CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Afweegnotitie aftakking HOV4 richting HTCE

Raadsvergadering 1 juli 2025, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel HOV4 vaststellen ontwerp en kredietaanvraag14.671 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

12

Rapport 304651

Effectanalyse 5.1

Beschermde soorten De aanleg van de snelbusbaan HOV4 leidt mogelijk tot schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde soorten. Schadelijke handelingen moeten zoveel mogelijk voorkomen worden. Is voorkomen niet mogelijk? Dan is er mogelijk sprake van overtreding van verbodsbepalingen uit artikelen 11.37, 11.46 en 11.53 uit het Bal. Hieronder volgt per voorgenomen activiteit een toelichting. Vellen, verplaatsen en ingrijpend snoeien van bomen Rust- en/of voortplantingsplaatsen van vogels, vleermuizen, eekhoorn en iepenpage gaan mogelijk verloren of individuen in dergelijke plaatsen worden verstoord. Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen worden mogelijk aangetast. Daardoor kunnen rust- en/of voortplantingsplaatsen van vleermuizen in de omgeving worden verlaten of minder goed functioneren. Verwijderen of deels verwijderen van plantvakken Schuilplaatsen van huismussen en foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen worden mogelijk aangetast. Daardoor kunnen voortplantingsplaatsen van huismussen en vleermuizen in de omgeving worden verlaten of minder goed functioneren. Rust- en/of voortplantingsplaatsen en verbindingsroutes van kleine marterachtigen, egel, haas, konijn en verschillende soorten muizen en amfibieën worden mogelijk aangetast.

Fysiek onderbreken van groene en blauwe structuren Verbindingsroutes van vleermuizen, kleine marterachtigen en andere grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vissen worden mogelijk aangetast. Daardoor kunnen rust- en voortplantingsplaatsen van in de omgeving worden verlaten of minder goed functioneren. Grondverzet en baggerwerkzaamheden bij oevers en watergangen Rust- en/of voortplantingsplaatsen en verbindingsroutes van (water-)vogels, kleine marterachtigen en andere grondgebonden zoogdieren, vissen en amfibieën worden mogelijk aangetast. Verwijderen van of werkzaamheden aan bruggen, viaducten en fietstunnels Rust- en/of voortplantingsplaatsen van vogels en vleermuizen worden mogelijk aangetast. Verbindingsroutes van kleine marterachtigen en andere grondgebonden zoogdieren en amfibieën worden mogelijk aangetast. Daardoor kunnen rust- en voortplantingsplaatsen van in de omgeving worden verlaten of minder goed functioneren. Intensiveren van openbare verlichting Verbindingsroutes van vleermuizen, kleine marterachtigen en nachtactieve grondgebonden zoogdieren en amfibieën worden mogelijk aangetast. Daardoor kunnen rust- en voortplantingsplaatsen van in de omgeving worden verlaten of minder goed functioneren.

13

5.2

Natuurgebieden Natura 2000 De aanleg van de snelbusbaan HOV4 heeft geen directe invloed op natuurwaarden in Natura 2000-gebieden in de omgeving. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied heet 5 km ten zuiden van het projectgebied. Maar indirecte invloed als gevolg van stikstofdepositie is niet op voorhand uit te sluiten. Bovendien is het verplicht om voor activiteiten als deze een stikstofberekening uit te laten voeren met de Aerius-rekentool. Hier gaan wij in hoofdstuk 7 verder op in. NNB De aanleg van de snelbusbaan HOV4 vindt deels plaats binnen NNB-gebied. De Omgevingsverordening Noord-Brabant laat een ontwikkeling met mogelijke significante aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB niet toe. Tenzij is voldaan aan de voorwaarden voor de volgende afwijkende regels. Hier gaan wij in hoofdstuk 7 verder op in.

5.3

Houtopstanden Blijkt dat er bomen moeten worden gerooid, verplaatst of ingrijpend gesnoeid? Dan geldt voor de bomen met een stamomtrek vanaf 45 cm of bomen die zijn aangelegd op grond van een herplant-, compensatie- en/of instandhoudingsplicht een vergunningsplicht.

14

Rapport 304651

Conclusie 6.1

Beschermde soorten Welke beschermde soorten zijn te verwachten in en nabij het projectgebied? Voor een aantal beschermde soorten is het projectgebied onderdeel van hun leefgebied. Bijvoorbeeld omdat er rustplaatsen, voortplantingsplaatsen, foerageergebieden of verbindingsroutes aanwezig zijn. Het betreft tal van broedvogels (waarvan huismus en grote gele kwikstaart jaarrond beschermde nesten hebben), gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, bunzing, das, hermelijn, otter, steenmarter, vos, wezel, bever, eekhoorn, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, woelrat, bosmuis, dwergmuis, rosse woelmuis, veldmuis, Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander, poelkikker, beekprik, drijvende waterweegbree, Kartuizer anjer, knolspirea, grote vos, grote weerschijnvlinder, iepenpage, teunisbloempijlstaart, beekrombout, bosbeekjuffer en gevlekte witsnuitlibel. Wat zijn de effecten van werkzaamheden op deze soorten? De aanleg van de snelbusbaan HOV4 leidt mogelijk tot schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde soorten. Er vinden werkzaamheden plaats aan en bij bomen, plantvakken, oeverzones, watergangen, bruggen, viaducten, fietstunnels en openbare verlichting.

Deze werkzaamheden kunnen leiden tot het verstoren van beschermde soorten en het vernielen of beschadigen van hun rustplaatsen, voortplantingsplaatsen, foerageergebieden of verbindingsroutes. Dit kan de instandhouding van soorten negatief beïnvloeden. Welke maatregelen zijn nodig om negatieve effecten tot een minimum te beperken? Negatieve effecten moeten tot een minimum beperkt worden. Een doeltreffende maatregel is door (voorbereidende) werkzaamheden uit te voeren buiten de meest kwetsbare periode van beschermde soorten. Maar dan moet wel duidelijk zijn dat daarmee geen negatieve effecten op de functionaliteit voor beschermde soorten ontstaan. Maatregelen zijn bijvoorbeeld het kappen van bomen buiten het broedseizoen van vogels en buiten de actieve periode van vleermuizen. Andere maatregelen zijn bijvoorbeeld het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen, foerageergebieden en verbindingsroutes voorafgaand aan de werkzaamheden. Uit nader soortgericht onderzoek moet blijken of en welke soorten daadwerkelijk aanwezig zijn en welke maatregelen daadwerkelijk mogelijk zijn.

Naar welke soorten is nader onderzoek nodig? Er is nader onderzoek nodig naar rustplaatsen, voortplantingsplaatsen, foerageergebieden en/of verbindingsroutes van huismus, grote gele kwikstaart, alle te verwachten vleermuissoorten, bunzing, das, hermelijn, otter, steenmarter, wezel, bever, eekhoorn, Alpenwatersalamander, kamsalamander, poelkikker, beekprik, drijvende waterweegbree, Kartuizer anjer, knolspirea, grote vos, grote weerschijnvlinder, iepenpage, teunisbloempijlstaart, beekrombout, bosbeekjuffer en gevlekte witsnuitlibel. In hoofdstuk 7 gaan wij hier verder op in.

15

Met welke tijdvensters moet rekening gehouden worden voor de uitvoering van het project? Voor nader onderzoek is circa een jaar nodig. Daarna moet rekening gehouden worden met circa anderhalf tot twee jaar voor vergunningsaanvragen, het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen voorafgaand aan de uitvoering van het project. De werkelijk benodigde tijd hangt af van het aantal soorten en de locaties waar deze aanwezig blijken (uit nog uit te voeren nader onderzoek). Zo heeft bijvoorbeeld deelgebied 1 (Centrum) relatief weinig potentie voor beschermde soorten. De benodigde voorbereidingstijd voor flora en fauna is daar waarschijnlijk korter dan in andere deelgebieden.

6.2

Natuurgebieden Welke beschermde natuurgebieden zijn te verwachten in en nabij het projectgebied? Het dichtstbijzijnde Natura 2000Dit gebied ligt op circa 2 tot 5 km ten zuiden van het projectgebied. Het projectgebied overbrugt op meerdere locaties het Afwateringskanaal en de Dommel. Beide watergangen en hun oeverzones zijn onderdeel van het NNB. Wat zijn de effecten van werkzaamheden op deze natuurgebieden? De aanleg van de snelbusbaan HOV4 heeft geen directe invloed op natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Maar indirecte invloed als gevolg van stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase is niet op voorhand uit te sluiten. De aanleg van de snelbusbaan HOV4 vindt deels plaats binnen NNB-gebied. Uit nader onderzoek moet blijken of sprake is van significante aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB. Welke maatregelen zijn nodig om negatieve effecten tot een minimum te beperken? Eventuele negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie moeten worden voorkomen door intern of extern salderen. Eventuele negatieve effecten op het NNB moeten worden voorkomen door compenserende maatregelen te treffen. Denk hierbij aan het inrichten van de nieuwe natuur. Naar welke natuurgebieden is nader onderzoek nodig? Er is een stikstofberekening nodig.

Die toont aan of er wel of geen meldings- of vergunningsplichtige stikstofdepositie is op omliggende Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats. Ten aanzien van de werkzaamheden in en nabij het NNB is een effectbeoordeling nodig. Hieruit moet blijken of sprake is van significante aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB. Met welke tijdvensters moet rekening gehouden worden voor de uitvoering van het project? Voor nader onderzoek is circa een jaar nodig. Daarna moet rekening gehouden worden met circa anderhalf tot twee jaar voor vergunningsaanvragen en het uitvoeren van compenserende maatregelen voorafgaand aan de uitvoering van het project.

6.3

Houtopstanden Voor het rooien, verplaatsen of ingrijpend snoeien van bomen met een stamomtrek vanaf 45 cm of bomen die zijn aangelegd op grond van een herplant-, compensatie- en/of instandhoudingsplicht geldt een vergunningplicht.

16

Rapport 304651

Vervolgstappen 7.1

Nader onderzoek beschermde soorten Uit onze effectanalyse blijkt of en naar welke soorten nader onderzoek nodig is. De voorgenomen activiteiten, de te verwachten beschermde soorten en functies en het beschermingsregime van deze soorten zijn daarbij het uitgangspunt. Een overzicht van de benodigde nader onderzoeken per deelgebied is opgenomen in bijlage 8. Hieronder volgt een toelichting per soort of soortgroep. Vogels In bepaalde deelgebieden moeten plantvakken onderzocht worden op aanwezigheid van schuilplaatsen van huismussen. Tegelijkertijd moeten locaties van nestplaatsen en overige onderdelen van de functionele leefomgeving van huismus in beeld worden gebracht. In bepaalde deelgebieden moeten nestlocaties van grote gele kwikstaart in beeld gebracht worden. Voor zowel huismus als grote gele kwikstaart zijn ten minste twee veldbezoeken nodig in de periode april mei. Vleermuizen Bomen met holten en kieren bij bruggen, viaducten en fietstunnels moeten worden geïnspecteerd op geschiktheid als verblijfplaats voor vleermuizen. Bij aanwezigheid of het vermoeden van vleermuizen, is in veel gevallen aanvullend onderzoek volgens de richtlijnen uit de dan geldende versie van het Vleermuisprotocol nodig. Vanwege de kans op nesten van holtebroedende vogels, moet de inspectie buiten de broedperiode van vogels worden uitgevoerd.

Ten aanzien van vleermuizen moeten aaneengesloten rijbeplantingen, oeverzones en watergangen worden onderzocht op foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen. Hiervoor zijn ten minste twee veldbezoeken nodig in de periode april oktober. Eekhoorn In bepaalde deelgebieden moeten bomen geïnspecteerd worden op de aanwezigheid van eekhoornnesten. Deze inspectie moet uitgevoerd worden in de bladloze periode. Bij het aantreffen van (mogelijke) eekhoornnesten zijn ten minste twee aanvullende veldbezoeken nodig om het gebruik ervan vast te stellen. Deze veldbezoeken moeten in de periode mei juni plaatsvinden. Kleine marterachtigen, steenmarter en das In bepaalde deelgebieden moet de aanwezigheid van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel), steenmarter en das worden onderzocht. Hiervoor is aanvankelijk een habitatbeoordeling noodzakelijk. Hieruit moet blijken welke onderdelen van een gebied geschikt zijn voor deze soorten de periode juni

half november.

Bever en otter In bepaalde deelgebieden moet de aanwezigheid van bever en otter worden onderzocht. Sporen zoals uittreedplaatsen, vraatsporen, prenten, legers en holen moeten in beeld gebracht worden. Ten minste drie veldbezoeken zijn nodig in de periode oktober maart (voor otter) en in de periode maart

juli (voor bever). 17

Amfibieën In bepaalde deelgebieden moet de aanwezigheid van Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker worden onderzocht. Hiervoor is aanvankelijk een habitatbeoordeling noodzakelijk op basis van gebiedskenmerken en beschikbare verspreidingsgegevens. Hieruit moet blijken welke onderdelen van een gebied geschikt zijn voor deze soorten. Mogelijk is aanvullend onderzoek noodzakelijk om de aanwezigheid van een soort aan te tonen of uit te sluiten. Aanvullend onderzoek kan door middel van de e-DNA methode, waarbij watermonsters worden geanalyseerd op DNA van soorten. Voor poelkikker is mogelijk onderzoek op basis van kooractiviteit noodzakelijk. Hiervoor zijn ten minste twee veldbezoeken nodig in de periode mei juni. Beekprik In bepaalde deelgebieden moet de aanwezigheid van beekprik worden onderzocht. Hiervoor is aanvankelijk een habitatbeoordeling noodzakelijk op basis van gebiedskenmerken en beschikbare verspreidingsgegevens. Hieruit moet blijken welke onderdelen van een gebied geschikt zijn voor beekprik en voor welke functies. Vlinders en libellen In bepaalde deelgebieden moet de aanwezigheid van grote vos, grote weerschijnvlinder, iepenpage, teunisbloempijlstaart, beekrombout, bosbeekjuffer en gevlekte witsnuitlibel worden onderzocht.

Hiervoor is aanvankelijk een habitatbeoordeling noodzakelijk op basis van gebiedskenmerken, aanwezige waardplanten en beschikbare verspreidingsgegevens. Hieruit moet blijken welke onderdelen van een gebied geschikt zijn voor deze soorten en voor welke functies. Vaatplanten In bepaalde deelgebieden moet de aanwezigheid van drijvende waterweegbree, Kartuizer anjer en knolspirea worden onderzocht. Tijdens de bloeiperiode of periode waarin de vegetatieve fase goed kenbaar is (doorgaans in de zomerperiode), is ten minste één veldbezoek nodig om de groeiplaatsen in beeld te brengen.

7.2

Nader onderzoek natuurgebieden Natura 2000 Er is een stikstofberekening nodig. Die toont aan of er wel of geen meldings- of vergunningsplichtige stikstofdepositie is op omliggende Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats. De stikstofberekening is nodig voor het plan als geheel. NNB Ten aanzien van de werkzaamheden in en nabij het NNB is een effectbeoordeling nodig. Hieruit moet blijken of sprake is van significante aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB. De effectbeoordeling is nodig voor de deelgebieden 5, 7a, 7b en 8. Een ontwikkeling met mogelijke significante aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB is in principe niet toegestaan. Tenzij is voldaan aan de voorwaarden voor deze afwijkende regels: a. nieuwe ontwikkeling in het NNB; b. c. d.

18

toepassing van het Nee, tenzij-principe; toepassing van de saldobenadering; ontwikkeling met beperkte gevolgen voor natuurwaarden.

Rapport 304651

7.3

Omgevingsvergunning of gedragscode Blijkt uit nader onderzoek en de planvorming dat het overtreden van verbodsbepalingen ten aanzien van beschermde soorten of beschermde natuurgebieden niet voorkomen kan worden? Dan is er een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteit nodig. In bepaalde gevallen volstaat het werken volgens een goedgekeurde gedragscode. Welk spoor hierin gevolg moet worden, moet blijken uit het nader onderzoek.

7.4

Ecologisch werkprotocol Laat de werkzaamheden en de maatregelen die genomen worden om negatieve effecten op beschermde soorten en habitats te voorkomen vastleggen in een ecologisch werkprotocol. Het opstellen van het ecologisch werkprotocol vindt plaats na afloop van aanvullende onderzoeken. In het ecologisch werkprotocol staat welke maatregelen getroffen worden om negatieve effecten op streng beschermde soorten en licht beschermde soorten te voorkomen. Het ecologisch werkprotocol kan per deelgebied of per cluster van deelgebieden worden opgesteld. Het protocol beschrijft onder andere: welke activiteiten op welke locatie(s) en op welk moment plaatsvinden; welke maatregelen in het kader van bescherming van soorten worden genomen; in welke periode gewerkt moet worden; wanneer begeleiding door een deskundige (ecoloog) noodzakelijk is; wie die deskundige (ecoloog) is en wat de deskundige exact gaat doen.

7.5

Afweging aansluiting HTC Voor de aansluiting van het traject op de HTC zijn op dit moment twee opties: 1) via de Locatellistraat met aansluiting HTC via fietsbrug en 2) via Locatellistraat met aansluiting HTC via de Professor Holstlaan (zie afbeelding 2). In beide gevallen moeten de Dommel en haar oever worden overgestoken. Optie 1: Via Locatellistraat met aansluiting HTC via fietsbrug Deze optie heeft naar alle waarschijnlijkheid de meeste impact op natuur. Er ligt op dit moment slechts een fietsbrug over de Dommel. Deze moet worden uitgebreid tot of vervangen door een grotere brug. Het realiseren van een grotere brug legt ruimtebeslag op het leefgebied van soorten en zorgt tijdens de aanleg voor verstoring en barrièrewerking. Kwetsbare soorten waaronder grote gele kwikstaart, verschillende soorten vleermuizen, kleine marterachtigen, amfibieën, bever, otter, das en steenmarter ondervinden hier mogelijk hinder van. De ruimte die nodig is voor een grotere brug gaat mogelijk gepaard met een herbegrenzing en compensatie van het NNB. Wat de daadwerkelijke impact is op natuur moet nader worden onderzocht. Optie 2: Via Locatellistraat met aansluiting HTC via Professor Holstlaan Deze optie is minder impactvol op de natuur, mits van de bestaande autobruggen gebruikgemaakt wordt. Een bepaalde mate van verstoring kan wellicht niet volledig voorkomen worden.

Maar het risico op beslaglegging op leefgebied en barrièrewerking ten aanzien van de hierboven genoemde soorten is beduidend kleiner. Herbegrenzing van het NNB lijkt op het eerste oog niet nodig. Daarom heeft deze optie de voorkeur op basis van de informatie die nu beschikbaar is. Wat de daadwerkelijke impact is op natuur moet nader worden onderzocht.

19

Optie 1: via Locatellistraat met aansluiting HTC via fietsbrug (geel kader) en optie 2: Via Locatellistraat met aansluiting HTC via Professor Holstlaan (blauw kader) voor aansluiting HOV4 (rood kader) op High Tech Campus

7.6

Japanse duizendknoop bestrijden In deelgebied 6: Aansluiting N2-A2 is op drie plekken Japanse duizendknoop aanwezig. Wij adviseren om deze invasieve soort te bestrijden voorafgaand aan de werkzaamheden. duizendknoop' op www.bestrijdingduizendknoop.nl blijken de volgende methoden de meest geschikte en kansrijke voor deze locatie: handmatig uittrekken met eigen personeel / aannemer; injecteren 5% glyfosaat; bladbehandeling glyfosaat; heet water en stoom. Gemeente Eindhoven hanteert het beleid dat chemische middelen met onder andere glyfosaat niet worden toegepast tenzij er een urgente noodzaak is. Dit conform de landelijke richtlijn waarin is bepaald dat onder andere hoveniers het alleen in uitzonderingsgevallen mogen toepassen. Dit moet daarom per situatie worden beoordeeld.

7.7

Kansen voor natuur Welke kansen zijn er om natuur te verbeteren en welke maatregelen horen daarbij? Beschermde soorten kunnen profiteren van de ontwikkelingen. Hieronder volgen enkele voor de hand liggende voorbeelden. Kennis delen Tijdens de nader onderzoeken wordt duidelijk hoe het met de aanwezigheid van bepaalde soorten is gesteld in het projectgebied. De waarnemingen van beschermde soorten worden opgenomen in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Deze kennis is beschikbaar voor particulieren, bedrijven en overheidsinstanties. Het draagt bij aan bewustwording en de kwaliteit van ecologische toetsing en ontwikkeling van groenbeleid.

20

Rapport 304651

Snelweg voor natuur De snelbusbaan HOV4 doorsnijdt een aanzienlijk deel van Eindhoven. Het vormt een lijnvormig element tussen de stadsrand en de binnenstad. Door de snelbusbaan te flankeren met toekomstbestendig groen, ontwikkelt zich gelijktijdig een duurzame groene verbinding voor tal van beschermde soorten. Ook biedt het kansen om bestaande, te doorkruisen groene en blauwe zones te verbeteren en aan te sluiten op een groter netwerk van groene zones. Voor het selecteren van geschikte beplanting adviseren wij om de speciaal voor Eindhoven ontwi https://www.eindhovenduurzaam.nl/klimaatregelen/40-van-040). Oplossen van knelpunten Ogenschijnlijk kleine, maar doeltreffende oplossingen voor beschermde soorten kunnen geïntegreerd worden in het ontwerp. Denk hierbij aan kikker- en paddentrappen in straatkolken, richels voor marterachtigen onder betonnen bruggen en schanskorven als geleidende structuren voor insecten en kleine zoogdieren.

21

Verklarende woordenlijst Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) In het Bal staan onder andere de verbodsbepalingen in het kader van beschermde natuurgebieden, planten en dieren. Voorbeeld van een verbodsbepaling: Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen. Biotoop en habitat Een biotoop is een gebied met een uniform landschapstype waarin een bepaalde levensgemeenschap met organismen kan gedijen. Binnen een biotoop kunnen habitats worden onderscheiden. Een habitat is de specifieke plaats binnen een biotoop waar een organisme zi een regenworm. Foerageergebied Het gebied of netwerk van gebieden waarin een soort zich van voedsel voorziet. Onder een essentieel foerageergebied wordt verstaan een foerageergebied dat van wezenlijk belang is voor het functioneren van de voortplantingsplaats of rustplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen. Gebiedsbescherming Via de Omgevingswet wordt de gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Het gaat hier niet zozeer om het beschermen van soorten en individuen. Het gaat meer om bescherming van terreinen en wateren met bijzondere natuur- en landschapswaarden. Habitatrichtlijn Dit is een Europese richtlijn uit 1992.

De richtlijn verplicht tot bescherming van bepaalde (half)natuurlijke levensgemeenschappen (habitats) en leefgebieden van aangewezen planten- en diersoorten (met uitzondering van vogels) die in Europa van bijzondere betekenis zijn. Nader onderzoek Een nader onderzoek is een diepgaande beoordeling naar de functionaliteit van bijvoorbeeld rust- en verblijfplaatsen en de functionaliteit van biotopen voor beschermde soorten. Een nader onderzoek toont aan welke soorten het projectgebied op welke manier gebruiken. Een nader onderzoek is diepgaander dan de inschatting in de quickscan. Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie. Dit netwerk vormt de hoeksteen van het beleid van de EU voor behoud en herstel van biodiversiteit. Natura 2000 beschermt gebieden (biotopen) en draagt bij aan de bescherming van soorten (en hun habitats). Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied verbinden. Sommige provincies hanteren een eigen benaming voor het Natuurnetwerk Nederland in hun provincie. Zo noemt Provincie Noord-Brabant het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk (GNN). 22

Rapport 304651

NDFF De NDFF bundelt, uniformeert en valideert natuurgegevens in Nederland. De gegevens brengen in beeld wat in een bepaald gebied bekend is over het voorkomen van plantenen diersoorten. Deze gegevens zijn voor iedereen beschikbaar via een eenmalige levering of een abonnement. De NDFF is de meest complete natuurdatabank van Nederland en bevat uitsluitend gevalideerde gegevens. Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit Onder bepaalde voorwaarden mogen de verbodsbepalingen uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geschonden worden ten aanzien van beschermde planten en dieren. Maar dat mag alleen als daarvoor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is afgegeven. Een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is een besluit dat in een individueel, concreet geval een uitzondering maakt op een wettelijk verbod. Omgevingswet De Omgevingswet (Ow) is de Nederlandse wet die onder andere de bescherming van natuurgebieden, soorten en bos regelt. Dit was voorheen de Wet natuurbescherming (Wnb). Projectgebied Het gebied waarin werkzaamheden plaatsvinden en dat geldt als grens voor het uitvoeren van de beoordelingen binnen de quickscan. Maar de inschatting van ecologische potenties en de aanwezigheid van beschermde soorten houden niet op bij de projectgrens. In de quickscan vormen het projectgebied en de omgeving het onderzoeksgebied.

Quickscan Natuur In onze quickscan toetsen wij een voorgenomen ontwikkeling aan de regels die onder de Omgevingswet voor natuurbescherming gelden. De twee hoofdvragen zijn: Zijn de voorgenomen werkzaamheden in strijd met verbodsbepalingen? Welke vervolgstappen zijn nodig voordat de uitvoering kan starten? Dit rapport is voor de initiatiefnemer een bewijsstuk dat een ecologische quickscan is uitgevoerd. Ruimtelijke ontwikkelingen Ruimtelijke ontwikkelingen zijn activiteiten met als resultaat een functieverandering of uiterlijke verandering van een gebied of object. In de praktijk: (her)inrichten, aanleggen, reconstrueren, groot onderhoud, omvormen, (ver)bouwen of een verandering in beheer of gebruik. Verblijfplaats Een verblijfplaats is een onderdeel van het leefgebied van een soort en is essentieel voor het functioneren van de soort. De beschrijving van een verblijfplaats verschilt per soort. Voor een vis is dit bijvoorbeeld een ondiep gedeelte van een sloot. Voor een vogel een nest en voor een vleermuis een boomholte of een spouwmuur. Vleermuisprotocol 2021 Het Vleermuisprotocol 2021 beschrijft het benodigde onderzoek om de kans vast te stellen op aanwezigheid van vleermuizen. Met name voor ruimtelijke-ordeningsprocedures. Vogelrichtlijn Dit is een Europese richtlijn uit 1979.

De richtlijn verplicht tot bescherming van in het wild levende vogels die in Europa van bijzondere betekenis zijn.

23

Literatuurlijst Algemene literatuur Backes, C.W. et al, 2024. Natuur in de Omgevingswet. Boom Juridisch, Den Haag. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Beleid Omgevingsverordening Noord-Brabant Geraadpleegde websites Beleids- en gebiedsinformatie www.natura2000.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.overheid.nl Soortinformatie www.rvo.nl (Lijst jaarrond beschermde vogelnesten) www.ndff.nl (Nationale Databank Flora en Fauna) www.bij12.nl (kennisdocumenten beschermde soorten) www.ravon.nl (vissen, amfibieën en reptielen) www.sovon.nl (vogels) www.vlinderstichting.nl (vlinders en libellen) www.eis.nl (ongewervelden) www.zoogdiervereniging.nl (zoogdieren) www.floron.nl (planten)

24

Rapport 304651

Juridisch kader natuur onder de Omgevingswet Met ingang van 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Deze wet vervangt onder andere de Wet natuurbescherming (Wnb). De Ow regelt onder andere de bescherming van Natura 2000-gebieden, planten en dieren. Wat wel en niet is toegestaan, staat uitgewerkt in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Hieronder gaan wij daar verder op in. Ook lichten we de planologische bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) toe. Dat is de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS) van Nederland. De werking van de NNN is niet geregeld onder de Ow en het Bal. Toch kunnen onderdelen van het NNN wel degelijk onder de reikwijdte van de Ow en het Bal vallen.

Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Het aanwijzen van zo'n gebied is voor het beschermen van de leefgebieden van bepaalde dieren en planten en van bepaalde natuurlijke habitattypen. Bescherming is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Alle Natura 2000-gebieden samen vormen een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Dat netwerk heet Natura 2000. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) moet Natura 2000-gebieden aanwijzen (artikel 2.44, 1e lid, Omgevingswet). Natura 2000-activiteit Natura 2000-activiteiten zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Er is geen definitie van 'significant'. Verschillende factoren bepalen samen of sprake is van significant of niet. Het komt neer op de vraag of de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied in gevaar komt door de activiteit. De Leidraad bepaling significantie geeft handvatten om invulling te geven aan de term 'significant'. Vergunningplicht en voorbereidingsprocedure Voor een Natura 2000-activiteit is meestal een omgevingsvergunning nodig (artikel 5.1, 1e lid, sub e, Ow). De uitgebreide voorbereidingsprocedure is van toepassing (artikel 10.24, 1e lid, Ow).

Er zijn ook gevallen waarvoor volgens het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geen omgevingsvergunning nodig is. Beoordelingsregels Er gelden regels voor het beoordelen van een vergunningaanvraag voor een Natura 2000activiteit. Het bevoegd gezag beoordeelt met die beoordelingsregels of iemand een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit kan krijgen. De beoordelingsregels hebben als doel om de natuur in Natura 2000-gebieden te beschermen. Ze gaan over: een passende beoordeling regels in gemeentelijk programma stikstof over vergunningverlening het gebruiken van stikstofdepositieruimte

Beschermde planten en dieren Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor planten en dieren in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Ow geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Menselijk handelen mag namelijk geen nadelige invloed hebben op soorten. Het Bal verbiedt het aantasten of verontrusten van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen (zie ook onderstaande tabel). De wet onderscheidt tussen soorten die vallen onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn (inclusief soorten uit het Verdrag van Bonn en het Verdrag van Bern) en andere (overige) soorten. Beschermingsregime soorten

Beschermingsregime soorten

Beschermingsregime andere

Vogelrichtlijn § 11.2.2 Bal

Habitatrichtlijn § 11.2.3 Bal

soorten § 11.2.4 Bal

Artikel 11.37 lid 1a Het is verboden in het wild levende

Artikel 11.46 lid 1a Het is verboden soorten in hun

Artikel 11.54 lid 1a Het is verboden soorten

vogels opzettelijk te doden of te

natuurlijke verspreidingsgebied

opzettelijk te doden of te vangen.

vangen.

opzettelijk te doden of te vangen.

Artikel 11.37 lid 1b Het is verboden opzettelijk nesten,

Artikel 11.46 lid 1d Het is verboden de

Artikel 11.54 lid 1b Het is verboden de vaste

rustplaatsen en eieren van vogels te

voortplantingsplaatsen of

voortplantingsplaatsen of

vernielen of te beschadigen, of nesten

rustplaatsen van dieren te

rustplaatsen van dieren

van vogels weg te nemen.

beschadigen of te vernielen.

opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Artikel 11.37 lid 1c

Artikel 11.46 lid 1c

Niet van toepassing.

Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.

Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

Artikel 11.37 lid 1d en lid 3

Artikel 11.46 lid 1b

Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van

Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Niet van toepassing.

wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Niet van toepassing.

Artikel 11.46 lid 1e Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te

Artikel 11.54 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te

verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Vrijstelling en omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit Voor elk van de drie beschermingsregimes gelden specifieke verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of een omgevingsvergunning. De verbodsbepalingen mogen niet overtreden worden, tenzij de initiatiefnemer een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten kan Om te mogen afwijken van de verbodsbepalingen via een omgevingsvergunning of vrijstelling, gelden deze drie criteria: 1. Er mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. 2. Tegenover de afwijking van het verbod moet een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn. Bijvoorbeeld volksgezondheid of openbare veiligheid. 3. De ingreep mag geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Is aan deze drie criteria voldaan? Dan kan een omgevingsvergunning worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk. Bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Zo zijn er voor diverse beschermde soorten diverse vrijstellingen geregeld, maar die kunnen per provincie verschillen.

Specifieke zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Sommige regels zijn niet precies uitgespeld in het Bal, maar vallen onder deze zorgplicht. De specifieke zorgplicht doet dus een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van een initiatiefnemer. De wetgever verwacht dat hij zelf snapt wat hij in bepaalde gevallen moet doen of laten. Deze formulering van de specifieke zorgplicht houdt in dit geval het volgende in. Wilt u een bepaalde handeling verrichten die gevolgen voor natuurwaarden kan hebben? Stel u dan voorafgaand op de hoogte van de aanwezige natuurwaarden, hun kwetsbaarheid en welke gevolgen uw handelen daarop kan hebben. Zo nodig raadpleegt u een ecoloog. Bij de uitvoering van die handeling moet u negatieve gevolgen zo veel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken.

Houtopstanden Voor de inwerkingtreding van de Ow gold de Wnb voor houtopstanden buiten de bebouwde kom Wnb. De regels zijn overgenomen in afdeling 11.3 van het Bal. Het omgevingsplan kan (op grond van artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). verplichtingen inhouden in het kader van de wet. Tot 2024 werd een dergelijke contour vastgesteld in het kader van de Wnb. De standplaats van houtopstand buiten deze contour betekent dat voor velling van (onderdelen van) deze houtopstand de meld- en herplantplichten kunnen gelden uit paragraaf 11.3.2 Bal. Op deze plichten kunnen vrijstellingen van toepassing zijn. Provinciale verordeningen kunnen nadere regels bevatten over deze plichten.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het omvat de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarische gebied verbinden. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: bestaande natuurgebieden waaronder de twintig Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd; landbouwgebieden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim zes miljoen hectare grote wateren zoals meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden. Structuurschema Groene Ruimte Het Rijk heeft het Structuurschema Groene Ruimte (SGR) opgesteld. Hierin staan afspraken over de natuur in landelijke gebieden. De nota is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van wezenlijke natuurkenmerken en -waarden. De nota bepaalt dat het NNN moet worden beschermd en ontwikkeld door een combinatie van: planologische bescherming; aankoop van gronden; het afsluiten van beheerovereenkomsten met particuliere eigenaren; inspanningen voor een goede kwaliteit van milieu en water. In het NNN worden planten en dieren in waardevolle natuurgebieden Een bestemmingsplan begrenst het NNN concreet.

beschermd.

Ingrepen in het NNN In het NNN -principe. Dit betekent dat ruimtelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn en er sprake is van een groot openbaar belang. De effecten van een ingreep moeten worden gecompenseerd. In principe zijn ingrepen in of nabij het NNN die invloed hebben op natuurwaarden vergunningsplichtig. Het hangt af van de concrete planvorming welk spoor gevolgd moet worden en of daadwerkelijk sprake is van aantasting van natuurwaarden in het NNN.

Kaart deelgebieden Snelbusbaan HOV4

Deelgebied 1. Centrum

Deelgebied 2. Mecklenburgstraat - Karel de Grotelaan (binnen Ring)

Deelgebied 3. Onderdoorgang Ring

Deelgebied 4. Karel de Grotelaan (buiten Ring)

Deelgebied 5. Kastelenplein

Deelgebied 6. Aansluiting N2-A2

Deelgebied 7a. Roffart (aansluiting HTC via fietsbrug)

Deelgebied 7b. Roffart (aansluiting HTC via Professor Holstlaan / deelgebied 8)

Deelgebied 8. Locatellistraat - Professor Holstlaan (aansluiting HTC via Professor Holstlaan)

Potentieel netwerk van foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen

Groeiplaatsen Japanse duizendknoop

Natura 2000

Natuurnetwerk Brabant

Nader onderzoek per deelgebied

Onderzoek doen naar alpenwatersalamander in Dommel en andere watergangen die aangetast worden. Kamsalamander en poelkikker ook meenemen. 1 waarneming ten zuiden van high tech campus, kan gebied bereiken (vooral ondiepe kleinere watergang ten zuiden Dommel/plangebied. Dus onderzoek.

2 bomen met mogelijk geschikte holtes worden gekapt. Deze bomen inspecteren met ladder en endoscoop. Watergangen fungeren als vliegroute (vooral Dommel) geen extra lichtuitstraling en geen obstructie van watergang = geen onderzoek, anders wel onderzoek. Langs Karel de Grote laan twee locaties waar mogelijk vliegroute verloren gaat -> indien herplanting daar mogelijk is geen onderzoek, anders wel onderzoek. Nader onderzoek doen bij Dommel Nader onderzoek doen bij Dommel Nader onderzoek doen bij Dommel, mogelijk ook bij structuur (Struikgewas nabij tuinen) in stad (dit is afhankelijk of de structuur verloren gaat -> Navragen). Habitatgeschiktheidsbeoordeling. Mogelijk wel aanwezig in omgeving Dommel, tijdens terreinbezoek geen verblijfplaatsen/sporen aangetroffen. Kunnen aanwezig zijn, maar er worden geen (potentiële) verblijfplaatsen aangetast bij het voornemen.

Grote gele kwikstaart mogelijk ten oosten van brug, want bekend ten westen van de brug (geel kastje op sluis). Geen verstoring want nest > 75m afstand. Sperwer en ransuil onderzoek doen bij relatief kleine nesten (op fieldmaps weergegeven). Mogelijk buizerdnest (inclusief waargenomen individu) bij kruispunt bij brug 8. Wanneer 8 vervalt of werkzaamheden buiten broedseizoen worden uitgevoerd is het oké, anders onderzoek. Huismus en gierzwaluw komen voor in omgeving. De voorgenomen werkzaamheden hebben echter geen invloed op de soorten en hun verblijfplaatsen. Verstoring is al veelvuldig aanwezig in de omgeving.

Grote vos (zoete kers/iepen bij Dommel), grote weerschijnvlinder (boswilg bij Dommel) en iepenpage (rotonde en mogelijk monumentale iep). Teunisbloempijlstaart -> Geen waardplanten gezien, maar tijdens bloeiseizoen nogmaals controleren. Zeker aanwezig in Dommel, meenemen met bosbeekjuffer onderzoek. Bosbeekjuffer mogelijk ook in Dommel. Onderzoek noodzakelijk. Gevlekte witsnuitlibel idem.

Nader onderzoek of ervan uitgaan dat de soort aanwezig is. Betreft geen wilde populaties, dus geen nader onderzoek noodzakelijk.

Nader onderzoek uitvoeren, verbindingen aanwezig (ook bij Dommel)

gelen Geen onderzoek noodzakelijk, wel maatregelen en vergunning in deelgebied 7a (Dommel).

k

bijlage 1.3 Jaarrond onderzoek naar mogelijke aanwezige soorten Dommeldal HTCE

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15580042/1