Concentratie in bepaalde wijken is ongewenst. De sociale woningvoorraad is onderdeel van de sociale basisinfrastructuur. In theorie is in 28
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
Eindhoven de sociale woningvoorraad in balans met de doelgroep. Twee ontwikkelingen vragen echter om aandacht: de samenstelling van de sociale woningvoorraad en de positie van de 13.500 huishoudens met een middeninkomen. Met de inwerkingtreding van de nieuwe woningwet 2015 moeten woningcorporaties hun woningen 'passend toewijzen'. Minimaal 80% van de vrijkomende sociale huurwoningen moet aan huishoudens met een laag inkomen worden toegewezen. Daarnaast is er ruimte om 10% van de woningen toe te wijzen aan huishoudens met een middeninkomen. De resterende 10% sociale huurwoningen mogen woningcorporaties vrij toewijzen, maar daarbij moeten zij wel voorrang geven aan mensen die door bijvoorbeeld fysieke of psychische beperkingen moeilijk aan voor hen passende huisvesting kunnen komen. Het aantal eenpersoons- en tweepersoonshuishoudens groeit. Dit betekent een grote uitdaging. Niet alleen in woonwensen maar ook in betaalbaarheid, want alleen wonen is relatief duur. We zetten in op transformatie en ander gebruik. Bij de transformatie van grotere kantoren, zorg- en onderwijsgebouwen kunnen (collectief) particulier opdrachtgeverschap en nieuwe woonconcepten een oplossing bieden. Ook het gebruik van eengezinswoningen door bijvoorbeeld twee eenpersoonshuishoudens, met name in het gebied buiten de Rondweg, behoort tot de mogelijkheden.
Innovatieve stad We gaan partijen uitdagen om klantgeoriënteerd, sneller, goedkoper en duurzamer te produceren. En ook in de aanpak van de bestaande voorraad en in de transformatie van kantoren en zorggebouwen is er een grote behoefte aan vernieuwing en aan creatieve, betaalbare oplossingen. Een andere ontwikkeling is het zogenaamde flexwonen. Tot voor kort kende de woningmarkt een vrij overzichtelijk aanbod: koop- of huurwoningen, zelfstandige of onzelfstandige woonruimten, grondgebonden woningen of appartementen. Maar de vraagkant is de afgelopen jaren sterk veranderd. Er komen steeds meer groepen die behoefte hebben aan tijdelijke woonruimte. Denk bijvoorbeeld aan studenten, expats, arbeidsmigranten, mensen die een echtscheiding achter de rug hebben, ex-gedetineerden en mensen die uit een opvangvoorziening komen. Deze mensen zijn op zoek naar goede tijdelijke huisvesting, met passende voorzieningen, die snel beschikbaar is en tegen een prijs die past bij hun budget. Dit flexwonen wordt een belangrijke nieuwe woonvorm in Eindhoven. Het biedt tevens kansen voor de transformatie van leegstaand vastgoed. Verder willen we in de koopsector dat inwoners zoveel mogelijk invloed hebben op hun eigen woning en woonomgeving, bijvoorbeeld door het stimuleren (collectief) particulier opdrachtgeverschap.
En we willen dat zelf bouwen niet alleen bereikbaar is voor de huishoudens met een hoger inkomen. Ook in de huursector is er sinds de herziening van de Woningwet meer aandacht voor mede-eigendom en zelfbeheer, bijvoorbeeld via het model van wooncoöperaties. Wooncoöperaties zijn een soort tussenvorm van huur en koop. Samen met de corporaties willen we de vraag naar deze eigendoms- en beheervorm en de mogelijkheden in Eindhoven onderzoeken. 3.5.3
Kamerverhuur en woningsplitsing
Op 12 juni 2018 heeft de gemeenteraad het paraplubestemmingsplan 'parkeren, kamerverhuur en woningsplitsing' vastgesteld. Tot het moment van inwerkingtreding van dit paraplubestemmingsplan, werd via de huisvestingsverordening voorkomen dat woningen zonder vergunning werden gesplitst, omgezet, onttrokken en samengevoegd. Hoewel kamerverhuur en woningsplitsing verschillend zijn en andere toetsingskaders kennen, hebben beiden wel een zelfde soort ruimtelijk effect op de omgeving en is het wenselijk om deze initiatieven soortgelijk te reguleren in bestemmingsplannen. Door de regeling in het paraplubestemmingsplan wordt kamerverhuur en woningsplitsing voortaan via één vergunning (omgevingsvergunning) geregeld. Deze regeling moet in opvolgende bestemmingsplannen zoals het onderhavige worden overgenomen om geldend te blijven voor het betreffende plangebied. Om die reden is de regeling uit dit paraplubestemmingsplan in dit bestemmingsplan overgenomen. vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
29
3.6
Archeologie en cultuurhistorie
3.6.1
Archeologie
Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is doorvertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente bevoegd gezag op het gebied van cultuurhistorie en archeologie. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In bestemmingsplannen houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden. Dit wordt samen met de andere onderdelen rond de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving overgeheveld naar de toekomstige Omgevingswet.
De gemeente Eindhoven heeft eigen archeologiebeleid, als uitwerking van het nationale en provinciale beleid. Dit beleid staat in het 'Beleidsplan archeologie Eindhoven en Helmond 2008-2012', dat de raad in september 2008 heeft vastgesteld. De gemeente neemt de verantwoordelijkheid voor het bodemarchief zelf ter hand door te investeren in kerntaken en opbouw van expertise. De gemeente kent archeologische waarden daterend uit de prehistorie en de Romeinse tijd. Het gemeentelijk bodemarchief herbergt tevens fundamentele gegevens over de geschiedenis van stad en platteland gedurende en na de middeleeuwen. Deze gegevens zijn van groot belang voor de reconstructie van het verleden, temeer omdat archivalische bronnen in Eindhoven nagenoeg ontbreken.
30
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
Figuur 14. Uitsnede gemeentelijke archeologische waardenkaart met indicatie ligging plangebied
De archeologische gebieden binnen de gemeente Eindhoven staan aangegeven op de gemeentelijke archeologische waardenkaart, onderdeel van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart. Het beleid is om bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met de archeologische waarden en verwachtingen in de ondergrond en daarbij uit te gaan van de gemeentelijke archeologische waardenkaart. Een uitsnede is opgenomen in figuur 14. Volgens de Archeologische Waardenkaart kent het plangebied geen archeologisch waardevolle gebieden en een lage archeologische verwachting. Binnen het bestemmingsplan hoeft dan ook geen rekening te worden gehouden met archeologische waarden of verwachtingen. Wel geldt ten aanzien van archeologie een meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten. Mochten tijdens eventuele grondwerkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen, dan dienen deze (op grond van de meldingsplicht ingevolge art. 5.10 Erfgoedwet 2016) direct gemeld te worden aan de Minister van OCW en de afdeling Omgevingskwaliteit van de gemeente Eindhoven. Vervolgens zal bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden.
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
31
3.6.2
Cultuurhistorie
Op 18 maart 2008 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven vastgesteld. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart geeft, naast rijks- en gemeentelijke monumenten een overzicht van de historische structuur van wegen en waterlopen, historisch waardevolle stedenbouwkundige en landschappelijke- en groenstructuren, beschermde stadsen dorpsgezichten en monumentale bomen. Bij de samenstelling van de kaart is onder andere gebruik gemaakt van de gegevens van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart.
Figuur 15. Uitsnede gemeentelijke archeologische waardenkaart met indicatie ligging plangebied
Volgens de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart (figuur 15) zijn zowel binnen het plangebied als in de nabijheid ervan geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Bovendien zijn in het plangebied geen monumenten of karakteristieke panden met een cultuurhistorische waarde aanwezig. Derhalve hoeft hiermee bij de planontwikkeling geen rekening te worden gehouden.
3.7
Verkeer en parkeren
De mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' is in 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is het verkeersbeleid voor de komende decennia (planhorizon 2040) vastgelegd. Deze visie vormt het bestuurlijke beleidskader voor alle verkeers- en mobiliteitsopgaven. Onderstaand zijn de essentiële elementen voor het gebied Vuurvogel beschreven.
32
vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
Autoverkeer De wegencategorisering is in Eindhoven op Weg geactualiseerd. Er is een nieuwe tussencategorie opgenomen ten opzichte van de vorige wegencategorisering: de zogenaamde 'wijk- en buurtontsluitingsweg'. In de wijk Blixembosch-Oost zijn de straten Sprookjesbosch, Opera, Ouverture en Shakespearelaan als 'wijk- en buurtontsluitingsweg' aangewezen. Alle andere wegen in de wijk, en dus ook de wegen grenzend aan het plangebied hebben de functie van erftoegangsweg. Het gedeelte van het Dwaallichtje dat in de huidige situatie alleen voor fietsers is, blijft uitgesloten van gemotoriseerd verkeer. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling zal er geen significante toename aan verkeersbewegingen ontstaan, waardoor er ook geen mobiliteitsknelpunten op zullen treden. Fietsverkeer De gemeente Eindhoven wil het gebruik van de fiets stimuleren. De 'wijk- en buurtontsluitingswegen' dienen tevens als secundaire fietsroute. In de wijk behoort ook het fietspad langs de watergang (Klein Duimpje-Luisa Miller) tot de secundaire fietsroutes. Met de fiets is het plangebied uitstekend bereikbaar (figuur 16) en geeft het aansluiting op de primaire fietsroute langs de Tempellaan (dik zwart) en op de snelfietsroute Best-Geldrop (blauw).
Figuur 16. Fietsroutes met indicatie ligging plangebied Openbaar vervoer Eindhoven op Weg gaat uit van twee netwerken voor het openbaar vervoer: een Hoogwaardig Openbaar Vervoer netwerk (HOV-netwerk) en een netwerk van ontsluitende buslijnen. Het plangebied wordt ontsloten door de stadsbus lijn 2 die via een vrije busbaan vanaf de Tempellaan de woonwijk in komt. Deze stadsbus halteert bij de haltes Aardmannetje op circa 200 meter en Opera op circa 500 meter van het plangebied. Autoparkeren De ruimte in de stad is beperkt en kostbaar. De gemeente moet dan ook de schaarse ruimte vastgesteld I Blixembosch 2007 (Vuurvogel) Gemeente Eindhoven
33
efficiënt gebruiken. Daarom worden bij een plan eisen aan het aantal te realiseren parkeerplaatsen gesteld. Het beleid is vastgelegd in de Actualisatie Nota Parkeernormen 2019. De Actualisatie Nota Parkeernormen 2019 is vanaf 4 oktober 2019 van kracht en past in de ontwikkeling naar een groenere, bereikbare en duurzame stad. We hebben te maken met een grote verdichtingsopgave in Eindhoven en tegelijk moeten we het centrum van Eindhoven goed bereikbaar houden. Er is straks minder plaats voor autoverkeer en parkeren in en om het autoluwe centrum. Daarom streven we nu naar het aanleggen van zo min mogelijk nieuwe parkeerplaatsen en we zetten zoveel mogelijk in op duurzame alternatieve vervoerswijzen: lopen, fietsen en openbaar vervoer. Bij de toetsing aan de Actualisatie Nota Parkeernormen 2019 is het volgende in overweging genomen. Voor 14 woningen zijn op basis van de normen 23,8 parkeerplaatsen nodig, waarvan 19,6 parkeerplaatsen voor de bewoners en 4,2 parkeerplaatsen voor bezoekers. Dubbelgebruik van parkeerplaatsen is deels mogelijk. Het maatgevende moment is de avond van een werkdag met 90% aanwezigheid van bewoners en 80% aanwezigheid van bezoekers. Op basis van de aanwezigheidspercentages zijn 21 parkeerplaatsen nodig (90% van 19,6 plus 80% van 4,2). Op eigen terrein worden in het plan 7 parkeerplaatsen op maaiveld en 3 garages gerealiseerd.
Voor de garages zit een oprit, die als volledige parkeerplaats kan worden meegerekend. In totaal zitten dus 10 parkeerplaatsen in het plan. Er is een tekort van 11 parkeerplaatsen (21-10). Parkeeronderzoek in de omgeving (bijlage 1) laat zien dat er voldoende ruimte is in de omgeving om te parkeren. Met 11 parkeerplaatsen blijft de bezetting ruim onder de 90%. Wel is van belang dat elk bestaand adres of een nieuw adres waar een omgevingsvergunning is afgegeven na 2016 in het POET-overzicht (parkeren op eigen terrein) komt. Adressen uit dit overzicht kunnen geen (nieuwe) parkeervergunning aanvragen en hebben geen recht op een bezoekersregeling binnen betaald parkeergebieden. Bestaande parkeervergunningen worden niet meer verlengd. Dat gaan we in een vroeg stadium communiceren met de nieuwe bewoners.