CConstaterende datEijsden-Margraten
Koppel je AI →
Document · PDF

20260526 06b TAM-omgevingsplan Libeek Bijlage Toelichting

Raadsvergaderingen 26 mei 2026, gemeente Eijsden-MargratenBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Libeek 7 en 9 Sint Geertruid14.360 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001 Toelichting Gemeente Eijsden-Margraten

Projectgegevens: Projectnummer: Datum:

25 juli 2025

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001 Toelichting Gemeente Eijsden-Margraten

IDN-nummer: Status:

NL.IMRO.1903.XXXXXXX-0001 concept

Vestiging Baexem Kerkstraat 2 6095 BE BAEXEM 0475 - 45 92 60

Vestiging Ubachsberg Kerkstraat 4 6367 JE VOERENDAAL 045 - 575 32 55

info@aelmans.com www.aelmans.com Op onze dienstverlening zijn de algemene voorwaarden van Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. van toepassing die u vindt op www.aelmans.com. Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. is inschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer 14091320. Alleen aan het volledige originele document kunnen rechten worden ontleend door de opdrachtgever. Derden (met uitzondering van bevoegde gezagen) kunnen geen rechten ontlenen aan dit rapport. Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. is niet aansprakelijk voor schade die direct dan wel indirect voortvloeit uit conclusies, aannames en/of aanbevelingen die vermeld staan in dit rapport. Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. is niet aansprakelijk voor mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van dit rapport zelf neemt.

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding

5

1.1 1.2

5 6

Aanleiding Geldend omgevingsplan

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

9

2.1 2.2 2.3

Bestaande situatie Nieuwe situatie Ruimtelijk-visuele effecten

9 10 11

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

13

3.1 3.2 3.3 3.4

13 15 21 23

Rijksbeleid en regelgeving Provinciaal beleid en regelgeving Regionaal beleid en regelgeving Gemeentelijk beleid

Hoofdstuk 4 Aspecten fysieke leefomgeving

25

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12

25 25 26 27 28 29 30 31 33 36 37 38

Bodemkwaliteit Geluid Bedrijvigheid Kwaliteit van de buitenlucht Omgevingsveiligheid Cultureel erfgoed Verkeer en parkeren Water en watersystemen Natuur en landschap Kabels, leidingen en vrijwaringszones Duurzaamheid en klimaat Toetsing m.e.r.-beoordeling

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

41

5.1 5.2 5.3

41 41 42

Een omgevingsplan Opzet planwijziging Systematiek van de regels

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

45

6.1 6.2

Participatie en omgevingsdialoog Financiële uitvoerbaarheid

45 46

Hoofdstuk 7 Vooroverleg en procedure

49

7.1 7.2

49 49

Vooroverleg Procedure

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

3

Toelichting

4

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

1.1.1 Inleiding Ter plaatse van de locatie Libeek 7 en 9 te Sint Geertruid zijn twee woningen gelegen, en als zodanig in gebruik. In het verleden is het gehele perceel per abuis bestemd tot 'Bedrijf - Toegesneden' met de nadere functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf 'atelier/- kunsthande''. Onderhavig voornemen ziet op het herstellen van deze onjuistheid, en de functie van het perceel te wijzigen naar 'Wonen', zodat dit overeenkomt met het daadwerkelijke gebruik.

Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied

De beoogde ontwikkeling is binnen de regels van het vigerende planregime niet rechtstreeks mogelijk. Hiervoor is een aanpassing in het omgevingsplan benodigd. De gemeente Eijsden-Margraten heeft middels brief d.d. 7 januari 2025 (kenmerk: Z2024-00003661), bijgevoegd als Bijlage 1, kenbaar gemaakt medewerking te willen verlenen aan de ontwikkeling.

Aan de hand van onderhavige tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), wordt een wijzigingsbesluit toegepast bij het bevoegd gezag via de IMRO-standaard. Dit TAM-omgevingsplan dient als wijzigingsbesluit via de technieken van IMRO. Voor het opnemen in een later geconsolideerd Omgevingsplan is een nieuw wijzigingsbesluit nodig volgens de Standaard officiële publicaties (STOP) met bijbehorende toepassingsprofielen (TPOD). Onderhavige motivering is opgesteld ter motivering bij het te nemen wijzigingsbesluit.

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

5

1.1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied betreft het adres Libeek 7 en 9 te Sint Geertruid. Kadastraal betreft onderhavig plangebied de eigendomspercelen MGT - S - 43, 430, 429, 80 en 296. Het plangebied is in onderstaande figuur weergegeven.

Uitsnede luchtfoto met aanduiding plangebied

Uitsnede kadastrale kaart met aanduiding plangebied

1.2

Geldend omgevingsplan

Na inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 zijn alle geldende ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, e.d.) onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Eijsden-Margraten. Voorts bestaat dit tijdelijke deel uit de Rijksregels over activiteiten (aangeduid als 'de bruidsschat'). Ter plekke van onderhavig plangebied zijn de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied Margraten' van toepassing als onderdeel van het (tijdelijk) omgevingsplan voor de gemeente Eijsden-Margraten.

6

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

1.2.1 Bestemmingsplan 'Buitengebied Margraten' Het plangebied ligt binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Buitengbeied Margraten', zoals vastgesteld op 14 december 2012 door de gemeenteraad van de gemeente Eijsden-Margraten. De locatie is bestemd tot 'Bedrijf - Toegesneden'. Tevens zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Ecologie', 'Waarde - Archeologie ' en 'Waarde - Landschapselement' van toepassing. Daarnaast gelden de functieaanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - 2', en de gebiedsaanduidingen 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' en 'milieuzone - bodembeschermingsgebied'. Als laatste geldt de maatvoering 'Maximaal aantal wooneenheden:1'.

Uitsnede bestemmingsplankaart met aanduiding locatie Onderhavig plangebied is bestemd voor bedrijfdoeleinden, specifiek voor een atelier/kunsthandel. Op gronden met deze bestemming is regulier wonen niet toegestaan. Het bestemmingsplan voorziet niet in een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid of wijzigingsbevoegdheid. Een aanpassing in het (tijdelijk) omgevingsplan is benodigd. Aan de hand van onderhavige tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), wordt een wijzigingsbesluit toegepast door het bevoegd gezag via de IMRO-standaard. Dit TAM-omgevingsplan dient als wijzigingsbesluit via de technieken van IMRO. Voor het opnemen in een later geconsolideerd omgevingsplan voor de gemeente Eijsden-Margraten is een nieuw wijzigingsbesluit nodig volgens de Standaard officiële publicaties (STOP) met bijbehorende toepassingsprofielen (TPOD). Onderhavige motivering is opgesteld ter motivering bij het te nemen wijzigingsbesluit.

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

7

8

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Bestaande situatie

Het plangebied is gelegen aan de Libeek 7 en 9 te Libeek, een gehucht ten zuiden van het dorp Sint Geertruid in de gemeente Eijsden-Magraten. De woningen maken deel uit van een karakteristiek bebouwingslint van Libeek. Het betreft een aaneenschakeling van traditioneel gebouwde woonhuizen in baksteen, waarvan één witgeschilderd met groene accenten (Libeek 7) en de ander ongeschilderd met authentieke rode baksteen (Libeek 9). De woningen sluiten aan op de bestaande rooilijn en dragen bij aan de herkenbare structuur van lintbebouwing met kleinschalige, historisch gegroeide kavels. De twee woningen zijn altijd als woning gebruikt en hebben nooit gefungeerd als toegeneden bedrijf 'atelier/kunsthandel'. In het verleden is deze bedrijfsbestemming aangevraagd voor de schuur op de achterzijde van het erf. Toentertijd zijn echter de gehele percelen omgezet in een bedrijfsbestemming.

Straataanzicht via Google Streetview

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

9

Obliekfoto via Slagboom en Peeters van het totale plangebied

2.2

Nieuwe situatie

Het voornemen betreft het wijzigen van de functie 'Bedrijf - Toegesneden' naar 'Wonen', om de daadwerkelijke gebruikssituatie correct vast te leggen. De schuur, zie onderstaande uitsnede van de plankaart, zal binnen de nieuwe woonfunctie de aanduiding 'atelier/kunsthandel' behouden.

Uitsnede plankaart met aanduiding 'atelier/kunsthandel'

10

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

2.3

Ruimtelijk-visuele effecten

Onderhavig voornemen betreft het herstellen van de huidige ruimtelijk planologische situatie. Door de functie te wijzigen naar 'Wonen' zal de daadwerkelijke gebruikssituatie correct worden vastgelegd. Het herbestemmen van de woningen naar een woonbestemming heeft dan ook geen impact op de ruimtelijke ordening.

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

11

12

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

Hoofdstuk 3 3.1

Beleid en regelgeving

Rijksbeleid en regelgeving

3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. In de NOVI staat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal, waarmee wordt bedoeld dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. In de NOVI wordt gebruik gemaakt van afwegingsprincipes bij het maken van keuzes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en Afwentelen wordt voorkomen. In de NOVI zijn de volgende belangrijkste keuzes opgenomen: een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat Nederland zodanig wordt ingericht dat het land de klimaatverandering aan kan. Daarvoor is nodig dat functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) worden ingepast; de verandering van de energievoorziening.

Bij de inpassing van duurzame energie dient oog te zijn voor omgevingskwaliteit; de overgang naar een circulaire economie, waarbij Nederland tegelijk goed kan blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat kan bieden; de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland, waarmee wordt gestuurd op een goed bereikbaar netwerk van steden; het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, data centers) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden; het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. Daarbij wordt bijvoorbeeld gewerkt aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. Ter uitvoering van de in de NOVI gemaakte keuzes is een Uitvoeringsagenda opgesteld. Daarin staat hoe samen met mede overheden en de samenleving uitvoering zal moeten worden gegeven aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. De NOVI wordt uitgewerkt in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma's, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling. Daarnaast wordt gebiedsgericht gewerkt met Omgevingsagenda's en NOVI-gebieden.

In de NOVI wordt ten aanzien van Zuid Limburg aangegeven dat de regio sociaaleconomische en fysieke opgaven heeft die van betekenis zijn in een bijzondere grensoverschrijdende omgeving (met regio's rond het Duitse Aken, het Waalse Luik en het Vlaamse Hasselt). De opgaven die te maken hebben met bereikbaarheid (drielandentrein), circulaire economie (Chemelot) en bevolkingsdaling (voormalige mijnstreek) zijn stuk voor stuk fors en vragen alle drie internationale afstemming en overleg. Een rijksrol is daarbij noodzakelijk.

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

13

3.1.2 Instructieregels Rijk (AmvB's) De Omgevingswet (hierna: Ow) werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur: het Omgevingsbesluit (hierna: Ob), het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Omgevingsbesluit Het Ob richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Ob regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen. Besluit activiteiten leefomgeving Het Bal bevat, samen met het Bbl, de algemene regels waaraan burgers, bedrijven en overheden zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke van deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. De regels ter bescherming van het spoor en de zwemmers worden met het Invoeringsbesluit Ow ingevoegd.

Besluit bouwwerken leefomgeving Het Bbl bevat, samen met het Bal, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl bevat regels ter bescherming van de nationale belangen aan de hand van instructieregels, waaronder: waarborgen van veiligheid; beschermen van waterbelangen; beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; In Hoofdstuk 4 van deze motivering worden de aspecten van de fysieke leefomgeving behandeld.

Voor zover de instructieregels relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling, worden deze regels in hoofdstuk 4 bij het betreffende aspect behandeld. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op grond van Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft de Ladder voor duurzame verstedelijking betrekking op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende

14

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

substantieel is. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en, als de ontwikkeling buiten het stedelijk gebied is voorzien, de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in die behoefte te kunnen voorzien. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling. Over de vraag wanneer precies sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich gebogen in een overzichtsuitspraak d.d. 28 juni 2017 (zaaknummer 201608869/1/R3). Daarin is onder andere overwogen dat een woningbouwplan van 12 of meer woningen een stedelijke ontwikkeling betreft. Conclusie Voorliggend plan betreft een functiewijziging waarmee het huidige gebruik wordt vastgelegd en er geen sprake is van het toevoegen van een woning. Er wordt ruim onder de grenswaarde van 12 woningen gebleven, waardoor geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. 3.1.4 Conclusie Rijksbeleid en regelgeving Op grond van vorenstaande uiteenzetting van het Rijksbeleid en regelgeving wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkelingen hiermee geen strijdigheden opleveren.

3.2

Provinciaal beleid en regelgeving

3.2.1

Omgevingsvisie Limburg (POVI)

3.2.1.1 Algemeen Op 15 december 2020 is de Omgevingsvisie vastgesteld door Gedeputeerde Staten, waarna vervolgens Provinciale Staten deze op 1 oktober 2021 hebben vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg is op 25 oktober 2021 in werking getreden. In algemene zin is de Omgevingsvisie een strategische en lange termijn visie (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. In de visie worden onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed omschreven. Daarnaast worden tevens de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving - indachtig de Omgevingswet - in de Omgevingsvisie meegenomen. 3.2.1.2 Hoofdopgaven In de omgevingsvisie worden door de provincie drie hoofdopgaven onderscheiden die Limburg-breed spelen. Weliswaar verschillen de accenten per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn: 1.

2. 3.

Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving: a. in stedelijk c.q. bebouwd gebied; b. in landelijk gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie.

3.2.1.3 Limburgse principes en algemene zonering Bij het maken van afwegingen op het gebied van de fysieke leefomgeving hanteert de provincie de volgende principes: gestreefd wordt naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving; de kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal; meer stad, meer land; zorgvuldig omgaan met ruimte en voorraden, boven- én ondergronds.

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

15

Voor het toekomstbeeld voor Limburg hanteert de provincie een indicatieve zonering. De verschillende categorieën worden ondergebracht bij drie hoofdtypes: 1.

2.

3.

landelijke gebieden: a. groenblauwe mantel b. Natuurnetwerk Limburg (inclusief Natura2000-gebied) c. buitengebied bebouwde gebieden: a. stedelijk gebied b. stedelijk centrum c. landelijke kern d. werklocaties infrastructuren: a. (inter)nationale weg b. provinciale weg c. (inter)nationale spoorweg d. (inter)nationale waterweg e. (lucht)haven f. (inter)nationale leidingstrook

Onderhavig plangebied is voor een klein deel gelegen in de zonering 'Buitengebied' en voor het overgrote deel gelegen in de zonering 'Groenblauwe mantel'.

Provinciale zoneringen met aanduiding plangebied

Groenblauwe mantel De gebieden aangewezen als groenblauwe mantel liggen als een soort mantel tussen en om het Natuurnetwerk Limburg. Het zijn gebieden waar de provincie goede combinatiemogelijkheden ziet voor duurzame vormen van (kringloop) land- en tuinbouw en andere economische functies, vooral door hergebruik van reeds aanwezige monumentale en beeldbepalende gebouwen. In de groenblauwe mantel blijft de grondgebonden landbouw de belangrijkste functie en is de agrarische sector tevens de belangrijkste beheerder. De provincie biedt

16

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

mogelijkheden voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer die bijdragen aan de instandhouding en versterking van de landschappelijke kernkwaliteiten. De focus ligt hier op het versterken van het klimaatadaptieve karakter met meer ruimte voor de beken en Maas, de biodiversiteit en kernkwaliteiten van het landschap. Gemeenten hebben de motiveringsplicht om in de toelichting op nieuwe omgevingsplannen of omgevingsplanactiviteiten in de groenblauwe mantel aan te geven hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten in de betreffende gebieden wordt omgegaan. Bij nieuwe ontwikkelingen zal rekening gehouden moeten worden met de aanwezige omgevingskwaliteiten, maar ook met regionale afspraken ten aanzien van de ontwikkeling van onder meer wonen, bedrijventerreinen, detailhandel en vrijetijdseconomie.

Buitengebied Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo'n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noord- en Midden-Limburg zijn er in Zuid-Limburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de natuurlijke omstandigheden en de ruimteclaims vanuit verschillende transitieopgaven, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk. 3.2.1.4 Thematische visies De provincie onderscheidt in de omgevingsvisie de volgende thematische visies: wonen en leefomgeving veiligheid en gezondheid cultuur, sport en erfgoed economie werklocaties mobiliteit energie land- en tuinbouw water natuur landschap bodem en ondergrond Per thema beschrijft de provincie in de omgevingsvisie het provinciale belang, de opgave, de ambities en waar de provincie voor kiest. Voor onderhavige voornemen is sprake van een ontwikkeling gericht op wonen. Daarop wordt in de (provinciale) thematische visie 'Wonen en leefomgeving' ingegaan. Aangegeven wordt dat er op het gebied van wonen en leefomgeving veel uitdagingen en kansen liggen. Zo vermeldt de omgevingsvisie het volgende: 'De woningbehoeften van de Limburgers veranderen.

Daarom kiezen wij voor een goed doordacht, flexibel beleid op hoofdlijnen. Hiermee spelen we in op de huidige opgaven én de te verwachten uitdagingen in de toekomst. De woonbehoeften van onze inwoners zijn hierbij leidend.' Voorts wordt het volgende aangegeven: 'Wat betreft onze ambitie is het succes van de woningmarkt onlosmakelijk verbonden met de sociaaleconomische- en gezondheidssituatie van de inwoners in de steden en dorpen en het voorkomen van segregatie. Door het in balans brengen van vraag en aanbod kunnen we een tekort aan woningen voor bepaalde doelgroepen voorkomen. Daarnaast heeft dit een positief effect op ongewenste leegstand met de bijbehorende

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

17

ondermijnings- en leefbaarheidsproblemen.' Het provinciale beleid ten aanzien van wonen heeft een vertaling gekregen in de in maart 2023 door partijen (provincie Limburg, alle gemeenten in Limburg, woningcorporaties, en waterschap) ondertekende 'Limburgse Woondeal 2023-2030'. In deze woondeal is afgesproken dat voor de drie woonregio's in Limburg (Noord-Limburg, Midden-Limburg en Zuid-Limburg) er minimaal 26.550 woningen bij komen. Daarbij is tevens de ambitie uitgesproken voor nog eens 20.000 woningen extra. Op grond van de woondeal wordt gestreefd naar een productie van circa 3.000 woningen per jaar. Met de Woondeal Limburg wordt gestreefd naar betaalbaar wonen voor iedereen. 3.2.1.5 Gebiedsgerichte visies Naast de thematische visies gaat de provincie in de omgevingsvisie ook in op de gebiedsgerichte visies. Daarbij wordt ingegaan op de visie op bovenregionaal niveau, om vervolgens de visies voor Noord-, Middenen Zuid-Limburg uiteen te zetten. De provincie geeft aan dat de aantrekkelijkheid van Zuid-Limburg in sterke mate wordt bepaald door de aanwezigheid van relatief op korte afstand van elkaar gelegen, dichtbevolkte stedelijke gebieden, gelegen in het unieke Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Het heuvellandschap en de Maasvallei geven samen met de historische binnenstad van Maastricht een bijzondere kwaliteit, rijke historie en eigen cultuur aan deze regio.

In Zuid-Limburg wonen, werken en leven zo'n 600.000 mensen. Zuid-Limburg is het meest verstedelijkt grensgebied en de meest Europese regio van het land. Samen met de stedelijke regio's van Aken (Duitsland), Luik en Verviers (Wallonië) en Tongeren, Hasselt en Genk (Vlaanderen) vormt Zuid-Limburg de Euregio Maas-Rijn met vier miljoen inwoners en 2,2 miljoen banen. Daarnaast maakt de regio deel uit van het groene grensoverschrijdende Drielandenpark. 3.2.2

Omgevingsverordening Limburg (OvL)

3.2.2.1 Algemeen De Omgevingsvisie Limburg is een zelfbindend document en bindt daarmee enkel de provincie Limburg. Daar waar de provincie van mening is dat het noodzakelijk is om bindende regels te stellen voor de uitwerking van onderdelen van beleid in de POVI, dan gebeurt dit in de omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. De Omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels: instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap. Dit zijn opdrachten aan de gemeenten en het waterschap die de gemeenten moeten verwerken in het gemeentelijke plan (Omgevingsplan) en het waterschap moet verwerken in de waterschapsverordening. Pas na het verwerken van de provinciale instructieregels in het gemeentelijke plan, of in de waterschapsverordening krijgen deze regels effect op activiteiten van inwoners en bedrijven. regels voor activiteiten die rechtstreeks voor alle inwoners en bedrijven gelden, of voor specifieke doelgroepen. 3.2.2.2 Gebiedsaanwijzingen Bij de OvL behoort een aantal thematische kaarten. Deze kaarten zijn digitaal raadpleegbaar, waarbij op perceelniveau kan worden beoordeeld welke provinciale regels uit de OvL van toepassing zijn.

Ter plekke van onderhavig plangebied zijn diverse gebiedsaanwijzigingen van toepassing; deze zijn opgenomen in onderstaande figuur.

18

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

Uitsnede Omgevingsverordening Limburg met van toepassing zijnde gebiedsaanwijzingen 3.2.2.2.1 Instructieregels beschermingsgebied 'Einstein Telescope' Vooraleerst is de gehele locatie in het beschermingsgebied 'Einstein Telescope' gelegen. Op grond van de instructieregels voor dit beschermingsgebied (Afdeling 16.1 Omgevingsverordening Limburg) zijn specifiek aangewezen activiteiten (zoals bijvoorbeeld de plaatsing van windmolens, of boringen dieper dan 100 meter) verboden. Voorliggend project voorziet niet in een bedoelde verboden activiteit, waardoor geen sprake is van strijdigheid met de regels van het beschermingsgebied 'Einstein Telescope'. 3.2.2.2.2 Instructieregels (beekdal in) beschermingsgebied 'Nationaal Landschap Zuid-Limburg' Onderhavige locatie is gelegen binnen het beschermingsgebied 'Nationaal Landschap Zuid-Limburg'. In Afdeling 7.1 van de Omgevingsverordening Limburg zijn de instructieregels voor dit beschermingsgebied voorgeschreven.

Voorgeschreven is dat een motivering bij een omgevingsplan (of buitenplanse omgevingsplanactiviteit) dat betrekking heeft op een gebied gelegen in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg een beschrijving bevat van (a) de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten (reliëf, open-besloten karakter, groene karakter, en cultuurhistorisch erfgoed), (b) de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan, en (c) de wijze waarop de negatieve effecten zijn gecompenseerd. In paragraaf 4.9.2.4 van deze toelichting is een nadere uiteenzetting gemaakt van de impact op de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Daaruit blijkt dat als gevolg van voorliggend plan geen sprake van een onevenredige aantasting van aanwezige kernkwaliteiten en daarmee geen strijdigheden zijn met de instructieregels van het beschermingsgebied 'Nationaal Landschap Zuid-Limburg'. 3.2.2.2.3 Instructieregels 'groenblauwe mantel' Het projectgebied is gelegen in de 'groenblauwe mantel'. In afdeling 7.3 zijn de instructieregels voor deze groenblauwe mantel voorgeschreven. Voor deze gebieden wordt voorgeschreven dat in de motivering bij een omgevingsplan de volgende onderwerpen dienen te worden beschreven: a.

de in het projectgebied aanwezige kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel;

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

19

b.

c. d. e. f. g.

de waarde van het projectgebied als ecologische verbinding tussen gebieden gelegen binnen het Natuurnetwerk Limburg in het bijzonder met het oog op de impact voor de in het aanwijzingsbesluit aangewezen habitattypen en soorten in de Natura2000-gebieden (inclusief Natura2000-gebieden ondergrondse kalksteengroeven) en overige bedreigde soorten die er hun leefgebied hebben; de waarde van het projectgebied met het oog op de instandhouding van de natuurdoeltypen in de aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg; de waarde van het projectgebied voor het bieden van ruimte voor water en als waterberging in laagten en beekdal en; de wijze waarop rekening is gehouden met de waarden onder a tot en met d; hoe op gebiedsniveau per saldo geen kwaliteitsverlies plaatsvindt van de waarden onder a tot en met d; hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Bij de compensatie van de negatieve effecten op natuurwaarden met de kernkwaliteit 'het groene karakter' worden de regels opgenomen in Bijlage IX (van de OvL) gevolgd.

Zoals eerder geconstateerd is als gevolg van voorliggend project geen sprake van een onevenredige aantasting van aanwezige kernkwaliteiten. Op het voornemen in relatie tot het Natuurnetwerk, Natura2000 gebieden, water, en bedreigde soorten wordt nader ingegaan in hoofdstuk 5 van voorliggende motivering. Geen sprake is van strijdigheden met de instructieregels voor de 'groenblauwe mantel'. 3.2.2.2.4 Instructieregels (freatische) grondwaterbeschermingsgebieden Onderhavige projectlocatie is gelegen in een (freatisch) grondwaterbeschermingsgebied. De instructieregels hieromtrent bepalen dat in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied: a. b. c.

de stoffen die zijn opgenomen in onderdeel A van bijlage III niet aanwezig zijn bij het verrichten van milieubelastende activiteiten; de stoffen die zijn opgenomen in onderdeel B van bijlage III niet in grotere mate aanwezig zijn dan de in bijlage III aangegeven drempelwaarden; c. andere potentieel gevaarlijke stoffen niet in grotere mate aanwezig zijn dan 5000 kilogram vaste stof of 5 m3vloeistof per opslageenheid, tenzij dat volgens onderdeel C van bijlage III naar hoedanigheid, mobiliteit en persistentie toelaatbaar is, als ze onder een van de volgende categorieën vallen: 1. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 6.2 of 8; 2. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 9 die het aquatisch milieu verontreinigen; of 3. gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening;

d. het bodemrisico van gevaarlijke stoffen tot verwaarloosbaar wordt verkleind door de hoogst mogelijke bescherming, waaronder in ieder geval wordt verstaan: 1. volledig gesloten apparatuur of geïntegreerde lekdetectie; 2. opslag en gebruik boven een vloeistofdichte vloer of lekbak; 3. tweemaal vaker tussentijds bodemonderzoek dan geadviseerd in de Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) maar in ieder geval iedere vijf jaar. Bij onderhavig voornemen is geen sprake van een milieubelastende activiteit waarbij gebruik wordt gemaakt van de stoffen waarnaar verwezen wordt in de instructieregels.

20

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

3.2.2.2.5 Overstromingskansgebied B Op grond van de provinciale regels geldt, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, voor 'overstromingskansgebied B' een gemiddelde overstromingskans per jaar van 1:10 als omgevingswaarde. Dit betreft een inspanningsverplichting voor het waterschap waaraan uiterlijk in 2035 dient te zijn voldaan. Op het aspect water wordt in paragraaf 4.8 van voorliggende motivering nader ingegaan. 3.2.2.2.6 Instructieregels 'uitsluitingsgebied windturbines' In artikel 13.1 van de OvL is bepaald dat ter plekke van het 'uitsluitingsgebied windturbines' geen plaatsing van een windturbine met een masthoogte van 25 meter of hoger toe wordt gelaten. Daarvan is bij voorliggend project geen sprake. 3.2.3 Conclusies provinciaalbeleid en regelgeving Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het geldende provinciale beleid en regelgeving is geen sprake van strijdigheden.

3.3

Regionaal beleid en regelgeving

3.3.1 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg Op 18 oktober 2016 heeft de gemeenteraad van Eijsden-Margraten ingestemd met de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL). De SVWZL is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de Zuid-Limburgse gemeenten. Het kader voor de SVWZL is het in samenwerking met de provincie en andere direct betrokken partijen tot stand gekomen en in december 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL), die eveneens een visie bevat op Zuid-Limburg. In de SVWZL staat de transformatieopgave centraal, dat wil zeggen de totale woningbehoefte op basis van het aantal huishoudens, rekening houdend met de huidige woningvoorraad en de leegstand. De SVWZL bevat een driedelige opgave voor gemeenten, namelijk: 1. 2. 3.

het verdunnen van de bestaande voorraad waar sprake is van een overschot; het terugdringen van de ongewenste planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave; het toevoegen van woonproducten waar een tekort van is, passend binnen de uitgangspunten van de SVWZL. Om invulling te geven aan deze opgave hebben de Zuid-Limburgse gemeenten in totaal dertien beleidsafspraken met elkaar gemaakt. Eén van de afspraken luidt als volgt: Op een uniforme wijze dient een afweging te worden gemaakt om kwalitatief goede nieuwe woningbouwinitiatieven aan de woningmarktprogrammering toe te voegen. Nieuwe woningbouwinitiatieven moeten worden gecompenseerd. Hierbij kan in volgorde gebruik gemaakt worden van: A. B.

Compenseren met direct gekoppelde sloop of onttrekking; Elke nieuw toe te voegen woning wordt financieel gecompenseerd door middel van een op Zuid-Limburgs niveau uitwerkte uniforme financiële compensatieregeling, waarvan de middelen in een sub regionaal op te zetten sloopfonds vloeien; C. De gemeente neemt de sloopverplichting over en voert deze binnen de raadstermijn uit, waarbinnen dit besluit is genomen; D. Door middel van het schrappen van reeds bestaande harde plancapaciteit in de regionale woningmarktprogrammering. Hiervan mag ¼ deel gezet worden als compensatie voor het nieuwe woningbouwinitiatief. In het geval van een woningbouwinitiatief in een monument of beeldbepalend pand kan volstaan worden met een één op één compensatie.

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

21

Op grond van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) dienen aan de bestaande planvoorraad toe te voegen woningen in beginsel te worden gecompenseerd, hetzij middels fysieke sloop hetzij middels doen van een financiële storting in het (regionale) sloopfonds. 3.3.2 Beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen2021' De gemeenteraad van Eijsden-Margraten heeft op 15 december 2020 de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' vastgesteld. Deze beleidsregel komt in de plaats van de eerder vastgestelde beleidsregel 'Tijdelijke versoepeling van de compensatiesystematiek van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg'. Op grond van de nieuwe beleidsregel hoeven 'goede woningbouwplannen' niet meer te worden gecompenseerd. Of sprake is van een goed woningbouwplan wordt bepaald aan de hand van drie criteria:

Criterium 1: Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde Een woningbouwplan heeft maatschappelijke meerwaarde wanneer bijvoorbeeld sprake is van één van de volgende situaties: a. Aantoonbare verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen; b. Herstructurering/vervangingsbouw van woningen; c. Hergebruik van winkels of (ander) bestaand waardevol vastgoed met passende woningbouw; d. Aantoonbare bijdrage aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad. Daarbij wordt aangesloten op het ruimtelijke uitgangspunt dat inbreiding boven uitbreiding gaat .

Criterium 2: Het plan is planologisch aanvaardbaar Een plan is (ruimtelijk) planologisch aanvaardbaar als het voldoet aan de Ladder van Duurzame verstedelijking (Besluit ruimtelijke ordening; artikel 3.1.6. lid 2) voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat een beschrijving van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte nodig is: a. b.

Criterium 2a: Het plan sluit aan bij de kwantitatieve behoefte Criterium 2b: Het plan sluit aan bij de kwalitatieve behoefte

Criterium 3: Het plan is (sub)regionaal afgestemd Het derde criterium betreft subregionale afstemming, zodat gezamenlijke oordeelsvorming plaatsvindt en het gemeenschappelijk belang voorop blijft staan (geen onderlinge concurrentie en overschotten op subregionaal niveau). De subregio bepaalt of het plan aan de subregionale woningmarktprogrammering wordt toegevoegd. Woningbouwplannen die concurrerend zijn op regionale schaal (de Zuid-Limburgse woningmarkt), worden ook op Zuid-Limburgse schaal afgestemd.

Onderhavig voornemen betreft het herstellen van een onjuist geldende functie voor het plangebied. Door het daadwerkelijke gebruik ('Wonen') correct planologisch vast te leggen, wordt de bestaande strijdige situatie opgeheven. Er is dan ook geen sprake van het toevoegen van woningen aan de planvoorraad, daar deze altijd al aanwezig zijn geweest.

22

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

3.3.3 Conclusie regionaal beleid Het project is passend binnen het regionale (woning)bouwbeleid. Er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggend project.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Woonvisie 'Samen bouwen aan de toekomst 2019-2025' Op 23 april 2019 heeft de gemeente Eijsden-Margraten de Woonvisie ‘Samen bouwen aan de toekomst 2019-2025’ vastgesteld. Door demografische, economische en maatschappelijke ontwikkelingen is de woningmarkt sterk in beweging. Ook gewijzigd beleid als gevolg van de nieuwe Omgevingswet speelt een rol. Het is daarom van belang om tijdig mee te bewegen en vraag en aanbod op de lokale woningmarkt continu op elkaar af te stemmen. Dit gebeurt op basis van een actuele Woonvisie die in de periode 2019-2025 richting geeft aan het gemeentelijk woonbeleid. De gemeente streeft naar een duurzame woningvoorraad met passende woningen voor zowel starters als senioren. Hiermee wil de gemeente de doorstroming bevorderen. Inwoners wonen in een gezonde, veilige en prettige woon- en leefomgeving, waarbij duurzaamheid en kwaliteit belangrijke uitgangspunten zijn. De bijzondere aandacht van de gemeente gaat daarbij uit naar herbestemming en transformatie van bestaande (leegstaande) gebouwen. De woonbehoefte van inwoners uit Eijsden-Margraten staat centraal in de Woonvisie. Daarom heeft de gemeente de inwoners uitvoerig betrokken bij het opstellen van de visie, onder andere door middel van woonbehoefte-onderzoeken en het organiseren van ateliersessies.

De uitvoering van deze visie vraagt om flexibiliteit en creativiteit in denken en doen, binnen de geldende wet- en regelgeving. Op deze wijze wil de gemeente ervoor zorgen dat het voor jong en oud goed wonen is in alle kernen van Eijsden-Margraten. 3.4.2 Raadsbesluit(richtinggevende) kaders woningbouwopgave Op 20 februari 2024 heeft de gemeenteraad van Eijsden-Margraten richtinggevende kaders voor de woningbouwopgave binnen haar gemeente vastgesteld. Hierbij blijkt dat tot en met 2030 een woningbouwopgave bestaat voor de bouw van circa 1.000 woningen. Op grond van het door de gemeente in 2022 afgeronde woningbouwbehoefteonderzoek is gebleken dan van deze 1.000 woningen circa 326 woningen gebouwd moeten worden om tegemoet te komen aan de lokale behoefte. Dit betreft reguliere woningbouw, zonder huisvesting van zorgvragers en bijzondere doelgroepen. Deze circa 326 woningen bestaan veelal uit kleinere initiatieven van marktpartijen en particuliere initiatieven, en zorgen voor een gevarieerd aanbod van diverse woningtypes voor alle doelgroepen binnen de reguliere woningmarkt. In het hiervoor aangehaalde raadsbesluit is opgenomen dat gebleken is dat deze opgave kan worden toevertrouwd aan de marktpartijen en particulieren, en dat de gemeente voor deze opgave voornamelijk een faciliterende rol vervullen.

3.4.3 Conclusie gemeentelijk beleid Gelet op vorenstaande uiteenzetting vormt het relevante gemeentelijke beleid geen belemmeringen voor onderhavig plan.

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

23

24

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

Hoofdstuk 4 4.1

Aspecten fysieke leefomgeving

Bodemkwaliteit

4.1.1 Algemeen Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving ter plekke. Ofwel dient bezien te worden of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. De regels met betrekking tot aspect bodemkwaliteit zijn opgenomen in het Bkl. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 (Bkl). Dit besluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid i Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het projectgebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar Omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden. 4.1.2

Beoordeling

Onderhavig voornemen betreft het herstellen van een onjuist geldende functie voor het plangebied. Door het daadwerkelijke gebruik ('Wonen') correct planologisch vast te leggen, wordt de bestaande strijdige situatie opgeheven. Er is dan ook geen sprake van het toevoegen van een nieuw gevoelig object. 4.1.3 Conclusie Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'bodemkwaliteit' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

4.2

Geluid

4.2.1 Algemeen Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelige gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De instructieregels hierover in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl). Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het omgevingsplan, zijn instructieregels voor activiteiten van toepassing (5.59 Bkl). In deze paragraaf wordt ingegaan op geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen. In paragraaf 4.3 wordt ingegaan op geluid door (bedrijfs)activiteiten.

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

25

4.2.2 Beoordeling Onderhavig voornemen betreft geen toevoeging van een nieuw geluidgevoelig object. Het gaat om het herstellen van een eerder gemaakte planologische onjuistheid, waarbij het bestaande gebruik als woning niet juist was vastgelegd. Met dit besluit wordt de planstatus in overeenstemming gebracht met het feitelijke en langdurige gebruik.

4.3

Bedrijvigheid

4.3.1 Algemeen Bij een ontwikkeling in de fysieke leefomgeving dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en (waar mogelijk) te bevorderen. Bij de milieuzonering kan gebruik worden gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) vervaardigde nieuwe VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering (2024)'. In tegenstelling tot de eerdere VNG-uitgave(n) wordt niet meer gebruikgemaakt van zones met oplopende milieucategorieën en een Lijst van activiteiten, echter gaat de nieuwe handreiking uit van zones met oplopende beschikbare milieugebruiksruimte per activiteit, zónder een Lijst van activiteiten bij de regels. Deze nieuwe systematiek sluit beter aan bij de integratie van ruimte en milieu onder de Omgevingswet. 4.3.2 Beoordeling In onderhave kwestie is geen sprake van een wijziging in de ruimtelijke ordening. Het bestaande gebruik (wonen) blijft in stand en wordt middels onderhavige functiewijziging formeel vastgelegd.

Spuitzones Omdat het plangebied grens aan, danwel is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van gronden met de functie 'Agrarisch met waarden', geldt als gevolg van de goede ruimtelijke ordening het volgende: Binnen agrarische functies is het vrijwel steeds mogelijk gewassen te telen waarbij gebruik wordt gemaakt van spuittechnieken waarbij driftwerking onstaat. Als gevolg daarvan mogen in beginsel binnen een straal van 50 meter van die functie geen functies planologisch worden toegestaan die langdurig verblijf mogelijk maken waardoor, als gevolg van blootstelling aan drift, de gezondheid zou kunnen worden aangetast. Dit tenzij het omgevingsplan dergelijk functies reeds mogelijk maakt. Als het omgevingsplan een dergelijke object en functie rechtstreeks toestaan, dan wordt het bestaan van een spuitzone geacht te zijn betrokken bij de vaststelling van het omgevingsplan. Dan mag dus worden gebouwd, aangelegd en gebruikt conform omgevingsplan. Om dit juridisch-planologisch te waarborgen, zou een spuitvrije zone van 50 meter in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen waarop de agrarische gronden tot 50 meter uit de nieuwe grens van de nieuwe activiteiten meegenomen dienen te worden. De initiatiefnemer dient dan overeenstemming te hebben met de eigenaren en gebruikers van deze agrarische gronden over het instellen van deze spuitvrije zone.

Er is een mogelijkheid om de afstand van 50 meter te verkleinen. Echter, er dient dan een locatie specifiek onderzoek te worden overlegd waaruit blijkt dat verantwoord kan worden afgeweken van de 50 meter met de bijbehorende voorzieningen. Deze eisen komen voort uit jurisprudentie. Zonder dit locatie specifiek onderzoek kan niet worden afgeweken van de voorgeschreven afstand van 50 meter aangezien dan geen goede ruimtelijke ordening kan worden geborgd. Het bovenstaande is ontwikkeld in jurispudentie. Er zijn geen wettelijke voorschriften voorhanden. Onderhavig voornemen betreft het omzetten van een bedrijfswoning naar een reguliere woning. In de bedrijfswoning werd derhalve reeds gewoond. Er is feitelijk geen verschil tussen het wonen in een bedrijfswoning of in een reguliere woning. Beiden verschillen niet wat betreft het risico om te worden

26

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen. Gelet op vorenstaande is in dezen geen spuitvrijezone verplicht aangezien onderhavig voornemen geen toevoeging van een nieuwe woning betreft. Het gaat om het herstellen van een eerder gemaakte planologische onjuistheid, waarbij het bestaande gebruik als woning niet juist was vastgelegd. Met dit besluit wordt de planstatus in overeenstemming gebracht met het feitelijke en langdurige gebruik. 4.3.3 Conclusie Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'bedrijvigheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

4.4

Kwaliteit van de buitenlucht

4.4.1 Algemeen Bij een evenwichtige toedeling van functies dient ook rekening gehouden te worden met het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen. Een afwijking van het omgevingsplan kan invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve van voorliggend project zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van de afwijking van het omgevingsplan beoordeeld. Dit is gedaan aan de hand van de instructieregels vermeld in paragraaf 5.1.4 in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). 4.4.2 Beoordeling In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4.1). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. In artikel 5.54 Bkl is een opsomming gegeven van standaardgevallen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3.

Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Eén van de standaardgevallen die NIBM bijdragen is de realisatie tot 1.500 woningen, ontsloten via één ontsluitingsweg. Bij voorliggend project is geenszins sprake van een project van dergelijke omvang, waardoor gesteld kan worden dat het realiseren hiervan NIBM bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Vorenstaande kan worden gestaafd met de NIBM-tool, waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtverontreiniging beoordeeld kunnen worden. Dit rekenmodel toont aan dat tot 1.798 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) pas in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 3% vrachtverkeer. 4.4.3 Conclusie Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'kwaliteit van de buitenlucht' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

27

4.5

Omgevingsveiligheid

4.5.1 Algemeen Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Daarbij speelt ook omgevingsveiligheid een rol. Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de 'feitelijke' risico's (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico's worden ervaren. De aanwezige risico's zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht. Ten aanzien van risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico betreft de kans per jaar dat iemand, die continu en onbeschermd op een plek verblijft, overlijdt als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen.

Daarvoor geldt een grenswaarde van 10-6, ofwel een kans van maximaal 1 op één miljoen. Deze grenswaarde dient volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het Omgevingsplan in acht te worden genomen voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties geldt dat slechts rekening moet worden gehouden met de grenswaarde. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het aandachtsgebied van een risicovolle activiteit. 4.5.2 Beoordeling Ten behoeve van de beoordeling van de voor onderhavige kwetsbare objecten mogelijke externe veiligheidsrisico's, is het Register externe veiligheid geraadpleegd. Daaruit blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van risicovolle bronnen. De dichtstbijzijnde risicovolle bron betreft het gasexportstation van Gasunie ten oosten van het plangebied, gelegen op ca. 650 meter afstand.

28

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

Uitsnede Register externe veiligheid met aanduiding plangebied 4.5.3 Conclusie Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'omgevingsveiligheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

4.6

Cultureel erfgoed

4.6.1 Algemeen In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed ('cultuurgoederen') als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermd monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 4.6.2

Beoordeling

4.6.2.1 Archeologie Op grond van het ter plekke geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Margraten’ geldt ter plekke van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’. Confrom de archeologische monumenten-en verwachtingskaart, vastgesteld door de gemeente Eijsden-Margraten op 18 december 2012, is ter plaatse van onderhavige locatie de zone 'categorie 3 monumenten van hoge waarde niet beschermd volgens de Monumentenwet' van toepassing. Voor deze

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

29

categorie wordt archeologisch onderzoek voorgeschreven bij bodemverstoring dieper dan 50 centimeter en met een groter oppervlak dan 250 m2 .

Uitsnede archeologische verwachtingskaart met aanduiding plangebied Onderhavig voornemen heeft geen bodemverstoring tot gevolg, waardoor de grenswaarden niet worden overschreden. 4.6.2.2 Overig cultureel erfgoed Van overig cultureel erfgoed (monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen, e.d.) is ter plekke van onderhavig plangebied geen sprake. 4.6.3 Conclusie Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'cultureel erfgoed' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

4.7

Verkeer en parkeren

4.7.1 Algemeen Bij veranderingen in de fysieke leefomgeving dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. 4.7.2

Beoordeling

4.7.2.1 Verkeersstructuur Ten behoeve van de ontsluiting van het plangebied wordt de bestaande in-/uitritconstructie gebruikt. Als gevolg van voorliggend project neemt het aantal verkeersbewegingen niet toe. Gelet op vorenstaande behoeven ten gevolge van voorliggend voornemen geen problemen te worden verwacht

30

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

in de verkeersstroming, -afwikkeling en -veiligheid. 4.7.2.2 Parkeren De voorgenomen functiewijziging heeft geen invloed op de parkeersituatie ter plaatse. Er vindt geen functiewijziging plaats die leidt tot een toename van de parkeerbehoefte. De woningen zijn in de praktijk altijd als zodanig gebruikt, onderhavig voornemen impliceert geen intensiever of ander gebruik. De planologische aanpassing corrigeert enkel een eerdere onjuistheid, waarbij de feitelijke woonfunctie ten onrechte als bedrijf is bestemd. Hiermee wordt de bestaande situatie planologisch-juridisch in overeenstemming gebracht met het daadwerkelijke gebruik, zonder wijziging in parkeerdruk of parkeerbehoefte. 4.7.2.3 Conclusie Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'verkeer en parkeren' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

4.8

Water en watersystemen

4.8.1 Algemeen In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een Omgevingsplan of buitenplanse omgevingsplanactiviteit rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke rijksbelangen geldt aanvullende instructieregels: Bescherming van primaire waterkeringen (5.38 Bkl); Behoud waterveiligheid kust (5.39 – 5.40 Bkl); Behoud waterveiligheid grote rivieren (5.41 – 5.47 Bkl); IJsselmeergebied (5.48 – 5.49 Bkl). Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water. 4.8.1.1 Algemeen Water Programma 2022-2027 In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering: Nederland moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027.

Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren.

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

31

4.8.1.2 ProvinciaalWaterplan Limburg 2022-2027 Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2022-2027 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Hierin geeft de provincie uitwerking aan de in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen provinciale belangen op het gebied van water: Een integrale en realistische benadering van hoogwaterbescherming, wateroverlast, watertekort, verdroging en de verbetering van de waterkwaliteit in het stroomgebied van de Maas; Het in samenhang bezien en aanpakken van de zoetwatervoorziening (voor drinkwater en andere functies), natuurherstel, watersysteemherstel, waterveiligheid, landbouw, landschap en de stikstofproblematiek; Een ecologisch gezond, veerkrachtig en adaptief watersysteem om weersextremen zoveel mogelijk op een natuurlijke wijze op te vangen. De provincie stelt in de Omgevingsvisie Limburg en in het Provinciaal Waterprogramma Limburg de beleidskaders voor het regionale watersysteem. Op grond van het bepaalde in artikel 3.7 van de Omgevingswet zijn de onderdelen van het Provinciaal Waterprogramma die uitvoering geven aan de diverse Europese richtlijnen over water voor het waterschap kaderstellend. Gelet op de inhoudelijke samenhang binnen het watersysteem en de hiervoor vermelde provinciale belangen is doorwerking van het volledige waterprogramma naar het waterschap noodzakelijk.

Hieraan is in de Omgevingsverordening invulling gegeven. 4.8.1.3 Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027 Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2021-2025 is uitgezet. Kort samengevat zijn de belangrijkste speerpunten in het Waterbeheerprogramma: Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas; Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden; Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zin natuurlijk ingericht; Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken. Deze indeling is niet scherp, want water kent geen grenzen en is verbonden met andere thema's. Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken zorgt voor een gelijkmatiger afvoerdynamiek. Regenwater infiltreren in stedelijk gebied helpt daar ook bij, voorkomt dat riolen overstorten en ontlast onze zuiveringen. Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen moeten in samenhang met elkaar worden bekeken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EijsdenMargraten&id=e3943db5-e750-495a-9328-518f5fc88aa0