CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

22bst01637 - Bijlage 1 - Concept - Geconsolideerde tekst APV 2022

Raadsvergadering 20 december 2022, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Tiende wijziging APV Eindhoven20.622 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Algemene plaatselijke verordening Eindhoven Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven maakt bekend, dat gemeenteraad van de gemeente Eindhoven in zijn vergadering van 21 juni 2016 heeft vastgesteld en op 20 december 2022 heeft besloten tot tiende wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Eindhoven.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: −

bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet;

−

bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

−

bouwwerk: wat in artikel 1 van de Bouwverordening daaronder wordt verstaan;

−

bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid van het Reglement;

−

deelvoertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1.1. van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, die op een openbare plaats ter beschikking worden gesteld om, al dan niet tegen betaling of anderszins met commerciële doeleinden, herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruikt te worden op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke en rechtspersonen en/of een of meerdere aanbieder(s). Onder deelvoertuigen wordt niet verstaan voertuigen waarvoor burgemeester en wethouders een vergunning voor deelauto’s zoals bedoeld in categorie III in artikel 3 van de Parkeerverordening 2009 Eindhoven hebben verleend;

−

gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Woningwet;

−

handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

−

motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

−

openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

−

openbare plaats: wat in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;

−

rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;

−

slecht levensgedrag: wat daaronder wordt verstaan bij toepassing van artikel 8 van de Alcoholwet;

−

voertuig: voertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;

−

weg: a.

weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

b.

de – al dan niet met enige beperking – voor publiek toegankelijke parkeerterreinen en parkeergebouwen;

c.

de – al dan niet met enige beperking – voor publiek toegankelijke stegen, pleinen, open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten, veerponten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;

d.

de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimten toegang geven en niet afsluitbaar zijn;

e.

andere voor het publiek toegankelijke – al dan niet afsluitbare – stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht is bevoegd zijn afgesloten.

Artikel 1:2 Beslistermijn 1.

Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag om een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag, tenzij in een volgend hoofdstuk anders is bepaald.

2.

Het bevoegde bestuursorgaan kan de beslistermijn voor ten hoogste acht weken verdagen met inachtneming van artikel 31 van de Dienstenwet.

Artikel 1:3 Indiening aanvraag 1.

Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.

2.

Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.

3.

De aanvrager ontvangt een ontvangstbevestiging die voldoet aan artikel 29 van de Dienstenwet.

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.

Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

2.

Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

3.

Een ieder voor wie een krachtens deze verordening gestelde nadere regel geldt, is verplicht deze regel na te leven.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van de vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a.

indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b.

indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

c.

indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

d.

indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

e.

indien de houder of de rechtverkrijgende dit verzoekt.

f.

Indien de houder of rechtverkrijgende van slecht levensgedrag is.

Artikel 1:6a Vervallen van vergunning of ontheffing Een vergunning of ontheffing vervalt, wanneer: a.

Sinds haar verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning of ontheffing;

b.

Gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning of ontheffing;

c.

De verlening van een vergunning of ontheffing, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning of ontheffing, van kracht is geworden.

Artikel 1:7 Termijnen De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij in deze verordening of bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald, of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

Artikel 1:8 Weigeringsgronden De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: a.

de openbare orde;

b.

de openbare veiligheid;

c.

de volksgezondheid;

d.

de bescherming van het milieu, tenzij in een volgend hoofdstuk anders is bepaald.

Hoofdstuk 2 Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1 Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1.

Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

2.

Onder samenscholing wordt verstaan: het groepsgewijs bij elkaar komen van mensen die een dreigende houding aannemen of kwade bedoelingen hebben.

3.

Degene die op een openbare plaats: a.

aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

b.

aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

c.

zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

4.

Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden is afgezet.

5.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het vierde lid.

6.

Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

7.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:1a Ordeverstorende, gevaarlijke of verhullende voorwerpen Het is verboden op een openbare plaats een voorwerp of stof: a.

te vervaardigen, te transformeren, voor derden te herstellen,

b.

over te dragen, voorhanden te hebben, te dragen of te vervoeren,

waarvan gelet op zijn aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp of die stof wordt aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit is bestemd of gebruikt voor verstoring van de openbare orde of het in gevaar brengen van de veiligheid, dan wel voor het beletten, belemmeren of verijdelen van herkenning.

Artikel 2:2 Optochten [gereserveerd]

Artikel 2:3 Kennisgeving samenkomsten of betogingen op openbare plaatsen 1.

Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats: a.

een samenkomst te houden tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging als bedoeld in artikel 3 van de Wet openbare manifestaties, of;

b.

een betoging of vergadering te houden als bedoeld in artikel 4 van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 24 uur voordat deze wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

2.

De kennisgeving bevat: a.

naam en adres en (mobiel) telefoonnummer van degene die de samenkomst, de betoging of vergadering houdt;

b.

het doel van de samenkomst, betoging of vergadering;

c.

de datum waarop de samenkomst, betoging of vergadering wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

d.

de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

e.

het verwachte aantal deelnemers en gebruik van muziek, geluidsapparatuur, podium, tenten, vervoersmiddelen of andere ter zake doende goederen;

f.

maatregelen die degene die de betoging, samenkomst of vergadering houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen, in het bijzonder de voorgenomen instructie aan de deelnemers en, voor zover van toepassing, EHBO, verkeersregelaars, beveiliging, brandpreventie en afvaldienst.

3.

Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

4.

Voor de berekening van de kennisgevingstermijn worden niet meegerekend de tijd tussen vijf uur ’s middags en negen uur de daaropvolgende morgen, de tijd tussen vrijdagmiddag vijf uur en de daaropvolgende maandagmorgen negen uur, en algemeen erkende feestdagen en daarmee gelijkgestelde dagen als bedoeld in artikel 3 van de Algemene termijnenwet.

5.

De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.

Artikel 2:4 Afwijking termijn kennisgeving [Vervallen; opgenomen in artikel 2:3]

Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens [Vervallen; opgenomen in artikel 2:3]

Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.

Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door burgemeester en wethouders aangewezen openbare plaatsen.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

3.

Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

4.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

5.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:6a Beperking aanbieden goederen 1.

Het is verboden goederen, niet zijnde gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, aan te bieden aan het publiek op door burgemeester en wethouders aangewezen openbare plaatsen.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod.

4.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.

[gereserveerd]

Artikel 2:8 Dienstverlening [gereserveerd]

Artikel 2:9 Straatartiest e.d. 1.

Het is verboden op een door de burgemeester aangewezen openbare plaats en tijd ten behoeve van het publiek als straatartiest op te treden.

2.

Het is verboden op een andere dan deze aangewezen openbare plaats en tijd voor het publiek als straatartiest op te treden als: a.

dit optreden plaatsvindt buiten winkelopeningstijden;

b.

dit optreden langer duurt dan een half uur op dezelfde plaats;

c.

dit optreden plaatsvindt in geheel of gedeeltelijk overdekte ruimten;

d.

dit optreden plaatsvindt bij of tijdens een evenement of weekmarkt;

e.

tijdens het optreden voorwerpen worden geplaatst waardoor het (voetgangers)verkeer wordt gehinderd;

f.

tijdens het optreden geluidversterkende apparatuur of trommels worden gebruikt;

g.

wordt opgetreden voor reclamedoeleinden;

h.

artikelen worden verkocht of geld wordt aangenomen waarvoor het publiek is benaderd;

i.

binnen 24 uur meer dan twee keer binnen een cirkel met een straal van 50 meter wordt opgetreden.

Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:10 Gebruik van of voorwerpen op, aan, onder of boven de weg 1.

Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders de weg anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

2.

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of onder k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

3.

Geen vergunning is vereist voor de door burgemeester en wethouders aan te wijzen categorieën en gevallen onder de door hen te stellen voorwaarden.

4.

Behalve op de gronden genoemd in artikel 1:8, kan de vergunning worden geweigerd: a.

als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, of een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

b.

als het beoogde gebruik op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

c.

in het belang van het voorkomen of beperken van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

5.

Het college kan in het belang van de openbare orde, de volksgezondheid of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van laadpalen, terrassen, uitstallingen en reclameborden.

6.

Het verbod is niet van toepassing als in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam uitvoering wordt gegeven aan een publieke taak.

7.

Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:10a Afbakeningsbepalingen en uitzonderingen 1.

2.

Het in artikel 2:10 gestelde verbod is niet van toepassing op: a.

evenementen, bedoeld in artikel 2:24;

b.

standplaatsen, bedoeld in artikel 5:17;

c.

voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.

Het verbod is ook niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Verordening wegen Noord-Brabant 2010.

3.

De weigeringsgrond van artikel 2:10, vierde lid, onder a, is niet van toepassing indien in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

4.

De weigeringsgrond van artikel 2:10, vierde lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken.

5.

De weigeringsgrond van artikel 2:10, vierde lid, onder c, is niet van toepassing indien hierin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 2:11 (Omgevinges)vergunning voor het aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg 1.

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

2.

De vergunning wordt verleend: a.

als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, of;

b. 3.

door burgemeester en wethouders in overige gevallen.

Het verbod is niet van toepassing als in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam uitvoering wordt gegeven aan een publieke taak.

4.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de provinciale wegenverordening, de Keur Waterschap De Dommel 2015, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening of de Verordening Kabels en Leidingen gemeente Eindhoven 2014.

5.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1.

2.

3.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders: a.

een uitweg te maken naar de weg;

b.

van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

c.

verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: a.

de bruikbaarheid van de weg;

b.

het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

c.

de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

d.

de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Verordening wegen Noord-Brabant 2010.

Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid [gereserveerd]

Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1.

2.

In dit artikel wordt onder de onmiddellijke omgeving van het bedrijf verstaan: a.

het winkelcentrum waarin het bedrijf is gevestigd;

b.

de aan het bedrijf of dat winkelcentrum grenzende weg;

c.

een aan die weg aansluitende parkeerplaats.

De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze: a.

te voorzien van de naam van dat bedrijf of van een ander herkenningsteken, en

b.

bij achterlating in de onmiddellijke omgeving van het bedrijf op een daartoe niet aangewezen en ingerichte plaats, terstond te verwijderen of te doen verwijderen.

3.

Het is verboden zich met een winkelwagentje buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf te bevinden of dat winkelwagentje na gebruik onbeheerd achter te laten.

4.

Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg, onbeheerd daar op achter te laten anders dan op een daartoe aangewezen plaats.

5.

Het in het tweede lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

1.

Het is verboden een voorwerp of beplanting zodanig aan te brengen of te hebben dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd.

2.

Het is verboden een beplanting zodanig aan te brengen of te hebben dat deze een gemeentelijke lantaarnpaal overgroeit of lichtreductie veroorzaakt.

3.

Het is verboden een voorwerp of beplanting zodanig aan te brengen dat op enige andere wijze hinder of gevaar wordt veroorzaakt.

Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d [gereserveerd]

Artikel 2:17 Kelderingangen e.d. [gereserveerd]

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.

Het is verboden in bossen, op heide- of veengronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a.

te roken gedurende de periode 1 januari tot en met 31 december;

b.

voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

2.

De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

3.

De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en op aangrenzende erven.

Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 1.

Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.

2.

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,5 meter uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.

3.

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:20 Vallende voorwerpen [gereserveerd]

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.

De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van burgemeester en wethouders, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

2.

Burgemeester en wethouders maken van tevoren aan de rechthebbende het besluit tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening, bekend.

3.

Dit gebod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn 1.

Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

3.

Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

4.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs [gereserveerd]

Afdeling 3. Evenementen Artikel 2:24 Begripsbepalingen 1.

In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.

bioscoopvoorstellingen;

b.

schouwburg-, muziek- en/of theatervoorstellingen die plaatsvinden in een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer;

c.

voetbalwedstrijden, als bedoeld in artikel 2:26a, tweede lid;

d.

kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

e.

het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

f.

betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

g.

activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39;

h.

sportwedstrijden, georganiseerd door een bij de NOC*NSF aangesloten of door burgemeester en wethouders erkende instelling, die volgens door die instelling vastgestelde regels worden gehouden of gespeeld en worden gespeeld of gehouden in of op accommodaties waarover de organisator permanent de beschikking heeft.

2.

Onder evenement wordt mede verstaan: a.

een herdenkingsplechtigheid;

b.

een braderie;

c.

een optocht niet zijnde een samenkomst, betoging of vergadering als bedoeld in artikel 2:3;

d.

een festiviteit, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

e.

een circus of kermis;

f.

een vechtsportwedstrijd of -gala.

Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1.

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

2.

Onverminderd artikel 1:8 weigert de burgemeester de evenementenvergunning bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f., als de organisator van dat evenement in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

3.

Het verbod geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994 en de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010.

4.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

5.

Bij de indiening van een vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.

Artikel 2:25a Beslistermijn 1.

In afwijking van artikel 1:2 beslist de burgemeester op een aanvraag voor een evenementenvergunning binnen 16 weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen.

2.

De burgemeester kan de beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.

Artikel 2:25b Opheffing vergunningplicht 1.

De burgemeester kan besluiten onder door hem te stellen voorschriften, dat het verbod zoals opgenomen in artikel 2:24 niet geldt voor een door hem aangewezen evenement, of categorie van evenementen, in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente.

2.

Het houden van een evenement waarvoor ingevolge een besluit als bedoeld in het eerste lid geenvergunning behoeft te worden verleend, wordt binnen vier weken voor de datum van de aanvang van het evenement, gemeld bij de burgemeester.

3.

De burgemeester kan binnen tien dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het eerste lid te verbieden.

Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Afdeling 4. Voetbalwedstrijden Artikel 2:26a Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder: −

omgeving van het Jan Louwersstadion: het gebied dat wordt omsloten door de Antoon Coolenlaan, de Professor Holstlaan, de Rijksweg A2/A67, de Roostenlaan en de Floralaan West, daarbij inbegrepen de genoemde wegen;

−

omgeving van het Philipsstadion: het gebied dat wordt omsloten door de Boschdijk, de Marconilaan, de Beukenlaan (inclusief het gehele spoorwegstation Eindhoven Strijp S), de Strijpsestraat, de Willemstraat, de Vonderweg, de Mauritsstraat, de Edenstraat, de Dr. Schaepmanlaan, de Elzentlaan, de St. Jorislaan, de Geldropseweg, de Vestdijk, de Bleekstraat, de Nachtegaallaan, de Parklaan, het Dommeltunneltje, de Prof. Dr. Dorgelolaan en Fellenoord, daarbij inbegrepen de genoemde wegen;

−

organisator: a.

de betaald voetbalorganisaties PSV en FC Eindhoven, indien het betreft een voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal van de betaald voetbalorganisatie PSV of FC Eindhoven dan wel Jong PSV als thuisspelende ploeg betrokken is, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een amateurvoetbalorganisatie;

b.

de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente Eindhoven, waarbij ten minste één betaald voetbalorganisatie is betrokken;

c.

degene die buiten de gevallen genoemd onder a en b een voetbalwedstrijd organiseert waarbij ten minste één betaald voetbalorganisatie of een nationaal elftal is betrokken;

−

stadion: de locatie waar de organisator een wedstrijd organiseert;

−

voetbalsupporter: een persoon die zich door kleding, uitrusting of gedragingen manifesteert als voetbalsupporter, of bij de politie als zodanig geregistreerd staat in de daartoe bestemde registers;

−

voetbalwedstrijd: een voetbalwedstrijd georganiseerd door een organisator.

Artikel 2:26b Voetbalvergunning 1.

Het is de organisator verboden zonder vergunning van de burgemeester een voetbalwedstrijd te houden of te doen houden. Een vergunning kan meer wedstrijden betreffen.

2.

Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend uiterlijk vier weken voor de datum van de voetbalwedstrijd.

3.

De burgemeester kan van de hiervoor vermelde termijn afwijken en de uiterlijke datum van de aanvraag afzonderlijk bepalen.

4.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:26c Verbod voetbalwedstrijd en aanwijzing risicowedstrijd 1.

2.

De burgemeester kan het doen spelen van een voetbalwedstrijd verbieden: a.

uit vrees voor het ontstaan van een ernstige verstoring van de openbare orde of veiligheid;

b.

als de krachtens artikel 1:4 verbonden voorschriften of beperkingen niet worden nageleefd;

c.

als niet of niet tijdig een vergunning is aangevraagd.

Het is verboden een voetbalwedstrijd te doen spelen wanneer een verbod, als bedoeld in het vorige lid is uitgevaardigd.

3.

De burgemeester kan een voetbalwedstrijd aanwijzen als een risicowedstrijd, als daaraan naar zijn oordeel een verhoogd risico is verbonden voor de openbare orde en veiligheid.

Artikel 2:26d Ordeverstoring bij voetbalwedstrijden Het is verboden bij een voetbalwedstrijd de orde te verstoren.

Artikel 2:26e Aangewezen routes en (combi)vervoer 1.

Het is een voetbalsupporter verboden op de dag waarop een voetbalwedstrijd wordt gespeeld die door de burgemeester als risicowedstrijd is aangewezen, zich te begeven of te bevinden buiten de door de politie aangewezen routes.

2.

Het is een voetbalsupporter van een bezoekende voetbalorganisatie verboden anders dan door de burgemeester aangewezen (combi)vervoer te gebruiken naar en van een voetbalwedstrijd die door de burgemeester als risicowedstrijd is aangewezen.

Artikel 2:26f Verwijderingsplicht voetbalsupporters Een voetbalsupporter die niet in het bezit is van een geldig toegangsbewijs voor de voetbalwedstrijd of van wie het vermoeden bestaat dat hij van plan is de orde te verstoren, is verplicht zich op bevel van een ambtenaar van de politie onder de door hem gegeven aanwijzingen naar een in dat bevel aangegeven plaats, of buiten de gemeentegrenzen te begeven.

Artikel 2:26g Stadionomgevingsverbod 1.

De burgemeester kan aan een persoon schriftelijk bevelen zich niet op te houden in de omgeving van het stadion of een gedeelte daarvan vanaf vier uur voor het vastgestelde aanvangstijdstip tot vier uur na afloop van een voetbalwedstrijd van de organisator. Het bevel geldt voor een bepaalde periode die niet langer is dan twee jaar.

2.

Het bevel geldt niet voor zover de persoon tot wie dat bevel is gericht in het gebied woont is, blijkens de basisregistratie personen.

3.

De burgemeester kan het bevel geven: a.

nadat de persoon de openbare orde in het stadion of in de omgeving van het stadion heeft verstoord op een dag dat een voetbalwedstrijd wordt gespeeld;

b.

aan personen aan wie een stadionverbod is opgelegd.

Artikel 2:26h Plaatsbewijzen 1.

Het is verboden op of aan een openbare plaats een plaatsbewijs voor een voetbalwedstrijd te koop aan te bieden of ten verkoop voorhanden te hebben anders dan in of vanuit de daarvoor bestemde ruimten, behorende bij het stadion.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het eerste lid.

3.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 5. Exploitatie van openbare inrichtingen Artikel 2:27 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder: −

bezoeker: een ieder die zich in een openbare inrichting bevindt met uitzondering van en voor zover dit ter plaatse en ten genoegen van een toezichthouder onmiddellijk aannemelijk is gemaakt: a.

de persoon die als personeelslid doende is met werkzaamheden – voorbereidende en opruimwerkzaamheden daaronder mede begrepen –, die verbouwingswerkzaamheden verricht of wiens aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is;

b.

de persoon van wie aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is;

c.

de persoon die voorkomt in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht;

−

leidinggevende: a.

de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgeoefend;

b.

de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin de openbare inrichting wordt uitgeoefend in een of meer inrichtingen;

c.

de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van zodanig bedrijf in een inrichting.

−

openbare inrichting: a.

elke voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies worden verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid, met inbegrip van een terras;

b.

een hotel, restaurant, café, waterpijpcafé, pension, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, afhaalzaak of clubhuis;

−

terras: een buiten de besloten ruimte van een openbare inrichting liggend deel daarvan waar staof zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken en spijzen voor directe consumptie kunnen worden verstrekt.

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1.

Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

2.

Onverminderd artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a.

de aanvrager geen dan wel een afwijzende beschikking verklaring omtrent het gedrag (VOG) met betrekking tot de leidinggevende(n) overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend, is afgegeven;

b.

de leidinggevende(n) de leeftijd van 21 jaar niet heeft bereikt;

c.

de leidinggevende(n) onder curatele staat;

d.

de leidinggevende(n) in enigerlei mate van slecht levensgedrag is, of

e.

redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke situatie niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.

3.

Het verbod geldt niet: a.

voor een openbare inrichting waarvoor een vergunning is vereist op grond van artikel 3 van de Alcoholwet, of

b.

voor: o

een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voor zover de horeca-activiteit niet een zelfstandige stroom bezoekers genereert;

o

een zorginstelling;

o

een museum of gildehuis;

o

een bioscoop of theater;

o

een sportvereniging, sportschool of dansschool, behalve als daar ook openbare dansavonden georganiseerd worden;

4.

o

een biljart/snookercentrum of bowlingcentrum;

o

vrijetijdsaccommodaties met uitzondering van verenigingsgebouwen;

o

studieverenigingen binnen het TUE-terrein.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen ten aanzien van openbare inrichtingen bedoeld in lid 3 onder a.

5.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:29 Sluitingstijd 1.

Het is verboden een openbare inrichting geopend te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven tussen 02:00 uur en 08:00 uur.

2.

Het verbod geldt niet tussen 02.00 uur en 04.00 uur op zaterdag en zondag, en tijdens de carnavalsdagen,Tweede Paasdag, Koningsdag, de dag na Hemelvaart, Tweede Pinksterdag, Eerste Kerstdag en de dag na Tweede Kerstdag ,voorts niet tussen 02.00 uur en 05.00 uur in de nacht van het ingaan van de zomertijd, voor een openbare inrichting die is gelegen binnen het gebied: a.

Centrum, zijnde het gebied dat wordt begrensd door de Emmasingel, de Keizersgracht, de Wal, de P.C. Hooftlaan, de Hertogstraat, de Vestdijk en het 18 Septemberplein, de inrichtingen, die aan deze wegen zijn gelegen voor zover niet zijn gelegen in het gebied ‘de Bergen’((CBS wijkcode 112) alsmede de openbare inrichtingen gelegen aan het Stationsplein en de Dommelstraat;

b.

Strijp S, zijnde het gebied dat wordt begrensd door de Beukenlaan, het spoor, de Glaslaan, de Kastanjelaan en Schootsestraat, met uitzondering van deze wegen en mits daarin geen bezoekers worden toegelaten tussen 02.00 uur en 04.00 uur.

3.

Het verbod geldt niet: a.

tussen 02.00 uur en 07.00 uur op maximaal tien keer per kalenderjaar voor de houder van de openbare inrichting gevestigd op de begane grond in het Klokgebouw op Strijp S, mits daarin geen bezoekers worden toegelaten tussen 02.00 uur en 07.00 uur, de gewenste dag minimaal vier weken van tevoren aan de burgemeester wordt gemeld en de burgemeester na ontvangst van de melding niet heeft besloten tot een verbod.

b.

tussen 02.00 uur en 07.00 uur op maximaal vijf dagen per kalenderjaar, op carnavalszondag en op Koningsdag voor de houder van de openbare inrichting gevestigd in het Beursgebouw

aan de Lardinoisstraat, mits daarin geen bezoekers worden toegelaten tussen 02.00 uur en 07.00 uur, de gewenste dag minimaal vier weken van tevoren aan de burgemeester wordt gemeld en de burgemeester na ontvangst van de melding niet heeft besloten tot een verbod. c.

op nieuwjaarsdag, mits de openbare inrichting op dat moment niet gesloten hoeft te zijn op grond van de Wet milieubeheer, de Opiumwet, de Gemeentewet of artikel 2:40a.

d.

tussen 06.00 uur en 08.00 uur in verband met het serveren van een alcoholvrij ontbijt.

4.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

5.

Het verbod geldt niet voor openbare inrichtingen die zijn genoemd in artikel 2:28 lid 3 onder b. Voor een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 2:28, derde lid onder b eerste gedachtestreepje gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

6.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.

7.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30 Aanwezigheid leidinggevende Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde leidinggevende in de inrichting aanwezig is.

Artikel 2:31 Verboden gedragingen 1.

De exploitatie van een openbare inrichting is zodanig dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.

2.

Het is verboden in een openbare inrichting de orde te verstoren of gedrag te vertonen dat de orde verstoort of aanleiding is tot ordeverstoring of in strijd is met de goede zeden.

3.

Het is bezoekers van een openbare inrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat deze krachtens artikel 2:29 gesloten dient te zijn.

Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen 1.

In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

2.

Het is verboden bij de exploitatie van een openbare inrichting toe te staan dat een handelaar, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33 Burgemeester en wethouders als bevoegd bestuursorgaan [gereserveerd]

Artikel 2:34 Beslistermijn

1.

In afwijking van artikel 1:2 beslist het bevoegde bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

2.

Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.

Afdeling 6. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet Artikel 2:34a Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: −

alcoholhoudende drank,

−

horecalokaliteit,

−

paracommerciële rechtspersoon,

dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.

Artikel 2:34b Prijsacties horeca Ter bescherming van de volksgezondheid en in het belang van de openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die, voor een periode van 24 uur of korter, lager is dan 60% van de prijs die in de betreffende horecalokaliteit of op het betreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd.

Artikel 2:34c Indeling paracommerciële rechtspersonen Paracommerciële rechtspersonen worden onderverdeeld naar aard, te weten: a.

paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sportieve of recreatieve aard;

b.

paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sociaal-culturele aard;

c.

paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van verzorgende aard;

d.

paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van levensbeschouwelijke of godsdienstige aard;

e.

paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sociaal-educatieve aard, waaronder mede worden verstaan studentenverenigingen en studieverenigingen.

Artikel 2:34d Schenktijden 1.

Paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend alcohol op maandagen tot en met zondagen van 12.00 uur tot 24.00 uur, tijdens activiteiten of bijeenkomsten die passen binnen de statutaire doelstelling van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon en met inachtneming van het in de artikelen 2:34e tot en met 2:34i gestelde.

2.

Dit geldt niet voor de paracommerciële rechtspersonen bedoeld in artikel 2:34c onder e.

3.

De burgemeester kan een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:34c ontheffing verlenen.

Artikel 2:34e Bepalingen paracommerciële rechtspersonen van sportieve en recreatieve aard

1.

Het is paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sportieve of recreatieve aard niet toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard of bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

2.

Het is deze paracommerciële rechtspersonen voor ten hoogste twaalf al dan niet aaneengesloten dagen per jaar toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens bijeenkomsten voor leden of personen die rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon zijn betrokken die de schenktijden overschrijden.

3.

De bijeenkomsten bedoeld in het tweede lid worden uiterlijk drie weken voor aanvang bij de burgemeester gemeld.

Artikel 2:34f Bepalingen paracommerciële rechtspersonen van sociaal-culturele aard 1.

Het is paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sociaal-culturele aard niet toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken anders dan tijdens bijeenkomsten met een sociaal-cultureel karakter.

2.

Het is deze rechtspersonen voor ten hoogste zes al dan niet aaneengesloten dagen per jaar toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken buiten de schenktijden en buiten deze bijeenkomsten.

3.

De bijeenkomsten zonder een sociaal-cultureel karakter worden uiterlijk drie weken voor aanvang bij de burgemeester gemeld.

Artikel 2:34g Bepalingen paracommerciële rechtspersonen van verzorgende aard Het is paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van verzorgende aard niet toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken anders dan tijdens bijeenkomsten van verzorgende aard en bijeenkomsten van persoonlijke aard gericht op patiënten of bewoners.

Artikel 2:34h Bepalingen paracommerciële rechtspersonen van levensbeschouwelijke of godsdienstige aard 1.

Het is paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van levensbeschouwelijke of godsdienstige aard niet toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken anders dan tijdens bijeenkomsten met een levensbeschouwelijk of godsdienstig karakter.

2.

Het is deze rechtspersonen voor ten hoogste zes al dan niet aaneengesloten dagen per jaar toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken buiten de schenktijden en buiten deze bijeenkomsten.

3.

De bijeenkomsten niet van levensbeschouwelijke of godsdienstige aard worden uiterlijk drie weken voor aanvang bij de burgemeester gemeld.

Artikel 2:34i Bepalingen paracommerciële rechtspersonen van sociaal-educatieve aard Het is paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sociaal-educatieve aard niet toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken anders dan tijdens bijeenkomsten met een sociaaleducatief karakter gericht op studenten in het bezit van een geldige studentenkaart/-pas en oud-leden in het bezit van een toegangsbewijs dan wel op uitnodiging van de vereniging.

Afdeling 7. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, geeft daarvan binnen drie dagen schriftelijk kennis aan de burgemeester.

Artikel 2:37 Nachtregister [gereserveerd]

Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Afdeling 8. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1.

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.

2.

In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

3.

Het verbod is niet van toepassing op: a.

speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de kansspelen vergunning is verleend;

b.

speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en

c.

speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.

4.

De burgemeester weigert de vergunning als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid.

5.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40 Kansspelautomaten [gereserveerd]

Afdeling 9. Maatregelen voor bepaalde inrichtingen, ruimten, gebouwen en erven Artikel 2:40a Bevel tijdelijke sluiting of sluitingstijden of maatregelen treffen 1.

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer: a.

openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:27,

b.

inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf als bedoeld in artikel 2:35,

c.

speelgelegenheden als bedoeld in artikel 2:39,

d.

seksinrichtingen als bedoeld in artikel 3.1.1 en

e.

andere, voor het publiek openstaande ruimten of gebouwen of daarbij behorende erven, tijdelijke sluiting bevelen of bevelen dat daar tijdelijk bepaalde sluitingsuren gelden of dat daar te zijner beoordeling ter bescherming van die belangen of in verband met die bijzondere omstandigheden genoegzame maatregelen worden getroffen.

2.

De burgemeester heeft de in het eerste lid genoemde bevoegdheden bij seksinrichtingen ook om strijd met de bepalingen van hoofdstuk 3 tegen te gaan.

3.

De burgemeester kan in het bevel bepalen dat dit niet geldt voor een of meer personen of categorieën van personen. Hij kan hieraan voorschriften of beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee hij het bevel geeft.

4.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bevel.

5.

De burgemeester kan een of meer openbare bekendmakingen van het bevel laten aanbrengen bij de toegang. Het is verboden dat te beletten of te belemmeren. De rechthebbende moet ervoor zorgen dat die daar tijdens de geldingsduur aanwezig blijven.

6.

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd voor zover een openbare inrichting, een inrichting tot het verschaffen van nachtverblijf, speelgelegenheid, seksinrichting of voor het publiek openstaande ruimte geen voor het publiek openstaand gebouw of daarbij behorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet.

7.

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 13b van de Opiumwet voorziet in het daarin geregelde onderwerp, of voor zover het woonruimte betreft die als zodanig in gebruik is.

8.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:41 Verbod op aanwezigheid en betreding 1.

Het is verboden zich te bevinden in a.

een openbare inrichting;

b.

een inrichting tot het verschaffen van nachtverblijf;

c.

een speelgelegenheid;

d.

een seksinrichting;

e.

een andere voor het publiek openstaande ruimte, of

f.

een ander voor het publiek openstaand gebouw of op een daarbij behorend erf, gedurende de tijd dat dit is gesloten op grond van een bevel krachtens artikel 2:40a of krachtens artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet.

2.

Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

3.

Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

4.

De genoemde verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning, het lokaal of op het erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

5.

De burgemeester is bevoegd van genoemde verboden ontheffing te verlenen.

6.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 10. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:42 Plakken en kladden 1.

Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

2.

Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.

een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

b.

met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

3.

Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

4.

Burgemeester en wethouders kunnen aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

5.

Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

6.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

7.

De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een toezichthouder op eerste vordering onmiddellijk ter inzage af te geven.

Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. [gereserveerd]

Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1.

Het is verboden op een openbare plaats te vervoeren of bij zich te hebben lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns, rooftassen of enig ander voorwerp dat of enige stof die ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw, voertuig of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

2.

Dit verbod is niet van toepassing op degene die ter plaatse en ten genoegen van een toezichthouder aannemelijk maakt dat genoemde voorwerpen of stoffen bestemd zijn of gebruikt worden voor andere handelingen dan die in het eerste lid zijn genoemd.

Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d. 1. Het is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken, grasperken of buiten de daarin gelegen wegen of paden. 2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. [gereserveerd]

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.

Het is verboden op een openbare plaats: a.

te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

b.

zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers, of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen of aan de rechthebbende van een winkelbedrijf of openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27, onnodig overlast of hinder berokkent.

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1.

Het is verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen als dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins overlast veroorzaken.

2.

Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke of drinkgerei van welke aard dan ook met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

3.

Het tweede lid geldt niet voor: a.

een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; en

b.

de plaats, niet zijnde een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2.48a Glazen drinkgerei 1.

De houder van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 is verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoekers van de openbare inrichting geen drinkgerei van glas of flessen van glas buiten de inrichting brengen.

2.

Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied, drinkgerei van glas of geopende flessen van glas die kennelijk zijn bestemd voor het bewaren van drank bij zich te hebben of met zich mee te voeren.

3.

Het tweede lid geldt niet voor: a.

een terras dat behoort bij een openbare inrichting, als bedoeld in artikel 2:27;

b.

de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2:48b Glas- en blikverbod horeca 1.

Het is de houder van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 respectievelijk van een ontheffing als bedoeld in artikel 35 van de Alcoholwet verboden in een door de burgemeester aangewezen gebied en binnen een door de burgemeester aangewezen periode binnen die openbare inrichting of op de plaats waarvoor de genoemde ontheffing geldt, drank te verstrekken in drinkgerei van glas, in flessen van glas en in blikjes.

2.

Het verbod geldt niet: a.

in het inpandige gedeelte van een openbare inrichting dan wel op daarbij horende, niet aan de weg gelegen terrassen, voor zover het glas en flessen van glas betreft, die niet in scherven uiteen kunnen vallen;

b.

in het inpandige gedeelte van een restaurant, van een afgescheiden restaurantgedeelte van een openbare inrichting, van een hotel of van een pension, dan wel op daarbij horende, niet aan de weg gelegen terrassen.

3.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

4.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:48c Glas- en blikverbod op wegen 1.

Het is verboden op de door de burgemeester aangewezen wegen of weggedeeltes en binnen een door de burgemeester aangewezen periode drank in drinkgerei van glas, in flessen van glas en in blikjes bij zich te hebben of met zich mee te voeren.

2.

Onverminderd het bepaalde in het tweede lid van artikel 2:48 en 2:48a kan de burgemeester de wegen of weggedeeltes en de periode aanwijzen als dat met het oog op de belangen genoemd in artikel 1:8 noodzakelijk is.

3.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

4.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.

2.

Het is verboden zonder redelijk doel: a.

zich in een portiek of poort op te houden;

b.

zich in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen;

c.

zich bij een geldautomaat op te houden.

Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

3.

Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een gebouw verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een daartoe toegang gevende publiek toegankelijke brandgang of soortgelijke steeg.

Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten 1.

Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, of deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd.

2.

Onder deze ruimte wordt in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:50a Vechten 1.

Het is verboden op een openbare plaats te vechten.

2.

Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424 of 426bis van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek indien: a.

dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of

b.

daardoor die ingang wordt versperd.

Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Het is verboden op door burgemeester en wethouders of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:52a Hinder door bromfietsen e.d.

Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving hinder ontstaat.

Artikel 2:52b Taxidiensten 1.

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, locaties of gebieden aanwijzen waar het verboden is om taxidiensten, dan wel door hem te bepalen categorieën van taxidiensten aan te bieden op openbare, in de openlucht gelegen plaatsen of in openbaar toegankelijke gebouwen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12181314/1