CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

22bst01637 - Bijlage 1 - Concept - Geconsolideerde tekst APV 2022

Raadsvergadering 20 december 2022, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Tiende wijziging APV Eindhoven20.622 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

2.

Het is verboden om taxidiensten aan te bieden in een door de burgemeester op grond van het eerste lid aangewezen locatie of gebied.

3.

Het is verboden op Eindhoven Airport Taxidiensten te verrichten en aan te bieden buiten de voor taxidiensten bestemde rijbanen en opstelplaatsen alsmede in het openbaar toegankelijke luchthavengebouw.

4.

Een ambtenaar van politie kan voor handhaving van een verbod het bevel geven zich onmiddellijk in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

Artikel 2:52c Aanbieden van deelvoertuigen op of aan de weg of het openbaar water 1.

Het is verboden zonder vergunning van Burgemeester en wethouders deelvoertuigen, zoals bedoeld in artikel 1:1, die op of aan de weg staan ter gebruik aan derden aan te bieden.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen deelvoertuigen aanwijzen die voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid in aanmerking komen.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen voor het experimenteren met vormen van deelvervoer. Een experiment is een tijdelijke proef met een maximale tijdsduur van één jaar. Indien een experiment als vast onderdeel van de APV of andere verordening kan worden opgenomen doen Burgemeester en wethouders daartoe een voorstel aan de gemeenteraad. Burgemeester en wethouders informeren de gemeenteraad over het aangaan van een experiment.

4.

Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning of de ontheffing nadere voorwaarden verbinden.

5.

Burgemeester en wethouders kunnen, onverminderd het bepaalde in de artikelen 1:6 en 1:8, een vergunning of ontheffing weigeren of intrekken indien: a.

een door het college vastgesteld deelvoertuigenplafond door verlenen van de vergunning zou worden overschreden; of

b.

c. 6.

het ter gebruik aanbieden van de deelvoertuigen: i.

gevaar oplevert voor de veiligheid van de gebruikers of de verkeersveiligheid;

ii.

een nadelige invloed heeft op het milieu;

iii.

onevenredig beslag legt op de openbare ruimte, of

iv.

afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte.

in strijd wordt gehandeld met de overeengekomen vergunningsvoorwaarden.

Burgemeester en wethouders kunnen stallingsplaatsen, wegen of weggedeelten, of gebieden aanwijzen waar

a.

het verboden is om voertuigen of categorieën van deelvoertuigen als bedoeld in het eerste lid te plaatsen, en/of

b.

ii. het verboden is om voertuigen of categorieën van voertuigen als bedoeld in het eerste lid ter gebruik aan te bieden.

7.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen ten aanzien van het aanbieden van deelvoertuigen als bedoeld in dit artikel.

Artikel 2:53 Bespieden van personen 1.

Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.

2.

Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.

Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur [gereserveerd]

Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren [gereserveerd]

Artikel 2:56 Alarminstallaties [gereserveerd]

Artikel 2:57 Loslopende honden 1.

Het is de eigenaar of houder van een hond of degene aan wiens zorg een hond kennelijk is toevertrouwd, verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a.

op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen plaats;

b.

binnen de bebouwde kom op een openbare plaats indien de hond fysiek niet is aangelijnd;

c.

buiten de bebouwde kom op een door burgemeester en wethouders aangewezen plaats indien de hond niet fysiek is aangelijnd;

d.

op de weg als die hond niet is voorzien van enig identificatiemiddel, waaronder in ieder geval wordt verstaan een chip als bedoeld in artikel 5 van het Besluit identificatie en registratie van dieren.

2.

Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen.

3.

Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a.

die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is; of

b.

die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:58 Verontreiniging door honden 1.

Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

2.

Deze verplichting is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

3.

Degene die met een hond op een openbare plaats is, is verplicht een zakje of schepje bij zich te hebben dat geschikt is voor de verwijdering van de uitwerpselen en dit op eerste vordering te laten zien aan de toezichthouder.

Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1.

Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. Het is verboden te handelen in strijd met een door de burgemeester opgelegd gebod en de daaraan verbonden voorschriften.

2.

De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

3.

De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a.

is vervaardigd van stevige kunststof, van stevig leer of van andere daartoe deugdelijke stoffen;

b.

door middel van een stevige riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is, en

c.

zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

4.

Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, is de hond voorzien van een chip als bedoeld in artikel 5 van het Besluit identificatie en registratie van dieren.

5.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen ten aanzien van het opleggen van maatregelen inzake bijtincidenten met gevaarlijke honden.

Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein 1.

Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid of heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.

2.

Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: a.

op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;

b.

het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en

c.

het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1.

Het is verboden op door burgemeester en wethouders ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a.

aanwezig te hebben;

b.

aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door burgemeester en wethouders in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;

2.

c.

aanwezig te hebben in een groter aantal dan in dat aanwijzingsbesluit is aangegeven, of;

d.

te voeren.

Burgemeester en wethouders kunnen de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.

3.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:61 Wilde dieren [gereserveerd]

Artikel 2:62 Loslopend vee [gereserveerd]

Artikel 2:63 Duiven [gereserveerd]

Artikel 2:64 Bijen [gereserveerd]

Artikel 2:64a Hinder door dieren Het is degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft voor een dier, verboden dat dier voor een omwonende of overigens voor de omgeving hinder te laten veroorzaken.

Artikel 2:65 Bedelarij [vervallen]

Afdeling 11. Bestrijding van heling van goederen Artikel 2:66 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: −

elektronica: foto-, film-, radio-, audio-, video-, computer-, telefoon-, communicatie-, zend-, navigatie- en kleine, soortgelijke elektronische apparatuur;

−

handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde fietsen, brom- en snorfietsen, auto’s, auto-onderdelen, antiek, sieraden, metalen en elektronica die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onmiddellijk op te nemen: a.

het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

b.

de datum van verkoop of overdracht van het goed;

c.

een foto en een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover mogelijk – soort, merk en nummer van het goed;

d.

de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

e.

de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen door middel van registratie in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register in kennis te stellen: 1 º. dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt met vermelding van zijn woonadres, het adres van elke bij zijn onderneming behorende vestiging en de naam van de desbetreffende onderneming; 2 º. van een verandering van de onder 1 º bedoelde adressen of naam; 3 º dat hij van het opkopen niet langer een beroep of gewoonte maakt. b. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop diens naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn. c. indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de burgemeester. d. zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste acht dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen, tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.

Artikel 2:69a Openbare fietsverkoop 1.

Het is verboden op of aan de weg fietsen of onderdelen van fietsen te koop aan te bieden, te verkopen of te kopen.

2.

Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet voor bedrijfsmatige handel in fietsen.

3.

De burgemeester kan plaatsen en tijden aanwijzen waarop het verbod niet geldt.

Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven [verplaatst naar afdeling 9 (Exploitatie van openbare inrichtingen), artikel 2:32]

Afdeling 12. Consumentenvuurwerk Artikel 2:71 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit.

Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen [gereserveerd]

Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.

Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door burgemeester en wethouders in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

2.

Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

3.

De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:73a Carbidschieten 1.

Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.

2.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in de periode van 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar.

3.

Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:73b Vervoeren of bij zich hebben van carbid of soortgelijke stoffen 1.

Het is verboden op een openbare plaats carbid of soortgelijke stoffen of voorwerpen als bedoeld in artikel 2:73a te vervoeren of bij zich te hebben, waarvan gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zullen worden gebruikt in strijd met het bepaalde in artikel 2:73a.

2.

Het verbod is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf.

3.

Dit artikel is niet van toepassing, voor zover de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn.

Afdeling 13. Drugsoverlast

Artikel 2:74 Drugshandel op openbare plaatsen 1.

Het is verboden zich op een openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar of geneesmiddelen, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

2.

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Opiumwet of de Geneesmiddelenwet.

Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebbe

Afdeling 14. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:1a, 2:10, 2:11, 2:15, 2:19, 2:26, 2:26d t/m h, 2:31, 2:40, 2:41, 2:42, 2:47, 2:48, 2:48c, 2:49, 2:50, 2:50a, 2:52a, 2:73, 2:74, 2:74a, 2:78 en 5:34 groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan wijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur voor het toezicht op een openbare plaats.

Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1.

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die een strafbaar feit of openbare orde verstorende handeling verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

2.

Met het oog op deze belangen kan de burgemeester aan een in het eerste lid genoemde persoon een bevel geven zich: a.

gedurende ten hoogste het lopende en komende uitgaansweekeinde (donderdagavond tot en met maandagmorgen) telkens tussen 22.00 uur en 07.00 uur niet in of in de omgeving van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 en in een of meer bepaalde delen van de

gemeente op een openbare plaats op te houden, indien dat feit of die handeling verband houdt met veilig uitgaan; b.

tot het einde van een evenement als bedoeld in artikel 2:24 gedurende de tijden dat dit plaatsvindt, niet op of in de omgeving van het terrein of de terreinen waar dat evenement plaatsvindt op te houden, indien dat feit of die handeling verband houdt met dat evenement.

3.

Met het oog op die belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie een bevel als bedoeld in het eerste of tweede lid is gegeven en die binnen een jaar na het geven van dat bevel opnieuw een strafbaar feit of openbare orde verstorende handeling verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste vier weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

4.

Met het oog op die belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie een bevel als bedoeld in het derde lid of in dit lid is gegeven en die binnen een jaar na het geven van dat bevel opnieuw een strafbaar feit of openbare orde verstorende handeling verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

5.

De burgemeester beperkt een in de vorige leden gesteld bevel, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt.

6.

De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.

7.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1.

1Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

2.

Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen.

3.

De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.

Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. Artikel 3.1.1 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: −

beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;

−

bezoeker: een ieder die aanwezig is in de seksinrichting, met uitzondering van – voor zover betrokkene of de exploitant of beheerder dit ter plaatse en ten genoegen van een toezichthouder onmiddellijk aannemelijk maakt – de exploitant, beheerder, prostituee en degene die als personeelslid doende is met werkzaamheden – voorbereidende en opruimwerkzaamheden

daaronder mede begrepen –, die verbouwingswerkzaamheden verricht of wiens aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. −

escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;

−

exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;

−

prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

−

prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

−

seksinrichting: a.

een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, tantra-massagesalon een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

b.

de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotischpornografische aard plaatsvinden - sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd.

Artikel 3.1.2 Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: burgemeester en wethouders of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

Artikel 3.1.3 Nadere regels Met het oog op de in artikel 1:8 en 3.3.2 genoemde belangen, kunnen burgemeester en wethouders ten aanzien van de geschiktheid, inrichting, brandveiligheid en het gebruik van een seksinrichting, de gezondheid van een prostituee en de exploitatie of het beheer nadere regels stellen.

Artikel 3.2.1 Seksinrichtingen 1.

Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.

2.

In de aanvraag om vergunning worden in ieder geval vermeld: a.

door welke perso(o)n(en) de seksinrichting of het escortbedrijf zal worden geëxploiteerd;

b.

door welke perso(o)n(en) de seksinrichting of het escortbedrijf zal worden beheerd;

c.

het aantal werkzame prostituees;

d.

de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;

e.

de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door middel van een situatietekening waarop ten minste twee straten staan aangegeven met een schaal van ten minste 1:1.000;

f.

de plattegrond(en) van de inrichting door middel van een tekening met een schaal van ten minste 1:100;

g.

bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

h.

bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting.

3.

In de vergunning worden in ieder geval vermeld: a.

de persoonsgegevens van de exploitant;

b.

de persoonsgegevens van de beheerder; en

c.

de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.

4.

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

5.

De vergunning vervalt vijf jaar na de datum van inwerkingtreding.

Artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en beheerder 1.

2.

De exploitant en de beheerder: a.

staan niet onder curatele;

b.

zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en

c.

hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet: a.

met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;

b.

binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius en Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;

c.

binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,-- of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: −

1°. bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;

−

2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a (oud), 252, 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;

−

3°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

3.

−

4°. de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;

−

5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;

−

6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: a.

vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, een onherroepelijke strafbeschikking of een bestuurlijke boete die formele rechtskracht heeft gekregen, tenzij de geldsom minder dan € 375,-- bedraagt;

b.

een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf of plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.

4.

De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: a.

bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;

b.

bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

5.

De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.

6.

Voor de berekening van de laatste vijf jaar, bedoeld in het tweede, vierde en vijfde lid, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.

Artikel 3.2.3 Sluitingsuur 1.

Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 02.00 uur en 08.00 uur.

2.

Het bevoegd bestuursorgaan kan: a.

door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen;

b. 3.

ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Het is bezoekers van een seksinrichting verboden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste of tweede lid gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.

4.

Het voorgaande geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is.

Artikel 3.2.4 Tijdelijke (gehele of vroegere) sluiting [Vervallen, wordt in voorzien in artikel 2:40a en 2:41]

Artikel 3.2.5 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1.

Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.

2.

De exploitant en/of de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: a.

geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie, en;

b.

geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

3.

Het verbod in het eerste lid onderscheidenlijk het gebod in het tweede lid voor zover dat ziet op het voortdurende karakter van het toezicht geldt niet voor een seksinrichting aan het Baekelandplein onderscheidenlijk de exploitant en/of beheerder van een seksinrichting aan het Baekelandplein, indien gebruik wordt gemaakt van een beheerderspoule of een piketregeling.

Artikel 3.2.6 Straatprostitutie 1.

Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken: a.

op of aan andere openbare plaatsen dan door burgemeester en wethouders aangewezen wegen of gebieden;

2.

b.

gedurende andere dan door burgemeester en wethouders vastgestelde tijden;

c.

zonder een door of namens het burgemeester en wethouders verstrekt geldig toegangsbewijs.

Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

3.

Met het oog op de in artikel 1:8 genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen of gebieden en tijden als bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

4.

De burgemeester kan met het oog op de in artikel 1:8, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij bevel verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen of gebieden en op tijden als bedoeld in het eerste lid.

5.

De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde bevel, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

6.

Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.

Artikel 3.2.6a Ontuchtige handelingen 1.

Het is verboden op of aan een openbare plaats ontuchtige handelingen te verrichten, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze geschieden in het kader van prostitutie.

2.

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door titel XIV (misdrijven tegen de zeden) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht.

3.

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de door burgemeester en wethouders aangewezen wegen, weggedeelten of gebieden en gedurende door burgemeester en wethouders vastgestelde tijden.

Artikel 3.2.7 Sekswinkels Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door burgemeester en wethouders in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.

Artikel 3.2.8 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1.

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotischpornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: a.

indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;

b.

anders dan overeenkomstig de door burgemeester en wethouders in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.

2.

Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7 eerste lid, van de Grondwet.

Artikel 3.3.1 Beslistermijn 1.

In afwijking van artikel 1:2 beslist het bevoegde bestuursorgaan op de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen.

2.

Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.

Artikel 3.3.2 Weigeringsgronden De vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1 eerste lid, wordt onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 geweigerd indien: a.

de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.2.2 gestelde eisen;

b.

de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan;

c.

er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde;

d.

redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal zijn.

e.

Er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt.

Artikel 3.4.1 Beëindiging exploitatie 1.

De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.

2.

Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 3.4.2 Wijziging beheer 1.

Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, derde lid, onder b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

2.

Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.3.2, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.5.1. Bijzondere intrekkingsgrond De burgemeester kan een vergunning voor een prostitutiebedrijf intrekken als: in het bedrijf prostituees werkzaam zijn die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt.

Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting Artikel 4:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: −

Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer;

−

collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

−

houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

−

horeca-inrichting: een inrichting waarbij uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van: a.

een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, of

b.

daaraan verwante inrichting, waar tegen vergoeding logies worden verstrekt, dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt.

−

incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

−

inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit;

−

recreatie-inrichting: inrichting waarbij uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van: a.

een gelegenheid tot zwemmen of baden,

b.

een of meer voorzieningen of installaties voor het dansen of geven van dansonderricht,

c.

het onderrichten van muziek of toneel, of oefenen voor of houden van muziek-, toneel- of daarmee verwante uitvoeringen,

d.

het vertonen van films, het houden van presentaties, vergaderingen of congressen, of tentoonstellen van gebruiksvoorwerpen of voortbrengsels van kunst, cultuur of wetenschap,

e.

het gelegenheid bieden tot het deelnemen aan kansspelen of om mee te dingen naar prijzen of premies door enige kansbepaling of tot het gebruiken van speelautomaten,

f.

het recreatief dagverblijf bieden of waar een of meer voorzieningen aanwezig zijn voor recreatieve doeleinden, recreatief nachtverblijf bieden in vakantiewoningen, trekkershutten of door middel van een kampeerterrein;

−

sportinrichting: inrichting waarbij uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van een of meer voorzieningen of installaties voor het beoefenen van sport in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of ter recreatie.

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.

De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19a en 2.20 van het Besluit gelden niet voor horeca-inrichtingen voor:

2.

a.

carnavalsvrijdag tot en met carnavalsdinsdag;

b.

koningsnacht vanaf 17.00 uur tot en met Koningsdag 24.00 uur;

c.

24 december vanaf 17.00 tot sluitingstijd (25 december);

d.

26 december vanaf 17.00 uur tot sluitingstijd (27 december);

e.

de jaarwisseling vanaf 17.00 uur tot 12.00 uur op 1 januari.

Burgemeester en wethouders kunnen wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet was te voorzien, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit aanwijzen.

Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten

1.

Het is een inrichting, niet zijnde een horeca-, recreatie- of sportinrichting, toegestaan maximaal twee incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft gesteld.

2.

Het is een horeca-, recreatie- en sportinrichting toegestaan maximaal vijf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft gesteld.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op horeca- en recreatie*- inrichtingen die zijn gelegen aan het Begijnenhof, het Catharinaplein (gevestigd in het Catharinahuis), de Molenstraat, het Stratumseind, de Stratumsedijk (het gedeelte tussen het Stratumseind en de Bilderdijklaan), de Oude Stadsgracht.

4.

Het is een horeca-, recreatie- en sportinrichtingen binnen het gebied Strijp S als genoemd in artikel 2:29, derde lid, toegestaan maximaal tien incidentele festiviteiten per kalender jaar te

houden, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft gesteld. 5.

Het is een sport- en recreatie-inrichting toegestaan om tijdens maximaal vijf incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sport- of recreatieactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft gesteld.

6.

Aan de kennisgevingsplicht, bedoeld in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid, is voldaan wanneer het daartoe door burgemeester en wethouders vastgestelde formulier volledig en naar waarheid is ingevuld en tijdig is ingeleverd.

7.

De kennisgeving, bedoeld in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid, wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

8.

De leden 1, 2, en 4 gelden slechts voor zover wordt voldaan aan de door burgemeester en wethouders ter voorkoming van geluidshinder te stellen voorwaarden.

9.

Op deze procedure is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten [vervallen]

Artikel 4:5 Onversterkte muziek [gereserveerd]

Artikel 4:5a Traditioneel schieten [gereserveerd]

Artikel 4:6 Overige geluidshinder 1.

Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidshinder wordt veroorzaakt.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod ontheffing verlenen.

3.

Het verbod is niet van toepassing op: a.

categorieën handelingen aangewezen door burgemeester wethouders;

b.

handelingen tussen 19.00 uur en 07.00 uur of op zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen, als deze uiterlijk 4 weken van te voren zijn gemeld.

4.

Burgemeester en wethouders kunnen, onverminderd artikel 1:8, voorschriften stellen aan deze handelingen betreffende: a.

het geluidsniveau;

b.

de situering van geluidsbronnen;

5.

c.

de frequentie en tijden van gebruik;

d.

de communicatie.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Bouwbesluit 2012, de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaarwet, het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 en de Wegenverkeerswet 1994.

6.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:6a Routering [vervallen]

Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4:7 Straatvegen Het is verboden op een door burgemeester en wethouders voor de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weg, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.

Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen oplevert.

Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden Artikel 4:10 Begripsbepaling [gereserveerd]

Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden [gereserveerd]

Artikel 4:12 Aanvraag vergunning [gereserveerd]

Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de open lucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a.

onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen

daarvan; b.

bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

c.

kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig

hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel, of d.

mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of

pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen; voor zover daardoor het uiterlijk aanzien van de gemeente wordt aangetast of overlast, hinder of schade wordt veroorzaakt.

Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen [gereserveerd]

Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1.

Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit.

Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame [gereserveerd]

Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4:17 Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig dat bestemd is, opgericht is of gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor verblijf waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist.

Artikel 4:18 Verblijf buiten kampeerterreinen 1.

Het is verboden voor recreatief nachtverblijf een kampeermiddel te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, het exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.

2.

Het is verboden voor verblijf een kampeermiddel te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, het exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd, voor zover daardoor het uiterlijk aanzien van de gemeente wordt aangetast, of schade, hinder of overlast wordt veroorzaakt.

3.

Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

4.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid.

5.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

6.

a.

de bescherming van natuur en landschap, of

b.

de bescherming van een stadsgezicht.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen 1.

Het verbod van artikel 4:18 is niet van toepassing op de door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd artikel 1:8.

Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Afdeling 1 Parkeerexcessen Artikel 5:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: −

parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 onder ac, van het RVV 1990;

−

weg: weg in de zin van artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 1.

2.

Onder verhuren wordt mede verstaan: a.

het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

b.

het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

Tot deze voertuigen worden niet gerekend: a.

voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden, met een maximum van één uur;

b. 3.

voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a.

drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

b.

de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

1.

Het is verboden op de weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

2.

In afwijking van het eerste lid, is het een particuliere voertuigeigenaar toegestaan ten hoogste drie voertuigen zelf te koop aan te bieden, indien de voertuigen: a.

op het moment van aanvang van de verkoop ten minste zes maanden aaneengesloten op naam van de particuliere voertuigeigenaar staan; en

b.

op de weg worden geparkeerd binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen.

Artikel 5:4 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5:5 Voertuigwrakken 1.

Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud of in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. 1.

Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a.

langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben;

b.

langer dan veertien achtereenvolgende dagen op voor publiek toegankelijke parkeerterreinen te plaatsen of te hebben.

2.

In afwijking van het verbod is het toegestaan om de van een voertuig losgekoppelde aanhangwagen maximaal 24 uur op of aan de weg te plaatsen of te hebben.

3.

Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Verordening wegen Noord Brabant 2010.

Artikel 5:7 Reclamevoertuigen 1.

Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

2.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

3.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen 1.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, a.

een lengte heeft van meer dan 6 meter, of

b.

een hoogte heeft van meer dan 2,4 meter, of

c.

een breedte heeft van meer dan 2,2 meter,

ergens anders dan op de daartoe door burgemeester en wethouders daarvoor aangewezen parkeergelegenheden te parkeren. 2.

Het verbod is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

3.

Het verbod is ook niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, als deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen 1.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,

a.

een lengte heeft van meer dan 6 meter, of

b.

een hoogte van meer dan 2,4 meter,

op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt veroorzaakt. 2.

Het verbod geldt niet gedurende het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen 1.

Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.

2.

Het verbod geldt niet als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.

Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.

2.

Dit verbod is niet van toepassing: a.

op de weg;

b.

op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; en

c.

op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die daarvoor zijn bestemd.

Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets Het is verboden op door burgemeester en wethouders in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen:

a.

onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan; of,

b.

langer dan een door burgemeester en wethouders te bepalen periode onbeheerd te laten staan.

Artikel 5:12a Fiets- en bromfietswrakken Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rij-technisch in onvoldoende staat van onderhoud of in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan.

Artikel 5:12b Parkeerverbod bij kermissen e.d. Het is verboden een voertuig te parkeren of geparkeerd te hebben of enig ander voorwerp te plaatsen of te laten staan, indien ter plaatse is bekend gemaakt dat op die weggedeelten een kermis, een markt of een evenement als bedoeld in artikel 2:24 plaatsvindt, dan wel dat die weggedeelten tijdelijk tot parkeerplaats voor woon- of pakwagens zijn bestemd, gedurende de tijden als bij die bekendmaking is aangegeven.

Afdeling 2 Collecteren en het werven van leden Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving 1.

Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

2.

Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

3.

De vergunninghouder dient op eerste vordering van een toezichthouder een afschrift van de vergunning te tonen.

4.

Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden: a.

in besloten kring;

b.

door een instelling die is ingedeeld in het door het college vastgestelde collecte- en wervingsrooster, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster en met inachtneming van de door het college gegeven voorschriften plaatsvindt; of

c. 5.

door een andere, door het college aangewezen instelling.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:13a Werven ten behoeve van lidmaatschap of donateurs [vervallen]

Afdeling 3 Venten Artikel 5:14 Begripsbepaling

1.

In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

2.

Onder venten wordt niet verstaan: a.

het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

b.

het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

c.

het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.

Artikel 5:15 Ventverbod 1.

Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

2.

Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting 1.

Het verbod als bedoeld in artikel 5:15 geldt niet voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen de vrijheid van meningsuiting beperken door een verbod in te stellen:

3.

a.

op door burgemeester en wethouders aangewezen openbare plaatsen, of

b.

voor bepaalde dagen en uren.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid.

4.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 4 Standplaatsen Artikel 5:17 Begripsbepaling 1.

2.

In deze afdeling is sprake van een standplaats als: a.

goederen of diensten worden aangeboden, verkocht of afgeleverd,

b.

dat vanaf een vaste, openbare en in de open lucht gelegen plaats gebeurt, en

c.

daarbij gebruik wordt gemaakt van fysieke middelen.

Onder standplaats wordt niet verstaan:

a.

een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

b.

een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 5:18 Standplaatsen 1.

Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een standplaats in te nemen of te hebben.

2.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: a.

als de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

b.

indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs is te verwachten dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

3.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

4.

Het verbod in het eerste lid geldt niet voor de standplaatsen die door het college zijn aangewezen.

5.

Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van standplaatsen.

Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van burgemeester en wethouders standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1.

Het verbod van artikel 5:18 is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Verordening wegen Noord Brabant 2010.

2.

De weigeringsgrond van artikel 5:18, tweede lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht [gereserveerd]

Artikel 5:21a Loketverkoop 1.

Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een afleverings-loket of andere dergelijke verstrekkingsmogelijkheid, waaronder mede begrepen aan de deur verkoop, voor eet- en drinkwaren te hebben, als deze vanaf de weg voor het publiek onmiddellijk bereikbaar is.

2.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 5 Snuffelmarkten

Artikel 5:22 Begripsbepaling [gereserveerd]

Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt [gereserveerd]

Afdeling 6 Openbaar water en waterstaatswerken Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.

Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan of een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.

3.

Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

4.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Verordening water Noord-Brabant of de Verordening wegen Noord Brabant 2010, of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12181314/1