20241015 07zd Geanonimiseerd Zienswijze 1 ontwerp TAM-omgevingsplan Slakweg Gronsve
Tekst van het document
meer (%)
Huishoudensgroei vooral in steden Tussen 2010 en 2021 groeide het aantal huishoudens het sterkst in de vier grote en de middelgrote steden (met 100 duizend inwoners of meer). Dit is niet zo verwonderlijk omdat de bevolking in deze steden vaak ook bovengemiddeld groeide. De sterke groei van het aantal huishoudens in de grote steden is overigens een recent fenomeen. Tot 2010 bleven de grote steden niet alleen in bevolkingsgroei,
maar ook in huishoudensgroei achter bij de
Landelijke ontwikkelingen. In die periode nam het aantal huishoudens vooral toe in de middelgrote steden, deels door overloop van jonge stellen uit de vier grote steden. De prognose voorziet dat tot 2035 vooral in de steden er relatief veel huishoudens bijkomen, met de sterkste groei in de vier grote steden. inwoners is de voorziene huishoudensgroei
In gemeenten met minder dan 100 duizend juist relatief laag.
Na 2035 daalt het tempo van de huishoudensgroei overal in Nederland, hoewel die groei in de vier grote steden nog steeds aanzienlijk is. In de overige gemeenten met 100 duizend of meer inwoners wordt de huishoudensgroei in de periode 2035-2050 meer dan gehalveerd. Vooralin de kleinere gemeenten daalt de huishoudensgroei sterk. Voor de kleinste gemeenten (minder dan 40 duizend inwoners) wordt zelfs nauwelijks nog groei verwacht.
20
PBL/CBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognose 2022-2050 - Steden en randgemeenten groeien verder
De toename van het
aantal huishoudens
zal zich
in de toekomst dus net als de
bevolkingsgroei concentreren in stedelijk Nederland.
3.15
Huishoudensgroei per jaar naar gemeentegrootte
4 15
l
jo
ll h 2000 ot2010
2010012021
2021 tot 2035
I2055tot 2050
eb =
Vier grote steden
ME 100 000 of meer inwoners
40000tot100000inwoners
_M
Tot40 000 inwoners
Nederland totaal
Bron:
3.2
PBL/CBS
Meer huishoudens in de tien grootste gemeenten In Amsterdam komen er volgens de prognose de meeste huishoudens bij. De stad telt in 2035 circa 550 duizend huishoudens, bijna 80 duizend meer dan in 2021. Dit komt neer op een groei van ruim 15 procent.
Het aandeel eenpersoonshuishoudens blijft er naar verwachting
ook groter dan in de andere grote steden. In 2021 bestaat daar 54 procent van de huishoudens uit één persoon, in 2050 is 56 procent van de huishoudens een eenpersoonshuishouden. In Utrecht worden tot 2035 zo'n 45 duizend extra huishoudens verwacht, een groei van 25 procent. In Den Haag is de huishoudensgroei net als in Amsterdam meer
dan 15 procent. In Rotterdam wordt tussen 2021 en 2035 een toename met
circa 10 procent verwacht. Na 2035 blijft het aantal huishoudens in alle vier grote steden verder groeien. Tussen 2035
en 2050 groeit het aantal huishoudens in Amsterdam, Den Haag en Utrecht met bijna 15 procent, terwijl Rotterdam wat achterblijft met bijna 10 procent meer huishoudens.
Ontwikkelingvan hetaantalhuishoudens
21
3.2.1
Huishoudens in de tien grootste gemeenten
Amsterdam
Rotterdam
's-Gravenhage
Utrecht
Eindhoven
Groningen
Tiburg
Almere
Breda
Nijmegen aa 0
100
200
300
400
500
00
700
x1000
2005
Bron:
MM
2021
2035
mm
2050
PBI/CBS
Op de gemeentelijke ranglijst van het aantal huishoudens staat Groningen in 2021 op de vijfde plaats. Dat is boven Eindhoven, hoewel die stad meer inwoners telt. In Groningen is de gemiddelde huishoudensgrootte laag met 1,71 personen tegen 1,94 personen in Eindhoven. Groningen is een typische studentenstad, wonen en na afronding van hun studie
waar de meeste jongeren tijdens hun studie alleen weer wegtrekken (Rambharos en Beets, 2015).
Het aantal huishoudens in Groningen is sinds 2009 snel toegenomen. Deze sterke groei zal naar verwachting aanhouden tot circa 2030 om daarna wat af te zwakken, in lijn met de bevolkingsgroei. In Eindhoven blijft het aantal huishoudens echter sterk toenemen, waardoor het Groningen na 2040 op de ranglijst zal passeren.
In andere steden, zoals Tilburg en Nijmegen, blijft het aantal huishoudens tot 2035 toenemen in een tempo dat vergelijkbaar is met dat in de voorgaande jaren. Van alle gemeenten met meer dan 100 duizend inwoners is de relatieve huishoudensgroei het sterkst in Almere. In 2000 lag de stad nog duidelijk achter op de andere steden in de top tien van grootste gemeenten, maar in 2030 zal het naar verwachting Breda en Nijmegen gepasseerd zijn en n 2050 ongeveer
evenveel huishoudens tellen als Tilburg. De sterke stijging van het
aantal huishoudens hangt samen met de komst van extra huishoudens vanuit de omliggende regio, aangetrokken door de woningbouw in het kader van de schaalsprong. Hoewel de huishoudensgrootte in Almere in de toekomst daalt van 2,37 personen in 2021 naar 223 personen in 2035, blijft deze relatief hoog. De stad stijgt daardoor weliswaar op de
22
PBL/CBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognase 2022-2050 - Steden en randgemeenten groeien verder
ranglijst maar blijft op een gedeelde zevende plaats steken. Op de ranglijst van het inwonertal staat Almere op de vijfde plaats.
Ontwikkeling van hetaantalhuishoudens
23
4
Vergrijzing Erratum Na publicatie van dit artikel is geconstateerd dat de detailcijfers waarop dit hoofdstuk is
gebaseerd onvoldoende betrouwbaar
. PBL en CBS kunnen
de desbetreffende
prognoses niet binnen afzienbare termijn herzien. Daarom adviseren zij om de informatie in dit hoofdstuk niet te gebruiken. Zie voor meer informatie dit erratum.
Een van de belangrijkste trends in de demografie van Nederland is de voortgaande vergrijzing. In 1950 was minder dan 8 procent van de bevolking 65 jaar of ouder, sindsdien is dat aandeel voortdurend toegenomen.
Vanaf 2011 is de vergrijzing versneld doordat de
eerste babyboomers, de relatief grote geboortecohorten van na 1945, vanaf dat momentde leeftijd van 65 jaar bereikten. In 2021 is het percentage 65-plussers al opgelopen naar 19,8. De Kernprognose voorziet een verdere stijging naar 24,4 procent ouderen in 2035. Tot 2040 zet de vergrijzing nog door, tot 25,1 procent ouderen in 2040. Daarna neemt het aandeel ouderen heel geleidelijk af en in 2050 zal 24,7 procent van de bevolking 65 jaar of ouder zijn (Stoeldraijer, Van Duin, De Regt‚ Van der Reijden en Te Riele, 2021).
41
Vooral vergrijzing buiten de randstad Tussen regio's zijn grote verschillen in de mate van vergrijzing. Aan de randen van Nederland is het aandeel 65-plussers hoger. Hier is dit aandeel ouderen de afgelopen twintig jaar sneller toegenomen dan in de Randstad (Kooiman, 2016). De prognose voorziet dat de randen de komende jaren het meest vergrijsd zullen blijven. Tot 2035 krijgen alle regio'ste maken met verdere vergrijzing. Dat geldt ook voor
de
Randstad, ondanks dat daar in de toekomst veel jongeren it binnen- en buitenland naar toe zullen trekken en er relatief veel kinderen zullen worden geboren.
Flevoland is op dit
momentde minst vergrijsde regio, maar ook hier neemt het aandeel ouderen toe. Veel bewoners zijn van middelbare leeftijd e zullen de komende jaren de leeftijd van 65 jaar bereiken. Toch blijft Flevoland naar verwachting tot de minst vergrijsde regio's behoren, onder andere doordat er veel woningen bij blijven komen voor nieuwe gezinnen. Het aandeel ouderen neemt er toe van 14,5 procent in 2021 naar 20,2 procent in 2035 Ook diverse andere regio's in de Randstad blijven tot de jongste behoren.
26
PBLCBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognose 2022-2050 - Steden en randgemeenten groeien verder
4.1.1 Percentage 65-plussers per COROP 2021
2035
2050
Minder dan 15 (%) 15t0t20(%) 2010t25(%) 25to130(%) z0of meer (X}
Bron: PBL/CES.
Zeeuws-Vlaanderen is in 2021 de meest vergrijsde regio van Nederland met 26,3 procent 65-plussers. In Zeeland is de levensverwachting relatief hoog en er trekken ook veel jongeren uit deze regio weg voor een opleiding of voor werk. In het noorden, oosten en zuidoosten van het land wonen eveneens al relatief veel ouderen. Hier zijn wegtrekkende jongeren niet alleen direct, maar ook indirect debet aan: zij krijgen hun kinderen ook elders. Voor Limburg speelt bovendien al decennia dat de gezinnen er naar verhouding klein zijn. Het gemiddeld kindertal per vrouw is er laag (Huisman en De Jong, 2017).
In de nu sterkst vergrijsde regio's zal de vergrijzing ook n de toekomst sterker zijn dan elders in het land. In 2035 is Midden-Limburg het meest vergrijsd met 30,9 procent 65-plussers
tegen 24,5 procent nu. Ook Oost-Groningen, Delfzijl en omgeving, Achterhoek, ZeeuwsVlaanderen en Zuid-Limburg zullen geconfronteerd worden met een sterke vergrijzing. In deze regio's komt in 2035 het percentage inwoners van 65 jaar of ouder naar verwachting in een groot deel van de gemeenten boven de 30 uit. Na 2040 neemt de vergrijzing in Nederland licht af, waardoor in veel van de sterk vergrijsde regio's het aandeel 65-plussers weer enigszins gaat dalen. Dat is met name het geval in Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Limburg,
maar ook in gemeenten in Noord- en Zuidoost-
Drenthe, en elders langs de randen van Nederland. Ondertussen neemt in andere regio's het aandeel 65-plussers wat toe, waardoor de regionale verschillen in vergrijzing kleiner worden. Delfzijl en omgeving is in 2050 de meest vergrijsde regio. Daar is dan 31,5 procent 65 jaar of ouder. Cijfers over vergrijzing per gemeente zijn te vinden op de themapagina van het PBL of op StatLine.
Vergrijzing
25
Meer verstedelijkt, minder vergrijsd De huidige verschillen in de mate van vergrijzing hangen samen met de mate van verstedelijking. Hoe groter en meer verstedelijkt de gemeente, hoe lager het aandeel ouderen. Het aandeel 65-plussers ligt in 2021 bijna op 14 procent in de vier grote steden, en op bijna 23 procent in de kleinste gemeenten. Tot 2035 krijgen echter ook de grote steden te
maken met een groeiend aandeel ouderen dat zal stijgen naar bijna 20 procent. Door de verwachte nieuwbouw in de grote steden blijven nieuwe, jonge gezinnen voor de stad behouden en wordt de uitstroom naar omringende gemeenten beperkt. De gezinnen die in de steden blijven wonen, worden echter ook ouder. Toch blijven de grote steden naar verwachting jong in vergelijking met andere gemeenten, waar de vergrijzing ook verder doorzet. In de kleinere gemeenten is in 2035 gemiddeld bijna 30 procent 65 jaar of ouder. Na 2035 worden de verschillen naar gemeentegrootte volgens de prognose kleiner. Dit komt
doordat in de grote en middelgrote steden het aandeel 65-plussers nog verder stijgt, terwijl dit aandeel in de kleinere gemeenten stabiliseert of enigszins afneemt
412
Percentage 65-plussers naar gemeentegrootte
x 10
30
4
z10
î|
f
l
f
d
2021
Vier grotesteden 40 000 tot 100 000 inwoners
MEE
2050
100 000 of meer inwoners Tot 40 000 inwoners
Nederland totaal
Bron:
4.2
PBI/CBS
Ookvergrijzing in de tien grootste gemeenten Utrecht i van de vier grote steden het minst vergrijsd. In 2021 was circa 10 procent van de bevolking 65 jaar of ouder. De positie van Utrecht als typische studentenstad is hier debet aan. Na Utrecht is Amsterdam het minst vergrijsd en op enige afstand volgen Den Haag en Rotterdam. In de afgelopen jaren is de vergrijzing in Utrecht nauwelijks toegenomen, terwijl het in Amsterdam vrij sterk is gestegen.
26
PBL/CBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognose 2022-2050 - Steden en randgemeenten groeien verder
Utrecht zal ook in 2035 nog de minst vergrijsde grote stad zijn, met 17 procent 65-plussers
tegen ongeveer 20 procent 6-plussers in de andere grote steden. De wijk Leidsche Rijn in Utrecht is de grootste nieuwbouwlocatie van Nederland. Daar trokken de afgelopen jaren veel gezinnen naartoe. Mede hierdoor zal n Utrecht vooral na 2035 de vergijzing sneller doorzetten, als ook deze bewoners steden kleiner
4.2.1
ouder worden. Daardoor zal het gat met de andere grote
worden.
Percentage 65-plussers voor de tien grootste gemeenten
Amsterdam
Rotterdam
s-Gravenhage
utrecht
Eindhoven
Groningen
Tiburg
Almere
Breda
Nijmegen 30
2005
Bron:
mm
2021
2035
797
2050
PBI/CBS
Ook de andere steden in de top tien zullen naar verwachting verder vergrijzen. Net als de vier
grote steden hebben deze gemeenten echter ook in de toekomst een kleiner aandeel oudere inwoners dan landelijk. Almere was van deze steden begin 2021 het minst vergrijsd en zal dat naar verwachting ook in 2035 zijn. Na 2035 worden de verschillen in vergrijzing tussen de middelgrote steden geleidelijk kleiner. Almere vormt hierop een uitzondering, aangezien de stad de komende jaren naar verwachting nog veel jonge gezinnen zal aantrekken. Dit zal een verdere vergrijzing afremmen.
Vergrijzing
27
4.3
Sterke daling van het aantal potentiële zorgverleners Met de ouder
wordende
bevolking neemt
ook het aantal 85-plussers toe. Tot 2035 gaat hun
aantal naar verwachting bijna verdubbelen, van bijna 390 duizend in 2021 tot ruim
713 duizend. Daarna stijgt hun aantal door naar meer dan één miljoen in 2050. Ook als aandeel van de bevolking neemt het aantal 85-plussers sterk toe van 2,2 procent in 2021 naar 3,8 procent in 2035. In 2050 ligt dit percentage 2,5 keer zo hoog als nu en komt dan uit op 5,5 procent.
Onder 85-plussers is de zorgbehoefte relatief groot. Het aandeel dat door overlijden van de partner alleen komtte staan is eveneens groot (De Klerk et al., 2019). Mantelzorg komt vaak op de schouders van mensen van 50 tot 75 jaar terecht, meestal de kinderen van deze
ouderen. Met de groter wordende groep 85-plussers is het een steeds belangrijker maatschappelijk vraagstuk of er in de toekomst voldoende potentieel is om deze informele zorgte geven. Als indicator daarvoor kan worden gekeken naar de Oldest Old Support Ratio (Robine, Michel en Herrmann, 2007). Deze ratio geeftde verhouding
weer van het aantal
mensen van 50 tot 75 jaar ten opzichte van het aantal mensen van 85 jaar of ouder. In 1975 bedroeg dit cijfer voor Nederland nog 30. Dat betekent dat er 30 potentiële zorgverleners (50 tot 75 jaar) waren per 85-plusser.
Hierna zette een sterke daling in tot ruim 14 potentiële
zorgverleners in 2021. De prognose voorziet een verdere daling naar bijna 8 inwoners
in 2035 en naar $ inwoners van 50 tot 75 jaar per 85-plusser in 2050. Dit betekent dat in 2035 slechts ongeveer de helft van het aantal potentiële (informele) zorgverleners voor elke
85-plusser beschikbaar is ten opzichte van de huidige situatie, en n 2050 ongeveer één derde.
In Flevoland ligt in 2021 de ratio het hoogst met ruim 24. Vooral in Almere zijn e relatief veel potentiële zorgverleners per 85-plusser (31). Ook in Amsterdam en in diverse gemeenten onder Utrecht is dit aantal groter dan landelijk. In het Gooi en Vechtstreek, Zeeuws-
Vlaanderen en rondom Haarlem is de ratio in alle gemeenten in deze regio's samen een kleine 12. Ook in de regio's langs de oostgrens is de ratio doorgaans lager dan landelijk. In de toekomst dalen deze ratio's naar verwachting overal in Nederland.
In 2035 is het in nog maar
in een beperkt aantal gemeenten groter dan 10, bijvoorbeeld in Almere. De zorg aan ouderen kan hier onder sterke druk komen te staan.
Na 2035 kan de situatie nog urgenter
worden, aangezien de ratio in steeds meer regio's en gemeenten tot onderde 5 gaat dalen
28
PBL/CBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognose 2022-2050
- Steden en randgemeenten groeien verder
4.3.1 Oldest Old Support Ratio” per gemeente 2021
2035
2050
MinderdanS stot10 1010115
B
1510120
WE
200f meer
Bron:
PBL/CES,
* Aantal 50-tot 75-jarigen per B5-plusser
Vergrijzing
29
5
Ontwikkeling van de potentiële beroepsbevolking Erratum Na publicatie van dit artikel is geconstateerd dat de detailcijfers waarop dit hoofdstuk is gebaseerd onvoldoende betrouwbaar
zijn. PBL en CBS kunnen de desbetreffende
prognoses niet binnen afzienbare termijn herzien. Daarom adviseren zij om de informatie in dit hoofdstuk niet te gebruiken. Zie voor meer informatie dit erratum.
Een indicatie voor het arbeidsaanbod in de komende jaren is de omvang van de potentiële beroepsbevolking, de populatie tussen 20 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd. In 2022 ligt
deze leeftijd op 66 jaar en zeven maanden. Uitgaande van de op dit moment geldende wetgeving looptde AOW-Ieeftijd tot 2024 verder op tot 67 jaar. Vanaf dat moment wordt een verdere verhoging van de AOW-leeftijd gekoppeld aan de periode-levensverwachting bij 65 jaar en stijgt deze leeftijd met 8 maanden voor elk jaar dat de levensverwachting
toeneemt. Uitgaande van de levensverwachting in 2021 ligt de AOW-gerechtigde leeftijd in 2035 op 67 jaaren 9 maanden en in 2050 op 68 jaaren 9 maanden.
Voor deze jaren staat
de AOW-leeftijd echter nog niet vast
Tussen 2000 en 2015 bestond de potentiële beroepsbevolking uit een vrij stabiel aantal van circa 10 miljoen mensen. Hierna is deze gegroeid tot bijna 10,6 miljoen begin 2021. Rekening houdend met de opschuivende AOW-leeftijd neemt deze groep de komende
jaren
naar verwachting verder toe tot ruim 10,9 miljoen in 2025. Daarna, als de AOW-eeftijd minder snel opschuift, blijft de omvang van deze groep enige tijd vrij stabiel. In 2035 telt de potentiële beroepsbevolking bijna 11 miljoen mensen. Na 2040 neemt deze groep weer in omvang toe en bestaat in 2050 uit 11,4 miljoen personen. Deze verwachtingen kunnen
echter veranderen als de wetgeving rondom de AOW-lee
30
PBL/CBS Regionale bevolkings-en huishoudensprognose 2022-2050 - Steden en randgemeenten groeien verder
5.1
Aantal mensen in de potentiële beroepsbevolking*
xmiljoen 12
u
1
2000
_
2005
2010
Waamemingen
Bron:
2015
_ ——
2020
2025
2030
2085
2040
2065
2050
Prognose
PBL/CBS
20 jaar tot de AOW-leeftijd
541
Krimp potentiële beroepsbevolking in het noord- en zuidoosten In 2035 is de potentiële beroepsbevolking naar verwachting zo'n 400 duizend groter dan n 2021. Net als de totale bevolking is de bevolking in de werkzame leeftijden tegen die tijd niet overal gegroeid. Groei wordt vooral verwacht in regio's in de Randstad.
Ook in
Flevoland, op de Veluwe en in en om Eindhoven neemt het aantal inwoners in de werkzame Leeftijden toe.
Naar verwachting krimpt de potentiële beroepsbevolking in een aantal
gebieden langs de oostgrens van het land, vooral in het noorden en zuiden. er vaak nog geen sprake van een daling van het aantal inwoners.
In deze regio's is
Het dalende aantal
inwoners n de werkzame leeftijden kan hier echter toch een probleem betekenen. Deze regio's zijn doorgaans sterker vergrijsd, er wonen naar verhouding veel inwoners die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. Jonge mensen trekken er doorgaans weg voor studie of werk, en er komen minder mensen bij door bijvoorbeeld buitenlandse migratie. De regio's waar groei van de potentiële beroepsbevolking is voorzien, zijn juist de regio's waar jongeren naartoe gaan, vanwege de opleidingsmogelijkheden of banen, en die aantrekkelijk zijn voor buitenlandse (kennis)migranten. Vanwege de jongere inwoners is het
aantal geboorten daar ook groter, waardoor ook op termijn de instroom van nieuwe 20-jarigen de uitstroom van mensen op AOW-leeftijd overtreft. In de meeste gemeenten in de Randstad is sprake van een groeiende potentiële beroepsbevolking,
maar ook daarbuiten
zijn er plaatsen waar deze toeneemt. Voorbeelden zijn de stedenband in Noord-Brabant, vooral in en om Eindhoven, in het noorden (Groningen) en in het oosten (Enschede).
Ontwikkeling van de potentiële beroepsbevolking
31
5.1.1 Groei van de potentiële beroepsbevolking” per COROP 2021 t0t2035
B
2035 12050
winderdan-10(%) 10t0t-5(%) S 101-2,5(%]
EE
-251012,5(%) 2510t5(%)
B
Sofmeer(x)
20
aartot de AOW-leeftijd.
Bron:
PBI/CBS.
In de periode 2035-2050 neemt de potentiële beroepsbevolking in Nederland naar verwachting met een vergelijkbaar aantal toe als in de periode 2021-2035, ruim 400 duizend
mensen. De groef is dan ook gelijkmatiger over het land verdeeld. In diverse gebieden aan de rand van Nederland is niet langer sprake van duidelijke krimp, maar is de omvang van de beroepsbevolking min of meer stabiel. Slechts in een beperkt aantal gebieden in het noorden neemt de potentiële beroepsbevolking dan nog af. De gemeenten met de sterkste groei na 203 zijn te vinden rondom Amsterdam, Den Haag en in Flevoland, in gemeenten waar zich jonge gezinnen vestigen. Ook op de Veluwe en rondom Eindhoven blijft de potentiële beroepsbevolking nog relatief sterk groeien. Cijfers per gemeente zijn te vinden op de themapagina van het PBL of op Statline.
32
PBL/CBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognose 2022-2050 - Steden en randgemeenten groeien verder
Ontwikkeling van het aantal
basisschoolleerlingen Erratum Na publicatie van dit artikelis geconstateerd dat de detailcijfers waarop dit hoofdstuk is gebaseerd onvoldoende betrouwbaar
zijn. PBL en CBS kunnen de desbetreffende
prognoses niet binnen afzienbare termijn herzien. Daarom adviseren zij om de informatie in dit hoofdstuk niet te gebruiken. Zie voor meer informatie dit erratum.
De aantrekkingskracht van gemeenten op jonge gezinnen hangt onder andere af van de aanwezigheid van basisscholen in de buurt. Tegelijk is het voor deze scholen van belang dat ze voldoende leerlingen blijven trekken.
Landelijk wordt tot 2025 een daling van het aantal basisschoolleerlingen (4- tot 12-jarigen) voorzien, daarna neemt hun aantal naar verwachting weer toe. Deze ontwikkeling hangt samen met het aantal kinderen dat tussen 2010 en 2021 is geboren, een kleine 170 duizend per jaar. Rond 2000 ging het nog om meer dan 200 duizend kinderen. Jonge vrouwen hebben het moederschap uitgesteld, en hoewel er weer meer vrouwen in de vruchtbare
leeftijd komen, worden e toch naar verhouding weinig kinderen geboren. De kleinere geboortecohorten komen de komende jaren in de basisschoolleeftijd, terwijl de wat grotere cohorten van rond 2010 weer uitstromen. De verwachting is dat de huidige twintigers hun kinderen alsnog zullen krijgen en dat het aantal baby's dat jaarlijks geboren wordt in de
komende jaren gaat toenemen. Zo werden in 2021 weer meer kinderen geboren, ruim 179 duizend. Daardoor zal ook het aantal kinderen in de basisschoolleeftijd weer stijgen. De daling van het aantal basisschoolleerlingen die na 2040 wordt voorzien, is het gevolg van de kleine geboortecohorten vanaf 2010. De vrouwen die in die periode zijn geboren, komen na 2030 in de vruchtbare leeftijd. Doordatzij met minder zijn, worden er ook minder kinderen geboren
Ontwikkeling van het aantal basisschoolleerlingen
33
6.1
Aantal basisschoolleerlingen*
16
14
12
2000
2005
2010
2015
2020
2025
2030
2085
2040
2045
2050
eB
Waarmemingen
Bron:
_
Prognose
PBI/CBS
4tot12jaar
6.1
Meerbasisschoolleerlingen in Randstad Het aantal kinderen in de basisschoolleeftijd zal in 2035 naar verwachting 10 procent groter zijn dan in 2021. Tegen die tijd heeft circa drie op de tien gemeenten echterte maken met een krimp van het aantal 4- tot 12-jarigen van S procent of meer. De gemeenten
met de
grootste daling liggen veelal in het noorden en oosten van het land. De landelijke groei tot
2035 wordt getrokken door de grotere steden in de Randstad en de omliggende gemeenten. Ook in Almere en Lelystad zullen er in 2035 meer basisschoolleerlingen zijn dan nu. Daarnaast springen steden als Eindhoven, Groningen, Nijmegen en Ede eruit. Het zijn de gemeenten
waar de bevolking de komende
jaren nog sterk groeiten waar nog woningen
bijkomen voor jonge gezinnen. Vanaf 2040 gaat het aantal basisschoolleerlingen landelijk weer dalen, maar per saldo stijgt het aantal leerlingen tussen 2035 en 2050 licht. Ten opzichte van 203 is in ongeveerde helft
van de gemeenten het aantal
basisschoolleerlingen in 2050 groter, in de andere helft juist
kleiner. De grootste absolute toename van het aantal basisschoolleerlingen vindt plaats in Amsterdam en Almere, de grootste absolute daling is in Eindhoven en Nijmegen.
34
PBI/CBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognose 2022-2050 - Steden en randgemeenten groeien verder
6.1.1 Groei van het aantal basisschoolleerlingen? per gemeente 2021 tot2035
T
2035 tot 2050
inder dan-20(%) -2010t-5(%)
B
s tot5{4) 5 tot20(%)
EE
200f meer(%)
14 10t12jaar. Bron:
PBI/CBS.
Ontwikkeling van het aantal basisschoolleerlingen
35
7
Onzekerheid Erratum Na publicatie van dit artikel is geconstateerd dat de detailcijfers waarop dit hoofdstuk is
gebaseerd onvoldoende betrouwbaar zijn. PBL en CBS kunnen de desbetreffende prognoses niet binnen afzienbare termijn herzien. Daarom adviseren zij om de informatie in dit hoofdstuk niet te gebruiken. Zie voor meer informatie dit erratum.
De regionale prognose geeft de meest waarschijnlijke ontwikkeling van bevolking en huishoudens op basis van de huidige kennis en inzichten. Elke prognose is echter met onzekerheden omgeven. Die onzekerheid neemt toe naarmate de prognoseperiode verder in
de toekomst ligt. De onzekerheid is bovendien doorgaans groter in kleinere regio's en gemeenten doordat bij kleinere aantallen toevalfluctuaties een grotere rol spelen dan bij grotere aantallen.
Vooral in gebieden waar de druk op de woningmarkt groot s, zoals in de grote steden, speelt daarnaast onzekerheid over de woningbouw een belangrijke rol. De prognose veronderstelt dat gemeenten met veel woningbouw sterker kunnen groeien dan gemeenten met weinig woningbouw. Om deze reden worden woningbouwplannen meegenomen bij het opstellen van de regionale prognose.
Die worden echter niet altijd gerealiseerd. Ook is het mogelijk
dat meer gebouwd wordt dan verwacht. Voor de langere termijn zijn er bovendien vaak nog geen woningbouwplannen gemaakt, en kan deze informatie niet helpen om te bepalen
waar woningen beschikbaar zullen zijn voor mensen die verhuizen. Behalve over woningbouw, is er ook onzekerheid over de ontwikkeling van geboorte, sterfte, immigratie, emigratie en over vestiging en vertrek. Ook is het onzekerof
Levensloopgebeurtenissen meer of minder zullen veranderen dan verondersteld, zoals het uit-huis-gaan van kinderen, het samenwonen, het uit-elkaar-gaan en het verhuizen naar een zorginstelling.
Buiten de demografie, kunnen economische ontwikkelingen ook een bron van onzekerheid vormen, wat weer doorwerkt op vooral de binnenlandse en buitenlandse migratie, maar ook op geboorte en relatievorming en -ontbinding (De Beer, 2012). Bij de sterfte kunnen epidemieën leiden tot meer overledenen, terwijl een gezondere levensstil uist kan leiden
tot minder overledenen. Ook kunnen er onvoorziene sociaal-culturele veranderingen optreden, bijvoorbeeld in woonvoorkeuren of in de manier waarop relaties vormgegeven worden, en kunnen beleidswijzigingen tot andere keuzes leiden. Tot slot kunnen onverwachte internationale ontwikkelingen van invloed zijn op immigratie.
Daarbij kan
gedacht worden aan oorlogen of klimaatverandering, maar ook aan de Brexit en het soort maatregelen dat tijdens de coronacrisis werd genomen. Bij de prognose van 2016 s deze onzekerheid voor het eerst in beeld gebracht met behulp
van een zogenoemde stochastische prognose (Van Duin en De Jong, 2017b). Deze levert onzekerheidsintervallen op die een indicatie geven van de betrouwbaarheid van de prognose. In de regionale prognose is een methodiek gebruikt die lijktop die van de
36
PBL/CBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognose
20222050 - Steden en randgemeenten
groeien verder
stochastische prognose van de nationale prognose van het CBS. Voor elke gemeente, provincie en COROP-gebied worden, naast de prognose, zestien varianten gesimuleerd. Deze geven aan wat het effect is van hogere dan wel lagere veronderstellingen ten aanzien van geboorte, sterfte, buitenlandse migratie, binnenlandse migratie, het uit-huis-gaan van kinderen, het gaan samenwonen en het gaan wonen in een instelling. Uit de uitkomsten van deze varianten kan voor elke afzonderlijke regio de onder- en bovengrens van het 67 procent prognose-interval
worden afgeleid, zowel voor de bevolkingsontwikkeling als de
huishoudensontwikkeling.
Naar verwachting zullen de werkelijke cijfers in de meeste
gevallen, twee op de drie keer, tussen deze twee waarden liggen. Hoe smaller het prognoseinterval, hoe minder variatie wordt verwacht in de werkelijke waarde.
Het 67 procent prognose-interval geeft een bandbreedte voor de uitkomsten van elke regio afzonderlijk. Dat betekent dat gemeentelijke cijfers niet zonder meer over gebieden kunnen worden opgeteld. De bovengrens bij de ene gemeente hoeft namelijk niet altijd samen te gaan met de bovengrens bij een andere gemeente.
72
Bij lagere bevolkingsgroei meer krimp aan de randen van Nederland Kaart 7.1.1 geeft de verwachte bevolkingsgroei tot 2035 volgens de prognose en volgensde onder- en bovengrens van het 67 procent prognose-interval. De figuur van de prognose geeft de meest waarschijnlijke toekomst aan. Voor vrijwel alle COROP-gebieden in de Randstad is het vrij zeker dat ze blijven groeien. Ook als de bevolkingsgroei in de COROP-gebieden lager uitvalt en zou uitkomen op het niveau zoals verwacht volgens de ondergrens, neemtde bevolking van deze gebieden in omvang toe. In delen van Noord-Brabant, Gelderland en
Overijssel is de verwachte groei van de bevolking eveneens zeer waarschijnlijk. Tot 2035 wordt er in Nederland weinig krimp verwacht.
Mocht de bevolkingsgroei lager
uitvallen, dan zouden meer gebieden in deze regio's met bevolkingskrimpte maken kunnen krijgen,
met name in het noorden van het land en langs de oost- en zuidgrens. Wanneer
echter de bevolking sterker groeit dan voorzien, dan zouden vrijwel alle gebieden te maken kunnen krijgen met een groeiend of stabiel blijvend aantal inwoners.
Onzekerheid
37
7.1.1 Bevolkingsgroei per COROP, prognose en onder- en bovengrens 67% prognose-interval, 2021 tot 2035
1
5
* Minderdan-S%
-Stot-25% 51012.5% 25t0t5%
B
stot10%
MEE
105 ofmeer
Bron:
7.2
PBI/CBS.
Bijlagere groeiverwachtingen toch vrijwel overal meer huishoudens Voor vrijwel alle gebieden waar het aantal huishoudens tot 2035 volgens de prognose het sterkst groeit, geldt dat een toename ook waarschijnlijk is als het aantal huishoudens veel minder
sterk toeneemt. Voor het noorden en langs de oost- en zuidgrens van het land, is de
toename van het aantal huishoudens minder zeker. Op basis van de ondergrens zou het aantal huishoudens
daar ook kunnen krimpen. Hier staat tegenover dat als het aantal
huishoudens sterk groeit, in vrijwel alle gebieden het aantal huishoudens tot 2035 zal toenemen.
38
PBL/CBS Regionale bevolkings-en huishoudensprognose 2022-2050 - Stedenen randgemeenten groeien verder
7.2.1 Groei van het aantal huishoudens per COROP, prognose en onder- en bovengrens 67% prognose-interval, 2021 tot 2035
Ondergrens
Prognose
Bovengrens
Minderdan-S%
-Stot-25%
B
25t012,5% 2510154
B
Stot10%
B
10%ofmeer
Bron: PBL/CBS,
Onzekerheid
39
Technische toelichting De technische toelichting geeft een korte samenvatting van het gebruikte model en de methodiek om te komen tot de gehanteerde veronderstellingen over geboorte, sterfte, buitenlandse migratie, binnenlandse migratie, woningbouw en huishoudensdynamiek in de PBL/CBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognose 2022-2050.
Model
PEARL
Voor deze prognose is het model Projecting population Events At the Regional Level (PEARL) gebruikt (De Jong et al., 2006; De Jong et al., 2007). PEARL is n essentie een cohortcomponentenmodein combinatie met een dynamisch huishoudensmodel. Het
model gaat
op gemeentelijk niveau uit van het inwonertalen het aantal huishoudens op 1 januari en voorspelt hoe dit in de loop van het jaar van omvang en samenstelling verandert. Door geboorte, immigratie en binnenlandse vestiging neemt het inwonertal toe terwijl door sterfte, emigratie en binnenlands vertrek het inwonertal afneemt. Door de hiervoor genoemde componenten van bevolkingsgroei en door de huishoudensdynamiek (zoals
kinderen die uit huis gaan, mensen die gaan samenwonen en stellen die uit elkaar gaan) verandert de omvang en de samenstelling van de huishoudens. Als gevolg van al deze mutaties is de omvang en de samenstelling van de bevolking en het aantal huishoudens op 1 januari van het volgend jaar bekend. Voor het daarop volgende jaar wordt dezelfde methodiek opnieuw toegepast. Dit wordt gedaan voor alle jaren van de prognosehorizon. Ook voor de prognose van de landelijke bevolking en huishoudens gebruikt het CBS een dergelijk model. Deze twee nationale prognoses vormen een belangrijk uitgangspunt voor
de regionale prognose. In feite wordt de landelijke prognose nader gedifferentieerd naar het gemeenteniveau. De input van het model PEARL zijn enerzijds veronderstellingen op nationaal niveau over
geboorte, sterfte, immigratie, emigratie en over de overgangen tussen huishoudensposities. Deze zijn rechtstreeks overgenomen van de meest recente (nationale) CBS Kernprognose 20212070 en CBS Huishoudensprognose 2022-2070. Anderzijds bestaatde input uit de gemeentelijke veronderstellingen over de componenten van de bevolkingsgroei en de
huishoudensdynamiek.
Hieronder wordt nader ingegaan op hoe deze veronderstellingen tot
stand zijn gekomen.
Veronderstellingen over de componenten bevolkingsgroei - Geboorte
van
Voor veronderstellingen over de geboorten wordt de toekomstige vruchtbaarheid bepaald
aan de hand van het gemiddeld kindertal per vrouw op gemeentelijk niveau. Deze indicator hang samen met een aantal demografische, kenmerken van die gemeenten (De Beer 2009; Huisman en De Jong, 2017).
culturele, sociaaleconomische en geografische
en Deerenberg, 2005; Middelkoop en De Jong,
Van deze samenhang
wordt als volgt gebruik gemaakt.
In een multivariaat regressiemodel is eerst nagegaan welke variabelen de huidige gemeentelijke verschillen in vruchtbaarheid het best verklaren. Dit zijn het aandeel vrouwen dat alleen woont, het aandeel vrouwen dat een geloof aanhangt, het aandeel vrouwen dat
40
PBL/CBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognose 2022-2050 - Steden en randgemeenten groeien verder
een uitkering ontvangt, het aandeel vrouwen dat laag opgeleid is, het aandeel nieuwbouw en ten slotte dummies voor COROP-gebieden waarmee
andere (niet verklaarde) regionale
verschillen worden meegenomen. Om per gemeente een schatting te maken van de vruchtbaarheid in de toekomst worden de
gemeentelijke waarden van deze variabelen geëxtrapoleerd naar de toekomst, waarna het regressiemodel opnieuw wordt toegepast.
Veronderstellingen over de componenten van bevolkingsgroei - Sterfte Om het gemeentelijk aantal sterfgevallen in de toekomstte bepalen, wordtin de prognose gekeken naar ontwikkelingen in de levensverwachting bij geboorte. De levensverwachting van mannen en vrouwen in elke gemeente wordt vergeleken met dat van mannen en vrouwen in heel Nederland. Het gemiddelde absolute verschil daartussen in de laatste acht jaar wordt vervolgens toegepast op de ontwikkeling van de nationale levensverwachting
volgens de Bevolkingsprognose
Veronderstellingen over de componenten van bevolkingsgroei - Buitenlandse migratie Voor het bepalen van het gemeentelijk aantal immigranten en emigranten wordt gebruik gemaakt van de zogeheten concentratie-index. Voor deze concentratie-index wordt het aandeel immigranten dat zich in een bepaalde gemeente vestigt, gedeeld door het aandeel van de gehele bevolking dat in deze gemeente woont. Dit cijfer laat zien of immigranten zich
relatief vaak (bij waarden groter dan 1) of juist relatief minder vaak (bij waarden kleiner dan 1) in de betreffende gemeente vestigen dan verwacht mocht worden op basis van het aandeel inwoners. De concentratie-index geeft op die manier een indicatie van de relatieve
aantrekkingskracht van die gemeente. Voor de emigratie wordt het aandeel emigranten dat vanuit een bepaalde gemeente vertrekt, gedeeld op het aandeel van de bevolking datin
deze gemeente woont. gemeente
Dit geeft een indicatie van de kans dat mensen uit de betreffende
zullen vertrekken naar het buitenland.
De concentratie-indices worden
eerst
berekend op basis van waargenomen kalenderjaar cijfers, en vervolgens wordt de trend uit het verleden naar de toekomst geëxtrapoleerd.
Veronderstellingen o' bevolkingsgroei
de componenten van
- Binnenlandse
migratie
De binnenlandse verhuizingen worden in verschillende stappen gemodelleerd.
Voorelkvan
deze stappen worden veronderstellingen opgesteld. In de eerste stap wordt gekeken naar de verhuizingen op nationaal niveau, met als indicator
het aantal verhuizingen per duizend inwoners. Dit aantal fluctueert door de jaren heen en deze fluctuaties hangen vrij sterk samen met de conjunctuur, wat voor een belangrijk deel voortkomt uit de koppeling met de woningmarkt. Voor de toekomst wordt uitgegaan van het gemiddelde van deze indicator over de laatste 20 jaar. De waarde in het startjaar van de
Technische toelichting
41
prognose beweegt naar dit gemiddelde toe, tot 2035. Na 2035 wordt een stabiel niveau aangehouden. De volgende stap is het bepalen van de gemeentelijke verhuismobiliteit. Hiertoe wordt een regionale factor berekend, die aangeeft of in een bepaalde gemeente de verhuisgeneigdheid hoger of lageris dan landelijk. De indicator hiervooris het naar leeftijd gestandaardiseerde aantal verhuizingen per 1000 inwoners, voor mannen en vrouwen apart. De waargenomen regionale factor wordt hierbij naar de toekomst geëxtrapoleerd. Vervolgens worden de verhuizingen per gemeente uitgesplitst in verhuizingen binnen de gemeente en verhuizingen tussen gemeenten, op basis van de waarneming over de laatste
S jaar. Voor degenen die vanuit de ene gemeente naar een andere gemeente verhuizen, wordt vervolgens de (nieuwe) vestigingsgemeente bepaald. Daarvoor wordt eerst een onderverdeling gemaakt tussen verhuizingen over lange afstand en over korte afstand (de
grens ligt op 35 kilometer hemelsbreed). Voor het modelleren van de lange-afstandsmigratie wordt het aandeel lange afstandsmigranten bepaald en wordt gekeken naar hun bestemmingspatroon in de laatste vijf jaar. Ten slotte wordt de korte-afstandsmigratie gemodelleerd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het zogenaamde ruimtelijke interactiemodel dat uit gaat van de bevolkingsomvang van de bestemmingsgemeente en de afstand tussen de vertrek en bestemmingsgemeente. Grote
bestemmingsgemeenten en gemeenten die dicht bij elkaar liggen, ontvangen daarbij relatief veel korte-afstandsmigranten. Op basis van dit model verhuizen korteafstandsmigranten vanuit de vertrekgemeenten eerst naar initiële bestemmingsgemeenten. Daarna wordt via een beknopt woningmarktmodel nagegaan
in hoeverre de vraag naar
woonruimte in deze gewenste bestemmingsgemeente aansluit bij het aanbod van woonruimte. Is dit aanbod te klein, dan gaat het model na of er in andere gemeenten binnen een straal van 35 kilometer rondom de vertrekgemeente wel voldoende aanbod is. Als ook in andere gemeenten geen plek is, worden verhuizers alsnog aan de initiële gemeente
toebedeeld. Bij deze aatste stap spelen veronderstellingen over de woningbouw een belangrijke rol, aangezien dit het aanbod van woningen voor een belangrijk deel bepaalt.
Veronderstellingen woningbouw De woningbouw heeft effect op verhuizingen. Wanneer er woningen n een gemeente
bijkomen, zijn er (meestal) ook meer mensen die ernaartoe verhuizen; dit geldt vooral voor krappe woningmarkten. Veronderstellingen over de woningbouw zijn daarom een belangrijk onderdeel van de regionale prognose.
Zoals hierboven vermeld spelen ze vooral
een rolbij de korte afstandsverhuizingen. De woningbouwveronderstellingen hebben betrekking op de verandering van de woningvoorraad voor de periode 2021-2050. Dit is het
jaarlijkse saldo van de toevoegingen aan de woningvoorraad minusde onttrekkingen, ofwel de netto woningbouw. Verwachtingen over woningbouw komen uit verschillende bronnen. Via de werkgroep Bevolking en Wonen van het Interprovinciaal Overleg worden (actuele) provinciale
verwachtingen voor de woningbouw dan wel de planopgave ontvangen. Via een enquête onder een zestigtal gemeenten worden gemeentelijke verwachtingen ontvangen.
Deze
gemeenten (vooral grotere en middelgrote gemeenten) zijn deels aangesloten bij de Vereniging Statistiek en Onderzoek. Daarnaast worden nog diverse websites en publicaties
42
PBL/CBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognose 2022-2050 - Steden en randgemeenten groeien verder
met informatie over nieuwbouw en bestuurlijke afspraken geraadpleegd. Ook is gekeken naartrends n de waargenomen woningbouw volgens de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), en in het bijzonder naar de afgegeven woningbouwvergunningen in de laatste paar jaar.
In de regionale prognose wordt zoveel mogelijk gestreefd naar het onder één noemer krijgen van de informatie uit de verschillen databronnen. Dat betekent dat trends die
eenzelfde ontwikkeling geven (maar qua niveau wél kunnen verschillen) én realistisch worden geacht, doorgaans min of meer worden gemiddeld, waarbij er vrij sterk rekening
wordt gehouden met de uitkomsten van de gemeentelijke enquête.
Veronderstellingen huishoudensdynamiek Voor de ontwikkeling van het aantal huishoudens is het gedrag rondom uit huis gaan van kinderen, gaan samenwonen, uit elkaar gaan van stellen en verhuizen naar instellingen van belang. Met behulp van informatie over de regionale variatie in deze processen kan worden bepaald waar in Nederland de huishoudensgroei sterker of minder sterk is en om welke typen huishoudens het gaat. Regionaal zijn er grote verschillen in de leeftijd bij uit huis gaan. Er wordt verondersteld dat deze verschillen in de toekomst niet veranderen. Veranderingen in de gemiddelde leeftijd bij uit huis gaan zoals voorzien in de landelijke huishoudensprognose, worden in de regionale prognose gevolgd. Voor de kansen voor mannen en vrouwen om te gaan samenwonen, gestandaardiseerd voor verschillen in de leeftijdsopbouw, wordt geen regionale variatie verondersteld. Bij het uit elkaar gaan en in de mate waarin inwoners naar een instelling verhuizen, bestaan er aanzienlijke regionale verschillen, ook na standaardisatie voor verschillen in de gemeentelijke leeftijdsopbouw. In de regionale prognose wordt verondersteld dat de huidige regionale verschillen ook in de toekomst blijven bestaan.
Technischetoelichting
43
Literatuur Beer, J., en I. Deerenberg (2005). Regionale verschillen in vruchtbaarheid: een verklarend model. In: Bevolkingstrends, 1/2005, 46-55.
Beer, J. de (2012). Crisis in de economie, crisis in de relatie- en gezinsvorming? In: Bevolkingstrends, 12 november.
BZK (2022). Versnellen woningbouw. CBS (2019). Ruim 1 op tien jonge gezinnen verliet Amsterdam
in 2018. Nieuwsbericht,
26-6-2019.
CB (2021). Bevolkingsgroei grote steden stokt door lage migratie. Nieuwsbericht, 5-1-2021. CB (2022). Minder gemeenten met bevolkingskrimp. Nieuwsbericht, 4-1-2022. CB (2022). Voorraad woningen en niet-woningen; mutaties, gebruiksfunctie, regio CB statline (2022). Actuele prognose.
Duin, C. van, en C. Harmsen (2009). Een nieuw model voor de CBS huishoudensprognose, In: Bevolkingstrends, 57(3). Duin, C. van, en A. de Jong (20172). Onzekerheidsmarges rond regionale bevolkings- en huishoudensprognose. In: Statistische Trends, december 2017. Duin, C. van, en A. de Jong (2017b). Regionale bevolkings- en huishoudensprognose: methodiek prognose-intervallen. Discussion paper 21. CBS, Den Haag/Heerlen. Huisman, C
en A. de Jong (2017).
PBL/CBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognose
2015-2040: analyse van regionale verschillen in vruchtbaarheid. In: Bevolkingstrends, juni 2017.
Imhoff, E. van, and N. Keilman (1991). LIPRO 2.0: An application of a dynamic demographic projection model to household structure in the Netherlands. Swets and Zeitlinger, Amsterdam.
Jong, A. de, M. Alders, P. Feijten, P. Visser, I. Deerenberg, M van Huis en D. Leering (2006). Achtergronden en veronderstellingen bij het model PEARL. NAI Uitgevers, Rotterdam. Jong, A. de, P. Feijten, C. de Groot, C. Harmsen, M. van Huis en F. Vernooij (2007). Regionale huishoudensdynamiek. NAI Uitgevers, Rotterdam.
Loke, R. en A. de Jong (2013). Regionale verschillen in sterfte verklaard. In: Bevolkingstrends, 12 februari 2013.
44
PBLJCBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognose 2022-2050 - Steden en randgemeenten groeien verder
Middelkoop, M. van, en A. de Jong (2009). Regionale verschillen in vruchtbaarheid verklaard. In: Bevolkingstrends, 4/2009, 63-70. PBL themasite (2022). Themasite Regionale Bevolkingsprognose. Rambharos, N. e G. Beets (2015). Groningen. In: De stad:
magneet, roltrap en spons;
bevolkingsontwikkelingen in stad en stadsgewest. Den Haag: Planbureau voor de
Leefomgeving, 206-211. Regt‚ S. de, C. van Duin en L. Stoeldraïjer (2021). Bevolkingsprognose: Veronderstellingen over immigratie. In: Statistische Trends, 2 juni 2021. Riele, S. te, C. Huisman, L. Stoeldraijer, A. de Jong, C. van Duin en T. Husby (2019).
PBL/CBS
Regionale bevolkings- en huishoudensprognose 2019-2050: Belangrijkste uitkomsten.
Statistische Trends, 10 september
2019
Robine, J.-M., J.-P. Michel and F.R. Herrmann (2007). Who will care for the oldest people in our ageing society? British Medical Journal, 334(7593), 70-571. Star, M. van der, A. de Jong, D. Manting (2021). Vestigingspatronen van recente immigranten | PBL Planbureau voor de Leefomgeving stoeldraijer, L C. van Duin, S. de Regt‚ P. van der Reijden, S. te Riele (2021). Kernprognose 2021-2070: Bevolkingsgroei trekt weer aan. In: Statistische Trends, 16 december
2021.
stoeldraijer, L. S. te Riele, C. van Duin, P. van der Reijden (2021). Huishoudensprognose 2021-2070: Groei aantal huishoudens houdt aan. In: Statistische Trends, 16 december 2021
Utertuur
45
Bibpe z : /? InnDev
rapportage
Woningmarktonderzoek gemeente Eijsden-Margraten
Opdrachtgever Gemeente Eijsden-Margraten Contactpersoon n Datum 25-04-2022 Auteurs
Marlies van der Vlug t Johan van Ie
Jean Pierre Tulleneers N
X In.Fact.Research
dä? InnDev
* In.Fact.Research
Inhoud
1
Inleiding…
2 _ Typering van de gemeentelijke woningmarkt … 21
_ Huishoudens en woningvoorraad ….
22
_ Woonsituatie van huishoudens..
23
_ Dynamiek op de woningmarkt…
24
_ Spanning op de woningmarkt
3
Toekomstige ontwikkelingen 31
_ Demografische ontwikkelingen
32
_ Economische ontwikkelinge
33 _ Ontwikkeling inkomensgroepen …
4 _ Ontwikkeling van de woningbehoefte... 41
Overall ontwikkeling woningbehoefte ….
42
_ Ontwikkeling behoefte aan koopwoningen .
43
_ Ontwikkeling behoefte aan huurwoningen..
44
_ Plancapaciteit.…
5 _ Wonen met zorg …
6
51
_ Het gezondheidsperspectief .
52
_ De woonzorg vraag van ouderen …
53
_ De woon(zorg) vraag maatschappelijke opvang en beschermd wonen.…
_ De woonbehoefte
7
van statushouders …
Conclusies en Aanbevelingen… 71
_
Conclusies..
72
_ Aanbevelingen..
DSN
‘?J InnDev 1
* In.Fact.Research
Inleiding
In dit rapport wordt inzicht geboden in de woonopgaven in de gemeente Eijsden-Mar-
graten, en daarbinnen de verschillende kernen. De actuele en toekomstige situatie op de woningmarkt wordt belicht, met specifieke aandacht voor mogelijke schaarste in het sociale segment. De rapportage dient als onderlegger voor het nieuwbouwprogramma
van de gemeente Eijsden-Margraten en de opgaven op het gebied van wonen met zorg. In hoofdstuk 2 wordt een typering gegeven van de gemeentelijke woningmarkt met ook expliciete aandacht voor de actuele spanning op de woningmarkt. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de verwachte demografische en economische ontwikkelingen en in
‘hoofdstuk 4 worden de effecten daarvan op de ontwikkeling van de woningbehoefte aangegeven. In hoofdstuk 5 wordt inzicht geboden in de zorgvraag van ouderen en andere zorgdoelgroepen. In hoofdstuk 6 wordt het huisvestingsvraagstuk van statushouders inzichtelijk gemaakt en in hoofdstuk 7 worden conclusies en aanbevelingen geformuleerd. In bijlage 1 (kemprofielen) staat de omvang, samenstelling en ontwikkeling van de huishoudens en de woningbehoefte in de kernen van de gemeente Eijsden-Mar-
graten weergegeven. Bij dit onderzoek is gebruik gemaakt van veel lokaal specifieke data, afkomstig van het CB en aangeleverd door de gemeente Eijsden-Margraten en de woningcorporaties Deze lokale data zijn geanalyseerd en daarnaast heeft deze als input gediend voor het
LokaalCombinatiemodel van In.Fact.Research1 Bij de woonzorg analyses is uitgegaan van de modelleringen van InnDev. Om schijnzekerheid te voorkomen zijn de meeste getallen in tabellen afgerond op vijf- of tientallen.2 Gekoppeld aan onderhavig onderzoek is een enquête bij de inwoners van de gemeente Eijsden-Margraten uitgevoerd die separaat beschikbaar i.
1 Het LC-model staat in dit document toegelicht. ? Daor deze afronding kan het voorkomen dat de optelsom van de afgeronde aantallen niet exact klopt. Een voorbeeld: indien er in een tabel twee keer een waarde 7 staat, worden beide afgerond tot 10. Ook de optelsom van beide waarden (14) wordt echter afgrond op 10.
L<?L\g" InnDev
# In.Fact.Research
2
Typering van de gemeentelijke woningmarkt
21
_ Huishoudens en woningvoorraad
Huishoudens
Anno 2021 woonden er 11.225 particuliere huishoudens in de gemeente Eijsden-Margraten, verspreid over de diverse kernen in de gemeente. In dit onderzoek zijn vijftien kernen onderscheiden, waarbij is aangesloten bij de CBS wijk- en buurtindeling3. De helft van de huishoudens woont in de kernen Eijsden-Breust (20%), Margraten (15%) en Cadier en Keer (15%). De ander helft woont in de andere twaalf kernen die in dit
onderzoek zijn onderscheiden, waarvan Mariadorp (11%, inctusief Poelveld) en Gronsveld (9%) de grootste zijn. In tabel 23 in bijlage 1 staat de omvang en samenstelling van de huishoudens in alle kernen weergegeven. figuur 1- Huishoudenssamenstelling naar [eeftijd en type huishouden, 2020 100
-
=
eenoudergezin i
—
u
m
agezin mesen
i
D e _
|
…
_
S diaerstaand
a
a
& 23
tot6$
a
aartweepersoons
23 tot 65 jaar alleenstaand
B<23jaar
;
Eijsden-Margraten
weepersoons
_ Maastricht-
Nederland
Heuvelland
Bron: CBS, LC model In.Fact.Research
In de gemeente Eijsden-Margraten wonen in vergelijking met Nederland en de regio Maastricht-Heuvelland4 veel gezinnen (zie figuur 1). Het gaat om 30% van de huishoudens (van 25% in Scheulder en 26% in Cadier en Keer tot 34% in Mariadorp, Oost-
Maarland en Sint-Geerkruid). In Nederland gaat het om 26% van de huishoudens en in Maastricht-Heuvelland
om
18%.
Daarnaast
bestaat circa 5% van de huishoudens
in de
gemeente Eijsden-Margraten uit eenoudergezinnen. Een andere relatief grote groep in
In dit onderzoek s gebruik gemaakt van vele statistieken die beschikbaar zijn op het niveau van de wijk en buurtindeling van de CBS. Dit geldt zowel voor de huidige situatie als voor de Primos bevolkingsprog: nose.
* De regio Maastricht-Heuvelland bestaat uit de gemeenten Maastricht, Eijsden-Margraten, Meers-
sen, Vaals, Gulpen-Wittem en Valkenburg aan de Geul.
‘% InnDev
X In.Fact.Research
de gemeente zijn oudere stellen. Circa 21% van de huishoudens is samenwonend en ouder dan 65 jaar (van 13% in Mariadorp tot 26% in Banholt); landelijk gaat het om 13% van de huishoudens en in Maastricht-Heuvelland om 14%.
figuur 2 - Huishoudenssamenstelling naar inkomensklasse, 2020
D
m
2004
—
om
—
37%
56%
hogere inkomens —
——
43%
_
—
m hoge middeninkomens
__ zrlage middeninkomens w secundaire doelgroep
40,0%
w primaire doelgroep 20,0% 00x
-
Eijsden-Margraten
_ Maastricht-
Nederland
Heuvelland
Definitie inkomensgroepen, prijspeil 2021:
+
Primaire doelgroep: huishoudens met een belastbaar jaarinkomen en vermogen {ot de grens waarop men in aanmerking komt voor huurtoeslag,
v
Secundaire doelgroep: huishoudens die niet in aanmerking komen voor huurtoeslag, met een belastbaar jaarinkomen
tot € 40024
v
Lage middeninkomens: een belastbaar jaarinkomen tussen € 40.024 en € 44.655.
v
Hoge middeninkomens:
_
Hogere inkomens: een belastbaar jaarinkomen vanaf € 51.235,
een belastbaar jaarinkomen tussen € 44.655 n € 51.235
Het hoge aandeel gezinnen en tweepersoonshuishoudens vertaalt zich ook in een hoger inkomensniveau dan landelijk en in de regio (figuur 2). In de gemeente Eijs graten behoort circa 10% van de huishoudens tot de primaire doelgroep en 23% tot de secundaire doelgroep (figuur2). De doelgroep tot € 39.055 bedraagt daarmee 32%5, wat kleiner is dan in Nederland (45%) en in Maastricht-Heuvelland (52%). Het aantal ho-
gere inkomens in de gemeente is relatief groot (56%), met name in de kernen Mariadorp, Mesch en Withuis-stationsstraat en Sint Geertruid (59%). De doelgroep tot €39.055 is het grootst in Oost-Maarland (38%) en het kleinst in Mariadorp (28%) (in ab-
solute aantallen is de doelgroep het grootst in de kern Eijsden-Breust).
* De optelsom van 9,6% en 22,7% (is 323%)
L'“'\í.>7‘;flnnDev
x In.Fact.Research
Woningvoorraad Anno 2021 telt de woningvoorraad in de gemeente Eijsden-Margraten 11.425 wonin-
gen, waarvan er circa 10.875 bewoond worden door een particulier huishouden (bron: CBS). De resterende 550 woningen zijn niet beschikbaar: een deel wordt verhuurd aan toeristen, een ander deel staat leeg in afwachting van verbouwing of sloop, in weer een
ander deel wonen arbeidsmigranten, of is een bedrijf gevestigd, en een deel is in gebruik als tweede woning. Daarbij geldt dat een bepaalde mate van frictieleegstand noodzakelijk is voor de dynamiek (verhuizingen) op de woningmarkt. Op basis van een inventarisatie van de gemeente staan (in 2021 189 woningen in de
gemeente daadwerkelijk leeg. Hiervan staan 53 woningen korter dan drie maanden leeg, wat kan duiden op leegstand vanwege een verhuizing of verbouwing. Circa 136 woningen staan langer dan drie maanden leeg. Het CBS becijferde (in 2020) de administratieve leegstand6 op dezelfde orde van grootte: circa 140 woningen, waarvan in 120 woningen niet of nauwelijks energieverbruik werd geregistreerd. Het gaat om cirea 1% van de woningvoorraad, wat in lijn ligt met het landelijke aandeel (eveneens 1%). Het aantal van 11.425 woningen dat bewoond wordt door een partieulier huishouden ligt lager dan het totale aantal van 11.225 huishoudens in de gemeente Eijsden-Margraten. Cirea 350 huishoudens wonen buiten de reguliere voorraad. Deze huishoudens wonen in onzelfstandige kamers of wooneenheden, in recreatiewoningen, of zijn inwonend bij een ander huishouden. In dit onderzoek wordt deze categorie aangeduid als onzelfstandig wonende huishoudens. Het gaat om 2,7% van het totaal aantal huishoudens in de gemeente Eijsden-Margraten (landelijk gaat het om 5,6%).
* Woningen staan administratief leeg als er volgens de BRP geen persoon staat ingeschreven, én alser volgens de WOZ geen gebruiker is, én als er geen sprake is van inschrijving als bedrijf in het Handelsregister (bron: CBS).
diî‚Î:‚)|‚…ne\‚
* In.Fact.Research
In totaal zijn er 35 recreatiewoningen? (0,3% van de woningvoorraad). De impact van de recreatiewoningen op de beschikbaarheid woningen is dus beperkt. De invloed op
de leefbaarheid is zeer beperkt, mede in samenhang met de afname van het aandeel niet permanent bewoonde woningen dat de afgelopen jaren geleidelijk is afgenomen van 6% in 2012 naar 4,9% in 2020 (meest actuele cijfers). Overlast door bepaalde groepen en leegstand buiten het toeristisch seizoen is beperkt in omvang.
Van de 10.875 huishoudens in de reguliere woningvoorraad in de gemeente EijsdenMargraten woont bijna driekwart (73%) in grondgebonden koopwoningen (van 67% in Margraten tot 84% in Rijckholt). Dit aandeel is hoger dan landelijk (47%) en in Maastricht-Heuvelland (42%). Het aandeel koopappartementen in de gemeente is met 5%
laag (figuur3). In tabel 23 in bijlage 1 staat de omvang en samenstelling van de (bewoonde) woningvoorraad in alle kernen weergegeven. figuur 3 - Samenstelling bewoonde woningvoorraad naar eigendom en woningtype, 2020 100%
—
o
_
—
60%
-
“
—
16%
EE
17%
E
7%
13%
E
corporatie huur appartement
oo r grondgebonden
particuliere huur appartement * particuliere huur grondgebonden = koop appartement
20%
m koop grondgebonden o%
Eijsden-Margraten
_ Maastricht
Nederland
Heuvelland
Bron: CBS, corporaties
Eijsden-Margraten, LC model In.Fact Rescarch
Mede vanwege het hoge aandeel (ruime) grondgebonden koopwoningen (waaronder vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen) in Eijsden-Margraten ligt het
7 Onder recreatieve verhuur verstaan we de verhuur van particuliere verblijfsobjecten,
ontsloten via een
eigen toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte ten behoe
e van
of vakantie doeleinden.
«
recreatieve
Daartoe rekenen we niet:
Tweede woningen in eigendom van particulieren (al dan niet gelegen op een vakantiepark).
= _ Vakantiewoningen in een vakantiepark c.q. recreatiegebied * _ Kameren appartement verhuur gekoppeld aan hoteldienstverlening. e _ Kamerverhuur gekoppeld aan particuliere woningen Bronnen aantallen:
AIR BNB, Booking.com, Belvilla
°%?InnDev
* In.Fact.Research
prijsniveau wat hoger dan in Nederland en in Maastricht-Heuvelland. Binnen de koop-
sector heeft circa 26% in de gemeente Eijsden-Margraten een geschatte verkoopwaarde tot € 250.000 (figuur 4, in Nederland en in de regio gaat het om bijna een derde). Naar schatting heeft 26% van de koopsector in Eijsden-Margraten een verkoopwaarde van
meer dan € 450.000, landelijk ligt dit aandeel op 19%. figuur 4 - Samenstelling bewoonde koopvoorraad naar verkoopwaarde, 2020
o sox —
T —.
(geanonimiseerd)
em
>€450.000 2 €325,000 tot € 450.000 €
250.000
tot€ 325000
w<€250.000
Eijsden-Margraten
Maastricht-
_
Nederland
Hewvelland
Bron: LC
model
In.Fact.Research
Circa 23% van de huishoudens in Eijsden-Margraten woont in een huurwoning. Circa
11% woont in een huurwoning van een van de drie woningcorporaties in de gemeente8 en 12% woont in een particuliere huurwoning9 (figuur3). De corporatiesector is hiermee relatief klein van omvang, in zowel Nederland als in Maastricht-Heuvelland gaat het om 30% van de voorraad. Binnen de gemeente staan er naar verhouding veel
corporatie huurwoningen in Mariadorp (16%) en in Eijsden-Breust (15%), gevolgd door Oost-Maarland (12%).
Ook binnen de huursector is het aandeel grondgebonden woningen in de gemeente Eijsden-Margraten relatief hoog, wat zich vertaalt in een gemiddeld hoger huurprijsniveau dan in Nederland en Maastricht-Heuvelland (
figuur 5). Van het corporatiebezit in Eijsden-Margraten heeft circa 51% van de woningen een huurprijs onder de eerste aftoppingsgrens van € 619 (prijspeil 2020). In Nederland en Maastricht-Heuvelland ligt dit aandeel rond de 70%. In de gemeente EijsdenMargraten staan relatief veel huurwoningen (24%) met een huurprijs tussen de tweede aftoppingsgrens (€ 663) en de huurtoeslaggrens (€ 737).
* Het gaat om huurwoningen van Woonpunt, Servatius en Maasvallei * Het gaat om huurwoningen van (institutionele) beleggers, maar ook om woningen die (tijdelijk) verhuurd worden door eigenaar-bewoners.
'<? InnDev
* In.Fact.Research
figuur 5 - Samenstelling bewoonde huurvoorraad naar huurprijs, 2020
E
e
EN
e
1000
me737-€1000 3-7 zce9-e63 mean-e
mtorcans
sdenNargraten
Maasticht-
Nederand
Wewreland
corporatie huur
Bron: LC model In.Fact.Research en corporaties in Eijsden-Margraten 22
Woonsiluatie van huishoudens
De woonsituatie van huishoudens hangt nauw samen met de levensfase en het inko-
men. Jongeren (veelal nog alleenstaand) starten hun wooncarrière vaak in een huurwoning, maar naarmate men ouder wordt (en gaat samenwonen of een gezin vormt) weten velen een woning te kopen (zie ook tabel 1 en tabel 2). Ook generatieverschillen
spelen een rol: de aankomende generatie ouderen (tussen de 55 en 65 jaar) woont vaak in een koopwoning (80% woont in een grondgebonden koopwoning, zie ook figuur6), terwijl de huidige generatie ouderen nog wat vaker een woning huurt. Circa 15% van de huishoudens van 65 jaar of ouder huurt een woning van een van de drie
corporaties, terwijl dit aandeel onder 55 tot 65 jarigen op 9% ligt. Overigens woont de meerderheid van de 65-plussers in Eijsden-Margraten in de koopsector. tabel 1- Woonsituatie van huishoudens naar [eeftijd in de gemeente Eijsden-Margraten, 2020
koop appartement [grondgebonden corporatiehuur particuliere onzeifst[ totaal appartement huur
grondgebonden
tot35jaar
35 tot 45 jaar 45 tot 55 jaar 5 tot 65 jaar 6575 tot75 jaar tot 85 jaar 85+ totaal Bron: LC model In.Fact.Research
52%
75% 76% 30% 734 x 48% 71%
7
3 3 ax| sx|78 6x| sx|
3%
x x x xx 12% 6x
sx
3% 2 2 ax9% 21% sx
25%|
_
7%|
100x
13x| 2x| 100% 105 2%| 1004 sx| 2x| 100% 104| 2x| 100% 1x| 2x| 1005 9x| _ ax| 100% 12x4[ __ 3x| 100%
X In.Fact.Research
tabel 2- Woonsituatie van huishoudens naar leeftijd
<23jaar 23 tot 65 jaar alleenstaand 23 tot 65 jaar tweepersoons 65+alleenstaand 654 tweepersoons gezin eenoudergezin totaal
r
koop 34% 39% 78% 48% 785 89x 53% 71%
den_appartement
ox| 10% 5x| 7x| sx 1x| 3%| 5x|
en type in de gemeente Eijsden-Margraten, 2020
corporatie huur ox s% a% 9x 6% 3% 13% 64
particuliere| onzelfst] totaa! huur| 7x| 17%| arx[ 100% 1x 284 8x| 100% 1x| 9x| 2%| 100% 16 17%| 3%]| 100% 3 6x| 2%| 100% ox| 6x| 1%| 100% 4%| 25x| _ 2%| 100% 5x| 12%[ _3x[ 100%
[grondgebonden_appartement
Bron: LC model In.Fact.Research
figuur 6 - Samenstelling van eigenaar bewoners en huurders naar [eeftijd in de gemeente Eijsden-Margraten, 2020 um
_eËz„Èeas m huurders corporatie
huurders particulier
à
35j-a4r 45- jar 5-6jar 65-7jar 75-8jar
Bron: LC model In.Fact.Research
In
tabel3 staat de woonsituatie van de inkomensgroepen in de gemeente Eijsden-Margraten weergegeven. De primaire doelgroep woont relatief vaak in de huurwoningen van de corporaties; de hogere inkomens wonen overwegend in de koopsector. De doelgroep tot € 39.055 woont voor 25% in de huurwoningen van de corporaties: het gros woont dus buiten de sociale huursector. Circa 21% van de doelgroep woont in de parti-