20241015 07zd Geanonimiseerd Zienswijze 1 ontwerp TAM-omgevingsplan Slakweg Gronsve
Tekst van het document
Z/21/156290 - 857115
HII'…… l m IN I “ I I l“……”'l……n
Gemeente Eijsden-Margraten 26 Juli 2024 Bvo
(geanonimiseerd) |
(geanonimiseerd) mm
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) E n
-1 ALB 2024
Afschrift
-loaiss College 15
Raad
Aan het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Eijsden Margraten.
Betreft: Zienswijze Ontwerp TAM-omgevingsplan Slakweg Gronsveld
Geachte gemeenteraad van de gemeente Eijsden-Margraten,
We namen kennis van het Ontwerp TAM-omgevingsplan Slakweg Gronsveld. Hierbij willen we graag onze zienswijze kenbaar maken. Wij wonen met onze 4 kinderen sinds 2017 in een 300 jaar oud rijks-monumentaal pand gelegen aan (geanonimiseerd) e B (geanonimiseerd) Het perceel waarop onze woning staat is letterlijk een enclave binnen de EN
de contouren van het oude tuincentrum, waar conform het ontwerp TAM omgevingsplan 45 woningen gerealiseerd worden. We hebben ons huidige huis gekocht in de wetenschap dat het perceel van familie de Graaf agrarisch gebied is, en dat het geldende bestemmingsplan woondoeleinden, anders dan in een bedrijfswoning, in het bestemmingsplan expliciet als verboden gebruik kwalificeert. Wij willen namelijk vrij wonen, in het groen, op fietsafstand van ons werk, en vooral niet in een wijk met veel buren en inkijk. Dat laatste is precies wat we nu ongewild toch gaan
krijgen. Het meest extreme privacy verlies ten gevolge van de beoogde bouwplannen is ter hoogte van het noorden van ons perceel, waar meerdere huizen en een parking direct tegen ons zwembad met zonnedek worden aangebouwd. We zouden ons huis nooit gekocht hebben met de plannen die
er nu liggen voor de herbestemming van het tuincentrum. Naast ernstig privacy verlies ten gevolge van de beoogde ontwikkeling maken we ons zorgen over geluid en geuroverlast, de gevolgen op de
natuurwaarden (waaronder de gevolgen van stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000gebied Savelsbos waarop wij vanuit onze woning zicht hebben), de waterhuishouding, en de effecten op verkeersveiligheid van de geplande ontwikkeling. Juist nu sprake is van een bouwplan buiten
stedelijk gebied, komen deze aspecten naar onze mening bijzonder gewicht toe. Tenslotte sluiten verschillende elementen in het TAM omgevingsplan niet aan op toezeggingen die door de ontwikkelaar gedaan zijn tijdens de keukentafelgesprekken. Wij zijn in overleg met Laudy
over de wijze en voorwaarden waarop de beoogde ontwikkeling voor ons wel tot stand zou kunnen komen. Hoewel de realiteit is dat onze standpunten tamelijk ver uit elkaar liggen is een oplossing denkbaar. Als dit in de komende weken/maanden het geval zou zijn, zou dit kunnen leiden tot het intrekken van onze zienswijze. Hieronder gaan we verder in op een aantal specifiek paragrafen uit het ontwerp TAM-omgevingsplan.
Pagina 1 van 11
Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving 3.1.1 Nationale omgevingsvisie In het NOVI-gebied Zuid-Limburg zijn alle fysieke opgaven sterk vervlochten met elkaar: het
uitbouwen en circulair maken van de economie (0.a. Chemelot), de complexe transformatie van het stedelijk gebied (met wijken met grote achterstanden en herstructureringsopgaven in combinatie met bevolkingsdaling) en behoud en versterking van het groene middengebied (de Groene Long). Relatie met het voorliggend plan Met de voorgenomen ontwikkeling wordt bestaand bebouwd gebied waarvan de functie is vervallen getransformeerd naar hoogwaardige woningbouw. Tevens wordt met de ontwikkeling een verduurzaming en herinrichting van de openbare ruimte voorzien. Daarmee wordt ook de Ieefbaarheid ter plekke verbeterd. Voor de wijziging van het omgevingsplan kent de Nationale
Omgevingsvisie geen relevante bepalingen. Het voorliggend plan past daarmee binnen het beleid uit de Nationale Omgevingsvisie.
(geanonimiseerd) e voorzenomen ontwikkeling betreft een bouwplan buiten Reactie Fam. B stedelijk gebied en is daarmee in tegenspraak met de nationale omgevingsvisie, die uitgaat van transformatie van bestaand stedelijk gebied. In het bijzonder in een gebied waar de bevolking krimpt is een wijziging van een bestemmingsplan van agrarisch naar wonen onlogisch en tegenstrijdig met de nationale omgevingsvisie. Tenslotte is ook de suggestie dat de leefbaarheid te plekke wordt verbeterd onjuist. Er wordt een ontwikkeling gepland in agrarisch gebied met grote gevolgen voor privacy, maar ook geluidsoverlast, waterhuishouding en verkeersveiligheid voor de huidige omwonenden.
3.1.2.5 Zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand (Ladder voor duurzame verstedelijking)
In het Bkl is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke
ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand (artikel 5.129g). Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
(geanonimiseerd) Reactie Fam. —Een
recent rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving en het
CBS, met regionale bevolkings- en huishoudensprognoses voor 2022-2050 (Bijlage 1), toont aan dat hoewel de bevolking en de woningbehoefte in Nederland toenemen, er ook gebieden zijn, waaronder Limburg, die stabiel blijven of zelfs krimpen. De analyse van een onafhankelijk bureau in opdracht van de gemeente Eijsden Margraten (Bijlage 2), bevestigt deze trend voor Eijsden Margraten als geheel en voor de kern Gronsveld in het bijzonder. De bestaande plancapaciteit voor de gemeente Eijsden Margraten is 556 woningen. Rekening houdend
met gemiddeld 30%
planuitval is dat aantal volgens het woonbehoefte onderzoek van onze gemeente nog steeds ruim meer dan de top van de groei in aantal huishoudens in Eijsden-Margraten (200-300) die verwacht wordt voor 2030, waarna deze weer zal dalen door vergijzing. Specifiek voor Gronsveld wordt verwacht dat de woningbehoefte zelfs zal dalen met 20 woningen tussen 2025 en 2035, en dit
terwijl de bestaande plancapaciteit voor Gronsveld ruim positief is. Er is dus geen nut/noodzaak voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling in agrarisch gebied in Gronsveld. Het beoogde plan past
Pagina 2 van 11
dus aantoonbaar niet bij zorgvuldig ruimtegebruik en zal averechtse effecten hebben op het tegengaan van leegstand. 5.5 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bk, artikel 5.129) is de verplichting opgenomen om in het
geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt rekening gehouden met: de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk
gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte
te voorzien.
Middels de te doorlopen procedure wordt een wijziging van het omgevingsplan gerealiseerd.
Hiermee wordt de herontwikkeling van het voormalige tuincentrum naar woningbouwontwikkeling mogelijk gemaakt. Stedelijke ontwikkeling Alvorens het onderhavige plan te toetsen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking dient eerst
bepaald te worden of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In het onderhavige plan is sprake van woningbouwontwikkeling in de vorm van 26 appartementen en 19 grondgebonden woningen.
Gesteld kan worden dat een bouwplan met een dergelijke omvang kan worden
beschouwd als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Behoefte
Op 29 november 2022 is door Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg de Woonmonitor 2022 vastgesteld. De Woonmonitor wordt jaarlijks door de provincie Limburg vastgesteld. Dit is een rapportage waarin de relevante en actuele ontwikkelingen op de Limburgse Woningmarkt worden geschetst aan de hand van de meest recente beschikbare cijfers. De Woonmonitor 2022 biedt een
verscherpt en geactualiseerd beeld van de situatie op de Limburgse woningmarkt. Helder i dat in Limburg met name sprake is van een kwalitatieve woonopgave. De ingezette lijn van de Limburgse Agenda Wonen 2020-2023 wordt daarmee verder bekrachtigd. Het blijf dus van belang om plannen die voorzien in een urgente woonbehoefte (voor senioren,
starters, internationale werknemers, spoedzoekers, in de sociale en middeldure huur) met voorrang te realiseren en de bestaande woningvoorraad toekomstbestendig te transformeren. Het onderhavige wijzigingsgebied is gelegen in de regio Zuid-Limburg. In het Bijlagenboek behorende bij de Woonmonitor 2022 is als bijlage het ‘Woningbehoeftenonderzoek provincie Limburg’ opgenomen. Uit het woningmarktonderzoek komt naar voren dat er grote behoefte is aan woningen voor senioren, starters,internationale werknemers en spoedzoekers. En dan met name in het sociale huursegment. Omdat het aantal één- en tweepersoons huishoudens sterk toeneemt, wordt voor
wat betreft de kwantitatieve opgave uitgegaan van een toename van de woningbehoefte van bijna 4.000 tot circa 6.000 extra woningen tot en met 2030. In kwalitatief opzicht is er een tekort van 26.810 aan met name nultredenwoningen en appartementen en een overschot van 11.535 reguliere Pagina 3 van 11
grondgebonden woningen. Dit overschot aan reguliere grondgebonden woningen bevindt zich met name in de regio Zuid-Limburg.
Ook vindt er een duidelijke verschuiving plaats van koopwoningen naar huurwoningen. Van de circa 3.800 woningen die in 2021 zijn toegevoegd, zijn ruim 250 koopwoningen geschikt voor starters en ruim 900 zelfstandige woningen geschikt voor senioren (c.q. ouderenzorg). In het betaalbare segment zijn 1.200 sociale huurwoningen of betaalbare koopwoningen gerealiseerd. Uit de woonmonitor blijkt dus dat er een vraag is naar huur- en koopwoningen in de regio, met name voor ouderen, starters, internationale werknemers en spoedzoekers. En dan met name in het sociale huursegment. De ontwikkeling voorziet onder meer in levensloopbestendige woningen en
appartementen voor ouderen en in starterswoningen. Een deel van deze appartementen en (starters)woningen betreffen ook sociale huur (5 woningen). Daarmee sluit het voorgenomen plan op deze vraag. De behoefte aan deze ontwikkeling is daarmee aangetoond.
(geanonimiseerd) C is volgens de geciteerde woonmonitor 2022 een overschot van Reactie Fam. B grondgebonden woningen, met name in Zuid Limburg. Dat is in lijn met het onafhankelijk woningmarkt onderzoek (2022) in opdracht van de gemeente Eijsden Margraten (bijlage 2 ). In onze regio waar sprake is van bevolkingskrimp, en de uitdaging ligt in het sociale en middeldure huursegment, ligt het voor de hand om die ambitie te bereiken door de bestaande woningvoorraad toekomstbestendig te transformeren (op die plaatsen waar dat het meest nodig is), en niet door agrarische grond te herbestemmen die vervolgens voor 90% wordt volgebouwd met woningen waar juist geen behoefte aan is. De bestaande plancapaciteit van de gemeente Eijsden Margraten is ruim voldoende voor de lokale behoefte (bijlage 2). De voorgenomen woningbouwontwikkeling op de locatie van het voormalige tuincentrum in Gronsveld vindt binnen het bestaand stedelijk gebied van de gemeente Eijsden-Margraten plaats.
(geanonimiseerd) 22 is oniuist. De beoogde ontwikkeling vindt plaats buiten stedelijk Reactie Fam. B gebied. In de context van dit omgevingsplan is deze uitspraak niet alleen onjuist, maar ook misleidend omdat het op oneigenlijke wijze inspeelt op een van de basisprincipes van nationale en Limburgse omgevingsvisies “meer stad, meer land”.
3.1.2.6 Cultureel erfgoed
De instructieregels van het Rijk ten aanzien van cultureel erfgoed staan in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bk). In artikel 5.130 wordt bepaald dat in een omgevingsplan
rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaarte verwachten archeologische monumenten. Met het 00g hierop worden er in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekeningwordt gehouden met de volgende beginselen:
het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten en archeologische monumenten; het voorkomen van verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten,
rekening houdend met de monumentale waarden;
Pagina 4 van 11
het voorkomen van aantasting van: de omgeving van rijksmonumenten, voor beschermde rijksmonumenten en monumenten die op
grond van het omgevingsplan zijn beschermd, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd; en
het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen; en het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.
Relatie met het voorliggend plan
In het wijzigingsgebied zijn geen monumentale panden aanwezig. Echter in de directe nabijheid van het wijzigingsgebied zijn drie rijksmonumenten gelegen, waarbij geldt dat voorkomen moet worden dat de omgeving van deze monumenten wordt aangetast, voor zover die monumenten door aantasting worden ontsierd of beschadigd.Hoe met deze monumenten in relatie tot voorgenomen ontwikkeling wordt omgegaan, is beschreven in paragraaf 5.3. 5.3 Cultuurhistorie
De instructieregels van het Riijk ten aanzien van cultureel erfgoed staan in artikel 5.130 van het
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bk). In artikel 5.130 wordt bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaarte verwachten archeologische monumenten. Artikel 5.130, tweede lid, onder d, van het 8k! implementeert (deels) artikel 4 van het verdrag van Granada. Onderdeel 1° van dit tweede lid, onder d, vraagt gemeenten om in het omgevingsplan regels te stellen om aantasting van de omgeving van (voor)beschermde monumenten te voorkomen, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd.
In de directe nabijheid van het wijzigingsgebied bevindt zich een drietal rijksmonumenten: Hoeve van baksteen, Maastrichterweg 2 Pand De Zwaluw, Rijksweg 2 Hoeve met langgerekt woonhuis van mergel, Rijksweg 4
Relatie met het voorliggend plan
Door de lokale situatie en de gekozen inrichting van het wijzigingsgebied is er geen sprake van aantasting van de omgeving van de drie omliggende monumenten.
(geanonimiseerd) De werkzaamheden en verkeersbewegingen die gepaard gaan met Reactie Fam. — het bouwen van een woonwijk van 45 woningen veroorzaken verstoringen (bijvoorbeeld trillingen) die de rijksmonumentale panden in de directe omgeving kunnen beschadigen, in het bijzonder onze rijksmonumentale
ontwikkelen gebied.
hoeve, die zich in een enclave bevindt binnen het te
Daarnaast i er sprake van ernstige ontsiering van ons rijkmonument: Vanuit
cultuur historisch perspectief was ons pand een hoeve/boerderij (circa 1750} waarvan het perceel
begrensd werd door de Maastrichterweg, de rijksweg, de Slakweg en de Termaardergrub. precies het gebied dat nu nog steeds agrarisch is maar door de bestemmingswijziging
Dat is
getransformeerd wordt naar woonwijk. De agrarische omgeving is een wezenlijk onderdeel van de monumentaal historische setting van ons pand. Door de beoogde transformatie gaat het Pagina 5 van 11
agrarische karakter definitief verloren, hetgeen ontsierend is voor onze rijksmonumentale hoeve. Verzwarende omstandigheid voor dit gegeven is dat er gezien het lokale woningoverschot geen andere zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn om op deze locatie cultureel erfgoed ondergeschikt te maken aan woningbouw. Tenslotte
is er voldoende interesse van ons en van
direct omwonenden om de omliggende landbouwgrond
in het voorliggende bouwplan van het
voormalige tuincentrum over te kopen.
3.2 Provinciaal beleid en provinciale regels 3.2.1 Provinciale omgevingsvisie Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving Ontwikkelingen op het gebied van demografie, klimaat, energie en economie hebben een grote impact op de samenleving. Uit prognosecijfers blijkt dat de samenstelling van de bevolking van Limburg verandert. Voor het jaar 2050 zal er een daling zijn ten opzichte van 2020 van ongeveer
45.000 - 115.000 inwoners. Deze ontwikkelingen hebben hun weerslag op de fysieke leefomgeving, zowel in landelijk als stedelijk gebied. In stedelijke gebieden heeft dit met name te maken met de
versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid en de bereikbaarheid en/of toegankelijkheid van voorzieningen. Limburgse principes Elke afweging die gemaakt wordt binnen de thema's wordt gedaan op basis van de Limburgse principes:
oae
We streven naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving De kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal Meer stad, meer land
We gaan zorgvuldig om met onze ruimte en voorraden; boven- en ondergronds
Procesmatige uitgangspunten zoals gebiedsgericht en adaptief werken.
Relatie met het voorliggend plan De voorgenomen ontwikkeling heeft voornamelijk een raakvlak met de eerste hoofdopgave, een
aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt kleinschalige woningbouw gerealiseerd bestaande uit een mix van koop- en huurwoningen. Bij de ontwikkeling wordt rekening gehouden met de Limburgse principes. Zo draagt de ontwikkeling bij aan een inclusieve, gezonde en veilige samenleving,
door te voorzien in een mix van woonvormen
voor verschillende (sociale) doelgroepen en door de openbare ruimte zo in te richten dat een
aantrekkelijk gebied ontstaat. Daarnaast wordt gekozen voor een goede landschappelijke inpassing die recht doet aan de kenmerken en identiteit van het gebied. De woningbouwontwikkeling vindt plaats in bestaand stedelijk gebied, waarmee wordt voldaan aan het principe meer stad, meer land.
Tevens wordt ook rekening gehouden met een openbare ruimte die klimaatadaptief is en bijdraagt aan de verduurzaming en biodiversiteit, door het toevoegen van kwalitatief en divers groen en voorzieningen voor waterberging. Hiermee sluit de voorgenomen ontwikkeling aan op de
Omgevingsvisie van Limburg.
(geanonimiseerd) 702!s eerder in deze zienswijze beschreven vindt de beoogde Reactie Fam. DN ontwikkeling niet plaats in bestaand stedelijk gebied maar juist in agrarisch gebied. Er wordt dus niet voldaan aan het principe “meer stad, meer land”. De geplande ontwikkeling vergroot het Pagina 6 van 11
woningoverschot in de regio te koste van “land!”, met risico's voor leegstand en als gevolg juist een slechtere leefomgeving.
3.2.2.4 Instructieregel nieuwe planvoorraad wonen
In artikel 12.1 is de Instructieregel nieuwe planvoorraad wonen opgenomen. Deze instructieregel bepaalt dat de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van één of meerdere woningen een beschrijving bevat waarin is opgenomen: hoe rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5
(wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; dat er sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek;
dat over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid-Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; dat het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in afdeling 14.5; dat realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. Relatie met het voorliggend plan
In paragraaf 3.2.1 van deze motivering is opgenomen hoe de voorgenomen ontwikkeling past binnen de Limburgse principes. In voorliggende subparagrafen is aangegeven dat de ontwikkeling ook past bij de algemene zoneringen die voor dit gebied zijn getypeerd. In paragraaf 5.5 is in de laddertoets
aangetoond dat er een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte is naar de voorziene woningen.
(geanonimiseerd) Uit een onafhankelijk woningmarkt onderzoek in opdracht van de Reactie Fam. — gemeente Eijsden Margraten (2022 in bijlage 2 blijkt ondubbelzinnig de positieve plancapaciteit en de negatieve netto woningbehoefte
in Gronsveld.
Juist in deze tijd waar landelijk wel een
woningtekort is (maar in Zuid Limburg niet), maar waar we ook geconfronteerd worden met beperkte beschikbaarheid van vakmensen en grondstoffen, is het essentieel dat mensen en
middelen op die plekken in het land en de regio ingezet worden waar ze het meeste impact kunnen maken in de strijd tegen woningtekort. Onafhankelijke data (bijlage 2} laten onomstotelijk zien dat dat woningtekort in Eijsden Margraten, en in de kern Gronsveld in het bijzonder niet aan de
orde
is.
3.3 Regionaal beleid De wettelijke basis om gezamenlijk besluiten te nemen ligt in artikel 2.2 lid 2 van de Omgevingswet. Het gaat om het gezamenlijk nemen van één besluit. Veel opgaven overstijgen het lokale belang. 3.3.1 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL)
Op 18 oktober 2016 heeft de gemeente Eijsden-Margraten de regionale 'Structuurvisie Wonen ZuidLimburg' (SVWZL) vastgesteld. Dit is een gezamenlijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de 18 Zuid-Limburgse gemeenten, vanuit het besef dat ruimtelijke ontwikkelingen in één gemeente Pagina 7 van 11
directe invloed hebben op andere gemeenten. Ook erkennen de gemeenten met deze gemeenschappelijke aanpak, dat onderlinge concurrentie leidt tot negatieve effecten die uiteindelijk
ten koste gaan van de kracht van de regio, zeker met de huidige bevolkingsontwikkeling en de ambities die Zuid-Limburg als kennisregio heeft. In de SVWZL staat de transformatieopgave centraal, dat wil zeggen de totale woningbehoefte op basis van het aantal huishoudens, rekening houdend met de huidige woningvoorraad en de leegstand. Hierbij is onderscheid gemaakt in drie woonsferen: stedelijk, suburbaan en landelijk. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in de woonsfeer
'suburbaan'. Hier is sprake van een kwantitatief overschot van woningen. Er is een omslag nodig naar meer evenwicht tussen vraag en aanbod, meer kwaliteit en meer vraaggerichtheid. Toevoegen
van woningen kan om die reden alleen als het niet 'meer van hetzelfde' betreft en als dit binnen de kaders van de kwantitatieve opgave past. Hierbij moet de Ladder voor Duurzame Verstedelijking als uitgangspunt dienen. Actualisatie SVWZL
In opdracht van de Zuid-Limburgse gemeenten is de SVWZL in juni 2020 geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie hebben de Zuid-Limburgse gemeenten besloten om de beleidsafspraken van te huidige SVWZL te actualiseren. In navolging van het provinciale beleid hieromtrent hebben diverse Zuid-Limburgse gemeenteraden inmiddels besloten om geen compensatie als voornoemd meer
toe
te passen op woningbouwplannen, in afwachting op een nieuwe structuurvisie wonen Zuid-Limburg. De gemeenteraad van Eijsden-Margraten heeft in dat kader op 11 februari 2021 de Beleidsregel Ruim baan voor goede woningbouwplannen Eijsden-Margraten' vastgesteld. Beleidsregel Ruim baan voor goede woningbouwplannen Eijsden-Margraten Met deze beleidsregel wordt beleidsafspraak VI uit de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg voor goede plannen losgelaten. De beleidsregel komt in de plaats van de eerder vastgestelde beleidsregel "Tijdelijke versoepeling van de compensatiesystematiek van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg'. Goede woningbouwplannen hoeven niet meer te worden gecompenseerd. Woningbouwplannen
worden beschouwd als goede plannen als zij voldoen aan alle drie de onderstaande criteria: Criterium 1: Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde
Een woningbouwplan heeft maatschappelijke meerwaarde wanneer bijvoorbeeld sprake is van één van de volgende situaties: Aantoonbare verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen;
Herstructurering/vervangingsbouw van woningen; Hergebruik van winkels of (ander) bestaand waardevol vastgoed met passende woningbouw;
Aantoonbare bijdrage aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad. Daarbij moet worden aangesloten op het ruimtelijke uitgangspunt dat inbreiding boven uitbreiding gaat.
Criterium 2: Het plan is planologisch aanvaardbaar Een plan is (ruimtelijk) planologisch aanvaardbaar als het voldoet aan de Ladder van Duurzame verstedelijking (Besluit ruimtelijke ordening; artikel 3.1.6. lid 2) voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat een beschrijving van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte nodig is:
Pagina 8 van 11
Criterium 2a: Het plan sluit aan bij de kwantitatieve behoefte; Criterium 2b: Het plan sluit aan bij de kwalitatieve behoefte;
Criterium 3: Het plan is (sub)regionaal afgestemd Er dient subregionale afstemming plaats te vinden zodat gezamenijke oordeelsvorming plaatsvindt en het gemeenschappelijk belang voorop blijft staan (geen onderlinge concurrentie en overschotten
op subregionaal niveau). De subregio bepaalt of het plan aan de subregionale woningmarktprogrammering wordt toegevoegd. Woningbouwplannen die concurrerend zijn op regionale schaal (de Zuid-Limburgse woningmarkt), worden ook op Zuid-Limburgse schaal afgestemd. Woningbouwinitiatieven die mogelijk worden gemaakt via deze beleidsregel, dienen binnen 2 jaar na afstemming in de (sub)regio planologisch te zijn vastgesteld en binnen 3 jaar nadat het plan
planologisch onherroepelijk is geworden te zijn gerealiseerd. Woningbouwplannen die deze termijn en omgevingsvergunning niet halen, verliezen hun status op de subregionale
woningmarktprogrammering. Relatie met het voorliggend plan
De voorgenomen woningbouwontwikkeling past binnen de SVWZL en de beleidsregel. Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde, omdat een leegstaand voormalig tuincentrum wordt getransformeerd tot woningen, waarbij het type woningen (mix van huur-koop voor verschillende
doelgroepen) bijdraagt aan de bestaande woningvoorraad. Deze ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Het plan is ook planologisch aanvaardbaar, zoals is aangetoond met het doorlopen van de Ladder van Duurzame verstedelijking (zie paragraaf 5.5). De woningbouwontwikkeling aan de Slakweg in Gronsveld is in november 2022 positief afgestemd met de subregio Maastricht & Heuvelland.
(geanonimiseerd) Het argument tbv het eerste criterium (het plan_heeft Reactie Fam — maatschappelijke meerwaarde) is onjuist. Het is niet het bestaande vastgoed (tuincentrum) maar met name de agrarische gronden van het tuincentrum die getransformeerd worden tot woningen Dat is uitdrukkelijk geen inbreiding maar uitbreiding. De bedrijfswoning van het tuincentrum valt
zelfs expliciet buiten de beoogde ontwikkeling.
De mix van type woningen is zodanig dat het
woningoverschot verder toeneemt, en het risico op leegstand verder vergroot. Ook hier wordt wederom
oneigenlijk genoemd
dat de beoogde ontwikkeling plaatsvindt in bestaand stedelijk
gebied. Dat is onjuist. De ontwikkeling vindt plaats buiten stedelijk gebied, op agrarische grond De genoemde argumenten
in de ladder van duurzame verstedelijking die zouden moeten
aantonen dat het plan planologisch aanvaardbaar is, zijn hierboven reeds weerlegd, evenals de stelling dat het plan zou voorzien in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte.
Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Ze kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Bij het vaststellen van omgevingsplannen moeten gemeenten rekening houden met waterbelangen. Relatie met het voorliggend plan
Voorliggend voornemen bestaat uit het slopen van de bestaande bebouwing van het voormalige tuincentrum en het realiseren van nieuwe woningen. Er is hier sprake van inbreiding, omdat de ontwikkeling plaatsvindt op een vrijgekomen bedrijfslocatie in de kern Gronsveld. Er is daarmee
Pagina 9 van 11
geen sprake van verdere verstening. De ontwikkeling past daarmee binnen de Strategische visie 2022.
(geanonimiseerd) Het is niet het bestaande vastgoed (tuincentrum), maar enkele Reactie Fam. — kassen en voor het overgrote gedeelte de agrarische gronden van het tuincentrum die
getransformeerd worden tot woningen. Het is dus wel degelijk uitbreiding en geen inbreiding. In de omgeving van de Slakweg, de Rijksweg en de Maastrichterweg is veelvuldig wateroverlast bij
hevige regenbuien. Met de beoogde woningbouw treedt er netto een verdere verharding op van dit gebied. In Juli 2023 overstroomde ons huis met ernstige waterschade als gevolg (30 cm water in huis na een hevige regenbui, foto's en film beschikbaar op verzoek). Ook bij onze buren op de Maastrichterweg is wateroverlast bij stortbuien een structureel probleem. Bij een drietal vervolgstortbuien in 2023 en 2024 werd een herhaling van deze situatie in onze woning nipt voorkomen. Het te ontwikkelen gebied ligt nog lager en is daarmee extra kwetsbaar voor wateroverlast. De waterhuishouding van de nieuwe ontwikkeling claimt rekening te houden met de afwatering die lokaal valt op daken en de weg in de te ontwikkelen woonwijk, maar niet met de enorme hoeveelheid water die van hoger gelegen buitengebieden komt en via de rijksweg en de Maastrichterweg eindigt in de Termaardergrub. De gemeente lijkt nu niet in staat deze situatie
adequaat op te lossen, en deze situatie dreigt alleen maar erger te worden bij verdere verharding van het gebied.
Gebiedsbescherming Bij het onderdeel 'gebiedsbescherming' wordt de aanwezigheid van beschermde natuurgebieden, zoals Natura 2000-gebieden en overige onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), en de beoordeling of er van het voornemen een (in)direct effect uitgaat, behandeld. I er sprake van een
mogelijk negatief effect, dan is planaanpassing en/of nader onderzoek nodig. Natura 2000-gebied De onderzoekslocatie is slechts 770 meter verwijderd van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, het Savelsbos. Effecten door uitgesloten.
trillingen, licht of geluid op het Natura 2000-gebied is op deze afstand
Tijdens de bouwfase kan door inzet van mobiele werktuigen, aan- en afvoer van materialen en vervoers- bewegingen van personeel sprake zijn van een tijdelijke toename van stikstofemissie van het wijzigingsgebied. Ook tijdens de gebruiksfase is mogelijk sprake van een toename in stikstofdepositie door bijvoorbeeld het gebruik van de woningen, toename van gebruik van vervoersmiddelen. Binnen het Savelsbos zijn enkele stikstofgevoelige habitats aanwezig. De voorgenomen ontwikkelingen leiden mogelijk tot wetsovertredingen ten aanzien van Natura
2000-gebieden. Aeriusberekeningen voor de gebruiks- en bouwfase moeten uitwijzen of er sprake is van negatieve stikstofeffecten op Natura 2000-gebieden. 6.1.3 Stikstofdepositie
Voor zowel de gebruiksfase als de bouwfase van de woningbouwontwikkeling is een Aeriusberekening uitgevoerd (zie Bijlage 7 en Bijlage 8). De belasting van de Natura 2000-gebieden rondom de emissiebronnen is berekend met behulp van een verspreidingsmodel. De
Pagina 10 van 11
verspreidingsberekeningen zij (versie 2023.0.1).
uitgevoerd met behulp van de online-applicatie Aerius- Calculator
(geanonimiseerd) In Aerius calculator wordt voor de berekening benodigde informatie Reactie Fam. — over het plan ingevoerd. Het is vanzelfsprekend van belang dat dit correct en zorgvuldig gebeurt.
Ook moet inzichtelijk zijn wat de gebruikte gegevens en aannames zijn en welke keuzes daarin gemaakt zijn. Echter, de ingevoerde gegevens ten behoeve van de berekening door de Aerius calculator
(bijvoorbeeld het aantal bezoekers tuincentrum per jaar) lijken niet realistisch op basis van de bezoekersaantallen die wie als directe
buren hebben ervaren, en zijn door de opdrachtgever
aangeleverd zonder verwijzing naar een verifieerbare bron. Door het ontbreken van verifieerbare brondata kan toename van stikstofdepositie op natura 2000 gebieden niet worden uitgesloten.
Ik wil u verzoeken op grond van bovenstaande het ontwerp TAM omgevingsplan Slakweg Gronsveld
in te trekken en de bestaande agrarische bestemming te behouden.
Hoogachtend,
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) )dreesiminonaeg(
Pagina 11 van 11
bijkye 4 PBL/CBS
Regionale bevolkingsen huishoudens prognose 2022-2050 Steden en randgemeenten groeien verder
PBL/CBS
Regionale bevolkingsen huishoudens
prognose 2022-2050 Steden en randgemeenten groeien verder
Verklaring van tekens niets(blanco)
_ een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen .
0(0,0)
hetcijfer i onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
*
voorlopige cijfers
**
nader voorlopige cijfers -
(indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016-2017
2016toten
2016/2017
het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/17 2004/'05-2016/'17
met 2017
oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017 oogstjaar enz., 2004/'05 tot en met 2016/'17 In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de
som van de getallen.
Colofon uitgever Centraal Bureau voor de Statistiek
Henri Faasdreef 312, 2492 JP Den Haag vwww.cbs.nl
Prepress: Textcetera, Den Haag en CCN Creatie, Den Haag Ontwerp:
Edenspiekermann
Inlichtingen Tel. 088
570
7070
Via contactformulier: www.cbs.nl/infoservice
@ Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire, 2022. Verveelvoudigen is toegestaan, mits CBS als bron wordt vermeld.
Inhoud Overdeze publicatie
Inleiding
5
6
Bevolkingsontwikkeling Groei, maarookkrimp
8
8
Aanzienlijke bevolkingsgroei in de tien grootste gemeenten
Ontwikkeling vanhet aantalhuishoudens
13
16
Toename aantal huishoudens in bijna alle regio's en gemeenten Meer huishoudens n de tien grootste gemeenten
Vergrijzing
16
21
24
Vooral vergrijzing buiten de randstad
24
Ook vergrijzing in de tien grootste gemeenten
26
sterke daling van het aantal potentiële zorgverleners
28
Ontwikkeling van de potentiële beroepsbevolking
30
Krimp potentiële beroepsbevolking in het noord- en zuidoosten
Ontwikkeling van het aantal basisschoollee Meer basisschoolleerlingen in Randstad
"
Onzekerheid
lingen
31
33
34
36
Bij lagere bevolkingsgroei meer krimp aan de randen van Nederland
37
Bij lagere groeiverwachtingen toch vrijwel overal meer huishoudens
38
Technischetoelichting Uiteratuur
40
44
Inhoud
3
Over deze publicatie Auteurs: Andries de Jong (PBL), Saskia te Riele (CBS), Corina Huisman (CBS), Coen van Duin (CBS), Trond Husby (PBL), Lenny Stoeldraijer (CBS)
Erratum Eris geconstateerd dat detailcijfers van de PBL/CBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognoses tot 2050
die n 2019 en 2022 gepubliceerd zijn, onvoldoende
betrouwbaar zijn. De prognoses voor het aantal inwoners per gemeente, provincie en COROP-gebied vallen wel binnen de berekende betrouwbaarheidsmarges. De
detailinformatie (bijvoorbeeld naar leeftijdsgroep of naar huishoudens) niet. Daarom adviseren PBL en CBS om de detaillering uit deze regionale bevolkingsprognoses niet
meer te gebruiken. Deze informatie is dan ook verwijderd van de PBL-websites en van statLine. De gegevens over het totaal aantal inwoners per gemeente, provincie en COROPgebied blijven beschikbaar.
Het aantal inwoners van Nederland zal tot 2035 naar verwachting toenemen tot 18,9 miljoen, tegen 17,5 miljoen begin 2021. De nieuwe PBL/CBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognose verwacht dat de bevolking vooral groeit in de grote en middelgrote steden. Ook diverse randgemeenten rondom de grote steden groeien naar verwachting sterk. Deze groeigemeenten zijn vooral gelegen
in de Randstad. In 54 gemeenten (15 procent)
voorziet de prognose substantiële bevolkingskrimp. Deze gemeenten liggen meestal aan de rand van Nederland en zullen naar verwachting sterker vergrijzen dan de steden. Na 2035 zal de groei in de grote en middelgrote steden vertragen en in de kleine gemeenten vrijwel tot stilstand komen. Ook zal dan het aantal gemeenten met een afnemend inwonertal zich verder uitbreiden.
De prognose voorziet daarnaast dat het aantal huishoudens toeneemt, tot 8,88 miljoen in 2035, 830 duizend meer dan in 2021. Deze groei zal vrijwel overalin Nederland optreden, hoewelin enkele gemeenten aan de randen van het land een teruggang van het aantal huishoudens wordt verwacht. Na 2035 zal krimp in het aantal huishoudens in veel meer gemeenten optreden.
De regionale prognose beschrijft de meest waarschijnlijke toekomstige regionale ontwikkeling van bevolking en huishoudens gezien de huidige stand van de kennis. Omdat de cijfers met onzekerheden zijn omgeven, zijn er onzekerheidsintervallen rond de uitkomsten opgesteld. Het blijkt dat ook als de bevolkingsgroei lager is dan verwacht, de grote steden nog steeds zullen groeien.
Wanneer echter de bevolking sterker groeit dan
voorzien, dan zouden vrijwel alle gebieden te maken kunnen krijgen met een groeiend of stabiel blijvend aantal inwoners.
Overdezepublicatie
$
l
Inleiding De bevolking van Nederland groeit. Ook de komende decennia wordt een toename van het aantal inwoners verwacht. Deze bevolkingsgroei is niet gelijk over Nederland verdeeld. Sommige gebieden groeien sterk, terwijl in andere gebieden het inwonertal minder snel toeneemt of zelfs terugloopt. Om een beeld te krijgen van de manier
waarop de verwachte
groei van het aantal inwoners en het aantal huishoudens over Nederland is verdeeld, publiceren het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Bureau voor de statistiek (CBS) elke drie jaar de Regionale bevolkings- en huishoudensprognose. De prognose beschrijft de verwachte bevolkingsontwikkeling per gemeente, COROP-gebied en provincie naar leeftijd en geslacht en laat de veranderingen in het aantal huishoudens naar type zien. Daarnaast laat het zien in hoeverre de toekomstige ontwikkelingen het gevolg zijn van de verwachte geboorte, sterfte, binnenlandse en buitenlandse migratie De regionale prognose geeft een samenhangend toekomstbeeld van de ontwikkeling van de bevolking en de huishoudens in alle gemeenten. Daarvoor wordt het model Projecting population Events At the Regional Level (PEARL) gebruikt (De Jong et al., 2005 en De Jong et
al, 2007). Het uitgangspunt is de bevolkingsgroei die is voorzien in de Kernprognose 20212070 (Stoeldraijer, Van Duin, de Regt, Van der Reijden en Te Riele, 2021) en de huishoudensgroei volgens de Huishoudensprognose 2022-2070 (Stoeldraijer, Te Riele, Van Duin en Van der Reijden, 2021).
Met het model PEARL worden deze nationale ontwikkelingen
uitgewerkt naar het regionale niveau.
Het startpunt van de twee nationale prognoses is de
waarneming op 1 januari 2021. Daarom ligt het startpunt van de regionale prognose ookop deze datum. Input voor het model zijn veronderstellingen over de toekomstige ontwikkelingen per gemeente van geboorte, sterfte, immigratie, emigratie, verhuizingen,
overgangen tussen huishoudensposities en woningbouw. Deze zijn gebaseerd op kennis over ontwikkelingen in het recente verleden. Het model PEARL en de bijbehorende veronderstellingen staan kort beschreven in de technische toelichting.
Leeswijzer Dit artikel beschrijft de belangrijkste uitkomsten van de regionale prognose. De nadruk ligt
op de ontwikkelingen tussen 2021 en 2035, maar er wordt ook een doorkijk gegeven naar de periode tot 2050. Aangezien in de jaren na 2035 onzekerheid een grotere rol speelt, heeft de prognose voor die periode meer het karakter van een trendscenario, dat beschrijft wat er zou gebeuren als de ontwikkelingen van de voorgaande periode zich ongeveer op dezelfde manier doorzetten. De onderwerpen die aan bod komen zijn de regionale verschillen in de
ontwikkeling van de bevolking (paragraaf2} en van het aantal huishoudens (paragraaf 3). Vervolgens wordt ingegaan op de ontwikkeling van het aandeel ouderen (paragraaf 4), de omvang van de potentiële beroepsbevolking (paragraaf 5) en het aantal basisschoolleerlingen (paragraaf 6). Tot slot gaat het artikel in op de onzekerheid van prognoses (paragraaf 7). Het doel van de regionale prognose is om de meest waarschijnlijke toekomstige ontwikkelingen
weer te
geven. Het is echter niet zeker hoe de componenten van bevolkingsgroei en van huishoudensvorming en -ontbinding zich werkelijk zullen ontwikkelen. Zo kan het aantal
migranten van jaar tot jaar fluctueren en is het niet zeker of Nederlanders een voorkeur voor
6
PBL/CBS Regionale bevolkings-en huishoudensprognose 2022-2050 - Steden en randgemeenten groeien verder
een gezin met twee kinderen blijven houden. Deze onzekerheid wordt in beeld gebracht met
de stochastische regionale prognose (Van Duin en De Jong, 20173; 2017b). De onzekerheidsintervallen die dit oplevert geven een indicatie van de waarschijnlijkheid van de prognose.
Meer cijfers en andere informatie zijn te vinden op de site van het PBL (PBL themasite, 2022) en op StatLine van het CBS (CB Statline, 2022).
Inleiding
7
2
Bevolkingsontwikkeling De afgelopen drie jaar is de bevolking van Nederland relatief snel gegroeid, met uitzondering van het 'coronajaar' 2020. In dat jaar halveerde de bevolkingsgroei ten opzichte van 2019. Er kwamen 68 duizend inwoners bij, in 2019 waren dat er nog ruim 125 duizend. In 2021 trok de bevolkingsgroei weer aan en nam het aantal inwoners opnieuw met meer
dan 100 duizend toe. Begin 2021 woonden er bijna 17,5 miljoen mensen n Nederland. Dat zullen er naar verwachting 18,9 miljoen zijn in 2035 en 19,6 miljoen in 2050. Vooralde eerstkomende jaren voorziet de Kernprognose 2021-2070 een relatief sterke bevolkingsgroei, waarna het groeitempo geleidelijk afneemt (Stoeldraijer, Van Duin, De
Regt, Van der Reijden en Te Riele, 2021). Dit heeft vooralte maken met het oplopen van de sterfte door de vergrijzing. Het grootste deel van de groei zal afkomstig zijn van inteationale migratie. Tot 2040 groeit de bevolking ook door natuurlijke aanwas, daarna volgt een periode waarin het aantal overledenen het aantal geboorten overtreft.
2.1
Groei, maar ook krimp Niet overal in Nederland groeitde bevolking. In 2021 nam vooral in de steden en de omliggende gemeenten het aantal inwoners toe, terwijl in 15 procent van alle gemeenten
de bevolking is gekrompen. Ook voor de toekomst voorziet de prognose een sterke groei in de Randstad, in en om de grote steden. Tussen 2021 en 2035 wordt de sterkste bevolkingstoename verwacht in COROP-regio Agglomeratie Groot-Amsterdam (19 procent). Ook n Flevoland (16 procent) blijft de bevolking naar verwachting nog sterk toenemen (figuur2.1.1). Van oudsher fungeert Flevoland als overloopgebied voor de noordelijke Randstad. Buiten de Randstad, in de zogenaamde intermediaire zone, voorziet de prognose n grote delen van Noord-Brabant, Gelderland en Overijssel ook bevolkingsgroei, minder sterk.
8
PBL/CBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognose 2022-2050 - Steden en randgemeenten groeien verder
hoewel wat
211
Bevolkingsgroeiper COROP, 2021 tot 2035
Minder dan -S (%] -S tot-2,5(%} E
250125
(%)
2,5t0t5(%)
WE
5tot10(%)
B
10 0f meer(%)
Bron:
PBI/CBS
Naast regio's met een toenemend aantal inwoners zijn er naar verwachting ook regio's die,
ondanksde sterke groei van de totale bevolking van Nederland, nogte maken krijgen met krimp. Tot 2035 voorziet de prognose een daling van de bevolking met meer dan 5 procent in Delfzijlen omgeving en in Oost-Groningen. In andere traditionele krimpregio's, zoals Zeeuws-Vlaanderen, de Achterhoek en ZuidLimburg, wordt daarentegen tot 2035 geen krimp van belang verwacht. Pas voor de periode na 2035 voorziet de prognose in deze gebieden een lichte krimp tot -S procent. Ook in Delfzijlen omgeving en in Oost-Groningen zet de krimp naar verwachting ook na 2035 door.
Bevolkingsontwikkeling
9
2.1.2
Bevolkingsgroei per COROP, 2035 tot 2050
Nd 4
Minder dan -S (%) 5 tot-2,5(%)
WE
-2,5t0t2,5(%) 2,5tot 5 (%)
WE
5tot10(%)
B
10 0f meer (%)
Bron:
PBIJCBS
Figuur 2.1.3 laat zien welke gemeenten grotendeels verantwoordelijk zijn voor het regiobeeld. Gemeenten met een sterke bevolkingsgroei tot 2035 zijn vooral te vinden in de
Randstad. Dit
zijn naast de vier grote steden en hun diverse randgemeenten ook steden als
Zoetermeer, Leiden en Haarlem. In de intermediaire zone zijn er eveneens steden met een sterke bevolkingsgroei, zoals Nijmegen en Eindhoven. In het noorden en oosten vallen Groningen, Zwolle en Enschede op door een relatief sterke bevolkingsgroei.
Krimp komt voor in diverse gemeenten in de noordelijke provincies. Elders, langs de oostgrens, in Twente, de Achterhoek en Limburg, zijn er ook gemeenten die naar verwachting in bevolkingsomvang afnemen. Voor alle gemeenten met een krimp van
2, procent of meer gaat het om een gezamenlijk verlies van 95 duizend inwoners tussen 2021 en 203. De verwachte krimp komt onder andere doordat er in deze vrij sterk vergrijsde regio's meer mensen overlijden dan er kinderen worden geboren. In het merendeel van de
krimpgemeenten vertrekken bovendien doorgaans meer mensen naar andere gemeenten in Nederland dan ervoor terugkomen. Het zijn vooral jongvolwassenen die verhuizen naar de Randstad en naar de steden daarbuiten, voor een baan of voor studie (Husby, Weterings, Groot, 2019).
10
PBL/CBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognose 2022-2050 - Steden en randgemeenten groeien verder
De mate van bevolkingskrimp en het aantal krimpregio's tot 2035 vallen in de huidige
prognose lager uit dan eerder was voorzien (te Riele, Huisman, Stoeldraijer, de Jong, van Duin en Husby, 2019). Zo wordt in 15 procent van de gemeenten een krimp van 2,5 procent of meer verwacht. Bij de vorige prognose kwam dat nog bij meer dan 20 procent van de gemeenten voor. Vooral de buitenlandse migratie speelt daarin een belangrijke rol. Voor de toekomst wordt een grotere groei door buitenlandse migratie verondersteld dan bij de vorige prognose. Bij het opstellen van de huidige prognose speelde de toegenomen migratie vanuit Oekraïne nog geen rol, maar werd wel aangenomen dat de asielmigratie in de toekomst hoger zou zijn dan bij de vorige prognose werd verondersteld. Naast meer asielmigranten komen vooral meer arbeids- en studiemigranten naar Nederland. De meesten komen uit Europa, maar ook vanuit Azië en Amerika komen meer mensen naar Nederland
dan er vertrekken (de Regt, Van Duin en Stoeldraijer, 2021). Immigranten vestigen zich met name in de steden, niet alleen in de Randstad, maar ook daarbuiten (Van der Star, De Jong en
Manting, 2021). Daarnaast vestigen zij zich de laatste jaren ook in plattelandsgemeenten, vooral daar waar veel banen beschikbaar zijn in de landbouw, tuinbouw, logistiek en bouw.
Hierdoor overtreft ook in gemeenten in de krimpregio's de immigratie nog al eens de emigratie. De gemeenten die het sterkst groeien door buitenlandse migratie zijn daardoor niet alleen de steden maar ook plattelandsgemeenten waar arbeidskrachten (in de
landbouw) nodig zijn, zoals Zeewolde, Steenbergen en Hollands Kroon. 213
Bevolkingsgroeiper gemeente, 2021 tot 2035
Minder dan -S (%) $ tot -2,5 (%)
MEm 2,52,5t0t2,5(%] tot 5 (%) B
Stot10{%)
B
10 of meer (%]
Bron:
PBL/CBS
5-
Bevolkingsontwikkeling
11
Na 2035 breidt het aantal
gemeenten met een afnemend inwonertal zich verder uit, vooral in
gebieden in de periferie, zoals de Achterhoek, Limburg en Zeeuws-Vlaanderen. In deze periode neemt het groeitempo van de Nederlandse bevolking als geheel af. Ook in andere gemeenten zwakt de bevolkingsgroei dan af.
214
Bevolkingsgroei per gemeente, 2035 tot 2050
2 Minderdan-s(%} M
4
$ t0t-2,5(%)
9
-2,510t2,5(%)
:
2,5tot5 (%)
MEE
5t0t10(%)
B
100f meer(%)
&
@
Bron:
PBL/CBS
Sterkste groei in grote en middelgrote steden De bevolkingsgroei die tot 2035 is voorzien komt voor het grootste deel terecht in de grotere gemeenten. De vier grote steden groeien naar verwachting het snelst, gevolgd door de
middelgrote steden (gemeenten met meer dan 100 duizend inwoners). Dit beeld is vergelijkbaar met de periode tussen 2010 en 2021. Alleen in 2020 stagneerde de groei van de steden toen de buitenlandse migratie afnam als gevolg van de maatregelen die werden
ingesteld vanwege de coronacrisis (CBS, 2021). In 2021 trok deze groei echter weer aan (CBS, 2022). Het groeitempo van de grote steden is niet altjd zo groot geweest. In de jaren 80 en 90 verruilden jonge gezinnen de stad voor de groeikernen,
waar veel eengezinswoningen
beschikbaar kwamen. Deze groeikernen waren bedoeld om de bevolkingstoename van de grote steden op te vangen. In de periode 2000 tot 2010 groeiden juist de middelgrote steden
12
PBI/CBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognose 2022-2050 - Steden en randgemeenten groeien verder
het sterkst. De huidige opleving van de grote stad heeft niet alleen te maken met de toegenomen buitenlandse migratie maar ook met een veranderd beleid om gezinnen voor de stad te behouden (Van der Wouden, 2016) Ook de kleinere gemeenten (met 40 duizend tot 100 duizend inwoners) blijven tot 2035 groeien, maar wel in een tempo dat beneden het landelijk gemiddelde ligt. Tegen die tijd
passeren nog vijf steden de grens van 100 duizend inwoners, zodat dit aantal op 37 uitkomt.
Ten slotte wordt in de kleinste gemeenten (met minder dan 40 duizend inwoners) nog een Uichte bevolkingsgroei voorzien, ondanks de krimpgemeenten in deze groep gemeenten. Na 2035 neemt het aantal inwoners van alle kleine gemeenten samen tot 2050 naar verwachting nauwelijks nog toe. Ook de groei van de vier grote steden en dat van steden met meer dan 100 duizend inwoners zwakt dan aanzienlijk af.
215
Bevolkingsgroei per jaar naar gemeentegrootte
x
1
ï
os
x
HE
H3
u
20002010
z00tazeen
4 t
2021 otzoss
‚
20sstot2050
viergrresteden mmm 100000 ofmeerinwoners 49000 ot 100000 inwoners ot40 000inwoners Nederland totaal
Bron:
PBL/CS
Aanzienlijke bevolkingsgroei in de tien grootste gemeenten Van de vier grote steden groeit Utrecht naar verwachting het snelst, met ruim 25 procent tot
2035. Amsterdam krijgt er de meeste inwoners bij, ruim 175 duizend (20 procent).
De hoofdstad passeert naar verwachting in 2030 de mijlpaal van één miljoen inwoners. Den Haag en vooral Rotterdam groeien wat minder sterk, met een voorziene toename van respectievelijk 18 procenten 12 procent. De vier grote steden groeien door natuurlijke aanwas en buitenlandse migratie. De hoge immigratie die ook in de toekomst wordt verwacht, draagt hier voor een aanzienlijk deel aan bij. Ook in de toekomst hebben deze steden een relatief jonge bevolking, waardoor het aantal geboorten de sterfte blijft overtreffen. Hoewel jongvolwassenen langer thuis zullen blijven wonen, en ondanks de moeilijke woningmarkt voor starters, is de stad nog altijd
Bevolkingsontwikkeling
13
aantrekkelijk voor jongeren uit binnen- en buitenland. Dit leidt tot een toestroom van jongeren de hier een eerste baan vinden, jonge arbeidsmigranten en (internationale) studenten.
De grote steden kennen echter ook een aanzienlijke uitstroom van inwoners, die de instroom overtreft. Vertrekkers zijn veelal gezinnen die zich in de omliggende gemeenten vestigen (CBS, 2019). In die gemeenten is de woningbouw de laatste jaren weer op gang gekomen (CBS, 2022). Deze gemeenten zullen in de toekomst sterk groeien. Rond Amsterdam gaat het om bijvoorbeeld Ouder-Amstel, Diemen, Weesp en Beemster maar ook de oude groeikernen Haarlemmermeer, Purmerend, Lelystad en Almere groeien aanzienlijk. Rondom Den Haag valt vooral Rijswijk op, maar ook Zoetermeer groeit verder. Bij Rotterdam groeien Lansingerland en vooral Zuidplas naar verwachting nog sterk tot 2035. Rondom Utrecht blijven onder andere de oude groeikernen Nieuwegein en Houten, maar ook Bunnik en Zeist nog in omvang toenemen. De uitstroom uit de grote steden richt zich niet alleen op de nabij gelegen kernen, maar reikt
ook verder. Zo s de laatste jaren het aantal verhuizingen uit de Randstad naar de perifere regio's toegenomen
2.21
(CBS, 2021).
Bevolking in de tien grootste gemeenten
Amsterdam LTT
Rotterdam
‘s-Gravenhage
utrecht
Eindhoven
Groningen
Tiburg
Almere
Breda
eB
G
Nijmegen
°
200
100
co0
300
1000
1200 x1000
2005
mm
2021
2035
m
2050
Bron: PBU/CBS
14
PBL/CBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognose 2022-2050 - Steden en randgemeenten groeien verder
Behalve in de vier grote steden wordt tot 2035 ook in de andere grootste steden een bovengemiddelde groei verwacht. Net als bij de vier grote steden komt deze bevolkingsgroei vooral voort it een positief saldo van de buitenlandse migratie, in mindere mate draagt de natuurlijke aanwas hieraan bij. Anders dan de vier grote steden groeien deze steden ook door een binnenlands
vestigingsoverschot
De onderlinge verschillen zijn echter groot. Van de zes grootste gemeenten buiten de vier grote steden blijft Eindhoven naar verwachting tot rond 2045 het grootst. Het overtreft ook Groningen dat nu nog ongeveer evenveel inwoners telt. Eindhoven is niet alleen
aantrekkelijk voor jongeren vanwege de technische universiteit. De aanwezigheid van de hightech-campus en grote bedrijven als ASML, Philips en NXP maakt de stad ook aantrekkelijk voor kenniswerkers, ondernemers en investeerders uit binnen- en buitenland. Deze stad blijft daarom naar verwachting ook in de toekomst verder groeien. Voor Almere wordt de sterkste groei voorzien. Het is momenteel de achtste stad, maar passeert naar verwachting na 2030 Tilburg als zevende stad. De woningbouw zal hier de komende jaren naar verwachting aantrekken in het kader van de zogenoemde schaalsprong.
Na 2040 zal Almere ook groter
zijn dan Groningen en tegen 2050 ook groter dan Eindhoven. Het zal dn de vijfde stad van ons land worden. Andere steden n de top tien van grootste steden zoals Breda, Tilburg en Groningen groeien naar verwachting minder snel dan Almere en Eindhoven. Verwacht wordt dat Breda in 2050 uit de top tien valt ten koste van Haarlem, een andere stad die sterk groeit.
Bevolkingsontwikkeling
15
3
Ontwikkeling van het aantal huishoudens Erratum Na publicatie van dit artikel is geconstateerd dat de detailcijfers waarop dit hoofdstuk is gebaseerd onvoldoende betrouwbaar zijn. PBL en CBS kunnen de desbetreffende prognoses niet binnen afzienbare termijn herzien. Daarom adviseren zij om de informatie in dit hoofdstuk niet te gebruiken. Zie voor meer informatie dit erratum.
Op 1 januari 2021 telde Nederland 8,04 miljoen huishoudens. Volgens de
Huishoudensprognose van het CBS zal dit aantal stijgen naar bijna 8,88 miljoen in 2035 en 9,25 miljoen in 2050 (Stoeldraijer, Te Riele, Van Duin en Van der Reijden, 2021). Tot 2035 moet er in de woningvoorraad dus ruimte zijn voor 830 duizend extra huishoudens. Het huidige kabinet zet in op een groei van 900 duizend extra woningen tot 2030 (BZK, 2022). Het aantal huishoudens neemt naar verhouding sneller toe dan het aantal inwoners,
doordat de gemiddelde huishoudensgrootte daalt. In 1995 bestond een huishouden nog uit gemiddeld 2,35 personen, in 2021 is dat 2,14 personen. De prognose veronderstelt een verdere daling naar 2,09 personen in 2035 en tot 2,08 personen in 2050.
Meer
mensen
wonen alleen, en hun aantal zal in de toekomst naar verwachting verder toenemen. gevolg van de voortgaande individualisering en van vergrijzing.
Dit is het
Meer mensen zullen voor
kortere of langere tijd alleen wonen, voordat ze aan een relatie beginnen of na een scheiding. Bovendien zijn er meer ouderen. Zij lopen op latere leeftijd een grotere kans dat ze alleen komen te staan als hun partner komt te overlijden
3.1
Toename aantal huishoudens in bijna alle regio's en gemeenten In de periode tussen 2021 en 2035 voorzietde prognose in bijna alle veertig COROPgebieden een groei van het aantal huishoudens. In bijna de helft van deze gebieden is de
huishoudensgroei 10 procent of meer. Alleen in Delfzijl en omgeving wordt een afname van het aantal huishoudens verwacht, met bijna S procent. Dat komt neer op ongeveer duizend huishoudens, en evenzoveel woningen waar [eegstand voor dreigt. In Flevoland groeit het aantal huishoudens volgens de prognose het sterkst, met 22 procent
tot 2035. Deze toename is beduidend groter dan de groei van het aantal inwoners van 16 procent. Deze regio heeft in 2021 de hoogste gemiddelde huishoudensgrootte, van 2,39 personen. Volgens de prognose daalt dit tot 2,27 personen in 2035. Dat de gemiddelde
huishoudensgrootte hier zo hoog is, heeft te maken met de geschiedenis van Flevoland als nieuwe polder. In het verleden zijn hier vooral jonge gezinnen naartoe getrokken, eerst naar Emmeloord, later naar Lelystad en nog later naar Almere. De polder kende hierdoor ook een relatief hoog gemiddeld kindertal. Veel van de kinderen uit deze gezinnen gaan de komende
16
PBI/CBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognose 2022-2050 - Steden en randgemeenten groeien verder
jaren it huis, waardoor de gemiddelde huishoudensgrootte wat daalt. Daarnaast zullen de toenmalige nieuwkomers ouder worden en vaker alleenstaand worden, door scheiding of door het verlies van een partner.
311
Huishoudensgroei per COROP, 2021 tot 2035
r
2,t0t5
(%)
B
5t0t10(%)
B
1001
meer (%)
Bron: PBL/CBS
Na 2035 groeit het aantal huishoudens
in alle regio's minder snel. Niet alleen het tempo van
de bevolkingsgroei ligt dan lager, maar ook de gemiddelde huishoudensgrootte neemt nauwelijks nog af. Het aantal regio's met een huishoudensgroei van 10 procent of meer (periode 2035-2050) is aanzienlijk kleiner. In Groot-Amsterdam, Agglomeratie 'sGravenhage en Flevoland blijft het aantal huishoudens echter na 2035 nog steeds sterk groeien. In meer regio's zal het aantal huishoudens in deze periode dalen. Deze liggen
voornamelijk aan de randen van Nederland
Ontwikkeling vanhetaantalhuishoudens
17
3.1.2
w
Huishoudensgroei per COROP, 2035 tot 2050
Minderdan-S(%) 5 t0t-2,5 (%)
MEE
-2,5t0t2,5(%) 2,5tot5 (%]
EM
Stot10(%)
B
100
Bron:
PBI/CBS
meer(%)
Op gemeenteniveau komt eenzelfde beeld naar voren: een toename van het aantal huishoudens. In het westen van het land wordt zowel in de (grote) steden als in de randgemeenten een sterke groei van het aantal huishoudens verwacht. In Noord-Brabant zijn het de steden Breda, Tilburg, Den Bosch, Eindhoven en hun randgemeenten waar de toename van het aantal huishoudens hoog is. Ook in Gelderland zijn er veel gemeenten met een hoge huishoudensgroei. In het oosten en noorden
zijn er minder gemeenten waar het
aantal huishoudens sterk toeneemt. Meestal gebeurt dat in de wat grotere steden.
slechts n een beperkt aantal gemeenten wordt tussen 2021 en 2035 een daling van het aantal huishoudens van 2,5 procent of meer voorzien. Deze gemeenten liggen vrijwel zonder uitzondering aan de randen van Nederland. Overigens zijn er minder gemeenten met een voorziene huishoudenskrimp van 2,5 procent of meer dan gemeenten met een dergelijke bevolkingskrimp. In krimpgemeenten is de bevolking al relatief sterk vergrijsd, waardoor de sterfte het aantal geboorten overtreft. Daardoor krimpt de bevolking, maar een overlijden leidt niet altijd tot het verdwijnen van een huishouden. Als iemand weduwe of weduwnaar wordt, is er wel een inwoner,
18
maar geen huishouden minder.
PBL/CBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognose 2022-2050 - Steden en randgemeenten groeien verder
3.1.3
Huishoudensgroei per gemeente, 2021 tot 2035
Minder dan -S (%] S tot-2,5(%]
D
2,5t012,5(%) 251015 (%)
ME
5tot10(%)
B
100
meer x}
Bron: PBLCBS
Na 2035 zal in veel gemeenten de groei van het aantal huishoudens stabiel blijven of
krimpen. Dit geldt vooral voor de periferie, terwijl in de Randstad en in het midden van het land nog veel gemeenten een lichte toename van het aantal huishouden mogen verwachten. Dit betekent dat delen van Nederland met woningleegstand te maken kunnen krijgen. Dit geldt overigens niet voor gemeenten die nu kampen met een woningtekort, en die dit tekort in 2035 nog niet hebben ingelopen.
Ontwikkeling van het aantal huishoudens
19
3.1.4
Huishoudensgroei per gemeente, 2035 tot 2050
Minder dan -$ (%)
&
5 t0t-2,5(%]
WE
-2,5t012,5(%) 2510t5{%)
M
5tot10(%)
B
100
Bron:
PBI/CBS