22bst01098 - Bijlage 2.3 - RAAP-rapport 3398
Tekst van het document
3.9.5
Zeelst, Oerle, Oirschot en Vessem, Wintelre en Knegsel
Het gedeelte van de voormalige gemeente Zeelst
84
dat in meerdere fasen bij Eindhoven is gevoegd
betreft zowel oud agrarisch cultuurlandschap in de vork van twee zijlopen van de Gender (met de gehuchten Biezenkuilen en Heistraat) als een fors deel van de Zeelstse Heide waarop het vliegveld zou verrijzen. Heistraat en Biezenkuilen vormen als het ware de noordoostelijke rand van het grote dekzandeiland van Zeelst – Meerveldhoven – Veldhoven. Het grote heideveld ten noorden hiervan was verdeeld tussen de aangrenzende dorpen en gemeenten, te weten Strijp, Woensel, Zelst, Oerle en Vessem c.a., en liep in het noordwesten verder tot aan Oostelbeers en Oirschot. Binnen de huidige gemeente Eindhoven liggen nog delen van de heideontginning die in de 19e eeuw tot Vessem c.a., Oerle en Oirschot hadden behoord. In de vroege 20e eeuw werd het deels met naaldhout beplant en deels tot landbouwgrond ontgonnen. Vanaf 1932 ontwikkelde zich hier een vliegveld, dat lange tijd tevens een militaire functie had. De ontwikkeling ging in stappen ten koste van het vroegere cultuurlandschap van heideontginningen.
3.9.6
Best
Het areaal van de gemeente Best dat in de loop der tijd bij de gemeente Eindhoven werd gevoegd, is zeer klein. Het gaat om een aantal grenscorrecties ten noordwesten van Acht, in een jonge heideontginning.
3.10 Vroege verstedelijking en de ontwikkeling van Groot-Eindhoven 3.10.1
Insteek
De economische, ruimtelijke en politiek-bestuurlijke ontwikkeling van Groot-Eindhoven zijn nauw met elkaar verbonden. Omdat ons primaire doel het beschrijven en analyseren van het (prestedelijk) landschap is, zullen we ons focussen op het ruimtelijk aspect. De andere twee ontwikkelingen zullen we onder de loupe nemen om de landschapsontwikkeling te verklaren.
3.10.2
Vroegste verstedelijking buiten de gracht
De eerste verstedelijking buiten de omgrachting van de stad vond al in de late middeleeuwen plaats langs de uitvalswegen buiten de poorten, te weten het Fellenoord in de richting van Woensel, De Bergen in de richting van Gestel en het Brugeind
85
in de richting van Stratum. Daarbij was Fellenoord
op de rand van de dekzandrug van Woensel aangelegd
86
, De Bergen op de dekzandrug van Gestel en
Brugeind in het beekdal en op de rand van de dekzandrug van Stratum. Zij vormden als het ware voorsteden van de middeleeuwse stad Eindhoven. De stadsplattegrond van Jacob van Deventer (zie figuur 9) laat zien dat er toen van deze voorsteden al sprake was. Deze verstedelijkingstendens zette zich tot in de 19e eeuw op een relatief laag tempo voort. Een eerste vorm van industrialisering is te herkennen op het kadastraal minuutplan. Overal in de stad waren kleine fabriekjes aanwezig. De opkomende industrialisering in de 18e en 19e eeuw zorgde voor een verdere verdichting van de bebouwing in de linten. Dat gold met name voor Stratum en Gestel, die relatief dicht bij de stad lagen. Een eerste villabuurtje verrees ten oosten van de stad, op het terrein dat
84
Zeelst ging in 1921 op in de nieuwe gemeente Veldhoven, een fusie van Veldhoven en Meerveldhoven, Oerle en Zeelst. Het Brugeind was het bebouwde gebied over de Dommel in Stratum, tussen de Stratumsedijk en de Geldropseweg. 86 In het noorden lag het beekdal, van de Gender in dit geval, binnen de stadsomwalling. Het heeft er alle schijn van dat de noordelijke halfronde afsluiting van de stad een secundaire uitbreiding van vóór 1560 is geweest, waarbij een vroegste voorstad langs de Demer binnen de stadswal is gehaald. Dat zou betekenen dat de Vrijstraat – Marktstraat – Nieuwstraat een vroegere noordelijke afsluiting van de eerste stad zou kunnen zijn geweest. 85
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[73]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
in 1874 van Woensel naar Eindhoven was overgegaan.
87
Andere ontwikkelingen rond de stad waren het
gevolg van de vestiging van grotere fabrieken aan de west- en zuidzijde van de stad. Hier was de verstedelijking en industrialisering in de tweede helft van de 19e eeuw het best te merken, vermoedelijk als gevolg van de aanwezigheid van de Dommel en de stadsgracht (figuur 45).
88
Rond de eeuwwisseling verplaatste het zwaartepunt van de industriële ontwikkeling zich naar de oostzijde, waar sinds 1846 het Eindhovens Kanaal lag en waar ook de spoorlijn (1866) langsliep. Textiel, tabak en gloeilampenfabricage waren de belangrijkste sectoren. Met name in de textiel maakte de huisnijverheid plaats voor de industriële vervaardiging. Huisvesting van arbeiders bleef een probleem, en het zou lang duren voor er voldoende woningen nabij de fabrieken waren. Daarvoor bouwde men vooral goedkoop in de omliggende dorpen en langs de uitlopers. Wel werd er sterk in transportmiddelen voor goederen en personen geïnvesteerd.
3.10.3
89
Spreiding van bedrijvigheid
Een zeer belangrijke episode voor de stedelijke ontwikkeling van Eindhoven was het verplaatsen van de fabriek van Philips spoorwegnet krijgen.
90
91
vanuit de stad naar Strijp in 1910. Daar kon men een goede aansluiting op het
Deze stap zou veel betekenen voor de latere stedenbouwkundige ontwikkeling
van Eindhoven.
3.10.4
Ontsluiting als basis voor verstedelijking
Hiervoor zagen we al dat de aanleg van het kanaal en de spoorlijnen invloed hadden op de wijze waarop de stad zich ontwikkelde. Datzelfde vond plaats toen in de late 19e eeuw de infrastructurele verbindingen met de omliggende dorpen werden verbeterd. Met name de verbindingen met Strijp en Tongelre door de beekdalen werden verbeterd. Daarin investeerden zowel de gemeente als de provincie. Langs enkele van deze wegen, zoals de Geldropseweg, Willemstraat, Tongelresestraat en Parklaan, verschenen later de eerste buurtjes.
87
Van Oorschot, 1982, 25 Van Oorschot, 1982, 26 89 Van Oorschot, 1982, 26; Beekman, 1982, 11-14 90 De eerste fabriek van Philips stond aan de Emmasingel. 91 Van Oorschot, 1982, 27 88
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[74]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Figuur 45. De verstedelijkende omgeving direct rond de binnenstad (Chromotopografische Kaart des Rijks, 1901).
3.11 De verstedelijking en het landschap 3.11.1
Aanloop naar een nieuwe ordening
De vroegste planmatige stedelijke uitbreidingen voor arbeiders dateren van na 1910. Philipsdorp in Strijp is één van de vroegste voorbeelden.
92
Karakteristiek voor deze vroege uitbreidingen is de
inpassing van bestaande landschappelijke structuren, zoals wegen, en het voortbouwen op de bestaande verkaveling van het landschap. Waar de stijl minder aansloot op de bestaande verkaveling, werd veelal wel binnen bestaande landschappelijke eenheden, zoals een afzonderlijk akkercomplex, gebouwd. Een voorbeeld daarvan is het Villapark Den Elzent.
93
Een belangrijke reden daarvoor is de
bijzondere status die de beekdalen al vanaf 1918 in de verschillende stedenbouwkundige visies hadden, waarover we hiervoor al gesproken hebben (figuur 46).
92 93
Beekman, 1982, 16 Beekman, 1982, 18
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[75]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Figuur 46. Algemeen Uitbreidingsplan van Eindhoven, 1929-1930. Ook in dit plan is de Dommel en in mindere mate de Gender ingepast (bron: schatkamer.nai.nl).
Tegelijk was men er zich van bewust dat het kenmerkende van Eindhoven, namelijk de linten en radialen naar de verschillende dorpen, een probleem voor de eenwording vormde. De kanalen en spoorlijnen, die zich ruimtelijk ook als radiaal gedroegen, speelden in dat probleem ook een rol. In de stedenbouwkundige visies is steeds geprobeerd om dit probleem op te lossen, en dat kon pas toen het gebied bestuurlijk één geheel werd in 1920. Een intergemeentelijk overleg tussen vijf gemeentebesturen leverde maar beperkt resultaat op.
94
Een eerste stedenbouwkundig plan werd vanaf
1916 opgesteld om wilde particuliere verkopen voor te zijn.
95
De beschrijving ervan over de status quo
is treffend: Een centrale kom, die straalsgewijs een achttal armen uitspreidt, welke naar de einden steeds dunner worden. Het dorp Tongelre staat op zichzelf zonder vast aangesloten straten met de stadskern.
96
Men wilde eenheid creëren door het oude patroon van bouwen langs de linten te
94
Beekman, 1982, 20-21 Beekman, 1982, 23 96 Beekman, 1982, 27 95
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[76]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
doorbreken. Verkeerskundig werden de linten en vooral de straten in de stad als problematisch ervaren. Bovendien werden de grondprijzen door de industrie in het centrum opgedreven.
97
Gekozen
werd voor het idee van de tuinstad, met splitsing van functies als wonen van de arbeiders, het ordenen van de fabrieken in speciale sectoren, het recreëren in volksparken, openbare voorzieningen in de stadskern, etc. Het koppelen van fabrieken en wijken, zoals in Strijp, wilde men tegengaan.
3.11.2
98
Het prestedelijk landschap van Eindhoven
Dit rapport beoogt niet de volledige stedenbouwkundige geschiedenis van Eindhoven te gaan beschrijven, met al zijn periodieke veranderingen. Wel willen we aan de hand van een globale periodeindeling nagaan hoeveel invloed de belangrijkste stedenbouwkundige ontwikkelingen op de herkenbaarheid van het prestedelijk landschap hebben gehad. We kunnen daarin heel duidelijk drie perioden onderscheiden. De grote lijn van deze ontwikkelingen zien we op kaartbijlage 2 terug aan de mate van herkenbaarheid van het prestedelijk landschap. De invloed van de ideeën van Cuypers en Kooken op het prestedelijk landschap (1920-1955) Ondanks de trendbreuk die Cuypers en Kooken en in hun kielzog Kools in zijn Algemeen Uitbreidingsplan (1921
99
) beoogden, bleef in de hoofdlijn die zij uitzetten en die uiteindelijk ook de
basis vormde voor wat er tot na 1955 in Eindhoven gebeurde, de prestedelijke structuur goeddeels herkenbaar: - De stad als economisch en bestuurlijk middelpunt van de nieuwe gemeente; - De dorpen als een krans met woon- en werkzones rondom de stad; - De beekdalen als herkenbare recreatieve structuren door de stad; - Behoud van de radiale structuur en daarop aanvullen met een tangentiale structuur (ceintuurbanen);
100
- Maken van doorbraken en verbindingen om lokale verkeersproblemen op te lossen. Het behoud van bestaande radialen is goed te zien aan de wijze waarop Stratum tot aan de Tweede Wereldoorlog verstedelijkte, namelijk tussen en om de Aalsterweg, Leenderweg en Heezerweg. Daardoor ontstond een helder patroon met de prestedelijke uitvalswegen nog steeds als hoofdontsluitingswegen (figuur 47 en figuur 48). Hetzelfde gebeurde in Woensel langs de Boschdijk, terwijl in Strijp de nieuwe buurten werden vastgeknoopt aan de bestaande wegen van de oude gehuchten, zoals Heuvel (Bergen op Zoomstraat e.o.) en Het Ven (Drents Dorp). In Tongelre gebeurde iets vergelijkbaars in de buurten Lakerlopen en Doornakkers
101
, aan de zuidwest- en zuidoostzijde van
het gehucht Klein Tongelre.
97
Beekman, 1982, 27-28 Beekman, 1982, 28-29 99 Van Oorschot, 1982, 509 100 De bouw van de Philipsfabrieken, een besluit van vóór de fusie, stond de aanleg van een ceintuurbaan in de weg. 101 Van Meijel & Bet, 2018 98
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[77]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Figuur 47. De Leenderweg als oude uitvalsweg van Stratum richting het zuiden (foto: Luuk Keunen, 22 mei 2018).
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[78]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Figuur 48. De Heezerweg als oude uitvalsweg van Stratum richting het zuiden, veel minder stedelijk dan de Leenderweg (foto: Luuk Keunen, 22 mei 2018).
De inpassing in de bestaande verkaveling was mede het gevolg van het beleid ten aanzien van de grondaankoop: dat ging met stukjes en beetjes. We zien dit bijvoorbeeld terug in het gebied BoschdijkWest, één van de hiervoor genoemde buurten in Woensel.
102
Eén van de genoemde wijken in Strijp was
het Drents Dorp, overigens vallend buiten het Uitbreidingsplan van Kools. Daar werd expliciet ingezet op toekomstig agrarisch gebruik vanuit de wijk door (de ouders van) kinderrijke gezinnen uit Drenthe. Ook hier werden bestaande landelijke structuren goeddeels ingepast. wijk die het landschap goeddeels overschreef is Bennekel in Gestel.
103
Een vroeg voorbeeld van een
104
Grote gebaren: ingrijpende stadsplanning (1945-1975) Als de Tweede Wereldoorlog is afgelopen, krijgt Eindhoven eindelijk de kans om het verkeerskundig probleemgebied Fellenoord aan te pakken. Een belangrijk deel van het plan is de aanleg van het Hoogspoor. Daarvoor werd een deel van Fellenoord opgeofferd. Tegelijk werd ook de binnenstad aangepakt en de structuur deels gewijzigd, onder meer door de aanleg van de Volderstraat (nu Hermanus Boexstraat).
105
Een belangrijk kantelpunt in de ontwikkeling van Eindhoven is het algemene uitbreidingsplan uit 1946 en de herziening daarvan uit 1950. Ten aanzien van de stadsuitbreiding raakten de tuinsteden en – dorpen uit de gratie. Ze hadden niet gebracht wat men ervan verwachtte en het grondgebruik was veel 102
Beekman, 1982, 68 Beekman, 1982, 69 104 Beekman, 1982, 71 105 Beekman, 1982 103
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[79]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
te extensief. Bovendien ontstonden verkeersproblemen door het vele pendelen. Men richtte zich voortaan op de bouw van woonwijken waarin recreëren, werken en ontsluiting geïntegreerd waren, maar wel gestoeld op een parochiële basis. Ook de auto kreeg een prominentere plek in nieuwe plannen. De wegenstructuur werd hiërarchisch opgezet.
106
Figuur 49. Structuurplan Woensel, 1957. De oude landschapsstructuur werd goeddeels uitgegumd ten faveure van een op autoverkeer en rationaliteit ingericht systeem. Het oude lint van de Woenselsestraat is ingetekend, maar was niet ingepast. Door een samenspel van procedurele en praktische ontwikkelingen is dit vermoedelijk uiteindelijk deels bewaard gebleven (bron: Beekman, 1982, bewerkt door Leon van Meijel).
Deze insteek vormde de basis voor een fors andere aanpak van nieuwe bouwprojecten. Alleen waar een logische bestaande wegenstructuur aanwezig was, kon daarop worden voortgebouwd. Dat was bijvoorbeeld zo in Stratum, waar de verkeerskundige rol van de radialen zelfs nog werd versterkt.
107
Waar niet op een logische manier kon worden voortgebouwd werden nieuwe structuren gecreëerd en de oude overschreven. Een duidelijk voorbeeld daarvan is de wijk Genderdal, met de Karel de
106 107
Beekman, 1982, 165; Van Oorschot, 1982, 537 Van Meijel & Bet, 2018
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[80]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Grotelaan als een nieuwe rechte radiale as.
108
Veel van deze wijken kregen een orthogonale structuur,
die niet meer gerelateerd was aan het onderliggende landschap. Zo werd van bestaande wegen geen gebruik gemaakt in het plan voor Prinsejagt, en evenmin in het plan voor Mensfort.
109
Figuur 50. Het op detail aangepaste structuurplan, 1959. De omgeving Oude Gracht is nu opgenomen, waarbij de beekzone is ingepast (bron: Beekman, 1982, bewerkt door Leon van Meijel).
Het hoogtepunt in de nieuwe stadsplanning is het Uitbreidingsplan Woensel (1956) en de daarop geënte structuurplannen (1957, 1959), waarin een plan werd gepresenteerd voor een enorme stadsuitbreiding naar het noorden.
110
In de gehanteerde vooruitgangsgedachte werd heel beperkt
rekening gehouden met bestaande structuren, maar werd vanuit een ideaalbeeld een beeld neergezet van een wijk, bestaande uit vier sectoren, met nieuwe ontsluitingen, eigen recreatieve zones en daaromheen woonbuurten en voorzieningen. Opvallend is dat in het eerste structuurplan geen rekening
108
Beekman, 1982, 180-181; De radialen kregen na de Tweede W ereldoorlog weer meer aandacht als ontsluitingsprincipe (Van Oorschot, 1982, 539). 109 Beekman, 1982, 297; Van Meijel & Bet, 2018 110 Van Meijel & Bet, 2018
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[81]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
werd gehouden met de Doode Gracht, maar dat deze in het aangepaste plan uit 1959 wel terugkomt. Een nieuwe begraafplaats werd niet uitgevoerd; daarvoor kwam het Henri Dunantpark.
111
Dat raakt aan één van de andere kernpunten van de nieuwe ontwikkeling: een verder uitwerken van de bovenlokale ontsluiting, inclusief de rondweg en de uitvalswegen naar andere grote steden. In Woensel werden de Doctor Berlagelaan, Huizingalaan-Doctor Cuyperslaan, Montgomerylaan en de John F. Kennedylaan als nieuwe radiale ontsluitingen aangelegd. Tangentiaal erdoorheen kwam de 150 kVhoogspanningsleiding te lopen, min of meer parallel aan de nieuwe tangentiale verbindingen Estafettelaan-Fakkellaan-Roelantlaan-Bisschop Bekkerslaan-Airbornelaan, zuidelijker de 1e Lieven de Keylaan-Winston Churchilllaan-Sterrenlaan en in het zuiden de Europalaan.
112
Hierop werden de
nieuwe wijken aangesloten.
Figuur 51. De gespaarde boerderij Woenselsestraat 306 (foto: Luuk Keunen, 22 mei 2018).
Uit de analyse van Hüsken blijkt dat de oude structuur niet alleen volledig werd overschreven door de facto vanaf een Tabula Rasa te starten, maar ook dat in slechts enkele jaren tijd van de vele tientallen historische boerderijen er slechts 4 resteerden (figuur 51). Als we de ontwikkeling van Woensel bekijken, zien we daarin twee opvallende elementen: - De Woenselsestraat-Vlokhovenseweg bleef als lint tussen de nieuwe wijken deels bewaard, als een Fremdkörper in een moderne stad met lucht, licht en ruimte.
113
De topografische kaart
uit 1973 laat heel fraai zien, en dat zien we ook op talloze luchtfoto’s terug, dat men het
111
Beekman, 1982, 332-333 Beekman, 1982, 331 113 Van Meijel & Bet, 2018 112
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[82]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
gebied langs Montgomerylaan en Kennedylaan tot aan het toen nog landelijke Philipswijk had volgebouwd. Er was al het nodige gesloopt
114
, maar de bebouwing langs het lint was nog
goeddeels gespaard gebleven (figuur 52). Een tweede fase in de verstedelijking was het opvullen van de ‘overhoekjes’ tussen het lint en de orthogonaal opgezette wijken. Waar daarbij het lint in de weg lag, moest het alsnog verdwijnen, zowel de bebouwing als de weg zelf. Dat betekende bijvoorbeeld, dat het lint tussen Michelangelolaan en Vlokhovenseweg sneuvelde, evenals een deel van het lint tussen het einde van de Tonnaerstraat en het begin van de Woenselsestraat. Vermoedelijk door procedurele en praktische overgingen is een deel van het lint uiteindelijk bewaard gebleven.
Figuur 52. Terwijl links en rechts actief aan de nieuwe wijken van Woensel werd gebouwd, bleef het lint langs de Woenselsestraat vooralsnog bewaard. De opname is gemaakt in augustus 1964 (bron: gemeente Eindhoven, foto 66420).
- Bij het aanleggen van de orthogonale wijkstructuur rondom de Doode Gracht, in een wijk die de Oude Gracht werd genoemd
115
, is de beekloop aangepast tot vijverpartij, zoals al in het
structuurplan uit 1959 was beoogd. De vijver en het omliggende park werden een hoofdstructuur in de nieuwe wijk.
116
Verder noordelijk, in Eckart, is de Doode Gracht de grens
van het bouwplan geweest. Pas later stak men hier het water over. In het oostelijke deel van
114
Hüsken, 2012 Merk op: de topografische kaart van 1973 noemt de wijk Oude Gracht, maar de waterloop nog Doode Gracht. 116 Van Meijel & Bet, 2018 115
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[83]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Oude Gracht zien we al een voorzichtige neiging om in het uitgewerkte ontwerp meer van de oude structuren overeind te laten: de Nuenenseweg. De ommekeer (1975-heden) Na 1975 kwam er geleidelijk meer aandacht voor de inpassing van bestaande structuren in nieuwe plannen. De oliecrisis van 1973 was daarvoor een stevige aanjager, maar ook de algemene onderkenning dat de oude manier van bouwen de menselijke schaal te boven ging. Aanvankelijk werden vooral bestaande plannen verder uitgevoerd, maar de behoefte aan intiemer bouwen en meer aandacht voor langzaam verkeer was goed verenigbaar met het inpassen van historische wegen in nieuwe plannen. We zien dit bijvoorbeeld terug in Eindhovens’ noordelijkste wijk, waar de weg Aanschot in de wijk Blixembosch-Oost is ingepast. Hetzelfde geldt voor de Oude Bosschebaan, het Cantalpad en het Savoiepad in de Achtste Barrier, het behoud van (een deel van) Philipswijk en het gehucht Aanschot, en de inpassing van een aantal lommerrijke paden nabij Acht (Jan van Buurenpad, Piet Verhoevenpad, Rien van Bruggenpad, etc.) (figuur 53).
Figuur 53. Lanen zijn als langzaam-verkeersverbinding zorgvuldig in de structuur van de wijken rond Acht ingepast (foto: Luuk Keunen, 22 mei 2018).
In Meerhoven is deze benadering met onder meer Het Schaapsdijk voortgezet. Daarbij valt op dat men daar wel is teruggekeerd naar de orthogonale ontwerpstijl (ook wel aangeduid als rationalisme), waarbij de ingepaste structuren enigszins vreemd lijken – terwijl ze dat in de wijken uit de laatste decennia van de vorige eeuw veel minder leken door een bochtige structuur in een onregelmatiger omgeving.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[84]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
4 Toelichting op de kaarten 4.1 Inleiding Op kaartbijlage 1 hebben we vooral inhoudelijke feitelijkheden weergegeven. Voor een goede omgang daarmee is het echter ook wenselijk om gradaties in kwaliteit en waarden aan te brengen. Die opgave hebben we, zoals al in hoofdstuk 2 is toegelicht, op twee verschillende manieren aangevlogen. Voor het landschap hebben we in drie gradaties aangegeven hoe herkenbaar de prestedelijke fase nog is. Het kan daarbij om grote patronen gaan, zoals de hoofdlijn van verkaveling van wijken en buurten, maar ook om kleinere patronen als de aanwezigheid van een historische boerderij in een ‘nieuwbouwplan’. We hebben daar bewust niet over een waardering gesproken, omdat immers een waardering van het stedelijk gebied veel meer aspecten omvat dan alleen de aanwezigheid van prestedelijke kenmerken. Een belangrijk deel van de landschapselementen hebben we van een waardering voorzien, waarvan de criteria in hoofdstuk 2 uiteen zijn gezet. De gaafheid ten opzichte van de prestedelijke fase speelt daarin een belangrijke rol. Zelfs met de beschikbaarheid van deze herkenbaarheids- en waarderingskaarten blijft de inhoudelijke kartering op kaartbijlage 1 van groot belang. Daarop staat immers de feitelijke ruimtelijke structuur weergegeven, en ook staan daarop losse elementen – zoals bomen – die we niet als zodanig in de waardering hebben meegenomen.
In de navolgende paragrafen behandelen we zowel de kenmerken als de herkenbaarheid dan wel waardering, omdat beide sterk samenhangen: waar überhaupt nog kenmerken van de vroegere situatie aanwezig zijn, is de herkenbaarheid danwel waardering ook direct hoger dan waar dat niet het geval is. In figuur 54 laten we het eindresultaat van de landschapskartering zien, zoals we dat de basis vormt voor de verdere detaillering in de kaartbijlagen.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[85]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Figuur 54. Hoofdlandschappen van de gemeente Eindhoven.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[86]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
4.2 Historisch cultuurlandschap 4.2.1
Inleiding
In dit hoofdstuk zullen we niet, zoals we voor het buitengebied wel gedaan hebben, elk landschap uitgebreid gaan beschrijven op basis van de historische kenmerken en datgene, wat er nu nog van te herkennen is. Dat heeft hier immers geen zin, omdat verreweg het merendeel van de landschappen overbouwd en onherkenbaar is. Waar een landschap nog wel herkenbaar is, is dat meest slechts voor enkele kenmerken, en vrijwel nooit als compleet intact landschap. In 0 lichten we in een enkele zin elke legenda-eenheid kort toe. Daarom steken we het in dit hoofdstuk anders in: we bekijken de hoofdgroepen van alle landschappen, en gaan per hoofdgroep na welke subtypen op de één of andere wijze nog herkenbaar zijn. Voor meer achtergrondinformatie is over vrijwel alle (sub)typen in het rapport van het buitengebied een kenschets te vinden.
4.2.2
Kampontginningen met plaatselijk essen
Kampontginningen met plaatselijk essen, we spreken lokaal beter van akkers en kampen, waren in velerlei soorten en maten in Eindhoven te vinden. Ze varieerden van grootschalige open akkers tot veel kleinschaliger, besloten complexen van kampen, soms ook in de nattere variant met betrekkelijk veel grasland. Tussenvormen waren ook aanwezig, zoals de akkers met opgaande beplanting als scheiding van verschillende delen. De kampontginningen met plaatselijk essen behoren tot de minst herkenbare landschappen van stedelijk Eindhoven na de verstedelijking. Dat is ook wel begrijpelijk, want van de echte open akkers was het belangrijkste kenmerk – de openheid – uiteraard moeilijk te behouden bij de ontwikkeling tot woon- of werkgebied. Van de van oudsher dichter beplante kampen was ten tijde van de verstedelijking veel groen al verdwenen, zodat we het mede daarom ook nu niet meer terugvinden in het stedelijk weefsel. Twee kenmerken van de akkers en kampen bleken beter de tand des tijds te kunnen doorstaan, alhoewel zeker ook niet volledig. Met name in de vroegste uitbreidingswijken, van vóór 1960, werd de oude wegenstructuur veelal overgenomen. We herkennen dat zowel in de stedenbouwkundige plannen als in het uiteindelijke resultaat. Bijvoorbeeld in Philipsdorp en Schoot, aangelegd op de oude akkers van Strijp, is zowel de wegenstructuur als deels ook de oude verkaveling nog herkenbaar.
Datzelfde geldt voor delen van Stratum en Oud-Woensel. Met name na 1960 ging men met de aanwezige structuren heel anders om. Een nieuw rationeel plan overschreef de oude structuur, en inpassing kwam slechts heel beperkt voor. Van de oude akkers van Woensel aan weerszijden van de huidige John F. Kennedylaan is daardoor helemaal niets meer te herkennen. Datzelfde geldt ook voor andere akkers, zoals die van Gestel en van Tongelre. Een ander belangrijk kenmerk van de oude akkers, zeker van de open akkers, is het reliëf en de wat hogere ligging. De overgang van de open akkers naar beekdalen of vochtige kampontginningen is daardoor bijvoorbeeld nog ten zuiden van de oude dorpskern van Strijp (Strijpsestraat – Hastelweg) en ten noorden van de dorpskern van Tongelre (Koudenhovenseweg Zuid – Eisenhouwerlaan) waarneembaar. Bij een exacte beschouwing zal dat waarschijnlijk op nog meer plekken zo zijn (figuur 55).
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[87]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Figuur 55. De kruising van de Koudenhovenseweg Zuid – Eisenhowerlaan ligt lager dan de omgeving. Aan de zuidzijde ligt de oorzaak in een akkercomplex dat naar het noorden toe in lagere, nattere gronden overgaat (foto: Luuk Keunen, 22 mei 2018).
4.2.3
Beekdalen en broeken
Beekdalen waren tot ver in de 20e eeuw terreinen waar het slecht bouwen was door de onvoordelige hydrologische omstandigheden. Niet voor niets lagen de linten over de hoogste, best begaanbare akkercomplexen en breidde Eindhoven zich in het begin vooral als een zandloper uit. Zelfs met de invloed van kanaal en spoorlijnen in ogenschouw genomen breidde de stad zich tot ver na 1920 vooral uit over de oude akkers van Woensel, Strijp, Stratum, Tongelre en Gestel. De beekdalen gaf men bewust de functie van ‘groene long’ met parken, zoals in het Algemeen Uitbreidingsplan van Cuypers en Kooken (1918).
117
Ook in de latere uitbreidingsplannen, zoals dat van 1922 en 1946, bleven de
beekdalen steeds vrij van bebouwing, en waar ze ingepast werden in stedelijk gebied, kregen ze een parkachtige invulling. De aard daarvan was wel heel divers: aan de Dommel werd op het terrein van de TH alle ruimte gegeven – ondanks de verlegging van de bedding -, maar het ooit zo brede beekdal van de Gender verdween vrijwel volledig onder de bebouwing. Voor de Gender zelf bleef slechts een heel smalle groenzone over, en een dal als dat van de Lakerloop is volledig verdwenen. In algemene zin is het zo dat waar de beekloop – verlegd of niet – op enkele uitzonderingen na herkenbaar bleef, het beekdal als zodanig werd heringericht. Van een herkenbaar, volledig intact historisch beekdal is binnen de bebouwde kom geen sprake. Ook objecten binnen die dalen, zoals de
117
Andela & Tedder, 2007
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[88]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
watermolen van Woensel, moesten vaak wijken. Waar beekdalen als totaalensemble werden gespaard, zoals dat van de Dommel – Kleine Dommel in het oosten en van de Dommel – Tongelreep in het zuiden, worden deze nog altijd als buitengebied beschouwd. De enige uitzondering zijn de Aanschotse Beemden, die ondanks hun gave karakter wel tot het stedelijk gebied worden gerekend. We hebben ze in het rapport van het buitengebied behandeld. Gezien de bijzondere toestand van de Eindhovense beekdalen in het stedelijk gebied kunnen we er niet omheen kort te kijken naar de ontwerplaag die over het landschap heen is gelegd. Voor een gedetailleerdere analyse verwijzen we naar afzonderlijke rapporten over de parken in Eindhoven.
118
Ons gaat het hier niet zozeer om het tuinarchitectonisch ontwerp, als wel over de zeggingskracht die het nog heeft voor het prestedelijk landschap.
Gender - Plantsoen langs de Maria van Bourgondiëlaan, ontworpen eind jaren ’50 door de Afdeling Plantsoenen, met een grote vijver met een geknikte oeverlaan, overgaand in een singel langs de Maria van Bourgondiëlaan. In aanleg nog gaaf.
Dommel (figuur 56 en figuur 57) - Dommelplantsoen, aangelegd vanaf eind jaren ’20 (ontwerp D.F. Tersteeg) en eind jaren ’50 (ontwerp F.J. Fontaine, Afdeling Plantsoenen), met een gecultiveerd deel in het noorden en een ruiger deel in het zuiden, aansluitend op de bestaande landschappelijke situatie. - Anne Frankplantsoen, aansluitend op het Dommelplantsoen, met licht golvende padenstructuur en bijzondere bomen. Ontworpen door D.F. Tersteeg in 1930, aangepast in de jaren ’70. - Gebroeders Hornemannplantsoen en plantsoen langs de Jacob van Maerlantlaan, deel van de plantsoenaanleg langs de Dommeloevers. Ontwerp uit vroege jaren ’50 (ontwerp F.J. Fontaine, Afdeling Plantsoenen), met minder aandacht voor decoratieve sierplantsoenen en meer voor toepassing van inheemse beplanting. Open karakter, met treurwilgen langs de Dommel en berken en treursparren hogerop.
118 Andere parken laten we hier buiten beschouwing, omdat die veelal louter stedenbouwkundig van aard zijn. Bron voor deze informatie is Andela, 2005; Andela & Tedder, 2007, waarin ook veel meer detailinformatie te vinden is.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[89]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Figuur 56. Het Dommelplantsoen gaat van noord naar zuid over van een cultuurlijk plantsoen .... (foto: Luuk Keunen, 22 mei 2018).
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[90]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Figuur 57. … naar een natuurlijker omgeving (foto: Luuk Keunen, 22 mei 2018).
4.2.4
Oude heideontginningen
Oude heideontginningen kenmerken zich door hun vaak systematische, soms onregelmatiger uitbreiding van het oude cultuurland. Vaak zijn het akkers aan de randen van het oude cultuurland, en opgaand groen was en is vaak veelvuldig aanwezig. In Eindhoven vinden we deze oude heideontginningen voornamelijk aan de randen van het grote heidegebied noordwestelijk van Woensel en Strijp. Opvallend is dat deze landschappen, alhoewel deels verstedelijkt, vaak nog wel herkenbaar zijn door het overnemen van de verkaveling en het behoud van enig groen en bebouwing. Dat geldt in dit geval zowel voor de kleinschaliger gebiedjes, zoals noordelijk van het Evoluon in Strijp, als het veel grootschaliger bedrijventerrein ten zuiden van het gehucht Nieuw Acht. De lengtewerking van de verkaveling is in dat laatste geval nog goed herkenbaar, aangevuld met de bebouwing langs de Mispelhoefstraat en die straat zelf (figuur 58).
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[91]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Figuur 58. Een ingepast boerenerf aan de Mispelhoefstraat (foto: Luuk Keunen, 22 mei 2018).
4.2.5
Oude bossen
De hoeveelheid resterend bos op de Brabantse zandgronden was in de 17e en 18e eeuw uiterst gering. Datgene wat wij nu ‘oud bos’ noemen, is veelal productiebos uit de late 18e en vroege 19e eeuw. Desalniettemin vormt het een waardevolle fase in een ontwikkeling van de Eindhovense bossen. De vroegste bossen binnen het huidige stedelijk grondgebied van de gemeente Eindhoven lagen in het oostelijk deel, ten zuiden van Stratum en ten westen van Tongelre. Bij Tongelre is een verband met de daar aanwezige buitenplaatsen, in dit geval specifiek ‘t Hof, aannemelijk (figuur 59). In Stratum waren het zowel inwoners uit de dorpen als fabrikanten uit de stad die hier hun hakhout voor het draaien van fabrieken haalden. Het is op basis van een bescheiden blik in de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel dus aannemelijk dat deze hakhoutbossen, met een enkel mastperceel ertussen, ten behoeve van de opkomende industrie werden aangelegd.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[92]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Figuur 59. Een deel van het vroeg beboste terrein nabij het Lorentz Lyceum (foto: Luuk Keunen, 6 oktober 2015).
Slechts heel beperkt zijn deze bossen door hun hoeveelheid opgaand hout nog herkenbaar. Tongelre is daarop een uitzondering. Veel meer gaat het bij de bossen van Stratum om de herkenbaarheid van de ontsluitingsstructuur: het karakteristieke waaiervormige wegenpatroon is hier nog heel goed herkenbaar.
4.2.6
Nederzettingen
Binnen alle landschappen vormen de nederzettingen een bijzondere categorie. Immers, in een verstedelijkende omgeving is dat waar alles heen beweegt: van landschap naar nederzetting. Dat wil echter geenszins zeggen dat alle nederzettingen a) herkenbaar zijn en b) daar ook van de prestedelijke kenmerken iets behouden is gebleven. Een lintnederzetting kan zich als zodanig nog wel van de naoorlogse nieuwbouw onderscheiden, maar als dat is doordat er arbeiderswoningen uit de jaren ’20 staan, is dat op zichzelf niet prestedelijk, maar vroegstedelijk. Met dat in het achterhoofd hebben we binnen het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven naar de stad, de vroegere dorpen en de grote aantallen gehuchten gekeken.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[93]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Zowel bij gehuchten als bij dorpen hebben we een tweetal varianten, te weten de lintvormige nederzettingen en de geconcentreerdere, complexere nederzettingen te midden van een web aan wegen. Omdat het onderscheid daartussen duidelijk uit het kaartbeeld spreekt hebben we dit in de legenda niet nader uitgewerkt. Voor alle duidelijkheid is daar het verschil tussen dorp en gehucht wél opgenomen. De lintdorpen in de gemeente Eindhoven zijn Acht, Stratum, Gestel en Woensel, terwijl Tongelre en Strijp de complexere dorpen zijn. Niet geheel toevallig liggen de lintdorpen, net als de lintvormige gehuchten, ook langs langgerekte geomorfologische structuren, terwijl vooral het complexere dorp Tongelre, net als het aangrenzende complexere gehucht Klein Tongelre, in een relatief concentrisch geordend landschap ligt. Bij Strijp zouden we qua ruimtelijke structuur eerder een lintvormige nederzetting hebben verwacht, maar daar heeft zich kennelijk een andere ontwikkeling voltrokken die buiten het bestek van dit onderzoek valt. Wellicht speelt de afbuigende geomorfologische structuur, iets zuidelijker, een rol dat we hier niet met een langgerekt lint te maken hebben.
De stad Eindhoven – binnen de Vestdijk, 18 Septemberplein, Emmasingel, Keizersgracht, Wal en Oude Stadsgracht – is in zekere zin een vreemde eend in de bijt (figuur 60). Dat heeft er vooral mee te maken dat hier al zo vroeg sprake was van een zekere graad van verstedelijking, dat we de stad als een ‘vanouds verstedelijkt gebied’ beschouwen. De andere dorpen en gehuchten maakten ontwikkelingen door waarvan we nu nog steeds de sporen herkennen. Bij zowel de dorpen als de gehuchten gaat het om verstedelijking, waarbij agrarische bebouwing geleidelijk werd aangevuld of vervangen door burger- en arbeiderswoningen. In de 19e en vroege 20e eeuw ging het daarbij nog om een relatief beperkt aantal gebouwen, maar zeker na 1920 werden complete woonblokken neergezet, vooral langs de oude linten. Voor ons ligt daar de breuk tussen prestedelijk en vroegstedelijk (figuur 61). Daarnaast hebben we in meerdere kernen te maken met een sterke verandering in de dorpskernen door nieuwbouw van kerken, al dan niet met behoud van het oude kerkgebouw. Vaak zit daar nog een fase van schuurkerken tussen – de oude kerk was niet zelden na het terug ontvangen door de katholieken zo verwaarloosd, dat een nieuwe en soms ook grotere kerk noodzakelijk was, en men liever voortbouwde op de schuurkerkfase.
De verstedelijking heeft bij dat plaatsgebrek ongetwijfeld ook een rol gespeeld, en zo is de vervangingsfase van de kerken
119
op zichzelf ook alweer een kenmerk van
verstedelijking. Nieuwe kerken verrezen zo in Woensel (1876 Tongelre (1891
123
) en Gestel (1910
124
120
), Stratum (1885
121
), Strijp (1887
122
),
). In Stratum, Strijp en Tongelre bouwde men een vervanger
voor de veelal te kleine en bouwvallige middeleeuwse kerken, terwijl men in Gestel en Woensel koos voor een opvolger (van de opvolger) van de schuurkerk, terwijl de middeleeuwse kerk op een andere
119 Ook in andere kernen in Zuidoost-Brabant kwam dit voor, en daar zien we deze verstedelijking niet of minder (Asten, Liessel). Het was dus zeker niet de enige reden dat nieuwbouw gepleegd werd. De afbraak na de schuurkerkfase zien we ook in meerdere omliggende dorpen. 120 Ter vervanging van een schuurkerkopvolger; de oude kerk was na de teruggave nooit als serieus alternatief gezien en werd in 1815 gesloopt. Alleen de toren bleef behouden. 121 De middeleeuwse kerk was in 1796 terug ontvangen en in 1847 zelfs vergroot. 122 Gebouwd ter vervanging van de middeleeuwse kerk. 123 De middeleeuwse kerk was in 1796 terug gegeven; de toestand was in de 19e eeuw niet goed. 124 Ter vervanging van een kerk uit 1833, die weer gebouwd was als opvolger van de schuurkerk. De oude kerk te Blaarthem werd in 1834 definitief gesloopt.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[94]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
locatie stond.
125
Dit betekende uiteraard nogal wat voor de ontwikkeling van de nederzettingen, en niet
elke nederzetting kreeg na zijn verplaatsing nog een werkelijk prestedelijk karakter.
Figuur 60. De Markt in de binnenstad van Eindhoven, kiemcel van de stadsontwikkeling (foto: Luuk Keunen, 22 mei 2018).
125
Acht laten we in dit overzicht buiten beschouwing, omdat de nieuwe kerk uit 1885 daar ‘slechts’ een kapel verving.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[95]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Figuur 61. Beeld van de Tongelresestraat. Links zien we een lint op het grensvlak van pre- en vroegstedelijk, rechts een stedelijke ontwikkeling (foto: Luuk Keunen, 22 mei 2018).
De verstedelijking van de dorpen en dorpsgebieden verliep ook heel verschillend. Waar vooral Stratum al heel vroeg een stedelijk karakter kreeg, bleef Tongelre nog relatief lang landelijk. Dat gold ook voor de verst gelegen delen van Woensel, maar de keuze van Eindhoven om juist dáár na 1960 grootschalig uit te breiden zorgde voor een rap verdwijnen van het prestedelijke karakter van Woensel.
126
Dat leidde
er uiteindelijk toe, dat met name in de verst gelegen dorpen waarop ook later de verstedelijking zich in mindere mate richtte, het prestedelijk karakter het best bewaard bleef. Daarbij doelen we vooral op de dorpskern en linten van Tongelre en in iets mindere mate de dorpskernen en linten van Acht, Gestel en Strijp. Aan het Rijsven in de wijk Putten is een klein gehucht volledig in de uitbreidingswijk ingepast. In Eindhoven is dit een vrij zeldzaam voorbeeld. Individuele boerderijen zijn soms ingepast, maar clusters van boerderijen buiten de dorpskernen en linten slechts op enkele plekken: Loostraat (feitelijk een uitloper van de dorpskern), Rijsven en Mispelhoefstraat (figuur 62).
126
Hüsken, 2012
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[96]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Figuur 62. De Loostraat, één van de meest prominente prestedelijke deelgebiedjes binnen de bebouwde kom van Eindhoven (foto: Luuk Keunen, 22 mei 2018).
Stratum en Woensel verstedelijkten in hoge mate, waarbij in Woensel slechts enkele panden en structuren bewaard bleven die herinneren aan het agrarisch verleden of de dorpsontwikkeling van vóór 1900.
127
Woensel is overigens een goed voorbeeld van een dorpsgebied dat juist met aandacht voor
prestedelijke relicten is onderzocht en waarover is gepubliceerd.
128
Wel is in de meeste gevallen het één en ander van de prestedelijke infrastructuur van de oude linten bewaard gebleven, zelfs in Woensel (zie § 4.3.2). Deze wegen zijn vaak nog als afwijkende ruimtelijke structuur in een veel recenter ingerichte stedelijke omgeving te herkennen, maar veel van de bebouwing dateert dan op zijn vroegst uit het interbellum (1918-1940), met slechts hier en daar een ouder pand. Langs de Woenselsestraat en de Vlokhovenseweg is dat nog duidelijk te herkennen (figuur 63).
127 128
Hüsken, 2012, 276 Hüsken, 2012
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[97]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Figuur 63. Het verloop van de gevelwand links laat nog zien hoe de Vlokhovenseweg ooit verder naar het zuiden doorliep (foto: Luuk Keunen, 22 mei 2018).
In andere gevallen is de infrastructuur verdwenen, maar zijn losse bewaard gebleven boerderijen aan de nieuwe of sterk aangepaste infrastructuur aangetakt, zoals de boerderij aan de Jericholaan 10-12.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[98]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Figuur 64. Uitbreiding van het stedelijk gebied in Eindhoven tussen 1832 en 1980. De zwarte contour laat zien waar anno 2018 de grenzen van het stedelijk gebied liggen (inclusief het vliegveld) (bron: Erfgoedkaart Eindhoven).
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[99]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
4.2.7
Landgoederen en buitenplaatsen
Verspreid over het huidige stedelijk gebied lagen enkele buitenplaatsen die reeds bestonden vóór de verstedelijking en niet zelf (of een heel vroeg) onderdeel van dat proces uitmaakten. Het gaat om Eckart, ’t Hof in Tongelre en De Burgh in Stratum. Alle drie zijn, alhoewel sterk veranderd en soms ook verkleind door bouwwerkzaamheden op een deel van de gronden, in het stedelijk weefsel herkenbaar gebleven. Interessant is dat alhoewel een deel van het park van De Burgh is bebouwd, in het tegenoverliggende park een zichtas op het huis is aangebracht.
129
Een ietwat vreemde eend in de bijt is het Stadswandelpark (figuur 65). Dat werd in de late 19e eeuw als een deel van de buitenplaats De Elzent aangelegd onder tuinarchitectuur van L.A. Springer. In opdracht van de gemeente maakte D.F. Tersteeg in 1924, 1928 en 1930 een nieuw ontwerp met de basis van Springer als onderlegger. Er kwamen meer inheemse bomen, en daarnaast bijzondere soorten, in een stijl die symmetrie als belangrijk uitgangspunt had. In de jaren ’50 werd het onder leiding van het hoofd van de Afdeling Plantsoenen, F.J. Fontaine gemoderniseerd. De beplanting werd vernieuwd. In 1958 breidde men het park uit, en in 1964 werd een schouwburg op het terrein gebouwd.
130
Figuur 65. Entree van het Stadswandelpark, het voormalige buiten Den Elzent (foto: Luuk Keunen, 22 mei 2018).
129 De vaak qua aanleg minder uitgesproken kasteelterreinen die geen opvolger als buitenplaats hebben gehad, zoals kastelen Blaarthem en Gagelbosch, hebben we niet als buitenplaats aangeduid. 130 Andela, 2005
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[100]