20231212 14b RV Algemene verordening NW2
Tekst van het document
De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet. 7. Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 8. De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden. 9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.1.6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat: a. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; b. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; c. er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;
29
d. er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; e. de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 10. Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning en het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester[, onverminderd het bepaalde in artikel 2.10.6 van deze Verordening een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 11. De burgemeester brengt een kopie van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf. 12. Iedereen is verplicht toe te laten dat de kopie wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 13. Het is iedereen verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin te verblijven. 14.
De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling zal plaatsvinden van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid. 15. In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning. 16. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Hoofdstuk 2.11 Winkeltijden (voorheen: Verordening winkeltijden EijsdenMargraten 2017) Artikel 2.11.1 (Algemene) vrijstelling voor zon- en feestdagen voor winkels 1. Voor de in artikel 2 van de Winkeltijdenwet genoemde verboden, voor zover betrekking hebbend op zon- en feestdagen, geldt van 10.00-14.00 uur een algemene vrijstelling. 2. De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt niet voor de winkels gevestigd in het Retailpark te Gronsveld. Deze winkels mogen geopend zijn van 12.00 tot 17.00 uur. 3.
In afwijking van het eerste en tweede lid geldt op de zondagen in december een algemene vrijstelling van 10.00 tot 17.00 uur.
30
4. De in het eerste, tweede en derde lid genoemde vrijstellingen gelden niet op Nieuwjaarsdag, eerste Paasdag, 4 mei na 19.00 uur (dodenherdenking), eerste Pinksterdag en eerste Kerstdag. Artikel 2.11.2 Ontheffing zon- en feestdagen 1. Het college kan voor wat betreft zondagen en feestdagen ontheffing verlenen van de in artikel 2 van de Winkeltijdenwet genoemde verboden. 2. In aanvulling op de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de ontheffing worden geweigerd als de woon- en leefsituatie in de omgeving van de winkel op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de openstelling van de winkel. Artikel 2.11.3 Algemene vrijstelling zon-, feest- en werkdagen Voor in de artikel 2 van de Winkeltijdenwet genoemde verboden geldt een algemene vrijstelling voor: a. straatverkoop van de voor directe consumptie geschikte eetwaren en dranken tijdens evenementen; b. winkels waar voor directe consumptie geschikte eetwaren en dranken worden verkocht en genuttigd. Artikel 2.11.4 Ontheffing werkdagen 1. Het college kan voor wat betreft werkdagen ontheffing verlenen van de in artikel 2 van de Winkeltijdenwet genoemde verboden, ten behoeve van bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard. 2.
In aanvulling op de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de ontheffing worden geweigerd als de woon- en leefsituatie in de omgeving van de winkel of de plaats waar de bijzondere gelegenheid van tijdelijke aard plaatsvindt, op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door gebruik van de ontheffing.
Hoofdstuk 2.12 Parkeren (Voorheen: Parkeerverordening Eijsden-Margraten 2015) Paragraaf 2.12.1 Parkeerplaatsvergunning Artikel 2.12.1.1 Aanwijzing parkeerplaatsen 1. Het college kan weggedeelten aanwijzen als vergunningzone bestemd voor het parkeren door vergunninghouders. 2. Het college kan de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren alleen voor vergunninghouders is toegestaan. Artikel 2.12.1.2 Vergunning
31
1. Het college kan op aanvraag vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen. 2. Een vergunning kan worden verleend aan:
a. de eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn (categorie bewonersparkeervergunningen); b. de eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn en die aantoont dat het in het belang van diens beroeps- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren (categorie werkparkeervergunningen); c. de eigenaar of houder van een motorvoertuig die (mantel)zorg verleent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn en die aantoont dat het noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren (categorie (mantel)zorgparkeervergunningen). 3. Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning verlenen aan een eigenaar of houder die niet voldoet aan één van de in het tweede lid genoemde vereisten. 4. Het college kan een maximum aantal uit te geven vergunningen vaststellen per adres, per aaneengesloten weggedeelte of gebied, per categorie en tevens de volgorde van vergunningverlening bepalen. Het beschikken over een parkeerplaats op eigen terrein kan daarbij van invloed zijn. Artikel 2.12.1.3 Vergunningduur en gegevens 1. Een vergunning wordt voor maximaal twee jaar verleend. 2. De vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. de periode waarvoor de vergunning geldt; b.
het weggedeelte, gebied of gebieden waarvoor de vergunning geldt; c. het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de vergunning wordt verleend, tenzij de vergunning niet op kenteken wordt afgegeven. In dat laatste geval zal de vergunning de naam bevatten van de vergunninghouder en/of het adres waarop de vergunning wordt afgegeven. 3. Bij verlies, diefstal of wijziging van een kenteken van de in het eerste en tweede lid bedoelde vergunning binnen de geldigheidsduur, kan op een daartoe strekkende aanvraag een nieuwe vergunning worden verleend voor de resterende geldigheidsduur. Artikel 2.12.1.4 Wachtlijst 1. Als reeds zoveel vergunningen zijn verleend dat op grond van het besluit als bedoeld in artikel 2.12.1.2, vierde lid van deze Verordening geen vergunningen meer worden verleend, dan kan het college de aanvraag voor een eerste bewonersvergunning als
32
bedoeld in artikel 2.12.1.2, tweede lid van deze Verordening voor onbepaalde tijd op een wachtlijst plaatsen. 2. Binnen de termijn als bedoeld in artikel 1.1.2 van deze Verordening wordt beslist of de aanvraag op een wachtlijst wordt geplaatst. Artikel 2.12.1.5 Wijziging en intrekking In aanvulling op artikel 1.1.6 van deze Verordening kan het college een vergunning intrekken of wijzigen als: a. de vergunninghouder niet meer woont in het gebied of daar geen beroep of bedrijf meer uitoefent, waarvoor de vergunning is verleend; b. voor het desbetreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen; c. de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor zijn vergunning heeft voldaan. Artikel 2.12.1.6 Gebruiksvoorschriften 1. De parkeervergunning mag alleen worden gebruikt in overeenstemming met de bij of krachtens deze Verordening vastgestelde criteria voor uitgifte van vergunningen. 2. De parkeervergunning geldt voor het parkeren met één motorvoertuig op één parkeerplaats. 3. De parkeervergunning met kenteken geldt uitsluitend voor het parkeren met een motorvoertuig met het kenteken dat aan de voorzijde van de parkeervergunning is vermeld. 4. Tijdens het parkeren moet de vergunning geheel leesbaar achter de voorruit zijn aangebracht.
Dit dient zodanig te gebeuren dat de voorzijde van de vergunning duidelijk leesbaar is vanaf de buitenkant van het motorvoertuig. 5. Als één of meer van de hiervoor genoemde voorschriften niet worden nageleefd, wordt dit beschouwd als parkeren zonder vergunning. 6. De vergunning blijft eigendom van de gemeente Eijsden-Margraten. Artikel 2.12.1.7 Parkeren zonder vergunning Het is voor niet-vergunninghouders verboden gedurende de tijd waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan, daar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden. Paragraaf 2.12.2 Parkeerexcessen Artikel 2.12.2.1 Parkeren voertuigen van autobedrijf en dergelijke
33
1. Het is degene die er zijn (neven)bedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te (laten) stallen, herstellen, slopen, verhuren, (Apk-)keuren of te verhandelen, verboden: a. meer dan twee voertuigen die diegene toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt één van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 2. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan het gebruiken van een voertuig voor het: a. geven van lessen, of b. vervoeren van personen tegen betaling. 3. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan één uur vergen, of b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid bedoelde persoon. Artikel 2.12.2.2 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Direct aansluitend op deze periode mag dit voertuig, gedurende een periode van één week, niet binnen een straal van 500 meter van voornoemde plek worden geparkeerd.
Artikel 2.12.2.3 Voertuigwrakken Het is verboden een voertuig op de weg te parkeren, dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud of in een duidelijk verwaarloosde toestand verkeert. Artikel 2.12.2.4 Kampeermiddelen en andere voertuigen Het is verboden zonder vergunning van het college een voertuig dat voor recreatie of op andere wijze voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben; b. binnen een straal van 500 meter van een eerder ingenomen locatie van het kampeermiddel te plaatsen of te hebben, gedurende een periode van twee weken. Artikel 2.12.2.5 Parkeren van reclamevoertuigen Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het duidelijke en enkele doel om daarmee handelsreclame te maken.
34
Artikel 2.12.2.6 Parkeren grote voertuigen 1. Het is verboden een voertuig op de weg te parkeren dat, inclusief de lading, een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, waar dit: a. schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente, of b. buitensporig is met het oog op de beschikbare parkeerruimte. 2. Onderdeel b van het eerste lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. campers, kampeerauto's, caravans en kampeerwagens, als deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden, of b. door het college aangewezen plaatsen. Artikel 2.12.2.7 Parkeren anders dan op de rijbaan 1. Het is verboden een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 2. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van de overheid. Artikel 2.12.2.8 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. Het is verboden met een voertuig te rijden of stil te staan in een park, plantsoen of door de gemeente aangelegde beplanting dan wel groenstrook. 2. Dit verbod is niet van toepassing op voertuigen: a. die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van de overheid; b.
waarmee een standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. Hoofdstuk 2.13 Wegslepen (voorheen: Wegsleepverordening Eijsden-Margraten 2020) Artikel 2.13.1 Aanwijzing wegen en weggedeelten waar voertuigen kunnen worden verwijderd, overgebracht en in bewaring gesteld Als wegen en weggedeelten, bedoeld in artikel 170, eerste lid, onder c van de Wvw worden alle wegen en weggedeelten binnen de gemeente aangewezen voor zover ze behoren tot een van de in artikel 2 van het Besluit wegslepen van voertuigen bedoelde soorten van wegen en weggedeelten. Artikel 2.13.2 Plaats bewaring voertuigen en openingstijden
35
1. Als plaats van bewaring van voertuigen wordt aangewezen het afgesloten terrein in eigendom van Logicx Valkenburg, bestemd voor het stallen van voertuigen en gelegen aan De Valkenberg 8, 6301 PM Valkenburg aan de Geul. 2. De in het eerste lid bedoelde bewaarplaats is geopend van maandag tot en met vrijdag van 08.00 uur tot 18.00 uur. Afhalen op andere tijdstippen kan in overleg met de bewaarder. Artikel 2.13.3 Kosten overbrengen en bewaren voertuigen 1. De kosten van het overbrengen van een voertuig naar de bewaarplaats bedragen: a. wegslepen voertuig: € 193,39; b. administratie kosten: € 34,88. 2. De kosten van het bewaren van een voertuig bedragen vanaf de eerste dag en volgende dagen, per dag: € 10,74. 3. De in het eerste en tweede lid vermelde bedragen zijn inclusief 21% BTW en worden door de sleepdienst met ingang van jaarlijks op 1 februari geïndexeerd met maximaal het consumentenprijsindexcijfer dat door het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gepubliceerd. Artikel 2.13.4 Overbrengen en in bewaring stellen van motorrijtuigen in geval van gebleken onvoldoende rijgeschiktheid of rijvaardigheid dan wel het ontbreken van een behoorlijk zichtbare kentekenplaat Als gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid bedoeld in de artikelen 130, vierde lid, 164, zevende lid en/of 174, eerste lid Wvw, zijn de artikelen PM van deze Verordening van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 2.14 Openbaar water en waterstaatswerken Artikel 2.14.1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1. Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit voor het openbaar water: a. gevaar oplevert voor de bruikbaarheid; b. gevaar oplevert voor het doelmatig en veilig gebruik, of c. een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud. 2. Degene die voornemens is een voorwerp op, in of boven openbaar water te plaatsen, meldt dit uiterlijk twee weken tevoren aan het college, met het daarvoor bestemde formulier. Artikel 2.14.2 Ligplaats vaartuigen
36
1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente. 3. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht door of namens het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Artikel 2.14.3 Beschadigen waterstaatswerken Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen en andere waterstaatswerken. Artikel 2.14.4 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel of voor direct gebruik ongeschikt te maken. Artikel 2.14.5 Veiligheid op het water Het is aan iedereen die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.
Artikel 2.14.6 Hinder voor vaartuigen 1. Het is verboden voor een daartoe onbevoegde zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop dan wel daarin te begeven of te bevinden. 2. Het is een daartoe onbevoegde verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. Hoofdstuk 2.15 Gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 2.15.1 Crossterreinen Het is verboden op openbaar terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten legaal wedstrijdverband. Artikel 2.15.2 Beperking verkeer in natuurgebieden
37
1. Het is verboden in voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden van percelen gelegen binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing: a. op wegen binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b. binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Limburg aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel.
Titel 3 Fysieke leefomgeving (Tijdelijk deel omgevingsplan) Hoofdstuk 3.1 Bouwen (voorheen: Bouwverordening gemeente EijsdenMargraten 2018) Artikel 3.1.1 Bodemonderzoek 1. Het onderzoek naar de bodemgesteldheid bestaat in ieder geval uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009 +A1:2016 nl, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. Als op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek ook plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2015. 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk dat niet is genoemd in de artikelen 2.25 en 2.26 Bbl, of is uitgezonderd van de vergunningplicht in artikel 2.27 Bbl. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het artikel 2.27 Bbl.
38
3. Als voor toepassing van artikel 3.1.2 van deze Verordening bij het bevoegd gezag bruikbare maximaal twee jaar oude onderzoeksresultaten beschikbaar zijn, hoeft geen onderzoeksrapport als bedoeld in het tweede lid te worden overgelegd. 4. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 5.36 Ow en artikel 10.23 Ob, als uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is of dan wel dat de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009+A1:2016 niet rechtvaardigen. 5. Als pas kan worden gebouwd nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, moet het bodemonderzoek plaatsvinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Artikel 3.1.2 Bouwverbod op verontreinigde bodem Op of in een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd als dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a. waarin voortdurend of bijna voortdurend mensen verblijven; b. waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, en c. dat de grond raakt.
Artikel 3.1.3 Voorschriften omgevingsvergunning voor bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1.2 van deze Verordening, kan het college voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Dit is het geval als het onderzoeksrapport en/of andere bij het college bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het goedgekeurde saneringsplan van oordeel is, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorschriften alsnog geschikt kan worden gemaakt. Artikel 3.1.4 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag kan rekening houden met de herziening en vervanging van de NENnormen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze Verordening of in de bij deze Verordening behorende bijlagen wordt verwezen, als die herziening of vervanging door de bevoegde instantie is gepubliceerd. Hoofdstuk 3.2 Wegen en uitwegen Artikel 3.2.1 Aanleggen, veranderen weg 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen of een aangelegde weg te veranderen.
39
2. De vergunning wordt verleend: a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij of krachtens een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, of b. door het college in de overige gevallen. 3. Het verbod is niet van toepassing als in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. Artikel 3.2.2 Maken, veranderen uitweg 1. Het is verboden zonder vergunning van het college: a. een uitweg te maken naar de weg; b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg, of c. veranderingen aan te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving, of d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. Hoofdstuk 3.3 Erfgoed (voorheen: Erfgoedverordening Eijsden-Margraten 2022) Paragraaf 3.3.1 Algemeen Artikel 3.3.1.1 Definities De in de Erfgoedwet opgenomen definities gelden eveneens voor de begrippen in dit hoofdstuk. Paragraaf 3.3.2 Gemeentelijk erfgoedregister Artikel 3.3.2.1 Gemeentelijk erfgoedregister 1. Het college houdt een door iedereen te raadplegen gemeentelijk register bij van bij of krachtens deze Verordening onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed. 2.
Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en voor de identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed.
40
Paragraaf 3.3.3 Aanwijzing beschermde gemeentelijke cultuurgoederen en verzamelingen Artikel 3.3.3.1 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling 1. Het college kan ambtshalve een beschermd gemeentelijk cultuurgoed aanwijzen als dat cultuurgoed: a. van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis dan wel uitzonderlijke schoonheid is; b. als onvervangbaar geldt; c. als gevolg van onmisbaarheid behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit; d. in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd, en e. de eigenaar toestemming geeft voor de aanwijzing. 2. Het college kan ambtshalve een beschermde gemeentelijke verzameling aanwijzen als die verzameling: a. van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis dan wel (deels) als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit; b. in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd, en c. de eigenaar toestemming geeft voor de aanwijzing. 3. Het college vraagt advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 Erfgoedwet over: a. het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste en tweede lid; b. de vervreemding van een beschermd gemeentelijk cultuurgoed; c.
de vervreemding van een beschermde gemeentelijke verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor. 4. Dit artikel is niet van toepassing op beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 Erfgoedwet. Artikel 3.3.3.2 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling 1. Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3.3.3.1, eerste of tweede lid van deze Verordening, ambtshalve wijzigen of intrekken. Artikel 3.3.3.1,
41
derde lid van deze Verordening is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft dan wel het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft, is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 Erfgoedwet, of b. beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid Erfgoedwet. 3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is, wordt dat onmiddellijk vastgelegd in het gemeentelijk erfgoedregister. Paragraaf 3.3.4 Aanwijzing gemeentelijk erfgoed Artikel 3.3.4.1 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk erfgoed 1. Het college kan met instemming van de eigenaar een beeldbepalend pand, dat van bijzonder belang is voor de gemeente, aanwijzen als gemeentelijk monument. 2. Het college kan ambtshalve een archeologisch monument, dat van bijzonder belang is voor de gemeente, aanwijzen als gemeentelijk archeologisch monument. Artikel 3.3.4.2 Voornemen tot aanwijzing 1.
Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 3.3.4.1 van deze Verordening wordt door het college op de gebruikelijke wijze gepubliceerd via de plaatselijke informatiekanalen, waarbij voor belanghebbenden de mogelijkheid wordt gegeven om zienswijzen in te dienen. 2. Als het ontwerpbesluit betrekking heeft op minder dan 20 objecten en percelen, wordt het voornemen om toepassing te geven aan artikel 3.3.4.2 van deze Verordening door het college tevens schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden van de onroerende zaken, die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid Kadasterwet. 3. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing op hypothecaire schuldeisers. Artikel 3.3.4.3 Voorbescherming 1. De bescherming van paragraaf 3.2.4 van deze Verordening is van overeenkomstige toepassing op het beeldbepalende pand of het archeologisch monument, ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 3.2.4.2 van deze Verordening is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid vervalt: a. op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister; b. op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen, of
42
c. als het door de bestuursrechter wordt vernietigd.
Artikel 3.3.4.4 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1. Na een voornemen om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken met ingang van de dag onmiddellijk na de dag dat het voornemen tot aanwijzing is bekend gemaakt. 2. De aanwijzing bevat in ieder geval: a. de plaatselijke aanduiding; b. de kadastrale aanduiding of een gebiedsaanduiding; c. de datum van aanwijzing, en d. een redengevende omschrijving van het gemeentelijke monument of het gemeentelijke archeologisch monument. Artikel 3.3.4.5 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt op de gebruikelijke wijze via de plaatselijke informatiekanalen bekendgemaakt. 2. Als de aanwijzing betrekking heeft op een beperkt aantal objecten en percelen wordt de aanwijzing tevens schriftelijk bekendgemaakt aan alle eigenaren van de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 3. Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt deze onmiddellijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 3.3.4.6 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk (archeologisch) monument 1. In een spoedeisend geval kan het college ambtshalve een beeldbepalend pand of een archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument of voorlopig gemeentelijk archeologisch monument. 2.
In afwijking van artikel 8 van deze Verordening wordt in het in het eerste lid bedoelde geval aan de Gemeentelijke adviescommissie geen advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument of voorlopig gemeentelijk archeologisch monument. 3. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument of voorlopig gemeentelijk archeologisch monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 3.3.4.1 van deze Verordening. 4. Paragraaf 3.3.5 van deze Verordening is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment van bekendmaking van het besluit van het college tot aanwijzing van het
43
voorlopig gemeentelijk monument of het voorlopig gemeentelijk archeologisch monument. 5. Artikel 3.3.4.5 van deze Verordening is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. Artikel 3.3.4.7 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister en vervallen aanwijzing monument 1. Het college kan ten aanzien van (voorlopige) gemeentelijke monumenten of (voorlopig) gemeentelijk archeologische monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op het verwijderen uit het register is paragraaf 3.3.4 van deze Verordening van overeenkomstige toepassing, tenzij het (voorlopige) gemeentelijke monument of het (voorlopig) gemeentelijk archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, is tenietgegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijke monument of het gemeentelijk archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, is ingeschreven in het rijksmonumentenregister. Het vervallen van de aanwijzing wordt onmiddellijk bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Paragraaf 3.3.5 Bescherming gemeentelijk erfgoed Artikel 3.3.5.1 Instandhoudingsplicht gemeentelijk erfgoed Het is verboden een gemeentelijk monument of een gemeentelijk archeologisch monument te beschadigen, vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.
Artikel 3.3.5.2 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument of een gemeentelijk archeologisch monument: a. af te breken, verplaatsen, bekladden, beschadigen, vernielen, wijzigen, of b. te herstellen, (laten) gebruiken op een zodanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, en b. inpandige wijzigingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is. Artikel 3.3.5.3 Weigeringsgronden
44
1. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.3.5.2 kan slechts worden verleend als het belang van het erfgoed zich niet daartegen verzet. 2. Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument wordt, voor zover deze betrekking heeft op religieuze aspecten, niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. Paragraaf 3.3.6 Rijksmonumenten Artikel 3.3.6.1 Advies omgevingsvergunning rijksmonument Het college zendt onmiddellijk een kopie van de beoordeelbare omgevingsvergunningaanvraag voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ow voor advies aan de Gemeentelijke adviescommissie. Paragraaf 3.3.7
Gemeentelijke stads- en dorpsgezichten
Artikel 3.3.7.1 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2. Het college vraagt, voorafgaand aan het voorstel aan de gemeenteraad, advies aan de Gemeentelijke adviescommissie. 3. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel. 4. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onmiddellijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een functie-aanduiding in het omgevingsplan vast als bedoeld in de Ow. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiervoor een termijn worden gesteld. 6. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre de functie-aanduiding in het omgevingsplan als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Ow kan worden vastgesteld. 7. Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 2.34, vierde lid van de Ow.
Artikel 3.3.7.2 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3.3.7.1, eerste lid van deze Verordening, wijzigen of intrekken. Artikel 3.3.7.1, tweede en derde lid van deze Verordening is hierop van overeenkomstige
45
toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stadsof dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onmiddellijk bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 3.3.7.3 Verbodsbepaling en vergunningaanvraag slopen 1. Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Ow, een bouwwerk te slopen. 2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3. Het artikel 3.3.5.3 van deze Verordening zijn van overeenkomstige toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow. Paragraaf 3.3.8 Archeologie Artikel 3.3.8.1 Vangnet archeologie Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht, als in het omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130, eerste lid Bkl tenzij: a.
voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.18 Ow is verleend; b. het de verstoring betreft die geen strijd oplevert met de door het college vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; c. de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of d. met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Hoofdstuk 3.4 Aansluiting riolering Artikel 3.4.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder vergunning van het college een aansluiting van een particulier riool op het openbaar riool tot stand te brengen of te wijzigen. Artikel 3.4.2 Beoordeling aanvraag en intrekking vergunning
46
In aanvulling op artikel 1.1.9 van deze Verordening kan het college de omgevingsvergunning weigeren als het belang van de doelmatige werking van het openbaar riool onevenredig wordt geschaad. Artikel 3.4.3 Intrekking vergunning In aanvulling op artikel 1.1.6 van deze Verordening kan de omgevingsvergunning worden ingetrokken als: a. het gebruik van de rioolaansluitleiding definitief wordt beëindigd, of b. gedurende één jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn de vergunning niet is gebruikt. Artikel 3.4.4 Algemene regels De vergunninghouder als bedoeld in artikel 3.3.1 van deze Verordening, moet naast de vergunningvoorschriften ook de door het college vastgestelde algemene regels in acht nemen. Artikel 3.4.5 Informatieplicht beëindiging aansluiting Als het gebruik van een rioolaansluitleiding definitief wordt beëindigd, informeert de vergunninghouder het college hierover uiterlijk vier weken na de beëindiging. Artikel 3.4.6 Eigendom aansluitleiding 1. De grens tussen het gemeentelijke eigendom en het particuliere eigendom van een rioolaansluitleiding ligt ter plaatse van het ontstoppingsstuk in de rioolaansluitleiding. 2. Als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een rioolwaterpomp is vereist, ligt de grens, in afwijking van het eerste lid, ter plaatse van de uitmonding van de bij de rioolwaterpomp behorende persleiding op het gemeentelijk riool. 3.
Bij afwezigheid van een ontstoppingsstuk en rioolwaterpomp ligt de grens in de rioolaansluitleiding op een afstand van 0,5 meter buiten de grens van het perceel van de vergunninghouder. Artikel 3.4.7 Zorgplicht Degene die een particulier riool op een openbaar riool aansluit of wijzigt en weet of redelijkerwijs kan weten dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de gezondheid en/of doelmatige werking van het openbaar riool, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;
47
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs kan worden gevraagd; d. bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden op een op het openbaar riool aangesloten perceel verzanding en doorgang van ratten te voorkomen, en e. te zorgen voor de bescherming van de doelmatige werking van de perceelaansluitleiding, naburige aansluitingen en de voorzieningen voor het beheer van afvalwater.
Hoofdstuk 3.5 Hemel- en grondwater Artikel 3.5.1 Lozingsverbod hemel- en grondwater 1. Het is verboden zonder vergunning van het college hemelwater en/of grondwater te lozen op het openbaar vuilwaterriool, in door het college aangewezen hemelwaterscheidingsgebied. Dit met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater. 2. De lozing van hemel- en grondwater, op het openbaar vuilwaterriool wordt beëindigd binnen één jaar nadat het verbod op een perceel van toepassing is geworden. 3. De in het eerste lid bedoelde vergunning kan worden verleend als van de eigenaar van het bouwwerk of het perceel redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van hemel- of grondwater kan worden verlangd. Artikel 3.5.2 Verplichting tot hemelwaterberging 1. Het is verboden zonder vergunning van het college in het door het college aangewezen hemelwaterbergingsgebied vanaf nieuwe gebouwen hemelwater te lozen in een openbaar riool, met uitzondering van nieuwe gebouwen of aanbouwen waarbij sprake is van (een toename van) een bebouwd verhard oppervlak van minder dan 20 m². 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet als een hemelwaterberging is gerealiseerd en in stand gehouden. 3. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is: a. 80 liter per m² in geval van een bui die valt in 120 minuten, bij een toename van het bebouwd verhard oppervlak gelijk of meer dan 50 m²; b.
35 liter per m² in geval van een bui die valt in 60 minuten, bij een toename van het bebouwd verhard oppervlak gelijk of meer dan 20 m² en minder dan 50 m². 4. De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze tussen 24 uur en 48 uur weer voor 90% beschikbaar is. De leegloop van de voorziening mag plaatsvinden in de bodem, op het openbaar riool of in de openbare ruimte. 5. Het in de hemelwaterberging opgevangen water wordt hergebruikt of geïnfiltreerd. Is beide niet mogelijk, dan kan het water vertraagd worden afgevoerd naar het gemeentelijk riool.
48
6. De hoeveelheid hemelwater die na vulling van de hemelwaterberging op eigen terrein niet kan worden geborgen, kan worden geloosd op het openbare riool of in de openbare ruimte. 7. De in het eerste lid bedoelde vergunning kan worden verleend als het aanbrengen van de hemelwaterberging redelijkerwijs niet mogelijk is.
Hoofdstuk 3.6 Telecommunicatie (voorheen: Telecomverordening gemeente Eijsden-Margraten 2011) Artikel 3.6.1 Definities 1. De in de Telecommunicatiewet opgenomen definities gelden eveneens voor de begrippen in dit hoofdstuk. 2. In aanvulling op het eerste lid en de in bijlage 1 genoemde definities wordt verstaan onder: - kabels en/of leidingen: één of meer kabels en/of leidingen die onderdeel zijn van een openbaar (elektronisch communicatie)netwerk, daaronder mede begrepen de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations, distributie- en/of mutatiepunten, en tevens omvattend lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor het transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie; - netbeheerder: degene die als natuurlijk persoon handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon acteert als beheerder van een netwerk; - netwerk: samenstel van kabels of leidingen; - registratiesysteem: digitaal systeem dat het college hanteert om meldingen van en vergunningen voor werkzaamheden, zoals genoemd in onderdeel l. van dit artikel, en alles wat daarmee samenhangt te verwerken; - spoedeisende werkzaamheden: werkzaamheden, zoals genoemd in onderdeel l.
van dit artikel, voor reparatie of onderhoud waarvan uitstel niet mogelijk is als een ernstige belemmering of storing van de dienstverlening in het desbetreffende netwerk is opgetreden; - werkzaamheden: handmatige en/of mechanische (graaf)werkzaamheden, waaronder ook begrepen het opbreken en herstellen van de sleufbedekking en sleufloze technieken, in of op openbare grond in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen; - werkzaamheden van minder ingrijpende aard: het realiseren van incidentele (huis-) aansluitingen met een gezamenlijke lengte korter dan vijftien meter; - werkzaamheden van niet ingrijpende aard: a. werkzaamheden, zoals genoemd in onderdeel l. van dit artikel, met een gezamenlijke tracélengte tot 25 meter en waarbij geen wegen, watergangen of groenvoorzieningen volledig worden gekruist en/of bovengrondse voorzieningen worden geplaatst; b. het aanbrengen of verwijderen van kabels en/of leidingen in reeds aangebrachte voorzieningen;
49
c. het maken van maximaal twee opbrekingen met elk een afmeting van maximaal 2 m². Artikel 3.6.2 Toepasselijkheid Dit hoofdstuk is van toepassing op het aanleggen, in stand houden alsmede opruimen van kabels en leidingen in openbare grond als de gemeente deze grond beheert of dienaangaande coördinatieverplichtingen heeft als bedoeld in de Telecommunicatiewet. Artikel 3.6.3 Meldplicht en instemmingsvereisten 1. Het is verboden zonder instemmingbesluit van het college kabels en/of leidingen in of op openbare grond aan te leggen, in stand te houden of op te ruimen. 2. Aan het instemmingsbesluit als bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval voorschriften verbonden met betrekking tot de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden. 3. Voor werkzaamheden van minder ingrijpende aard en voor minder ingrijpende reparatie- of onderhoudswerkzaamheden, is geen instemmingsbesluit als bedoeld in het eerste lid vereist. Artikel 3.6.4 Meldingstermijnen 1. Iedereen die werkzaamheden wil verrichten, meldt dit uiterlijk acht weken voor de aanvang van die werkzaamheden schriftelijk aan het college. 2. Minder ingrijpende werkzaamheden moeten vijf dagen voor de uitvoering schriftelijk worden gemeld aan de daartoe gemachtigde ambtenaar.
Op grond van de belangen genoemd in artikel 3.6.7, eerste lid van deze Verordening kan het college bepalen dat de realisatie van deze werkzaamheden op een later tijdstip moet plaatsvinden. 3. In geval van spoedeisende werkzaamheden door een ernstige belemmering of storing van de communicatie, waarvan uitstel niet mogelijk is en de storing mogelijkerwijs buiten de normale werktijden plaatsvindt, moet dit voorafgaand aan de werkzaamheden schriftelijk en gemotiveerd worden gemeld aan het college, maar in ieder geval uiterlijk binnen één werkdag na de start van de werkzaamheden. 4. Als de werkzaamheden mede betrekking hebben op grond van een andere gedoogplichtige dan de gemeente, dan wordt uiterlijk vier weken na ontvangst van de melding, als genoemd in het eerste lid, het college schriftelijk geïnformeerd over de uitkomst van het overleg tussen de aanbieder en de andere gedoogplichtige(n). Artikel 3.6.5 Procedure en -voorschriften 1. Een instemmingsbesluit wordt door het college op aanvraag verleend, als wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze Verordening. 2. Van de aanvraag om een instemmingsbesluit maken deel uit: a. een kopie van registratie door OPTA;
50
b. een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, betreffende de aanvrager; c. naam- en adresgegevens van de eigenaar, beheerder en exploitant van de kabel en de uitvoerende (onder)aannemer alsmede de naam en het telefoonnummer van de contactpersoon voor de werkzaamheden; d. een opgave van het aantal, de soort kabel(s) en het beoogde gebruik; e. welke belanghebbenden en organisaties vooraf in kennis worden gesteld van de voorgenomen datum van aanvang, beëindiging en aard van de werkzaamheden; f. een uitvoeringsplan met daarin opgenomen: - het gewenste tracé; - de resultaten van het haalbaarheidsonderzoek inzake de beschikbare ruimte; - de objecten die tijdens de werkzaamheden worden geplaatst en de situering daarvan; - het aantal kabels dat al dan niet onmiddellijk in gebruik wordt genomen; - een omschrijving van de opbrekingen; - de doorsnede van de kabel(goot) alsmede lengte en breedte van de kabelsleuf; - de maatregelen voor de bereikbaarheid van in de openbare grond aanwezige kabels en leidingen; - het voorgenomen tijdstip van start en beëindiging van de werkzaamheden. 3. Bij een melding voor minder ingrijpende werkzaamheden, als bedoeld in artikel 3.6.3, derde lid van deze Verordening, moet worden verstrekt: a. naam, adres en ondertekening van de aanbieder; b. naam en adres van de (onder)aannemer(s) die zijn belast met de werkzaamheden; c.
globale planning; d. uitvoeringsplan; e. dagtekening van de melding; f. lengte van de kabelsleuf die wordt opengebroken; g. het oppervlak van het lasgat dat wordt opengebroken. 4. De aanbieder informeert omwonenden over de uit te voeren werkzaamheden minimaal zeven dagen voor de start van de werkzaamheden schriftelijk over start, duur, aard en plaats van de werkzaamheden. Artikel 3.6.6 Beslistermijn
51
In afwijking van artikel 1.1.2 van deze Verordening begint de beslistermijn van acht weken na ontvangst van alle instemmingen van de betrokken gedoogplichtigen, na ontvangst van de aanvraag. Artikel 3.6.7 Voorschriften, beperkingen en verplichtingen 1. De gemeente kan met inachtneming van art. 5.4, tweede en derde lid Telecommunicatiewet aan het instemmingbesluit voorschriften verbinden in het belang van: a. de openbare orde; b. de veiligheid, waaronder ook de verkeersveiligheid en/of een goede doorstroming van het verkeer; c. het voorkomen van schade of overlast, waaronder ook de bescherming van archeologische vondsten, groenvoorzieningen, bomen en beplantingen alsmede van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. de bereikbaarheid en het gebruik van grond of gebouwen; e. de ondergrondse ordening, waaronder ook het zo min mogelijk hinder veroorzaken voor reeds in de grond aanwezige werken en het niet in gevaar brengen of zonder noodzaak bemoeilijken van deze werken; 2. Ter bescherming van de belangen als genoemd in het eerste lid kan de gemeente aan het instemmingbesluit voorschriften verbinden; a. over het medegebruik van voorzieningen, die door derden of de gemeente tegen marktconforme prijzen ter beschikking worden gesteld, en b. een zekerheidsstelling voor de nakoming van verplichtingen op grond van de voorschriften verbonden aan het instemmingbesluit. 3.
De uitvoering van aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels alsmede medegebruik van voorzieningen, gebeurt volgens de meest recente versie van ”Leidraad voor gemeenten en nutsbedrijven inzake (her-)straatwerkzaamheden opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten”. 4. De aanbieder vergoedt aan de gemeente de schade veroorzaakt door of voortvloeiend uit de werkzaamheden, waarbij de omvang beperkt is tot vergoeding van de marktconforme kosten van de voorzieningen en onderhoud. 5. De aanbieder is verplicht na einde van de werkzaamheden de grond terug te brengen in de oude staat, tenzij de gemeente vooraf heeft aangegeven hier zelf zorg voor te dragen. 6. De aanbieder draagt de kosten die nodig zijn voor het terugbrengen van de grond in de oude staat. Artikel 3.6.8 Zakelijk karakter en eigendom 1. Als de eigendom, exploitatie of het beheer van de kabel of leiding wordt overgedragen aan een andere netwerkaanbieder, dan gaan de rechten en plichten die betrekking
52
hebben op de kabel en leiding van de oude netwerkaanbieder over op de nieuwe netwerkaanbieder. 2. De netwerkaanbieder deelt het college onmiddellijk schriftelijk mede dat de eigendom, exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert, als dat het geval is. Artikel 3.6.9 Niet-openbare kabels 1. Bij werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van niet openbare kabels in openbare wegen en wateren, is het bepaalde in deze Verordening van overeenkomstige toepassing. 2. Niet-openbare kabels moeten door en op kosten van de eigenaar worden verlegd als het college daarom verzoekt. Artikel 3.6.10 Niet in gebruik zijnde kabels 1. De aanbieder informeert het college schriftelijk en onmiddellijk als de kabel of leiding niet langer ten dienste staat van een (niet-)openbaar elektronisch communicatienetwerk in of op openbare grond. 2. De aanbieder overlegt jaarlijks aan het college een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels, leidingen en ondersteuningswerken. De bewijslast van ingebruikname ligt bij de aanbieder. 3. Op verzoek van het college verstrekt de aanbieder het in het derde lid bedoelde overzicht in digitale vorm. Artikel 3.6.11 Overleg 1. De gemeente organiseert periodiek overleg met in elk geval de bij de gemeente bekende aanbieders. 2.
Tijdens het in het eerste lid bedoelde overleg worden de plannen van de gemeente en de diverse aanbieders besproken alsmede afgestemd overeenkomstig de bepalingen van deze Verordening. 3. Aan het overleg als bedoeld in het eerste lid kunnen geen rechten worden ontleend. Hoofdstuk 3.7 Geurhinder veehouderijen (voorheen: Verordening Wet geurhinder en veehouderij gemeente Eijsden-Margraten 2015) Artikel 3.7.1 Begripsbepaling In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - bebouwde kom: de kernen, zoals opgenomen in de bijgevoegde bijlage van de door bureau Windmill opgestelde gebiedsvisie gemeente Margraten d.d. december 2008 en gebiedsvisie gemeente Eijsden d.d. 13 oktober 2009.
53
Artikel 3.7.2 Waarden voor ou-dieren De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een binnen de gemeente voormalige agrarische bedrijfswoning en/of geurgevoelig object die na 18 maart 2000 heeft of hebben opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, bedraagt: a. binnen de bebouwde kom ten minste 50 meter; b. buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter. De afstand wordt gemeten overeenkomstig het bepaalde in het Bal. Artikel 3.7.3 Waarden voor vaste afstandsdieren De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een binnen de gemeente gelegen geurgevoelig object, bedraagt: a. binnen de bebouwde kom ten minste 50 meter; b. buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter. De afstand wordt gemeten overeenkomstig het bepaalde in het Bal. Artikel 3.7.4 Waarden voor geurgevoelige objecten niet meer tot de milieubelastende activiteit behorend. a. De geurnorm tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object dat geen deel meer uitmaakt van de eigen veehouderij, bedraagt 25 ouE./m3.
De geurbelasting wordt overeenkomstig het bepaalde in het Bal vastgesteld. b. De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object dat niet meer tot de eigen veehouderij behoort, bedraagt nul meter. Hoofdstuk 3.8 Gemeentelijke begraafplaatsen (voorheen: Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen Gemeente Eijsden-Margraten 2011) Paragraaf 3.8.1 Openstelling, orde en rust Artikel 3.8.1.1 Openstelling begraafplaats(en) 1. De begraafplaatsen zijn voor iedereen dagelijks toegankelijk tussen zonsopgang en zonsondergang. 2. Voor het bewaren van de orde en rust op de begraafplaatsen kunnen de toegangen tijdelijk worden gesloten.
54
3. Het is verboden gedurende de tijd dat de begraafplaatsen niet voor het publiek geopend zijn, zich daarop te bevinden. Voor het bijwonen van een begrafenis of de bezorging van as geldt dit verbod niet. Artikel 3.8.1.2 Ordemaatregelen 1. Bezoekers, personeel van uitvaartondernemingen en personen die werkzaamheden op de begraafplaatsen verrichten, zijn verplicht zich in het belang van de orde, rust en netheid te houden aan de aanwijzingen van de beheerder. 2. De beheerder kan personen die zich niet aan de in het eerste lid bedoelde aanwijzingen houden van de begraafplaats (laten) verwijderen. 3. Het is verboden: a. met motorrijtuigen op de begraafplaatsen te rijden anders dan voor een begrafenis of voor het vervoeren van materialen; b. op de begraafplaatsen sneller dan 10 km per uur te rijden; c. op de graven te lopen, zitten of de begraafplaats te verontreinigen; d. op de begraafplaatsen bloemen of andere waar te koop aan te bieden. 5. Het is aan steenhouwers, grafdelvers, hoveniers en daarmee gelijk te stellen personen verboden, zonder toestemming van de beheerder, werkzaamheden voor derden aan grafbedekkingen op de begraafplaatsen te verrichten. Artikel 3.8.1.3 Plechtigheden 1. Herdenkingsbijeenkomsten, onthullingen van gedenktekens en dergelijke plechtigheden op de begraafplaatsen moeten ten minste zes dagen tevoren worden gemeld aan de beheerder.
Datum en uur van de plechtigheid en de wijze waarop deze zal plaatsvinden worden in overleg met de aanvrager door de beheerder vastgesteld. 2. De deelnemers aan de plechtigheid, bedoeld in het eerste lid moeten zich in het belang van de orde, rust en netheid houden aan de aanwijzingen van de beheerder. Artikel 3.8.1.4 Opgravingen en ruimen Het opgraven van lijken en ruimen van graven is alleen toegestaan als daarbij geen andere personen aanwezig dan degenen die met deze werkzaamheden zijn belast en de door de gemeente aangewezen toezichthouder. Paragraaf 3.8.2 Lijkbezorging Artikel 3.8.2.1 Melding begraven, asbezorging, openen en sluiten graf 1. Degene die wil doen begraven, as bijzetten of as verstrooien, meldt dit schriftelijk aan de beheerder uiterlijk om 12.00 uur van de werkdag voorafgaande aan die waarop de gedraging zal plaatsvinden. De zaterdag geldt voor de toepassing van deze bepaling niet als werkdag.
55
2. Als de burgemeester toestemming heeft gegeven om het lijk binnen 36 uur na het overlijden te begraven, moet dit zo snel mogelijk bij de beheerder worden gemeld. 3. Het delven en openen van een graf ter begraving of voor het bezorgen van as, het daarna sluiten van een graf en ook het bedienen van de hulpmiddelen, mag uitsluitend gebeuren door het personeel van de begraafplaats op aanwijzing en met goedkeuring van de beheerder. De nabestaanden kunnen deze werkzaamheden onder toezicht van de beheerder geheel of gedeeltelijk zelf verrichten als zij hun wens daartoe uiterlijk om 12.00 uur van de voorafgaande werkdag schriftelijk aan de beheerder hebben gemeld. De zaterdag geldt voor de toepassing van deze bepaling niet als werkdag. Zij dienen bij deze werkzaamheden de aanwijzingen van de beheerder op te volgen. 4. Het lijk, het omhulsel en de asbus of urn, moeten zijn voorzien van een duurzaam identiteitskenmerk. De gegevens van het kenmerk moeten overeenstemmen met de administratie van de begraafplaats. Artikel 3.8.2.2 Begraving 1. Begraving is alleen toegestaan als van tevoren het verlof tot begraven is ingeleverd bij de beheerder. 2. Als de begraving, bijzetting of bezorging van as in een particulier graf plaatsvindt, moet een door de rechthebbende ondertekende machtiging daartoe bij de beheerder worden ingeleverd, ondertekend door de rechthebbende.
Dit gebeurt door degene die in de uitvaart voorziet als de rechthebbende is overleden. 3. Begraving of bijzetting in een particulier graf waarvan de uitgiftetermijn binnen de wettelijke minimum grafrusttermijn afloopt, kan alleen plaatsvinden onder gelijktijdige verlenging van de uitgiftetermijn met een zodanige periode dat de dan resterende uitgiftetermijn ten minste gelijk is aan de wettelijke minimum grafrusttermijn. De verlenging dient te worden aangevraagd door de rechthebbende. Als deze is overleden, door een van de andere personen genoemd in 3.8.2.1. van deze Verordening. 4. De in het vorige lid bedoelde periode van verlenging wordt naar boven afgerond op hele jaren. Artikel 3.8.2.3 Tijden van begraven en asbezorging Begraven en het bezorgen van as vindt plaats op werkdagen en zaterdagen tussen zonsop- en zonsondergang. Paragraaf 3.8.3 Indeling en uitgifte graven Artikel 3.8.3.1 Indeling graven en asbezorging 1. Op de begraafplaatsen kunnen worden uitgegeven particuliere: a. graven en urnengraven; b. verstrooiingsplaatsen; c. grafkelders.