20260526 09g TAM-omgevingsplan Linderweg 5 Eckelrade Bijlage Motivering
Tekst van het document
Uitsnede landschapsplan met aanduiding natuurlijke wadi Gelet op het vorenstaande vormt het aspect waterhuishouding geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling. 5.8.3 Conclusie water Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'water' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade
33
5.9
Natuur en landschap
5.9.1 Algemeen Ter bescherming van de natuur zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren.
Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren: 1. 2.
óf er soorten aanwezig zijn; en indien aanwezig, welke soorten dat zijn.
Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Gebiedsbescherming Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden. (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.
34
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade
5.9.2
Beoordeling
5.9.2.1 Flora en fauna Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is de website www.waarneming.nl geraadpleegd welke recente data bevat met waarnemingen over flora en fauna. Uitgaande van waarneming.nl zijn tot voor kort geen beschermde flora en fauna aangetroffen ter plaatse van de gronden waar de nieuwe bebouwing wordt voorzien. Wel zijn rondom de bestaande bedrijfswoning de geschubde inktzwam en een gewone hooiwagen waargenomen. Deze soorten zijn niet beschermd. Daarnaast vinden rondom de bedrijfswoning geen werkzaamheden plaats. In onderstaande figuur wordt een en ander nader gevisualiseerd.
Uitsnede website www.waarneming.nl met aanduiding plangebied Uit deze eerste analyse blijkt dat mogeljk beschermde diersoorten in de omgeving aanwezig kunnen zijn. Dit beeld wordt bevestigd door raadpleging van de NDFF. Betreffende de NDFF dient opgemerkt te worden dat de daarin opgenomen waarnemeningen niet allemaal precies zijn vanwege de bescherming van de betreffende plant- of diersoort. Hierdoor kan niet met zekerheid vastgesteld worden of een beschermde plant- of diersoort ter plaatse plangebied aanwezig (geweest) is. Om desondanks te zorgen dat de beschermde plant- en diersoorten op een zorgvuldige wijze beschermd worden, is een ecologisch werkprotocol opgesteld door Omniverde. Dit protocol is bijgevoegd als Bijlage 1. Als dit werkprotocol wordt opgevolgd is de bescherming van flora en faua voldoende geborgd. 5.9.2.2 Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen.
Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade
35
voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een 'Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving). Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied betreft het 'Savelsbos'. Dit Natura-2000 gebied ligt op ruim 430 meter ten westen van onderhavig plangebied. Ter plaatse van onderhavig plangebied zelf is geen Natura2000-gebied aanwezig.
Ligging plangebied (rode cursor) t.o.v. Natura2000 gebieden Ten behoeve van voorliggend project is een stikstofonderzoek uitgevoerd voor de realisatiefase en de gebruiksfase waarin is onderzocht of sprake is van significante stikstofdepositie op omliggende Natura2000 gebieden. De rapportage van betreffend onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 2 bij voorliggende motivering. Uit de berekeningen met AERIUS blijkt dat er geen sprake is van stikstofdepositie op, voor stikstof gevoelige, natuurgebieden. De depositie bedraagt 0,00 mol potentieel zuur/ha/jaar. Derhalve kunnen negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van N2000 gebieden ten gevolge van stikstof met zekerheid worden uitgesloten. 5.9.2.3 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones. In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie.
36
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade
Onderhavig plangebied is niet gelegen in het Limburgse deel van het Natuurnetwerk.
Ligging plangebied t.o.v. Natuurnetwerk 5.9.2.4 Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg Zoals reeds eerder geconstateerd in paragraaf 4.2.2.2 is het plangebied gelegen in het beschermingsgebied 'Nationaal Landschap Zuid-Limburg'. In de Omgevingsverordening Limburg wordt ten aanzien van dit gebied voorgeschreven dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in deze gebieden een beschrijving bevat van de in het planbied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is een landschapsplan opgesteld. Om en nabij het plangebied wordt voorzien in nieuwe aanplant, waarmee zorg wordt gedragen voor een inpassing van de te realiseren bebouwing. Het opgestelde landschapsplan is bijgevoegd als Bijlage 3. Daarin wordt onder andere aangegeven dat wordt voorzien in de aanplant van nieuwe (afschermende) beplanting. Onder andere kan worden gewezen op het feit dat zowel aan de oostzijde als aan de westzijde van de locatie een robuuste ecologische hoogstam(fruit)boomgaard zal worden aangelegd. In de fruitboomgaard worden inheemse (fruit)bomen (bijv. walnoot, zoete kers, pruim appel, peer) aangeplant.
Bovendien wordt op de grens van het agrarisch bouwvlak, ter inpassing van de erfverharding, een lage haag aangeplant voor een landschappelijke scheiding. Tot slot wordt op het oostelijk gelegen perceel nabij de zuidoostelijke hoek van het plangebied een meer geconcentreerd groepje van (fruit)bomen aangeplant als markering van het perceel. In onderstaande figuur wordt gevisualiseerd aangegeven op welke wijze het plangebied landschappelijk zal worden ingepast.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade
37
Uitsnede landschapelijke inpassing 5.9.3 Conclusie natuur en landschap Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'natuur en landschap' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.
5.10
Spuitzones
5.10.1 Algemeen In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn om een spuitvrijezone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit de jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. 5.10.2 Beoordeling Binnen het plangebied is een gedeelte aangewezen als agrarische grond. Op dit gedeelte mogen derhalve gewasbschermingsmiddelen gebruikt worden. Dit gedeelte van het plangebied is gelegen binnen een afstand van 50 meter van gevoelige functies, in dit geval woningen. Dit betekent dat in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gewaarborgd moet worden dat op dit gedeelte geen gewasbeschermingsmiddelen meer gebruikt kunnen worden. Dit wordt gewaarborgd in bij dit planvoornemen door het planologisch toekennen van een spuitvrije zone aan deze percelen.
38
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade
5.10.3 Conclusie spuitzones Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'spuitzones' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.
5.11
Kabels en leidingen
5.11.1 Algemeen Bij veranderingen in de fysieke leefomgeving dienen de (eventuele) gevolgen van de aanwezigheid van kabels en leidingen inzichtelijk te worden gemaakt. 5.11.2 Beoordeling Door het plangebied lopen geen boven- danwel ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. 5.11.3 Conclusie kabels en leidingen Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'kabels en leidingen' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.
5.12
Duurzaamheid en klimaat
5.12.1
Algemeen
5.12.1.1 Duurzaamheid Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's. Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Binnen het kader van de Omgevingswet worden al de nodige regels voorgeschreven met betrekking tot duurzaam (ver)bouwen.
Verbeteren energieprestatie: zo zijn in het Bbl eisen ten aanzien van Bijna energieneutrale gebouwen (BENG) opgenomen; Stimuleren milieuvriendelijk en circulair bouwen: de milieuprestatie van gebouwen (MPG) opnemen; Natuurinclusief bouwen.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade
39
5.12.1.2 Klimaat Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden. In de Omgevingsverordening Limburg is in artikel 3.5, lid 1 voorgeschreven (instructieregel) dat de motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving van bevat van (a) de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering, en (b) de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Bij die beschrijving dient in ieder geval te worden ingegaan op wateroverlast, overstroming, en droogte. Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren.
Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving. 5.12.2 Beoordeling In het kader van duurzaamheid in relatie tot voorliggend project is van belang dat op het dak van de nieuwe loods zonnepanelen worden geplaatst. Ten aanzien van klimaat wordt opgemerkt dat ter plekke van onderhavig plangebied een kleinere kans op wateroverlast bestaat. Het plangebied is op grond van de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg gelegen in overstromingskansgebied C (kans 1:25). Tevens wordt voorzien in een deugdelijke opvang- en infiltratievoorziening voor hemelwater. 5.12.3 Conclusie duurzaamheid en klimaat Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat bij voorliggend plan rekening wordt gehouden met het aspect 'duurzaamheid en klimaat' en dat dit aspect geen belemmeringen impliceert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.
40
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Participatie en omgevingsdialoog
6.1.1 Algemeen Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project. Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden. Als men het over participatie heeft, dan wordt in het algemeen gedoeld op 'actieve deelname'. Het is een begrip dat ook gebruikt wordt in een sociale context. Onder de Omgevingswet wordt onder participatie verstaan: Het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. Participatie kent veel verschijningsvormen. Niet al deze vormen zijn voor ieder project of voor iedereen weggelegd.
In de Omgevingswet, het omgevingsbesluit en de omgevingsregeling staan regels over participatie. Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe de hierboven genoemde belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten. En welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Er is een uitzondering: bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet juist de aanvrager het initiatief nemen. Hij moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn. Het participatieproces bij het opstellen of wijzigen van een Omgevingsplan kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan. Bij een Omgevingsplan is naast de motiveringsplicht ook geregeld dat aan de voorkant bij de kennisgeving aangegeven wordt hoe een initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken. De provincie Limburg heeft haar akkoord gegeven op het conceptplan.
6.1.2 Omgevingsdialoog Bij voorliggende planontwikkeling is sprake van een wijziging van het Omgevingsplan. In het kader van participatie is een omgevingsdialoog gevoerd. Initiatiefnemer heeft de bewoners van de meest nabijgelegen locaties geïnformeerd. Naar aanleiding daarvan zijn bij initiatiefnemer uitsluitend positieve reacties binnengekomen; met name gericht op de herinrichting van het bouwvlak, de bouwpalats vna de nieuwe loods en de voor de omwonenden belangrijke zichtlijnen (niet uitkijken op nieuwe en/of uit te breiden bebouwing). Een geanonimiseerde versie van de omgevingsdialoog is toegevoegd als Bijlage 4.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade
41
6.1.3 Zienswijze Het ontwerp-TAM-Omgevingsplan met bijhorende stukken heeft gedurende zes weken (van 18 december 2025 t/m 28 januari 2026) ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft eenieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze in te dienen, dit kon schriftelijk of mondeling. Er zijn gedurende de termijn van ter inzage legging geen zienswijze binnengekomen op het ontwerp-TAM-Omgevingsplan.
6.2
Financiële uitvoerbaarheid
6.2.1 Algemeen Onder de Omgevingswet hoeft een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar Omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, die minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is ('niet evident onuitvoerbaar'). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd. 6.2.2 Kostenverhaal Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde. - Anterieure overeenkomst Als sprake van een ontwikkeling die op eigendomsgronden van de overheid is gelegen, dan is het uitgangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow.
Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot de vaststelling van het TAM-omgevingsplanen vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken. - Publiekrechtelijk kostenverhaal Naast het privaatrechtelijke spoor van het sluiten van een anterieure overeenkomst, kan het kostenverhaal ook via het publiekrechtelijke spoor worden verzekerd in een omgevingsvergunning voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit (paragraaf 13.6.3 Ow). Dit spoor is aan de orde indien geen overeenkomst wordt bereikt bij de onderhandelingen over de anterieure overeenkomst. In het publiekrechtelijke spoor mag de overheid de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan de criteria profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Daarnaast mogen er niet meer kosten worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn. Er worden twee systemen in het publiekrechtelijk kostenverhaalsstelsel onderscheiden waarvoor de Omgevingswet in regelingen voorziet voor het kostenverhaal: 1. Integrale gebiedsontwikkeling, mét tijdvak (artikel 13.14 Ow); 2. Organische gebiedsontwikkeling, zónder tijdvak (artikel 13.15 Ow).
Rekening houdend met onderhavige ontwikkeling, zijnde het doorvoeren van een aanduiding, het aanpassen van het bouwvlak en gedeeltelijke functiewijziging, ontstaan geen verhaalbare kosten waardoor het sluiten van een anterieure overeenkomst of het vaststellen van een exploitatieplan niet aan de orde is.
42
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade
6.2.3 Financiële bijdragen Artikel 13.22 Ow biedt, in aanvulling op het kostenverhaal, een grondslag voor het maken van afspraken over een vrijwillige financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied. Het betreft andere kosten dan die verhaald worden via de anterieure overeenkomst over het kostenverhaal. De basis van deze bijdragen moet worden gelegd in een omgevingsvisie of programma. Dergelijke bijdragen dienen ter verbetering van de fysieke leefomgeving. In het kader van deze wijziging van het omgevingsplan zijn geen aanvullende financiële bijdragen aan de orde. 6.2.4 Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen: die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.
De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn: het (gemeentelijk) Omgevingsplan (opvolger van onder meer het bestemmingsplan), een omgevingsvergunning, een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en rechtstreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap. Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet: het rechtstreekse gevolg zijn van het besluit of de maatregel. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of aanleg van een weg, of het gevolg zijn van de feitelijke uitvoering van de activiteit. Bijvoorbeeld een tijdelijke wegafsluiting. De schade kan ook het gevolg zijn van een activiteit, die pas later zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld schade door grondwateronttrekking kan zich jaren later openbaren. Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen. Met betrekking tot onderhavig planvoornemen zal in het kader van nadeelcompenstatie een nadeelcompensatieovereenkomst worden afgesloten tussen gemeente Eijsden-Margraten en de initiatiefnemer.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade
43
44
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade
Hoofdstuk 7 7.1
Artikelsgewijze toelichting
TAM-Omgevingsplan
7.1.1 Algemeen Een TAM-Omgevingsplan is een tijdelijk hulpmiddel om ervoor te zorgen dat ontwikkelingen door kunnen blijven gaan, tot dat de gemeente het Omgevingsplan volledig in STOP (Standaard voor officiële publicaties) kan opstellen. Het TAM-Omgevingsplan wordt later ondergebracht in STOP. Het TAM-Omgevingsplan is een wijziging van het Omgevingsplan van rechtswege, alleen wordt deze opgesteld met de techniek welke in gebruik is volgens de huidige (of oude) wetgeving. Juridisch moet een TAM-Omgevingsplan ook voldoen aan de regels van het Bkl en de provincie. Een TAM-Omgevingsplan wordt met een andere techniek (IMRO i.p.v. STOP/TP) opgesteld, bekend gemaakt en beschikbaar gesteld. Daardoor is het niet mogelijk om het TAM-Omgevingsplan en de tekst van de bruidsschat in één bestand samen te voegen. Omdat het juridisch wel één omgevingsplan vormt, wordt in de praktijk het TAM-Omgevingsplan als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd in het Omgevingsplan van rechtswege. Dit hoofdstuk wordt juridisch toegevoegd na Hoofdstuk 22 en voor de slotbepalingen. De naam van een TAM-Omgevingsplan begint met ‘TAM-omgevingsplan’ gevolgd door een spatie en de rest van de plannaam. De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan gewijzigd worden, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar.
De standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering bij ‘artikel 1’ begint. Voor het doel is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering echter onhoudbaar, omdat het Omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-Omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het Omgevingsplan, wordt met voorliggend plan na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-Omgevingsplan in samenhang met de rest van het Omgevingsplan gelezen moet worden. 7.1.2 Uitwerking in de regels Ter plaatse van het plangebied is het Omgevingsplan gemeente Eijsden-Margraten van toepassing. Dit Omgevingsplan is per 1 januari 2024 van rechtswege geldend. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle bestemmingsplannen in de gemeente Eijsden-Margraten van rechtswege omgezet naar één Omgevingsplan. Deze bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Eijsden-Margraten. In het nieuwe deel van het Omgevingsplan zijn nog geen regels voor onderhavige locatie opgenomen. Hierom is op deze locatie het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009, inclusief eerste herziening' leidend.
Voor het opstellen van onderhavig TAM-Omgevingsplan is dan ook aangesloten bij het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009, inclusief eerste herziening'. Via dit TAM-Omgevingsplan wordt via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan gewijzigd. Het TAM-Omgevingsplan maakt juridisch gezien deel uit van het omgevingsplan, maar heeft technisch gezien het 'oude' formaat. Dit betekent dat oude begrippen zoals bestemmingsregels nog in het TAM-Omgevingsplan voorkomen. De regels van het TAM-Omgevingsplan zijn onderverdeeld in diverse hoofdstukken met, namelijk 'Inleidende regels' (hoofdstuk 1) met daaraan voorafgaand een preambule, 'Functies en regels voor activiteiten' (hoofdstuk 2), 'Algemene regels' (hoofdstuk 3) en 'Overgangsregels' (hoofdstuk 4). Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze hoofdstukken. Preambule
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade
45
In de preambule is opgenomen dat het TAM-Omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. Inleidende regels (hoofdstuk 1) De algemene bepalingen zijn opgenomen in Hoofdstuk 1 van onderhavig TAM-Omgevingsplan. Deze algemene bepalingen omvatten het toepassingsbereik, de toepassing van de begripsbepaling, aanvullende begripsbepalingen, meet- en rekenbepalingen en de aanvraagvereisten. Functies en activiteiten (hoofdstuk 2) In Hoofdstuk 2 van het TAM-Omgevingsplan is opgenomen welke functies en activiteiten binnen het plangebied zijn toegestaan. De in de regels opgenomen functies en activiteiten zijn in paragraaf 7.1.3 nader toegelicht. Algemene regels (hoofdstuk 3) Hoofdstuk 3 van het TAM-Omgevingsplan bevat de algemene regels die van toepassing zijn op het plangebied zoals de anti-dubbeltelregel, algemene gebruikactiviteiten, kwaliteitsregels, overige regels en de werking van wettelijke regelingen. 7.1.3 Functies en activiteiten In Hoofdstuk 2 van het TAM-Omgevingsplan zijn de volgende functies en activiteiten opgenomen welke binnen het plangebied zijn toegestaan. Agrarisch-Bedrijf Bij voorliggend TAM-Omgevingsplan is de functie 'Agrarisch-Bedrijf' vastgelegd.
In het voor 'Agrarisch-Bedrijf' aangewezen gebied zijn onder andere agrarische bedrijven met een geheel of in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering toegestaan. Daarnaast is ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch technisch hulpbedrijf' een agrarisch technisch hulpbedrijf toegestaan. Agrarisch met waarden Bovendien is bij voorliggend TAM-Omgevingsplan de functie 'Agrarisch met waarden' vastgelegd. In het als zodanig aangewezen gebied is onder andere agrarisch gebruik toegestaan. Archeologie Bovendien is op de locatie de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 6' vastgelegd. Het als zodanig aangewezen gebied is mede bedoeld voor de bescherming en veiligstelling van aantoonbaar voorkomende en te verwachten archeologische waarden. Erosie Daarnaast is op de locatie de dubbelbestemming 'Waterstaat-Erosie' van toepassing. Het als zodanig aangewezen gebied is mede bedoeld voor het bestrijden en voorkomen van bodemerosie en wateroverlast, het verloren gaan van het voortbrengend vermogen van de bodem en de aantasting van het grondwaterpakket. Landschapselement Tot slot is op de locatie de dubbelbestemming 'Waarde - Landschapselement' vastgelegd.
Het als zodanig aangewezen gebied is mede bedoeld voor instandhouding en herstel van de in het buitengebied aanwezige kleine landschapselementen en de daarmee samenhangende landschappelijke en natuurlijke waarden, alsmede het daarmee samenhangende waterbergend vermogen van de grond.
46
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade
7.2
Procedure
Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van (een tijdelijk deel van) een Omgevingsplan is ingevolge artikel 16.30 Omgevingswet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb van toepassing. De te doorlopen procedure ziet er grofweg als volgt uit. 1.
2.
3.
4.
5.
Voorbereiding: de gemeente geeft op de daartoe voorgeschreven wijze kennis van het voornemen om het Omgevingsplan te wijzigen en geeft aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken. Ontwerp: de gemeente geeft op de daartoe voorgeschreven wijze kennis van de terinzagelegging van het ontwerp-Omgevingsplan, zodat iedereen gedurende een termijn van 6 weken dat het ontwerp-Omgevingsplan ter inzage ligt een zienswijze (schriftelijk of mondeling) kan indienen. Vaststelling: de gemeente stelt het (gewijzigde) Omgevingsplan vast en geeft daarbij aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken, wat de resultaten daarvan zijn en hoe invulling is gegeven aan het geldende participatiebeleid. Het besluit tot vaststelling van het gewijzigde Omgevingsplan wordt op de daartoe voorschreven wijze bekendgemaakt, en tegelijkertijd wordt kennisgegeven van de terinzagelegging van dit besluit. Inwerkingtreding: het gewijzigde Omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit op de daartoe voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt. Beroep: tegen het besluit tot wijzigen van het Omgevingsplan staat beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade
47