23bst01407 - Bijlage 1a - Bestemmingsplan II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287)
Tekst van het document
Voor bomen in gemeentelijk eigendom (publiek eigendom) kent de Groene Kaart zes categorieën: Monumentale bomen; Waardevolle bomen; Basisbomen; Bomen hoofdstructuur; Bomen nevenstructuur; Bomen in gebieden stad, groen beeldbepalend. De Groene Kaart kent daarnaast voor bomen in particulier eigendom (privaat eigendom) drie categorieën: Waardevolle bomen; Bomen in gebieden stad, groen beeldbepalend; Bomen op percelen van 500 m2 of groter. Voor het vellen van een houtopstand die deel uit maakt van tenminste één van deze vastgesteld II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) Gemeente Eindhoven
33
categorieën is, behoudens een aantal vrijstellingen, een omgevingsvergunning verplicht. Nadere regels Bomen De Verordening is uitgewerkt in nadere regels Bomen. Deze zijn op 19 juli 2016 vastgesteld door het college en op 4 augustus 2016 in werking getreden. De beleidsregels geven inzicht in de wijze waarop het college gebruik maakt van de aan haar in de Verordening toegekende bevoegdheden tot het aanwijzen en plaatsen van houtopstanden op de Groene Kaart. Tevens zijn richtlijnen uitgewerkt voor omgang met overlast, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de weigeringsgronden bij beoordeling van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in houtopstanden.
3.8.3
Bomeneffectanalyse
De werkzaamheden die het bouwplan tot stand brengt vinden plaats binnen de invloedssfeer van bomen. Om deze reden is een Boom Effect Analyse (BEA) uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 2 bij de toelichting gevoegd. Hierna volgen de conclusies en aanbevelingen. Conclusies BEA: Ten eerste is een visuele inspectie uitgevoerd. Uit de visuele boominspectie, van in totaal 44 bomen binnen het projectgebied, zijn de volgende constateringen gekomen: 21 bomen hebben een goede conditie. 14 bomen een matige conditie. 9 bomen hebben een slechte conditie. Voor 3 bomen (boom nummer 36, 37 en 38) wordt aangeraden om nader onderzoek te doen met het oog op de veiligheid van de bomen. Vervolgens is getoetst welke bomen verwijderd moeten worden in verband met de nieuwbouw. Hieruit kon het volgende worden geconcludeerd. Het nieuwe gebouw is in het huidige ontwerp geprojecteerd over de boom nummers 14, 20, 34, 35 en 44 en zullen daarom moeten worden gekapt. Daarnaast worden in het huidige ontwerp de bomen 12, 13, en 43 verwijderd, omdat deze (te) dicht op de toekomstige bebouwing staan. Tot slot is het nodig om de bomen 25, 26, 27 en 28 te kappen omdat deze zich binnen de contour van een fietsenstalling bevinden. In totaal gaat het om 12 bomen die wegens de bebouwing gekapt moeten worden.
Daarnaast zijn er 5 bomen (boom nummer 29, 30, 31, 32 en 33) die in slechte conditie verkeren. In het huidige ontwerp zijn in totaal 17 bomen die vanwege de slechte conditie en/ of de geplande bebouwing verwijderd worden. Voor 12 van deze bomen moet, als onderdeel van de omgevingsvergunning, een kapvergunning worden aangevraagd. De overige 5 bomen zijn niet kapvergunning plichtig. De 12 kapvergunning plichtige bomen moeten volgens art. 5 Verordening Bomen 2015 worden gecompenseerd, waarbij een rode reden van toepassing is, namelijk het kappen van bomen vanwege nieuwbouw. Dit kan worden gecompenseerd door herplant of financiële compensatie via storting in het Compensatiefonds bomen. Hierover meer in de volgende paragraaf 3.8.4. Naast het vaststellen van de bomen die verwijderd moeten worden is gekeken naar de maatregelen die getroffen moeten worden voor de te behouden bomen tijdens de sloop en bouwwerkzaamheden. De sloop en bouwwerkzaamheden zullen namelijk invloed uitoefenen op de bomen, zowel ondergronds als bovengronds. Hierbij kan schade aan de bomen ontstaan. Naast de schade die aan bomen kan ontstaan zijn in 6 bomen zijn nesten aangetroffen van de ekster en houtduif. Conform de Wet natuurbescherming dient hier bij een toekomstige uitvoering op een gepaste manier mee omgegaan te worden.
Om schade aan de bomen te voorkomen wordt aanbevolen de in hoofdstuk 4 genoemde maatregelen te treffen. Daarnaast wordt aanbevolen om tijdens de bouw- en sloopwerkzaamheden een bomenwacht in te stellen. 34
vastgesteld II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) Gemeente Eindhoven
Aanbevelingen: Geadviseerd wordt om voor 7 bomen die in matige conditie verkeren, boom nummer 36 t/m 42 nader te onderzoeken hoe de conditie kan worden verbeterd. Boom 20 kan worden verplant. Dit vraagt wel enige voorbereiding die liefst twee jaar van tevoren moet beginnen. Boom 25, 26, 27 en 28 conflicteren in het huidige ontwerp met de beoogde locatie van een fietsenstalling. De bomen hebben een goede conditie en zijn goed onderhouden. Aanbevolen wordt daarom om de fietsenstalling indien nodig te verplaatsen en de bomen te behouden. Aanbevolen wordt om 8 bomen (boom nummer 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35 en 44), die in slechte conditie verkeren, op korte termijn te verwijderen. De levensduur van boom 12 en 13 is 5 tot 10 jaar door de essentaksterfte. Gezien deze verkorte levensduur wordt aanbevolen de bomen te kappen. Indien de bomen behouden blijven dienen ze voor de bouwwerkzaamheden door een European Treeworker te worden gesnoeid. Beoordeling voor plan De conclusies en aanbevelingen zijn meegenomen in het verdere ontwerpproces. Zo is de fietsenstalling op basis van de bovengenoemde resultaten verplaatst, zodat bomen 25, 26, 27 en 28 niet gekapt worden. In totaliteit worden er dus 13 bomen gekapt om een 'rode reden'. Daarnaast zijn er 5 bomen die in slechte conditie verkeren. Deze 5 te kappen bomen worden om een 'groene reden' gekapt.
Ten slotte is aanbevolen boom 20 te verplanten. Er is ervoor gekozen dit niet te doen vanwege de te hoge risico's van sterfte na een zeer kostbare verplanting.
3.8.4
Compensatieplan
De Gemeente Eindhoven hecht veel waarde aan groen, waardoor ook in deze fase van het project moet worden nagedacht over groen en compensatie van de te kappen bomen. Dit is in het Groenbeleidsplan 2017 (vastgesteld door Raad d.d. 31 januari 2017) in de 'Procesafspraak groenplannen' bevestigd. De "Procesafspraak groenplannen" luidt als volgt: "Bij (her)ontwikkeling van gebouwen of gebieden moet de initiatiefnemer een groenplan opstellen. Het groenplan voor dit project is opgenomen in bijlage C van de BEA (bijlage 2 bij deze toelichting). In deze bijlage wordt een inventarisatie van het huidige groen gegeven en wordt toegelicht hoe het groen er in de toekomstige situatie uit gaat zien. Omdat beoogd is 13 bomen te kappen is een compensatieplan benodigd. In het bomencompensatieplan (bijlage 9) is inzichtelijk gemaakt op welk manier het groen op de locatie gecompenseerd kan worden. Volgens art. 5 Verordening Bomen 2015 moet namelijk worden voldaan aan de compensatieplicht (herplant of financiële compensatie) voor het kappen van bomen. De compensatieplicht is afhankelijk van de reden waarom de boom gekapt wordt. Er wordt onderscheid gemaakt tussen groene of rode reden. Het kappen van bomen met een rode reden is compensatie plichtig.
Rode redenen zijn alle redenen voor velling die niet voortkomen uit groenbeheer of andere maatregelen die onderdeel uitmaken van het Programma Groen en recreatie. Wanneer het vellen van bomen een groene reden heeft, hoeft er volgens art. 5 Verordening Bomen 2015 niet altijd gecompenseerd te worden. Groene redenen zijn bijvoorbeeld groene beheermaatregelen of maatregelen ten gunste van natuur, landschap en ecologie, deze hoeven in beginsel niet gecompenseerd te worden. In dit project is een rode reden van toepassing, namelijk het kappen van bomen vanwege herontwikkeling van het gebouw. Ook is een groene reden van toepassing: drie bomen zijn in slechte staat/conditie. Daarom moeten de 10 kapvergunning plichtige worden gecompenseerd. Om de hoogte van het compensatiebedrag voor herplant of financiële compensatie te bepalen vastgesteld II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) Gemeente Eindhoven
35
is voor de bomen een monetaire waardebepaling uitgevoerd. Dit is gedaan op basis van de NVTB-methode, waarbij de financiële vervangingswaarde wordt berekend. Hierbij is het uitgangspunt dat de kosten worden berekend om een vergelijkbare boom op een vergelijkbare locatie opnieuw te realiseren. De kosten voor de herplant of het te storten bedrag in het compensatiefonds bomen moeten in principe ten minste gelijk te zijn aan de (monetaire) waarde van de te kappen bomen. In het plan zijn 13 bomen niet duurzaam in te passen. De te vellen bomen worden op locatie gecompenseerd met nieuwe aanplant. In het schetsontwerp (bijlage 1) zijn reeds bomen ingetekend in het binnenhof, de invulling hiervan wordt nader bepaald. Op de locatie van het binnenhof is de bodem in de huidige situatie verhard. Daarnaast is de bodemsamenstelling op het moment van schrijven niet inzichtelijk. Er is daarom voor gekozen om groeiplaatsverbetering toe te passen in de vorm van teelaarde. Kosten voor de aanleg van de geschikte groeiplaats is daarom opgenomen in het compensatieplan. Het sortiment draagt bij aan de verhoging van de biodiversiteit en ecologie in de stedelijke omgeving. De bomen zijn geselecteerd op de hoge nectar-, vrucht- en zaadproductie. De totale waarde van het plantgoed bedraagt ca. € 5.905,-.
Merendeel van de kosten van de bomencompensatie zijn te wijden aan het groeiplaatsverbetering en nazorg van de bomen. Met dit model kunnen de bomen voor de beoogde omlooptijd onbelemmerd uitgroeien. In de berekening zijn de kosten opgenomen van het plantmateriaal en het bodemsubstraat (teelaarde), dat nodig is om de groeiplaats duurzaam in te richten. Kosten voor het afgraven en afvoeren van grond en andere kosten zoals verkeersmaatregelen zijn niet doorberekend. Met de beschreven compensatie conform het compensatieplan kan worden voldaan aan de Groenbeleidsplan en de Verordening bomen.
3.9
Kabels, leidingen en straalpaden
Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels, leidingen of straalpaden aanwezig. Het planvoornemen wordt dan ook niet belemmerd door de aanwezigheid van kabels, leidingen en straalpaden.
36
vastgesteld II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 4
4.1
Milieuparagraaf
Bedrijven en milieuzonering
Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI-codes) in de richtafstandentabel gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk'; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten.
Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied. Toepassing plangebied Voor de toetsing van de VNG-brochure is een milieuzoneringsanalyse uitgevoerd door Peutz. In de rapportage is ingegaan op de richtafstanden voor de aspecten "geur", "stof" en "gevaar". Voor het aspect "geluid" wordt inzake de milieuhygiënische inpasbaarheid van het plan in paragraaf 4.2 nader op dit onderwerp ingegaan, omdat er een akoestisch onderzoek industrielawaai is uitgevoerd. De rapportage van de milieuzoneringsanalyse is als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Hierna worden ingegaan op de conclusies uit dit rapport. Uit de uitgevoerde milieuzoneringsanalyse blijkt dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de geprojecteerde woningbouw voor dit plan in relatie tot de omliggende bedrijvigheid en de bij deze bedrijvigheid horende milieuaspecten "geur", "stof" en "gevaar".
Ter plaatse van het plangebied zal geen sprake zijn van geurhinder, stofhinder of gevaar ten gevolge van activiteiten van omliggende bedrijven. De voorgenomen plannen zullen bovendien de omliggende bedrijven niet (verder) beperken in hun huidige (vergunde) of toekomstige bedrijfsvoering, mede gezien het feit dat op dit moment reeds in het plangebied woningen aanwezig zijn (zowel de bestaande woningen Hastelweg 275 t/m 285 (tussen het plangebied en het Beatrixkanaal) als het begeleid wonen door 20 à 25 personen in het pand op de planlocatie. De conclusie is dat kan worden voldaan aan een goede ruimtelijke ordening.
vastgesteld II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) Gemeente Eindhoven
37
4.2
Geluid
4.2.1
Wettelijk kader
De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximumhoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde (48 dB) en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.
Dit planvoornemen maakt geluidsgevoelige objecten mogelijk. Het plangebied is gelegen binnen geluidzones van wegen en industrie (industrieterrein De Hurk). Het plangebied is niet gelegen binnen geluidzone(s) van railverkeer of luchtvaart. Voor de aspecten wegverkeerslawaai en industrielawaai is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Peutz. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. In het navolgende is de conclusie uit dit akoestisch onderzoek weergegeven.
4.2.2
Wegverkeerslawaai
De geluidbelasting vanwege wegverkeer en het industrieterrein overschrijden in het plangebied bij alle woningen de voorkeursgrenswaarden. Bij één woning wordt ook de maximaal toelaatbare geluidbelasting (voor industrie) overschreden. Maatregelen aan de bron of in de overdracht zijn in voorliggende situatie niet toereikend en/of niet gewenst vanuit bijvoorbeeld stedenbouwkundig oogpunt. Aan het bouwplan worden maatregelen voorzien teneinde aan de randvoorwaarde van het gemeentelijk geluidbeleid te voldoen dat iedere woning dient te beschikken over een geluidluwe zijde: waar dit nodig is zal de galerij aan de binnenzijde van het carré (gedeeltelijk) dichtgezet / verglaasd worden. Ook wordt bij één woning de buitenruimte (gedeeltelijk) dichtgezet / verglaasd. Rekening houdend met de genoemde maatregelen, kan het bouwplan als akoestisch inpasbaar beschouwd worden. Wel dienen hogere waarden vastgesteld te worden, parallel met de bestemmingsplanwijziging. De nadere dimensionering van de genoemde maatregelen zal bij de verdere uitwerking van de bouwplannen betrokken worden.
4.2.3
Conclusie
Wat betreft railverkeer en luchtvaartverkeer vormt geluid geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Wat betreft wegverkeerslawaai en industrielawaai is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat na het nemen van enkele nog concreet uit te werken maatregelen een akoestisch inpasbare situatie kan worden gerealiseerd. Er moet een hogere waarden besluit worden vastgesteld voor alle woningen. Het bestemmingsplan is wat betreft geluid uitvoerbaar.
38
vastgesteld II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) Gemeente Eindhoven
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Wettelijk kader
Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex. 4.3.2
Besluit niet in betekenende mate bijdragen
In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Samengevat Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.
Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.
vastgesteld II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) Gemeente Eindhoven
39
4.3.3
Besluit gevoelige bestemmingen
Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.
In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties. 4.3.4
Goede ruimtelijke ordening
Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. 4.3.5
Planbeschrijving en toetsing
Het planvoornemen ziet op de realisatie van 81 appartementen op de locatie waar in de huidige situatie sprake is van een gebouw met maatschappelijke bestemming. Op basis hiervan kan worden gesteld, voor zover daarvan al sprake is, dat deze ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Het project mag dan ook zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de monitoringstool volgt dat ter hoogte van de Noord Brabantlaan zowel in de huidige situatie als voor 2020 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. 40
vastgesteld II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) Gemeente Eindhoven
De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 wordt eveneens niet overschreden. Uit de monitoringstool blijkt dat de optredende concentraties NO2 en PM10 ter plaatse van het plangebied ruim onder de in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) gestelde grenswaarden liggen. Gesteld kan worden dat ter plaatse van het plangebied vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan ten aanzien van luchtkwaliteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.
4.4
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. Tot slot wordt het groepsrisico verantwoord. 4.4.1
Wettelijk kader
Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
vastgesteld II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) Gemeente Eindhoven
41
4.4.2
Risicobronnen
Transport Het plangebied bevindt zich nabij de Noord Brabantlaan. Deze transportroutes is niet vermeld in de Regeling Basisnet, maar is door de gemeente Eindhoven wel opgenomen in de rapportage "Transport gevaarlijke stoffen door de gemeente Eindhoven - actualisatie van het onderzoek naar de externe veiligheidsrisico's van bulktransport over gemeentelijke wegen binnen Eindhoven" (vastgesteld in 2010). Hierin wordt aangegeven dat deze weg geen plaatsgebonden risico heeft, maar wel een invloedsgebied. Het plan ligt binnen dit invloedsgebied.
Uitsnede risicokaart gemeente Eindhoven (plangebied = rood omlijnd; groen = invloedsgebied Noord Brabantlaan) In de Visie Externe Veiligheid Eindhoven uit 2009 worden hierbij enkele voorwaarden gesteld. Hierin staat o.a. dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen (minder dan 50 woningen, waarbij de woningen niet specifiek bedoeld zijn voor een hulpbehoevende of minderjarige doelgroep) binnen 200 meter van de lokale wegen de standaard verantwoording groepsrisico geldt. Aangezien het plan meer dan 50 woningen betreft, past het plan niet binnen het criteria van de standaardverantwoording van de gemeente Eindhoven. Hierdoor dient er een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij dient ook de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld te worden een advies uit te brengen.
42
vastgesteld II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) Gemeente Eindhoven
4.4.3
Verantwoording groepsrisico
De Noord Brabantlaan valt niet onder de Regeling Basisnet, maar in deze situatie dient hier conform het gemeentelijk beleid wel een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Het groepsrisico wordt in dit geval verantwoord aan de hand van artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes. Zelfredzaamheid Toekomstige bewoners zijn zelfredzaam. Zo wordt men geïnformeerd over de risico's van de Noord Brabantlaan. Bij calamiteiten zullen er meer dan voldoende vluchtmogelijkheden uit de woning zijn en in een andere richting dan de Noord Brabantlaan (vluchten van de bron af). Bereikbaarheid en bestrijdbaarheid De bereikbaarheid en bestrijdbaarheid is voldoende. Het plangebied is driezijdig te bereiken Noord Brabantlaan, Zeelsterstraat-Hastelweg-Beatrixkade en de doorlopende Hastelweg). Er zijn voldoende blusvoorzieningen aanwezig en de hulpdiensten zijn binnen de gestelde opkomsttijden ter plaatse. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen Het maatgevend scenario op deze locatie is een explosie, aangezien er hoofdzakelijk vervoer van LPG, diesel en benzine over de Noord Brabantlaan plaatsvindt. De LPG-branche past een hittewerende coating toe op de LPG-tankwagens. Deze bekleding zorgt ervoor dat het ten minste 75 minuten duurt voordat een warme-BLEVE (explosie) kan plaatsvinden. In deze tijd zou het gebouw ontruimd kunnen worden.
In 2016 is de circulaire effectafstanden LPG-tankstations vastgesteld. In deze circulaire wordt een afstand van 160 meter gehanteerd tot zeer kwetsbare objecten. Op de afstand van 160 meter is de stralingsbelasting 35 kw/m². Omdat deze belasting van zeer korte duur is geeft het gebouw voldoende bescherming en zijn op deze afstand verminderd zelfredzame personen die zich in het gebouw bevinden voldoende beschermd. Het hoofdgebouw is op circa 140 meter van de weg gelegen.
4.4.4
Conclusie
Het aspect externe veiligheid levert geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan.
4.5
Duurzaamheid
4.5.1
Duurzame en gezonde ontwikkeling van Eindhoven in het hart van de Brainportregio
Alles wat we als gemeente doen draagt bij aan een goede kwaliteit van leven, nu en in de toekomst. Met name hier in Eindhoven maar ook daarbuiten. Om te werken aan een goede kwaliteit van leven in Eindhoven zorgen we er voor dat we de stad zowel boven- als ondergronds zodanig ontwerpen en inrichten dat deze vanuit economisch, ecologisch en menselijk oogpunt gezond, aantrekkelijk en toekomstbestendig is: gezonde en duurzame verstedelijking. In een gezonde stad is ruimte voor de natuur en duurzame voedsel-, energie-, water-, grondstoffen- en afvalkringlopen. Niet alleen hier en nu maar ook elders in de wereld en voor volgende generaties. Kwaliteit van leven wordt in steeds grotere mate bedreigd door globale problemen als klimaatverandering en luchtvervuiling. Integrale duurzaamheid gaat daarom ook in deze opgave verder dan de gebouwen alleen. We streven ernaar in elk project ook het gebied/ de openbare ruimte te verduurzamen en daarmee een integrale bijdrage te leveren aan kwaliteit van leven in Eindhoven.
vastgesteld II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) Gemeente Eindhoven
43
4.5.2
Een systeemaanpak
De gemeente Eindhoven heeft gekozen voor een aanpak die uitgaat van een systeembenadering van duurzaamheid voor de ontwikkeling van Eindhoven tot duurzame, gezonde, energie-neutrale, flexibel bestuurde, aantrekkelijke en inspirerende stad; The Natural Step-aanpak.
4.5.3
Natural Step: 4 principes van een duurzame samenleving
The Natural Step Aanpak is eind jaren '80 ontstaan in Zweden in een nauwe samenwerking tussen overheid, wetenschap en bedrijfsleven; een Triple Helix. In de kern van The Natural Step-aanpak vinden we vier duurzaamheidsprincipes, gebaseerd op de ecologische en sociale systeemeigenschappen. Aan de basis van deze principes ligt ruim 20 jaar wetenschappelijk onderzoek en de praktische toepassing daarvan bij bedrijven, gemeenten, scholen en non-profit organisaties over de hele wereld. De 4 duurzaamheidsprincipes kunnen we zien als spelregels. Houden we ons aan deze regels dan zijn we duurzaam bezig. Ze vertellen wat de grenzen zijn die we moeten respecteren als we een duurzaam product, een duurzame organisatie of duurzame gemeenschap willen ontwikkelen.
Niet meer en sneller stoffen uit de aardkorst in het milieu brengen dan de natuur kan verw erken.
Niet meer en sneller natuurvreemde stoffen in het milieu brengen dan de natuur kan verw erken.
44
vastgesteld II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) Gemeente Eindhoven
De natuur niet sneller afbreken dan de tijd die nodig is om te herstellen.
Geen dingen doen w aardoor w e mensen beperken in het kunnen vervullen van hun behoeften.
4.5.4
Ambities duurzaamheid
De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. 1. CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.
1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is.
1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.
vastgesteld II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) Gemeente Eindhoven
45
1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz.
1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.
2 Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken.
2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen.
2B) geen afval In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval.
2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.
2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier.
46
vastgesteld II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) Gemeente Eindhoven
3) Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding?
3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan.
3B) oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.
4. Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt).
4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2016-2020 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.
4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte
4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.
Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad vastgesteld II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) Gemeente Eindhoven
47
belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.
4.5.5
Planbeschrijving
PV-panelen, gasloos en de nieuwe eisen vanuit het Bouwbesluit (BENG / TO-juli) worden als uitgangspunt genomen bij de bouw. Daarnaast is de initiatiefnemer met de gemeente Eindhoven in gesprek om aan te sluiten op het warmtenet. Alternatief is wellicht een WKO-installatie. Als beide niet haalbaar blijken wordt wellicht gekozen voor een luchtwarmtepomp-oplossing. Daarnaast wordt het gebouw natuurinclusief gebouwd, zoals ook uit het schetsontwerp blijkt (bijlage 1).
4.6
Bodem
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw bestemmingsplan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. In dit kader is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste resultaten en conclusies.
4.6.1
Verkennend bodemonderzoek
Op basis van het vooronderzoek worden de in de navolgende tabel vermelde deellocaties onderscheiden. Deellocatie A: verontreiniging met zware metalen en puinhoudende ondergrond; Deellocatie B: olieverontreiniging langs de perceelsgrens; Deellocatie C: overige terrein met plaatselijk een puinverharding; Deellocatie D: opslag diverse gevaarlijke stoffen. Deellocatie A: verontreiniging met zware metalen en puinhoudende ondergrond In de ondergrond werden zoals verwacht bijmengingen met puin, glas, afval en zinkassen waargenomen. Met de HXRF-meter zijn in deze laag verhoogde waarden voor zware metalen gemeten. De sterk verhoogde gehaltes aan zware metalen gemeten HXRF-waarden zijn analytisch bevestigd. De ondergrond is overwegend sterk verontreinigd met koper, lood en zink en licht verontreinigd met arseen en cadmium. Het eerder aangetoonde historische geval van ernstige bodemverontreiniging is hiermee bevestigd. Aangenomen wordt dat de omvang vanwege het immobiele karakter van de verontreiniging niet veranderd is en 320 m³ bedraagt. De verontreiniging bevindt zich op circa 0,8 m-mv of dieper. In de puinhoudende ondergrond is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. In de sterk verontreinigde grond is eveneens geen PFAS aanwezig. 48
vastgesteld II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) Gemeente Eindhoven
Deellocatie B: olieverontreiniging langs de perceelsgrens In de ondergrond werden plaatselijk zwakke bijmengingen met kooldeeltjes waargenomen. De meest verdachte laag blijkt niet verontreinigd te zijn. Aangenomen mag worden dat de olieverontreiniging zich niet op het onderhavige perceel bevindt. Deellocatie C: overige terrein met plaatselijk een puinverharding Op het terrein is een puinverharding aanwezig met een oppervlakte van circa 485 m². De dikte van de puinlaag bedraagt circa 0,3 m. In de puinlaag is zintuiglijk geen asbest aangetroffen. Analytisch is wel asbest aangetoond. Het betreft asbestcement en losse vezels. De maximale (indicatieve) gewogen asbestconcentratie bedraagt 7 mg/kg d.s. Omdat het aangetoonde gehalte kleiner is dan helft van de hergebruikswaarde (i.q. 50 mg/kg d.s.), mag worden aangenomen dat het puin niet verontreinigd is met asbest. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Het puin voldoet voor hergebruik indicatief aan klasse "N-Bouwstof". Verder is op het overige bij één boring een zwakke bijmenging met kooldeeltjes waargenomen. De grond blijkt plaatselijk licht verontreinigd te zijn met cadmium, lood en PAK. In de verdachte bodemlagen zijn enkele PFAS-parameters verhoogd aangetoond. De normen voor klasse landbouw/natuur worden echter niet overschreden. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, nikkel, zink en xylenen.
De aangetoonde gehaltes zijn dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Deellocatie D: opslag diverse gevaarlijke stoffen Zintuiglijk zijn geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen. De grond blijkt niet verontreinigd te zijn met de onderzochte stoffen. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, nikkel en xylenen. De aangetoonde gehaltes in het grondwater zijn dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht.
4.6.2
Conclusie
Ter plaatse van deellocatie A is sprake van een saneringsopgave. Hiervoor wordt een BUS melding dan wel saneringsplan opgesteld en ingediend bij bevoegd gezag (Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant). De overige onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het huidige en voorgenomen gebruik van de locatie en vormen geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging. Voor de aanvraag van de omgevingsvergunning is het noodzakelijk om na sloop van de huidige bebouwing de grond te onderzoeken ter plaatse van de gesloopte bebouwing."
4.7
Natuur
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2021 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen.
vastgesteld II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) Gemeente Eindhoven
49
4.7.1
Gebiedsbescherming
Het plangebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Brabant of een EVZ . Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN betreft een EVZ welke direct ten zuiden van het plangebied ligt in de vorm van het Beatrixkanaal. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zal het kanaal niet fysiek wijzigen en zullen de omgevingscondities op dit kanaal nagenoeg gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNB/EVZ niet worden aangetast. Voor Natura 2000-gebieden geldt dat het plangebied op grote afstand hiervan is gelegen (circa 6,2 km). Gezien de aard en de beperkte omvang van de ingreep zorgt dit ervoor dat eveneens geen negatief effect te verwachten is op de wezenlijke kenmerken en waarden van Natura 2000-gebieden. Ter bepaling of er sprake is van stikstofdepositie is een berekening uitgevoerd. Uit deze berekening is geconcludeerd dat geen sprake is van stikstofdepositie door toedoen van dit project (bouw- en gebruiksfase) op het nabijgelegen Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux". Er is sprake van 0,00 mol/ha/jaar depositie van stikstof. De rapportage is als bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd.
4.7.2
Soortenbescherming
Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve het planvoornemen om woningbouw te realiseren, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 7 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de resultaten en conclusies. Resultaten quickscan In het plangebied komen algemene broedvogels en zwaar beschermde gebouwbewonende vleermuissoorten zoals de gewone dwergvleermuis mogelijk voor. Door de voorgenomen werkzaamheden vinden mogelijk negatieve effecten plaats op deze beschermde soorten en worden (mogelijk) verbodsbepaling van de Wnb overtreden. Door middel van mitigerende maatregelen is het mogelijk om overtreding van de verbodsbepalingen ten aanzien van algemene broedvogels te kunnen voorkomen. Voor het bepalen van de aan- of afwezigheid van gebouwbewonende vleermuissoorten is vervolgonderzoek noodzakelijk.
Dit soortgerichte onderzoek heeft plaatsgevonden tussen april en september 2020 conform het vleermuisprotocol (NGB, 2017) en is eveneens bijgevoegd in de bijlage van deze toelichting (bijlage 8). Nader onderzoek vleermuizen Op basis van de bevindingen van het vleermuisonderzoek en aansluitende effectbeschrijving, is geconcludeerd dat als gevolg van de werkzaamheden geen effecten op vleermuizen plaatsvinden. Daarom zijn in het kader van de soortbescherming van de Wnb vervolgstappen niet aan de orde. Ook hoeft geen ontheffing Wnb aangevraagd te worden. Wel dient rekening gehouden te worden met mitigerende maatregelen: Bij het eventuele aantreffen van vleermuizen of andere beschermde soorten: leg de werkzaamheden stil en schakel een deskundig ecoloog in. Bepaal in samenspraak met de ecoloog vervolgstappen. Maak geen gebruik van aanvullende verlichting tussen zonsondergang en zonsopkomst om effecten als gevolg van verstoring op de foerageergebieden en vliegroutes te voorkomen. 50
vastgesteld II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) Gemeente Eindhoven
4.7.3
Algemene zorgplicht
Artikel 1.11 Wnb voorziet in de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nagelaten moeten worden of dat maatregelen genomen moeten worden om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Die plicht is niet alleen van belang voor soorten maar ook voor gebieden. De zorgplicht fungeert als vangnet ten opzichte van de bij en krachtens de Wnb gestelde voorschriften. Bestuursrechtelijke handhaving van de zorgplicht is mogelijk in kennelijke gevallen van onzorgvuldig handelen en in situaties waarin er geen concreet voorschrift ter bescherming van de desbetreffende natuurwaarde van toepassing is.
4.7.4
Conclusie
Het planvoornemen heeft geen negatieve gevolgen op beschermde natuur en soorten, zoals uit het voorgaande is gebleken. Het bestemmingsplan is wat betreft het aspect natuur uitvoerbaar.
4.8
Milieueffectrapportage
4.8.1
Wettelijk kader
Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: Kolom 1: de activiteit zelf Kolom 2: drempelwaarden activiteit Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan) Kolom 4: de besluiten De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten. In dit kader is met name 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. van belang.
Het gaat daarbij om: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
4.8.2
Geen stedelijk ontwikkelingsproject
Uit de jurisprudentie volgt dat of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van Besluit m.e.r afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard, omvang en locatie van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Hieronder wordt ingegaan op deze aspecten. vastgesteld II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) Gemeente Eindhoven
51
Beoordeling plan Het planvoornemen betreft de realisatie van 81 wooneenheden in de vorm van appartementen. De appartementen worden voorzien in een tweetal nieuwe gebouwen met 3 tot 6 bouwlagen en een footprint van 1.660 m². In de huidige situatie is een gebouw aanwezig tot 2 bouwlagen met een footprint van 1.537 m². Deze woningbouwtypen en bouwvolumes komen overeen met de directe omgeving van het plangebied. Zo zijn met name ten noordwesten van het plangebied meerdere meerlaagse bedrijfsgebouwen aanwezig. Het plangebied is gelegen in hoog stedelijk gebied, binnen de bebouwde kom van Eindhoven en nabij de Noord Brabantlaan. Een dergelijke stedelijke ontwikkeling past daardoor goed in het aanwezige stedelijke woonmilieu. Het planvoornemen zal wat betreft verkeer aansluiten op de aanwezige infrastructuur (Noord Brabantlaan, Hastelweg, Zeelsterstraat en Beatrixkade). De infrastructuur heeft voldoende capaciteit en hoeft hierdoor niet worden opgeschaald. Het toekomstige verkeer gaat op in het heersende verkeersbeeld. Volgens de nota 'Eindhoven op Weg' (2013) is de Noord Brabantlaan een belangrijke gebiedsontsluitingsweg voor de omgeving. De Hastelweg is aangewezen als wijk- en buurtonsluitingsweg. Het plangebied is daarom goed bereikbaar. Er wordt een parkeergarage gerealiseerd.
Tenslotte wordt nog opgemerkt dat de uitgevoerde onderzoeken (bodem, bomeneffectanalyse, flora & fauna, milieuzonering, geluid en water/duurzaamheid) aantonen dat het realiseren van deze woningen op de locatie voldoet aan de wettelijke eisen vanuit milieuoogpunt. De verrichte onderzoeken onderstrepen de conclusie dat geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Hierdoor heeft de planontwikkeling een positief effect op het plaatselijke milieu.
4.8.3
Conclusie
Hieruit kan worden geconcludeerd dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is daardoor niet van toepassing.
52
vastgesteld II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 5
5.1
Waterparagraaf
Inleiding
Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid. Het bestemmingsplan II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) heeft een conserverend karakter. Mogelijke ontwikkelingen binnen de planperiode spelen zich daarom hoofdzakelijk af binnen bestaande (water)structuren. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder b en c van het Besluit ruimtelijke ordening.
5.2
Beleid
5.2.1
Rijksbeleid
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning). 5.2.1.1 Nationaal Waterplan 2016 - 2021 Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en milieu. Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het waterplan beschrijft de strategische doelen voor het waterbeheer. De condities en maatregelen voor het bereiken van deze doelen staan beschreven in het 'Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren' van Rijkswaterstaat. Lagere overheden dienen het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 in hun beleid te verwerken. 5.2.2
Provinciaal beleid
5.2.2.1 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (hierna: PMWP) is op 18 december 2015 door Provinciale Staten vastgesteld. Het plan staat voor het samen werken aan een provincie waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving en waarin de zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving centraal staat. De agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het PMWP integreert de milieu- en de wateropgave en het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Behalve het PMWP is er een provinciaal natuurbeleidsplan (Brabant Uitnodigend Groen), een energieplan (Energieagenda) en is er beleid om de Brabantse agrofoodsector duurzaam te maken (Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood). Het PMWP vult deze plannen aan daar waar er grote raakvlakken zijn met het milieu- en waterbeleid. Gedacht kan dan worden aan de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Op deze manier wordt gewerkt aan een integrale benadering van de duurzame fysieke leefomgeving. Wettelijke taken De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd.
Voor de vastgesteld II Strijp buiten de Ring 2019 (Hastelweg 287) Gemeente Eindhoven
53
vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Integrale en gezamenlijke aanpak Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven.