CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

22bst00761 - Bijlage 1a - Toelichting archeologische verwachtingen- en waardenkaart

Gemeenteraad 21 juni 2022, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Actualisatie archeologische verwachtingen- en waardenkaart gemeente Eindhoven33.815 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Deze categorie is verder niet apart genummerd zoals hierboven, maar wel is elk vlak met naam aangeduid in ArcGis. Stortplaatsen 1930-1960 Tegenwoordig wordt afval vrijwel volledig hergebruikt of verbrand. De huidige samenleving laat nauwelijks afval achter. Dit geldt eveneens voor de fysieke resten van mensen: na afloop van de huurperiode op begraafplaatsen worden botresten van begraven individuen geruimd en de botresten in een verzamelkuil herbegraven of gecremeerd; het merendeel wordt echter gecremeerd. Na sloop van gebouwen worden ook de funderingen verwijderd. Het op langere termijn voortbestaan van digitale informatie blijft onzeker. Voor toekomstige generaties vallen daarom voor wat betreft de huidige tijd fundamentele archeologische en historische informatiedragers weg.

101

Grotendeels gebaseerd op info uit Arts 2020.

56

Voormalige stortplaatsen uit de vorige eeuw zijn vrijwel de laatste plekken waar afval is gedumpt. Dat ze archeologisch en historisch relevante informatie kunnen bevatten blijkt in Eindhoven onder meer uit vondsten tijdens de sanering van de stortplaats Engelsbergen in 2005-2007 en vondsten uit de stortplaats Poelhekkelaan omstreeks 2000. De provincie Noord-Brabant beheert een digitaal toegankelijk overzicht van voormalige stortplaatsen (https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/stortplaatsen). Telkens worden de begrenzingen nauwkeurig aangegeven met een link naar bijbehorende milieukundige onderzoeksrapporten met daarin ook enige historische informatie. In Eindhoven gaat het om 18 verschillende stortplaatsen. Ze liggen zowel in de leemputten van voormalige steenfabrieken, in een andere diepe ontgronding of in een beekdal. Na de sluiting van de stortplaats zijn ze meestal afgedekt met een deklaag die varieert van 0,2 tot 1,2 meter. De zes stortplaatsen met huisafval ouder dan circa 1960 worden als archeologisch relevant beschouwd. Stortplaatsen van latere datum bevatten naast huisafval een grote hoeveelheid bedrijfsafval, bouwpuin, sloopafval en chemisch afval en zijn hier derhalve niet opgenomen. Het betreft de volgende locaties: •

Velddoornweg: Stortplaats met huishoudelijk afval uit de jaren 1953-1963.

•

Engelsbergen: Stortplaats van huishoudelijk afval, vermoedelijk uit de jaren circa 1930 tot kort na 1945.

•

Poelhekkelaan: Stortplaats met huishoudelijk afval uit de jaren 1930-1940.

•

Nabij de Dommel A en B: Stortplaatsen met huishoudelijk afval uit de jaren 1938-1943.

•

Ruwenberg: Stortplaats met huishoudelijk afval uit de jaren 1936-1945.

57

4

Toelichting op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart

4.1

Verschillende waarden en verwachtingen

Het doel van de archeologische verwachtingen- en waardenkaart is het visueel inzichtelijk maken van de aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. De archeologische verwachtingen- en waardenkaart van de gemeente Eindhoven (zie figuur 28) vormt de basis voor de archeologische beleidskaart. Op basis van het ontwikkelde verwachtingsmodel worden binnen het grondgebied van de gemeente Eindhoven acht zones van archeologische verwachtingen of waarden onderscheiden:

1.

1)

Gemeentelijke archeologische monumenten

2)

Terreinen van hoge archeologische waarde

3)

Terreinen van archeologische waarde

4)

Gebieden met een hoge archeologische verwachting, historische kern

5)

Gebieden met een hoge archeologische verwachting

6)

Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting

7)

Gebieden met een lage archeologische verwachting

8)

Gebieden zonder archeologische verwachting

Gemeentelijke archeologische monumenten: van deze gebieden staat op basis van archeologisch onderzoek of waarnemingen vast dat hier belangrijke archeologische resten in de grond zitten. Deze terreinen vallen onder de vergunningplicht van de gemeente op basis van de erfgoedverordening.

2.

Terreinen van hoge archeologische waarde: Hiertoe behoren die delen van de gemeente waar op basis van óf archeologisch onderzoek, óf de bekende archeologische waarnemingen en/of de bekende historische gegevens van het terrein vaststaat dat hier belangrijke archeologische resten in de grond zitten. Voor Eindhoven is dit bijvoorbeeld de middeleeuwse stadskern, het kasteelterrein van Eckart en de oudste begraafplaatsen. Een overzicht van alle archeologisch waardevolle gebieden is te vinden in hoofdstuk 3.

3.

Terreinen van archeologische waarde: Hiertoe behoren die delen van de gemeente waar op basis van óf de bekende archeologische waarnemingen en/of de bekende historische gegevens (vrijwel) vaststaat dat hier belangrijke archeologische resten in de grond zitten. Specifiek gaat het om de historische dorpskernen en buurtschappen van Eindhoven, resten uit de Tweede Wereldoorlog en naoorlogse stortplaatsen. De historisch bekende erven en gehuchten zijn overgenomen van de kadasterkaart van 1832 waar met grote waarschijnlijkheid archeologische resten verwacht kunnen worden. De verwachting wordt bevestigd door de deels nog aanwezige historische bebouwing in de vorm van boerderijen en woonhuizen. Een overzicht van alle archeologisch waardevolle gebieden is te vinden in hoofdstuk 3.

4.

Gebieden met een hoge archeologische verwachting, specifiek de bufferzones rondom historische dorpskernen en buurtschappen van Eindhoven. De historisch bekende erven en gehuchten zijn overgenomen van de kadasterkaart van 1832. In de randzone van deze bekende bebouwing is naar alle waarschijnlijkheid sprake van activiteitenzones die samenhangen met deze historisch bekende bewoning. Hieronder vallen verder ook de crashsites van vliegtuigwrakken en de terreinen waar een complex aan sporen uit de Tweede Wereldoorlog aanwezig kunnen zijn.

58

5.

Gebieden met een hoge archeologische verwachting. Hieronder vallen die delen van de gemeente waar, op basis van de in het model gebruikte aantallen, met grote waarschijnlijkheid archeologische resten verwacht kunnen worden; het gaat hierbij hoofdzakelijk om de hoger gelegen dekzandruggen, maar ook de hoge verwachtingszones rond oude vennen en voorden. Het grootste deel van alle bekende archeologische vindplaatsen in Eindhoven bevindt zich in deze zones. Ook de bij de verschillende archeologische onderzoeken bekend geworden vindplaatsen zijn veelal gelegen in zones met een hoge archeologische verwachting.

6.

Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting, waaronder ook de beekdalen met een specifieke archeologische verwachting. Deze categorie is onderscheiden, omdat de gebruikte bodemen geomorfologische kaarteenheden zonder nader veldonderzoek niet eenduidig aan één van de andere categorieën toegewezen kunnen worden. Het zijn vooral de lager gelegen dekzanden met lage enkeerdgronden en de drogere minder vruchtbare podzolbodems. Binnen deze zones kunnen terreinen liggen waar door erosie of uitloging alle archeologische waarden verdwenen zijn, naast terreinen waar door afdekking met plaggen eventueel aanwezige archeologische waarden juist zeer goed geconserveerd zijn. Deze gronden zijn vooral gelegen in de (voormalige) heidegebieden. De prehistorische vindplaatsen geven aan dat bewoning in de prehistorie mogelijk is geweest. Deze kunnen echter wel opgeruimd zijn door de hier in de 19e en 20e eeuw uitgevoerde ontginningen, de aanwezige woonwijken en bedrijfsterreinen en natuurlijke bodemprocessen als verstuiving en uitloging.

7.

Gebieden met een lage archeologische verwachting. Binnen deze zones kunnen wel archeologische waarden aangetroffen worden. Echter, op basis van de geomorfologie en de bodemkundige kenmerken van het terrein (beekdal, veldpodzol, vlakvaaggronden, e.d.) of vanwege het verwachte incidentele en extensieve gebruik van de zones (depositielocaties, veeweiden, grondstofwinning e.d.), is de trefkans laag. Recente inzichten wijzen er ook op dat vooral beekdalen in een zeer dunne spreiding bijzondere vondsten kunnen bevatten, welke echter wegens hun geringe aantal meestal alleen bij grootschalige werkzaamheden aangetroffen zullen worden.

8.

Gebieden zonder archeologische verwachting. Dit zijn locaties waarvan bekend is dat ze door de mens grootschalig verstoord zijn. Het gaat om terreinen waarvan is vastgesteld dat de archeologie verdwenen of diepgaand verstoord is door ontgronding, nieuwbouw, ondergrondse leidingen, sanering of opgravingen.

Uit de inventarisatie naar het militaire erfgoed in de gemeente Eindhoven 102 zijn een groot aantal attentiegebieden naar voren gekomen. Ze zijn op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart opgenomen als attentiegebied, omdat de exacte locatie niet bekend is, dan wel de exacte ligging van de archeologisch relevante objecten binnen de kampementen niet bekend zijn. Voor deze locaties geldt de onderliggende archeologische verwachting/waarde. Bij uitvoering van archeologisch (voor)onderzoek waarbij dergelijke attentiegebieden binnen het plangebied liggen, dient specifiek aandacht te worden besteed aan de ondergrondse militaire relicten en de waardering hiervan. Op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart is tot slot nog een aantal locaties aangegeven die mogelijk verstoord zijn, maar waar nog geen eenduidig beeld geschetst kon worden. Hierdoor kunnen deze terreinen niet zonder meer gevrijwaard worden van archeologisch onderzoek. De verstoringen 102

Snippenburg, Boshoven & Hesseling 2022.

59

moeten, indien er sprake is van bodemingrepen, gecontroleerd worden door middel van controlerende boringen, om aan te kunnen geven of het archeologische bodemarchief hier wel of niet verdwenen is.

4.2

Beperkingen van de archeologische verwachtingen- en waardenkaart

Bij het gebruik van een archeologische verwachtingen- en waardenkaart moet men zich bewust zijn van de beperkingen van een dergelijk instrument. De kaart heeft slechts een beperkte houdbaarheidsdatum en is na verloop van tijd gedateerd, omdat nieuwe archeologische onderzoeken leiden tot meer kennis over de bewoningsontwikkeling en de locatiekeuzen die mensen in het verleden maakten. Daarnaast schrijden de methoden en technieken van het onderzoek naar het landschap ook voort, zie bijvoorbeeld de verfijning van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Ook komen er steeds meer historische en archeologische open acces data tot onze beschikking, zie bijvoorbeeld de indicatieve kaart Militair Erfgoed, HisGIS, etc.. Een actualisatie van de kaart op basis van nieuwe gegevens en inzichten eens in de vijf jaar is dan ook aan te bevelen. Een probleem bij het ontwikkelen van archeologisch beleid is uiteraard dat zonder een in de bodem ingrijpend – en dus het bodemarchief gelijkertijd verstorend – onderzoek, niet met zekerheid kan worden gezegd wat er in de grond zit. Bij het gebruik van een archeologische verwachtingen- en waardenkaart moet men zich daarom bewust zijn van de problematiek rond de ontwikkeling van een dergelijk instrument. In een gebied met een hoge verwachting is de trefkans op archeologische resten hoog. In een gebied met een lage verwachting is de trefkans lager.

Een lage verwachting wordt toegekend, indien verwacht wordt dat de conservering of de trefkans lager is dan in de omringende gebieden. Dit kan zijn omdat een gebied door erosie aangetast is óf door een veel minder regelmatig gebruik van bepaalde delen van het landschap. Een model voor een archeologische verwachtingen- en waardenkaart wordt gebaseerd op de huidige archeologische kennis die voorhanden is. Dit betekent dat juist die zaken waarover nog weinig bekend is (zoals de overgang van jagen-verzamelen naar landbouw of rituele deposities) buiten het model zouden kunnen vallen. Dit impliceert niet alleen dat dergelijke zaken met onze huidige kennis feitelijk niet in een model te vangen zijn, maar ook dat in gebieden met een lage verwachting juist archeologische waarden aangetroffen kunnen worden waarover nog zeer weinig bekend is. Vanuit archeologisch oogpunt heeft het dus in principe de voorkeur dat wanneer er plannen worden ontwikkeld waarin het bodemarchief wordt verstoord, die verstoringen met name plaatsvinden in de zones met een lage verwachting. Maar dat betekent niet per se dat archeologisch onderzoek niet hoeft plaats te vinden. De verwachting is alleen dat er daar minder archeologisch onderzoek hoeft plaats te vinden dan in zones met een hoge archeologische verwachting.

60

Fig. 26 Opgraving bij de Catharinakerk met muurresten van de middeleeuwse voorganger (bron: gemeente Eindhoven).

Fig. 27 Opgraving van delen van het kasteel van Eindhoven in de Ten Hagestraat in 2019 (bron: gemeente Eindhoven).

61

Fig. 28 De nieuwe archeologische verwachtingen- en waardenkaart van Eindhoven (januari 2022).

62

5

Opbouw van de archeologische beleidskaart met ondergrenzen

Het doel van de beleidskaart is het visueel inzichtelijk maken van de gemeentelijke keuzes die ten aanzien van archeologie gemaakt worden. Op de archeologische beleidskaart worden verschillende gebieden/zones aangegeven waarvoor per zone verschillende vrijstellingsgrenzen kunnen gelden ten aanzien van archeologie in relatie tot geplande bodemingrepen. De vrijstellingsgrenzen zijn bepaald voor zowel de diepte-ingreep als de oppervlakte-ingreep. Archeologisch onderzoek wordt in het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning en afwijking of wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk geacht, zodra beide vrijstellingsgrenzen overschreden worden. De archeologische beleidskaart bevat gebieden die overgenomen kunnen worden in de bestemmings-/omgevingsplannen (middels de dubbelbestemming Waarde-Archeologie en gekoppelde (maatwerk)regels).

5.1

Oud versus nieuw archeologiebeleid

Op de archeologische beleidskaart van 2008 (figuur 29) waren de diverse archeologische gebieden ingedeeld in één van de volgende categorieën 1. Gemeentelijk archeologisch monument, 2. Gebied met archeologische waarde, 3. Gebied met hoge archeologische verwachting en 4. Gebied met middelhoge archeologische verwachting en 5. Lage / geen archeologische verwachting. Na 2008 zijn nog diverse wijzigingen doorgevoerd in de bestemmingsplannen op basis van de actuele kennis; al deze losse aanpassingen zijn echter niet door vertaald op de archeologische beleidskaart, waardoor er eigenlijk geen compleet beeld meer is van de archeologische verwachtingen en waarden binnen de gemeente. Reden te meer om de archeologische beleidskaart aan te passen.

Fig. 29 De verouderde archeologische beleidskaart van Eindhoven uit 2008.

63

In het archeologiebeleid103 waren onderstaande vrijstellingsgrenzen per categorie opgenomen: Oppervlakte

Waarde/verwachting archeologie

Diepte bodemingreep

1.

Gemeentelijk archeologisch monument

0 cm onder maaiveld

0 m2

2.

Gebied met archeologische waarde

0 cm onder maaiveld

0 m2

3.

Gebied met hoge archeologische

50 cm onder maaiveld

Groter dan 100 m2

50 cm onder maaiveld

Groter dan 2500 m2

bodemingreep

verwachting 4.

Gebied met middelhoge archeologische verwachting

5.

Gebied met lage of geen archeologische

vrijgesteld104

verwachting Fig. 30 De vrijstellingsgrenzen voor archeologie zoals vastgelegd in het oude archeologiebeleid van de gemeente.

De nieuwe archeologische verwachtingen- en waardenkaart ziet er duidelijk anders uit, omdat een andere werkwijze is gehanteerd. Voor de oude archeologische verwachtingen- en waardenkaart is vooral uitgegaan van archeologische waarnemingen, onderzoeken en historische vermeldingen, welke vervolgens op de kaart zijn geprojecteerd. Een statistisch onderbouwde verwachting op basis van landschap en archeologische vindplaatsen ontbrak. Voor de geactualiseerde archeologische verwachtingen- en waardenkaart is gebruik gemaakt van een regionaal verwachtingsmodel, zoals die al eerder voor een groot aantal regiogemeenten in Zuidoost-Brabant werd toegepast, waarbij vindplaatsen uit heel Zuidoost-Brabant zijn geanalyseerd ten opzichte van hun landschappelijke ligging. Dit zorgde voor een goed onderbouwd uitgangspunt van de verwachtingenkaart, zoals dat in de nieuwe Omgevingswet ook wordt gevraagd.105 Vervolgens zijn de verwachtingen en waarden verder verfijnd op basis van actuele onderzoeksgegevens en vooral ook beter digitaal kaartmateriaal, zoals dat inmiddels beschikbaar is (o.a. kadasterkaart 1832, erfgoedkaart Eindhoven). Het actualiseren van de reeds verstoorde en mogelijk verstoorde gebieden geeft verder inzicht waar geen archeologische waarden meer te verwachten zijn.

Digitaal beschikbare bestanden, die verstoorde zones aangeven, zijn hierbij gebruikt, zoals saneringen en bouwdata van huizen. Bij de oude verwachtingen- en waardenkaart werd verondersteld dat het archeologisch bodemarchief onder alle woonwijken verdwenen was, maar inmiddels heeft archeologisch onderzoek van de afgelopen tien jaar aangetoond dat dit zeker niet altijd het geval is. Hoewel de oude verwachtingen- en waardenkaart van de gemeente Eindhoven er totaal anders uitzag dan de nu voorliggende versie, vormde de kaart eerder een uitzondering in de regio. Het kaartbeeld sloot vrijwel niet aan op die van omliggende gemeenten, waar de kaarten veel verder en gedetailleerder waren ingekleurd. De aanpassing, die nu heeft plaats gevonden, kan dan ook worden beschouwd als een stap in de goede richting.

Beleidsplan Archeologie Eindhoven en Helmond 2008 – 2012, p. 17-19 en 58-62. Hier hoeft geen archeologisch onderzoek plaats te vinden, behalve bij MER-plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen. 105 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) artikel 5.72, Lid 1: In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. 103 104

64

De werkwijze die voor de geactualiseerde verwachtingen- en waardenkaart is toegepast, sluit verder aan op de landelijk geldende norm die momenteel vastgelegd wordt in de door het Rijk gesubsidieerde “Handleiding opstellen archeologische waarden- en verwachtingenkaarten”.106

5.2

Categorieën en ondergrenzen archeologie

Omdat de archeologische verwachtingszones en de archeologisch waardevolle gebieden zijn aangepast, is kritisch gekeken naar de eerder vastgestelde oppervlakte- en dieptegrenzen per categorie archeologische verwachting en waarde, de zogeheten ondergrenzen. Hieronder volgt een voorstel voor het aanpassen van de archeologische ondergrenzen. Voorgesteld wordt om op de archeologische beleidskaart de gemeente op te delen in 8 verschillende beleidscategorieën:

Categorie

Waarde/verwachting

Diepte

Oppervlakte

Wanneer onderzoeksplicht

archeologie

bodemingreep

bodemingreep

van toepassing?

0 cm

0 cm

Bij elke bodemingreep

30 cm

10 m²

30 cm

50 m²

30 cm

100 m²

30 cm

250 m²

30 cm

2.500 m²

30 cm

25.000 m2

Gemeentelijk Cat. 1

archeologisch monument Terrein van hoge

Cat. 2

archeologische

Indien dieper dan 30 cm en groter dan 10 m2

waarde Terrein van Cat. 3

archeologische

Indien dieper dan 30 cm en groter dan 50 m2

waarde Cat. 4 Cat. 5

Hoge verwachting, historische kern Hoge archeologische verwachting

Indien dieper dan 30 cm en groter dan 100 m2 Indien dieper dan 30 cm en groter dan 250 m2

Middelhoge Cat. 6

archeologische

Indien dieper dan 30 cm en groter dan 2.500 m2

verwachting Cat. 7 Cat. 8

Lage archeologische verwachting Geen verwachting

Indien dieper dan 30 cm en groter dan 25.000 m2

Vrijstelling

Fig. 31 vrijstellingsgrenzen archeologie: Indien een bodemingreep dieper gaat dan 30 cm én de oppervlakte van de bodemingreep bedraagt meer dan de oppervlakte die per categorie in de tabel is weergegeven, dan gelden onderstaande regels. Indien slechts één van beide condities geldig is, dan gelden de regels niet. De kleurstellingen komen overeen met die van de geactualiseerde archeologische verwachtingen - en waardenkaart.

106

Momenteel nog concept, maar wordt in 2021 via SIKB ontsloten. Deze handleiding is bedoeld om te zorgen dat archeologische verwachtingen- en waardenkaarten beter worden onderbouwd, zodat in een vroeg stadium concretere archeologische informatie gegeven kan worden.

65

1.

Gemeentelijk archeologisch monument. Het gaat hier om archeologische resten die van wezenlijke betekenis zijn voor het lokale cultuurhistorische erfgoed. De bescherming is erop gericht het monument op locatie (in situ) te behouden en verbiedt daarom alle bodemverstorende activiteiten zonder vergunning. Een vergunning zal alleen verleend worden als daarvoor een zwaarwegend belang bestaat, waarbij getracht zal worden de aanwezige monumenten zoveel mogelijk te ontzien of zichtbaar te maken.

2.

Terrein van hoge archeologische waarde. In deze gebieden is bij eerdere onderzoeken reeds aangetoond dat er concentraties archeologische resten voorkomen die als behoudenswaardig gekarakteriseerd kunnen worden. Het betreft terreindelen waar de hoogste dichtheid aan archeologische resten wordt verwacht op grond van landschappelijke kenmerken, historische bronnen en een analyse van de archeologische vindplaatsen Bodemingrepen zijn in principe niet toegestaan. Vanwege de aanwezige archeologische waarden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 10 m² en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld.

3.

Terrein van archeologische waarde. In deze gebieden is, op basis van veelal historisch onderzoek, aangetoond dat hier concentraties archeologische resten kunnen voorkomen die als behoudenswaardig gekarakteriseerd kunnen worden. Bij de historische kernen is sprake van langdurige continuïteit in bewoning en/of grondgebruik en een daarmee samenhangende complexe opbouw van archeologische lagen en een hoge mate van archeologische informatie. De concentratie aan sporen en vondsten is lager dan bij categorie 2. Bodemingrepen zijn in principe niet toegestaan. Vanwege de aanwezige archeologische waarden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 50 m² en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld.

4.

Gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern. Het gaat hier om de oude en de vermoedelijk nog oudere verschoven woonkernen en gehuchten, waar op basis van historische bronnen, oude kaarten en nog aanwezige bebouwing een hoge archeologische verwachting geldt. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus groot. Om die reden is een vergunning vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 100 m² en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld. Onder deze categorie zijn ook een aantal locaties opgenomen die gerelateerd zijn aan de Tweede Wereldoorlog. Het gaat om de crashsites van vliegtuigwrakken en de terreinen waar een complex aan loopgraven en geschutstellingen aanwezig zijn. Ook in deze gebieden kan sprake zijn van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De resultaten van relevant vraagstellingsgericht archeologisch onderzoek op deze locaties, kunnen bijdragen aan het beeld over de militaire inrichting in de Tweede Wereldoorlog (o.a. inrichting landschap/locatiekeuze, strategie, constructiewijze) in het algemeen en over de Eindhovense situatie/gebeurtenissen specifiek.

5.

Gebied met een hoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Een deel van deze archeologische resten is afgedekt geraakt door een meer dan 50 cm dik pakket eerdgronden (opgeworpen bemestingsdek veelal bestaande uit

66

plaggenmateriaal). Onder deze afdekkende bovenlagen kunnen, buiten het bereik van moderne grondbewerkingsmethoden, allerhande nog relatief ongeschonden archeologische resten schuilgaan. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is groot. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 250 m² en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld. 6.

Gebied met een middelhoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw, en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een middelhoge archeologische verwachting. Deze zones en gebieden waren net als de gebieden met een hoge verwachting in principe geschikt voor bewoning. Daarnaast gaat het om gebieden in de lagere delen van het landschap waar mogelijk nog botanische resten bewaard zijn, die informatie kunnen geven over het cultuurlandschap in het verleden. Ook hier kan sprake zijn van afdekking door eerdgronden waardoor archeologische resten goed bewaard kunnen zijn. De kans op het aantreffen van vondsten is hier echter kleiner, doordat de dichtheid aan vindplaatsen beduidend lager is dan in de gebieden met een hoge verwachting. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 2500 m² en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld.

7.

Gebied met een lage archeologische verwachting. Het gaat hierbij om gebieden waar op archeologische en landschappelijke gronden de kans op het aantreffen van behoudenswaardige archeologische relicten klein wordt geacht. Vooral de voormalige heidegebieden hebben een lage verwachting; hierbij is verder geen sprake van afdekkende lagen, waardoor archeologische resten dichter onder het oppervlak verwacht kunnen worden. Om die reden is een archeologisch onderzoek alleen vereist bij bodemingrepen die groter zijn dan 25.000 m² en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld.

8.

Gebied zonder archeologische verwachting. Het gaat hierbij om gebieden waar het bodemprofiel als gevolg van archeologisch onderzoek, aangetoonde ontgrondingen, recente bebouwing en funderingen zodanig verstoord is, dat eventuele archeologische resten als verloren beschouwd mogen worden, of in ieder geval zodanig zijn aangetast dat zij niet meer voor onderzoek of bescherming in aanmerking komen. Op deze terreinen rusten geen beperkingen ten aanzien van archeologie. De wettelijke meldingsplicht bij toevalsvondsten blijft echter wel van toepassing.

Bij het bepalen van de ondergrenzen is gekeken naar archeologische beleidskaarten van de omliggende gemeenten. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Veldhoven (dd. 17 oktober 2008) wordt een onderscheid gemaakt tussen archeologische monumenten, archeologisch waardevolle gebieden, gebieden met een hoge, middelhoge en lage verwachting en terreinen zonder verwachting. De archeologische beleidskaarten van Best, Waalre, Geldrop-Mierlo, Nuenen en Oirschot maken onderscheid in veelal gelijke categorieën107: 1 (wettelijk) monument, 2 archeologische waarde, 3 hoge verwachting (historische linten), 4 hoge verwachting, 5 middelhoge verwachting, 6 lage verwachting, 7 zonder verwachting. Ondanks de wat andere uitgangspunten kan worden opgemerkt dat de nieuwe archeologische verwachtingen- en waardenkaart van Eindhoven goed aansluit op die van aangrenzende gemeenten.

107

Zie https://odzob.nl/kaarten-erfgoed-archeologie

67

De vrijstellingsgrenzen zijn verder wel doordacht en sluiten aan op die van omliggende buurgemeenten. Zo zijn de oppervlaktecriteria inhoudelijk gebaseerd op de archeologische trefkans. Hoe kleiner deze is, hoe groter een onderzoeksgebied moet zijn om een redelijke kans te creëren archeologische relicten aan te treffen. Om nieuwe vindplaatsen te kunnen opsporen die ook een wetenschappelijke bijdrage en meerwaarde kunnen leveren, moet er dus sprake zijn van een minimale omvang van onderzoek en dus ook van verstoring. Bijvoorbeeld, in de gebieden van een middelhoge verwachting (beleidscategorie 5) is sprake van de combinatie van een onderzoekslacune en een geringe dichtheid aan doorgaans omvangrijke vindplaatsen. De doelstelling van het archeologiebeleid is hier om bij grotere ingrepen in de toekomst vooronderzoek te realiseren, zodat de bestaande kennislacune kan worden opgevuld. Vindplaatsen in deze gebieden nemen daarbij vaak een groter areaal dan 2.500 m² in beslag waardoor een ruimere vrijstellingsgrens te verantwoorden is. Bij het bepalen van de oppervlaktegrenzen is ook bewust rekening gehouden met maatschappelijke afwegingen en het proportionaliteitsbeginsel. Particuliere ontwikkelingen en initiatieven zijn doorgaans beperkt van omvang (enkele vierkante meters tot max. 250 m²).

Om de burger en met name de particuliere initiatiefnemer niet overmatig te belasten met de verplichting om (soms kostbaar) archeologisch (voor)onderzoek te laten uitvoeren bij de bouw of verbouw van een woning, is in gebieden met een hoge archeologische verwachting (al dan niet historische kern) een maximale ondergrens van 100 of 250 m² vanuit maatschappelijk, maar in veel gevallen ook archeologische overwegingen, acceptabel. Dat is ook de reden om de oppervlaktegrens in archeologisch waardevolle gebieden aan te passen naar 10 en 50 m², waardoor niet meer elke kleinschalige ingreep onderzoeksplichtig is. Dat bleek de afgelopen jaren ook niet werkbaar, omdat veel kleine ingrepen vergunningvrij zijn. Verder is het aan te raden om de ondergrens van 50 cm bij te stellen naar 30 cm aangezien archeologische resten al direct onder het oppervlak voor kunnen komen zoals in de historische binnenstad, in oude woonhuizen en in bos- en natuurgebieden.108

5.3

Tot besluit

De gegevens die tijdens de inventarisatie verzameld zijn, geven inzicht in de locatie van archeologische vindplaatsen binnen de gemeente en daarmee inzicht in de geschiedenis van de gemeente Eindhoven vanaf de vroege prehistorie. We moeten ons daarbij realiseren dat de dorpen met hun historische middelpunten (vaak de kerk) in zekere zin pas een recent fenomeen zijn. Pas in de loop van de middeleeuwen kreeg het cultuurlandschap de vorm zoals we die kennen vanaf het begin van de 20 e eeuw: een dorp met in het centrum de kerk en/of oude hoeves met bijhorende akkers en daaromheen de restanten van woeste gronden. In de tijd voor de bouw van de kerken en de vorming van de latere dorpen en stad, waren vaak heel andere elementen – vaak onderdelen van het natuurlijke landschap - bepalend voor de inrichting van het cultuurlandschap. Het Eindhoven zoals we dat nu kennen is pas honderd jaar oud en ontstaan uit een samensmelting van dit soort dorpen. Archeologisch onderzoek vormt de belangrijkste bron van informatie over dit vergeten verleden. In dit opzicht vormt de nieuwe archeologische verwachtingen- en waardenkaart dan ook een prachtige investering in de samenleving. Om te zorgen dat het bodemarchief, wat nog in de ondergrond aanwezig is, behouden blijft, is nog een door vertaling noodzakelijk richting de nieuw op te stellen bestemmingsplannen en straks het omgevingsplan.

Hiermee wordt geborgd dat er voorafgaand aan nieuwe ontwikkelingen, noodzakelijk archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd met zo nodig het opgraven ofwel éénmalig lezen van het

108

Deze ondergrens van 30 cm komt overeen met de regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied 2005 en het ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2019.

68

bodemarchief. Ongetwijfeld zal dit de komende jaren nog nieuwe inzichten gaan geven in de geschiedenis van de gemeente Eindhoven.

Fig. 32 Impressie van Eindhoven door P. Becx omstreeks 1450, gezien vanuit het noorden. De meeste gebouwen zijn nog van hout met daken van stro. Op de voorgrond de stadsgracht en de Woenselse Poort. Op de achtergrond de Sint Catharinakerk. Rechtsboven en linksonder de natuurlijke beekbedding van de Gender.

69

6

Literatuur

Adriaenssen, L., 2007: Staatsvormend geweld. Overleven aan de frontlinies in de meierij van Den Bosch, 1572-1629, Tilburg. Andechobinus, 2004: Het wapen van Eindhoven, in: De Blauwe Heraut 3, 1 - 4. Arts, N., 1992: Het Kasteel van Eindhoven. Archeologie, ecologie en geschiedenis van een heerlijke woning, Eindhoven. Arts, N. (red.), 1994: Sporen onder de Kempische stad. archeologie, ecologie en vroegste geschiedenis van Eindhoven, Eindhoven. Arts, N, J. Dekker, A. v. Eenbergen & J. Hüsken, 1996: De kastelen Blaarthem en Gagelbosch bij Eindhoven (Archeologisch en historisch onderzoek in Eindhoven), Eindhoven. Arts, N., 2002: Marcus van Eindhoven. Een archeologische biografie van een middeleeuws kind (Cultuurhistorische studies over Kempen- en Peelland 2), Utrecht. Arts, N., 2008: Beleidsplan Archeologie Eindhoven en Helmond 2008 – 2012, incl. Toelichting archeologische waardenkaarten Eindhoven en Helmond, Eindhoven. Arts, N. 2010: De plaatsnaam Woensel, in: L. van den Bruel e.a.: Archeologisch onderzoek Eindhoven Oude Torenstraat. Paalkuilen en boomstamputten: een nederzetting uit de volle middeleeuwen, Eindhoven (ACEH109 Rapport 30), 13-14. Arts, N., 2011: Archeologisch onderzoek Eindhoven op het Rembrandt-terrein aan de Vrijstraat. Archeologievriendelijk bouwen in de middeleeuwse stadskern van Eindhoven (ACEH Rapport 64), Eindhoven.

Arts, N., 2013: Archeologische onderzoek Eindhoven-Lievendaal. Een omgrachte laatmiddeleeuwse hoeve te Strijp. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend booronderzoek (ACEH Rapport 84), Eindhoven. Arts, N. (red.), 2013: Een knekelveld maakt geschiedenis. Het archeologisch onderzoek van het koor en het grafveld van de middeleeuwse Catharinakerk in Eindhoven, circa 1200-1850, Eindhoven. Arts, N., 2020: Stad en platteland op het zand. Een archeologische biografie van landschappen en samenlevingen in de Kempen 1100-1650, Eindhoven. Proefschrift Tilburg University. Arts, N., H. Stoepker, F. Theuws e.a, 2008: De Middeleeuwen en Vroegmoderne tijd in Zuid-Nederland, Amersfoort (NOaA hoofdstuk 22).

109

Archeologisch Centrum Eindhoven en Helmond.

70

Arts, N, D. Hardy & J. Melssen, 2018: Geschiedenis en archeologie van Marienhage. In: N. Pijls, N. Arts & L. Toorians (red.), Florarium temporum (Bloemhof der tijden). Een laatmiddeleeuwse wereldkroniek door Nicolaas Clopper, geschreven in het Klooster Mariënhage bij Eindhoven, Hilversum, 63-93. Arts, N., L. v.d. Bruel & K. de Vos, 2018: Archeologisch onderzoek Eindhoven Noord-Brabantlaan. Mesolithische vondsten, een nederzetting uit de Romeinse tijd en middeleeuwse meilers en greppels bij Sliffert (Noord-Brabantlaan), gemeente Eindhoven (ACEH 85), Eindhoven. Asseldonk, M.M.P. van, 2002: De Meierij van ‘s-Hertogenbosch. De evolutie van plaatselijk bestuur, bestuurlijke indeling en dorpsgrenzen, circa 1200 – 1832, Oosterhout. Ball, E.A.G. & R. Jansen (red.), 2018: Drieduizend jaar bewoningsgeschiedenis van oostelijk Noord-Brabant. Synthetiserend onderzoek naar locatiekeuze en bewoningsdynamiek tussen 1500 v.Chr. en 1500 n. Chr. op basis van archeologisch onderzoek in het Malta-tijdperk (Nederlandse Archeologische Rapporten 61), Amersfoort. Beijers, H., G.-J. van Bussel, 1996: ‘Van d’n Aabeemd tot de Zwijnsput’. Toponiemen in de cijnskring Helmond vóór 1500 in naamkundig en nederzettingshistorisch perspectief, Helmond. Beleidsplan Archeologie Eindhoven en Helmond 2008 - 2012 Berg, M.J. van den, 1955: Gestel by Eynthoven.

Enige fragmenten uit de geschiedenis der voormalige gemeente Gestel en Blaarthem c.a., Eindhoven. Berkel, G. van, K. Samplonius, 1995: Nederlandse plaatsnamen. De herkomst en betekenis van onze plaatsnamen, Utrecht. Berkvens, R., 2018: QuickScan archeologie herinrichting binnenstad gemeente Eindhoven (ODZOB), Eindhoven. Berkvens, R. & K. Leenders 2008: Oude Brabantse Akkers, met een focus op de omgeving van Breda, in: J. van Doesburg, M. de Boer, J. Deeben, B.J. Groenewoudt & T. de Groot, Essen in Zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid, Amersfoort (Nederlandse Archeologische Rapporten 34), 161-192. Berkvens, R., K.A.H.W. Leenders, J. Bosman, M.D. Wagemans, E. Wijnen, V. Mes, M. v. Moolenbroek, E. Drenth, H. v.d. Laarschot & J. Schotten, 2011: Kempisch erfgoed in beeld. Een regionale erfgoedkaart voor de Kempen- en A2 gemeenten Bergeijk, Bladel, Eersel, Oirschot, Reusel-De Mierden, Waalre, Valkenswaard, Cranendonck en Heeze-Leende, Eindhoven (SRE Milieudienst). Beumer, S., M. Teeuwisse & L. Korthorst, 2011: Archeologisch onderzoek Eindhoven-Eckart. Nederzettingssporen uit de volle middeleeuwen. Rapportage van de opgraving (ACEH Rapport 37), Eindhoven. Beumer, S., Th. de Jong, M. van der Linden & M. Teeuwisse, 2011: Archeologisch onderzoek Eindhoven Kosmoslaan. Een veenpakket uit de vroege prehistorie.

Rapportage van de opgraving (ACEH Rapport 45), Eindhoven.

71

Beumer, S., 2011: Archeologische begeleiding rioolaanleg middeleeuws kerkterrein. Eindhoven – Heezerweg (ACEH Rapport 74), Eindhoven. Bink, M. & M. Wesdorp, 2016: Een nederzetting uit de Bronstijd en de Late Middeleeuwen te EindhovenBlixembosch. Opgravingen onder de Randweg Eindhoven (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 63), Amsterdam. Bombs Away & IDDS Explosieven, 2019: Rapportage Historisch Vooronderzoek CE-Bodembelastingkaart Gemeente Eindhoven. Kenmerk: versie 1.0, d.d. 30 augustus 2019, Utrecht/Noordwijk aan Zee. Bosman, J., 2005: Romeinse graven en een laatmiddeleeuwse plattelandsnederzetting aan de Laarstraat in Eindhoven, in: Nieuwsbrief Archeologie Kempen- en Peelland 32, Eindhoven, 4-6 Bosman, J., 2009: Archeologisch onderzoek Eindhoven-de Tongelreep en Waalre-Ruischaards. Sporen en vondsten uit de Romeinse tijd, late middeleeuwen en nieuwe tijd. Inventariserend veldonderzoekproefsleuven en definitief onderzoek (ACEH Rapport 20), Eindhoven. Buijs, M.H.G. op den, 1988: Eindhoven, open venster op Eckart. Hapert. Cuvelier, J., 1912: Les denombrements de foyers en Brabant (XIVe - XVIe siècle). Brussel. Debruyne, S. de, 2007: Archeologisch onderzoek Eindhoven-Kronehoef. Sporen en vondsten uit de lateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd (ACEH Rapport 6), Eindhoven.

Debruyne, S., 2007: Archeologisch onderzoek Eindhoven-Stratumseind (57-61) Sporen en vondsten uit de Late–Middeleeuwen en Nieuwe tijd (ACEH Rapport 7), Eindhoven. Debruyne, S., 2007: Archeologisch onderzoek Eindhoven-Eckart. Omgrachte (?) nederzetting uit de volle middeleeuwen. Rapportage inventariserend veldonderzoek-proefsleuven (ACEH Rapport 13) Eindhoven. Debruyne, S., J-M Vroomans & W. van der Meer, 2012: Archeologische opgravingen Eindhoven-Putten. Grootschalig archeologisch onderzoek in het zuidoosten van Eindhoven (ACEH Rapport 46), Eindhoven. Deeben, J., D.P. Hallewas, P.C. Vos en W. van Zijverden, 2005: Paleogeografie en landschapsgenese (NOaA hoofdstuk 8, versie 1.0). Deeben, J., H. Peeters, D. Raemaekers, E. Rensink en L Verhart, 2006: De vroege prehistorie (NOaA hoofdstuk 11). Doesburg, J., O. Brinkkemper, F.T.S. Brounen, M.C. Houkes, I.M.M. van der Jagt, B.J.M. Jansen, M.A. Lascaris, E. Romeijn, M. Snoek & B.P Speleers. 2019: Archeologie op de Kaart. Analyse van gemeentelijke archeologische en cultuurhistorische (verwachtings)waardekaarten in vier pilotgebieden verspreid over Nederland, Amersfoort.

72

Enckevort, H. van, T. de Groot, H. Hiddink en W. Vos 2008: De Romeinse tijd in het Midden-Nederlandse rivierengebied en het Zuid-Nederlands dekzand- en lössgebied (NOaA hoofdstuk 18). Enckevort, H. van , J. Hendriks en M. Nicasie, 2017: Nieuw licht op donkere eeuwen. De overgang van de laat-Romeinse tijd naar de vroege middeleeuwen in Zuid-Nederland (Nederlandse Archeologische Rapporten 58), Amersfoort. Fontijn, D., 2001/2002: Sacrificial Landscapes. Cultural Biographies of Persons, Objects and Natural Places in the Bronze Age of the Southern Netherlands, c. 2300-600 BC (Analecta Praehistorica Leidensia, 33/340), Leiden. Gemeenten Eindhoven en Helmond, 2008: Beleidsplan Archeologie Eindhoven en Helmond 2008-2012. Eindhoven. Gerritsen, F. & E. Rensink (red.), 2004: Beekdallandschappen in archeologisch perspectief. Een kwestie van onderzoek en monumentenzorg (NAR 28), Amersfoort. Gerritsen, F., P. Jongste & L. Theunissen, 2006: De late prehistorie in Noord-, Oost- en Zuid-Nederland en het rivierengebied (NOaA hoofdstuk 17). Ginkel, E. van en Theunissen, L. 2009: Onder heide en akkers; de archeologie van Noord-Brabant tot 1200, Utrecht. Grevel, D. van de, 1979: Het bestuur van de voormalige gemeente Eckart, in: ’t Gruun Buukske 2, 66 – 68. Hiddink, H.A. & J. Renes 2007: De oude akkercomplexen in de oostelijke helft van Noord-Brabant en het noorden en midden van Limburg, in: J.

van Doesburg, M. de Boer, J.H.C. Deeben, B.J. Groenewoudt & T. de Groot (red.), Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland. Onderzoek en beleid, Amersfoort (Nederlandse Archeologische Rapporten 34), 129-159. Houben, L.G.A., 1890: Geschiedenis van Eindhoven, de stad van Kempenland, Turnhout (2 delen). Hutten, H., 1976: De regering van Breugel, in: Heemschild 10, 61 – 64. Hutten, H., 1976: Bestuurders en eden anno 1700, in: Heemschild 10, 77 – 80. Jong, Th. de, Chr. Louvenberg & K. de Vos, 2011: Opgraving Eindhoven, Vijksteeg. Sporen van bewoning in de middeleeuwse stad (ACEH Rapport 28), Eindhoven Keunen, L.J. & S. van der Veen, 2017: De groene zoom van Eindhoven; een cultuurhistorische waardenkaart van het buitengebied van Eindhoven, alsmede enkele groene delen van de bebouwde kom (RAAP-RAPPORT 3258), Weesp. Keunen, L.J. & drs. B.J.G. van Snippenburg, 2018: Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven, auteurs ir. L.J. (RAAP rapport 3398), Weesp.

73

Kolen, J., 2009: De beekdalen van Peelland: achtergronden en uitgangspunten voor archeologisch onderzoek (notitie Biografie van Peelland project, Stichting Archeologisch Samenwerkingsverband). Kolen, J., H. v.d.d Laarschot & G. Box, 2004: Beekdalen en hun cultuurgeschiedenis: Peelland, in: F. Gerritsen & E. Rensink, Beekdallandschappen in archeologisch perspectief. Een kwestie van onderzoek en monumentenzorg (Nederlandse Archeologische Rapporten 28), Amersfoort, 35-56. Korthorst, L. e.a., 2008: De opgraving bij de St. Joriskerk te Eindhoven. Op zoek naar overblijfselen van de middeleeuwse kerk van Stratum (ACEH Rapport 23), Eindhoven. Louvenberg, C., 2008: Archeologisch onderzoek Eindhoven-Dorpskern Strijp (ACEH Rapport 26), Eindhoven. Louvenberg, C., 2009: Archeologisch onderzoek Eindhoven-Hoogstraat 421. Opgraving langs een middeleeuwse weg tussen Gestel en Eindhoven (ACEH Rapport 43), Eindhoven. Mandos, H., A.D. Kakebeeke (red.), 1950: Oud-Eindhoven. Voorstudies tot de geschiedenis van Eindhoven, Eindhoven. Melssen, J.Th.M., 1981: 1080 Woensel 1980: enkele gegevens over grondgebied en zegel. Bijdragen tot de geschiedenis van Woensel III, Eindhoven. Melssen, J.Th.M., 1986: Het wapen van de voormalige gemeente Tongelre, in: ’t Gruun Buukske 15, 18 -24. Melssen, J.Th.M., 1988: De wapens van de voormalige gemeenten Gestel, Stratum en Strijp, in: ’t Gruun Buukske 17, 37 - 42.

Melssen, J., 1994: De geschiedenis van Eindhoven tot omstreeks 1570. In: N. Arts (ed.), Sporen onder de Kempische stad. Archeologie, ecologie en vroegste geschiedenis van Eindhoven 1225-1500, Eindhoven, 53119. Melssen, J.Th.M., 1996: Nieuw logo gemeente Eindhoven, in: Van Schild en Vaan 3, 12. Melssen, J.Th.M., 2006: Een wapenvoorstelling uit 1842, in: De Blauwe Heraut 5, 26 - 28. Nollen, J. & L. Korthorst (red.) 2008: Archeologisch onderzoek Eindhoven - Oude Toren te Woensel, De opgraving en het onderzoek van de menselijke skeletresten, Eindhoven (ACEH Rapport 21). Nollen, J. & De Jong, T. 2008: Archeologisch onderzoek Eindhoven-Castiliëlaan. Prehistorische huizen en een laatmiddeleeuws erf Proefsleuvenonderzoek en opgraving (ACEH Rapport 15), Eindhoven. Panken, P.N., 1843: Voorchristelijke begraafplaatsen in de heiden te Bergeik, Riethoven, Veldhoven, Steensel, Knegsel, Oerle, Wintelre, Eersel, Hapert en Luiks-Gestel in: C.R. Hermans, Bijdragen tot de geschiedenis, oudheden, letteren, statistieken en beeldende kunsten der provincie Noord Braband Deel II, ‘s-Hertogenbosch, 219-267.

74

Peters, S., N. Arts, S. van Daalen, H. van Haaster & Th. de Jong, 2011: Het kasteel Gagelbosch te Eindhoven. Archeologisch onderzoek van een omgrachte middeleeuwse woning in Gestel (ACEH Rapport 58), Eindhoven. Schampers. G.J.A. (e.a.), 1996: Rapport betreffende herziening van de wapens van gemeenten en de instelling van wapens voor de dorpen in de Regio Eindhoven. [z.pl.] ( Noordbrabantse Commissie voor Wapen- en Vlaggenkunde). Renes, H., 2004. Beekdalen, bewoning en wegenpatronen. In: Gerritsen, F. & E. Rensink, 2004. Beekdallandschappen in archeologisch perspectief. Een kwestie van onderzoek en monumentenzorg (Nederlandse Archeologische Rapporten 28), Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort. Renders, W.H.A. (red.), 1981: Bijdragen tot de geschiedenis van Woensel, Eindhoven. Roymans, J., 2005. Een cultuurhistorisch verwachtingsmodel voor Brabantse beekdallandschappen: een mogelijke toekomst voor het verleden van de beekdalen (Onuitgegeven scriptie Vrije Universiteit), Amsterdam. Roymans, N. & F. Theuws 1991 (eds.), Images of the past. Studies on ancient societies in North-Western Europe, Amsterdam (Studies in prae- en protohistorie 7). Roymans, N. en F. Gerritsen, 2002: Landschap, ecologie en mentalites. Het Maas-Demer-Scheldegebied in een lange-termijnperspectief. In: Fokkens, H. en Jansen, R. (red.), in: 2000 jaar bewoningsdynamiek.

Bronsen ijzertijdbewoning het Maas-Demer-Schelde gebied, Leiden, 371-406. Roymans, N en H.A. Hiddink, 2004: Het gebied tussen Maas, Demer en Schelde:de Romeinse tijd in vogelvlucht,in: C. Verbeek en S. Delaruelle en J. Bungeneers (red)Verloren voorwerpen : archeologisch onderzoek op het HSL-traject in de provincie Antwerpen (Dienst Cultureel Erfgoed), Antwerpen, 177-188. Sanders, J.G.M., W.A. van Ham, J. Vriens (red.), 1996: Noord-Brabant tijdens de Republiek der Verenigde Nederlanden 1572 - 1795. Een institutionele handleiding. Den Bosch/Hilversum. Sassen, A., 2003: Het wapen van Eindhoven, in: De Blauwe Heraut 2, 13 - 16. Sassen, A., 2004: Het wapen van Eindhoven, in: De Blauwe Heraut 3, 29 – 32. Schabbink, M. (red.), 2015: Vier eeuwen boeren Synthese Oogst voor Malta onderzoek: Archeologische sporen van boerderijen en erven 1250-1650 (Nederlandse Archeologische Rapporten 49), Amersfoort. Schutgens, K., 1979: Inventaris der archieven van het klooster Sint-Elisabethsdal te Nunhem 1240-1797, Rijksarchief Limburg, Maastricht. Snippenburg, B.J.G. van, E.H. Boshoven & H.J. Hesseling, 2022: Ondergronds militair erfgoed in de gemeente Eindhoven. Een archeologische inventarisatie en advies (RAAP-rapport 5557), Weesp.

75

Spoorenberg, J., H.A.M. de Wit, 1982: Eindhoven door de eeuwen, Eindhoven (Heemkundige Studiekring Kempenland). Staring, W.C.H.. Geologische kaart van Nederland op de schaal van 1:200.000. 's-Gravenhage (Topographische Inrichting), 1e druk: 1856-1867; 2e druk: 1888 – 1889. Staring Centrum, 1977: Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000, Staring Centrum, Wageningen. Stichting voor Bodemkartering, 1981: Bodemkaart van Nederland 1:50.000, Stiboka Wageningen. Teeuwisse, M., 2009: Archeologisch onderzoen A2-randweg Eindhoven, gemeenten Eindhoven en Waalre. Inventariserend veldonderzoek gebied 17 (proefsleuvenonderzoek) en gebied 21 (booronderzoek), (ACEH Rapport 36), Eindhoven. Theunissen, L. & J.W. de Kort, 2017: Onderzoek aan de Molshoop. Identificatie van een grafheuvel uit de midden-bronstijd op het terrein van de vliegbasis Eindhoven (gemeente Eindhoven) (Beknopte Rapportage Archeologische Monumentenzorg nr. 28), Amersfoort. Theuws, F.C.W.J., 1988: De archeologie van de periferie. Studies naar de ontwikkeling van bewoning en samenleving in het Maas-Schelde-Demergebied in de vroege middeleeuwen, Amsterdam. Theuws, F., 1989: Middeleeuwse parochiecentra in de Kempen 1000-1350, in: A.A.A. Verhoeven & F. Theuws (red.), Het Kempenproject 3. De Middeleeuwen centraal, Waalre, 97-216.

Theuws, F., 1999: The archaeology and history of the curia of the abbey of Saint Trond at Hulsel (c. AD 7001300), in: F. Theuws & N. Roymans (eds.), Land and Ancestors. Cultural dynamics in the Urnfield period and the Middle Ages in the Southern Netherlands, Amsterdam (Amsterdam Archaeological Studies 4), 241-308. Theuws, F. en N. Roymans, 2009: Veldhoven-Zilverackers, cultuur en landschap van verleden gemeenschappen. Een wetenschappelijk onderzoekskader ten behoeve van de archeologie in het plangebied (gezamenlijke uitgave UvA-VU), Amsterdam. Tol, A.J. & W. Laan, 2009: Begrensd land. Een studie naar de archeologische landschappen van NoordBrabant (Archol rapport 125), Leiden. Tol, A.J. e.a., 2017: Tussen Aarlese weg en Broekstraat. Archeologisch onderzoek van een historisch cultuurlandschap in Aarle, gemeente Best (Archol rapport 280), Leiden. Van den Bruel, L. (red.) 2010: Paalkuilen en boomstamputten: een nederzetting uit de volle middeleeuwen (ACEH Rapport 30), Eindhoven. Van den Bruel, L., 2011: Archeologisch onderzoek Eindhoven - Castiliëlaan-zuidwest. Nederzettingssporen uit de prehistorie en late middeleeuwen en overblijfselen van het historische buurtschap Hoeven. Inventariserend veldonderzoek-proefsleuven (ACEH rapport 71), Eindhoven.

76

Van den Bruel, L., 2012: Archeologisch onderzoek Eindhoven-Vrijstraat 28. Archeologische resten onder het monumentale pand 'Het Schipke': sporen van bewoning uit de middeleeuwen en de vroege nieuwe tijd. De opgraving (ACEH Rapport 75), Eindhoven. Van den Bruel, L., N. Arts & B. van den Broek, 2013: Archeologisch onderzoek Eindhoven-Kleine berg 11. De opgraving. Stadsafval op het achterterrein van een monumentaal pand (ACEH Rapport 59), Eindhoven. Verhart, L. & N. Arts, 2005: Het Mesolithicum in Zuid-Nederland, J. Deeben, E. Drenth, M.-F. van Oorsouw & L. Verhart, De Steentijd van Nederland (Archeologie 11/12), Meppel, 235-260. Verspay, J.P.W., 2007: Onzichtbare erven. Het Brabantse platteland in de Late Middeleeuwen, Diemen. Verspay, J.P.W., A.M.J.H. Huijbers, H. van Londen, J. Renes & J. Symonds, 2018: Village Formation in the Netherlands during the Middle Ages (AD 800 – 1600). An assessment of recent excavations and a path to progress (NAR 56), Amersfoort. Vries, F. de, W.J.M. de Groot, T. Hoogland & J. Denneboom, 2003: De bodemkaart van Nederland digitaal, Alterra rapport 811, Wageningen. Vansweevelt, J., 2015: Onderzoeksgebied Boktse Beemden, gemeente Eindhoven; archeologisch onderzoek: een archeologische begeleiding en opgraving (RAAP rapport 2954), Weesp. Verspay J. & H. v.

Londen, 2019: Programma van Eisen voor een proefputtenonderzoek in Woensel, gemeente Eindhoven (CARE Woensel 2019), Amsterdam. Vos, K. de & M. van der Weele, 2010: Archeologisch onderzoek Eindhoven - Putten. Leemkuilen en een waterput uit de late middeleeuwen (ACEH Rapport 47), Eindhoven. Vos, K. de, 2011: Archeologisch onderzoek Eindhoven - Loovelden. Inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (gebied 2 en 3) en proefsleuven (gebied 1, 2 en 3) (ACEH Rapport 63), Eindhoven. Vos, K. de, 2011: Archeologisch onderzoek Eindhoven - Orpheuslaan. Inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (ACEH Rapport 66), Eindhoven. Vos, K. de, 2011: Archeologisch onderzoek Eindhoven - Genneperweg 169-171. Een boerenerf uit de negentiende en twintigste eeuw. Inventariserend veldonderzoek door middel van een archeologische begeleiding (ACEH Rapport 67), Eindhoven. Vos, K. de, 2011: Archeologisch onderzoek Eindhoven - Sterrenlaan. Inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (ACEH Rapport 69), Eindhoven. Vos, K. de, 2011: Archeologisch onderzoek Eindhoven, Blixembosch -Noordoost. Sporen van bewoning uit de ijzertijd en een hooimijt uit de volle middeleeuwen. Proefsleuvenonderzoek fase 2 (ACEH Rapport 70), Eindhoven.

77

Vos, K. de, 2011: Archeologische opgraving Eindhoven-Wal 2. Bewoningssporen uit de nieuwe tijd onder de inrit van het voormalige gebouw van het Eindhovens Dagblad (ACEH Rapport 76), Eindhoven. Vroomans, J-M., 2011: Archeologisch onderzoek Eindhoven - Blixembosch Noordoost. Een omgreppeld terrein uit de late ijzertijd en leemkuilen uit de nieuwe tijd. Proefsleuvenonderzoek fase 1 (ACEH Rapport 53), Eindhoven. Vroomans, J.-M., 2008: Archeologisch onderzoek Eindhoven-Europalaan 150. De periferie van een erf uit de late middeleeuwen (ACEH Rapport 31) Eindhoven. Vroomans, J.-M., 2008: Archeologisch onderzoek Eindhoven-Hoogstraat 165. Een leeg erf langs een middeleeuwse weg? (ACEH Rapport 41), Eindhoven. Vroomans, J-M., 2010: Archeologisch onderzoek Eindhoven-Jeroen Boschlaan 1. Een laatmiddeleeuwse boerderij in Klein Tongelre (ACEH Rapport 48), Eindhoven. Vroomans, J.-M., 2011: Archeologisch onderzoek Eindhoven, Aalsterweg-Lidl. Inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (ACEH Rapport 57), Eindhoven. Vroomans, J.M., 2013: Archeologisch onderzoek Blixembosch-Noordoost. Vondsten uit de midden-steentijd en nederzettingen uit de bronstijd, late ijzertijd, volle middeleeuwen en nieuwe tijd aan de rand van Eindhoven (ACEH Rapport 72), Eindhoven. Vroomans, J-M., 2013: Archeologisch onderzoek Blixembosch-Noordoost.

Vondsten uit de midden-steentijd en nederzettingen uit de bronstijd, late ijzertijd, volle middeleeuwen en nieuwe tijd aan de rand van Eindhoven (ACEH Rapport 73), Eindhoven. Wijdeven, W. v.d., 2002: Rapport opgraving hoeve Tegenbosch 2002 (gemeente Eindhoven) (ACEH Rapport 01), Eindhoven.

Digitale bronnen •

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/bronnen-enkaarten/overzicht/verstoringsbronnenkaart

•

Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS): https://archis.cultureelerfgoed.nl/#/login

•

Actueel Hoogtebestand Nederland: www.ahn.nl

•

Luchtfoto’s: www.googlemaps.nl (incl. streetview)

•

Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME): www.ikme.nl

•

Brabant Collectie (Universiteit Tilburg): https://www.bcfinder.nl/

•

Geheugen van Nederland: https://geheugen.delpher.nl/nl

•

Bodemsaneringen en verontreinigingen: www.bodemloket.nl

•

Ontgrondingen provincie Noord-Brabant: https://georegister.brabant.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/home

•

Nationale Onderzoeksagenda Archeologie: https://noaa.cultureelerfgoed.nl/#/search

•

Elektronisch depot voor de Nederlandse archeologie: https://easy.dans.knaw.nl/ui/home

•

Bibliotheek van de RCE: http://cultureelerfgoed.adlibsoft.com/search.aspx

78

•

Publicatie Archeologische rapporten Erfgoedhuis Eindhoven en Helmond: https://drive.google.com/drive/folders/1GzkB_6jAjUONwsODRqHtZI7Co3dnliyM?ths=true

79

Bijlage 1 Verwachtingsmodel regio Zuidoost-Brabant In tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de verschillende complextypen vindplaatsen in heel Zuidoost-Brabant110 ingedeeld naar periode. Het gaat in totaal om 4608 vindplaatsen, die aangetroffen zijn bij veldverkenningen, grootschalige opgravingen, historisch (archief)onderzoek of toevallig werden gevonden bij niet-archeologisch graafwerk. Uit de inventarisatie van de vindplaatsen blijkt dat het merendeel van de vondsten dateert uit de Steentijd en de Middeleeuwen. De grootste categorie complextype ‘onbekend’ bestaat uit losse vondsten, waarvan de context niet duidelijk is, en die voornamelijk zijn aangetroffen bij veldverkenningen en niet-archeologisch graafwerk. Tabel 1: Totaaloverzicht van de vindplaatsen in Zuidoost-Brabant verdeeld naar periode en type (bron: waarnemingen Archis juli 2009) Periode Romeinse Complextypen

Steentijd Bronstijd IJzertijd

Tijd

Middeleeuwen

Nieuwe tijd

Ongedateerd

Totaal

Akker/tuin

0

0

1

2

6

5

0

14

Basiskamp/-nederzetting

9

3

3

3

3

1

0

22

Borg/stins/versterkt huis

0

0

0

0

7

8

0

15

Brug

0

0

0

0

0

1

0

1

Celtic field/raatakker

0

0

2

2

0

0

0

4

Crematiegraf

3

7

9

4

1

1

3

28

Cultusplaats/heiligdom/ tempel

0

0

1

0

0

0

2

3

Depot

9

17

4

11

3

3

0

47

Extractiekamp/-nederzetting

1

0

0

0

0

0

0

1

Graf, onbepaald

1

2

1

2

1

1

0

8

Grafheuvel, crematie

1

7

3

0

0

0

0

11

Grafheuvel, inhumatie

1

0

0

0

0

0

0

1

Grafheuvel, onbepaald

25

89

34

5

4

1

4

162

Grafveld, crematies

0

0

2

6

0

0

0

8

Grafveld, gemengd

1

1

1

1

4

0

0

8

Grafveld, inhumaties

0

0

0

0

4

1

0

5

Grafveld, onbepaald

1

6

5

9

10

2

0

33

110

SRE-regio: Asten, Best, Bladel, Bergeijk, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Helmond, Heeze-Leende, Laarbeek, Nuenen, Oirschot, Reusel-De Mierden, Son en Breugel, Someren, Valkenswaard, Veldhoven, Waalre.

80 Havezathe/ridderhofstad

0

0

0

0

1

4

1

6

Houtskool-/kolenbranderij

1

1

1

1

1

1

0

6

Huisplaats, onverhoogd

1

2

5

4

20

9

0

41

Inhumatiegraf

0

0

0

1

1

0

0

2

Kapel

0

1

1

1

6

6

0

15

Kasteel

1

1

1

1

33

24

0

61

Kerk

0

0

1

2

28

17

0

48

Kerkhof

0

0

1

1

3

4

1

10

Klooster(complex)

0

0

0

0

6

5

0

11

Landbouw

0

0

0

0

1

0

0

1

Legerplaats

0

0

0

0

0

2

0

2

Metaalbewerking/ smederij

0

0

0

0

0

1

0

1

Moated site

1

1

1

1

9

7

0

20

Molen

0

0

0

0

4

4

0

8

Motte/kasteelheuvel/ vliedberg

0

0

0

0

2

2

0

4

Nederzetting, onbepaald

375

112

212

246

236

110

12

1303

Niet van toepassing

6

5

6

7

12

15

4

55

Onbekend

698

306

351

363

383

198

54

2353

Percelering/verkaveling

0

0

2

2

10

10

0

24

Pottenbakkerij

0

0

0

0

0

2

0

2

Romeins villa(complex)

0

0

1

3

0

0

0

4

Schans

0

0

0

0

2

2

0

4

Stad

0

0

0

1

16

14

0

31

Steen-/pannenbakkerij

0

0

0

1

4

3

0

8

Urnenveld

3

68

83

9

6

1

2

172

Veekraal/schaapskooi

0

0

1

1

1

0

0

3

Versterking, onbepaald

0

0

0

0

4

4

0

8

Vuursteenbewerking

14

2

2

2

2

2

0

24

Wachtpost

0

0

1

1

0

0

0

2

Wal/omwalling

0

0

0

0

1

1

0

2

81 Weg

0

0

0

0

5

0

1

6

Eindtotaal

1152

631

736

693

840

472

84

4608

De bepaling van de verwachtingen is gebaseerd op een berekening waarin per geomorfologische en bodemkundige eenheid (bijvoorbeeld dekzandrug) het percentage vindplaatsen is vergeleken met de oppervlakte van die eenheid binnen het onderzoeksgebied. Als er minder vindplaatsen in een eenheid liggen dan op basis van een evenredige verdeling (oppervlak) over het landschap verwacht wordt, dan scoort die eenheid laag. Als er meer vindplaatsen in een eenheid liggen, dan scoort de eenheid middelhoog of hoog. Daarbij is de regel gehanteerd dat een verschil van 0 tot 1 middelhoog scoort en een verschil van 1 of meer hoog scoort. In tabel 2 wordt een overzicht gegeven van het aantal vindplaatsen per geomorfologische eenheid en ingedeeld naar periode. Uit deze tabel wordt duidelijk dat circa 40 % van de vindplaatsen op de dekzandruggen voorkomen en dat deze dekzandruggen een percentage van 25 % van de totale oppervlakte innemen. In tabel 3 wordt een overzicht gegeven van het aantal vindplaatsen per bodemkundige eenheid en ingedeeld naar periode. Uit zowel tabel 2 als 3 blijkt dat bijna 15 % van de vindplaatsen zijn aangetroffen binnen de bebouwde gebieden; een gebied met een oppervlak van bijna 8% van het totaal.

Doordat vooral bij uitbreiding van dorpen en steden grootschalig bodemingrepen hebben plaatsgevonden, zijn hier de meeste vindplaatsen aangetroffen bij zowel professioneel archeologisch onderzoek als door toevallige waarnemingen door amateurs. Uit tabel 3 maken we ook op dat ruim 30 % van de archeologische vindplaatsen voorkomt onder de hoge zwarte enkeerdgronden of oude opgehoogde akkergebieden, die circa 15 % van het totale oppervlak innemen. Uit de totale inventarisatie en analyse van beide tabellen blijkt dat het merendeel (bijna 45 %) van de 1145 Steentijd vindplaatsen op de dekzanden (plateau, vlakten en ruggen) te vinden is en meestal bedekt is door een enkeerdgrond of podzolbodem (bijna 58 %). Het merendeel (bijna 54 %) van de 1909 vindplaatsen vanaf de Bronstijd tot en met de Late Middeleeuwen is eveneens te vinden op de dekzandruggen en -vlakten, meestal bedekt door een enkeerdgrond of podzolbodem (ruim 66 %). Ook voor de Nieuwe tijd scoren de dekzanden hoog (ruim 46 %) en enkeergronden/podzolen hoog (47 %). De dekzandruggen zijn hoger gelegen gronden die goed geschikt zijn voor bewoning en akkerbouw. Bovendien liggen ze vaak in een overgangszone van lager gelegen, vochtigere gronden naar drogere, hoge gronden.

Zowel voor jagers-verzamelaars als boeren met gemengde landbouw is dit een aantrekkelijke landschappelijke situering, op de overgang van beide te exploiteren milieus. Verder valt het hoge percentage bij de bebouwing op, dat echter te verklaren is door de vele bodemverstoringen bij nieuwbouw en dergelijke, waarbij archeologische vondsten al dan niet door opgravingen zijn ontdekt. Het blijkt verder dat de grondwatertrap in Noord-Brabant een voorspellend karakter kan hebben voor het aantreffen van archeologische overblijfselen. In de regel worden de meeste archeologische vindplaatsen aangetroffen in gebieden met grondwatertrap VI of VII. Dit zijn de gronden die, vanuit landbouwtechnisch oogpunt, van nature de beste afwatering hebben. Maar ook in gebieden met grondwatertrap V worden vindplaatsen aangetroffen. Groot nadeel van de grondwatertrappen op de bodemkaart is dat dit in hoge mate de actuele standen betreft. Na vele decennia aan verbeterde ontwatering (door rechtgetrokken beken en diepe afwateringssloten) en aan diepe grondwateronttrekking door waterleidingmaatschappijen en na 1960 ook de boeren zelf, is de vraag of de grondwatertrap wel bruikbaar is om te bepalen of een gebied aantrekkelijk was voor bewoning. Uit

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11852159/1