CConstaterende datEijsden-Margraten
Koppel je AI →
Document · PDF

lop-buitengewoon-margraten-extern-document-cd-kl

* Raadsvergaderingen 26 september 2023, gemeente Eijsden-MargratenBij agendapunt: Landschapsfonds en subsidieverordening aanplantregeling Landschapselementen60.945 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 8

1

www.buitengewoonmargraten.nl

2

3

landschaps ontwikkelings plan gemeente margraten

4

5

Inhoudsopgave DEEL II Inleiding

177

1

Kernkwaliteiten van het landschap

183

2

Integrale visie: Buitengewoon Margraten

191

3

Visie per functie en in samenhang

195

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9

Algemene visie natuurlijke kwaliteit - landschappelijke onderlegger Algemene visie natuurlijke kwaliteit - ecologische structuur Algemene visie culturele kwaliteit - cultuurhistorie Algemene visie gebruikskwaliteit - wonen Algemene visie gebruikskwaliteit - werken Algemene visie gebruikskwaliteit - natuur Algemene visie gebruikskwaliteit - verkeerswegenstructuur Algemene visie gebruikskwaliteit - toerisme en recreatie Algemene visie visueel-ruimtelijke belevingskwaliteit

197

4

Uitgewerkte visie en streefbeelden per deelgebied

249

Deelgebied Maasdalterras Deelgebied Historische verbindingen Deelgebied Poort van het Heuvelland Deelgebied Plateau ‘t Rooth en Scheulder Deelgebied Termaardergrub en Plateau van Sint Geertruid Deelgebied Herkenradergrub Deelgebied Groot Stuck, Hackenroth, Bergerveld en Krikelberg Deelgebied Noordal - Schiervlakte

252

164

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8

167

5

Doorkijk naar het operationeel programma in deel III

401

Overzichtskaart Literatuur DEEL I & DEEL II Colofon

402

DEEL I 1

Inleiding

07

2

Inventarisatie en analyse van het landschap

13

2.1 Abiotische structuur 2.2 Biotische structuur 2.3 Antropogene structuur

3

Vigerend beleid en overige bestaande plannen

3.1 Vigerend beleid 3.2 Overige bestande plannen

15 23 61 103 105

Ontwikkelingen in het buitengebied

149

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7

Demografische ontwikkelingen - verstedelijking Ontwikkelingen in de agrarische sector Toeristisch-recreatieve ontwikkelingen Ontwikkelingen met betrekking tot de natuur Kleinschalige / ad hoc ontwikkelingen Economische ontwikkelingen Ontwikkelingen in beleid

150

5

Vernieuwingen in het buitengebied

6

Doorkijk naar de visie, uitgangspunten en streefbeelden in deel II

209 214 219 231 233 239 246

134

4

5.1 Culturele vernieuwing van het landschap 5.2 Economische vernieuwing van het landschap

202

152 156 158 163 164

266 277 294 315 338 358 376

168 171

175

404 408

6

7

1 Inleiding

Aanleiding en doel De gemeente Margraten heeft in de startnotitie ‘Landschapsontwikkelingsplan’ haar visie op het opstellen van een Landschapsontwikkelingsplan voor het buitengebied van haar gemeente vastgelegd. Naar aanleiding hiervan heeft Heukelom Verbeek landschapsarchitectuur opdracht gekregen samen met de bij het landschap betrokken partijen en de gemeente Margraten een landschapsvisie voor het buiten­gebied (inclusief kleine kernen en buurtschappen) van de gemeente Margraten op te stellen. Het voorliggende Landschapsontwikkelingsplan ‘Buitengewoon Margraten’ geeft een integrale visie op het landschap van de gemeente Margraten die uitgaat van de bestaande kernkwaliteiten van het landschap en waarin de gewenste ontwikkelingen worden vastgelegd. Het creëert daarmee een kader aan de hand waarvan de toekomstige ontwikkelingen in het buitengebied kunnen worden getoetst. Daarnaast dient het Landschapsontwikkelingsplan als kader voor uitwerkingsprojecten. De herziening van het Bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Margraten loopt vrijwel parallel aan het opstellen van het Landschapsontwikkelingsplan, waardoor het reeds gedurende de planvorming mogelijk is om in samenspraak met de gemeente Margraten te bekijken op welke wijze het Landschapsontwikkelingsplan kan worden doorvertaald in het bestemmingsplan.

8

L.O.P. BUITENGEWOON MARGRATEN / INLEIDING DEEL I

Werkwijze De gemeente Margraten heeft aangegeven, dat het Landschapsontwikkelingsplan breed gedragen dient te worden door de diverse bij het buitengebied betrokken partijen. Communicatie met maatschappelijke organisaties, mensen uit de streek, bewoners en grondeigenaren is daarbij van essentieel belang voor realisering van het Landschapsontwikkelingsplan. Het plan heeft immers geen dwingend karakter en de uitvoering ervan steunt voor een groot deel op vrijwillige medewerking van particulieren en betrokken organisaties. Bij het opstellen van het plan is vanaf de start ingezet op het op een juiste en positieve manier voorlichten van alle partijen. Daarbij is tevens ingezet op het opstarten van een maatschappelijk debat over het Landschaps­ontwik­kelings­plan. Dit is gedaan door het ontwikkelen van een website, het plaatsen van artikelen in de regionale krant en het verspreiden van folders. Om het Landschapsontwikkelingsplan voor iedereen herkenbaar te maken is tevens een beeldmerk (logo) ontwikkeld dat het landschap van de gemeente Margraten kenmerkt: ‘Buitengewoon Margraten’. De bloesem-bloem in het beeldmerk staat symbool voor de vele fruitbomen in de omgeving. Deze bloem is niet alleen typerend voor de gemeente Margraten, maar symboliseert door middel van de blaadjes en de meeldraden ook de dorpen en buurtschappen in de gemeente.

Ten behoeve van het Landschapsontwikkelingsplan is eveneens een klankbordgroep bijeen ge­ roepen, waarin de diverse bij het buitengebied betrokken partijen zitting hebben genomen. Op diverse momenten tijdens het planproces is deze klankbordgroep bijeengekomen. Parallel aan deze bijeenkomsten is door Heukelom Verbeek landschapsarchitectuur door middel van een bureaustudie gewerkt aan de verschillende onderdelen van het voorliggende Landschapsontwikkelings­plan ‘Buitengewoon Margraten’. De resultaten van de studies met betrekking tot de verschillende onder­ delen zijn vervolgens tijdens werkateliers als discussie­stukken voorgelegd aan de klankbordgroep. Op basis van de inzichten, die zijn verkregen tijdens de discussies in de bijeenkomsten zijn de onder­ delen van het Landschapsontwikkelingsplan waar nodig aangepast. Tevens zijn de partijen in de klankbord­groep onafhankelijk van elkaar gevraagd schriftelijk hun visie te geven op de toekomstige ontwikkeling van de natuur en het landschap in de gemeente Margraten. Hiermee is voorkomen, dat onderwerpen, die binnen de enigszins beperkte reikwijdte van de discussies tijdens de bijeenkomsten onvoldoende aan de orde zouden komen, buiten het Landschapsontwikkelingsplan zouden blijven of onderbelicht blijven.

De schriftelijk aangeleverde visies van de verschillende partijen in de klank­ bordgroep zijn gebundeld in een apart rapport ‘Landschapsontwikkelingsplan Margraten - Bundeling ideeën en suggesties klankbordgroep’ (Heukelom Verbeek landschapsarchitectuur, juni 2007).

Opbouw Bij de opbouw van het Landschapsontwikkelingsplan ‘Buitengewoon Margraten’ is gekoz­en voor een indeling in drie delen. De verschillende onderzoeksfases met hun specifieke aanpak, inhoud en resultaten komen achtereenvolgens in de verschillende delen van het Landschapsontwikkelingsplan aan de orde. Het voorliggende onderdeel van het Landschaps­ontwikkelingsplan ‘Buitengewoon Margraten’ betreft de inventarisatie en analyse van het bestaande landschap in de gemeente Margraten. Hieronder volgt de opbouw van dit deel, evenals de globale opbouw van beide andere delen.

9

10

L.O.P. BUITENGEWOON MARGRATEN / INLEIDING DEEL II / DEEL III

DEEL I - Inventarisatie en analyse Hoofdstuk 2 - Kwalitatieve en kwantitatieve inventarisatie en analyse landschap In dit hoofdstuk zijn de voor de planvorming relevante gegevens over de gemeente Margraten geïnventariseerd en geanalyseerd. Voor het opstellen van het Landschapsontwikkelingsplan is het namelijk noodzakelijk om eerst te inventariseren welke kwaliteiten, eigenschappen en waarden reeds aanwezig zijn. De inventarisatie heeft plaatsgevonden aan de hand van veldverken­ningen, het raadplegen van literatuur en kaartmateriaal en het voeren van gesprekken met de klankbordgroep tijdens de werkateliers. In een interactief proces zijn tijdens deze bijeenkomsten de sterkten en zwakten, potenties en bedreigingen van het landschap in de gemeente Margraten besproken en waar nodig aangepast. Hierbij is een onderscheid gemaakt in de kernkwaliteiten van het landschap, te weten het natuurlijk systeem, de cultuurhistorie, het gebruik van het landschap en de visueel-ruimtelijke belevingskwaliteit van dit landschap. De uitkomsten van de bijeenkomsten zijn vervolgens verwerkt in de bureaustudie. Het re­sultaat daarvan is in dit hoofdstuk opgenomen.

Hoofdstuk 3 - Vigerend beleid en bestaande plannen In dit hoofdstuk wordt het vigerende beleid met betrekking tot het buitengebied van de gemeente Margraten en de aangrenzende gebieden bestudeerd op zowel rijks-, provinciaal als gemeentelijk niveau. Daarnaast wordt nagegaan welke inrichtingsplannen reeds aanwezig zijn voor het buitengebied, welke in een recente verleden zijn uitgevoerd, of welke op korte termijn in uitvoering worden genomen.

Hoofdstuk 4 - Ontwikkelingen in het buitengebied De gemeente Margraten bezit bijzondere landschappelijke kwaliteiten, die door de bewoners gewaardeerd worden en die het waard zijn te behouden of te versterken. Momenteel staat een aantal van deze kwaliteiten echter onder druk door verschillende ontwikkelingen. Anderzijds ontstaan door ontwikkelingen wellicht mogelijkheden om het landschap van de gemeente Margraten te behouden en zelfs te versterken. In dit hoofdstuk worden de met betrekking tot het Landschapsontwikkelingsplan relevante ontwikkelingen toegelicht.

Hoofdstuk 5 - Vernieuwingen in het buitengebied Naast ontwikkelingen hebben ook vernieuwingen een belangrijke consequenties voor de verschijningsvorm en duurzaamheid van het landschap. Hierbij gaat het voornamelijk om culturele en economische vernieuwingen. Het besef dat het landschap een gemeenschappelijk kapitaal is dat bewust beheerd moet worden en niet zomaar overgeleverd mag worden aan het vrije spel van zeer diverse ontwikkelingen is een belangrijk richtsnoer in deze vernieuwingsprocessen. In dit hoofdstuk worden de met betrekking tot het Landschapsontwikkelingsplan relevante vernieuwingen toegelicht.

Hoofdstuk 6 - Doorkijk naar de visie, de uitgangspunten en de streefbeelden in deel II In dit hoofdstuk wordt kort naar deel II vooruitgeblikt.

DEEL II - Visie, uitgangspunten en streefbeelden De kernkwaliteiten van het landschap en de uitgangspunten, die uit de inventarisatie en analyse van het landschap naar voren komen, zijn in dit deel uitgewerkt tot een integrale en ontwikkelingsgerichte visie, die in beginsel voor de gehele gemeente Margraten geldt. Uitgaande van deze visie, zijn vervolgens per kernkwaliteit uitgangspunten opgesteld met betrekking tot de toekomstige ontwikkeling van het buitengebied van de gemeente Margraten. Aan de hand van de visie en de uit­gangs­punten en de spreiding van de kernkwaliteiten van het landschap binnen de gemeente Margraten, is de gemeente Margraten opgesplitst in een aantal deelgebieden met een eigen karakteristiek. Voor elk deelgebied zijn specifieke streefbeelden opgesteld. Bij de beschrijving van de streefbeelden per deelgebied is gekozen voor het schrijven van op zichzelf staande teksten, die ook los van de visie en uitgangspunten gelezen kunnen worden. Door de verwerking van die visie en uitgangspunten in de streefbeelden voor de verschillende deelgebieden zijn herhalingen onvermijdelijk. Echter de leesbaarheid van de teksten per deelgebied wordt nu niet belemmerd door talloze verwijzingen, die bij een andere tekstopbouw noodzakelijk zouden zijn.

DEEL III - Actieprogramma Aan de hand van de streefbeelden voor de verschillende deelgebieden is een actieprogramma opgesteld. Hierin zijn voor de verschillende onderdelen van de streefbeelden (pilot)projecten, maatregelen en/of stimuleringsregelingen opgenomen, die er toe leiden dat de gestelde doelstellingen en uitgangspunten verwezenlijkt worden. Aan deze projecten zijn prioriteiten en globale kostenramingen gekoppeld.

11

12

13

2 Inventarisatie en analyse van het landschap

Het landschap van de gemeente Margraten, zoals we dit nu ervaren, is een resultante van de abiotische, de biotische en de antropogene structuur (lagenbenadering). Deze structuren, hun verschijningsvormen en hun functies liggen ten grondslag aan de uiteindelijke landschappe­­lijke kwaliteiten van het gebied. De inventarisatie en analyse van het landschap kent dan ook een opbouw waarin eerst de abiotische, de biotische en de antropogene structuur worden geïnventariseerd en geanalyseerd. Deze inventarisatie en analyse is weergegeven in respectievelijk paragraaf 2.1, 2.2 en 2.3. Vervolgens wordt op basis hiervan in paragraaf 2.4 een landschapstypering gegeven.

14

L.O.P. BUITENGEWOON MARGRATEN / HOOFDSTUK 2 / 2.1 ABIOTISCHE STRUCTUUR

2.1

Abiotische structuur Tot de abiotische structuur behoren de aspecten geologie, geomorfologie, bodem(gesteldheid) en water­systeem/-huishouding (incl. erosie). Door middel van het bestuderen van literatuur en kaartmateriaal en gesprekken met de klankbordgroep zijn gegevens over de abiotische structuur verzameld en verder geanalyseerd. Op basis hiervan is de landschappelijke opbouw van de gemeente Margraten bepaald. In onderstaande tekst wordt specifiek ingegaan op de wijze waarop de landschappelijke opbouw bepalend is, en is geweest, voor de karakteristiek en identiteit van de gemeente Margraten. In paragraaf 2.4 slot wordt voor het hele buitengebied van de gemeente Margraten en voor de verschillende te onderscheiden deelgebieden ingegaan op de sterkten en zwakten van de abiotische structuur.

Landschappelijke opbouw terrassenlandschap De ontstaansgeschiedenis van de gemeente Margraten is voor een groot deel gerelateerd aan de landschappelijke opbouw, die dan ook mede bepalend is voor de karakteristiek en de identiteit van de gemeente. De gemeente Margraten is gelegen in een zogenaamd terrassenlandschap, dat kenmerkend is voor dit deel van Zuid-Limburg. De opbouw van dit terrassenlandschap is gebaseerd op de opbouw en de ontwikkeling van de aardkorst (geologie), de vormen van het aardoppervlak (geomorfologie), de bodemsamen­stelling, de waterhuishouding en de topografie. Uit bestudering van de geologie en de geomorfologie komt naar voren dat dit terrassenlandschap is gevormd door erosie- en afzettingsprocessen, waardoor een complex patroon van glooiingen, hellingen en dalen is ontstaan. Het landschapsbeeld werd in eerste instantie bepaald door de loop van de Maas, die over een relatief vlak gebied van Eijsden naar het noordoosten over Epen en Vijlen stroomde. Tengevolge van tektonische processen tijdens het Pleistoceen kwam echter het Ardennengebied omhoog, waarbij de opheffing naar het noordwesten toe minder werd en de hoogteligging van het meest zuidelijke deel van Zuid-Limburg van zuidoost naar noordwest trapsgewijs afnam. De Maas verplaatste zich hierdoor steeds verder naar het westen, waarbij terrassen werden gevormd.

Door dit aard­kundige proces van opheffing hebben niet alleen de Maas, maar ook de Geul en de daarvan deeluitmakende watervoerende zijbeken zich door inschuring diep ingesneden.

R01 Bodemkaart

In de huidige situatie zijn in de opbouw van het terrassenlandschap binnen de gemeente meerdere onderdelen te onderscheiden, te weten plateaugebieden, het ‘Eiland van Banholt’, de schiervlakte, het beekdal van de Noor, droogdalen, hellingen, de Eckelradebreuk en de groeves. In onderstaande tekst worden deze onderdelen toegelicht. Deze landschappelijke opbouw is weergegeven op kaart R03. Ter verduidelijking zijn de aspecten bodem en waterhuishouding (incl. erosiegevoelige locaties) uitgelicht en op aparte kaarten opgenomen (kaart R01 en R02).

15

16

17

Plateaugebieden De gemeente Margraten bestaat voor een groot gedeelte uit plateaugebieden die zijn bedekt met löss. Deze plateaus liggen op diverse niveaus (trappen), die gekenmerkt worden door een relatief vlakke ligging met een zacht glooiend reliëf. Achtereenvolgens kunnen de volgende plateaus worden onderscheiden • • • • •

Het plateau van Cadier en Keer (Missiehuis-Sportterrein en Gruisveld) op een hoogte van ongeveer + 120 m NAP Het plateau van Eckelrade-Sint Geertruid-Herkenrade op een hoogte van ongeveer + 130 m NAP Het plateau van ’t Rooth, op een hoogte van ongeveer +140 m NAP Het plateau van Sibbe, op een hoogte van hoogte van ongeveer + 150 m NAP Het plateau van Pasveld (Margraten) op een hoogte van ongeveer +170 m NAP

Met name vanaf uitzichtpunten aan de oostzijde van het buitengebied van de gemeente Margraten, zoals ten noordwesten van Banholt zijn deze verschillende plateaus beleefbaar.

‘Eiland van Banholt’ en de schiervlakte De geomorfologisch oudste gebieden in de gemeente Margraten, die door de tektonische werking ook het hoogst zijn gelegen, worden gevormd door de scheidingszone tussen de Oost- en de Westmaas en de schiervlakte. De Oost- en Westmaas zijn twee voorlopers van de huidige Maas. De scheidings­­­zone is een overblijfsel van de meest noordelijke heuvelrug van de Ardennen en is kenmerkend, doordat de terreinvormen hiervan behoren tot de hoogste gedeelten van het reliëf in Zuid-Limburg. Daarnaast zijn grote delen van deze scheidingszone buiten de invloedsfeer van de Maas gebleven, waardoor het ontstaan van reliëfvormen hier anders is verlopen dan buiten deze zone (Berg, M.W. van den, 1989). In de gemeente Margraten wordt de scheidingszone vertegenwoordigd door het ‘Eiland van Banholt’. Buiten de gemeente Margraten maken ook de ‘Eilanden van Ubachsberg en Nieuwenhagen’ onderdeel uit van de scheidingszone. Het ‘Eiland van Banholt’ is gelegen tussen Banholt en Termaar op ca. 190-180 meter boven NAP en is door zijn hoogteligging ten opzichte van het om­ringende landschap duidelijk herkenbaar vanuit de om­geving (met name vanaf de noordwestzijde). Ook is vanaf dit eiland prachtig uitzicht over de omgeving te verkrijgen.

Aan de oostkant van Banholt bestaat in de richting van Hoogcruts (Schilberg) uitzicht over het Oostmaasdal en aan de westkant in noordwestelijke richting over het Westmaasdal. Bij laatstgenoemde vormt de Sint Pietersberg met de Observant een op­ vallend oriëntatiepunt. Daarnaast is bij de Hut (Termaar) uitzicht richting Gulpen over de volle breedte van het Oostmaasdal naar de kerk van Vijlen toe. Doordat het ‘Eiland van Banholt’ tot de geo­morfologisch oudste gebieden van Zuid-Limburg behoort en bovendien het ontstaan van het land­schap hier goed af te lezen is, is deze plek als geologische en aardkundig object (Gea-object) bestempeld. Naast het ‘Eiland van Banholt’ is tevens de schiervlakte geomorfologisch gezien een belangrijk onderdeel.Deze vlakte vormt de meest noordelijke voortzetting van de Ardennen en de meest zuidelijke oever van de Oostmaas. In de gemeente Margraten bestaat de schiervlakte uit een zone langs de Belgische grens ten zuiden van Noorbeek, Schey en Hoogcruts. Dit gebied ligt op ca. 210 meter + NAP en is ontstaan door zeer langdurige vervlakking door denudatie- en erosieprocessen.

R02 Waterhuishouding (incl.erosiegevoelige loaties

18

L.O.P. BUITENGEWOON MARGRATEN / HOOFDSTUK 2 / 2.1 ABIOTISCHE STRUCTUUR

Mede door de insnijding van de vlakte door droogdalen en beekdalen, die dankzij de opheffing van de Ardennen in noord-zuid richting naar het beekdal van de Noor gelegen zijn, heeft de vlakte het karakter gekregen van een plateau. Kenmerkend voor dit gebied is de aanwezigheid van stenen in de bovengrond en vuursteeneluvium in de ondergrond van de bodem.

Beekdal Behalve het beekdal van de Noor zijn in de gemeente Margraten geen beekdalen aanwezig en is er verder geen permanent stromend oppervlaktewater aanwezig. De hoofdbron van de Noor, de Sint Brigidabron, bevindt zich in Wesch en vanaf deze bron stroomt de Noor in westelijke richting naar ’s-Gravenvoeren in België. Deze bron en meerdere kleine bronnen aan de westzijde van Noorbeek zijn hier ontstaan, doordat ondoordringbare lagen (de zogenaamde Formatie van Vaals) in de ondergrond aanwezig zijn, waardoor het water aan de oppervlakte van het maaiveld komt. Door de aanwezigheid van een ‘poort’ in de dalhelling en een wasplaats is de Brigidabron duidelijk herkenbaar. De bodem van het beekdal is vruchtbaar, doordat deze hoofdzakelijk bestaat uit een leemgrond met van de hellingen en het plateau afgespoeld materiaal (colluviaal). Door de lage ligging op ca. 130 meter boven NAP en het hoogteverschil met het omringende plateau is het beekdal duidelijk herkenbaar in het landschap, met name vanaf de weg tussen Wesch en Noorbeek.

Droogdalen

R03 Landschappelijke opbouw

Droogdalen zijn in principe niet permanent watervoerende dalen, die zijn ontstaan door de ero­ deren­de werking van sneeuwsmeltwater aan het einde van de laatste ijstijd. De droogdalen fungeren in de huidige situatie als afvoer van (pieken van) hemelwater en wateren door het hoogteverschil af richting de Noor, de Voer en de Maas (zie ook kaart R02). Dergelijke droogdalen worden meestal grubben of dellen genoemd. Aan de kant van de Maas zijn de volgende grotere droogdalen te onderscheiden: Moerslaggrub, Schone Grub (Savelsbosch), Scheggelder Grub (Savelsbosch), Eckelrader Grub, Dor(ren) Grub, Hondsberggrub, Bunderdelgrub en Bemeler­ grub. Deze grubben kunnen V-vormig (symmetrisch) uitgeslepen zijn, maar ook asymmetrisch met een steile en een vlakkere zijhelling. Wannen en molten zijn kleinere droogdalen en vormen meestal zijdalen van de grotere grubben die afhankelijk van hun vorm en doorsnede hun naam hebben gekregen door de Limburgse bevolking. Een wan is een dal dat aan beide zijden begrensd wordt door steilranden en dat naar boven toe komvormig uitloopt. Een mooi voorbeeld hiervan is de Wan aan de Kapelweg in Cadier en Keer. Een molt is een groter zijdal met een vlakke bodem en aan weerszijden steile randen, zoals bijvoorbeeld gedeelten van de Hondsberggrub tussen Cadier en Keer en Eckelrade.

Door de ligging van de grote watervoerende dalen aan de westen zuidzijde van de gemeente Margraten zijn vrijwel alle grote droogdalen (de grubben en de dellen) van noordoost naar zuidwest georiënteerd. Uitzondering hierop vormen de Honsbergergrub en het droogdal ten noorden Cadier en Keer. Beide zijn door de aanwezigheid van de Eckelradebreuk (voor meer info zie kopje Eckelradebreuk) van zuidoost naar noordwest georiënteerd. Tot slot zijn in droogdalen vaak wegen aangelegd, doordat de hellingen hier minder steil zijn en dus makkelijker te berijden waren. Door uitspoeling en gebruik zijn hierdoor holle wegen ontstaan.

19

20

21

Hellingen Doordat de plateaus door de Noor en door droogdalen zijn ingesneden is een groot aantal flauwe tot zeer steile hellingen ontstaan (zie kaart R02). Aan de noordzijde van de dalen zijn de hellingen sterk hellend (8-16%) tot zeer steil (>25%). De zuidzijde van de dalen zijn wat minder steil, maar zijn nog steeds matig (5-8%) tot sterk hellend (8-16%). Dit verschil in noord- en zuidhellingen is ontstaan aan het einde van de laatste ijstijd door zogenaamde gelifluctie en de exponentie van de helling. In deze periode warmde de bovenste bodemlagen op en ontdooiden sneller dan de ondergrond. Vervolgens zijn de bovenste ontdooide lagen over de nog bevroren ondergrond afgeschoven. Aangezien de hellingen geëxponeerd op het zuiden sneller opwarmden, zijn deze hellingen door gelifluctie sterker geërodeerd dan de hellingen die op het noorden zijn gericht en daardoor steiler. De hellingen aan de noordzijde van de (droog)dalen waren hierdoor veelal te steil en erosiegevoelig voor landbouw­kundig gebruik, of de vruchtbare toplaag was hier reeds door erosie verdwenen waardoor de harde kalksteenlagen en grof zand- en grindafzettingen bloot waren komen te liggen. Geologisch gezien vormen de hellingen zeer bijzondere objecten, omdat op deze plekken de oudere bodemlagen waarin kalksteen en vuursteen aanwezig zijn aan de oppervlakte komen en soms zelfs zichtbaar zijn.

In deze hellingen zijn dan ook veel kalksteengroeves en enkele vuursteenmijnen te vinden (zie onder kopje Groeves). Aangezien op deze plekken het ontstaan van het landschap goed af te lezen is, zijn de hellingen met name in het westen van de gemeente Margraten en de groeves en mijnen als geologische en aardkundig object (Gea-object) bestempeld (zie kaart R03). Daarnaast is er op diverse plekken vanaf de hellingen uitzicht op de omgeving, waardoor de ontstaans­ geschiedenis van het landschap afgelezen kan worden, zoals langs de helling bij St. Geertruid, vanaf het Gruisveld en de golfbaan bij Cadier en Keer en de Bemelerberg bij Bemelen.

Eckelradebreuk Zoals eerder genoemd, kwam het meest zuidelijke deel van Zuid-Limburg tengevolge van tektonische processen in het Ardennengebied tijdens het Pleistoceen omhoog. Bij deze processen ontstonden plooien en breuken, die voornamelijk van noordwest naar zuidoost gericht zijn en waarbij de bodem met name naar het noorden is afgeschoven. In de gemeente Margraten is één (kleine) breuk aanwezig, te weten de Eckelradebreuk. Deze breuk loopt vanaf Eckelrade op het plateau via Berg naar Borgharen. Opvallend verschil ten opzichte van het grootste deel van de overige breuken in Zuid-Limburg is dat de bodem niet naar het noorden maar naar het zuiden is afgeschoven. Hoewel de Eckelradebreuk een hoogteverschil van meer dan 10 meter heeft, is deze in het landschap slechts op een subtiele manier herkenbaar. Ter plaatse van de breuk is de helling tussen het oostelijke terras van de Maas en het plateau van Margraten onderbroken en minder sterk bebost dan de overige helling. Dit is in het landschap beleefbaar, doordat hier de provinciale weg van Maastricht naar Aken op de relatief eenvoudigst te berijden helling is aangelegd. Verder is de Eckelradebreuk alleen op grote schaal herkenbaar door de afwijkende richting (zuidoost-noordwest) van de Honsbergergrub en het droogdal ten noorden van Cadier en Keer.

22

L.O.P. BUITENGEWOON MARGRATEN / HOOFDSTUK 2 / 2.2 BIOTISCHE STRUCTUUR / 2.2.1 GROENSTRUCTUUR

Groeves Bij de beschrijving van de hellingen is al naar voren gekomen dat in de ondergrond op vele plaatsen kalksteen aanwezig is en met name in steile hellingen aan de oppervlakte komt. In het verleden is in de gemeente Margraten deze kalksteen (mergel) en de daarin aanwezige vuursteen op kleine schaal ondergronds (d.w.z. via mijnbouw) gewonnen. Mergel werd als bouwstof en grondverbeteraar gebruikt. Een deel van de ondergrondse groeves dateert zelfs nog uit het Neolithicum, zoals in de dalwand van de Maas nabij Rijckholt. Open groeves ten behoeve van dagbouw komen ook op kleine schaal voor in de oostelijke wand van het Maasdal. Ook in de hellingen van het natuurgebied Bemelerberg, de Mettenberg en de Schiepersberg zijn groeven aanwezig. Kenmerkend zijn de blootliggende nagenoeg verticale kalksteenwanden van de Bemelerberg en de Schiepersberg, die een voor Nederland uniek landschap en een tastbare geologische en historische monument vormen. De NEKAMI-groeve bij ’t Rooth is de enige kalksteengroeve in de gemeente Margraten, die nu nog steeds in gebruik voor de winning van kalksteen als kalkmeststof, toevoeging aan veevoer en voor gebruik in de bouw en de keramische industrie (Felder, W., e.a., 2003). De jongste ontgravingen bevinden zich pal naast de buurtschap ’t Rooth, waarbij de groevebodem circa 20-30 meter lager dan de buurtschap is gelegen.

Enerzijds wordt het bestaande landschap door de exploitatie van deze groeve geheel vergraven. Anderzijds ontstaat hier een nieuw landschap met nieuwe, maar eveneens zeer waardevolle landschaps- en natuureigenschappen. Een deel van de groeve is zelfs al heringericht als natuurgebied. Daarnaast is de groeve bijzonder rijk aan fossielen en bovendien laat ze zien dat de diepere ondergrond bodemschatten bezit, die zeer bepalend zijn (geweest) voor de huidige verschijningsvorm en de identiteit van de gemeente. Vele huizen zijn immers geheel of gedeeltelijk gebouwd uit in de ondergrond aanwezige mergel. Hoewel enkele groeves zich bevinden in karakteristieke verticale kalkwanden, is een groot deel van de groeves verborgen gelegen en ze vormen daardoor een wereld op zichzelf. Zelfs de groeve van ’t Rooth, die groot van omvang is, is niet op een zeer duidelijke manier waarneembaar vanuit het omringende landschap. De groeves zijn als geologische en aardkundige objecten (Gea-objecten) in 1989 door het Rijksinstituut voor Natuurbeheer in kaart gebracht (Gonggrijp, G. P., 1989). Deze objecten zijn op kaart R03 weergegeven. Naar aanleiding van dit onderzoek zijn enkele monumenten opgeknapt en is het beheer aangepast. Tijdens het opstellen van het Landschapsontwikkelingsplan voor de gemeente Margraten werd deze lijst met Gea-objecten geactualiseerd door het IKL Limburg.

Aangezien deze actualisatie in een zeer pril stadium verkeerde is deze nog niet verwerkt.

Afstroom- en infiltratievoorzieningen Zoals uit kaart R02 naar voren komt zijn op diverse locaties, maar voornamelijk in de droogdalen, circa 60 afstroom- en infiltratie-voorzieningen ingericht. Deze voorzieningen van vooral het Waterschap Roer en Overmaas zijn behalve voor hemelwateropvang ook bedoeld voor de opvang van sediment dat afspoelt in de vorm van erosie. Hoewel door deze voorzieningen overlast door water en afgespoeld materiaal (modder, grind) wordt beperkt, zijn er nog enkele knelpunten waar overlast plaats vindt. Uit de veldinventarisatie komt naar voren dat deze voorzieningen meestal steile, gelijkmatig vormgegeven taluds hebben, die in contrast staan met het omringende glooiende landschap. Sommige, zoals bijvoorbeeld in Bemelen, zijn zelfs uitgevoerd in de vorm van een betonnen bak. Tevens komt naar voren dat door de plaatsing van de beplanting en hekwerken rondom deze elementen soms opvallende eilandjes in het open agrarisch gebied vormen.

2.2

Biotische structuur De biotische structuur heeft betrekking op de levensomstandigheden van de flora en fauna en is sterk gerelateerd aan de abiotische structuur. Gegevens over de biotische structuur zijn verkregen aan de hand van globale veldverkenningen, informatie die verstrekt is door de leden van de klankbord­ groep (Natuurhistorisch Genootschap Limburg, VTN en IVN) en door het bestuderen van literatuur en kaartmateriaal. Als eerste wordt in paragraaf 2.2.1 ingegaan op de groenstructuur die in de gemeente Margraten aanwezig is. Vervolgens wordt in paragraaf 2.2.2 de aanwezige flora en fauna beschreven. In paragraaf 2.2.3 tenslotte komt de ecologische structuur van de gemeente Margraten aan bod, waarbij meer in detail wordt ingegaan op de aanwezige bos- en natuurgebieden.

2.2.1

Groenstructuur De huidige groenstructuur van de gemeente Margraten is zeer divers. Veel bossen en natuurgebieden zijn aanwezig, maar ook akkerlanden, graslanden, hoogstam- en laagstamfruitboomgaarden. Daarnaast komen veelvuldig kleine landschapselementen voor die karakteristiek zijn voor ZuidLimburg, zoals hagen, graften en holle wegen. Deze huidige groenstructuur is aan de hand van door de gemeente beschikbaar gesteld kaartmateriaal, luchtfoto’s en meerdere veldverkenningen op structuurniveau in kaart gebracht. Dit betekent dat niet geïnventariseerd is op afzonderlijke elementen, zoals bijvoorbeeld afzonderlijke bomen, maar op bomenrijen. Hierbij is aan de hand van het Handboek Streefbeelden voor natuur en water in Limburg (Provincie Limburg, 2002b) zoveel mogelijk onderscheid gemaakt in de verschillende natuurdoeltypen. Tevens is het Stimuleringsplan Natuur, Bos en Landschap (Provincie Limburg, 2002a) geraadpleegd, omdat hierin gegevens zijn opgenomen over welke natuurdoeltypen binnen de huidige groenstructuur van de gemeente Margraten aanwezig zijn en welke streefbeelden/natuurdoeltypen voor de toekomst voor de groen­ structuur zijn opgesteld. In deze subparagraaf wordt een overzicht gegeven van de elementen van de huidige groenstructuur in het buitengebied van de gemeente Margraten.

Aan de orde komen bossen en struwelen, bomenrijen, boomgroepen en solitaire bomen, laagstamfruitboomgaarden en boomkwekerijen, kleine landschapselementen, intensieve en extensieve graslanden en pionier­ gemeenschappen. Op kaart R04 is de huidige groenstructuur van de gemeente Margraten weergegeven. Aangezien sommige natuurdoeltypen geleidelijk in elkaar over gaan, zijn enkele hieronder afzonderlijk besproken natuurdoeltypen op kaart als een eenheid weergegeven. Achterin het rapport is kaart R04 op een grotere schaal opgenomen.

23

24

L.O.P. BUITENGEWOON MARGRATEN / HOOFDSTUK 2 / 2.2.1 GROENSTRUCTUUR

Bossen en struwelen (A1 en A2) In de gemeente Margraten zijn de bossen voornamelijk te vinden op de (steilere) hellingen van de plateaus en op de bodem en hellingen van het beekdal van de Noor. Binnen deze bossen zijn de natuurdoeltypen Wintereiken-Beukenbos (A 1.1), Parelgras-Beukenbos (A 1.2), EikenHaagbeukenbos (A 1.4) en Bronbos (A 1.3) onderscheiden. Aangezien deze natuurdoeltypen over het algemeen geleidelijk in elkaar overgaan, zijn deze niet apart op kaart R04 weergegeven, maar samen onder ‘bossen’. Wintereiken-Beukenbos (A 1.1) is te vinden op kalkarme, matig zure, voedselarme tot matig voedselarme bodem zoals löss, vuursteeneluvium of leem. Het betreft opgaande beukenbossen met verspreid Wintereik en soms Zomereik. De struiklaag is vrij open en de kruidlaag is redelijk ontwikkeld (Provincie Limburg, 2002b). Deze bossen zijn gesitueerd aan de bovenzijde van de hellingen en in de gemeente Margraten op veel plaatsen aanwezig, zoals in het Koelebos, het Savelsboscomplex (Savelsbos, Eijsderbos, Trichterberg, Örenberg, Heerderberg, Riesenberg), Jonge Hagen, Wolfsberg en Honsberg. Op plekken waar de bodem kalkhoudend tot kalkrijk, matig voedselrijk en vochtig is, is ParelgrasBeukenbos (A 1.2) te vinden. Hoge opgaande Beuken vormen een vrij gesloten boomlaag met ver­ spreid een aantal andere loofboomsoorten.

De struiklaag is veelal open en bestaat voor een belangrijk deel uit jonge bomen en Hazelaar. De kruidlaag is goed ontwikkeld en soortenrijk, met soorten die in het voorjaar bloeien. Parelgras-Beukenbos is lager op de hellingen te vinden op plekken in het Koelebos, op de Mettenberg, in groeve ’t Rooth, op de Bundersberg, op de Schiepersberg, in het Savelsboscomplex (bos Sint Joseph, Heerderberg, Riesenberg, Trichterberg, Örenberg, Scheggeldergrub, Savelsbos en Eijsderbos), in Jonge Hagen, in het Hoogbos en op de Krikelberg. Eiken-Haagbeukenbos is laag op de hellingen aanwezig waar licht kalkhoudende tot tamelijk kalkarme bodems van löss en leem voorkomen en waar de omstandigheden in de winter en het voorjaar plaatselijk zeer nat zijn. Deze bossen zijn van nature hoog opgaande bossen met Zomereik als belangrijkste boomsoort naast onder andere Gewone Es, Beuk, Haagbeuk en Zoete Kers. De struiklaag en de kruidlaag zijn goed ontwikkeld. In de gemeente Margraten komt EikenHaag­beukenbos voor in het Koelebos, op de Mettenberg en in het Savelsbos (Riesenberg en Scheggeldergrub). Bronbos (A 1.3) is slechts op enkele plekken binnen de gemeente Margraten te vinden, omdat deze bossen gebonden zijn aan brongebieden en bronbeekjes. Door deze bronnen hebben deze bossen een constante aanvoer van schoon en koel water.

De boomlaag wordt gedomineerd door Zwarte Els en/of Gewone Es, maar op de natste plekken ontbreken bomen. De struiklaag wisselt sterk en de kruidlaag is veelal gesloten met veel moerasplanten. Tot de bronbossen worden zowel Elzenbronbossen op kalkarme standplaatsen als Essenbronbossen op kalkrijke standplaatsen gerekend. In de gemeente Margraten zijn Elzenbronbossen te vinden in het natuurgebied Noorbeemden. Ook op de Bundersberg en Schiepersberg zijn op enkele natte plekken bronbossen aanwezig.

R04 Groenstructuur

Verder komen in het buitengebied van de gemeente Margraten enkele percelen met naaldhout voor, zoals in de Banholtergrub, ten oosten van Cadier en Keer en ten oosten van de Amerikaanse oorlogsbegraafplaats. Deze naaldhoutbosjes hebben een duidelijk cultuurlijk karakter door de boom­ soort en de dichte aanplant.

25

26

L.O.P. BUITENGEWOON MARGRATEN / HOOFDSTUK 2 / 2.2.1 GROENSTRUCTUUR

Naast de bossen zijn in de gemeente Margraten diverse struwelen aanwezig, met name in en langs de randen van natuurgebieden. Hierbij gaat het om de natuurdoeltypen Doornstruweel (A 2.1), Bremstruweel (A 2.2) en Wilgenstruweel (A 2.4). Net als bij de verschillende natuurdoeltypen van de bossen zijn de verschillende natuurdoeltypen van de struwelen op kaart R04 samengenomen. Doornstruweel (A 2.1) komt voor op matig voedselrijke, kalkhoudende tot kalkrijke bodems. Kenmerkend zijn doornige struiken, zoals Sleedoorn, Wegedoorn, Meidoorns, Rozen en Bramen.

aanwezig bij recreatieve rustpunten, bij wegkruisen, langs dorpsranden, op perceelranden, bij poelen, rond waterbuffers en langs (veld)wegen. Op meerdere plekken, zoals bijvoorbeeld in het agrarisch gebied ten westen van Bruisterbosch en Banholt, vormen deze bomen aantrekkelijke landmarks in het cultuurlandschap en versterken zij de dieptewerking in het uitzicht.

Doornstruwelen zijn vooral te vinden in gradiëntmilieus (overgangen tussen nat en droog, bos en gras, etc.) en ontstaan vaak door extensieve begrazing (Provincie Limburg, 2002b). Dit natuurdoeltype is in combinatie met graslanden en bossen op zeer veel plekken in de gemeente Margraten te vinden, zoals op de Bemelerberg, de Krekelberg, in groeve ’t Rooth, de Julianagroeve, de Schiepersberg, in het Koelebos, het Savelsboscomplex en in de diverse grubben (Termaardergrub, Scheggeldergrub, de grubben van Moerslag en Schelberg). Momenteel wordt steeds meer aandacht besteed aan de ontwikkeling van met name Doornstruwelen als mantel- en zoomvegetaties rondom de aanwezige bosgebieden. De nu vaak nog abrupte overgangen tussen de bossen en het cultuurlandschap worden hierdoor vloeiender. Tevens kunnen de mantel- en zoomvegetaties een buffer vormen tegen schadelijke invloeden van bijvoorbeeld meststoffen en bestrijdingsmiddelen op de natuurgebieden.

Laagstamfruitboomgaarden en boomkwekerijen

Op voedselarme leemhoudende zandgronden en ontkalkte löss komen Bremstruwelen (A 2.2) voor. Brem is in dit natuurdoeltype dominant aanwezig, soms samen met Struikhei (Provincie Limburg, 2002b). In tegenstelling tot Doornstruwelen zijn Bremstruwelen op minder plekken aanwezig. Bremstruwelen zijn te vinden op de Heerderberg, de Riesenberg, in het bos Honsberg, op de Trichterberg, in het Savelsbos, het Eijsderbos, op de Mesberg, de Mettenberg, de Bundersberg, Schiepersberg, in Jonge Hagen, het Hoogbos, op de Krikelberg, in het Noordal en in de diverse grubben. Wilgenstruweel (A 2.4) wordt gedomineerd door Breedbladige moeraswilgen (Grauwe wilg, Geoorde wilg) (Provincie Limburg, 2002b). Dit natuurdoeltype is te vinden op uiteenlopende bodemtypes, maar altijd met een vrij hoge grondwaterstand waarbij langdurige inundatie mogelijk is. Wilgenstruweel komt in de gemeente Margraten alleen voor in de natuurgebieden van de Noorbeemden.

Bomenrijen, boomgroepen en solitaire bomen Naast de bossen is in het buitengebied van de gemeente Margraten opgaande beplanting aanwezig in de vorm van bomenrijen, boomgroepen en solitaire bomen. Bomenrijen zijn met name aanwezig langs enkele wegen in het buitengebied. Hierbij gaat het afwisselend om enkelzijdige en dubbel­ zijdige aanplant van met name Eiken, Essen en Lindes. Dubbele bomenrijen zijn met name te vinden langs de provinciale weg Maastricht-Vaals, langs de toegangswegen naar Huize Blankenberg en in het landschapspark van kasteel Mheer. Enkele bomenrijen zijn bijvoorbeeld aanwezig langs de Gasthuis bij Gasthuis, de Scheuldersteeg, de Papenheid en delen van de Trichterweg bij Margraten, de Broenshemweg tussen Termaar en Honthem, de Eijkestraat, delen van de Eckelrader­weg en delen van de Leisendelweg bij Eckelrade, delen van de Bergsstraat bij Bruisterbosch, de Burge­ meester Beckersweg en de Molenweg bij Banholt, de Visweg, delen van de Bovenstraat en de Waufs­ berg bij Noorbeek. Opvallend is de aanwezigheid van enkele (en soms dubbele) bomenrijen in combinatie met hagen langs de wegen op de schiervlakte ten zuiden van Noorbeek. Daarnaast komen verspreid in het buitengebied boomgroepen en solitaire bomen voor. Deze zijn met name

Een ander belangrijk onderdeel van de huidige groenstructuur in de gemeente Margraten wordt gevormd door de laagstamfruitboomgaarden en boomkwekerijen. Deze beide vormen van opgaande begroeiing zijn niet in natuurdoeltypen uit te drukken, aangezien zij in intensief (agrarisch) gebruik zijn. Laagstamfruit­boomgaarden worden over het algemeen gekenmerkt door fruitbomen met een lage stam, die vaak worden geleid en in efficiënte rijen zijn aangeplant. Deze boomgaarden zijn in de gemeente Margraten in grote eenheden aanwezig, met name tussen Scheulder en Margraten, tussen Bruisterbosch en Herkenrade, bij Mheer en ’t Rooth. Daarnaast zijn percelen met kleinfruit (diverse bessen, frambozen, bramen, etc) aanwezig, zoals bijvoorbeeld ten westen van Sint Geertruid. Vaak zijn de laagstamboomgaarden en de percelen met kleinfruit voorzien van windsingels in de vorm van elzenhagen. Op een enkele plek bestaan deze windsingels uit cultuurlijke soorten, zoals coniferen. Deze laagstamfruitboomgaarden met windsingels zorgen ter plaatse voor een meer besloten landschap. Opgaand groen in de vorm van boomkwekerijen is voornamelijk aanwezig in de omgeving van Groot Welsden. Deze boomkwekerijen worden gekenmerkt door een dichte aanplant in efficiënte rijen van vrij jong plantgoed voornamelijk bestaand uit bomen en struiken.

Karakteristiek voor het uiterlijk van boomkwekerijen is tevens het gebruik van ondersteunende middelen, zoals boompalen en stokken.

Kleine landschapselementen In het cultuurlandschap van de gemeente Margraten komen veel kleine landschapselementen voor, die onderdeel uitmaken van de huidige groenstructuur. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in Graften (B 6.2), Holle wegen (B 6.3), Hagen en knotbomen (B 6.7) en Hoogstamboomgaarden (B 6.9). Graften (B 6.2) zijn op hellingen ontstaan, doordat een aangeplante heg op het laagste punt van een kavel, daar waar het water zich verzamelde, het materiaal dat van de helling afspoelde tegenhield. Op den duur ontstond hierdoor een terras met ter plaatse van de heg een steilrand (Renes, 1988). Graften zijn met name op de hellingen van de droogdalen en het beekdal van de Noor aanwezig, zoals bijvoorbeeld ten noorden van Cadier en Keer, ten noordwesten van Mheer, aan de zuidkant van de Banholtergrub en in de Horstergrub. Opvallend is dat de graften voornamelijk aan de zuid­ zijde van de dalen zijn gesitueerd. Uitzondering hierop vormen de graften in het beekdal van de Noor. Hier zijn ze ook aan de noordzijde van het dal aanwezig. Hoewel graften karakteristieke elementen in het cultuurlandschap van Zuid-Limburg zijn, is op meerdere plekken op de flauwere hellingen de begroeiing van de steilranden verdwenen. Dit komt onder andere door schaalvergroting in de landbouw, zoals in het oostelijk deel van de Herkenradergrub.

Holle wegen (B 6.3) zijn in de gemeente Margraten gelegen op de hellingen tussen de plateaus, het beekdal van de Noor en de droogdalen. Sommige holle wegen gaan terug op een oorspronkelijke erosiegeul (grub). Andere zijn geheel door menselijke activiteit gevormd. Door de druk van paardenhoeven en vooral van

27

28

L.O.P. BUITENGEWOON MARGRATEN / HOOFDSTUK 2 / 2.2.1 GROENSTRUCTUUR

wielen werd löss plaatselijk tot poeder vermalen, waarna het gemakkelijk werd afgevoerd door het water dat van de hellingen afstroomde. Hierdoor kwamen de wegen steeds dieper te liggen (Renes, 1988). Voor het overgrote deel is op de steile flanken van deze holle wegen opgaande beplanting in de vorm van bomen en struiken aanwezig. Deze beplanting is van belang om erosie tegen te gaan. Een goed voorbeeld van een volledig ingepakte holle weg is de oude veldweg ten oosten van Bruisterbosch en de Wammersweg tussen Margraten en Groot Welsden. Naast graften en holle wegen zijn in het buitengebied van de gemeente Margraten Hagen en knotbomen (B 6.7) aanwezig. Hagen zijn smalle, lintvormige begroeiingen bestaande uit struweelsoorten met vooral doornstruiken, zoals meidoornsoorten en Sleedoorn. Ze hadden gewoonlijk een functie als vee- of wildkering (Provincie Limburg, 2002b) en waren van oorsprong aanwezig langs perceelsscheidingen om de huisweides rond de dorpen en in de (nattere) weidegebieden (Renes, 1988). Ook nu nog komen in de gemeente Margraten op zeer veel plekken hagen voor, zoals rond de dorpen als restanten van de huisweiden en in het beekdal van de Noor. Daarnaast zijn hagen ook veel langs wegen aanwezig, zoals rond Moerslag en Libeek en op de schiervlakte ten zuiden van Noorbeek. In de hagen rond de dorpen zijn op meerdere plekken tevens knotbomen aanwezig.

Hierbij gaat het met name om Essen, waarvan het hout als geriefhout op allerlei manieren van pas kwam, bijvoorbeeld als brandhout voor de bakoven, als bonestaken, als stutten voor fruitbomen en als stelen van gereedschap. Knotbomen zijn in de gemeente Margraten ook op diverse plekken bij (voormalige) poelen aanwezig, zoals ten westen en te noordoosten van Ulvend. Bij deze poelen is vaak ook ander opgaand groen aanwezig, zoals struweel of boomgroepen. Hoogstamboomgaarden (B 6.9) bestaan uit diverse fruitbomen, zoals Appels, Peren, Kersen en Walnoten, in een graslandvegetatie, die al dan niet omgeven worden door hagen. Van oorsprong waren hoogstamboomgaarden in een gordel rondom de dorpen aanwezig als een verbrede vorm van landbouw in de huisweides (Renes, 1988, zie ook paragraaf 2.3.1 Cultuurhistorische structuur). Rond Eckelrade is de ring met hoogstamboomgaarden nog vrijwel intact gebleven en vormt deze een geleidelijke overgang naar het buitengebied. Rond enkele kernen, zoals Bruisterbosch, Gasthuis en ’t Rooth, zijn nog slechts restanten van hoogstamboomgaarden aanwezig of zijn ze geheel verdwenen. Daarnaast zijn op andere plekken verder weg van de kernen hier en daar hoogstamboomgaarden aanwezig, met name langs bosranden, waardoor ze als overgangszone fungeren tussen de bossen en het agrarisch gebied.

Ook zijn nieuwe hoogstamboomgaarden bij nieuwe boerderijen in het buitengebied te vinden.

Wegbermen en intensieve en extensieve graslanden In de gemeente Margraten zijn naast bossen, bomenrijen, boomgroepen, solitaire bomen, struwelen en kleine landschapselementen ook grasvegetaties aanwezig. Enerzijds gaat het hierbij om wegbermen, waarvan de meeste niet zeer soortenrijk zijn. Over het algemeen zijn de bermen een halve meter tot een meter breed. Door het gebruik van de wegen door bewoners en bezoekers speelt de uitstraling van de bermen een belangrijk rol in het beeld dat de gebruikers van de gemeente Margraten krijgen. Bij de graslanden wordt onderscheid gemaakt in graslanden die in intensief gebruik en graslanden die in extensief gebruik zijn. De intensieve graslanden zijn voornamelijk in gebruik bij agrariërs voor het weiden van vee en als hooiland en hebben een beperkte soortensamenstelling. Veel van deze intensieve graslanden zijn te vinden op de relatief steile hellingen van de gemeente Margraten, zodat bijgedragen wordt aan het voorkomen van bodemerosie, zoals in de Herkenradergrub

rond Moerslag en Libeek en ten noorden van Eckelrade in de Termaardergrub. Op de nattere gronden, zoals in het beekdal van de Noor, zijn deze intensieve graslanden in gebruik als hooiland, omdat deze (voor een deel van het jaar) te nat zijn om te beweiden. Bij de extensief gebruikte graslanden gaat het om de natuurdoeltypen Kalkgrasland (A 5.1), Lössschraalgrasland (A 5.2), Heischraal grasland (A 5.3), Matig voedselrijke graslanden (A 5.5, waaronder Kamgrasweide (A 5.5.1) en Glanshaverhooiland (A 5.5.2)), Dotterbloemgrasland (A 5.6), Natte schraalgraslanden (A 5.7 waaronder Nat kalkschraalgrasland (A 5.7.2)), Vochtig kruidenrijk grasland (A 5.10 en B 2) en Droog kruidenrijk grasland (A 5.11 en B 3). In veel gevallen zijn deze graslanden in beheer bij natuurbeherende instanties en hebben geen agrarische functie meer. De natuurdoeltypen B 2 en B 3 zijn doorgaans wel in beheer bij agrariërs en kennen nog een duidelijke agrarische functie. Kalkgrasland (A 5.1) bestaat uit een half open tot gesloten grazige vegetaties, die veelal zijn te vinden op een helling waar het stenig substraat ondiep zit of plaatselijk aan de oppervlakte komt. De vegetatie is schraal, kort en sprietig en wordt gekenmerkt door een hoge soortenrijkdom met o.a. orchideeën en gentianen (Provincie Limburg, 2002b). Dit natuurdoeltype vormt een vegetatietype dat in Nederland beperkt is tot Zuid-Limburg.

Kalkgraslanden in de gemeente Margraten zijn te vinden op de Heerderberg, de Riesenberg, de Wolfskop, de Honsberg, in de Scheggeldergrub, de Herkenradergrub (west), op de Bemelerberg, de Krekelberg, in de Koelebosgrubbe, groeve ’t Rooth, de Julianagroeve, op de Bundersberg, in de Termaardergrub en in het Noordal. Sinds de eerste helft van de 20e eeuw zijn de kalkgraslanden in kwaliteit achteruitgegaan en herstelbeheer heeft nog niet geleid tot een volledig herstel van de kalkgraslanden (Smits et al., 2007). Toch zijn er nog steeds specifieke kalkgraslandsoorten aan te treffen op de kalkgraslanden in de gemeente Margraten, zoals Stijf hardgras, Grote centaurie en Kalkwalstro. Momenteel wordt onderzoek verricht aan de vegetatie en de voorkomende insecten van diverse kalkgraslanden in Zuid-Limburg, zodat (aangepast) beheer in de toekomst wellicht wel kan leiden tot herstel van de soortenrijkdom van de kalkgraslanden. Bij dit onderzoek zijn ook kalkgraslanden op de Bemelerberg geïnventariseerd (Smits et al., 2007). Lössschraalgraslanden (A 5.2) zijn in de gemeente Margraten te vinden op vochtige tot droge, ontkalkte lössbodems van de Termaardergrub, de Honsberg, de Scheggeldergrub, bij het Eijsderbos, het westelijk deel van de Herkenradergrub, de Bemelerberg, de Krekelberg, de Banholtergrub en de Krikelberg.

Dit type grasland bestaat uit soortenrijke, laagblijvende, min of meer gesloten vegetaties. Het is vooral te vinden op plaatsen waar dikke lagen löss zijn afgezet (Provincie Limburg, 2002b). Op de droge tot vochtige, voedsel- en kalkarme, humushoudende lemige zandgronden op de Bemelerberg, de Krekelberg, de Mettenberg, de Wolfsberg, in de Koelebosgrubbe, de Termaardergrub, de Peerdsgracht, de Noorbeemden en het Noordal zijn Heischraal graslanden (A 5.3) aanwezig. Deze graslandvegetaties bestaan uit een laagblijvende begroeiing van grasachtige planten zoals Tandjesgras, Borstelgras, Pilzegge en kleinbloemige kruiden (Provincie Limburg, 2002b) Op zeer veel plaatsen in de gemeente Margraten komen Matig voedselrijke graslanden (A5.5) voor. Deze hooi- en weilanden zijn te vinden op matig voedselrijke tot matig voedselarme gronden. Het merendeel van deze graslanden behoort door het gevoerde begrazingsbeheer tot de Kamgrasweiden (A 5.5.1). Dit natuurdoeltype bestaat uit een lage dichte begroeiing waarin grassen, zoals Engels Raaigras, Ruw Beemdgras, Rood Zwenkgras en Kamgras domineren. Op slechts enkele plekken, zoals in de Banholtergrub, de Peerdsgracht, het Noordal en bij Hoogcruts is Glanshaverhooiland

29

30

L.O.P. BUITENGEWOON MARGRATEN / HOOFDSTUK 2 / 2.2.1 GROENSTRUCTUUR

(A 5.5.2) tot ontwikkeling gekomen. Dit type grasland met een onderlaag van rozetplanten en vlinderbloemigen en een bovenlaag van hoogopgaande grassen en kruiden ontstaat door het voeren van maaibeheer. Dotterbloemgrasland (A 5.6) en Nat kalkschraalgrasland (A 5.7.2) zijn beide zeldzame typen grasland binnen de gemeente Margraten. Deze graslanden worden gekenmerkt door natte omstandigheden waaronder kwelsituaties en zijn dan ook alleen in het natuurgebied de Noorbeemden aanwezig. Naast het Nat kalkschraalgrasland komt hier ook het natuurdoeltype Kalkmoeras (A 6.2) voor, dat als een nattere variant van A 5.7.2 wordt beschouwd (Provincie Limburg, 2002b). Vochtig kruidenrijk grasland (A 5.10 en B 2) en Droog kruidenrijk grasland (A 5.11 en B 3) zijn met name in de agrarische gebieden aansluitend aan de natuurgebieden te vinden, zoals rond Moerslag in de Herkenradergrub, tussen Bruisterbosch, Banholt en Reijmerstok, in de Banholtergrub, de Hostergrub en in de Matzedelle-Schoppemerheide. Het gaat hierbij om de wegbermen en de gras­­­landen die niet tot de hierboven genoemde types kunnen worden gerekend, omdat de potenties voor natuurontwikkeling gering zijn (Provincie Limburg, 2002b) en/of de huidige functie de ontwikkeling van één van de bovenstaande natuurdoeltype tegenhoudt.

Intensieve en kruidenrijke akkers (A 10 en B 4) Naast de verschillende graslanden zijn in het buitengebied van de gemeente Margraten veel gronden in intensief gebruik als akker. Op de meeste intensief gebruikte akkers is een gering aantal akkerkruiden aanwezig, onder andere door gangbare bemesting en bodembewerking. Wel komen verspreid kruidenrijke akkerranden voor, zoals de perceelranden van de akkers langs de provinciale weg N598. Tevens zijn op enkele plekken in de gemeente Margraten Kruidenrijke akkers (B 4 en A 10) ten behoeve van Hamsters aanwezig. Gezien de aanwezige bodemtypen gaat het hierbij om Kruidenrijke akkers op kalkrijke bodem (B 4.1 en A 10.1) en op vochtige zware bodem (B 4.3 en A 10.3). Ten opzichte van de natuurdoeltype A 10.1 en A 10.3 ligt het ambitieniveau van de natuurdoeltypen B 4.1 en B 4.3 minder hoog en wordt het beheer ervan ingepast in de agrarische bedrijfsvoering via ‘agrarisch natuurbeheer’ (Provincie Limburg, 2002b).

Pioniergemeenschappen (A 9) In de gemeente Margraten zijn op diverse plekken, met name op de hellingen, pionier­gemeen­ schappen op kalk (A 9.1) aanwezig. Dit natuurdoeltype bestaat uit een open schrale vegetatie, die is te vinden op kale kalkbodems op steilranden, in kalkgrasland of in mergelgroeven.

De betrekkelijk soortenrijke begroeiing bestaat vooral uit tengere en kortlevende planten (Provincie Limburg, 2002b). In de gemeente Margraten zijn deze pioniergemeenschappen hoofdzakelijk gebonden aan kalkgroeves, zoals groeve ’t Rooth, de Julianagroeve, de groeves in de Bemelerberg, het Savelsbos, de Scheggeldergrub, de Trichterberg, de Wolfskop, de Örenberg, de Riesenberg en de Heerderberg.

Beekloop, bronnen, poelen en waterbuffers In de gemeente Margraten komen enkele waterelementen voor in de vorm van een beekloop, bronnen, poelen en waterbuffers. De hieraan gerelateerde beplantingen vormen slechts een klein gedeelte van de totale groenstructuur. Toch worden ze hier behandeld, omdat het water een grote invloed heeft op de beplantingen die er langs voorkomen en tevens van groot belang zijn voor de ecologische structuur van de gemeente (zie hiervoor ook subparagraaf 2.2.3). In de gemeente Margraten is slechts één beekloop, de Noor, aanwezig. Deze behoort tot het natuurdoeltype Heuvellandbeek (A 8.1). De beekloop wordt gevoed door meer dan twintig bronnen, waarvan het water over het algemeen kalkrijk is (Provincie Limburg, 2002a). Langs de beek zijn diverse bijzondere natuurdoeltypen aanwezig, zoals Dotterbloemgrasland (A 5.6), Nat kalkschraalgrasland (A 5.7.2), Kalkmoeras (A 6.2), Wilgenstruweel (A 2.4) en Elzenbronbos (A 1.3). Voor een uitgebreidere omschrijving van deze natuurdoeltypen wordt verwezen naar de eerder gegeven beschrijving van ‘Bossen en struwelen’ en ‘Intensieve en extensieve graslanden’. Daarnaast zijn in de gemeente Margraten op diverse plekken poelen aanwezig, zoals in de Termaardergrub, de Herkenradergrub ten zuidoosten van Bruisterbosch en nabij Ulvend, maar ook in diverse natuurgebieden.

Van oorsprong lagen deze poelen op de droge plateaus en waren ze in gemeenschappelijk bezit. De poelen waren in gebruik als drinkkuil voor het vee of als blusvijver. Om schaduw voor het vee te bieden en verdamping tegen te gaan werden aan de zuidzijde van de poelen (knot)bomen geplant (Renes, 1988). In de natuurgebieden zijn de poelen vaak van recenter datum en aangelegd ten behoeve van diverse bijzondere amfibieënsoorten. De poelen vallen onder de natuurdoeltypen Voedselrijke plas (A 8.6) en Ecologisch waardevolle poelen (B 6.4). Tot slot zijn in de droogdalen van de gemeente Margraten ca. 60 waterbuffers aanwezig(zie ook paragraaf 2.1 Abiotische structuur). Aangezien deze buffers alleen na regenval water bevatten, vallen ze niet onder één van de natuurdoeltypen voor wateren. Uit de veld­ inventarisatie is naar voren gekomen dat in deze buffers meestal een extensieve graslandvegetatie aanwezig is en daarnaast worden gekenmerkt door de aanwezigheid van enkele solitaire bomen of boom­groepen, hagen en/of struweel. Daarnaast komt uit de veldinventarisatie naar voren dat de buffers meestal voorzien zijn van steile, gelijkmatig vormgegeven taluds, die in contrast staan met het omringende glooiende landschap. Door deze vormgeving en door de plaatsing van de beplanting en hekwerken rondom, vormen deze buffers soms opvallende eilandjes in het open agrarisch gebied.

31

32

L.O.P. BUITENGEWOON MARGRATEN / HOOFDSTUK 2 / 2.2.2 FLORA EN FAUNA

2.2.2

Flora en fauna Om inzicht te krijgen in de aanwezige flora en fauna in de gemeente Margraten, zijn diverse bronnen geraadpleegd. Gegevens over de aanwezige natuurwaarden zijn verstrekt door het Natuurhistorisch Genootschap Limburg (Natuurbank Limburg). Tevens zijn gegevens van de provincie Limburg en het Natuurloket geraadpleegd. Bij de Natuurbank Limburg zijn de meeste gegevens slechts op kilometerhokbasis beschikbaar. De gemeente Margraten valt binnen 85 kilometerhokken. De floragegevens van de provincie Limburg zijn per perceel of landschapselement beschikbaar, terwijl de broedvogelgegevens een exacte plaatsaanduiding hebben. De gegevens van de provincie zijn tamelijk gedateerd (1988-1998) en ze zijn daarom slechts als aanvulling op de overige gegevens gebruikt. Het Natuurloket geeft alleen globale informatie: per soortgroep wordt het aantal beschermde en bedreigde soorten in het betreffende kilometerhok aangegeven. Er wordt echter niet vermeld om welke soorten het gaat. Naast het raadplegen van deze soortgegevens zijn diverse literatuurbronnen geraadpleegd, zoals actieplannen voor specifieke doelsoorten, die door IKL Limburg en de provincie Limburg worden gehanteerd. Op basis van de beschikbare gegevens is een inschatting gemaakt van het voorkomen van diverse soortgroepen van flora en fauna in het buitengebied van de gemeente Margraten.

Hierbij is met name gekeken naar soorten die beschermd zijn volgens nationale (Flora- en faunawet, Rode Lijsten) en internationale (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, Verdrag van Bern) regelgeving. Voor een aantal soorten vormt de gemeente Margraten een zeer belangrijk, zo niet het enige, vestigingsgebied. Deze soorten worden hier eveneens besproken. De meer algemene soorten blijven hier verder buiten beschouwing, omdat zij minder specifieke eisen stellen aan hun leefomgeving. In onderstaande tekst wordt per soortgroep ingegaan op de aanwezige bijzondere soorten en de gebieden, die voor deze soorten van belang zijn. Op kaart R05 (flora) en R06 (fauna) is van een aantal van de belangrijkste soorten de verspreiding binnen de gemeente Margraten weergegeven.

Vaatplanten

R05 Flora

In de gemeente Margraten komen veel bijzondere en beschermde plantensoorten voor. Meer dan honderd soorten die vermeld staan op de Rode Lijst van Nederland en/of die worden genoemd in de Flora- en faunawet kunnen binnen de gemeentegrenzen worden aangetroffen. Bijzondere en beschermde plantensoorten zijn vooral gebonden aan schrale, vaak kalkrijke graslanden, hellingbossen en het beekdal van de Noor. Daarnaast zijn bij voormalige kalksteengroeves bijzondere planten aan te treffen. Een volledige beschrijving van de meer dan honderd aangetroffen bijzondere en beschermde soorten voert hier echter te ver. Alleen de meest zeldzame soorten en de meest soortenrijke gebieden worden daarom vermeld. De meest bedreigde soorten (Rode Lijst-status ‘ernstig bedreigd’) die in de gemeente voorkomen, zijn Genaald schapengras, Grote muggenorchis (doelsoort bij natuurdoeltype A 5.1 - Kalkgrasland; Provincie Limburg, 2002b), Mannetjesorchis

33

34

35

(A 1.2 - Parelgras-Beukenbos), Muurbloem (C.5 - Ecologisch waardevolle muren) en Pijlscheefkelk (A 5.1). Genaald schapengras, Mannetjesorchis en Pijlscheefkelk komen voor in het Natura2000gebied Bemelerberg/Schiepersberg, ten noordoosten van Cadier en Keer. Genaald schapengras groeit op zonnige, schrale gronden. Ook Pijlscheefkelk is te vinden op zonnige plaatsen, met name op kalkhellingen en bij kalksteengroeves. De Mannetjesorchis groeit in lichte loofbossen op vochtige kalkhoudende gronden. Behalve in het Natura2000-gebied Bemelerberg/Schiepersberg komt deze laatste soort voor ten noordoosten van Scheulder. Aan de rand van de gemeente Margraten ligt hier nog net een uitloper van het Leunder- en Grachterbos, grenzend aan het Gerendal. Op de schrale graslanden grenzend aan deze bossen komt tevens de Grote muggenorchis voor. De Muurbloem ten slotte, is waargenomen in de kern Margraten. Het is een soort die voorkomt op oude muren, waaraan de soort zijn naam te danken heeft. Het is mogelijk dat deze soort zich hier vanuit tuinen heeft kunnen vestigen. Vanuit een gebiedgerichte optiek zijn met name de kalkgraslanden op de Bemelerberg, Schiepersberg en op de Wolfskop floristisch interessant. Hier zijn typische kalkgraslandsoorten aanwezig, zoals Bevertjes, Duifkruid, Grote centaurie en Stijf hardgras (allen A 5.1).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EijsdenMargraten&id=ad405d88-143b-4af4-8c8c-2f9e6962f142