22bst01098 - Bijlage 2.3 - RAAP-rapport 3398
Tekst van het document
RAAP-RAPPORT 3398
Het landschap onder de stad
Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Colofon Titel: Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven. Versie: 01-02-2019 Auteur: ir. L.J. Keunen & drs. B.J.G. van Snippenburg Projectcode: EHPR Bestandsnaam: RAAPrap_3398_EHPR_20190201
ISSN: 0925-6229
RAAP Leeuwenveldseweg 5b
Telefoon: 0294-491 500
1382 LV Weesp
E-mail: raap@raap.nl
Postbus 5069
Website: www.raap.nl
1380 GB Weesp © RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2019 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[3]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[4]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Samenvatting Zelfs wanneer een gebied door stedelijke ontwikkeling sterk gewijzigd is, zijn er nog verwijzingen naar het vroegere agrarisch cultuurlandschap te vinden. Het kan daarbij gaan om grotere structuren, zoals ingesloten groene gebieden, maar ook om kleine verwijzingen als het verloop van een rooilijn, een oude boom of een wegtracé. De mate waarin dit prestedelijk landschap, zoals we dat noemen, nog herkenbaar is, hangt mede af van de stedenbouwkundige ontwikkelingswijze van de stad. Met name in de wederopbouwperiode is veel van het bestaande landschap als een tabula rasa overschreven, terwijl vóór de Tweede Wereldoorlog en na 1975/1980 er meer aandacht bestond voor verwijzingen naar de vroegere situatie. Deze verschillen maken dat in Eindhoven vooral in en rond de oude stad, in en direct rond de oude dorpskernen en linten en in het uiterste noorden en westen, de meest recente uitbreidingswijken, nog het nodige aan prestedelijk erfgoed te vinden is. Het andere uiterste is Woensel ten noorden van de Europalaan, waar het bestaande landschap grotendeels onherkenbaar is overschreven. Een uitzondering daarop wordt gevormd door het lint Tonnaerstraat – Woenselsestraat – Vlokhovenseweg (Jericholaan), dat fragmentarisch en met verlies van veel van de oude bebouwing uiteindelijk in de nieuwe structuur werd ingepast.
In het oostelijk deel van dit grote uitbreidingsplan, Eckart, is ten dele iets zorgvuldiger met de bestaande structuren omgegaan. Waar in het geconcentreerde stedelijk gebied dus op heel wisselende wijze met het prestedelijk landschap is omgegaan, heeft men al vanaf het prille begin van de stedenbouwkundige planning veel zorg gedragen voor specifieke delen van het bestaande cultuurlandschap. Dat geldt in het bijzonder voor het beekdal van de Dommel, dat als groene recreatieve zone in de stedelijke structuur werd ingepast. Ondanks de versmalling van die zone nabij de spoorlijn en de fragmentarische infrastructuur erlangs is Eindhovens belangrijkste ‘blauwe diagonaal’ nog goed herkenbaar en beleefbaar. De kaartbijlagen geven een overzicht van de ‘afgedekte cultuurlandschappen’ met de bestaande en verdwenen landschapselementen (kaartbijlage 1), de mate van herkenbaarheid van het prestedelijk landschap in de afzonderlijke deelgebieden (kaartbijlage 2) en de onderbouwde waarde van nog bestaande prestedelijke objecten en structuren binnen het stedelijk gebied (kaartbijlage 3). In de rapportage wordt de methodische toelichting op de werkwijze (hoofdstuk 2) gevolgd door een introductie op de afzonderlijke kiemcellen van het stedelijk gebied, c.q. de dorpskernen.
De 5 plattelandsgemeenten die in 1920 aan de gemeente Eindhoven werden toegevoegd willen we als basis van het prestedelijk landschap expliciet naar voren halen. Vervolgens gaan we in hoofdstuk 4 inhoudelijk in op de kaarten, om daarna in hoofdstuk 5 enkele prestedelijke thema’s in detail eruit te lichten. Aan die thema’s koppelen we ook kansen en adviezen.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[5]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[6]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Inhoud Samenvatting ............................................................................................................................ 5 Inhoud ....................................................................................................................................... 7 1 Inleiding ................................................................................................................................. 9 1.1 Kader ....................................................................................................................................... 9 1.2 Het onderzoeksgebied ............................................................................................................... 9 1.3 Uitvoerend team en dankwoord ................................................................................................. 10 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................... 10
2 Methoden en bronnen ........................................................................................................... 11 2.1 Algemene uitgangspunten ........................................................................................................ 11 2.2 Historisch cultuurlandschap ...................................................................................................... 11 2.3 Landschapselementen en bouwkunst ........................................................................................ 18
3 Ontwikkeling van het landschap ............................................................................................ 25 3.1 Inleiding .................................................................................................................................. 25 3.2 Algemene landschapsontwikkeling en bestuurlijke indeling ........................................................ 26 3.3 De ontwikkeling van de historische kern van Eindhoven ............................................................. 36 3.4 De ontwikkeling van Woensel en Eckart .................................................................................... 40 3.5 De ontwikkeling van Strijp ........................................................................................................ 49 3.6 De ontwikkeling van Tongelre ................................................................................................... 54 3.7 De ontwikkeling van Stratum .................................................................................................... 60 3.8 De ontwikkeling van Gestel en Blaarthem .................................................................................. 65 3.9 Overige voormalige gemeenten ................................................................................................
69 3.10 Vroege verstedelijking en de ontwikkeling van Groot-Eindhoven ............................................... 73 3.11 De verstedelijking en het landschap ........................................................................................ 75
4 Toelichting op de kaarten ..................................................................................................... 85 4.1 Inleiding .................................................................................................................................. 85 4.2 Historisch cultuurlandschap ...................................................................................................... 87 4.3 Landschapselementen ............................................................................................................ 102 4.4 Historische bouwkunst en stedenbouw .................................................................................... 112
5 Adviezen ............................................................................................................................ 115 5.1 Inleiding ................................................................................................................................ 115 5.2 Planologische omgang ........................................................................................................... 115 5.3 Ruimtelijke thema’s ................................................................................................................ 115 5.4 Conclusies ............................................................................................................................. 126
Literatuur .............................................................................................................................. 127 Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices ......................................................... 129
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[7]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[8]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
1 Inleiding 1.1 Kader In 2017 verscheen De groene zoom van Eindhoven (RAAP-rapport 3258), waarin we in tekst en beeld uitvoerig zijn ingegaan op de aanwezige cultuurhistorische waarden van het buitengebied van de gemeente Eindhoven. Op basis daarvan is het voor de gemeente Eindhoven mogelijk om haar erfgoedbeleid voor het buitengebied nader vorm te geven. Verreweg het grootste deel van de gemeente Eindhoven bestaat echter uit bebouwd gebied, merendeels ontstaan nadat in 1920 de oude gemeente Eindhoven fuseerde met de omliggende plattelandsgemeenten. Alhoewel deze ontwikkelingen veel van het vroegere landelijke karakter van het gebied hebben uitgewist, is er zeker nog het nodige in het stedelijk gebied te herkennen dat voortkomt uit de oude structuur van het platteland. Dit noemen we ‘prestedelijk landschap’, en op die materie gaan we in dit rapport nader in.
1.2 Het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied betreft het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven (figuur 1), met als belangrijkste uitzonderingen: - de Aanschotse Beemden zijn ondanks hun ligging in de bebouwde kom vanwege hun landelijk karakter reeds in het rapport over het buitengebied behandeld; - nabij de Anthony Fokkerweg is de grens van het onderzoeksgebied, zoals ook al in de studie van het buitengebied, verplaatst van deze weg naar de noordelijk daarvan gelegen laan (Leo van Dorstpad). Naast het aaneengesloten stedelijk gebied van Eindhoven zijn ook de Hightech Campus en het gebied westelijk van de A2 in het onderzoek van het stedelijk gebied meegenomen. De A2 zelf valt formeel onder het buitengebied en is dus ook in die studie meegenomen. Gelijktijdig met het opstellen van dit rapport werd er door Leon van Meijel (Van Meijel Adviseurs in Cultuurhistorie) en Els Bet (Els Bet Stedebouwkundige) gewerkt aan een serie rapporten over naoorlogse wijken in Eindhoven. De rapporten vullen elkaar vooral aan, omdat ze verschillende thematieken behandelen. Waar nodig verwijzen beide rapporten naar elkaar.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[9]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Figuur 1. Ligging van het stedelijk onderzoeksgebied (oranje) ten opzichte van het landelijk onderzoeksgebied uit RAAP-rapport 3258 (blauw) binnen de gemeente Eindhoven (rode omlijning).
Het tweeluik, bestaande uit RAAP-rapport 3258 (‘De groene zoom van Eindhoven’) en dit RAAP-rapport 3398 (‘Het landschap onder de stad’), geeft een overzicht van het landschappelijk erfgoed van het totale grondgebied van de gemeente Eindhoven.
1.3 Uitvoerend team en dankwoord Het onderzoek werd uitgevoerd door ir. L.J. Keunen en drs. B.J.G. van Snippenburg. De eerste droeg zorg voor de projectleiding, de kartering en de bepaling van de herkenbaarheid van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied, alsmede de rapportage, terwijl de tweede de elementen karteerde en waardeerde.
1.4 Leeswijzer Na de inleiding in dit hoofdstuk gaan we in hoofdstuk 2 dieper in op de gehanteerde methoden. Vervolgens behandelen we in hoofdstuk 3 de grote lijnen in de ontwikkeling van landschap en dorpen, om zodoende een kader te schetsen waarmee we in hoofdstuk 0 dieper op de kaart gaan inzoomen. Tot slot destilleren we hier in hoofdstuk 5 een aantal ‘narratieven’ uit, te weten aspecten van het prestedelijk landschap die zich bovengemiddeld goed laten zien in de stad. In dat hoofdstuk formuleren we ook adviezen voor versterking en betere beleving van het prestedelijk karakter van de stad.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[10]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
2 Methoden en bronnen 2.1 Algemene uitgangspunten 2.1.1
Doel
Voornaamste doel van dit rapport en de bijbehorende kaartbijlagen is het inzichtelijk maken en ‘op de kaart zetten’ van de aanwezige cultuurhistorische waarden in het onderzoeksgebied, alsmede de feitelijke karakteristieken/kenmerken die tot deze waarden leiden. De resultaten van dit onderzoek hebben tot doel bij te dragen aan het groenbeleidsplan dat door de gemeente Eindhoven wordt opgesteld alsmede als input voor te actualiseren bestemmingsplannen. Om die twee doelen te kunnen doen was van belang een inventarisatie uit te voeren van de gebieden en daarin aanwezige elementen waar de prestedelijke kenmerken in meer of mindere mate nog herkenbaar zijn, een vaststelling van de mate van herkenbaarheid van het prestedelijk landschap in specifieke delen van de bebouwde kom alsmede een graduele cultuurhistorische waardering van de daarin aanwezige (landschaps)elementen met een prestedelijke oorsprong. Op basis daarvan is het mogelijk om specifieke planologische beschermingsregimes zowel aan gebieden als aan structuren toe te kennen (zoals dat ook voor het buitengebied reeds is gebeurd) en in de toekomst bij ruimtelijke opgaven rekenschap te geven van aspecten die in te ontwikkelen gebieden een specifieke waarde kennen, of zelfs die aanwezige waarden als vertrekpunt voor ontwikkelingen te gebruiken. Daarvoor doen we later in dit rapport nog voorzetten (zie hoofdstuk 5).
Dit product is vooral een uitbreiding en verdieping van de bestaande Erfgoedkaart van de gemeente Eindhoven. Van de inhoudelijke informatie is gebruik gemaakt; de invalshoek van dit rapport is echter soms afwijkend van die van de Erfgoedkaart.
2.1.2
Definitie
Onder cultuurhistorische waarden verstaan we binnen deze context bovengrondse ruimtelijke structuren, sporen, objecten en relicten uit het verleden, waaraan een wetenschappelijke, politieke en/of maatschappelijke waarde als erfgoed wordt toegekend.
2.1.3
Eindresultaat
Het eindproduct van het onderzoek bestaat uit uitgewerkte kaartbeelden gekoppeld aan een geografisch informatiesysteem (GIS met databases) met exacte gegevens over de geografische ligging 1
en aard van waardevolle cultuurlandschappelijke en historisch-bouwkundige elementen. De presentatieschaal van de cultuurhistorische waardenkaart is 1:15.000. Deze schaal is gekozen omdat daarmee het totale onderzoeksgebied op één A0 past.
2.2 Historisch cultuurlandschap 2.2.1
Achtergrond en uitgangspunten
Het landschap van de gemeente Eindhoven is een complex geheel dat is ontstaan onder invloed van natuurlijke en menselijke factoren. Het maakt deel uit van het Brabantse dekzandlandschap in de Roerdalslenk, een geologisch fenomeen dat wordt begrensd door de Feldbissbreuk in het westen en de
1
Historisch-bouwkundige objecten zijn wel geïnventariseerd maar binnen dit onderzoek niet gewaardeerd.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[11]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Peelrandbreuk in het oosten. Een afwatering parallel aan de breuklijnen richting het noordwesten door reliëfrijk dekzandlandschap is karakteristiek voor de geomorfologie van de omgeving (figuur 2). In § 3.2 gaan we wat dieper op de grote landschappelijke onderlegger van de gemeente in.
Figuur 2. De geomorfologie van Noord-Brabant (bron: Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014, provincie Noord-Brabant).
Bij de typering van het historisch cultuurlandschap beschrijven we de wijze waarop de mens haar invloed heeft laten gelden in het landschap (en daarmee het natuurlijk landschap geleidelijk heeft omgevormd) en welke elementen daarmee samenhangen. Vervolgens gaan we na wat daarvan in de huidige structuur van de stad nog herkenbaar is, zowel qua grote lijnen als op elementniveau. Landschap in lagen 2
De genese van het landschap kan op verschillende manieren worden ontrafeld. Eén van de manieren om inzicht te krijgen in deze complexe materie is de ontleding ervan middels een zogenaamd lagenmodel. Hierbij wordt inzichtelijk gemaakt hoe opeenvolgende fasen in de landschapsontwikkeling 3
zich ten opzichte van elkaar verhouden. Het model biedt ruimte voor uiteenlopende invalshoeken, zoals infrastructuur, landgebruik, occupatie, territoria, etc., en biedt daarnaast ruimte om de ontwikkelingen van deze lagen door de tijd inzichtelijk te maken. Een voorbeeld is hoe de vroeg-20eeeuwse bebossing zich verhoudt ten opzichte van de situatie aan het einde van de 20e eeuw, of hoe het areaal akkerland van de 19e eeuw zich verhoudt tot de hedendaagse situatie. In de landschapstypering, -beschrijving en -waardering hebben we aspecten van deze lagenbenadering meegenomen. Landschapstypologie De Topografische en Militaire Kaart van het Koningrijk der Nederlanden (TMK) is de vroegste landsdekkende topografische kaart waarbij op perceelsniveau bebouwing, landgebruik én
2 3
Hidding e.a., 2001, 12 Hidding e.a., 2001, 8
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[12]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
landschapselementen zijn gekarteerd. Deze kaart vormt ook inhoudelijk de meest complete en geografisch meest correcte laag waarop het landschap uit de 19e eeuw van de huidige gemeente Eindhoven zichtbaar is. De TMK, en wel in zijn vroege versie uit de periode 1836-1843 (schaal 1:25.000) in combinatie met de iets latere versie van omstreeks 1850 (schaal 1:50.000), vormt dan ook het uitgangspunt bij het inzichtelijk maken van de landschapsontwikkeling in de gemeente. Vooral met behulp van deze twee versies van de TMK is een landschapstypologie opgesteld. Latere historische kaarten, bodemkaarten, geomorfologische kaarten en hoogtekaarten (AHN2) hebben we ter ondersteuning gebruikt. Kadastrale minuutplans (1832) zijn gebruikt om de grenzen zo exact mogelijk te leggen, vooral omdat vaak een correlatie met de huidige structuur ontbrak. Voor ons zicht op eerdere tijdslagen zijn we afhankelijk van archeologische en schriftelijke bronnen. Deze leveren echter zowel ruimtelijk als in temporeel opzicht een versnipperd beeld dat lastig toepasbaar is op het gewenste schaalniveau. Wat noodzakelijk is voor een coherent beeld is een systematische, eenduidige bron om de elementen te karteren. Dit probleem is deels ondervangen door aan de hand van de landschapstypologie niet alleen het 19e-eeuwse landschap maar ook de ontwikkelingen daarvoor te bekijken.
Het 19e-eeuwse landschap is dus slechts een hulpmiddel om de voorgaande perioden en de periode daarna te beschrijven en mag niet als eindstadium of hoogtepunt van het historisch cultuurlandschap worden gezien. Jongere landschappen In de late 19e en 20e eeuw heeft zich een aantal grootschalige ruimtelijke transformaties voorgedaan, zoals heideontginningen. Hierbij zijn nieuwe lagen aan het landschap toegevoegd, waarbij soms wel en soms niet rekening is gehouden met de toen aanwezige cultuurhistorische kwaliteiten in het landschap. De mate waarop deze cultuurhistorische kwaliteiten zijn opgenomen in deze nieuwe laag, blijkt wanneer we het kaartbeeld van 1836-1843/1850 vergelijken met het huidige landschap en met kaartbeelden uit de tussenliggende periode. Vooral het kaartbeeld van omstreeks 1940-1950 is daarbij relevant, omdat hierbij duidelijk voor het eerst de landschappelijke patronen ten tijde van de heideontginningen te zien zijn, nog vóór de transformaties door de grote infrastructuur, modernisering van de landbouw en uitbreiding van de bebouwing.
4
Begrenzingen Een systematische opbouw van de kaart is de basis voor zijn betrouwbaarheid. Dat betekent dat we op basis van een vergelijking tussen de historische en hedendaagse situatie grenzen tussen verschillende landschappen trekken. Van elke plek in het huidige landschap is dan te traceren welk historisch cultuurlandschap hier in het verleden te vinden was en in hoeverre dit nog herkenbaar is. Meestal is het onvermijdelijk dat historische grenzen huidige percelen doorsnijden. In sommige gevallen bleken historische en huidige landschappelijke grenzen echter redelijk goed overeen te komen.
2.2.2
Kartering
Bij de kartering van het cultuurlandschap is onderscheid gemaakt tussen landschapstypen en nederzettingstypen. De nederzettingstypen die in deze fase gekarteerd en beschreven worden, vormen de 19e-eeuwse kernen die onlosmakelijk verbonden waren met het historisch cultuurlandschap. Wanneer de bebouwing sterk verspreid gesitueerd is, hebben we deze binnen de landschapstypering
4
Voor het zuidelijk deel van het plangebied dateert de laatste vooroorlogse topografische kaart uit 1929 (blad 691), terwijl het noordelijk deel (blad 670) in 1943 nog opnieuw is uitgebracht. Te betwijfelen valt echter of de kaart toen echt geactualiseerd is, gezien de oorlogsomstandigheden. W e hebben daarom ook de Topografische Kaart van 1953 als ondersteunend materiaal gebruikt.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[13]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
niet meer als afzonderlijk nederzettingstype – los van het landschap – beschouwd, maar bekeken als onderdeel van een groter landschap.
Bij het karteren trachten we de wijze van ontginnen en de ruimtelijke vormen die dat heeft opgeleverd, in een heldere typologie te vangen. Het is als het ware een ontleed- of analysemethode om het aspect grondgebruik, maar ook verkaveling, etc. in een breder historisch-landschappelijk kader te kunnen plaatsen. De typering is dus sterk gericht op de ruimtelijke vormen en de verklarende factoren daarachter, namelijk het historisch landgebruik in relatie tot de ondergrond. Daardoor ontstaat een functioneeltypologische indeling, zoals akkers, beekdalen (beemden) en jonge heideontginningen. De interne variatie daarvan (met name de ruimtelijke variatie ten aanzien van natte of droge omstandigheden, regelmatige of onregelmatige structuren; zie ook hierna de criteria) hebben we in de subtypen gevangen. Om een dergelijke typologie te kunnen gebruiken is inzicht nodig in de fysische gesteldheid van de ondergrond en het menselijk gebruik van de gronden door de eeuwen heen. Als bronnen om dit te bewerkstelligen hebben we (extrapolaties van) aardkundige karteringen, historisch-topografische kaarten, luchtfoto’s en kaarten met veldnamen gebruikt. We hebben ons voornamelijk gericht op de periode omstreeks 1843 als ijkjaar en de dynamiek in de periode tot aan de bebouwingsfase in de late 20e eeuw in de typering betrokken.
Centraal in de gekozen methodiek voor de cultuurhistorische landschapstypering staat het landschapsof dorpstype zoals dat historisch te typeren is in relatie tot wat daarvan in de tegenwoordige stedelijke structuur nog terug te vinden is. Daarmee biedt de gedetailleerde typering, bruikbaar op perceelsniveau, een goede basis om de historische prestedelijke kwaliteiten van het bebouwde gebied te monitoren, te stimuleren en op andere wijzen te gebruiken voor gemeentelijk beleid. Het zorgvuldig karteren van het prestedelijk landschap is daarnaast een goede manier om cultuurhistorische waarden niet alleen te inventariseren, maar vooral ook planologisch te verankeren. Daarbij biedt deze manier goede mogelijkheden om cultureel erfgoed niet alleen te beschermen, maar ook op een positieve manier te ontwikkelen.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[14]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Figuur 3. In 1950 vormde de spoorlijn nog de scheiding tussen het stedelijk gebied in het zuiden en het landschap in het noorden. De Dommel loopt als prestedelijke structuur ingesnoerd door het stedelijk gebied (bron: gemeente Eindhoven, foto 26621).
Door middel van het helder krijgen van de essentiële en gedetailleerde kenmerken van de verschillende prestedelijke landschappen kan het landschap ook inspirerend werken en kunnen kansen en mogelijkheden optimaal benut worden. Historische contrasten tussen verschillende woonwijken met hun wortels in het prestedelijk karakter, zowel de hoofdlijnen als subtiele verschillen, kunnen versterkt worden (figuur 3). Daarvan profiteert niet alleen het landschap zelf, maar ook bijvoorbeeld de gebruikers, bewoners en recreanten die elk op hun eigen manier met het landschap te maken hebben. Het karteren van landschaps- en dorpstypen dient systematisch en consequent plaats te vinden. Binnen elk landschaps- en dorpstype zou de variatie zo gering mogelijk moeten zijn. Uiteraard is dat nooit volledig te bereiken, omdat het landschap per definitie veelvormig is en je altijd zult moeten generaliseren. Desondanks zijn de afgelopen jaren met succes ruimtelijk-genetische classificatiesystemen voor het historisch cultuurlandschap ontwikkeld, passend in een Wageningse 5
traditie van landschapstypologie bij de Stichting voor Bodemkartering en zijn opvolgers. Daarin spelen enerzijds ontginningseenheden en de ruimtelijke vormen die zij hebben traditioneel een belangrijke rol,
5 Baas & Brand, 2011; W ageningen is één van de fundamenten van de historische geografie in Nederland, achtereenvolgens onder leiding van dr. A.W . Edelman-Vlam (1909-1999), A.D.M. Veldhorst, prof. drs. J.A.J. Vervloet en hun medewerkers aan de Stichting voor Bodemkartering, DLO-Staring Centrum, Alterra en de Wageningen Universiteit. Toepassing van kennis in beleidsvorming is altijd een pijler geweest binnen de W ageningse instituten. Daarom wordt er wel gesproken over W ageningse tradities binnen de historische geografie. Zie bijvoorbeeld ook de regionale studie van Chris de Bont (1993) over Midden- en Oost-Brabant.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[15]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
en anderzijds wordt de top-downbenadering van belang geacht: eerst nagaan wat het grotere historisch-landschappelijke kader is, daarna inzoomen op de detailkenmerken om uiteindelijk bij de stoffering, de elementen, uit te komen. De manier van classificeren die we voor het landschap van de gemeente Eindhoven hebben toegepast, sluit dus aan op deze Wageningse methode. In de kern komt het erop neer dat we op basis van de kenmerken van het landschap in de 19e en 20e eeuw het landschap in een aantal hoofdtypen indelen, die vervolgens weer onderverdeeld zijn in subtypen. Deze hoofdtypen worden gezien als belangrijke ontginningsvormen in het Nederlandse landschap en zijn nauw verbonden met de fysieke ondergrond: het zijn verschijnselen, samenstellende onderdelen, die we op de zandgronden van Nederland tegenkomen. Bij de verdeling van de hoofdlandschappen in kleinere gebieden (subtypen) werd als stelregel gehanteerd dat een belangrijk deel van de ruimtelijke variatie binnen deze subtypen gevangen moest worden. De onderverdeling in subtypen is gemaakt op basis van een aantal criteria: 1.
verschil in vorm, regelmaat en positionering van de verkaveling;
2.
verschil in historisch en hedendaags grondgebruik (grasland, akkerland of opgaand bos);
3.
verschil in genese (hoe heeft het landschap zich ontwikkeld tot dat zoals het in de 19e/20e eeuw oogde);
4.
verschil in natte/droge omgeving (grondwatertrappen);
5.
verschil in openheid/geslotenheid voor wat betreft opgaand groen.
Sommige landschapstypen laten zich in slechts één of enkele subtypen onderverdelen vanwege de relatief grote eenvormigheid van de structuur, andere zijn ruimtelijk zo veelvormig dat er meerdere subtypen onderscheiden moesten worden (tabel 1). Elk subtype onderscheidt zich dus, als het goed is, als een zelfstandig, ruimtelijk van het naastgelegen gebied te onderscheiden deelgebied dat een eigen functie had binnen het agrarisch landgebruik. In vrijwel alle gevallen werd gezocht naar landschappelijke diversiteit binnen de landschappen zoals deze zich tussen omstreeks 1840 en het moment van verstedelijking manifesteerden – en deels ook al daarvoor. Dat laat onverlet dat het mogelijk is dat er landschapsontwikkelingen plaats hebben gevonden die niet in een classificatiesysteem te vangen zijn. Daarbij moeten we ons steeds realiseren dat de indeling niet op basis van harde getalsmatige beoordelingen zijn gestoeld, maar op indrukken van de ruimtelijke structuur en het daaraan gekoppelde historisch gebruik in een historisch-geografisch perspectief.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[16]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
kampontginningen met plaatselijk essen
code
open akker
Ka1
akker met zichtbare perceelsscheidingen
Ka2
kampontginning met landgoedkenmerken
Kb1
droge kampontginning
Kk1
droge kampontginning met bebouwing
Kk2
vochtige kampontginning
Kn1
rationele kampontginning met landgoedkenmerken
Kr1
beekdalen en broeken beekdal met strookvormige verkaveling
Bs1
beekdal met strookvormige verkaveling, met bos
Bs4
beekdal, onregelmatig verkaveld
Bo1
beekdal met landgoedkenmerken
Ba1
landschappelijke laagte, al dan niet met graaf
Bl1
oude heideontginningen kleinschalige heideontginning, zeer onregelmatig, met opgaand bos
Ob2
kleinschalige heideontginning, open
Ob3
kleinschalige heideontginning met opgaand groen
Oh1
oude bossen vroege heidebebossing
Ub1
vroege heide- of beekdalbebossing met landgoedkenmerken
Ub2
complex van hakhoutbosjes
Uh1
uitgestrekt broekboscomplex
Uh2
landgoederen en buitenplaatsen buitenplaats
Lb1
ontginningslandgoed
Lb2
parkbos, aanvankelijk met cultuurland
Lp1
jonge heide- en broekontginningen actieve heidebebossing
Hb1
spontane heidebebossing
Hb2
droge landbouwontginning
Hl1
vochtige landbouwontginning
Hl2
droge landbouwontginning, onregelmatig gevormd
Hl3
voormalig heiderestant, diverse functies
Hv1
terrein voor delfstoffenwinning
Hw1
nederzettingen dorpskern
Sd
historisch gehucht
Sg
stadskern
Ss
Tabel 1. De onderscheiden landschaps- en nederzettingstypen, met de onderscheiden hoofd- en subtypen.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[17]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
2.2.3
Herkenbaarheid
Het vaststellen van de herkenbaarheid is een middel om na te gaan in welke mate de kenmerken van het prestedelijk landschap nu nog in het stedelijk weefsel doorklinken. Die herkenbaarheid kan zich op verschillende niveaus manifesteren, van een grove aansluiting bij de oude verkaveling tot de pleksgewijze integratie van oud groen, infrastructuur en/of bebouwing. Om tot een afgewogen score te komen hebben we niet gebruik gemaakt van een aantal deelcriteria, maar hebben we één score (hoog, middel, laag) toegekend die naar ons gevoel zo goed mogelijk weergeeft wat er op die plek aan de hand is. Afhankelijk van de omvang en de beleefbaarheid van het prestedelijke karakter is er een score toegekend. Wijken waar bijvoorbeeld enkele oude structuren in zijn ingepast of (bredere) structuren op zichzelf die een herinnering aan de vroegere situatie met zich 6
meedragen , krijgen een ‘middel’-score, terwijl gebieden die nagenoeg intact zijn, waar prestedelijke elementen een belangrijk stempel op het karakter drukken (zoals villaparken in jonge heidebebossingen) of waar structuren aanwezig zijn die een heel belangrijke (hoofd)rol in de omgeving spelen (zoals de grotere beekdalen), een hoge score toegekend hebben gekregen. Alle andere gebieden zijn als laag opgenomen.
2.2.4
Lacunes
Ten aanzien van het onderzoek naar het prestedelijk karakter van Eindhoven hebben we ons in hoofdzaak op kaartstudie gebaseerd. Tevens is enige literatuur ten aanzien van de historische ontwikkeling en stedenbouwkundige geschiedenis van Eindhoven geraadpleegd (zie literatuurlijst 7
achterin). We hebben echter geen primair bronnenonderzoek (archiefonderzoek) kunnen doen naar de overwegingen om bepaalde structuren wel of niet te behouden bij de stedelijke inrichting van een gebied. Zo zou het interessant zijn om na te gaan welke overwegingen een rol hebben gespeeld om delen van de Woenselsestraat-Vlokhovensestraat als lint wel te behouden, maar deze wel plaatselijk te onderbreken. We weten dat het past binnen de ontwerpoverwegingen van die tijd, maar heeft men er ook specifiek over nagedacht en daar uitspraken over gedaan? Waren er problemen ten aanzien van de onteigening, of waren er andere praktische of procedurele redenen? In het archief van het Gemeentebestuur Eindhoven 1933-1969 zijn er stukken over de onteigening voor de verschillende woonwijken aanwezig die hier meer licht op zouden kunnen werpen.
2.3 Landschapselementen en bouwkunst 2.3.1
Kartering
Algemeen Voor het karteren van landschapselementen hebben we primair gebruik gemaakt van het kadastraal minuutplan uit 1832, de topografisch-militaire kaart uit 1836-1843, diverse reeksen van de Chromotopografische Kaart des Rijks en de topografische kaarten vanaf 1953. Voor de afzonderlijke landschapselementen is dit vervolgens op uiteenlopende manieren nader uitgewerkt. In verstedelijkt gebied bleken de kadastrale minuutplans slechter te georefereren te zijn dan in landelijk gebied. Daardoor is de onnauwkeurigheid van de getekende structuren die nu verdwenen zijn en
6
Zoals beekdalen die tot parken met vijvers zijn omgevormd. Een uitgebreide literatuur- en archiefstudie viel buiten de kaders van deze opdracht. W e verwachten echter niet dat aanvullende detailinformatie veel invloed op de waardering zal hebben, juist omdat voor de gebieden alleen de ‘mate van herkenbaarheid’ is vastgesteld en expliciet géén waardering is uitgesproken. Daarvoor is juist aanvullend stedenbouwkundig onderzoek nodig, en pas dan kan – integraal – een waardering worden uitgesproken. 7
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[18]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
waarvan geen ankerpunt in het huidige landschap meer te vinden is, iets groter. Met ander bronnenmateriaal, zoals luchtfoto’s uit de aanlegperiode van de verschillende wijken, is de situering nader gecontroleerd. Ten aanzien van de minuutplans is belangrijk te melden dat een deel van de oorspronkelijke minuutplans van het huidig grondgebied van de gemeente Eindhoven verloren is gegaan. Een deel kon worden gereconstrueerd, voor een deel lijken jongere karteringen toegevoegd te zijn aan de database van minuutplans in de collectie van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (zonder melding van de jongere oorsprong) en voor één gebied, namelijk het noordelijk deel van Gestel, ontbreken de minuutplans volledig. Dat betekent dus, dat waar ‘1832’ staat, in een aantal gevallen de gekarteerde situatie in de praktijk iets jonger zal zijn. Tevens vertoont de kartering voor het noordelijk deel van Gestel hiaten, bijvoorbeeld omdat daar de historische nederzettingslocaties alleen op huisblokniveau vanaf het verzamelplan gekarteerd konden worden. Infrastructuur In de categorie ‘infrastructuur’ hebben we alle historische wegen en spoorlijnen met historische relevantie opgenomen. Daarbij zijn we primair uitgegaan van een tweefasige uitwerking, namelijk de infrastructuur die vóór 1832 was aangelegd en de infrastructuur die in de periode 1832-1953 tot stand was gekomen.
Van beide categorieën zijn zowel de bestaande, als nog herkenbare (maar verlegde) als verdwenen structuren opgenomen. Daarmee is de totale structuur zoals die ooit bestond inzichtelijk gemaakt, met uitzondering van de structuren die ná 1832 ontstonden maar vóór 1953 alweer verdwenen waren. Daarnaast is er een onderscheid gemaakt tussen wegen en paden. Dit onderscheid is ontleend aan de aanduiding op zowel de kadastrale minuutplans (1832), als op de verschillende generaties topografisch kaartmateriaal van daarna. Ook zijn de bestaande en verdwenen plaetsen, agrarische gebruiksruimten, ingetekend. Daarnaast hebben we de spoor- en tramlijnen binnen het onderzoeksgebied ingetekend. Door de aard van de kartering gaat het daarbij om enkele uitsneden uit een veel uitgebreider spoorwegnetwerk. Waterstaat Ook voor de categorie ‘waterstaat’ vormde het kadastraal minuutplan het belangrijkste vertrekpunt. Net als bij de infrastructuur hebben we een onderscheid aangebracht tussen de bestaande, nog herkenbare en verdwenen structuren. De verschoven watergangen hebben daarnaast een afzonderlijke aanduiding gekregen. Ook de kanalen hebben een eigen legenda-eenheid gekregen. Daarnaast hebben we op basis van kaartmateriaal van diverse aard ook locaties van bruggen, duikers en vonders aangeduid.
Hiermee is vooral het feit dat er een object van die aard aanwezig is bedoeld, niet de aanwezigheid van historisch materiaal. Daarnaast zijn ook molenkolken, vennen en enkele andere waterpartijen ingetekend, zowel de bestaande als verdwenen exemplaren. Bestuur In de laag ‘bestuur’ zijn geen fysieke objecten opgenomen, maar wel de verschillende generaties van gemeentegrenzen die hebben bestaan. Hieruit is af te leiden hoe de gemeente Eindhoven sinds 1874 in fasen gegroeid is, en tot welke gemeenten de geannexeerde deelgebieden voorheen hoorden.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[19]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Opgaand groen De kartering van opgaand groen heeft, om een zo goed mogelijk resultaat te bereiken, op diverse manieren plaatsgevonden. Allereerst hebben we op basis van historisch kaartmateriaal en dan vooral de TMK van 1836-1843 en de Topografische Kaart van 1953, in kaart gebracht welke historische bossen er in de vroege 19e eeuw al aanwezig waren, welke daarvan zijn verdwenen en welke bossen in de late 19e of vroege 20e eeuw pas zijn aangeplant. Daarmee hebben we echter nog niet het lijnvormig groen te pakken. Een optimaal vertrekpunt hiervoor was het gemeentelijk bomenbestand, dat voor de hele gemeente meer dan 120.000 bomen bevat. Nadat we dit hadden bijgesneden met de grenzen van het onderzoeksgebied, hebben we een vergelijking gemaakt met diverse generaties historisch kaartmateriaal en oblique luchtfoto’s uit de collectie van de gemeente Eindhoven. Daarbij hebben we twee typen historisch groen overgenomen: - groen langs historische landschappelijke structuren (wegen, kavelgrenzen); - solitair groen dat bij de ontwikkeling van het stedelijk gebied bleef staan en nu nog aanwezig lijkt te zijn. Daarnaast hebben we ook enig particulier groen opgenomen waarvan duidelijk is dat het bijvoorbeeld relicten van oude laanbeplanting betreft, langs wegen die inmiddels zijn opgeheven.
Verder is relevant om op te merken dat we in een enkel geval ook jonger groen dan 1953 hebben opgenomen, omdat we de bijbehorende landschappelijke structuur relevant achten. Dat geldt bijvoorbeeld voor de verschillende begraafplaatsen. Alle monumentale bomen zijn op kaart gezet; hieruit is geen selectie genomen. In zijn algemeenheid geldt dat het gemeentelijk bomenbestand nog verre van volledig is. De komende jaren zal het bomenbestand van de gemeente verder gevuld en verbeterd gaan worden. Veldonderzoek blijft altijd nodig bij planvorming. Religie en funerair erfgoed Op basis van historische kaartstudie konden grotere complexen van funerair erfgoed in kaart worden gebracht. Het gaat daarbij in de eerste plaats om uiteenlopende typen begraafplaatsen. Alhoewel we voor het landschap het jaar 1940 als (grove) eindgrens hanteren, hebben we deze eindgrens voor deze categorie opgeschroefd naar 1970. Belangrijkste reden daarvoor is dat funerair erfgoed een zodanig beeld geeft van de ‘omgang met de doden’ en bovendien de bevolkingssamenstelling in de decennia voorafgaand aan de teraardebestelling van de dode reflecteert, dat we die ook voor onze onderzoeksperiode al van belang achten. Verkaveling De kartering van nog aanwezige historische kavelgrenzen vond plaats door middel van een vergelijking tussen het kadastraal minuutplan uit 1832, recente luchtfoto’s en het AHN2.
Daarnaast zijn, hoofdzakelijk op basis van veldverkenning en aangevuld met bureaustudie, panden ingetekend die een oriëntatie of rooilijn hebben die afwijkt van de huidige infrastructuur daaromheen. Ze verraden daarmee iets van de vroegere structuur rondom de panden.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[20]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Reliëf Door de beschikbaarstelling van de nieuwe generatie van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN2) is het tegenwoordig mogelijk relatief kleine reliëfverschijnselen, zowel in omvang als in de hoogte van het reliëf, op te sporen. Veel van dat reliëf is in het veld met het blote oog niet of nauwelijks waarneembaar. Het gaat hoofdzakelijk om wallen of paden met greppels, om rabattenbossen en om niet nader gedefinieerde kuilen. Beschermde monumenten Op basis van de gemeentelijke databases zijn de beschermde monumenten zonder nadere bewerking op kaart gezet. Er is een uitsplitsing gemaakt tussen gemeentelijke monumenten en rijksmonumenten. Overige karakteristieke gebouwde objecten zijn niet opgenomen.
Figuur 4. De wijze van karteren van de Erfgoedkaart wijkt af van die van de cultuurhistorische waardenkaart.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[21]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Historische nederzettingslocaties Op basis van het kadastraal minuutplan hebben we de oudst karteerbare generatie huisplaatsen ingetekend. Daarbij hebben we in principe alle gebouwen ingetekend. De keuze voor de laag ‘ 1832’ is gemaakt om de structuur van de erven in het landschap in beeld te brengen. De laag sluit als puntenlaag aan op de vlakkenlaag van de Erfgoedkaart gemeente Eindhoven. De puntenlaag geeft op het detailniveau van een individueel erf wat meer informatie over de positie van de verschillende gebouwen binnen een erf (zie figuur 4).
2.3.2
Waardering
Voor elk van de elementcategorieën zoals hiervoor benoemd is een set criteria uitgewerkt, tot een aantal van maximaal drie per categorie. Op basis van deze criteria is een goed beeld te krijgen van de waarde van een individueel element. Historische nederzettingslocaties, bestuurlijke grenzen en verkaveling zijn niet gewaardeerd, het eerste omdat die waardering niet los gezien kan worden van de waardering van de individuele bouwkunst (die niet uitgevoerd is), de tweede omdat daarvan geen fysieke resten zijn en de derde omdat we de verkaveling liever als integraal onderdeel van een landschapstype presenteren. De waarde van de individuele kavelgrenzen is derhalve sterk gerelateerd aan de waarde van het gebied als geheel. Voor de overige elementcategorieën hebben we de volgende criteria aangehouden (tabel 2):
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[22]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
laag
waarde 1
infrastructuur_lijn, infrastructuur_vlak
materialisering (zand, halfverharding, klinkers, asfalt):
waarde 2
waarde 3
profiel: 1: ‘4-baansweg’
1: materialisering verdwenen
2: sterk verbreed / vrijliggend fietspad
2: geasfalteerd / moderne bestrating
3: verbreed
4: halfverhard / passende klinkerbestrating
5: ongewijzigd
4: licht verbreed
historisch gezien wel/niet opgaand groen: 1: volledig verdwenen 2: meer dan de helft verdwenen 3: niet beplant, nu wel beplant 4: licht gewijzigd / minder dan de helft verdwenen / niet beplant, nu licht beplant
5: onverhard / ongewijzigd
5: ongewijzigd / beplanting verdicht infrastructuur_punt
staat van materialisering
ensemblewaarde
zeldzaamheid
waterstaat_lijn
profilering:
waterstaat_punt
1: gekanaliseerd
historisch gezien wel/niet opgaand groen 8
bijzonderheid: structurerende karakter
2: sterk verbreed
1: volledig verdwenen
3: verbreed
2: meer dan de helft verdwenen
3: geen structurerend karakter
4: licht verbreed
3: niet beplant, nu wel beplant
5: wel structurerend karakter
5: ongewijzigd
4: licht gewijzigd / minder dan de helft verdwenen / niet beplant, nu licht beplant
brug/duiker:
brug/duiker: 5: aanwezig op historische locatie
5: ongewijzigd / beplanting verdicht brug/duiker: -
bomen_lijn
landschappelijke hiërarchie van de beplanting 3: herkenbaar als lijn, maar geen structurerend element 4: structurerend element heideontginning, broekontginning, begraafplaats, langs kanaal 5: structurerend element beekdal, kampontginning, hoofdwegen, landgoed
intactheid van de laan, wel/niet onderdeel van groter geheel
3: geen origineel / omgeving sterk gewijzigd 4: geen origineel / omgeving gewijzigd 5: origineel / omgeving weinig gewijzigd -
2: onduidelijk restant van een ooit langere lijn 3: niet-aaneengesloten restant van een ooit langere lijn, bestaand uit jonge bomen of geen onderdeel van een groter geheel 4: goeddeels aanwezige lijn, bestaande uit meerdere beeldbepalende/monumentale bomen of onderdeel van een groter geheel 5: lange aanwezige lijn, bestaande uit meerdere beeldbepalende/monumentale bomen of onderdeel van een groter geheel
opgaandgroen_vlak
ouderdom van het bosje
gaafheid van de historische landschappelijke context
bijzonderheden / zeldzaamheid
1: context verdwenen
(reliëf / landgoed / parkaanleg / …)
3: context deels aanwezig
1:niet bijzonder
5: context aanwezig
3:vrij bijzonder
3: voor 1953 5: voor 1843
8 Deels is groen dat de beek markeert nu wel in de laag ‘opgaand groen’ opgenomen, ook al is het niet historisch. Dit heeft te maken met de benadrukking van de lineaire structuur, hetgeen in stedelijk gebied naar onze mening relevant is.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[23]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
5: bijzonder reliëf_punt,
herkenbaarheid
lokale zeldzaamheid
ouderdom
1: nauwelijks herkenbaar
3: normale rabattenbossen of reliëflijnen
3: na 1843
5: goed herkenbaar
5: bijzondere rabattenbossen, karrensporen of loopgraven
5: voor 1843
Ouderdom 1: na 1950
Ensemblewaarde (som)
Bijzonderheid
-kerk/kapel: 1
1: funeraire functie verloren
3: na 1829
-kenmerkend groen (grote bomen): 1
2: algemene begraafplaats
-muur: 1
5: joodse begraafplaats
reliëf_lijn, reliëf_vlak
3: vaag aanwezig
funerair erfgoed
5: voor 1829
4: onbekend
4: christelijke begraafplaats
-oude of bijzondere graven (weinig / veel): 1 / 2
histned_vlak
Gaafheid van het element (bebouwing / profiel / opgaand groen / …)
gaafheid van de historische landschappelijke context
bijzonderheden / zeldzaamheid
2: context verdwenen
(reliëf / landgoed / parkaanleg / …)
2: omtrek intact, oppervlak gewijzigd
3: context deels aanwezig
1: niet bijzonder
4: context grotendeels aanwezig
3: vrij bijzonder
3: deels intact, deels gewijzigd
5: context aanwezig
5: bijzonder
4: licht gewijzigd 5: volledig intact
Tabel 2. Waarderingscriteria voor de landschapselementen.
Een totaalwaardering werd uiteindelijk berekend door de drie scores op te tellen en door drie te delen. Daardoor telt elk criterium even zwaar. De scores die uit deze berekening kwamen, zijn in vijf waarderingscategorieën (van niet gewaardeerd tot zeer hoog) verdeeld (tabel 3). De waardering wordt inhoudelijk gemotiveerd in de GIS-tabellen.
gemiddelde score
waardering
999
niet gewaardeerd (verdwenen)
0-1,6
basiswaarde
1,7-2,6
pluswaarde
2,7-3,6
middenwaarde
3,7-4,6
hoge waarde
4,7-5,0
zeer hoge waarde
Tabel 3. Scores en klassen van de waardering van de landschapselementen.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[24]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
3 Ontwikkeling van het landschap 3.1 Inleiding De prestedelijke landschapsgeschiedenis van Eindhoven is feitelijk grotendeels die van de voormalige plattelandsgemeenten die in de afgelopen anderhalve eeuw met de oude stad Eindhoven zijn samengevoegd (figuur 5). In dit hoofdstuk gaan we allereerst beknopt in op de landschapsgeschiedenis van de regio, en daarna op de structuur en territoriale geschiedenis van deze voormalige plattelandsgemeenten. Daarmee hopen we een duidelijk beeld te schetsen van de samenstellende onderdelen van de huidige stad Eindhoven, die als een rode draad door onze studie lopen. Waar de stedenbouwkundige geschiedenis immers vooral het verhaal van de eenwordende stad is, is het verhaal van het prestedelijk landschap precies het tegenovergestelde: hoe laat Eindhoven zich ontleden in de verschillende onderdelen? Vervolgens belichten we de drie kaartbijlagen nog kort. In het volgende hoofdstuk, hoofdstuk 0, zullen we het prestedelijk landschap van Eindhoven meer thematisch benaderen.
Figuur 5. De opbouw van het huidige grondgebied van de gemeente Eindhoven uit meerdere voormalige gemeenten. De wijzigingen van 2012 en 2017 zijn zo klein dat ze op deze schaal niet zichtbaar zijn.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[25]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
3.2 Algemene landschapsontwikkeling en bestuurlijke indeling 3.2.1
Algemene landschapsontwikkeling
Zuidoost-Brabant wordt gekenmerkt door een dekzandlandschap, waarbij in de ondergrond meerdere breuklijnen voorkomen die ook aan de oppervlakte herkenbaar zijn. De Feldbissbreuk loopt ten zuidwesten van Eindhoven langs, deels nog onder Eindhoven Airport door. Eindhoven zelf ligt daarmee in de Roerdalslenk. In deze paragraaf bespreken we niet de geologische wordingsgeschiedenis van dit gebied, maar laten we wel de hoofdstructuur of ‘geomorfologische kapstok’ van het gebied aan de orde komen.
Figuur 6. Maaiveldhoogtes in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven. Het landschap helt van zuid naar noordoost. De beekdalen zijn als blauw-groene zones herkenbaar, evenals de donkerbruine dekzandruggen ten noordwesten en zuidoosten van de binnenstad.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[26]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
De Roerdalslenk wordt doorsneden door een netwerk van beekdalen, waarbij de afwatering in noordelijke richting loopt. Gaandeweg pikt de hoofdloop van de Dommel steeds meer kleinere en grotere stroompjes op. Karakteristiek voor Eindhoven is de samenvloeiing van meerdere beken in de directe omgeving van de vroegere omwalde stad. De samenvloeiing van Dommel en Kleine Dommel of Rul (ten zuidoosten van Eckart), van Dommel en Tongelreep (in het huidige Dommelplantsoen) en Gender en Dommel (voorheen via de stadsgracht bij het kasteel Die Haghe) zijn herkenbare voorbeelden. De waterloop Ekkersrijt is een voorbeeld van een waarschijnlijk grotendeels gegraven waterloop, die bij Son uitmondde in het systeem van de Groote Beek. Die beek kwam op zijn beurt in de dorpskern van Son weer in de Dommel uit. Langs de beekdalen en in de oksels van plaatsen van samenvloeiing liggen dekzandruggen waaraan de vroegere gehuchten en dorpen gesitueerd waren. De stad Eindhoven is gesticht nabij het samenvloeiingspunt van Gender en Dommel. Het stedelijk gebied is in opdracht van de gemeente Eindhoven nader gekarteerd (figuur 7). Het gebied kent een pakket dekzandafzettingen, waarbij voornamelijk nabij de beekdalen het dekzand tijdens het Pleistoceen tot ruggen is opgewaaid.
Als vanaf het Neolithicum de mens honkvaster wordt en landbouw gaat bedrijven, groeit de invloed van de mens op het natuurlijke landschap snel. De mens laat zich niet alleen leiden door de structuur van de ondergrond, maar ook verandert de natuurlijke situatie door de invloed van de mens. De veranderende hydrologie als gevolg van bovenstroomse ontbossing is daarvan een goed voorbeeld. De mens kiest regelmatig voor andere plekken in het landschap om te wonen en te werken, afhankelijk van bodemvruchtbaarheid, agrarisch bedrijf en hydrologische omstandigheden. Als de Brabander, want zo mogen we hem op dat moment langzaam gaan noemen, in de 12e en 13e eeuw zijn nederzettingen verplaatst naar de randen van de dekzandruggen, ontstaat de landschappelijke inrichting waaruit het bekende historisch cultuurlandschap is voortgekomen. Vanaf dat moment zien we een schoksgewijs steeds intensiever gebruikt wordend landschap. De privatisering van de beekdalen en de opkomst van de plaggenlandbouw zijn twee laatmiddeleeuwse ‘uitvindingen’ om de groeiende hoeveelheid monden te voeden.
9
De structuur van plattelandsgemeenschappen buiten de vestingstad, deels als lintnederzettingen langs uitvalswegen, is al heel duidelijk herkenbaar op de stadsplattegrond van Jacob van Deventer uit omstreeks 1560 (figuur 9). Ook herkennen we op die kaart de kerken van Woensel en Stratum met de nabijgelegen bebouwingsconcentraties.
10
Het landschap uit het midden van de 19e eeuw vervolgens,
zoals afgebeeld op landsdekkende topografische kaarten, staat symbool voor de resultante van alle vernieuwingen uit de 12e tot 19e eeuw die zich merendeels binnen de bestaande geomorfologische omstandigheden uitkristalliseerden (figuur 8).
9
Vangheluwe & Spek, 2008 Van Oorschot, 1982, 19-20
10
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[27]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Figuur 7. Geomorfologische kaart van Eindhoven en omgeving (bron: Erfgoedkaart gemeente Eindhoven).
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[28]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Figuur 8. Het cultuurlandschap van Eindhoven volgens de Topografisch-Militaire Kaart, omstreeks 1850.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[29]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Figuur 9. Reproductie van de stadsplattegrond van Eindhoven en omgeving, door Jacob van Deventer, 1557. We herkennen nog duidelijk de kerk van Woensel met aangrenzende bebouwing in het noorden, Strijp en Limbeek in het westen, De Bergen en Gestel in het zuiden en Stratum met zijn lintbebouwing in het zuidoosten. Ook de beekdalen van Gender en Dommel zijn duidelijk weergegeven.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[30]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
Figuur 10. Tracés van wegen die ook al op de kaart van Van Deventer (1557) staan, geprojecteerd op de huidige stadsplattegrond.
Vanaf de late 19e eeuw komen er min of meer gelijktijdig twee vernieuwingen op die invloed hebben op het ruimtegebruik in Eindhoven. Enerzijds is dat de stedelijke ontwikkeling als gevolg van de snelle uitbreiding van de industrie in Eindhoven. Eindhoven was nog in 1832 qua oppervlakte één van de kleinste gemeenten van Nederland, uitsluitend bestaand uit de binnenstad en het westelijk aangrenzend gebied van De Bergen. Een eerste uitbreiding vond in 1874 plaats, omdat tot dan toe het station in Eindhoven op grondgebied van de buurgemeente Woensel lag. Enige decennia daarna werd er nog een ansichtkaart naar Eindhoven gestuurd, met als plaats van bestemming ‘Eindhoven (bij Woensel)’, om maar aan te geven dat qua inwonertal Eindhoven achterbleef bij grote buur Woensel.
11
Als gevolg van de stormachtige ontwikkeling na de eeuwwisseling werden in 1920 Eindhoven, Gestel en Blaarthem, Stratum, Strijp, Tongelre en Woensel en Eckart samengevoegd tot één gemeente. In die jaren was de verstedelijking van Eindhoven nog ongelijk verdeeld. Waar ervoor nog uitsluitend sprake
11
Eigen waarneming auteur; hoe algemeen dit gevoel leefde is onbekend, maar dát het leefde is wel van betekenis.
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[31]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
was van de binnenstad, De Bergen en de vele lintbebouwing naar de dorpen, ontstonden in de jaren 20 van de 20e eeuw de eerste woonwijken in Woensel, en daarna ook in Strijp en Stratum (figuur 11). Opvallend maar niet opmerkelijk is dat de eerste bouwprojecten plaatsvonden op de goed bebouwbare oude akkercomplexen, waardoor Eindhoven de vorm van een gekantelde zandloper met de Gender en Dommel als zuidwestelijk-noordoostelijke taille kreeg (zie § 3.10). Het verschil tussen nat en droog zou nog lange tijd een bepalende factor in de stedenbouw blijven, waarbij de inrichting van het terrein van de Technische Hogeschool in het beekdal van de Dommel en het sparen van de omgeving van Gennep karakteristieke voorbeelden zijn. Tegelijk zouden eigendomsverhoudingen, ruimtelijke ontwerpprincipes en de relatie met grote infrastructuur (weg, spoor, kanaal) minstens zo bepalend worden voor de stedenbouwkundige ontwikkeling als het onderliggende landschap.
Figuur 11. De vroegste uitbreidingswijken van de gefuseerde gemeente, aan weerszijden van het dal van de Dommel en Gender (Chromotopografische Kaart des Rijks, 1928-1929).
RAAP-rapport 3398 / versie 01-02-2019
[32]
Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven
De tweede ontwikkeling is de transitie van de landbouw. Daarbij kunnen we denken aan de omzetting van heidevelden in landbouwgrond, met Heidelust in Strijp als een fraai en vroeg voorbeeld uit de eerste helft van de 19e eeuw (nu: Philips De Jonghpark en bosgebied aan overzijde van spoorlijn). Buiten de beekdalen en dekzandruggen lagen namelijk vlakkere dekzandgebieden, die ten behoeve van het agrarisch bedrijf als gemeint (gemeenschappelijke woeste gronden, in beheer bij het dorpsbestuur) gebruikt werden en in de 19e en 20e eeuw werden ontgonnen. Een ander aspect is de langzame schaalvergroting en rationalisering van de landbouw. Door de technologische voortgang werd de ondergrond steeds minder belangrijk, en kon men gaan akkeren in de beekdalen en koeien laten grazen op de akkers.