CConstaterende datEijsden-Margraten
Koppel je AI →
Document · PDF

20251216 16d Av_wijzigingen

* Raadsvergaderingen 16 december 2025, gemeente Eijsden-MargratenBij agendapunt: Wijziging Algemene verordening Eijsden-Margraten30.747 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

54

Artikel 3.7.1 Begripsbepaling In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - bebouwde kom: de kernen, zoals opgenomen in de bijgevoegde bijlage van de door bureau Windmill opgestelde gebiedsvisie gemeente Margraten d.d. december 2008 en gebiedsvisie gemeente Eijsden d.d. 13 oktober 2009. Artikel 3.7.2 Waarden voor ou-dieren De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een binnen de gemeente voormalige agrarische bedrijfswoning en/of geurgevoelig object die na 18 maart 2000 heeft of hebben opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, bedraagt: a. binnen de bebouwde kom ten minste 50 meter; b. buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter. De afstand wordt gemeten overeenkomstig het bepaalde in het Bal. Artikel 3.7.3 Waarden voor vaste afstandsdieren De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een binnen de gemeente gelegen geurgevoelig object, bedraagt: a. binnen de bebouwde kom ten minste 50 meter; b. buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter. De afstand wordt gemeten overeenkomstig het bepaalde in het Bal. Artikel 3.7.4 Waarden voor geurgevoelige objecten niet meer tot de milieubelastende activiteit behorend. a.

De geurnorm tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object dat geen deel meer uitmaakt van de eigen veehouderij, bedraagt 25 ouE./m3. De geurbelasting wordt overeenkomstig het bepaalde in het Bal vastgesteld. b. De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object dat niet meer tot de eigen veehouderij behoort, bedraagt nul meter. Hoofdstuk 3.8 Gemeentelijke begraafplaatsen (voorheen: Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen Gemeente Eijsden-Margraten 2011)

55

Paragraaf 3.8.1 Openstelling, orde en rust Artikel 3.8.1.1 Openstelling begraafplaats(en) 1. De begraafplaatsen zijn voor iedereen dagelijks toegankelijk tussen zonsopgang en zonsondergang. 2. Voor het bewaren van de orde en rust op de begraafplaatsen kunnen de toegangen tijdelijk worden gesloten. 3. Het is verboden gedurende de tijd dat de begraafplaatsen niet voor het publiek geopend zijn, zich daarop te bevinden. Voor het bijwonen van een begrafenis of de bezorging van as geldt dit verbod niet. Artikel 3.8.1.2 Ordemaatregelen 1. Bezoekers, personeel van uitvaartondernemingen en personen die werkzaamheden op de begraafplaatsen verrichten, zijn verplicht zich in het belang van de orde, rust en netheid te houden aan de aanwijzingen van de beheerder. 2. De beheerder kan personen die zich niet aan de in het eerste lid bedoelde aanwijzingen houden van de begraafplaats (laten) verwijderen. 3. Het is verboden: a. met motorrijtuigen op de begraafplaatsen te rijden anders dan voor een begrafenis of voor het vervoeren van materialen; b. op de begraafplaatsen sneller dan 10 km per uur te rijden; c. op de graven te lopen, zitten of de begraafplaats te verontreinigen; d. op de begraafplaatsen bloemen of andere waar te koop aan te bieden. 5.

Het is aan steenhouwers, grafdelvers, hoveniers en daarmee gelijk te stellen personen verboden, zonder toestemming van de beheerder, werkzaamheden voor derden aan grafbedekkingen op de begraafplaatsen te verrichten. Artikel 3.8.1.3 Plechtigheden 1. Herdenkingsbijeenkomsten, onthullingen van gedenktekens en dergelijke plechtigheden op de begraafplaatsen moeten ten minste zes dagen tevoren worden gemeld aan de beheerder. Datum en uur van de plechtigheid en de wijze waarop deze zal plaatsvinden worden in overleg met de aanvrager door de beheerder vastgesteld. 2. De deelnemers aan de plechtigheid, bedoeld in het eerste lid moeten zich in het belang van de orde, rust en netheid houden aan de aanwijzingen van de beheerder. Artikel 3.8.1.4 Opgravingen en ruimen Het opgraven van lijken en ruimen van graven is alleen toegestaan als daarbij geen andere personen aanwezig dan degenen die met deze werkzaamheden zijn belast en de door de gemeente aangewezen toezichthouder.

56

Paragraaf 3.8.2 Lijkbezorging Artikel 3.8.2.1 Melding begraven, asbezorging, openen en sluiten graf 1. Degene die wil doen begraven, as bijzetten of as verstrooien, meldt dit schriftelijk aan de beheerder uiterlijk om 12.00 uur van de werkdag voorafgaande aan die waarop de gedraging zal plaatsvinden. De zaterdag geldt voor de toepassing van deze bepaling niet als werkdag. 2. Als de burgemeester toestemming heeft gegeven om het lijk binnen 36 uur na het overlijden te begraven, moet dit zo snel mogelijk bij de beheerder worden gemeld. 3. Het delven en openen van een graf ter begraving of voor het bezorgen van as, het daarna sluiten van een graf en ook het bedienen van de hulpmiddelen, mag uitsluitend gebeuren door het personeel van de begraafplaats op aanwijzing en met goedkeuring van de beheerder. De nabestaanden kunnen deze werkzaamheden onder toezicht van de beheerder geheel of gedeeltelijk zelf verrichten als zij hun wens daartoe uiterlijk om 12.00 uur van de voorafgaande werkdag schriftelijk aan de beheerder hebben gemeld. De zaterdag geldt voor de toepassing van deze bepaling niet als werkdag. Zij dienen bij deze werkzaamheden de aanwijzingen van de beheerder op te volgen. 4. Het lijk, het omhulsel en de asbus of urn, moeten zijn voorzien van een duurzaam identiteitskenmerk. De gegevens van het kenmerk moeten overeenstemmen met de administratie van de begraafplaats.

Artikel 3.8.2.2 Begraving 1. Begraving is alleen toegestaan als van tevoren het verlof tot begraven is ingeleverd bij de beheerder. 2. Als de begraving, bijzetting of bezorging van as in een particulier graf plaatsvindt, moet een door de rechthebbende ondertekende machtiging daartoe bij de beheerder worden ingeleverd, ondertekend door de rechthebbende. Dit gebeurt door degene die in de uitvaart voorziet als de rechthebbende is overleden. 3. Begraving of bijzetting in een particulier graf waarvan de uitgiftetermijn binnen de wettelijke minimum grafrusttermijn afloopt, kan alleen plaatsvinden onder gelijktijdige verlenging van de uitgiftetermijn met een zodanige periode dat de dan resterende uitgiftetermijn ten minste gelijk is aan de wettelijke minimum grafrusttermijn. De verlenging dient te worden aangevraagd door de rechthebbende. Als deze is overleden, door een van de andere personen genoemd in 3.8.2.1. van deze Verordening. 4. De in het vorige lid bedoelde periode van verlenging wordt naar boven afgerond op hele jaren. Artikel 3.8.2.3 Tijden van begraven en asbezorging Begraven en het bezorgen van as vindt plaats op werkdagen en zaterdagen tussen zonsop- en zonsondergang. Paragraaf 3.8.3 Indeling en uitgifte graven

57

Commentaar [GN19]: Bepaling over as verstrooien is bij vorige wijziging vervallen in de Av. Melding van as bijzetten heeft geen functie.

Artikel 3.8.3.1 Indeling graven en asbezorging 1. Op de begraafplaatsen kunnen worden uitgegeven particuliere: a. graven en urnengraven; b. verstrooiingsplaatsen; c. grafkelders. 2. Een particulier (huur)graf of particulier (huur)urnengraf is een grafruimte waarvoor het uitsluitend recht is verleend voor het begraven van maximaal drie lijken en het bijzetten van maximaal zes asbussen. Artikel 3.8.3.2 Volgorde van uitgifte De particuliere graven worden slechts voor directe begraving en in volgorde van ligging uitgegeven. Artikel 3.8.3.3 Gedenktekens plaatsen Gedenktekens mogen alleen worden geplaatst overeenkomstig een door het college voorgeschreven model. Artikel 3.8.3.4 Grafkelder Het college kan aan de rechthebbende op een particulier graf vergunning verlenen voor het daarin voor eigen rekening (laten) realiseren van een grafkelder overeenkomstig de door het college te stellen voorwaarden. Artikel 3.8.3.5 Termijnen particuliere graven, urnengraven en grafkelders 1. Het college verleent, als de daartoe bestemde ruimte van de begraafplaatsen dat toelaat, op een daartoe bij hen schriftelijk in te dienen aanvraag, voor de tijd van twintig of dertig jaar recht op een particulier graf. De termijn begint op de datum waarop het particuliere graf is uitgegeven. 2.

Het in het eerste lid van dit artikel bedoelde recht wordt op aanvraag van de rechthebbende verlengd telkens met een termijn van tien, vijftien of twintig jaar, mits de aanvraag voorafgaand aan het verstrijken van de lopende termijn wordt ingediend. 3. Een recht als in dit artikel bedoeld, kan slechts aan één rechthebbende worden verleend ten behoeve van zichzelf en voor de personen genoemd in artikel 3.8.2.1 van deze Verordening. Verlenging van het recht ten behoeve van een ander is alleen mogelijk als daarvoor gewichtige redenen bestaan. Artikel 3.8.3.6 Overschrijving van verleende rechten

58

1. Het recht op een particulier graf kan op schriftelijke aanvraag van de rechthebbende bij het college worden overgeschreven op naam van een andere natuurlijk persoon of rechtspersoon. 2. Na het overlijden van de rechthebbende kan het recht op het particuliere graf worden overgeschreven op naam van een natuurlijk persoon of rechtspersoon, als de aanvraag daartoe wordt ingediend binnen zes maanden na het overlijden van de rechthebbende. Als de overleden rechthebbende in het graf wordt begraven, of als de asbus met zijn resten in het graf wordt bijgezet, moet het verzoek tot overschrijving daaraan voorafgaand worden ingediend. 3. Als na het overlijden van de rechthebbende de aanvraag tot overschrijving aan het college niet wordt ingediend binnen de in het tweede lid van dit artikel gestelde termijn, dan is het college bevoegd het recht op het particuliere graf te laten vervallen. 4. Na het verstrijken van de in het tweede lid genoemde termijn kan het college het particuliere graf alsnog op naam stellen van een nieuwe rechthebbende, tenzij dit recht betrekking heeft op een particulier graf dat intussen is geruimd. Artikel 3.8.3.7 Afstand doen van graven Zonder aanspraak te kunnen maken op enige vergoeding kan de rechthebbende schriftelijk afstand doen ten behoeve van de gemeente van het recht op het particuliere graf.

De ontvangst van zodanige verklaring deelt het college schriftelijk mede aan de rechthebbende. Paragraaf 3.8.4 Grafbedekkingen Artikel 3.8.4.1 Vergunning grafbedekking (Vervallen) 1. Voor een grafbedekking is een vergunning nodig van het college. 2. Het college kan de vergunning weigeren als: a. niet wordt voldaan aan de ter zake vastgestelde nadere regels; b. de grafbedekking afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats; c. de duurzaamheid van de materialen onvoldoende is, of d. de constructie van de grafbedekking ondeugdelijk is. Artikel 3.8.4.2 Onderhoud door rechthebbende of gebruiker 1. Het (laten) plaatsen, aanbrengen, herstellen, vernieuwen of verwijderen van de grafbedekking gebeurt voor rekening en risico van de rechthebbende of de gebruiker. 2. De rechthebbende of gebruiker is verplicht de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of herstellen.

59

Commentaar [GN20]: De vergunningplicht wordt niet nageleefd en niet gehandhaafd. Verder geen negatieve effecten op de fysieke leefomgeving.

3. Als de rechthebbende of gebruiker nalaat de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of herstellen, dan kan het college de hiervoor in aanmerking komende voorwerpen of zo nodig de hele grafbedekking laten verwijderen. Het verwijderde blijft gedurende dertien weken ter beschikking van de rechthebbende of de gebruiker en vervalt daarna aan de gemeente, zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is. 4. De verwijdering vindt pas plaats nadat het college de rechthebbende of de gebruiker door middel van een verklaring schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van de toestand van de grafbedekking. Als het adres van de rechthebbende of de gebruiker niet bekend is, maakt het college de verklaring bij de ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord bekend. Bij het graf wordt een verwijzing naar de mededeling aangebracht. 5. Het college kan de rechthebbende of de gebruiker per aanschrijving verplichten een beschadiging aan de grafbedekking te herstellen als de beschadiging zodanig is dat deze het uiterlijk aanzien van de begraafplaats schaadt of als de beschadiging van de grafbedekking gevaar oplevert voor derden. 6. Niet-blijvende beplanting op een graf die in een verwaarloosde staat verkeert kan door de beheerder worden verwijderd zonder dat aanspraak kan worden gemaakt op schadevergoeding.

Losse bloemen, planten, kransen en dergelijke kunnen door de beheerder worden verwijderd, als zij verwelkt zijn. Linten, siervazen en dergelijke worden dertien weken ter beschikking gehouden van de rechthebbende. Artikel 3.8.4.3 Verwijdering grafbedekking na verstrijken termijn 1. De grafbedekking kan na het verstrijken van de termijn van uitgifte van het graf door het college worden verwijderd. 2. Het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking maakt het college ten minste één jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd per brief bekend aan de rechthebbende of, als het een algemeen graf betreft, aan de belanghebbende. Als het adres van de rechthebbende of belanghebbende niet bekend is, maakt het college het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking bekend ten minste één jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd door middel van een bij het graf geplaatst bordje en bij de ingang van de begraafplaats. 3. Als de grafbedekking niet binnen dertien weken na de verwijdering is afgehaald, vervalt deze aan de gemeente, zonder dat de gemeente tot enige vergoeding verplicht is. Paragraaf 3.8.5 Ruiming van graven en urnengraven Artikel 3.8.5.1 Ruiming, bezorging van overblijfselen en as 1.

Het voornemen van het college om een graf te ruimen wordt ten minste één jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop het graf zal worden geruimd, per brief aan de rechthebbende bekend gemaakt. Als het adres van de rechthebbende of belanghebbende niet bekend is, maakt het college het voornemen tot ruiming van het graf bekend ten minste één jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop de ruiming plaatsvindt door middel van een bij het graf geplaatst bordje en bij de ingang van de begraafplaats.

60

2. De beheerder draagt er zorg voor dat met de bij de ruiming van het graf nog aanwezige menselijke resten te allen tijde respectvol wordt omgegaan en dat bezoekers van de begraafplaats niet met menselijke resten worden geconfronteerd. 3. De bij de ruiming van het graf nog aanwezige menselijke resten worden begraven en de as wordt verstrooid op een van de daartoe bestemde gedeelten van de begraafplaatsen. 4. De rechthebbende op een particulier graf kan bij de beheerder een aanvraag indienen om de menselijke resten te laten verzamelen om deze te cremeren of ergens anders opnieuw te begraven. De rechthebbende op een particulier urnengraf kan bij de beheerder een aanvraag indienen de asbus ter beschikking te houden, ergens anders bij te zetten of om de as te verstrooien. Paragraaf 3.8.6 Register Artikel 3.8.6.1 Voorschriften 1. Het college kan voorschriften vaststellen voor het register van de begraven lijken. 2. Het register wordt bijgehouden door een door het college aangewezen ambtenaar.

Hoofdstuk 3.9 Bescherming van het milieu, waardevolle natuur en uiterlijk aanzien van de gemeente Paragraaf 3.9.1 Voorkomen en beperken geluid- en lichthinder Artikel 3.9.1.1 Definities In deze paragraaf wordt onder inrichting verstaan hetgeen daarover staat in bijlage 1 waarbij geldt dat de artikelen in dit hoofdstuk uitsluitend van toepassing zijn op milieubelastende activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunningplicht geldt. Artikel 3.9.1.2 Collectieve festiviteiten 1. De geluidnormen bedoeld in de artikelen 5.55, 5.59, 5.60, 5.64, 5.65, 5.66, 5.67, 5.68, 5.69, 5.70, 5.71 en 5.72 van het Bkl, gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten en voor de volgende dagen: - nieuwjaarsdag; - carnavalsvrijdag tot en met carnavalswoensdag; - eerste en tweede paasdag; - Koningsnacht en -dag; - Bevrijdingsdag; - Hemelvaartsdag; - eerste en tweede pinksterdag; - eerste en tweede kerstdag; - oudejaarsavond, en - de dagen waarop kermis of Bronk wordt georganiseerd in de desbetreffende kern van de gemeente Eijsden-Margraten.

61

2. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een kalenderjaar bekend. 3. Het college kan een festiviteit onmiddellijk aanwijzen als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste en tweede lid, als deze redelijkerwijs niet te voorzien was. 4. Het geluidniveau voor versterkte muziek van de geluidbronnen mag tot de eindtijd van de festiviteit niet meer bedragen dan: - 80 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT ); - 94 dB(C) voor bastonen, en - 95 dB(A) voor het maximaal geluidsniveau (LAmax). 5. De meting van het geluid als bedoeld in het vierdevijfde lid vindt plaats overeenkomstig de recentste versie van de Richtlijn ‘Meten en rekenen industrielawaai’. Bij de meting van muziekgeluid wordt geen gevelreflectiecorrectie toegepast. 6. Op de dagen, als bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidnorm, bedoeld in de artikelen 5.55, 5.59, 5.60, 5.64, 5.65, 5.66, 5.67, 5.68, 5.69, 5.70, 5.71 en 5.72 van het Bkl, uiterlijk beëindigd om 02:00 uur in een horecabedrijf en 01:30 uur in een feesttent en in de openlucht. 7. De geluidnorm als bedoeld in het vierdevijfde lid, geldt alleen voor het bebouwde gedeelte van de inrichting. 8. Bij het ten gehore brengen van muziek blijven ramen en deuren gesloten, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 3.9.1.3 Incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidnormen, bedoeld in de artikelen 5.55, 5.59, 5.60, 5.64, 5.65, 5.66, 5.67, 5.68, 5.69, 5.70, 5.71 en 5.72 van het Bkl, niet van toepassing zijn. Dit mag echter alleen als de houder van de inrichting dit ten minste twee weken voor het begin van de festiviteit schriftelijk meldt aan het college, via het daartoe door het college vastgestelde meldformulier. 2. Het is een inrichting toegestaan om maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met incidentele festiviteiten de verlichting aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten. Dit mag echter alleen als de houder van de inrichting dit ten minste tien werkdagen voor het begin van de festiviteit daarvan schriftelijk meldt aan het college, via het daartoe door het college vastgestelde meldformulier. 3. De melding is gedaan als het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, op tijd is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 4. Het college kan een festiviteit onmiddellijk aanwijzen als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste en tweede lid, als deze redelijkerwijs niet te voorzien was. 5. Uitwisseling tussen dagen waarop collectieve en individuele festiviteiten plaatsvinden, is niet toegestaan. 6.

Het geluidniveau voor versterkte muziek van de geluidbronnen mag tot de eindtijd van de festiviteit evenement niet meer bedragen dan:

62

- 85 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT ); - 99 dB(C) voor bastonen, en - 1002 dB(A) voor het maximaal geluidsniveau (LAmax). 7. Bij de meting van muziekgeluid wordt geen gevelreflectiecorrectie toegepast. 8. Op de dagen, als bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidnorm, bedoeld in de artikelen 5.55, 5.59, 5.60, 5.64, 5.65, 5.66, 5.67, 5.68, 5.69, 5.70, 5.71 en 5.72 van het Bkl, uiterlijk beëindigd om 02:00 uur in een horecabedrijf en 01:30 uur in een feesttent en in de openlucht. 9. De geluidnorm als bedoeld in het zesdevijfde lid, geldt alleen voor het bebouwde gedeelte van de inrichting. 10. Bij het ten gehore brengen van muziek blijven ramen en deuren gesloten, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel 3.9.1.4 Verboden incidentele festiviteiten Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, te leiden of daaraan deel te nemen als de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit heeft verboden omdat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of openbare orde op ontoelaatbare wijze negatief wordt beïnvloed. Artikel 3.9.1.5 Overige geluidhinder 1.

Het is verboden buiten een inrichting op zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Bij de beoordeling of sprake is van geluidhinder gelden de geluidsnormen in de artikelen 5.55, 5.59, 5.60, 5.64, 5.65, 5.66, 5.67, 5.68, 5.69, 5.70, 5.71 en 5.72 van het Bkl. De beoordeling vindt plaats aan de hand van de recentste versie van de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999. 3. Het college kan een vergunning verlenen om af te wijken van het in het eerste lid bedoelde verbod. 4. In afwijking van het eerste lid geldt geen verbod voor het gebruik van knalapparatuur in de fruitteelt mits dit niet wordt aangewend in de periode van 1 september tot 1 juni en in de tijdsperiode van 21.00 uur tot 06.00 uur. 5. Paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning als bedoeld in het derde lid. Paragraaf 3.9.2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 3.9.2.1 Verbod oplaten ballonnen en plastic confettiverbod

63

Commentaar [GN21]: De norm van 102 dB(A) is erg hoog. De gezondheidsraad adviseert 100 dB(A) in het advies van 22 nov. 2022 (Gehoorschade door versterkte muziek).

1. 1. Het is verboden ballonnen in de openlucht door middel van hete lucht afkomstig van vuur of gassen, te laten opstijgen. 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor ballonnen ten behoeve van een ballonvaart.

Commentaar [DQ22]: Noodzakelijke aanpassing zodat ballonvaart juridisch niet verboden is.

32. Het is verboden op een openbare plaats plastic confetti en plastic serpentines te strooien. Het gebruik van spuitbussen met confetti en serpentines van plastic is eveneens verboden. Artikel 3.9.2.2 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden op een openbare plaats de natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel 3.9.2.3 Toestand van sloten, andere wateren, niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten, andere wateren, niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die hindert, gevaar oplevert voor de openbare veiligheid, of nadeel voor de gezondheid. Paragraaf 3.9.3 Hinderlijke of gevaarlijke reclame Artikel 3.9.3.1 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken door middel van letters, aankondiging of een afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. Paragraaf 3.9.4 Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 3.9.4.1 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden zonder vergunning van het college ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen en geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd. 2.

Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. In aanvulling op de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de vergunning worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap, of b. het uiterlijk aanzien van de gemeente. Hoofdstuk 3.10 Handelingen met houtopstanden (voorheen: Bomenverordening gemeente Eijsden-Margraten 2015)

64

Commentaar [GN23]: Zie memo ‘Bomenregels’

Artikel 3.10.1 Kaart Landschapselementenkaarten lijst beschermde bomen 1. Het college stelt een kaart vast met landschapselementen.bijbehorende lijst ‘beschermde bomen’. 2. Besluiten over de totstandkoming en herziening van de kaart worden openbaar gemaakt door kennisgeving op de gemeentelijke internetpagina en in een plaatselijk huis-aan-huis blad. 2. Beschermde bomen moeten in hun oorspronkelijke beeld en conditie behouden blijven. 3. De kaart en ‘lijst beschermde bomen’ bevat in ieder geval een goed herkenbare omschrijving, de standplaats, soortaanduiding, eigendomsgegevens en het kadastrale perceelnummer. Artikel 3.10.1a Vergunningplicht landschapselementen 1. Het is verboden zonder vergunning van het college landschapselementen als vermeld op de kaart als bedoel in artikel 3.10.1, eerste lid van deze Verordening, te vellen of laten vellen. 2. De vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. dit noodzakelijk is vanwege veiligheidsredenen, of b. een betrokken maatschappelijk belang zwaarder weegt dan het belang om het landschapselement in stand te houden. 3. De in het eerste lid bedoelde vergunningplicht geldt niet als het omgevingsplan voorziet in een vergunningplicht ten aanzien van een wijziging aan het landschapselement en bij de verlening van die vergunning de aspecten genoemd in het tweede lid, onder a en b, zijn betrokken.

Artikel 3.10.1b Verplichtingen eigenaar landschapselement 4. De eigenaar van een landschapslementbeschermde boom is verplicht moet het college onmiddellijk mededeling te doen van: a. eigendomsoverdracht van een landschapselementbeschermde boom; b. de vestiging van zakelijke rechten met betrekking tot een landschapselementover een beschermde boom; c. het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van een landschapselementbeschermde boom; d. de dreiging dat het landschapselementde beschermde boom geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan. 5. Besluiten over de totstandkoming en herziening van de kaart en de ‘lijst beschermde bomen’ worden openbaar gemaakt door kennisgeving op de gemeentelijke internetpagina en in een plaatselijk huis-aan-huis blad. De eigenaren van beschermde bomen ontvangen een besluit tot plaatsing van hun boom op de kaart en de lijst beschermde bomen.

65

6. Het college beheert een bomenfonds, waaruit het college een bijdrage kan verlenen in de kosten van maatregelen, die noodzakelijk zijn voor het duurzaam in stand houden van beschermde bomen, die als monumentaal zijn aangemerkt. Artikel 3.10.2 Vergunningplicht vellen houtopstand (waaronder bomen) 1. Het is verboden zonder vergunning van het college bomen te vellen of laten vellen: a. waarvan de omtrek op één meter boven maaiveld meer dan 150 centimeter is, of b. die zijn aangewezen als rijksmonument en waarvoor het college bevoegd gezag is. 2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt eveneens voor: a. houtopstand aangelegd vanwege een herplant- en instandhoudingplicht op grond van de artikelen 3.10.6 of 3.10.7 van deze Verordening; b. houtopstand aangelegd op grond van een overeenkomst met een publiekrechtelijk bestuursorgaan; c. houtopstand aangelegd op grond van een publiekrechtelijke toestemming. 3. Het verbod in het eerste en tweede lid geldt niet voor: a. houtopstand die moet worden geveld krachtens een aanschrijving van het college, dit onverminderd het bepaalde in de artikelen 3.10.6 en 3.10.7 van deze Verordening; b. reguliere onderhoudswerkzaamheden aan houtopstand. 4. De vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. dit noodzakelijk is vanwege veiligheidsredenen, of b.

een betrokken maatschappelijk belang zwaarder weegt dan het belang om de houtopstand in stand te houden. 5. De in het eerste lid bedoelde vergunningplicht geldt niet als het omgevingsplan voorziet in een vergunningplicht ten aanzien van een wijziging aan de houtopstand en bij de verlening van die vergunning de aspecten genoemd in het tweede lid, onder a en b, zijn betrokken. Artikel 3.10.3 Toetscriteria (Vervallen) Nadat de alternatieven voor velling uitputtend zijn onderzocht wordt een vergunning voor het vellen van een beschermde boom slechts bij uitzondering verleend, als: a. een zwaarwegend maatschappelijk belang groter is dan het belang van het duurzaam behoud van de beschermde boom, die een monumentale status heeft; b. een maatschappelijk belang groter is dan het belang van de beschermde boom, die een waardevolle status heeft en voor de houtopstanden van artikel 3.10.2, tweede lid, onder a, b en c van deze Verordening, of

66

Commentaar [GN24]: Het bomenfonds is niet verankerd in de begroting. Wel wordt incidenteel een bijdrage gegeven voor kosten van herplant. Dan gaat het om een paar honderd euro. Dit is te marginaal om in stand te houden.

c. naar het oordeel van een boomdeskundige instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of ernstige schade. Artikel 3.10.4 Vergunningaanvraag 1. Een vergunningaanvraag wordt overeenkomstig afdeling 3.4 Awb direct na ontvangst bekend gemaakt in een plaatselijk huis-aan-huisblad en op de gemeentelijke internetpagina. Iedereen kan gedurende vier weken na de bekendmaking zijn zienswijze hierover geven. 2. De beslissing op een vergunningaanvraag om te (laten) vellen kan worden opgeschort als de aanvraag is ingediend in samenhang met de aanvraag voor een ander toestemmingplichtig werk of toestemmingsplichtige activiteit, zolang op die andere aanvraag niet is beslist. 3. Het besluit op de vergunningaanvraag wordt direct bekend gemaakt in een plaatselijk huis-aan-huisblad en op de gemeentelijke internetpagina onder gelijktijdige verzending aan de aanvrager. Bij deze bekendmaking wordt de datum van verzending aan de aanvrager genoemd als begin van de bezwaartermijn van zes weken. 4. De vergunning om te (laten) vellen als bedoeld in deze Verordening vervalt één jaar na het onherroepelijk worden van deze vergunning, tenzij hiervan in de vergunning is afgeweken. Artikel 3.10.5 Gebruikmaken van vergunning 1. Met vellen mag niet worden begonnen voordat de bezwarentermijn is afgelopen. 2.

Als gedurende de bezwarentermijn een bezwaarschrift is ingediend, mag van de vergunning pas gebruik worden gemaakt na één week nadat op dat bezwaarschrift is beslist. Artikel 3.10.5a Vellen zonder vergunning 1. In het geval zonder vergunning als bedoeld in dit Hoofdstuk wordt of is geveld, dient de eigenaar van het landschapselement of boom aan te tonen dat geen vergunning nodig is of was. 2. Het niet voldoen aan de in dit Hoofdstuk bedoelde vergunningplicht kan leiden tot het opleggen van een herplantplicht. Artikel 3.10.6 Herplantfonds In aanvulling op het gestelde in artikel 1.1.4 van deze Verordening kan aan de vergunning het voorschrift worden verbonden dat de financiële boomwaarde van de te vellen boom of houtopstand door de vergunninghouder moet worden gestort in het gemeentelijk herplantfonds. Artikel 3.10.7 Herplant-/instandhoudingplicht 1. Het college kan een herplantplicht met voorschriften opleggen aan de degene die bevoegd is tot het treffen van voorzieningen op de grond:

67

a. waarop zich een landschapelementboom of houtopstand bevond waarvoor een kapverbod tot vellen gold als bedoeld in deze Verordening, en b. voor het vellende kap geen vergunning was verleend of het landschapselement dan wel de boom of houtopstand op andere wijze teniet zijn gegaan. 2. Het college kan een verplichting onder voorschriften opleggen om voorzieningen te treffen waardoor de ernstige bedreiging in het voortbestaan van vergunningplichtige landschapselementenbomen en houtopstanden wordt weggenomen. 3. Het college kan in de situatie als bedoeld in het tweede lid, de verplichting opleggen om een ‘bomen effect analyse’ te laten opstellen. 4. De verplichtingen als bedoeld in het tweede en derde lid kunnen worden opgelegd aan degene die bevoegd is tot het treffen van de voorzieningen. 5. Als herplant ter plaatse niet mogelijk is, kan de verplichting worden opgelegd de financiële boomwaarde van de te vellen boom of houtopstand te storten in het gemeentelijk herplantfonds. Artikel 3.10.8 Afstand tot erfgrens De geoorloofde minimale afstand tot de erfgrens is voor bomen, heesters en heggen langs openbaar gebied, nul meter. Artikel 3.10.9 Bestrijding boomziekten 1.

Als op een terrein een houtopstand aanwezig is één of meer bomen staan die gevaar opleveretn voor verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van ziekteverspreiders, kan het college de rechthebbende op die boom verplichten binnen een termijn: a. volgens, in overeenstemming met aanwijzingen van het college de gevelde houtopstand onmiddellijk zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen, en/of b. de houtopstand ter plaatse te vellen. 2. Het is verboden gevelde houtopstandbomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben dan wel te vervoeren, als het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden. Artikel 3.10.10 Schade veroorzaken Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen en in bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, bermen, taluds, grasperken of bloembakken, verboden schade toe te brengen aan bomen, hagen en bloem-, gras- of heesterperken. Artikel 3.10.11 Opslag afval in de open lucht (vervallen)

68

Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met paragraaf 3.10.2 van deze Verordening aanbieden of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen.

Hoofdstuk 3.11 Markten (Voorheen: Marktverordening gemeente EijsdenMargraten 2013) Paragraaf 3.11.1 Venten Artikel 3.11.1.1 Ventverbod 1. Het is verboden te venten op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen, dagen of uren. 2. Het verbod is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard. Paragraaf 3.11.2 Standplaatsen Artikel 3.11.2.1 Standplaatsvergunning 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelsbekwaam natuurlijk persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het college. 3. Paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning als bedoeld in het eerste lid. Artikel 3.11.2.2 Intrekking standplaatsvergunning 1. Het college trekt een standplaatsvergunning in bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van artikel 7 van het Marktreglement de vergunning wordt overgeschreven. 2. Het college kan een vaste standplaatsvergunning intrekken als de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 3.11.2.1, tweede lid van deze Verordening genoemde vereisten. 3.

Als degene op wie een vergunning door, vanwege van artikel 7 van het Marktreglement is overgeschreven, al vergunning heeft voor een andere vaste standplaats op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken. Artikel 3.11.2.3 Toestemming rechthebbende

69

Commentaar [GN25]: Hoort niet thuis in dit hoofdstuk. Tevens geldt dat het opslagverbod al wordt geregeld in het omgevingsplan.

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning een standplaats wordt of is ingenomen. Hoofdstuk 3.12 Stoken van vuur Artikel 3.12.1 Verbod verbranden afvalstoffen buiten inrichtingen of op andere wijze stoken van vuur 1. Het is verboden zonder vergunning van het college in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wm of op een andere wijze vuur aan te leggen, stoken of hebben. 2. Als geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, als geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de vergunning worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 4. Paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning als bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 3.13 Kwaliteit uitvoering (voorheen: Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht EijsdenMargraten) (vervallen)

Commentaar [GN26]: Opgenomen in afzonderlijke verordening. Commentaar [DQ27R26]: Verordening uitvoering en handhaving omgevingsrecht gemeente Eijsden-Margraten | Lokale wet- en regelgeving

Artikel 3.13.1 Begripsbepalingen (vervallen) In dit hoofdstuk wordt aanvullend op de in bijlage 1 opgenomen begrippenlijst verstaan onder: - betrokken wetten: de wet en de wetten, bedoeld in hoofdstuk 18 van de Ow. Artikel 3.13.2 Reikwijdte (vervallen) Dit hoofdstuk is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van het bevoegd gezag. Artikel 3.13.3 Betrokkenheid raad (vervallen)

70

De gemeenteraad ziet toe op de hoofdlijnen van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van de voor de gemeente vastgestelde beleidskaders voor de fysieke leefomgeving. Artikel 3.13.4 Kwaliteitsdoelen (vervallen) 1. Het college beoordeelt de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door hen krachtens de artikelen 13.5 en 13.6 van het Ob gestelde doelen. 2. De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten, hebben in ieder geval betrekking op de: a. dienstverlening; b. uitvoeringskwaliteit van diensten en producten, en c. financiën. Artikel 3.13.5 Kwaliteitsborging basistaken (vervallen) 1. Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van het college betreffende de basistaken, zijn de actuele kwaliteitscriteria van toepassing die in landelijke samenwerking tussen bevoegde bestuursorganen beschikbaar zijn gesteld. 2. Over de naleving van de kwaliteitscriteria doet het college jaarlijks mededeling aan de gemeenteraad. 3. Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden nageleefd, informeert het college daarover gemotiveerd de gemeenteraad.

Hoofdstuk 3.14 Gemeentelijke adviescommissie Mergelland Artikel 3.14.1 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - aangesloten gemeenten: de gemeenten Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Vaals en Valkenburg aan de Geul; - bestuur: het bestuur van de commissie; - college: het college van burgemeester en wethouders; - commissie: gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 17.9 Ow, genaamd de Gemeentelijke adviescommissie Mergelland; - stads- of dorpsbouwmeester, erfgoeddeskundige, landschapsdeskundige: respectievelijk het lid van de commissie aan wie door de raad bij of krachtens deze verordening specifieke taken zijn opgedragen; - goede omgevingskwaliteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.3 Ow; - monument: monument als bedoeld in de bijlage bij artikel 1 Ow; - raad: gemeenteraad; - vertegenwoordiger: één van de leden van het college.

71

Artikel 3.14.2 Taken commissie 1. De commissie heeft als taak de desbetreffende bestuursorganen van de aangesloten gemeenten schriftelijk te adviseren bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden op grond van de Ow met het oog op het bereiken, bevorderen en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit en al hetgeen daarmee verband houdt. 2. De stads- of dorpsbouwmeester heeft als taak te adviseren over (aan)vragen met betrekking tot welstands- en stedenbouwkundige voorschriften. 3. De erfgoeddeskundige heeft als taak te adviseren over (aan)vragen met betrekking tot erfgoed. 4. De landschapsdeskundige heeft als taak te adviseren over initiatieven zoals bepaald in de: a. intergemeentelijke structuurvisie of het gemeentelijk kwaliteitsmenu met betrekking tot landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteit; b. omgevingsvisie of het omgevingsplan met betrekking tot landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteit, na vaststelling van deze beleidsdocumenten; c. gemeentelijke regels en over andere (aan)vragen met betrekking tot landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteit; d. rechtsopvolger(s) van plannen als bedoeld onder a. en b. 5. De commissieleden geven advies voor zover dat voor de vervulling van hun taak nodig is. 6.

Commissieleden die betrokken zijn of zijn geweest bij de uitvoering van een activiteit waarvoor een aanvraag is ingediend waarover de commissie adviseert, onthouden zich van medewerking aan het desbetreffende advies en zijn tijdens de behandeling van en de besluitvorming over het advies niet in de vergadering aanwezig. Artikel 3.14.3 Samenstelling commissie De commissie bestaat uit het aantal leden dat mede gelet op de aard en omvang van het te beoordelen plan nodig wordt geacht door de voorzitter van de commissie. Artikel 3.14.4 Benoeming en ontslag commissieleden en plaatsvervangers 1. De voorzitter van de commissie meldt elke vacature binnen 8 dagen aan het bestuur. Door het bestuur wordt uiterlijk binnen 6 maanden na ontvangst van de melding, in de vacature voorzien. 2. De leden en plaatsvervangers van de commissie worden door het bestuur voor maximaal vier jaar benoemd op persoonlijke titel op grond van hun professionele deskundigheid die nodig is voor de advisering.

72

3. De leden en plaatsvervangers zijn direct voorafgaand aan de benoeming gedurende tenminste vijf jaar niet werkzaam geweest onder verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur van één of meer van de aangesloten gemeenten. 4. Herbenoeming van leden van de commissie en plaatsvervangers, kan steeds voor maximaal vier jaar plaatsvinden. 5. De leden worden op eigen aanvraag ontslagen, met een opzegtermijn van minimaal één maand. 6. Een lid kan door het bestuur worden geschorst en/of ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid, niet naleven van de procedures of op andere zwaarwegende gronden. Artikel 3.14.5 Ondersteuning commissie 1. De commissie wordt ondersteund door tenminste één ambtelijk secretaris. 2. De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de commissie uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie. 3. De secretaris kan worden ondersteund door andere ambtelijke medewerkers, die voor hun werkzaamheden voor de commissie uitsluitend verantwoording schuldig zijn aan de secretaris. 4. De secretaris noch de ambtelijke medewerkers zijn lid van de commissie. Artikel 3.14.6

Commissiebestuur en taken

1. Het bestuur bestaat uit één collegelid per aangesloten gemeente. 2. Het bestuur benoemt de leden van de commissie alsmede de secretaris en hun plaatsvervangers. 3. Het bestuur stelt in ieder geval nadere regels vast met betrekking tot: - werkafspraken van de commissie en het bestuur; - de werkzaamheden van de secretaris, inclusief notulering en dossiervorming; - de financiële vergoeding van de commissieleden en de plaatsvervangers; - de wijze waarop besluiten worden genomen, inclusief het vereiste quorum voor een besluitvormende vergadering, en - de kostenverdeling van de aangesloten gemeenten. 4. Het bestuur kiest uit zijn midden een voorzitter. 5. De functie van secretaris van het bestuur wordt vervuld door de secretaris van de commissie. Artikel 3.14.7 Vergadering commissie 1. De data van de vergaderingen van de commissie worden op de gemeentelijke website bekendgemaakt.

73

2. Alleen de aanvrager van de omgevingsvergunning en diens gemachtigde hebben de mogelijkheid tijdens de vergadering het woord te voeren, een toelichting op de aanvraag te geven en hierover het gesprek aan te gaan met de commissie. Artikel 3.14.8 Adviestermijn 1. Bij een adviesverzoek aan de commissie geeft het college aan binnen welke termijn een advies moet worden uitgebracht. 2. Als het college geen termijn heeft gesteld, brengt de commissie binnen twee weken advies uit. Artikel 3.14.9 Overgangsrecht 1. De op grond van de Bouwverordening en Erfgoedverordening zoals die golden voor 1 januari 2024, van de aangesloten gemeenten benoemde leden van de commissie en de plaatsvervangers, worden geacht te zijn benoemd op grond van dit hoofdstuk. De benoemingstermijn als bedoeld in artikel 4 begint vanaf het moment van benoeming op grond van dit hoofdstuk. 2. Als voor de inwerkingtreding van de Ow een beoordeelbare aanvraag is ingediend, blijft het oude recht met betrekking tot de commissies op het gebied van welstand en monumentenzorg van kracht, met dien verstande dat de Gemeentelijke adviescommissie Mergelland wordt geacht de in artikel 8 van de Woningwet en de in artikel 9.1, eerste lid, onder a, van de Erfgoedwet in samenhang met artikel 15 van de Monumentenwet 1988, zoals die golden voor 1 januari 2024, bedoelde commissie te zijn.

Hoofdstuk 3.15 Nadeelcompensatie (voorheen: Planschadeverordening gemeente Eijsden-Margraten 2011) Artikel 3.15.1 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. aanvrager: degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de schade indient; b. bestuursorgaan: het bestuursorgaan van de gemeente dat bevoegd is te beslissen op de aanvraag om tegemoetkoming in schade; c. belanghebbende: - degene die de activiteit verricht en met wie een overeenkomst als bedoeld in artikel 13.3c, eerste lid van de Ow is gesloten, en - als sprake is van een schadeveroorzakend besluit naar aanleiding van een aanvraag, zoals geregeld in artikel 13.3d van de Ow: de aanvrager van dat besluit of degene die de toegestane activiteit verricht; d. adviseur: een door het bestuursorgaan aan te wijzen deskundige; d. schadebeoordelingscommissie: een door het college ingestelde commissie, bestaande uit één of meer adviseurs.

74

Artikel 3.15.2 Toepassingsbereik 1. Dit hoofdstuk heeft betrekking op aanvragen om schadevergoeding als bedoeld in artikel 4:126, eerste lid van de Awb, waarvan de aanvrager stelt dat die wordt veroorzaakt door een besluit van een bestuursorgaan van de gemeente. 2. Dit hoofdstuk heeft geen betrekking op aanvragen om schadevergoeding waarop een bijzondere schadevergoedingsregeling van toepassing is. Artikel 3.15.3 Heffen recht 1. Voor het in behandeling nemen van de aanvraag om schadevergoeding wordt een recht van € 500,- geheven. 2. Het bestuursorgaan wijst de indiener van de aanvraag op de verschuldigdheid van het recht en wijst er op dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de gemeente. Als het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, verklaart het bestuursorgaan de aanvraag niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Artikel 3.15.4 Aanvraag 1. De aanvrager van schadevergoeding maakt gebruik van een door het bestuursorgaan vastgesteld (elektronisch) formulier. 2.

De aanvraag wordt ondertekend door de aanvrager en bevat in ieder geval: de naam en het adres van de aanvrager, de dagtekening, de gegevens en documenten die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn; de aanduiding van het besluit of het overheidshandelen dat de schade veroorzaakt; een aanduiding van de aard van de schade, de hoogte daarvan en een specificatie daarvan, voor zover redelijkerwijs mogelijk. 3. In aanvulling op artikel 4:127 Awb bevat een aanvraag tevens: a. als het schade betreft wegens winst- of inkomstenderving: jaarrekeningen over het jaar waarin schade is geleden en voor zover van toepassing de drie daaraan voorafgaande jaren alsmede de aanslagen vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting; b. als het schade betreft wegens gederfde huurinkomsten: een kopie van de huurovereenkomst of gebruiksovereenkomst en de eigendomsakte; 4. Ter beoordeling van het bestuursorgaan kunnen zo nodig aanvullende stukken en specificaties worden gevraagd. Artikel 3.15.5 Inschakeling van een adviseur of adviescommissie 1. Het bestuursorgaan kan advies inwinnen bij een adviseur of adviescommissie voor zover dat naar zijn oordeel noodzakelijk is om op de aanvraag om schadevergoeding te kunnen beslissen. 2. Een adviseur of adviescommissie kan worden benoemd als:

75

a. vaste adviseur of adviescommissie, benoemd door het college voor een termijn van maximaal vier jaar met de mogelijkheid tot herbenoeming voor maximaal vier jaar, of b. tijdelijke adviseur of adviescommissie voor advisering met betrekking tot één of meer aanvragen. 3. Advies als bedoeld in het eerste lid, wordt niet ingewonnen als: a. de aanvraag kennelijk ongegrond is, omdat zich een weigeringsgrond voordoet als bedoeld in artikel 4:126, tweede lid Awb; b. de schade kennelijk niet kan worden toegerekend aan een door een bestuursorgaan van de gemeente genomen besluit of verrichte handeling; c. de aanvraag naar het oordeel van het bestuursorgaan voldoende gelijkenis vertoont met andere aanvragen waarvoor al advies is uitgebracht; d. het in de aanvraag genoemde bedrag aan schadevergoeding minder bedraagt dan € 500,- of e. naar het oordeel van het bestuursorgaan in de gemeentelijke organisatie voldoende deskundigheid voor de beoordeling van de aanvraag aanwezig is. 4. Het besluit om de aanvraag af te wijzen zonder inschakeling van een adviseur of adviescommissie wordt genomen binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag dan wel binnen acht weken nadat de termijn is verstreken waarbinnen de aanvrager de aanvraag kon aanvullen. Artikel 3.15.6 Procedure 1.

Het college informeert de aanvrager en andere belanghebbenden als advies wordt ingewonnen bij een adviseur of adviescommissie. 2. Bij de toepassing van de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb worden, voor zo ver van toepassing, naast de aanvrager betrokken: a. degene die de activiteit verricht en met wie een overeenkomst als bedoeld in artikel 13.3c, eerste lid Ow is gesloten, en b. als sprake is van een schadeveroorzakend besluit naar aanleiding van een aanvraag, zoals geregeld in artikel 13.3d Ow, de aanvrager van dat besluit of degene die de toegestane activiteit verricht, tenzij: - de schadevergoeding redelijkerwijze voor rekening behoort te blijven van het bestuursorgaan, of - de schadevergoeding voldoende op een andere manier is verzekerd. Artikel 3.15.7 Werkwijze van de adviseur en adviescommissie 1. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie stelt de aanvrager, het bestuursorgaan en de belanghebbenden in de gelegenheid een toelichting te geven, dan wel een standpunt over de aanvraag kenbaar te maken. 2. Als dit voor de advisering nodig is, wordt door de adviseur of de adviescommissie de situatie ter plaatse bezichtigd. Het tijdstip van deze plaatsopneming wordt bepaald door de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie.

76

3. Voordat een advies wordt uitgebracht, zendt de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie binnen zestien weken na dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daarvan aan het bestuursorgaan, de aanvrager en de belanghebbenden. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn verlengen. 4. De aanvrager, het bestuursorgaan en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending van het conceptadvies schriftelijk hierop te reageren. 5. In het geval binnen de gestelde termijn reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn een advies uit aan het bestuursorgaan, waarbij de desbetreffende reacties zijn betrokken. 6. In het geval geen of niet op tijd reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn een advies uit aan het bestuursorgaan. Artikel 3.15.8 Beslissing op de aanvraag 1. Het bestuursorgaan beslist binnen acht weken na ontvangst van het advies op de aanvraag en maakt dit besluit binnen deze termijn, door toezending van het advies, bekend aan de aanvrager en de belanghebbenden. 2.

Het bestuursorgaan kan de in het eerste lid bedoelde beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verlengen. Artikel 3.15.9 Betaling Bij geheel of gedeeltelijke toewijzing van een aanvraag om schadevergoeding wordt de toegewezen schadevergoeding betaald voorafgaand aan het onherroepelijk worden van het besluit op de aanvraag om schadevergoeding.

Hoofdstuk 3.16 Participatie (gereserveerd)

Titel 4 Straf-, toezicht, overgangs- en slotbepalingen Hoofdstuk 4.1 Straf- en toezichtbepalingen Artikel 4.1.1 Strafbepalingen Titel 2 1. Overtreding van het bij of krachtens Titel 2 van deze Verordening bepaalde en op grond van artikel 1.1.4 van deze Verordening daarbij gegeven voorschriften wordt gestraft met hechtenis van maximaal drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

77

2. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a Wed van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.3.1, eerste lid van deze Verordening. 3. In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s. Artikel 4.1.2 Strafbepalingen Titel 3 (Tijdelijk deel omgevingsplan) 1. Overtreding van het bij of krachtens Titel 3 van deze Verordening bepaalde en op grond van artikel 1.1.4 van deze Verordening daarbij gegeven voorschriften wordt gestraft met hechtenis van maximaal drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. 2. In afwijking van het eerste lid wordt degene die handelt in strijd met artikel 3.3.5.1 of het bepaalde krachtens artikel 3.3.5.2, derde lid van deze Verordening gestraft met hechtenis van maximaal drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. 3. In afwijking van het eerste lid wordt overtreding van het bij of krachtens artikel 3.4.1 van deze Verordening bepaalde gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 4. In afwijking van het eerste lid wordt handelen in strijd met de artikelen uit hoofdstuk 3.8 gestraft met een geldboete van de eerste categorie.

Hoofdstuk 4.2 Toezicht Artikel 4.2.1 Binnentreden woning ter uitvoering van noodverordeningen Degenen belast met het toezicht op de nakoming van een voorschrift van een door de burgemeester op grond van artikel 176 van de Gemeentewet vastgesteld algemeen verbindend voorschrift, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner(s). Artikel 4.2.2 Binnentreden woningen Degenen belast met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze Verordening gegeven voorschriften die als doel hebben handhaving van de openbare orde, openbare veiligheid, bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner(s). Hoofdstuk 4.3 Overgangsrecht Artikel 4.3.1 Bestaande aanvragen 1. Op complete aanvragen om besluiten bij of krachtens de in artikel 4.4.3 van deze Verordening zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze Verordening, blijft het recht van toepassing zoals dat gold op het moment van de aanvraag.

78

2. Op niet complete aanvragen om besluiten bij of krachtens de in artikel 4.4.3 van deze Verordening genoemde ingetrokken verordeningen, ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening en al dan niet getoetst, is deze Verordening van toepassing. Artikel 4.3.2 Bestaande besluiten en beleidsregels 1. Besluiten bij of krachtens de in artikel 4.4.3 van deze Verordening genoemde ingetrokken verordeningen die onherroepelijk waren op het moment van inwerkingtreding van deze Verordening, worden aangemerkt als een besluit bij of krachtens deze Verordening. 2. Beleidsregels die hun grondslag vinden in één of meer van de in artikel 4.4.3 genoemde ingetrokken verordeningen of in besluiten bij of krachtens deze verordeningen, en die onherroepelijk waren op het moment van inwerkingtreding van deze Verordening, worden aangemerkt als beleidsregels die hun grondslag vinden in deze Verordening. Artikel 4.3.3 Rechtsbescherming Op besluiten waartegen ten tijde van de inwerkingtreding van deze Verordening rechtsbeschermingsmiddelen waren gebruikt, blijft het recht van toepassing zoals dat gold direct voor deze inwerkingtreding.

Artikel 4.3.4 Erfgoedverordening (Tijdelijk deel omgevingsplan) Krachtens de Erfgoedverordening Eijsden-Margraten 2022 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze Verordening. Artikel 4.3.5 Adviescommissie (Tijdelijk deel omgevingsplan) 1. De op grond van de van toepassing zijnde verordeningen van de aangesloten gemeenten benoemde leden van de commissie en de plaatsvervangers, worden geacht te zijn benoemd op grond van dit hoofdstuk. De benoemingstermijn als bedoeld in artikel 3.14.4 van deze Verordening begint vanaf het moment van benoeming op grond van dit hoofdstuk of deze Verordening. 2. Als voor de inwerkingtreding van deze Verordening een beoordeelbare aanvraag is ingediend, blijft het oude recht met betrekking tot de commissies op het gebied van welstand en monumentenzorg van kracht, met dien verstande dat de Gemeentelijke adviescommissie Mergelland wordt geacht de in artikel 8 van de Woningwet en de in artikel 9.1, eerste lid, onder a, van de Erfgoedwet in samenhang met artikel 15 van de Monumentenwet 1988 bedoelde commissie te zijn.

Artikel 4.3.6 Planschade (Tijdelijk deel omgevingsplan) De Planschadeverordening Eijsden-Margraten 2011 blijft gelden voor aanvragen die op grond van de overgangsbepalingen nadeelcompensatie van de Ow volgens het oude recht afgehandeld dienen te worden. Hoofdstuk 4.4 Slotbepalingen

79

Artikel 4.4.1 Inwerkingtreding wijzigingen Deze gewijzigde verordening treedt in werking vanaf 1 januari 2026. Deze verordening treedt in werking vanaf het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. Artikel 4.4.2 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene verordening Eijsden-Margraten. Artikel 4.4.3 Intrekking verordeningen De volgende verordeningen worden ingetrokken: - Algemene plaatselijke verordening gemeente Eijsden-Margraten, vastgesteld op 3 februari 2015; - Verordening winkeltijden Eijsden-Margraten 2017, vastgesteld op 24 november 2017; - Wegsleepverordening Eijsden-Margraten 2020, vastgesteld op 15 mei 2021; - Verordening speelautomatenhallen Eijsden-Margraten 2014, vastgesteld op 16 juli 2014; - Parkeerverordening Eijsden-Margraten 2015, vastgesteld op 24 oktober 2015; - Bouwverordening gemeente Eijsden-Margraten 2018, vastgesteld op 15 november 2018; - Erfgoedverordening gemeente Eijsden-Margraten 2022, vastgesteld op 9 december 2022; - Verordening Wet geurhinder en veehouderij Eijsden-Margraten, vastgesteld op 4 juli 2013; - Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Eijsden-Margraten 2011, vastgesteld op 1 juni 2011; - Bomenverordening gemeente Margraten 2010, vastgesteld op 15 juni 2010; - Bomenverordening gemeente Eijsden-Margraten 2015, vastgesteld op 17 februari 2015; - Marktverordening gemeente Eijsden-Margraten 2013,

vastgesteld op 1 januari 2013; - Planschadeverordening gemeente Eijsden-Margraten 2011, vastgesteld op 1 juni 2011; - Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht Eijsden-Margraten, vastgesteld op 23 juli 2016; - Telecomverordening gemeente Eijsden-Margraten 2011, vastgesteld op 1 juni 2011. Ondertekening

Aldus besloten in de openbare vergadering van 12 december 202316 december 2025, De plaatsvervangend griffier, De voorzitter,

80

Algemene verordening gemeente Eijsden-Margraten Bijlage 1: definities als bedoeld in artikel 1.1.1 van deze Verordening Begrip aansluitleiding afvalwater algemeen graf asbus Awb Ballon

beheerder beschermd stads- of dorpsgezicht

bevoegd gezag bezoeker

bouwwerk

bromfiets, snorfiets, scooter collectieve festiviteit college consumentenvuurwerk doelmatige werking

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EijsdenMargraten&id=c474a79e-5af1-4c3d-abbc-066c8abbd763