Bijlage werkboek Ontwikkelvisie Zuidelijk Maasdal.pdf
Tekst van het document
WERKBOEK - BIJLAGE Ontwikkelvisie zuidelijk Maasdal Versie 14 december, 2017 Ten behoeve van de stuurgroep d.d 20 december 2017
INHOUDSOPGAVE 1 BIJLAGE Ruimtelijke beleidsanalyse 2 BIJLAGE Memo België 3 BIJLAGE Memo ENCI 4 BIJLAGE Verslag rivierkundige analyses 5 BIJLAGE Opgave en vergelijking met verkenning Waterschap 6 BIJLAGE Kostenramingen 7 BIJLAGE Reductie dijkversterkingskosten maatregelen 8 BIJLAGE Kostendragers 9 BIJLAGE Presentatie interactieve ateliersessies 10 BIJLAGE Verslag schetsateliers 11/12 september 2017 11 BIJLAGE Drie extreme perspectieven 12 BIJLAGE Ontwerpprincipes voor ruimtelijke kwaliteit 13 BIJLAGE Kaart gebiedskwaliteit 14 BIJLAGE Kaart gebiedsdynamiek
1
Ruimtelijke beleidsanalyse
Relevante nevendoelen en ambities uit beleid Op zoek naar meekoppelkansen zijn de beleidsdoelen in kaart gebracht uit de stadsvisie en structuurvisie van gemeente Maastricht, het Landschapsontwikkelingsplan van Eijsden en de Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POL 2014). Ze bieden een eerste inventarisatie van mogelijke meekoppelkansen en zijn het vertrekpunt van deze visie. Ook wordt geput uit de Euregionale projecten en programma’s, het programma Nationaal Landschap Zuid-Limburg, de resultaten van het regioproces (Deltaprogramma), plannen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water, het HoogWaterBeschermingsProgramma (HWBP) en benedenstroomse en bovenstroomse projecten aan Vlaamse en Waalse zijde. Hieronder een overzicht van de belangrijkste relevante gebiedsopgaven uit het vigerende beleid, met de bijbehorende gebiedspartners.
Internationaal Het Drielandenpark is de Euregionale metropolitane binnentuin van de steden Maastricht, Aken en Luik. “Het project Drielandenpark – Open ruimte zonder grenzen - dient als kader voor euregionale samenwerking bij het initiëren, stimuleren, faciliteren en evalueren van een harmonieuze en duurzame ontwikkeling van de regio, gebaseerd op de ecologische, economische, landschappelijke en culturele kwaliteiten, in onderlinge samenhang”. Een relevante opgave is het zeker stellen van landschappelijke bufferzones ten noorden en ten zuiden van Maastricht. Over de wateropgave is een internationale ambitie verwoord: “Ter verbetering van de kwaliteit van het oppervlaktewater en ter bestrijding van wateroverlast en overstromingen zullen projectpartners voor de stroomgebieden binnen het Drielandenpark inzetten op een versnelde aanpak van waterzuivering, waterconservering aan de brongebieden, en waterretentie als achtervang (wachtbekkens en verruiming overstromingsgebieden).” Mogelijke meekoppelkans: Kwaliteitsimpuls voor het landschap zuidelijk Maasdal. Partners: Gewest Vlaanderen, La Région Wallon, Provincie Limburg (BE), Provincie Limburg (NL), Kreis Aachen, Stadt Aachen, Regierungsbezirk Köln, Land NRW, Deutschsprachige Gemeinschaft Belgiens, Province de Liege.
Drielandenpark
4
Railport Lanaken
Numericanal. Het doel van Numericanal is het managen van kleinere vaarwegen met een transportfunctie en/of het passend maken in het TEN-T-netwerk door innovatief ingezette ICT-instrumenten. Een deelproject beoogt een verbeterde recreatieve (pleziervaart)route tussen Maastricht en Luik. Een relevant concreet voorstel / wens is een nieuwe sluis voor de pleziervaart bij de stuw van Lixhe. Mogelijke meekoppelkans: waterfront Eijsden aan de Maas. Partners: Canal & River Trust (Lead Partner), Voies Navigables de France (VNF), Gemeente Eijsden-Margraten, Waterrecreatie Nederland (formerly SRN), Gemeente Eindhoven, Centre d’Excellence en Technologies de l’Information et de la Communication (CETIC).
Projecten Numericanal
Railport Lanaken. De in 2011 gerenoveerde spoorlijn tussen Lanaken en Maastricht ontsluit de industrieterreinen Europark in Lanaken en Lanakenerveld in Maastricht en verbindt hen met de rest van Europa. In 2016 viel het doek voor dit project. De spoorlijn wordt niet meer onderhouden, maar de eigenaar heeft nog hoop op een opleving. De toekomst van de spoorbrug is relevant voor de opgave Franciscus Romanusweg. Grenscorrectie. Eind 2016 is een grenscorrectie in werking getreden tussen Nederland en België. Het gaat om een klein gedeelte van de landtong van de Eijsder beemden. Een kans om het recreatieve rondje en route langs de Maas te realiseren. Internationale fietsroutes Project De Trambaanfietsroute is een beoogde fietsroute van Maastricht (het Maasdal) naar Aaken. De nieuwe fietsroute moet leiden tot een versterking van de economische en toeristische structuur van Zuid-Limburg. Daarbij is van belang dat de fietsroute via Aken kan aansluiten op de Vennbahn: een vrijwel vlakke fietsroute door de Hoge Venen naar Troisvierges in Luxemburg. Daarmee ontstaat een doorgaande, internationale fietsverbinding van meer dan 150 kilometer tussen Maastricht en Luxemburg. Kosten ca 2,8 miljoen. Wellicht een koppeling van de route naar de Maasoever? De projectpartners zijn de Provincie Limburg, Stadt Aachen, en de Heuvellandgemeenten Vaals, Gulpen-Wittem, Eijsden-Margraten en Maastricht.
Project internationale fietsroute langs de Maas - La Meuse-à-Vélo – is open sinds juni 2017. Dit fietsnetwerk bevat 1.000 km route van bron tot monding.
Station Maastricht
5
Nationaal In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) wordt het zuidelijke Maasdal getypeerd als onderdeel van een stedelijke regio Maastricht-Sittard met een concentratie van topsectoren. De Maas en het rivierbed is onderdeel van het hoofdvaarnet en hoofdwatersysteem en is gereguleerd conform de beleidslijn Grote Rivieren. Het landschap is deels onderdeel van het Nationaal Landschap Zuid Limburg. Sinds 2015 wordt gewerkt aan een Nationale Omgevingsvisie (NOVI) met oog op de nieuwe Omgevingswet (2021). De concrete doelen zijn nog niet bekend, maar vier strategische opgaven zijn geïdentificeerd: >> Naar een duurzame en concurrerende economie; >> Naar een klimaatbestendige en klimaat-neutrale samenleving; >> Naar een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving; >> Naar een waardevolle leefomgeving.
Stedelijke regio Maastricht Sittard (SVIR)
Meer concrete opgaven en doelen uit het nationaal beleid zijn voor het zuidelijke Maasdal: Nationaal Landschap Zuid Limburg: zie de beschrijving onder Provinciaal. Goederencorridors: geen concrete opgave bekend. Green Deals/energieakkoord: geen concrete opgave bekend. Natuurontwikkeling Grote Wateren. Geen concrete opgaven bekend
Nationale beleidsopgaven
6
Maastricht klimaatbestendige stad Algemeen Historisch gezien is water de basis voor Maastricht. De stad is ontstaan bij een doorwaadbare plaats in de Maas en is in de Middeleeuwen groot geworden door de waterkracht van de Jeker. Water is belangrijk voor het versterken en verbinden van het landschap, een van de hoofdthema’s van deze structuurvisie. Water is namelijk een belangrijke drager voor de natuur in en om de stad en is vaak verweven met de groenstructuur. Water nodigt uit tot recreatief gebruik als varen, zwemmen, wandelen, fietsen en sporten. Water in de stad geeft verkoeling tijdens hittegolven. Een duurzaam aantrekkelijk woonklimaat vraagt bovendien om een goede bescherming tegen wateroverlast en overstromingen. Ook voor de aantrekkelijkheid van Maastricht als woonstad is water belangrijk. Goed vormgegeven oppervlaktewater maakt de openbare ruimte aantrekkelijker om in te wonen, te werken en te verblijven. Het historische Maasfront, de watermolens en de Landgoederenzone zijn nog steeds een bezienswaardigheid en dragen in belangrijke mate bij aan de aantrekkelijkheid van Maastricht als cultuurstad en de toeristische aantrekkingskracht van Maastricht. Trends en ontwikkelingen Het waterregime in Maastricht zal, evenals in de rest van Nederland, in de toekomst waarschijnlijk wijzigen als gevolg van de verwachte klimaatverandering.
Nattere winters, drogere zomers en een hogere neerslagintensiteit zullen dan leiden tot watertekorten in de zomer, extremere Maasoverstromingen in de winter en tot heviger en vaker optredende regen- en grondwateroverlast. Maastricht streeft naar een watersysteem dat hierop is voorbereid, wat consequenties heeft voor de inrichting van de stad. Regenwater De ambitie om wijken met weinig openbaar groen te transformeren tot gebieden met meer bomen en oppervlaktewater (zie thema Groen), biedt tevens de kans om de stad klimaatbestendiger in te richten. Zwaardere buien zullen namelijk leiden tot heviger en vaker voorkomende wateroverlast. Het is niet duurzaam en financieel onhaalbaar om die extra regen alleen met grotere rioolbuizen af te voeren. Aan de oppervlakte verzamelen, opvangen, afvoeren en infiltreren heeft meerdere voordelen. Het waterschap is verantwoordelijk voor de wateroverlast in of vanuit het landelijke gebied. Tot 2015 zal een vijftal regenwaterbuffers aan de westrand van de stad worden vergroot om aan de veiligheidsnormen te voldoen. Binnen het stedelijke gebied is de gemeente verantwoordelijk voor wateroverlastknelpunten. Om hierin inzicht te krijgen, is op basis van gedetailleerde terreinhoogtes berekend langs welke routes het regenwater afstroomt en waar het zich verzamelt (model WOLK en 3 DI).
Deze informatie wordt gebruikt om voor risicolocaties maatregelen te nemen door het water lokaal af te leiden of op te vangen. Tegelijk heeft Maastricht het beleidsdoel om op termijn vrijwel al het regenwater af te koppelen van
de riolering. Dit is verwoord in het gemeentelijke waterplan en het gemeentelijke rioleringsplan. Afkoppelen bespaart kosten in het transport en het zuiveren van het afvalwater, omdat er minder schoon regenwater is bijgemengd. Bovendien is het goed voor de waterkwaliteit van de beken en de Maas, omdat er minder vaak afvalwater vanuit de riolering overstort. Omdat afkoppelen vanuit het oogpunt van doelmatigheid vooral gebeurt bij rioolvervanging of wegreconstructies, is het tempo laag en zal het tientallen jaren duren voordat het doel is bereikt. Maastricht maakt per project de afweging of afkoppelen doelmatig is, waarbij het einddoel om op termijn vrijwel alle gebieden af te koppelen nadrukkelijk wordt meegenomen. Zowel het voorkomen van wateroverlast als het afkoppelen van regenwater van de riolering vraagt om ruimte om het regenwater te bergen, te verzamelen, te transporteren, te infiltreren dan wel af te voeren naar een beek of de Maas. Maastricht streeft naar een aaneengesloten gebiedsdekkende waterafvoerstructuur (zie kaart afwatering structuur). Regenwater van extreme buien en van (toekomstige) afkoppelprojecten kan hiermee veilig worden verwerkt. Tevens biedt deze structuur een raamwerk voor meer groen en oppervlaktewater in de stad.
Bestaande beeklopen als de Jeker, de Kanjel en de Fontein en Tapgraaf en droogdalen als het Zouwdal, het Wandal en de Termaardergrub vormen de hoofdstructuur. Van daaruit gaan vertakkingen de wijken in. Waar dalen in het verleden zijn volgebouwd, worden deze structuren hersteld zodra zich kansen voordoen. Deze regenwaterstructuur ligt bij voorkeur bovengronds, waar mogelijk in de groenstructuur, anders in het straatprofiel. Ondergronds afvoeren via buizen wordt alleen toegepast bij gebrek aan ruimte. Bovengrondse regenwatervoorzieningen zijn beter te onderhouden en te controleren, bijvoorbeeld op illegale lozingen en onbedoelde aansluitingen van afvalwater. Bovendien hebben voorzieningen met een grasmat een uitstekende zuiverende werking, zodat eventuele verontreinigingen niet het grond- of oppervlaktewater bereiken. Tot slot kunnen zichtbare structuren bijdragen aan de beleving en bewustwording van water. Regenwatervoorzieningen lenen zich uitstekend voor meervoudig ruimtegebruik met groen en recreatie (zie thema groen) en kunnen bijdragen aan voorkoming van hitte-eilanden in de stad (zie thema groen). Bepalend voor de mogelijkheden voor infiltratie is de bodemopbouw en -samenstelling en de grondwaterstand (zie thema bodem).
Naast het afkoppelen van de openbare verhardingen door de gemeente, worden ook bedrijven en particulieren door voorlichting gestimuleerd om hun daken en verhardingen af te koppelen. Dit is een langdurig proces dat vooral rendement oplevert bij grote bedrijfsgebouwen. Bij nieuwbouw is het gescheiden houden van regenwater een vanzelfsprekend uitgangspunt en vastgelegd
7
in de rioleringsverordening (link). Hiervoor geldt een doelstelling van 100%. Om het afgekoppelde regenwater schoon te houden worden in principe geen uitlogende bouwmaterialen toegepast (zie duurzaam bouwen).
8
Per jaar investeert Maastricht meer dan 1 miljoen om bovenstaande doelstellingen te bereiken, daarmee wordt de sponswerking van de stad enorm vergroot. Ook wordt daarmee afwenteling op de Maas voorkomen en wordt er direct een bijdrage geleverd aan het voorkomen van wateroverlast stroomafwaarts op de Maas. Maastricht kiest hiermee voor een integrale aanpak, de verschillende Deltaprogramma’s worden in die zin integraal opgepakt.
Bovenmaas de opgaven voor het HWS en het HVWN samengevat Versie 5 december 2017 In beschouwing is genomen het deel van het HWS gelegen tussen de Belgisch-Nederlandse grens en de monding van de Geul en het deel van het HVWN tussen Ternaaien en Born. Beheer en onderhoud Middels rivierbeheer zorgt Rijkswaterstaat ervoor dat de afvoercapaciteit van het zomer- en winterbed en de vaargeul van de Maas op orde blijven. De beheerinspanningen richten zich voornamelijk op baggeren, vegetatiebeheer en stuwpeilbeheer. Daarnaast is beheer en onderhoud van kunstwerken aan de orde om de functies van de rivier in stand te houden. Rivierbeheer is een continue doorlopende opgave voor Rijkswaterstaat. Vervanging en renovatie kunstwerken In april 2017 is de Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse (NMCA) 2017 gepubliceerd. Onderdeel van de NMCA is de NMCA Vaarwegen. Deze analyse brengt in kaart welke capaciteitsknelpunten in de vaarweginfrastructuur er nog te verwachten zijn na uitvoering van de realisatie- en planstudieprojecten uit het huidige MIRT. Het onderzoek richt zich op de periode tot 2040 met een doorkijk naar 2050.
Uit de analyse blijkt dat er op de Maasroute Born – Ternaaien 16 bruggen niet voldoen aan de doorvaarthoogtenorm van 4-laags containervaart (9,10 m), te weten: Illikhoven, Sluis born benedenhoofd, Obbicht, Bergerweg, Urmond, Scharbergbrug, Elsloo, Geulle, Bunde, Itteren, Maastricht spoorbrug, Wilhelminabrug en de St. Servaasbrug. Het programma Vervanging & Renovatie richt zich op het verlengen van de levensduur van kunstwerken en andere objecten van de Rijksinfrastructuur om de veiligheid en beschikbaarheid van de bestaande infrastructuur in stand te houden. De ouderdom van een kunstwerk, of versnelde slijtage door een intensiever gebruik dan bij het ontwerp is voorzien, is hiervoor bepalend. De in de vaarwegen aanwezige kunstwerken, zoals bruggen, hebben een bepaalde verwachte levensduur en dienen aan het eind hiervan te worden vervangen of gerenoveerd. In de lopende programmering is op de Maasroute Ternaaien – Born alleen de brug Itteren opgenomen. Stuw Borgharen Op basis van de huidige inzichten bij Rijkswaterstaat is de verwachting dat de stuw in de periode 2030-2040 toe is aan een grote renovatiebeurt. Op basis van nader onderzoek zal de komende jaren meer duidelijkheid komen over de omvang en de planning van deze opgave.
Julianakanaal Het Julianakanaal is de afgelopen decennia deels gerenoveerd en geüpgraded vanuit scheepvaartperspectief. Dit is objectgericht gebeurd. Uit een inventarisatie van het kanaal als systeem met alle onderdelen in samenhang en ook de functie-eisen voor alle functies in samenhang volgt dat onderdelen einde technische levensduur hebben bereikt, of binnen afzienbare tijd gaan bereiken en /of niet meer voldoen aan de functie-eisen. Vanuit die situatie is het Julianakanaal opgenomen in het prognoserapport van het programma Vervanging & Renovatie met als horizon een grote renovatie in de periode 2030-2040. Om de juiste opgave te kunnen definiëren zal middels een verkenning de maatschappelijke behoefte worden onderzocht en de mogelijkheid deze te koppelen aan de technische opgave Vervanging & Renovatie. Dit onderzoek moet komende jaren zijn beslag krijgen. Nautische veiligheid De gemoderniseerde Maasroute dient de Maas tussen Weurt en Ternaaien geschikt te maken voor schepen tot en met CEMT-klasse Vb en schepen met een diepgang van 3,5m, en dient gerealiseerd te zijn eind 2018. Op basis van een uitgevoerde verificatie zijn buiten de scope van Maasroute nog een aantal knelpunten gesignaleerd waarvan een aantal speelt op de passage van de Maas door Maastricht. Bovendien is het Julianakanaal tussen de invaart bij Borgharen en brug Itteren aangemerkt als mogelijk knelpunt.
In de ‘Verkenning nautische veiligheid passage Maastricht’ is de nautische veiligheid op het deel van de Maasroute tussen meldpunt Sint Pieter (Maaskilometer 11.0) tot aan het (nog aan te leggen) zuidelijk passeervak in het Julianakanaal (kanaalkilometer 3.6) onderzocht. De doelstelling van deze verkenning is om besluitvorming mogelijk te maken over het oplossen van mogelijke nautische veiligheidsknelpunten op korte termijn na toelating van scheepvaartklasse Vb en 3,5 meter diepgang, waarbij bij de te nemen maatregelen rekening wordt gehouden met de toekomstige ontwikkelingen in de scheepvaart en de directe omgeving van de vaarweg. Daarbij is een risico inschatting gemaakt van de knelpunten en worden enkel die knelpunten aangepast die de doelrealisatie in de weg staan. Uit een inventarisatie van de knelpunten en op basis van prognoses van het aantal en type schepen, blijkt dat op korte termijn er één groot veiligheidsknelpunt is namelijk squat bij de ingang van het Julianakanaal. Op lange termijn komen daar ‘Dwarsstroom Borgharen’, ‘Stroomsnelheid scheepvaartkanaal’ en ‘Slingeren door Spoorbrug’ bij. Bij een eventuele toelating van Klasse VIa schepen wordt ook de ‘doorvaartbreedte van de vaarweg’ een veiligheidsknelpunt.
9
de doelrealisatie in de weg staan. Uit een inventarisatie van de knelpunten en op basis van prognoses van het aantal en type schepen, blijkt dat op korte termijn er één groot veiligheidsknelpunt is namelijk squat bij de ingang van het Julianakanaal. Op lange termijn komen daar ‘Dwarsstroom Borgharen’, ‘Stroomsnelheid scheepvaartkanaal’ en ‘Slingeren door Spoorbrug’ bij. Bij een eventuele toelating van Klasse VIa schepen wordt ook de ‘doorvaartbreedte van de vaarweg’ een veiligheidsknelpunt. Tabel 1-1: Overzicht veiligheidsknelpunten Korte termijn (Vb 2018)
Lange Toekomst termijn vast (Vb 2030) (VIa 2030) 1.1 Dwarsstroom Borgharen redelijk groot groot 1.2 Squat ingang Julianakanaal groot groot groot 1.3 Invaart Bosscherveld redelijk redelijk redelijk 2.1 Stroomsnelheid scheepvaartkanaal redelijk groot groot 2.2 Slingeren door spoorbrug redelijk groot groot 2.3 Doorvaarthoogtes bruggen redelijk redelijk redelijk 2.4 Doorvaartbreedte vaarweg redelijk redelijk groot 3.1 Overdekte verlading Maasterminal redelijk redelijk redelijk 4.1 Ongelijke bodem oever kanaal klein redelijk redelijk 4.2 Staat laad- en loskades kanaal klein klein klein 5.1 eenrichtingverkeer klein redelijk redelijk Uit een vlotheidsonderzoek blijkt dat er direct na toelating maar ook op lange termijn geen vlotheidsknelpunt is. Ook bij de geprognotiseerde toename van het aantal grote schepen leidt dit niet tot grote vertraging.
Uit een vlotheidsonderzoek blijkt dat er direct nalossen toelating rivierverruimende maatregelen. Aanaantal de oostoever komen Om deze veiligheidsknelpunten op te of beheersbaar te maken zijn een groot maar ook op lange termijn geen vlotheidsknelpunt is. Ook ze fysiek wel komt dicht bij te naar liggen. maatregelen onderzocht en beoordeeld op kansrijkheid. Hieruit alselkaar advies voren om de bij de geprognotiseerde toename van het Lang aantalverder grote uit te werken Wat nog beeld moet wordenBijgebracht is of Integrale variant 1b Oostoever alsinvoorkeursvariant. deze variant deniet oostoever keersluis Limmel tot net zuidelijk van de schepenwordt leidt dit tot groteverplaatst vertraging.naar het oosten, vanaf dede voorgestelde rivierverruimende maatregelen ingang van het Julianakanaal. Hierdoor ontstaat over het traject keersluis Limmel tot net ten potentie hebben voor het oplossen van de nautische van de Spoorbrug mogelijkheid voor alle schepen om ook bij hoge afvoeren en de Om dezenoorden veiligheidsknelpunten op te de lossen of veiligheidsknelpunten. daarbij horende hoge stroomsnelheden elkaar veilig te ontmoeten. Naast een aanpassing van de beheersbaar te maken zijn een groot aantal maatregelen oever dient ook het verkeersmanagement uitgebreid te worden, dient er een informatievoorziening onderzocht en beoordeeld op kansrijkheid.
Hieruit komt Punt van aandacht daarbij is wel dat realisatie van de van de actuele stroomsnelheid te worden gerealiseerd en zou het helpen om goede diepte als advies naar voren om de Integrale variant 1b Oostoever maatregelen voor nautische veiligheid al op korte termijn informatie op de ENC’s van de schepen te krijgen. Lang verder uit te werken als voorkeursvariant. Bij deze nodig is. Het is onzeker en onduidelijk of en wanneer variant wordt de inventarisatie oostoever verplaatst naar het oosten,voor synergie rivierverruimende maatregelen van worden gerealiseerd. Uit een naar mogelijkheden tussen de maatregelen de Integrale vanaf devariant keersluis tot net zuidelijk van de ingang 1bLimmel Oostoever Lang met andere opgaven en ambities in het gebied zijn twee mogelijkheden van het Julianakanaal. Hierdoor ontstaat hettetraject Kaderrichtlijn (KRW) programma gekomen die het verdienen omover nader onderzoeken op kansenWater voor meekoppeling: de beoogde vanten de noorden Borgharenweg en een mogelijke aanpassing van de waterkering aan Rijkswaterstaat de keersluisaanpassing Limmel tot net van de Spoorbrug de De nog resterende KRW opgaven van in oostoever (mocht deze bij de toetsing worden afgekeurd).
mogelijkheid voor alle schepen om ook bij hoge afvoeren het beschouwde gebied richten zich op de herinrichting Er is ook gekeken synergie metelkaar de voorstellen voor rivierverruimende die in het Het gaat en de daarbij horende hogenaar stroomsnelheden veilig van / aanpassing aan eenmaatregelen aantal beekmondingen. kader van het MIRT onderzoek Ontwikkelvisie Zuidelijk Maasdal worden ontwikkeld. te ontmoeten. Naast een aanpassing van de oever dient dan om de mondingen van de Voer in het waterlichaam een eerste korte analyse volgt dat er ruimtelijk geen overlap lijkt tussen de maatregelen van de ook het Uit verkeersmanagement uitgebreid te worden, dient Bovenmaas en in het waterlichaam Grensmaas zijn Integrale variant 1b Oostoever Lang en de voorstellen voor rivierverruimende maatregelen. Aan de er een informatievoorziening van de actuele stroomsnelheid de Geul, Hemelbeek, Oude Maas/Geleenbeek en oostoever komen ze fysiek wel dicht bij elkaar te liggen. te worden gerealiseerd en zou het helpen om goede diepte Thornerbeek/Panheelderbeek beeld. Wat nog in beeld moet worden gebracht is of de voorgestelde rivierverruimende in maatregelen informatie op de ENC’s van de schepen te krijgen. potentie hebben voor het oplossen van de nautische veiligheidsknelpunten.
Er zijn geen KRWvoor opgaven meer voor oeversalen Punt van aandacht daarbij is wel dat realisatie van de maatregelen nautische veiligheid opgeulen in Uit een inventarisatie mogelijkheden voor synergie korte termijnnaar nodig is. Het is onzeker en onduidelijkdit ofgebied. en wanneer rivierverruimende maatregelen worden gerealiseerd. tussen de maatregelen van de Integrale variant 1b Oostoever Lang met andere opgaven en ambities in het Omgaan met bestaande (KRW) waarden winterbed Maas Kaderrichtlijn Watergekomen (KRW) programma gebied zijn twee mogelijkheden die het verdienen in relatie tot nieuwe ingrepen Detenog resterende opgaven van Rijkswaterstaat in het beschouwde richten op kader de van om nader onderzoeken opKRW kansen voor meekoppeling: Er zijn door RWS ZN degebied afgelopen jarenzich in het herinrichting van / aanpassing aan een aantal beekmondingen. Het gaat dan om de mondingen van de beoogde aanpassing van de Borgharenweg en een de KRW (en de voorlopers NURG en H&I) heringerichte de Voer in het waterlichaam Bovenmaas en in het waterlichaam Grensmaas zijn de Geul, mogelijke aanpassing van de waterkering aan de oostoever oevers, beekmondingen, uiterwaarden en geulen Hemelbeek, Oude Maas/Geleenbeek en Thornerbeek/Panheelderbeek in beeld. (mocht deze bij de toetsing worden afgekeurd). opgeleverd.
Er is ook gekeken naar synergie met de voorstellen voor rivierverruimende maatregelen die in het kader van het Interactieve kaart gerealiseerde herinrichting Maasoevers MIRT onderzoek Ontwikkelvisie Zuidelijk Maasdal worden en –uiterwaarden (augustus 2017) ontwikkeld. https://staticresources.rijkswaterstaat.nl/binaries/ Klikbare%20kaart%20herinrichting%20Maasoevers%20 Uit een eerste korte analyse volgt dat er ruimtelijk geen en%20-uiterwaarden-augustus%202017_tcm21-119762. overlap lijkt tussen de maatregelen van de Integrale pdf variant 1b Oostoever Lang en de voorstellen voor
10
Het belangrijkste doel van deze heringerichte gebieden, gezien vanuit het perspectief van RWS, is invulling te geven aan opdrachten, taken en verantwoordelijkheden op het gebied van waterkwaliteit. Daarbij gaat het zowel om ecologisch gezond als chemisch schoon water. De heringerichte gebieden dragen bij aan het bereiken en in stand houden van de vigerende waterkwaliteitsdoelstellingen voor de Maas. Deze ‘net’ heringerichte gebieden zijn zich nu morfologisch, aquatisch en biologisch aan het ontwikkelen. Dat heeft tijd nodig. Het lijkt daarom wenselijk om deze gebieden voorlopig met rust te laten en ze niet opnieuw te verstoren met vergravingen en ze een ongestoorde ontwikkeling te gunnen. Bijkomend is het uit perspectief voor omwonenden ook wel fijn als er niet opnieuw ‘overlast’ is van werkzaamheden binnen korte tijd na oplevering van deze gebieden. In het kader van de hoogwaterbescherming langs de Maas is het credo dat dijkversterking en rivierverruiming waar mogelijk hand in hand dienen te gaan. Er wordt daarom voor de Maas zowel onder de vlag van het Deltaprogramma (de zogenaamde lange termijn ambitie rivieren) alsook in het kader van het MIRT (concrete projecten) gezocht naar geschikte mogelijkheden om de Maas meer ruimte te geven.
Het kan zomaar gebeuren dat partijen die nu het initiatief hebben voor de DP MIRT verkenningen en DP MIRT onderzoeken daarbij het oog laten vallen op datzelfde hierboven benoemde areaal voor (verdere) vergraving t.b.v. rivierverruiming. RWS hanteert hierbij het principe dat er geen achteruitgang van ecologisch relevant areaal mag optreden.
11
Provinciaal en regionaal POL 2014 ‘meer stad, meer land’. Uit de POL volgen diverse projecten en programma’s. In de MIRT gebiedsagenda Limburg 2012 worden onder andere het Programma Maas en Zuid-Limburg geagendeerd. Voor Zuid Limburg wordt gewerkt aan een samenhangend stedelijk en landschappelijk netwerk met krachtige economische campussen en clusters, aan een hoogwaardig en divers aanbod van woonmilieus, uitstekende verbindingen tussen voorzieningen, kennisclusters en woongebieden en een kwalitatief hoogwaardig landschap. Relevant voor het Maasdal zijn de diverse projecten binnen het programma Platteland in Ontwikkeling (PIO) en momenteel de uitwerkingen voor stad-landzones van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg onder regie van het Bestuurlijk Overleg. Dit laatste heeft direct betrekking op het Maasdal in regio Maastricht waar drie van de 8 stad-landzones worden gelokaliseerd: Zouwdal, Buitengoed Geul & Maas, Zuidelijk Maasdal. Voor deze drie zones wordt een nadere uitwerking voorzien waar de Ontwikkelvisie een bijdrage aan kan leveren. Aandachtspunt is aandacht voor kwaliteit en het voorkomen van ‘verrommeling’ in de overgangszones. Ook voortvloeiend uit POL is een kwaliteitsimpuls aan recreatie en toerisme in Zuid Limburg. De markt in verblijfsrecreatie is verzadigd en sleets aan het worden.
Meer excellente recreatievoorzieningen en het aantrekken van andere doelgroepen zijn daarom doelen voor de Ontwikkelingsvisie. Het Grensmaasproject ‘Rivierpark Maasvallei‘ is vrijwel afgerond. Rond Borgharen en Itteren wordt de laatste hand gelegd aan de realisatie van riviernatuur. In dat kader is een recreatievisie opgesteld door de bewoners. Met name het realiseren van recreatieve fiets en wandelroutes staat daarin voorop. Bij de afwerking van het stuweiland Bosscherveld wordt gestreefd naar een fietsverbinding over het stuwcomplex. Dit zal een belangrijke route completeren tussen Maastricht en het Rivierpark. Binnen het deltaprogramma is in Limburg in 2013 een visie Leven met de Maas gemaakt die acht provinciale doelen bevat voor de Limburgse Maasvallei: >> Een duurzaam watersysteem als basis. >> Ontwikkelen van typische Maasnatuur. >> Landbouw als drager van het cultuurlandschap van de Maas (extensief). >> Ontspannen wonen langs de Maas. >> De Maas als economische levensader. >> Delfstoffenwinning met behoud van cultuurhistorie middels nieuwe uitvoeringsmethoden. >> Beleven van de geschiedenis van de Maas. >> De Maas als recreatierivier.
12
Stad- & landzones
Gemeentelijk De gemeente Eijsden-Margraten richt haar gezicht naar de Maas en beoogt in het beleid behoud en waar mogelijk versterking van de natuur, het landschap en de streekeigen landbouw, gecombineerd met hoogwaardig toerisme als trekker. Voor het grondgebied van gemeente Eijsden-Margraten zijn een aantal opgaven bekend zoals een kwaliteitssprong voor het recreatiegebied PietersplasOosterplas en het parkeervraagstuk bij Bat. De gemeente promoot toerisme en recreatievaart en streeft naar verblijfsrecreatie (Kasteel Oost) en aanlegmogelijkheden voor de pleziervaart bij het historische waterfront van Eijsden. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) zet in op het versterken van het karakteristieke kleinschalige cultuurlandschap door aanleg van kleine landschapselementen en hoogstamfruitbomen, routes en drie ecologische verbindingen tussen Maasdal en Heuvelland. Voor het recreatieve uitloopgebied tussen Eijsden en Maastricht op de oostoever wordt gestreefd naar het versterken van de waterrecreatie, openbare oevers en routes en een betere inpassing van leisurefuncties met meer Maascontact. Een wens is een doorgaande recreatieve (struin)route langs de Maas. Voor de gemeente Maastricht is de Structuurvisie Maastricht een bron voor opgaven en doelen.
De gemeente heeft in de stadsvisie en structuurvisie richting 2030 ingezet op een internationale kennisstad, een complete cultuurstad en een sterke woonstad. Ruimtelijk betekent dit een hoofdinfrastructuur met oostwestroutes via Noorderbrug en Kennedybrug. Daarmee wordt langs de Maas toegewerkt naar een verkeersluw centraal stedelijk gebied met zoveel mogelijk groene oevers. De groenzones sluiten aan op de natuurlijke gordel (oa Vestingstad met Frontenpark en Tapijngebied) rondom de stad, mede ten behoeve van klimaatbestendigheid. Bij de Maasoevers streeft de gemeente naar een levendige stedelijke westoever en een groene, publieke oostoever.
Prioriteiten tot 2030: 1. Buitengoed Geul & Maas Realisatie recreatief netwerk, revitaliseren Beatrixhaven. 2. ENCI-groeve Transformatie tot natuurhistorisch gebied in combinatie met zware industrie (conform Plan van Transformatie). 3. Zuidelijk Maasdal (plassen) Versterken van landschappelijke en recreatieve waarde, met als thema waterrecreatie. In gebruikname van het bedrijventerrein Maastricht-Eijsden. 4. Maasoever Noord-Oost (Griend) Het verleggen van de Franciscus Romanusweg, het doorzetten van de groene openbare Maasoever en tegelijk aanpakken van de hoogwaterproblematiek geeft kansen voor de ontwikkeling van een nieuw woon- en werk gebied (Zinkwit/Trega terrein) met uitzicht op Rivierpark Maasvallei. 5. Randwyck-Noord Wordt ruimtelijk verbonden met de Maas en Ceramique en krijgt hierdoor ook een betere verbinding met de binnenstad. Initiatief Waterkrachtcentrale stuw Borgharen. Vanuit particuliere hoek wordt / werd gewerkt aan de realisatie van een waterkrachtcentrale bij de stuw van Borgharen. Bij een eventuele aanleg moet rekening worden gehouden met trekvissen en de bestaande vispassage. Initiatief Kanobaan. Een particulier heeft in 2000 al een prijswinnend ontwerp (ondersteund door de Nederlandse Kano Bond) getekend voor een wildwaterbaan op/over het eiland Bosscherveld.
13
2
Memo
Memo belgië
memonummer datum aan van kopie project projectnr. betreft
22 november 2017 AWG leden Ton Steegh Bart Bomas Hermjan Barneveld ontwikkelingsvisie Zuidelijk Maasdal 416151 Memo België
Memo België A. Basisinfo: -
Rapport ‘Maas Luik-Maastricht’ (een verkenning van Belgische Actoren in het stroomgebied van de Ardense Maas, traject Luik – Maastricht) datum 1-10-2016 Diverse gesprekken: o Provincie Limburg (Jan Molleman) o RWS (Daan Duijsings) o De Vlaamse Waterweg (Niels van Steenbergen)
B. Status / situatie De verantwoordelijkheid voor waterwegen (en het beheer daarvan) rust bij gewesten (Vlaanderen/ Wallonië). In Vlaanderen is dit ondergebracht bij NV de Vlaamse Waterweg. Wallonië heeft dit ondergebracht bij SPW (Service Publique de Wallonie). Beheer is ondergebracht bij ‘Direction génerale opérationelle de la Mobilité et des Voies hydrauliques (DGO2)’. België heeft, in tegenstelling tot Nederland, geen formele opgave voor hoogwater. In dit verband geeft Vlaamse Waterweg aan: ‘we doen ons best’. Gemeenten zijn ‘niet’ betrokken bij hoogwater. Wel zijn gemeenten probleemhouders bij hoog water. Problemen in Wallonië als gevolg van hoogwater manifesteert zich voor zover bekend vooral in zijrivieren. Hoogwaterproblematiek staat niet/ beperkt op de agenda. SPW geeft aan dat er geen plannen zijn voor hoogwater aanpak. Ook op korte termijn zijn deze niet te verwachten. De Vlaamse Waterweg geeft aan dat reeds veel maatregelen zijn genomen. Vlaanderen volgt de activiteiten aan Nederlandse zijde, om de eventuele effecten aan Belgische zijde te beoordelen en zo nodig maatregelen te treffen.
14
blad 1 van 5
memonummer: betreft: Memo België
C. Overleg ‘structuren’ Euregionale afstemming vindt in meerdere platforms plaats. Enkele structuren: 1. Internationale Maascommissie (IMC): (Vlaams gewest/ Waals gewest/ Nederland/ Frankrijk/ Duitsland) a. 1x/jaar 2. Tripartite – overleg (de Vlaamse waterweg / SPW/ RWS). a. Formeel b. 3x/ jaar 3. Afstemming Vlaamse Waterweg – RWS a. Informeel b. Variabele frequentie 4. Afstemming op provinciaal niveau Algemene indruk is extensief met vooralsnog weinig resultaat voor de directe regio. D. Plannen 1. “Plan Pluies” In Wallonië (initiatief van het gouvernement regio Wallonië) is het ‘Plan Pluies’ opgesteld dat ervoor dient te zorgen dat schade bij hoogwater zoveel mogelijk wordt beperkt. Daartoe voorziet het plan in een aantal oplossingen voor hoogwaterproblematiek die betrekking hebben op hoogwater dat recentelijk is opgetreden. Doelstellingen zijn als volgt: o Kennis over hoogwater en overstromingen verbeteren; o Afstroming van regenwater naar de rivier verminderen en vertragen; o Oevers en overstromingsvlakten herstellen; o Kwetsbaarheid in overstromingsgebieden verminderen; o Rampenbestrijding verbeteren. De status van het plan is niet bekend, maar de inhoud lijkt strijdig met de uitspraken van SPW. E. Adviezen In de interviews die in het kader van het rapport ‘Maas Luik-Maastricht’ zijn gevoerd zijn onderstaande adviezen genoemd.
- Gem Visé: gebruik orgaan ‘Liège Métropole Europe’ als platform voor hoogwater (84 gemeenten) - Gem. Oupeye: Maastricht organiseert een bijeenkomst om Oupeye te informeren over hoog water. Tevens fietsroute van Maastricht tot Luik. - Dierickx: maatregelen hoogwater bespreken op niveau Waals Gewest en provincie Luik. - Rapport Wanders: Euregionale conferentie vanuit Maastricht organiseren. In bijlage 1 is een lijst opgenomen met potentiele contactpersonen.
blad 2 van 5
15
memonummer: betreft: Memo België
F. Kansen/ maatregelen Onderstaande maatregelen/ kansen zijn in de afgelopen periode binnen het projectteam genoemd. De kansrijkheid van de projecten is vooralsnog niet beoordeeld. a. Verdiepen Maas tot Lixhe i. Effect voor België is aanwezig bij hoog water (als stuw gestreken is); ii. Verdieping levert mogelijkheid voor (recreatieve) scheepvaart op. Dit kan een toeristische impuls opleveren. b. Sluis Lixhe i. Sluis vormt een extra kunstwerk. Dit kunstwerk komt in beheer bij SPW; ii. Door aanleg van sluis is scheiding tussen beroep- en recreatieve scheepvaart mogelijk; iii. Bij aanleg van de sluis zal het schudden in de sluis van Lanaije efficiënter kunnen plaatsvinden (positief effect ikv waterverdrag?). c. Albertkanaal benutten voor retentie i. Bij startnotitie is deze maatregel als minder kansrijk beoordeeld.. d. Kotem i. Weerdverlaging is forse ingreep aan Belgische zijde, met bovenstrooms effect. Bij Maastricht is dit effect beperkt. ii. Verwerving is lastig en staat in België niet hoog in prioriteit. e. Herbricht i. Alternatief genoemd tijdens schetsateliers; ii. Gebied betreft volgens Vlaamse Waterweg een privaat initiatief, waardoor geen beïnvloeding mogelijk is. f. Toeristisch / recreatief: i. Fietsroute Maastricht – Luik langs Maas; ii. Verbindingen naar Heuvelland / Voerstreek; iii. Recreatievaart Maas / Lihxe G.
Conclusie In onderstaande puntsgewijs enkele conclusies: - De Euregionale organisatorische situatie is complex. De aanpak per land (en gewest) verschilt sterk; - Overlegstructuren zijn beperkt en relatie is over het algemeen ‘beginnend / fragiel’; - Probleemhouders (de Belgische gemeenten) zijn ‘niet’ betrokken bij de hoogwaterproblematiek; - Eventueel succes – in de zin van het op de kaart krijgen van maatregelen- lijkt pas op lange termijn realistisch;
16
blad 3 van 5
memonummer: betreft: Memo België
H. Advies en Vervolgacties Er is een investering nodig om op langere termijn de vruchten te kunnen plukken van internationale samenwerking. Om de hoogwaterproblematiek op de kaart te zetten kan op meerdere manieren worden ingezet, waarbij meerdere sporen naast elkaar kunnen plaatsvinden. Kernwoorden daarbij zijn: kennis van elkaars activiteiten, uitwisseling van informatie en begrip. Dat moet leiden tot besef van urgentie, hetgeen de basis is voor handelen. Onderstaand enkele mogelijke vervolgacties: a. Benadering vanuit de ‘probleemhouders’: initieer een overleg tussen Nederlandse en Belgische gemeenten: Maastricht, Eijsden- Margraten, Voeren, Visé, Oupeye, Herstal en Luik. • Insteek: kennismaken en uitwisselen van problemen en getroffen maatregelen. b. Beoordelen kansrijkheid boven omschreven kansen/ maatregelen. Indien sprake is van kansrijkheid vervolgacties bepalen. c. Op verschillende niveaus bestaande netwerken / bestaande contacten in beeld brengen en intensivering van contact tot stand brengen. Daarbij zoveel als mogelijk aansluiten op bestaande structuren. d. Status ‘Plan Pluies’ in beeld brengen. e. Agenderen hoogwater / ontwikkelingsvisie bij de bestaande overlegstructuren. f. Euregionale conferentie organiseren
blad 4 van 5
17
memonummer: betreft: Memo België
Bijlage 1: Lijst potentiele contactpersonen 1. Roald Laperre (Voorz IMC) (Nederlander, ook verantwoordelijk voor implementatie Deltaprogramma) 2. Diederik Timmer (IMC) 3. Willem Schreurs (secr. generaal IMC) 4. Philippe Dierickx (SPW) 5. Koen Maeghe (Waterweg): beheer / adviseur ‘cel Maas’ 6. Herman Ghielen: ‘Cel Maas’ 7. Niels van Steenbergen (de Vlaamse Waterweg NV) 8. Daan Duijsings: RWS coördinator internationaal
18
blad 5 van 5
19
3
Memo
memo ENCI
memonummer datum aan van kopie project projectnr. betreft
22 november 2017 leden AWG Ton Steegh Bart Bomas Hermjan Barneveld ontwikkelingsvisie Zuidelijk Maasdal 416151 Memo ENCI
1. Inleiding Aanleiding. In de onderzoekrapportage fase 2 van het regioproces voor het Deltaprogramma rivieren (2013) is de ENCI groeve als te onderzoeken maatregel opgenomen. Deze maatregel is vervolgens in het plan van aanpak van Maastricht terecht gekomen en maakt nu deel uit van het onderzoeksprogramma ‘Ontwikkelingsvisie Zuidelijk Maasdal’. In theorie heeft het gebied van de ENCI-groeve de potentie om te worden gebruikt als retentiegebied. Die maatregel dient dan vooral de hoogwaterbescherming van Maastricht en steden stroomafwaarts. Deze potentiële maatregel riep destijds nog zeer veel vragen op t.a.v. de technische haalbaarheid, maatschappelijke haalbaarheid en hydraulische potentie. Dit is ook de reden geweest dat deze als onderzoeksmaatregel is opgenomen in het thans lopende onderzoek. Het verloop van het ENCI proces is in bijlage 1 opgenomen. Binnen de Stuurgroep “ontwikkelingsvisie voor het zuidelijk Maasdal” is aangegeven dat er behoefte is aan een duidelijkheid over de maatregel ENCI. De Stuurgroep heeft derhalve de wens geuit om besluitvorming over de kansrijkheid van de maatregel ENCI groeve te onderzoeken en ter besluitvorming voor te leggen. Voorliggend memo doet een kwalitatieve beschouwing van de maatregel ‘Retentie in de ENCI-groeve’ en sluit af met conclusies en een advies. Aanpak
Het is evident dat de ENCI groeve een uniek gebied vormt binnen Nederland. De bijzondere natuur (zowel flora als fauna), de in het gebied aanwezige forse hoogteverschillen en de combinatie van natuur en bedrijvigheid maken het gebied uniek. Als uitloopgebied voor de stad Maastricht en de regio is het gebied van groot belang, zeker in combinatie met de St. Pietersberg. Voor de groeve is een Plan van Transformatie opgesteld (zie bijlage 1), een ambitieus plan waarbij een combinatie van extensieve natuurbeleving samengaat met zware industrie. Het is duidelijk dat een ingreep in dit gebied vanuit verschillende invalshoeken gevoelig ligt.
In het proces van beoordeling is de eerste stap een technische beoordeling, immers als de maatregel niet effectief en/ of robuust is, is toepassing van de maatregel niet effectief. Afhankelijk van de uitkomst van onderzoek naar de technische beoordeling, moet invulling van het vervolgtraject plaatsvinden. Een verdere analyse is daarmee overbodig.
20
blad 1 van 12
memonummer: betreft: Memo ENCI
2. Toelichting maatregel en analyse Onderliggend aan deze memo zijn in het verleden en gedurende het project reeds onderzoeken uitgevoerd. Deze zijn verwoord in bijlage 2. De onderliggende onderzoeken zijn opgenomen in bijlage 3 en 4. Voor detailinformatie wordt verwezen naar de bijlagen. Het principe van de maatregel is dat tijdens een hoogwaterpiek een deel van het Maaswater wordt ingelaten in de groeve, waardoor de hoogwaterpiek lager wordt. De groeve met ca. 7,5 mln. m3 retentiecapaciteit kan via een kanaal vanuit de Maas gevuld worden door een inlaatwerk te openen (of een wand te laten kantelen). Via dit inlaatkanaal kan een deel van de hoogwaterpiek worden afgevoerd naar de groeve. Indien het vullen van de groeve rondom de piek van het hoogwater plaatsvindt kan een piekvervlakking van ca. 100 m3/s gerealiseerd worden, die ver in benedenstroomse richting doorwerkt. Het concept is te zien in Figuur 1. De locatie van de inlaat kan op meerdere posities worden gerealiseerd. Uitgaande van een onttrekkingsdebiet van 100 m3/s is de groeve in ca 14 uur gevuld. Deze korte tijdspanne beperkt de robuustheid van de maatregel sterk. De maatregel vergt inzet van menselijk handelen, en timing is cruciaal. Naast het risico van menselijk handelen zijn er meer redenen waardoor de maatregel niet of slecht gedeeltelijk kan werken.
Ten eerste kan de vorm van de hoogwatergolf erg verschillend kan zijn. De robuustheid wordt nog verder ondermijnd, vanwege de ligging van de groeve t.o.v. de Belgische grens. De voorspeltijd is immers heel kort. Bij een foutieve inschatting wordt de maatregel op het verkeerde moment ingezet. Te vroege inzet betekent dat de groeve reeds is gevuld als de hoogste waterstanden nog moeten komen. Bij te late inzet zijn de hoogste waterstanden al geweest en mist de maatregel het gewenste effect..
Figuur 1. Concept retentie met mogelijke posities van retentiekanaal In eerdere onderzoeken (startdocument) is een waterstanddaling van ca 10 cm berekend. De in eerdere onderzoeken bepaalde waterstandsdaling, moet vanwege de omschreven risico’s en onzekerheden fors worden gereduceerd. Een reductie van meer dan 50% wordt reëel geacht. De maatregel werkt benedenstrooms ver door, maar neemt naarmate de afstand tot de maatregel groter wordt af. Naar verwachting is bij Lith minder dan 20% over. Inzet van de maatregel voor hoogwaterveiligheid zal met een lage frequentie plaatsvinden, gelet op de hoge normen in Maastricht (overstromingskans van 1:1.000 / 1: 3.000 per jaar).
blad 2 van 12
21
memonummer: betreft: Memo ENCI
Na de inzet van de groeve als retentiegebied, moet de groeve worden leeggepompt. De minimaal benodigde tijd is ingeschat op 10 dagen. De schade aan het gebied zal, mede afhankelijk van het seizoen, fors zijn. 3. Conclusies en advies Op basis van de gepresenteerde analyse, en eerder uitgevoerde analyses, trekken we de volgende conclusies. Voor het toepassen van retentie in de ENCI groeve als bijdrage aan de hoogwaterveiligheid van Maastricht (en andere verder benedenstrooms gelegen dijkvakken) gelden diverse voorbehouden voor de effectiviteit. Belangrijk daarbij zijn: de beperkte opslagcapaciteit van 7,5 miljoen m3 waardoor de retentie binnen een dag vol is; de korte voorspeltijden van hoogwater bij Maastricht; de onzekerheden in golfvorm en topafvoer; de werking voor slechts een beperkte afvoerband (vol is vol); de noodzaak van menselijk handelen. Op basis van deze voorbehouden achten wij de maatregel risicovol en derhalve niet robuust, zodat er geen (sterke) basis is om de ENCI-groeve tot onderdeel van het hoogwaterveiligheidssysteem te maken. Op basis van de uitgevoerde analyse adviseren wij de maatregel ENCI groeve buiten de nadere uitwerking van de MIRTonderzoek te houden.
22
blad 3 van 12
memonummer: betreft: Memo ENCI
Bijlage 1: verloop van het ENCI-proces 2009-2010 belanghebbende partijen (provincie, natuurmonumenten, de bevolking georganiseerd in de stichting SPA, het bedrijf Enci en de gemeente) onderhandelen over een compromis tussen verlenging van de winning van mergel langer dan de concessie toestaat en de prijs die Enci daarvoor moet betalen. 2010 het Plan van Transformatie (PvT) wordt vastgesteld en er wordt een stichting ingericht die de transformatie moet regisseren. De stichting Ontwikkelingsmaatschappij Enci-gebied (Some). In de stichting zitten de genoemde groeperingen/partijen. De stichting krijgt een directeur die door Enci wordt betaald. Het PvT is erg ambitieus. Zware industrie moet samengaan met extensieve natuurbeleving en daartussen moet een strook van 5.5 ha ontwikkeld worden met bedrijvigheid die zich richt op zowel de innovatie van de productie van bouwstoffen als op natuurbeleving. De stichting wordt eigenaar van deze overgangszone. Het is de bedoeling dat met de exploitatieresultaten daarvan de ontwikkeling en exploitatie van de groeve als natuurbeleving wordt gefinancierd. In het PvT is bepaald dat de Enci in 2018 stopt met de mergelwinning en in 2019 de oven sloopt. 2011-nu Om een dergelijke ontwikkeling mogelijk te maken is het nodig dat er een aangepast bestemmingsplan wordt vastgesteld.
Het blijkt zeer complex om een vorm te vinden die het mogelijk maakt om én zware industrie én natuurbeleving te combineren in een gebied dat omzoomd wordt door een Natura 2000 gebied. In de Crisis en Herstelwet wordt die vorm gevonden. Het plan is in het eindstadium van ontwerp. Binnen de stichting hebben de daarin vertegenwoordigde partijen moeten leren om een samenwerkingsvorm te ontwikkelen waarbij het collectieve belang op z’n minst gelijk is aan het eigen belang. Op dit moment is sprake van een positieve samenwerkingssfeer. Inmiddels is er al veel gebeurd in de groeve, zo zijn er een aantal maatregelen uitgevoerd in het kader van de natuurontwikkeling en ten aanzien van de ontwikkeling van de groeve. Daarnaast is zoektocht gestart naar de invulling van de overgangszone en is het bestemmingsplan aangepast om een en ander mogelijk te maken.
blad 4 van 12
23
memonummer: betreft: Memo ENCI
Bijlage 2: samenvatting verricht onderzoek
1. Inleiding Voorliggend onderzoek doet een kwalitatieve beschouwing van de maatregel ‘Retentie in de ENCI-groeve’ en vat feitelijk de bevindingen samen Het concept van retentie in de ENCI-groeve is te zien in
Figuur 1. De groeve met ca. 7,5 mln. m3 retentiecapaciteit kan via een kanaal vanuit de Maas gevuld worden door een inlaatwerk te openen (of een wand te laten kantelen). Indien het vullen van de groeve symmetrisch rondom de piek van het hoogwater plaatsvindt kan een piekvervlakking van ca. 100 m3/s gerealiseerd worden, die ver in benedenstroomse richting doorwerkt.
24
blad 5 van 12
memonummer: betreft: Memo ENCI
Figuur 1
Retentie in de ENCI-groeve met principe inlaat
2. Rudimentaire dimensionering en effectbeschrijving (ontwerpgolf) In het kader van het Deltaprogramma Maasvallei is rudimentair gerekend aan een concept, waarbij de instroming in de groeve op analytische wijze als tijdreeks is becijferd, waarvan het resultaat als laterale onttrekking (en na vulling een geringe terugstroming) in het Maasmodel is opgelegd. In het kader van het Deltaprogramma Maasvallei is rudimentair gerekend aan een concept, waarbij de instroming in de groeve op analytische wijze als tijdreeks is becijferd, waarvan het resultaat als laterale onttrekking (en na vulling een geringe terugstroming) in het Maas¬model is opgelegd. Onderstaand zijn de gehanteerde aannames samengevat. ENCI-groeve (blokbenadering) Volume =
Inlaatwerk 3
7.500.000 m
Breedte =
9 m
35 ha
Drempel =
45,00 m+NAP
Hmax =
49,00 m+NAP
Diepte =
4,00 m
Bodem =
27,57 m+NAP
Profiel =
36 m2
Gravitatie =
9,81 m/s2
Mobilisatiepeil =
Oppervlakte =
49,50 m+NAP
Bij een peil van 49,50 m+NAP in de Maas bij de inlaat (rkm 10) wordt het inlaatwerk geopend en stroomt het kanaal met een snelheid van ca. 5,5 m/s in. Het debiet bedraagt hierbij ca. 100 m3/s. Het betreft hier een optimale werking bij een menselijk handelen, dat perfect anticipeert op een hoogwatergolf van een bepaalde vorm. Het waterstandseffect is hierbij groot: ca. 10 cm voor het grootste deel van de Grensmaas
blad 6 van 12
25
memonummer: betreft: Memo ENCI
afnemend tot ca. 5 cm voor de Zandmaas. Bij dit resultaat dienen de volgende kanttekeningen te worden gemaakt, die aanzienlijk effect hebben op het te behalen effect: • Voor optimale inzet is menselijk handelen nodig. Bij een vaste inlaat stroomt het gebied te vroeg in en wordt de retentiecapaciteit niet efficiënt ingezet. Menselijk handelen vormt wel een extra risico voor de goede werking van retentie. • Het openen van het retentiegebied hoeft niet noodzakelijk plaats te vinden met een regelwerk, gezien de extreem lage frequentie van inzet. Een betonnen wand die omver getrokken wordt is goed genoeg. • Het retentiegebied van 7,5 miljoen m3 wordt in de uitgevoerde berekeningen in een periode van ca 14 uur gevuld. De timing van inzet is dus cruciaal. In het voorbeeld, waarbij slechts één standaard afvoergolf is beschouwd, is een inzetpeil gehanteerd. In de praktijk is een expertsysteem wellicht effectiever om het optimale moment te bepalen, omdat geen enkele hoogwatergolf de vorm en omvang van de theoretische ontwerpgolf heeft (zie Figuur 2). Het is echter de vraag of het effect met andere golfvormen vergelijkbaar zal zijn, en of het optimale inzetmoment per hoogwatergolf nauwkeurig genoeg bepaald kan worden. Hiervoor is een kwaliteit van voorspellen van de hoogwatergolf nodig die op dit moment nog niet gehaald wordt.
Hoogwaters bij Maastricht worden in belangrijke mate bepaald door zware regenval in de Ardennen. De tijd tussen neerslag en hoogwater bij Maastricht (de looptijd) is met 1 à 2 dagen zeer kort. Een goed voorspelling enige dagen vooruit is daarmee (nog) niet mogelijk. • Het betreft een geoptimaliseerd resultaat voor een hoogwatergolf met een bekende vorm en omvang behorende bij slechts één beschermingsnorm. In de Voorkeursstrategie is gekozen voor het hoogste normniveau (1/3000 per jaar), behorende bij de norm van Maastricht-oost. Dit betekent dat voor de overige waterkeringen met andere norm de maatregel niet in dezelfde mate extra veiligheid biedt. Het mooie effect in de Grensmaas en de Zandmaas heeft om die reden niet de volledige waarde die het lijkt te hebben, omdat de gebeurtenis ver boven de norm van de meeste waterkeringen van de Limburgse Maas ligt (1/300 per jaar). Anders gezegd: wanneer het retentiegebied ingezet wordt, kan het voor deze dijktrajecten al te laat zijn. Voor dijken langs de bedijkte Maas met een hogere norm dan 1/3000 per jaar, zal het effect van retentie in de ENCI groeve juist weer te vroeg komen. Hiermee blijft alleen het effect voor Maastricht nog een potentieel argument. • De gekozen werkwijze is een deterministische benadering.
Een probabilistische benadering zou tot een ander resultaat leiden, omdat niet in alle gevallen op een optimaal retentieproces gerekend kan worden. Op basis van het WBI-2017 zou het effect van de ENCI-groeve als retentiegebied anders becijferd moeten worden, dan in de rapportage van het Deltaprogramma (Meijer, 2015) is getoond. Dat kan ook alleen indien een vast protocol voor de inzet van het retentiegebied wordt geformuleerd, waarna de methodiek van het WBI-2017 wordt gevolgd. Hierbij wordt een groot aantal hoogwatergolven doorgerekend, met zowel kleiner als groter watervolume in de top van de hoogwatergolf en mogelijk ook met dubbele toppen. Retentie kan tijdens een hoogwater maar eenmalig worden ingezet (vol is vol). Dit maakt deze maatregel, meer dan andere rivierverruimingsmaatregelen, gevoelig voor de vorm van het hoogwater. Voor de Lob van Gennep (meer benedenstrooms langs de Maas) is in Barneveld et al (2015) aangetoond, dat de effectiviteit van retentie met ongeveer 50% wordt overschat als de onzekerheid van de golfvorm niet wordt meegenomen.
26
blad 7 van 12
memonummer: betreft: Memo ENCI
Figuur 2
Vormen van hoogwatergolven: theoretische ontwerpgolf en enkele historische (opgeschaalde) hoogwatergolven
3. Kostenreductie benedenstrooms Teneinde meer inzicht te verkrijgen in de effecten op de benodigde hoogteopgave van de waterkeringen van Maastricht, is in het kader van de Visie Zuidelijk Maasdal een schatting gemaakt van de mogelijke kostenreductie van de waterkeringen als gevolg van het retentiegebied in de ENCI-groeve. Hierbij is gevarieerd met de golfvorm en geconstateerd, dat de effectiviteit met afwijkende golfvormen snel terugloopt of zelfs geheel verdwijnt. Door probabilistisch te wegen wordt het gunstige effect van de ideale ontwerpgolf sterk afgezwakt door de mindere of afwezige effecten van de niet-ideale potentiële hoogwatergolven. De kostenreductie is niet geheel weg, maar aanzienlijk minder dan op basis van uitsluitend één ideale ontwerpberekening verwacht zou worden. Voor de getallen en details verwijzen we naar het betreffende memo (Pol en Barneveld, 2017).
blad 8 van 12
27
memonummer: betreft: Memo ENCI
Figuur 3
Aftopping door ENCI bij verschillende golfvormen uit GRADE (Pol en Barneveld, 2017)
Pol en Barneveld (2017) geven bijvoorbeeld voor de golven uit Figuur 3 de volgende waarden voor de te behalen aftopping als de inlaat wordt geopend bij een afvoer van ca. 4500 m3/s: Standaardgolf: ΔQ=110 m3/s Golfnr. 4708: ΔQ=126 m3/s Golfnr. 4731: ΔQ=56 m3/s Golfnr. 6760: ΔQ=0 m3/s Golfnr. 13668: ΔQ=0 m3/s Ofwel (als de golven eenzelfde kans van voorkomen hebben) gemiddeld ca. 50 m3/s. Geconcludeerd wordt dat de maatregel niet erg robuust 1 is en uiteindelijk ook geen groot benedenstrooms bereik heeft vanwege de normverschillen tussen Maastricht en de meeste overige dijktrajecten van de Maas. Nadere analyse met verschillende golfvormen en rekening houdend met onzekerheden van vorm en voorspelbaarheid van de golfvorm, zouden moeten aantonen hoeveel groter (dan de factor 2) de verwachte reductie van de effectiviteit zal zijn. Na inzet van het retentiegebied zal het weer leeg moeten worden gepompt. Het laatste water zal daarbij tot 30-40 meter opgepompt moeten worden. Als een pompcapaciteit van 10 m3/s wordt ingezet kan het gebied in 10 dagen weer leeg worden gepompt.
Onder robuust wordt verstaan: de mate waarin het systeem betrouwbaar is, de mate waarin het systeem ongevoelig is voor onzekerheden en de mate waarin het systeem adaptief is, ook wel vertaald als de mate waarin aanpassingen tegen beperkte kosten mogelijk zijn om te voldoen aan veranderde omstandigheden.
1
28
blad 9 van 12
Bijlage 3:
Beschouwing van enkele hoogwatermaatregelen in relatie tot de Ontwikkelingsvisie Zuidelijk Maasdal, 9 augustus 2017, 073.01, Riquest
Memo (concept) Titel
: Beschouwing van enkele hoogwatermaatregelen in relatie tot de Ontwikkelingsvisie Zuidelijk Maasdal
Opdrachtgever
: Gemeente Maastricht (in onderaanneming van Antea / HKV lijn in water)
Ter attentie van
: Remko de Leeuw, Hermjan Barneveld
Opgesteld door
: Douwe Meijer
Projectnummer
: 073.01
Datum
: 9 augustus 2017
1. Inleiding Voorliggend memo doet een kwalitatieve beschouwing van enkele hoogwatermaatregelen die in het kader van de Ontwikkelingsvisie Zuidelijk Maasdal worden beschouwd, gebaseerd op reeds bestaand onderzoeksmateriaal. Het gaat om maatregelen die vooralsnog niet geselecteerd worden voor nadere uitwerking maar niettemin interessant genoeg zijn om in de (nabije) toekomst onder de aandacht te houden. Het betreft de maatregelen: • • •
retentie in de ENCI-groeve, meestromen Albertkanaal (afvoeren naar Antwerpen of ’s-Hertogenbosch via Zuid-Willemsvaart), meestromen Julianakanaal.
Het uitwerken van deze maatregelen vereist eerst stappen op ambtelijk en bestuurlijk niveau, waardoor in het kader van het op handen zijnde MIRT-onderzoek nog onvoldoende concrete uitgangspunten beschikbaar zijn om tot detaillering te kunnen komen. Potentieel interessant zijn deze ingrepen echter wel, omdat naar het oordeel van de opdrachtnemer de ingrepen mogelijk een goede kosteneffectiviteit kunnen opleveren. De navolgende hoofdstukken beschouwen de maatregelen achtereenvolgens, waarna voorlopige conclusies en aanbevelingen zijn geformuleerd.
2. Retentie in de ENCI-groeve In het kader van het Deltaprogramma Maasvallei is rudimentair gerekend aan een concept, waarbij de groeve met behulp van een toevoerkanaal onder zeer extreme hoogwatercondities gevuld wordt tijdens de piek van het hoogwater (zie Figuur 1). Onderstaand zijn de gehanteerde aannamen samengevat. ENCI-groeve (blokbenadering) Volume =
Inlaatwerk 3
7.500.000 m
Breedte =
9 m
35 ha
Drempel =
45,00 m+NAP
Hmax =
49,00 m+NAP
Diepte =
4,00 m
Bodem =
27,57 m+NAP
Profiel =
36 m2
Gravitatie =
9,81 m/s2
Mobilisatiepeil =
Oppervlakte =
blad 10 van 12
49,50 m+NAP
Bij een peil van 49,50 m+NAP in de Maas bij de inlaat (rkm 10) wordt het inlaatwerk geopend en stroomt het kanaal met een snelheid van ca. 5,5 m/s in. Het debiet bedraagt hierbij ca. 150 m3/s. 20170809_073.01_Zuidelijk-Maasdal_ENCI_en_kanalen_v01 (bijlage 3)
1
29
augustus 2017
Het kanaal is in lengterichting niet gedimensioneerd, maar naar verwachting is een verhang van ca. 1,5% voldoende. De piekafvoer van de Maas wordt naar verwachting met ruim 100 m3/s gereduceerd. Een hoger rendement is niet realistisch. De instroming in de groeve is op analytische wijze als tijdreeks becijferd, waarvan het resultaat als laterale onttrekking (en na vulling een geringe terugstroming) in het Maasmodel is opgelegd. Figuur 2 toont het effect op het maximum van de afvoer en de waterstand in de Maas. Het effect neemt op twee locaties in de Maas aanzienlijk af: bij de retentiegebieden Lateraalkanaal-West respectievelijk de Lob van Gennep. Dit is een logisch gevolg van afnemende werking van retentiegebieden in serie met elkaar. In de Bedijkte Maas is nog ca. 25% van het retentie-effect over.
Figuur 1
Retentie in de ENCI-groeve (Meijer, 2015)
4500
100
50
Grave
0
-50
VKS 2100 (4600 m3/s) zonder ENCI VKS 2100 (4600 m3/s) met ENCI Effect ENCI (m3/s) Effect ENCI (mm)
4100
4000
Niers
Sambeek
Belfeld
Brabantse beken
Neerbeek Swalm
Roer
Roermond
4200
Linne
Borgharen
4300
Geul
4400
div. Peel
150
Geleenbeek
4600
Vlaamse beken
200
Jeker kanalen
4700
0
20
40
60
80
100
120
140
160
-100
180
-150
Maas (rkm)
Figuur 2
Afvoer- en waterstandverlagend effect bij zeer extreem hoogwater (Meijer, 2015)
Bij dit resultaat dienen de volgende kanttekeningen te worden gemaakt: •