CConstaterende datEijsden-Margraten
Koppel je AI →
Document · PDF

20260526 09g TAM-omgevingsplan Linderweg 5 Eckelrade Bijlage Motivering

Raadsvergaderingen 26 mei 2026, gemeente Eijsden-MargratenBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Linderweg 5 Eckelrade13.288 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade Motivering Gemeente Eijsden-Margraten

Projectgegevens: Projectnummer: Datum:

6 april 2026

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade Motivering Gemeente Eijsden-Margraten

Status:

NL.IMRO.1903.TAMOP22h6251NG5VG01 vastgesteld

Vestiging Baexem Kerkstraat 2 6095 BE BAEXEM 0475 - 45 92 60

Vestiging Ubachsberg Kerkstraat 4 6367 JE VOERENDAAL 045 - 575 32 55

IDN-nummer:

info@aelmans.com www.aelmans.com Op onze dienstverlening zijn de algemene voorwaarden van Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. van toepassing die u vindt op www.aelmans.com. Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. is inschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer 14091320. Alleen aan het volledige originele document kunnen rechten worden ontleend door de opdrachtgever. Derden (met uitzondering van bevoegde gezagen) kunnen geen rechten ontlenen aan dit rapport. Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. is niet aansprakelijk voor schade die direct dan wel indirect voortvloeit uit conclusies, aannames en/of aanbevelingen die vermeld staan in dit rapport. Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. is niet aansprakelijk voor mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van dit rapport zelf neemt.

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding

5

Hoofdstuk 2 Plangebied en planbeschrijving

7

2.1 2.2 2.3 2.4

7 8 8 10

Plangebied Bestaande situatie Planbeschrijving Ruimtelijk-visuele effecten

Hoofdstuk 3 Planologisch-juridische situatie

13

3.1 3.2

13 14

Bestemmingsplan 'Buitengebied 2009, inclusief eerste herziening 2010' Parapluplan ‘Parkeren Eijsden-Margraten’

Hoofdstuk 4 Beleid en regelgeving

15

4.1 4.2 4.3

15 17 23

Rijksbeleid en regelgeving Provinciaal beleid en regelgeving Gemeentelijk beleid

Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving

25

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12

Bodemkwaliteit Geluid Bedrijvigheid Kwaliteit van de buitenlucht Omgevingsveiligheid Cultureel erfgoed Verkeer en parkeren Water en watersystemen Natuur en landschap Spuitzones Kabels en leidingen Duurzaamheid en klimaat

25 26 26 27 28 29 30 31 34 38 39 39

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

41

6.1 6.2

Participatie en omgevingsdialoog Financiële uitvoerbaarheid

41 42

Hoofdstuk 7 Artikelsgewijze toelichting

45

7.1 7.2

45 47

TAM-Omgevingsplan Procedure

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

3

Motivering

4

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

Hoofdstuk 1

Inleiding

Op de locatie Linderweg 5 te Eckelrade is een fruitteeltbedrijf gevestigd dat met name gericht is op de teelt van kleinfruit. De afgelopen jaren hebben de economische omstandigheden in de fruitteeltsector zich ongunstig ontwikkeld ten gevolge van problemen in de markt en de nachtvorstschade in het voorjaar. Aangezien het telen van kleinfruit een risicogevoelige bedrijfstak betreft, heeft initiatiefnemer zich in verband met risicospreiding de afgelopen jaren naast fruitteelt eveneens toegelegd op het verrichten van activiteiten in het kader van landschapsonderhoud (landscaping). Dit betreft veelal inrichtings- en beheeractiviteiten in het buitengebied. Initiatiefnemer heeft zich daarbij gespecialiseerd in werkzaamheden op het gebied van landschapsinrichting, landschapsonderhoud, boomverzorging en fruitteeltloonwerk en het opslaan, drogen en verwerken van houtsnippers. Initiatiefnemer heeft de wens om de agrarische bouwkavel op de locatie Linderweg 5 te Eckelrade te herschikken. Het voornemen is om de bestaande bouwkavel anders in te richten en verder te optimaliseren door manouvreerruimte aan de westzijde van de locatie toe te voegen en de bouwkavel aan de oostzijde te verkleinen gelet op de naastgelegen burgerwoningen. Daarnaast wordt beoogd om een vormverandering en vergroting van het aanwezige bouwvlak door te voeren ten behoeve van de bouw van een nieuwe loods.

Het voornemen is om in de nieuwe loods houtsnippers op te slaan van hout welk initiatiefnemer binnen zijn bedrijfsvoering versnipperd.

Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied Initiatiefnemer is voornemens om de agrarische bouwkavel met bijbehorend bouwvlak op de locatie Linderweg 5 te Eckelrade te herschikken. Ter plekke van onderhavige locatie geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Margraten 2009, inclusief eerste herziening 2010' (tijdelijk deel van het omgevingsplan van Eijsden-Margraten). De locatie is bestemd tot 'Agrarisch - Bedrijf'. Het herschikken van de agrarische bouwkavel en het vergroten van het bouwvlak is binnen de regels van het vigerende planregime niet rechtstreeks mogelijk. Hiervoor is een aanpassing in het omgevingsplan benodigd. Aan de hand van onderhavige tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), wordt een wijzigingsbesluit verzocht bij het bevoegd gezag via de IMRO-standaard. Dit TAM-Omgevingsplan dient als wijzigingsbesluit via de technieken van IMRO. Voor het opnemen in een later geconsolideerd omgevingsplan is een nieuw wijzigingsbesluit nodig conform de Standaard officiële publicaties (STOP) met bijbehorende toepassingsprofielen (TPOD). Onderhavige motivering is opgesteld ter motivering bij het te nemen

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

5

wijzigingsbesluit.

6

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

Hoofdstuk 2 2.1

Plangebied en planbeschrijving

Plangebied

Onderhavig plangebied is gelegen aan de Linderweg 5 te Eckelrade. Direct grenzend aan de oostzijde van de agrarische bedrijfslocatie is de dorpskern Eckelrade gelegen. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Margraten – sectie R – nummer 372. In onderstaande luchtfoto is de ligging van het plangebied weergegeven.

Uitsnede luchtfoto met aanduiding plangebied

Uitsnede kadastrale kaart

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

7

2.2

Bestaande situatie

De dorpskern Eckelrade is gelegen ten noorden van Sint Geertruid, ten oosten van Gronsveld en ten zuiden van Cadier en Keer. Aan de oostzijde van de locatie Linderweg 5 te Eckelrade is de dorpskern Eckelrade gelegen en aan de zuid- en westzijde open agrarisch gebied. De bestaande situatie wordt inzichtelijk gemaakt aan de hand van navolgende obliek foto's.

Obliekfoto's diverse windrichtingen

2.3

Planbeschrijving

Sluijsmans Landscaping heeft zich gespecialiseerd in werkzaamheden op landschapsinrichting, landschapsonderhoud (onderhoud en inrichting knipboomverzorging en fruitteeltloonwerk.

het gebied van en scheerhagen),

De locatie Linderweg 5 te Eckelrade is gelegen aan de rand van de dorpskern Eckelrade. Ten oosten van de agrarische bedrijfslocatie zijn vrijstaande woningen gelegen. De agrarische bouwkavel van het bedrijf Sluijsmans Landscaping grenst direct aan deze woningen. Gelet op de ligging nabij reguliere woningen is initiatiefnemer voornemens om de agrarische bouwkavel op de locatie Linderweg 5 te Eckelrade te

8

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

herschikken. In dit kader wordt beoogd om een deel van de oostelijk gelegen gronden, welke zijn gelegen binnen de agrarische bouwkavel, te verplaatsen naar de westzijde. Aan de westzijde van de bedrijfsbebouwing wordt beoogd om de agrarische bouwkavel (erf) uit te breiden met 2.565 m2 . Tegelijkertijd zal de bouwkavel aan de oostzijde wordt verkleind met 5.357 m2 . Daardoor verandert de agrarische bouwkavel van vorm en wordt deze tegelijkertijd verkleind. Deze vormverandering wordt doorgevoerd omdat aan de westzijde van de bestaande bebouwing te weinig manoeuvreerruimte aanwezig is en daarnaast wordt eventuele geluidsoverlast en andere hinder voor de oostelijk gelegen woningen en woonomgeving voorkomen. Bovendien zien de bedrijfsactiviteiten van Sluijsmans Landscaping onder andere op het machinaal scheren van hagen en het snipperen van hout. Gesnipperd hout wordt op eigen terrein opgeslagen waar het vervolgens wordt gedroogd. Momenteel worden de houtsnippers gedeeltelijk opgeslagen in de meest zuidelijk gelegen bedrijfsloods. Het voornemen is om deze loods volledig in te zetten als machineberging. Daarmee kunnen de machines - welke momenteel in de open lucht worden gestald - droog en beveiligd tegen inbraak worden gestald.

Daarop aansluitend is Sluijsmans Landscaping voornemens om ten zuiden van deze bestaande loods een nieuwe loods te realiseren waar de houtsnippers kunnen worden opgeslagen en gedroogd. De beoogde loods heeft een lengte van 45 meter en een breedte van circa 21 meter. Daarmee bedraagt de oppervlakte van het beoogde bouwwerk circa 945 m2 . Aangezien het bouwvlak rondom de bestaande bebouwing is ingetekend, bestaat in de huidige planologische situatie geen ruimte voor uitbreiding van de bedrijfsgebouwen. Derhalve is initiatiefnemer voornemens om het bestaande bouwvlak aan de zuidzijde uit te breiden met 1.018 m2 zodat ter plekke een nieuwe loods kan worden opgericht. Voor de realisatie van de nieuwe loods wordt beoogd om het bouwvlak aan de zuidzijde te vergroten met 1.018 m2 . Ter compensatie van deze uitbreiding is initiatiefnemer voornemens om onbenut bouwvlak aan de oost- en westzijde van de locatie weg te bestemmen. Het bouwvlak wordt daar verkleind met een oppervlak van 578 m2 . In onderstaande figuren wordt de situering van de nieuwe loods (ingekleurd gebouw) weergegeven.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

9

Visualisatie nieuwe bebouwing (ingekleurd) De beoogde ontwikkelingen (niuewbouw loods en wijziging gebruik) zijn binnen de regels van het vigerende planregime niet rechtstreeks mogelijk. Hiervoor is een aanpassing in het omgevingsplan benodigd. Aan de hand van onderhavige tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), wordt een wijzigingsbesluit verzocht bij het bevoegd gezag via de IMRO-standaard.

2.4

Ruimtelijk-visuele effecten

Elk bouwplan gaat gepaard met ruimtelijke effecten. Van belang is dat de ruimtelijke effecten aanvaardbaar zijn. Vooropgesteld moet worden dat onderhavige ontwikkeling allereerst ziet op het herschikken van de agrarische bouwkavel op de locatie Linderweg 5 te Eckelrade. De gronden aan de oostzijde van de bedrijfslocatie worden verlegd naar de westzijde van de bedrijfslocatie. Daarnaast wordt de bouwkavel aan de zuidzijde van de bouwkavel aanzienlijk verkleind. De omvang van de agrarische bedrijfslocatie wordt daarmee kleiner. Het bouwvlak wordt eveneens herschikt en beperkt uitgebreid ten behoeve van de bouw van een nieuwe loods. Het gewijzigd gebruik van de locatie t.b.v. agrarsiche technische hulpactiviteiten heeft geen nadelige ruimtelijk visuele effecten tot gevolg daar activiteiten die nu buiten plaats vinden (stalling en opslag) naar binnen worden verplaatst. Verder wordt gewezen op het feit dat de nieuwe bebouwing landschappelijk wordt ingepast. Om en nabij het plangebied wordt voorzien in nieuwe aanplant, waarmee zorg wordt gedragen voor een inpassing van de te realiseren bebouwing. Het opgestelde landschapsplan is bijgevoegd als Bijlage 3 bij deze toelichting. In onderstaande figuur wordt gevisualiseerd aangegeven op welke wijze onderhavig plangebied landschappelijk zal worden ingepast.

10

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

Uitsnede landschapelijke inpassing

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

11

12

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

Hoofdstuk 3

Planologisch-juridische situatie

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle bestemmingsplannen in de gemeente Eijsden-Margraten van rechtswege onderdeel geworden van één omgevingsplan. Dit omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk en een nieuw deel. De bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het tijdelijk deel bestaat uit: (ruimtelijke) regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen. Rijksregels over activiteiten (aangeduid als 'de bruidsschat'). Omdat vigerende bestemmingsplannen onderdeel uitmaken van het omgevingsplan wordt in navolgende paragraaf het ter plekke geldende bestemmingsplan beschouwd.

3.1

Bestemmingsplan 'Buitengebied 2009, inclusief eerste herziening 2010'

Ter plekke van de locatie Linderweg 5 te Eckelrade is het bestemmingsplan 'Buitengebied Margraten 2009, inclusief eerste herziening 2010' van toepassing. De agrarische bouwkavel van onderhavige locatie is gelegen op het kadastrale perceel 372 (gedeeltelijk) en bestemd tot 'Agrarisch – Bedrijf' inclusief bijbehorend bouwvlak. De voor 'Agrarisch – Bedrijf' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor agrarische bedrijven met een geheel of in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Daarnaast zijn bestaande agrarische bedrijven met aan de agrarische bedrijfsvoering gelieerde overige bedrijfsactiviteiten toegestaan indien op de betreffende locatie een specifieke functieaanduiding is opgenomen waarmee de 'overige bedrijfsactiviteit' wordt toegestaan. Op onderhavige locatie is geen specifieke functieaanduiding opgenomen die het ter plekke exploiteren van een bedrijf dat zich mede richt op landscaping, mogelijk maakt. Bovendien is ter plekke de maatvoeringsaanduiding 'maximaal aantal wooneenheden: 1' van toepassing. Aan de west- en zuidzijde van de agrarische bouwkavel zijn eigendomsgronden van initiatiefnemer gelegen welke bestemd zijn tot 'Agrarisch met waarden'. De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor agrarisch gebruik.

Tot slot zijn op onderhavige locatie de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' en 'Waarde Landschapselement' van toepassing, evenals de gebiedsaanduidingen 'milieuzone bodembeschermingsgebied' en 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied'. Een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan is opgenomen in onderstaande figuur.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

13

Uitsnede vigerend bestemmingsplan Onderhavige ontwikkeling ziet op het herschikken van de agrarische bouwkavel met bijbehorend bouwvlak op de locatie Linderweg 5 te Eckelrade. Daarnaast wordt voorzien in het vergroten van het bouwvlak en ee nwijziging van het gebruik ten behoeve van agrarisch technisch hulpbedrijf. Deze ontwikkeling is binnen de regels van het vigerende planregime niet rechtstreeks mogelijk. Om de gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken zal het omgevingsplan voor de gronden binnen het plangebied moeten worden herzien.

3.2

Parapluplan ‘Parkeren Eijsden-Margraten’

Naast het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009, inclusief eerste herziening 2010’ is tevens het parapluplan ‘Parkeren Eijsden-Margraten’, vastgesteld op 25 september 2018 door de gemeenteraad van Eijsden-Margraten van kracht. In dit facetbestemmingsplan worden de geldende parkeernormen publiekrechtelijk verankerd. Dit vanwege het dat dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK (Staatsblad 2014 Jaargang 2014, Nr. 458) de Woningwet is gewijzigd. De wijziging heeft betrekking op de intrekking van de grondslag voor de stedenbouwkundige voorschriften, waaronder het parkeren, in een bouwverordening. Aan de hand van het parapluplan ‘Parkeren Eijsden-Margraten’ zijn de te hanteren parkeernormen bij planologische ontwikkelingen op grond van het bestemmingsplan publiekrechtelijk verankerd.

14

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

Hoofdstuk 4

Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het Rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid en wordt het project hieraan getoetst. Het Rijksbeleid wordt besproken aan de hand van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en de instructieregels Rijk (AMvB's). Voor de beschrijving van het provinciaal beleid is gebruik gemaakt van de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) en de Omgevingsverordening Limburg (OvL). Voor de beschrijving van het regionale beleid is gebruik gemaakt van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. Het gemeentelijke beleid is ontleend aan de Strategische Visie 2022 en het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu Eijsden-Margraten 2013'.

4.1

Rijksbeleid en regelgeving

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: 'NOVI') vastgesteld. In de NOVI staat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal, waarmee wordt bedoeld dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. In de NOVI wordt gebruik gemaakt van afwegingsprincipes bij het maken van keuzes: 1. 2. 3.

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en Afwentelen wordt voorkomen.

In de NOVI zijn de volgende belangrijkste keuzes opgenomen: een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat Nederland zodanig wordt ingericht dat het land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) worden ingepast; de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie dient oog te zijn voor omgevingskwaliteit; de overgang naar een circulaire economie, waarbij Nederland tegelijk goed kan blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat kan bieden; de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland, waarmee wordt gestuurd op een goed bereikbaar netwerk van steden; het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden; het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. Daarbij wordt bijvoorbeeld gewerkt aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. Ter uitvoering van de in de NOVI gemaakte keuzes is een Uitvoeringsagenda opgesteld. Daarin staat hoe samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering zal moeten worden gegeven aan de NOVI.

In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. De NOVI wordt uitgewerkt in algemene Rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma's, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling. Daarnaast wordt gebiedsgericht gewerkt met Omgevingsagenda's en NOVI-gebieden. In de NOVI wordt ten aanzien van Zuid-Limburg aangegeven dat de regio sociaaleconomische en fysieke opgaven heeft die van betekenis zijn in een bijzondere grensoverschrijdende omgeving (met regio's rond het

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

15

Duitse Aken, het Waalse Luik en het Vlaamse Hasselt). De opgaven die te maken hebben met bereikbaarheid (drielandentrein), circulaire economie (Chemelot) en bevolkingsdaling (voormalige mijnstreek) zijn stuk voor stuk fors en vragen alle drie internationale afstemming en overleg. Een rijksrol is daarbij noodzakelijk. Meer specifiek heeft het Rijk in de provincie Limburg enkele belangrijke gebieden aangewezen. Het Rijk kent de Greenport Venlo en Brainport Zuidoost Nederland een belangrijke waarde toe voor de concurrentiepositie van Nederland. Het verstedelijkte gebied rondom Sittard-Geleen en Maastricht is zodoende dan ook aangewezen als een voor de concurrentiepositie essentieel gebied. Met name de bereikbaarheid van deze gebieden verdient derhalve extra aandacht. Onderhavige locatie valt niet binnen een door het Rijk gekenmerkte opgaven en/of ontwikkeling. 4.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB's) De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur: het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving. In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Omgevingsbesluit Het Omgevingsbesluit (Ob) richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid.

Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen. Besluit activiteiten leefomgeving Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers, bedrijven en overheden zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke van deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. De regels ter bescherming van het spoor en de zwemmers worden met het Invoeringsbesluit Omgevingswet ingevoegd. Besluit bouwwerken leefomgeving Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving.

Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Besluit kwaliteit leefomgeving Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels ter bescherming van de nationale belangen, waaronder : waarborgen van veiligheid; beschermen van waterbelangen; beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening,

16

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

Rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën. Beoordeling In Hoofdstuk 5 van deze motivering worden de aspecten van de fysieke leefomgeving behandeld. Voor zover de instructieregels relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling, worden deze regels in Hoofdstuk 5 bij het betreffende aspect behandeld. 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op grond van artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft de Ladder voor duurzame verstedelijking betrekking op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het plan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en, indien de ontwikkeling buiten het stedelijk gebied is voorzien, de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in die behoefte te kunnen voorzien. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Deze instructieregel geldt ook voor een omgevingsvergunning Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Dit regelt artikel 8.0b Bkl.

Deze instructieregel geldt niet voor de omgevingsvisie. Het begrip 'stedelijke ontwikkeling' is in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State nader verduidelijkt. Bij de vormverandering van een bestaande agrarische bedrijfslocatie is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De verdere toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet aan de orde. 4.1.4 Conclusie Rijksbeleid Onderhavig planvoornemen levert geen strijd op met de Nationale Omgevingsvisie en eventuele van toepassing zijnde rijksinstructieregels. Het plan is passend binnen de doelstellingen en het beleid van het Rijk. Er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggende ontwikkeling.

4.2

Provinciaal beleid en regelgeving

4.2.1

Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI)

4.2.1.1 Algemeen Op 15 december 2020 is de Omgevingsvisie vastgesteld door Gedeputeerde Staten, waarna vervolgens Provinciale Staten deze op 1 oktober 2021 hebben vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg is op 25 oktober 2021 in werking getreden. In algemene zin is de Omgevingsvisie een strategische en lange termijn visie (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. In de visie worden onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed omschreven. Daarnaast worden tevens de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving - indachtig de Omgevingswet - in de Omgevingsvisie meegenomen. 4.2.1.2 Hoofdopgaven In de omgevingsvisie worden door de provincie drie hoofdopgaven onderscheiden die Limburg-breed spelen. Weliswaar verschillen de accenten per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn:

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

17

1.

2. 3.

Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving: a. in stedelijk c.q. bebouwd gebied; b. in landelijk gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie.

4.2.1.3 Limburgse principes en algemene zonering Bij het maken van afwegingen op het gebied van de fysieke leefomgeving hanteert de provincie de volgende principes: gestreefd wordt naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving; de kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal; meer stad, meer land; zorgvuldig omgaan met ruimte en voorraden, boven- én ondergronds. Voor het toekomstbeeld voor Limburg hanteert de provincie een indicatieve zonering. De verschillende categorieën worden ondergebracht bij drie hoofdtypes: 1.

2.

3.

landelijke gebieden: a. Natuurnetwerk Limburg (inclusief Natura2000-gebied) b. Buitengebied bebouwde gebieden: a. stedelijk gebied b. stedelijk centrum c. landelijke kern d. werklocaties infrastructuren: a. (inter)nationale weg b. provinciale weg c. (inter)nationale spoorweg d. (inter)nationale waterweg e. (lucht)haven f. (inter)nationale leidingstrook

Onderhavig plangebied is gelegen in de zone 'buitengebied'.

18

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

Provinciale zoneringen

Buitengebied Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo'n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noord- en Midden-Limburg zijn er in Zuid-Limburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de natuurlijke omstandigheden en de ruimteclaims vanuit verschillende transitieopgaven, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk. 4.2.1.4 Thematische visies De provincie onderscheidt in de omgevingsvisie de volgende thematische visies: wonen en leefomgeving veiligheid en gezondheid cultuur, sport en erfgoed economie werklocaties mobiliteit energie land- en tuinbouw water natuur landschap bodem en ondergrond

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

19

4.2.1.5 Gebiedsgerichte visies Naast de thematische visies gaat de provincie in de omgevingsvisie ook in op de gebiedsgerichte visies. Daarbij wordt ingegaan op de visie op bovenregionaal niveau, om vervolgens de visies voor Noord-, Middenen Zuid-Limburg uiteen te zetten. De provincie geeft aan dat de aantrekkelijkheid van Zuid-Limburg in sterke mate wordt bepaald door de aanwezigheid van relatief op korte afstand van elkaar gelegen, dichtbevolkte stedelijke gebieden, gelegen in het unieke Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Het heuvellandschap en de Maasvallei geven samen met de historische binnenstad van Maastricht een bijzondere kwaliteit, rijke historie en eigen cultuur aan deze regio. In Zuid-Limburg wonen, werken en leven zo'n 600.000 mensen. Zuid-Limburg is het meest verstedelijkt grensgebied en de meest Europese regio van het land. Samen met de stedelijke regio's van Aken (Duitsland), Luik en Verviers (Wallonië) en Tongeren, Hasselt en Genk (Vlaanderen) vormt Zuid-Limburg de Euregio Maas-Rijn met vier miljoen inwoners en 2,2 miljoen banen. Daarnaast maakt de regio deel uit van het groene grensoverschrijdende Drielandenpark. 4.2.2

Omgevingsverordening Limburg

4.2.2.1 Algemeen De Omgevingsvisie Limburg is een zelfbindend document en bindt daarmee enkel de provincie Limburg. Daar waar de provincie van mening is dat het noodzakelijk is om bindende regels te stellen voor de uitwerking van onderdelen van beleid in de POVI, dan gebeurt dit in de omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening Limburg (OvL) staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. De Omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels: instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap. Dit zijn opdrachten aan de gemeenten en het waterschap die de gemeenten moeten verwerken in het gemeentelijke bestemmingsplan (Omgevingsplan) en het waterschap moet verwerken in de waterschapsverordening. Pas na het verwerken van de provinciale instructieregels in het gemeentelijke bestemmingsplan, of in de waterschapsverordening krijgen deze regels effect op activiteiten van inwoners en bedrijven. regels voor activiteiten die rechtstreeks voor alle inwoners en bedrijven gelden, of voor specifieke doelgroepen. 4.2.2.2 Gebiedsaanwijzingen Bij de OvL behoort een aantal thematische kaarten. Deze kaarten zijn digitaal raadpleegbaar, waarbij op perceelniveau kan worden beoordeeld welke provinciale regels uit de OvL van toepassing zijn.

Ter plekke van onderhavige locatie zijn een aantal gebiedsaanwijzingen van toepassing; deze zijn opgenomen in onderstaande figuur.

20

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

Gebiedsaanwijzingen Omgevingsverordening Limburg ter plekke van plangebied

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

21

Instructieregels beschermingsgebied Einstein Telescope Vooraleerst is de gehele locatie in het beschermingsgebied 'Einstein Telescope'. Op grond van de instructieregels voor dit beschermingsgebied (Afdeling 16.1 Omgevingsverordening Limburg) zijn specifiek aangewezen activiteiten (zoals bijvoorbeeld de plaatsing van windmolens, of boringen dieper dan 100 meter) verboden. Voorliggend project voorziet niet in een bedoelde verboden activiteit, waardoor geen sprake is van strijdigheid met de regels van het beschermingsgebied 'Einstein Telescope'. Instructieregels beschermingsgebied 'Nationaal Landschap Zuid-Limburg' Onderhavige locatie is gelegen binnen het beschermingsgebied 'Nationaal Landschap Zuid-Limburg'. In Afdeling 7.1 van de Omgevingsverordening Limburg zijn de instructieregels voor dit beschermingsgebied voorgeschreven. Voorgeschreven is dat een motivering bij een omgevingsplan (of buitenplanse omgevingsplanactiviteit) dat betrekking heeft op een gebied gelegen in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg een beschrijving bevat van (a) de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten (reliëf, open-besloten karakter, groene karakter, en cultuurhistorisch erfgoed), (b) de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan, en (c) de wijze waarop de negatieve effecten zijn gecompenseerd.

In paragraaf 2.4 van voorliggende motivering is uiteengezet op welke wijze onderhavig plangebied landschappelijk wordt ingepast en welke kwaliteitsverbeterende maatregelen worden getroffen. Gemeenten hebben de motiveringsplicht om in de toelichting op nieuwe omgevingsplannen of omgevingsplanactiviteiten in het Nationaal Landschap Zuid-Limburg aan te geven hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten in de betreffende gebieden wordt omgegaan. Bij nieuwe ontwikkelingen zal rekening gehouden moeten worden met de aanwezige omgevingskwaliteiten, maar ook met regionale afspraken ten aanzien van de ontwikkeling van onder meer wonen, bedrijventerreinen, detailhandel en vrijetijdseconomie. Instructieregels freatische grondwaterbeschermingsgebieden Freatische grondwaterbeschermingsgebieden zijn gebieden waar het grondwater zich rechtstreeks onder het oppervlak bevindt in een watervoerende laag, zonder een ondoorlatende laag erbovenop. De voeding gebeurt hier rechtstreeks door het insijpelen van hemelwater en/of oppervlaktewater. Onderhavige ontwikkeling ziet enkel op het doorvoeren van een functiewijziging. Er is geen sprake van bodemingrepen waardoor negatieve effecten op freatische grondwaterbeschermingsgebieden niet aan de orde zijn. Overstromingskansgebied Ter plekke van onderhavig plangebied is de zone 'overstromingskansgebied C' van toepassing.

Op grond van de provinciale regels geldt, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, voor 'overstromingskansgebied C' een gemiddelde overstromingskans van 1:25 per jaar als omgevingswaarde. Dit betreft een inspanningsverplichting voor het waterschap waaraan uiterlijk in 2035 dient te zijn voldaan. Op het aspect water wordt in paragraaf 5.8 van voorliggende motivering nader ingegaan. Instructieregels 'uitsluitingsgebied windturbines' In artikel 13.1 van de OvL is bepaald dat ter plekke van het 'uitsluitingsgebied windturbines' geen plaatsing van een windturbine met een masthoogte van 25 meter of hoger toe wordt gelaten. Daarvan is bij voorliggend project geen sprake. Klimaatadaptatie De motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van: a. b.

22

de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering; de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In paragraaf 5.12 wordt hierop verder ingegaan en onderbouwd dat geen sprake is van strijdigheid met eventuele provinciale (instructie)regels. 4.2.3 Conclusie provinciaalbeleid Onderhavig plan levert geen strijd op met de Provinciale Omgevingsvisie en eventuele van toepassing zijnde provinciale instructieregels zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg. Het plan is passend binnen de doelstellingen en beleid van de Provincie en er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggend plan.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1 Gemeentelijk Kwaliteitsmenu Eijsden-Margraten2013 De gemeente Eijsden-Margraten heeft de provinciale beleidsregel ‘Limburgs Kwaliteitsmenu’ vertaald in het ‘Gemeentelijk Kwaliteitsmenu Eijsden-Margraten 2013’. Dit kwaliteitsmenu is van toepassing op de gebieden buiten de zogenaamde rode contouren. In z’n algemeenheid betreft het kwaliteitsmenu een beleidsregel die onder voorwaarden ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van de gemeente Eijsden-Margraten toestaat. Daarbij dient sprake te zijn van ‘kwaliteitswinst’. Deze kwaliteitswinst kan op diverse wijze tot stand komen, zoals bijvoorbeeld het realiseren van een landschappelijke inpassing, het slopen van bedrijfsbebouwing of glasopstanden, het realiseren van natuur of het leveren van een financiële bijdrage in een (gemeentelijk) ‘kwaliteitsfonds’. Conform het gemeentelijke kwaliteitsmenu (GKM) is in casu de module ‘agrarische uitbreiding en nieuwvestiging’ van toepassing. Sprake is van de uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf. Conform het GKM dient in dergelijke gevallen een landschappelijk inpassingplan te worden opgesteld voor het inpassen van de uitbreiding. Ten behoeve van voorliggende planontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld.

Van belang daarbij is 'Module 4 - Agrarische uitbreiding en nieuwvestiging': Nieuwe bedrijfsgebouwen in het buitengebied kunnen een inbreuk maken op het landschap. Om zowel de ontwikkeling van landbouwbedrijven te blijven faciliteren alsook de kwaliteit van het landschap te verbeteren, worden landschappelijke maatregelen en eventuele vedergaande kwaliteitsverbeterende maatregelen gevraagd van agrarische bedrijven die willen uitbreiden; Middels een bedrijfsontwikkelingsplan zal aangetoond moeten worden dat de nieuwe loods noodzakelijk is; De kwaliteitsverbetering is maatwerk op basis van de aard en omvang van de ontwikkeling. 4.3.2 Conclusie gemeentelijk beleid Gelet op de vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat onderhavig project passend is binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

23

24

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

Hoofdstuk 5

Aspecten fysieke leefomgeving

Bij de realisering van een project moet rekening worden gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de voor onderhavig project relevante aspecten.

5.1

Bodemkwaliteit

5.1.1 Algemeen Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving ter plekke. Ofwel dient bezien te worden of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. De regels met betrekking tot aspect bodemkwaliteit zijn opgenomen in het Bkl. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 (Bkl). Dit besluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid i Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het projectgebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar Omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.

5.1.2 Beoordeling Onderhavige ontwikkeling ziet op het herschikken en beperkt uitbreiden van een agrarische bedrijfslocatie. Het voornemen is om de bestaande bouwkavel anders in te richten en verder te optimaliseren door manouvreerruimte aan de westzijde van de locatie toe te voegen en de bouwkavel aan de oostzijde te verkleinen. Daarnaast wordt beoogd om een vormverandering en vergroting van het aanwezige bouwvlak door te voeren ten behoeve van de bouw van een nieuwe loods. Bij de herschikking zijn geen gronden betrokken die reeds zijn bebouwd. Onderhavige ontwikkeling gaat ook niet gepaard met het toevoegen van verblijfsruimten. Op basis hiervan is het niet noodzakelijk om een bodemonderzoek uit te voeren voor onderhavige ontwikkeling. 5.1.3 Conclusie bodemkwaliteit Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'bodemkwaliteit' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

25

5.2

Geluid

5.2.1 Algemeen Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelige gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De instructieregels hierover in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl). Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het omgevingsplan, zijn instructieregels voor activiteiten van toepassing (5.59 Bkl). In deze paragraaf wordt ingegaan op geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen. In paragraaf 5.3 wordt ingegaan op geluid door (bedrijfs)activiteiten. 5.2.2 Beoordeling Onderhavige planontwikkeling voorziet niet in het realiseren van nieuwe geluidgevoelige gebouwen. De nieuwe bebouwing (opslag-/droogloods voor houtsnippers) betreft geen geluidsgevoelig object. 5.2.3 Conclusie geluid Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'geluid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

5.3

Bedrijvigheid

5.3.1 Algemeen Ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving dienen nieuwe bedrijfsmatige activiteiten een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van de bedrijfsmatige activiteiten gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van de bedrijfsmatige activiteiten en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het tegelijk daarmee aan de locaties voor bedrijfsmatige activiteiten voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie een bedrijfsmatige activiteit of woningen mogelijk wil maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. 5.3.2 Beoordeling Onderhavig plangebied is gelegen aan de Linderweg 5 te Eckelrade. Initiatiefnemer is voornemens om de agrarische bouwkavel te herschikken het aanwezige bouwvlak uit te breiden ten behoeve van de bouw van een nieuwe loods. De wens is om in deze loods houtsnippers op te slaan en te drogen (natuurlijk proces zonder mechnische installatie).

In dat verband kan worden gewezen op het feit dat in de nabije omgeving van onderhavig plangebied een aantal woningen aanwezig zijn. Onderzocht moet worden of de beoogde bedrijfsactiviteiten ter plaatse invloed hebben op het woon- en leefklimaat van bewoners van nabijgelegen woningen. Op basis van de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering (versie 2009)’ geldt voor ‘Dienstverlening t.b.v.

26

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

de landbouw: algemeen (o.a. plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b.o. > 500 m2)' (SBI-2008: 016) een minimale richtafstand van 50 meter. De afstand tussen de nieuw te realiseren loods en nabijgelegen woningen bedraagt meer dan 50 meter. 5.3.3 Conclusie bedrijvigheid Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'bedrijvigheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

5.4

Kwaliteit van de buitenlucht

5.4.1 Algemeen Bij een evenwichtige toedeling van functies dient ook rekening gehouden te worden met het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen. Een afwijking van het omgevingsplan kan invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve van voorliggend plan zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van de afwijking van het omgevingsplan beoordeeld. Dit is gedaan aan de hand van de instructieregels vermeld in paragraaf 5.1.4 in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). 5.4.2 Beoordeling In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4.1). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. In artikel 5.54 Bkl is een opsomming gegeven van standaardgevallen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3.

Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Eén van de standaardgevallen die NIBM bijdragen is de realisatie tot 1.500 woningen, ontsloten via één ontsluitingsweg. Bij voorliggend project is geenszins sprake van een project van dergelijke omvang, waardoor gesteld kan worden dat het realiseren hiervan NIBM bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Vorenstaande kan worden gestaafd met de NIBM-tool, waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtverontreiniging beoordeeld kunnen worden. Dit rekenmodel toont aan dat (in rekenjaar 2025) tot 1.522 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 4% vrachtverkeer. Van een dergelijke toename van de hoeveelheid verkeersbewegingen is als gevolg van onderhavig planvoornemen geen sprake. 5.4.3 Conclusie kwaliteit van de buitenlucht Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'kwaliteit van de buitenlucht' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

27

5.5

Omgevingsveiligheid

5.5.1 Algemeen Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Daarbij speelt ook omgevingsveiligheid een rol. Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de 'feitelijke' risico's (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico's worden ervaren. De aanwezige risico's zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht. Ten aanzien van risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico betreft de kans per jaar dat iemand, die continu en onbeschermd op een plek verblijft, overlijdt als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen.

Daarvoor geldt een grenswaarde van 10-6, ofwel een kans van maximaal 1 op één miljoen. Deze grenswaarde dient volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het Omgevingsplan in acht te worden genomen voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties geldt dat slechts rekening moet worden gehouden met de grenswaarde. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. 5.5.2 Beoordeling In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan een drietal categorieën 'gebouwen en locaties' benoemd waarvoor de regels omtrent omgevingsveiligheid bescherming bieden. Dit betreft zeer kwetsbaar, kwetsbaar en beperkt kwetsbare gebieden. Zeer kwetsbare gebouwen betreft gebouwen die bestemd zijn voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen.

Hierbij wordt gedacht aan een woonfunctie voor 24-uurszorg, basisscholen, kinderopvang of gevangenissen. Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie en locaties bestemd voor grote evenementen of voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn. Hierbij kan worden gedacht aan een woonfunctie, bijeenkomstfunctie, kantoorfunctie of sportfunctie. Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties betreft de overige gebouwen en locaties. Met inachtneming van onderhavige ontwikkeling staat vast dat onderhavig planvoornemen niet voorziet in het realiseren van een (zeer) kwetsbaar gebouw of een beperkt kwetsbaar gebouw.

28

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

5.5.3 Conclusie omgevingsveiligheid Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'omgevingsveiligheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

5.6

Cultureel erfgoed

5.6.1 Algemeen In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed ('cultuurgoederen') als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermd monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 5.6.2

Beoordeling

5.6.2.1 Archeologie Voorliggend plangebied is op basis van het geldend planologisch-juridisch kader gelegen binnen de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie'. Op basis van de Erfgoedverordening van de gemeente Eijsden-Margraten is ter plekke van onderhavige locatie de archeologische waardecategorie 6 'Gebieden met een lage verwachting' van toepassing.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

29

Uitsnede archeologische monumenten- en verwachtingskaart Eijsden-Margraten In de Erfgoedverordening van de gemeente Eijsden-Margraten is bepaald dat de aanvrager in beginsel een archeologisch onderzoek overlegt waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Deze verplichting is niet van toepassing in gebieden welke op de archeologische beleidskaart zijn aangegeven met 'Waarde - Archeologie 6' tenzij het een bestemmingswijziging betreft waarbij de ontwikkeling omvangrijker is dan 25.000 m2 en dieper reikt dan 40 cm. Onderhavige ontwikkeling gaat niet gepaard met een bodemverstoring van een dergelijke omvang waardoor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. 5.6.2.2 Overig cultureel erfgoed Voor het overige is ter plekke van onderhavig plangebied geen sprake van cultureel erfgoed. 5.6.3 Conclusie cultureel erfgoed Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'cultureel erfgoed' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

5.7

Verkeer en parkeren

5.7.1 Algemeen Bij veranderingen in de fysieke leefomgeving dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. 5.7.2 Beoordeling Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. Bij onderhavige ontwikkeling is enkel sprake van het realiseren van een loods ten behoeve van het opslaan en drogen van houtsnippers. Op deze wijze wordt extra opslagcapaciteit gecreërd op de locatie waardoor de oorspronkelijke machineberging daadwerkelijk weer voor het stallen van machines kan worden ingezet. Het

30

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

aantal verkeersbewegingen ter plaatse neemt dan ook niet toe. Van een onevenredige verkeersaantrekkende werking is derhalve geen sprake. Het bestaande wegennet kan de verkeersbewegingen moeiteloos afhandelen. Bovendien gaat onderhavig bouwplan niet gepaard met een extra parkeerbehoefte. 5.7.3 Conclusie verkeer en parkeren Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'verkeer en parkeren' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

5.8

Water en watersystemen

5.8.1 Algemeen In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een Omgevingsplan of buitenplanse omgevingsplanactiviteit rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke Rijksbelangen geldt aanvullende instructieregels: Bescherming van primaire waterkeringen (5.38 Bkl); Behoud waterveiligheid kust (5.39 – 5.40 Bkl); Behoud waterveiligheid grote rivieren (5.41 – 5.47 Bkl); IJsselmeergebied (5.48 – 5.49 Bkl). Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water. Nationaal Water Programma 2022-2027 In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein: 1. 2. 3.

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering: Nederland moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de Rijkswateren. ProvinciaalWaterplan Limburg 2022-2027 Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2022-2027 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Hierin geeft de provincie uitwerking aan de in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen provinciale belangen op het gebied van water: 1. 2.

Een integrale en realistische benadering van hoogwaterbescherming, wateroverlast, watertekort, verdroging en de verbetering van de waterkwaliteit in het stroomgebied van de Maas; Het in samenhang bezien en aanpakken van de zoetwatervoorziening (voor drinkwater en andere functies), natuurherstel, watersysteemherstel, waterveiligheid, landbouw, landschap en de stikstofproblematiek;

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

31

3.

Een ecologisch gezond, veerkrachtig en adaptief watersysteem om weersextremen zoveel mogelijk op een natuurlijke wijze op te vangen.

De provincie stelt in de Omgevingsvisie Limburg en in het Provinciaal Waterprogramma Limburg de beleidskaders voor het regionale watersysteem. Op grond van het bepaalde in artikel 3.7 van de Omgevingswet zijn de onderdelen van het Provinciaal Waterprogramma die uitvoering geven aan de diverse Europese richtlijnen over water voor het waterschap kaderstellend. Gelet op de inhoudelijke samenhang binnen het watersysteem en de hiervoor vermelde provinciale belangen is doorwerking van het volledige waterprogramma naar het waterschap noodzakelijk. Hieraan is in de Omgevingsverordening invulling gegeven. Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027 Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2021-2025 is uitgezet. Kort samengevat zijn de belangrijkste speerpunten in het Waterbeheerprogramma: Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas; Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden; Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zin natuurlijk ingericht; Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken.

Deze indeling is niet scherp, want water kent geen grenzen en is verbonden met andere thema's. Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken zorgt voor een gelijkmatiger afvoerdynamiek. Regenwater infiltreren in stedelijk gebied helpt daar ook bij, voorkomt dat riolen overstorten en ontlast onze zuiveringen. Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen moeten in samenhang met elkaar worden bekeken. Met de maatregelen worden het liefst meerdere problemen tegelijk opgelost: een integrale aanpak. 5.8.2 Beoordeling Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen onderhavig projectgebied wordt hierna uiteengezet. Afvalwater Het afvalwater als gevolg van onderhavige planontwikkeling zal worden geloosd op de bestaande aansluiting aan de gemeentelijke riolering van de gemeente. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie. Hemelwater Het hemelwater dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen binnen het plangebied zal, zo nodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem.

Hemelwater (dak)verhardingen Het hemelwater dat valt op de nieuwe verharding zal worden opgevangen en oppervlakkig worden afgevoerd, hetzij via aanwezige paden hetzij via goten, naar een te realiseren hemelwatervoorziening op het achterterrein. Capaciteit hemelwatervoorziening

32

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade

Het streven is om bij nieuwbouw 100% van het verharde oppervlak af te koppelen. Om te beoordelen hoe groot de te realiseren hemelwatervoorziening moet zijn, dient op basis van de nieuwe Keur van het Waterschap Limburg per 1 april 2019 een te realiseren hemelwatervoorziening te worden gedimensioneerd op een extreme bui met een neerslaghoeveelheid van 80 millimeter in 2 uur, met een noodoverlaat. Ten opzichte van de bestaande situatie wordt circa 3.383 m² aan nieuwe verharding en bebouwing toegevoegd. Uitgaande van een extreme bui van 80 mm in 2 uur dient vanwege de toe te voegen verharding circa 271 m³ (3.383 m² * 80 mm) aan opvangcapaciteit voor het hemelwater op eigen terrein beschikbaar te zijn. Initiatiefnemer is voornemens om op het eigen terrein een infiltratievoorziening (wadi) van circa 300 m2 met passende beplanting en flauwe taluds aa n te leggen waar het hemelwater kan worden opgevangen en rechtstreeks kan infiltreren in de bodem. Een noodoverlaat is niet aanwezig. Daarbij is van belang dat in de hemelwateropvang enkel schoon hemelwater wordt opgevangen, waaraan geen verontreinigde stoffen worden toegevoegd. Het hemelwater wordt op eigen terrein opgevangen waardoor wateroverlast voor derden niet aan de orde is. In onderstaande figuur wordt de ligging van de natuurlijke wadi gevisualiseerd aangegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EijsdenMargraten&id=776e5b9e-d54b-40b4-b9f0-0aa4d6a2159e