CConstaterende datEijsden-Margraten
Koppel je AI →
Document · PDF

20231212 14b RV Algemene verordening NW2

* Raadsthemabijeenkomst 29 november 2023, gemeente Eijsden-MargratenBij agendapunt: Besluitvorming Omgevingswet28.358 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

BIJLAGE 1 bij college- en raadsvoorstel d.d. 2 nov 2023 Algemene verordening gemeente Eijsden-Margraten 25 november 2023 Versie: geconsolideerd en definitief Intitulé Algemene verordening gemeente Eijsden-Margraten De raad van de gemeente Eijsden-Margraten; gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 30 oktober 2023; overwegende dat in het kader van de invoering van de Omgevingswet een deel van de gemeentelijke regelgeving aangaande de fysieke leefomgeving een plaats dient te vinden in het Omgevingsplan; overwegende dat bundeling van gemeentelijke regelgeving in dat verband de om- dan wel overzetting van de regelgeving faciliteert; overwegende dat van de gelegenheid gebruik kan worden gemaakt om de regeldruk voor de burgers en organisaties te verminderen; overwegende dat de vermindering van de regeldruk is gericht op gemeentelijke regelgeving die betrekking heeft op de openbare orde en openbare veiligheid alsmede de fysieke leefomgeving; gelet op: - artikel 108 en 149 Gemeentewet, - Titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht, - de Alcoholwet, - de Wet milieubeheer, - artikel 6.7 Wet ruimtelijke ordening, - artikel 6.1.3.3 Besluit ruimtelijke ordening, - de Wet op de lijkbezorging, - de artikelen 1, 8 en 12b Woningwet, - artikel 173, tweede lid Wegenverkeerswet 1994, - het Besluit wegslepen van voertuigen, - artikel 6 Wet geurhinder en veehouderij, - de

artikelen 5.4, 5.5 en 5.7 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,

1

- artikel 5.4 Telecommunicatiewet, - artikel 3 Wet openbare manifestaties, - artikel 2.7 en 15.1 Omgevingswet, - artikel 2.1 Omgevingsbesluit, vast te stellen de navolgende Algemene verordening gemeente Eijsden-Margraten: Titel 1 Algemeen Hoofdstuk 1.1 Algemene bepalingen Artikel 1.1.1 Definities 1. Bijlage 1 bij deze Verordening bevat definities voor de toepassing van deze Verordening. 2. De definities bedoeld in het eerste lid gelden eveneens voor de toepassing van de regels bij of krachtens deze Verordening. Artikel 1.1.2 Beslistermijn 1. Het bevoegd bestuursorgaan beslist binnen acht weken op een aanvraag om een toestemming. Deze acht weken-termijn begint de eerste dag na ontvangst van de aanvraag. 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan de beslistermijn met maximaal zes weken verlengen. 3. Het eerste en tweede lid gelden niet als daarvan wordt afgeweken bij de bepalingen van deze Verordening. Artikel 1.1.3 Indienen aanvraag Bij de toestemmingaanvraag of wijzigingsaanvraag van de toestemming, wordt gebruik gemaakt van het door het bevoegde bestuursorgaan vastgestelde formulier. Artikel 1.1.4 Toestemmingvoorschriften 1. Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden. Het doel van deze voorschriften mag alleen bescherming zijn van het belang waarvoor de toestemming is vereist. 2.

Degene voor wie de toestemming geldt, moet zich zo gedragen dat geen strijd ontstaat met de aan de toestemming verbonden voorschriften. Artikel 1.1.5 Toestemming gekoppeld aan activiteit

2

De toestemming is alleen gekoppeld aan de activiteit waarvoor de toestemming is verleend, tenzij hiervan wordt afgeweken bij of krachtens de bepalingen van deze Verordening. Artikel 1.1.6 Intrekking en wijziging toestemming De toestemming kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. onjuiste of onvolledige gegevens zijn ingediend om de toestemming te krijgen; b. een verandering van de omstandigheden of inzichten is opgetreden na de toestemmingverlening; c. intrekking of wijziging noodzakelijk is als gevolg van het belang ter bescherming waarvan de toestemming vereist is; d. aan de toestemming verbonden voorschriften niet zijn of worden nageleefd; e. van de toestemming geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; f. het gebruikmaken van de toestemming gevaar oplevert voor de openbare orde, de openbare veiligheid dan wel het woon- en leefklimaat ter plaatse, of g. de toestemminghouder daarom verzoekt. Artikel 1.1.7 Geldigheidsduur toestemming De toestemming geldt voor onbepaalde tijd, tenzij: a. in de toestemming de tijdelijkheid daarvan is beperkt, of b. de aard van de toestemming zich daartegen verzet. Artikel 1.1.8 Weigeringsredenen toestemming openbare orde en openbare veiligheid 1. De toestemming wordt geweigerd als: a. de aanvrager geen belang heeft bij de toestemming, of b.

door gebruikmaking van de toestemming duidelijke strijd ontstaat met andere wettelijke voorschriften. 2. Een toestemming kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en/of openbare veiligheid. 3. Het bevoegde bestuursorgaan kan besluiten de toestemmingaanvraag af te wijzen als deze aanvraag wordt ingediend minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de toestemming nodig heeft, waardoor een zorgvuldige behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

3

Artikel 1.1.9 Weigeringsredenen toestemming fysieke leefomgeving (Tijdelijk deel omgevingsplan) 1. De toestemming wordt geweigerd als: a. de aanvrager geen belang heeft bij de toestemming, of b. door gebruikmaking van de toestemming duidelijke strijd ontstaat met andere wettelijke voorschriften. 2. Een toestemming kan worden geweigerd in het belang van de fysieke leefomgeving. 3. Het bevoegde bestuursorgaan kan besluiten de toestemmingaanvraag af te wijzen als deze aanvraag wordt ingediend minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de toestemming nodig heeft, waardoor een zorgvuldige behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel 1.1.10 Hogere wetgeving Het bepaalde bij of krachtens deze Verordening is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hogere wetgeving. Artikel 1.1.11 Algemene regels Het bestuursorgaan dat bevoegd is een toestemming te verlenen bij of krachtens deze Verordening, kan algemene regels vaststellen die in de plaats treden van de toestemmingplicht of daarnaast gelden. Artikel 1.1.12 Nadere regels Het bestuursorgaan kan nadere regels vaststellen ter invulling van een aan dit bestuursorgaan bij of krachtens deze Verordening toekomende bevoegdheid. Artikel 1.1.13 Naleving voorschriften Het is verboden voorschriften te overtreden die zijn verbonden aan besluiten bij of krachtens deze Verordening.

Artikel 1.1.14 Toezicht Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze Verordening zijn belast de door het bevoegd gezag aangewezen toezichthouders. Titel 2 Openbare orde en openbare veiligheid Hoofdstuk 2.1 Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2.1.1 Samenscholing en ongeregeldheden

4

1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot (dreigende) ongeregeldheden. 2. Iemand die op een openbare plaats aanwezig is bij of in een: a. voorval waardoor ongeregeldheden (dreigen te) ontstaan; b. publiek trekkende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden (dreigen te) ontstaan, of c. samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie en/of buitengewoon opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of in de door hen aangewezen richting te gaan. 3. Het is verboden zich te bevinden op of te gaan naar openbare plaatsen die door of vanwege de burgemeester zijn afgezet in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden. 4. Het in het derde lid bedoelde verbod geldt niet voor buitengewone opsporingsambtenaren, toezichthouders, ambtenaren van politie en hulpdiensten. Hoofdstuk 2.2 Betoging Artikel 2.2.1 Melding betoging op openbare plaatsen 1. Iemand die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, meldt dit schriftelijk aan de burgemeester voorafgaand aan de openbare aankondiging van de betoging en ten minste 48 uur voordat deze betoging wordt gehouden. 2. De schriftelijke melding bevat, voor zover van toepassing: a.

naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden, het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en route; e. de wijze van samenstelling, en f. de maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een ordelijk verloop te waarborgen. 3. Iemand die schriftelijk correct meldt, ontvangt daarvan een bewijs met het tijdstip van de melding. 4. Als het tijdstip van de schriftelijke melding valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, dan wordt de schriftelijke melding gedaan vóór 12.00 uur op de laatste werkdag aan de genoemde dagen.

5

5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden een melding in behandeling nemen buiten deze termijn.

Hoofdstuk 2.3 Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 2.3.1 Voorwerpen aan, op of boven de weg 1. Het is verboden zonder vergunning van het college aan, op of boven de weg voorwerpen te plaatsen of aan te brengen in strijd met de openbare functie van de weg. Hiervan is in ieder geval sprake als: a. dit schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg; b. de bruikbaarheid van de weg wordt belemmerd of kan worden belemmerd, of c. dit plaatsen of aanbrengen een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg als bedoeld in het eerste lid, onder b is in ieder geval sprake als minder dan: a. 1,5 meter vrije doorgang wordt gelaten op een voetpad, of b. twee meter vrije doorgang wordt gelaten voor fietsers of gemotoriseerd verkeer en een vrije doorgang van 3,5 meter voor hulpdiensten en toeleveringsbedrijven, en c. 4,5 meter doorgangshoogte wordt gelaten. 3. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning als het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 5.1 van de Ow. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: a. evenementen als bedoeld in artikel 2.5.2.1 van deze Verordening; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 3.11.2.1; c.

vlaggen, wimpels of vlaggenstokken als deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; d. zonneschermen als deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: ‐ geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; ‐ geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt, en ‐ geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; e. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijs kortstondig op de weg worden gebracht in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of laat verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in

6

elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; f. containers en steigers, die noodzakelijkerwijs op de weg worden geplaatst in verband met bouw-, renovatie- en/of sloopwerkzaamheden; g. winkeluitstallingen, mits een vrije doorgang op het voetpad en de weg, van minimaal 1,5 meter wordt gewaarborgd en geen schade aan de weg wordt toegebracht, of h. overige gevallen waarin bij of krachtens een wettelijke regeling een publiekrechtelijke toestemming voor het gebruik van de weg is verleend. 5. Op de vergunningaanvraag als bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Hoofdstuk 2.4 Veiligheid in de openbare omgeving Artikel 2.4.1 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen waardoor het vrije uitzicht voor het wegverkeer wordt belemmerd dan wel op andere wijze hinder of gevaar ontstaat. Artikel 2.4.2 Handelingen aan en met openbare nutsvoorzieningen Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden handelingen met openbare nutsvoorzieningen te verrichten die gevaar, schade of hinder veroorzaken of kunnen veroorzaken.

Artikel 2.4.3 Voorkomen van brand Het is verboden zich zodanig te gedragen dat daardoor brand in openbaar gebied kan ontstaan, tenzij daarvoor bij of krachtens een wettelijke regel publiekrechtelijke toestemming is verleend. Artikel 2.4.4 Voorzieningen voor verkeer en verlichting De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen voor het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. Artikel 2.4.5 Veiligheid op het ijs Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, verontreinigen, versperren dan wel het verkeer daarop op andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen, of b. bakens of andere voorwerpen voor de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, beschadigen of op andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of belemmeren.

7

Hoofdstuk 2.5 Activiteiten in openbare ruimte Paragraaf 2.5.1 Algemeen Artikel 2.5.1.1 Ordeverstoring Het is verboden bij activiteiten in openbare ruimten de orde te verstoren, daartoe aan te zetten of aanleiding te geven. Paragraaf 2.5.2 Evenementen Artikel 2.5.2.1 Evenementenvergunning 1. Het is verboden een evenement te organiseren en houden zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning: a. als de organisator of vergunningaanvrager van slecht levensgedrag is; b. het evenement gevaar oplevert voor de openbare orde, de gezondheid, de openbare veiligheid, of c. een onevenredig groot aantal bezoekers te verwachten is. 3. De vergunning kan, naast de in de artikelen 1.1.8 of 1.1.9 van de Verordening genoemde gevallen, worden geweigerd in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de zedelijkheid, of c. de gezondheid. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb niet van toepassing. Artikel 2.5.2.2 Ordeverstoring 1. De burgemeester kan in de aanloop naar, tijdens en na een evenement aan de organisator aanwijzingen geven die de burgemeester noodzakelijk acht voor de handhaving van de openbare orde, en die moeten worden nageleefd. 2. De organisator van een evenement is verplicht in de aanloop naar, tijdens en na het evenement: a. alle maatregelen te treffen ter voorkoming van de verstoring van de openbare orde; b.

het evenement onmiddellijk te beëindigen bij verstoring van de openbare orde of de vrees daarvoor;

8

c. ervoor te zorgen dat bij een verstoring van de openbare orde na een aanwijzing van de burgemeester, dan wel een ambtenaar van de politie of brandweer geen publiek meer tot het evenement wordt toegelaten. 3. Het is voor bezoekers van een evenement voor, tijdens en na het evenement: a. verboden zich op het evenemententerrein te gedragen met het kennelijke doel om de openbare orde en veiligheid te verstoren of bedreigen; b. verboden op of in de nabijheid van het evenemententerrein of op voor het publiek toegankelijke plaatsen voorwerpen of stoffen bij zich te hebben die kennelijk bestemd zijn om de openbare orde of veiligheid te verstoren; c. verboden op een evenemententerrein te zijn als overeenkomstig het eerste of tweede lid opdracht is gegeven het evenemententerrein te verlaten; d. verplicht voor het ordelijk verloop van een evenement of bij een voorval waardoor wanordelijkheden ontstaan, een daartoe strekkende aanwijzing van een ambtenaar van de politie of brandweer onmiddellijk op te volgen. 4. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, die uiterlijke kenmerken vertonen van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde en veiligheid.

Paragraaf 2.5.3 Openbare inrichtingen waaronder horecabedrijven Artikel 2.5.3.1 Vergunning openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die is afgegeven uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend. 3. In aanvulling op artikel 1.1.8 van deze Verordening kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren in geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 4. Geen vergunning is vereist voor een horecabedrijf in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van het horecabedrijf een ondergeschikte nevenactiviteit zijn van de winkelactiviteit. 5. Voor het horecabedrijf als bedoeld in het vierde lid gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 6. Paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunningaanvraag als bedoeld in het eerste lid. Artikel 2.5.3.2 Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 02.00 uur en 07.00 uur. Gedurende deze periode mogen geen bezoekers aanwezig zijn in de openbare inrichting.

9

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn horecabedrijven op zondag, maandag en dinsdag gesloten van 03.00 uur tot 07.00 uur, tijdens nieuwjaarsdag, carnaval, de Bronk en de kermis in een dorpskern, als het horecabedrijf in die dorpskern ligt. 3. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een horecabedrijf en/of een daartoe behorend terras. 4. In afwijking van de genoemde sluitingstijden in dit artikel mag, met het oog op een ordentelijke sluiting, het horecabedrijf open zijn tot een half uur na de genoemde sluitingstijden onder de voorwaarde dat geen drank worden geschonken, voedsel wordt verstrekt, muziek wordt gespeeld en de lichten in het bedrijf alle aan zijn. Artikel 2.5.3.3 Afwijking sluitingstijd en tijdelijke sluiting De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid dan wel in geval van bijzondere omstandigheden voor een horecabedrijf tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.5.3.1 van deze Verordening geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

Artikel 2.5.3.4 Verbod "happy hours" Het is verboden in een horecabedrijf en/of een daartoe behorend terras bedrijfsmatig alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd. Artikel 2.5.3.5 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf Het is voor bezoekers verboden zich in een horecabedrijf te bevinden gedurende de tijd dat het bedrijf bij of krachtens deze Verordening gesloten dient te zijn. Artikel 2.5.3.6 Handel in horecabedrijven De exploitant van een horecabedrijf staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, of een voor diegene handelend persoon in het horecabedrijf een voorwerp verwerft, verkoopt of op andere wijze overdraagt. Paragraaf 2.5.4 Paracommerciële rechtspersonen en Alcoholwet Artikel 2.5.4.1 Schenktijden paracommerciële rechtspersonen Buiten de onderstaande tijden is het voor paracommerciële rechtspersonen verboden om alcohol te schenken op: a. maandag tot en met donderdag vanaf één uur voorafgaand aan de activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon, tot 2 uur na afloop daarvan met een uiterste eindtijd van 00.00 uur en begintijd van 07.00 uur;

10

b. vrijdag tot en met zondag vanaf één uur voorafgaand aan de activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon tot 1 uur na afloop daarvan met een uiterste eindtijd van 02.00 uur, met uitzondering van activiteiten in sportkantines. In dat laatste geval geldt een uiterste eindtijd van 00.00 uur en begintijd van 07.00 uur. Artikel 2.5.4.2 Verbod schenken sterk alcoholhoudende drank Het is verboden sterk alcoholhoudende drank te schenken op een locatie: a. waarin uitsluitend of in hoofdzaak onderwijs wordt gegeven; b. die, of waarvan een onderdeel, uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugd- of sportorganisaties. Artikel 2.5.4.3 Bijeenkomsten van persoonlijke aard bij paracommerciële rechtspersonen 1. Paracommerciële rechtspersonen in gemeenschapsaccommodaties mogen alcoholhoudende drank verstrekken, tijdens maximaal 12 bijeenkomsten per jaar van persoonlijke aard. 2. Paracommerciële rechtspersonen in sportkantines mogen alcoholhoudende drank verstrekken, tijdens maximaal 6 bijeenkomsten per jaar van persoonlijke aard. 3. Het houden van een bijeenkomst als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt uiterlijk 10 werkdagen voor het begin daarvan schriftelijk gemeld aan de burgemeester.

Artikel 2.5.4.4 Verbod "happy hours" Het is verboden voor paracommerciële rechtspersonen bedrijfsmatig alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd. Paragraaf 2.5.5 Inrichting voor overnachting Artikel 2.5.5.1 Melding exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst dan wel de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting voor overnachting staakt, is verplicht dit binnen drie dagen daarna schriftelijk te melden aan de burgemeester met het daartoe vastgestelde formulier. Artikel 2.5.5.2 Bijhouden nachtregister De houder van een inrichting voor overnachting is verplicht een register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht bij te houden dat is ingericht volgens een door de burgemeester vastgesteld model. Artikel 2.5.5.3 Verstrekken nachtregistergegevens

11

1. Degene die in een inrichting voor overnachting overnacht, is vanwege de openbare veiligheid verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te geven. 2. De in het eerste lid bedoelde exploitant en leidinggevende zijn verplicht op het eerste verzoek van de toezichthouder de gegevens te verstrekken zoals bedoeld in het eerste lid. Paragraaf 2.5.6 Speelgelegenheden Artikel 2.5.6.1 Definities In deze paragraaf voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn gedefinieerd, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel 2.5.6.2 Vergunning speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te (laten) exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen of paragraaf 2.5.7 van deze Verordening. 3. Aanvullend op het bepaalde in artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening weigert de burgemeester de vergunning als de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid. 4.Paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunningaanvraag als bedoeld in artikel 2.5.6.2 van deze Verordening.

Artikel 2.5.6.3 Kansspelautomaten 1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan. 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee behendigheidsspelen toegestaan. 3. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten verboden. Paragraaf 2.5.7 Speelautomatenhallen (voorheen: Verordening speelautomatenhallen Eijsden-Margraten 2014) Artikel 2.5.7.1 Exploitatievergunning 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te vestigen of exploiteren. 2. Vergunning kan worden verleend voor maximaal één speelautomatenhal, met maximaal 200 speelautomaten en maximaal 200 spelersplaatsen.

12

3. Paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunningaanvraag als bedoeld in het eerste lid. 4. De vergunningaanvragen als bedoeld in het eerste lid worden behandeld op volgorde van ontvangstdatum van de desbetreffende aanvragen. Artikel 2.5.7.2 Aanvraag exploitatievergunning De aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.5.7.1 van deze Verordening bevat in ieder geval: 1. een tekening op schaal van de inrichting, waaruit ten minste blijkt: a. op welke plaats en hoeveel kansspel- of behendigheidsautomaten worden opgesteld; b. op welke plaats leeftijdscontrole plaatsvindt; 2. een schriftelijk stuk waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken; 3. een verklaring omtrent het gedrag van de ondernemer of, als de exploitant een rechtspersoon is, van degene(n) die de rechtspersoon krachtens de statuten vertegenwoordigt(en) en van de beheerder, en 4. een correct ingevuld en ondertekend vragenformulier van de gemeente in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Artikel 2.5.7.3 Weigeringsgronden 1. In aanvulling op artikel 1.1.8, derde lid van deze Verordening weigert de burgemeester de exploitatievergunning als: a.

op het moment van ontvangst van de aanvraag reeds een rechtsgeldige exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2.5.7.1 van deze Verordening in werking is; b. de beheerder de leeftijd van 25 jaar niet heeft bereikt; c. de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de openbare weg voor het publiek toegankelijk is; d. de exploitant en/of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is/zijn, of e. de exploitant of beheerder onder curatele staat. 2. In aanvulling op artikel 1.1.8, eerste lid van deze Verordening kan de burgemeester de vergunning weigeren als: a. naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving of het karakter van de winkelbuurt nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de speelautomatenhal; b. de exploitant de bij of krachtens titel VA van de Wet op de kansspelen gestelde bepalingen heeft overtreden in de periode van drie jaren voorafgaand aan het moment van de vergunningaanvraag.

13

Artikel 2.5.7.4 Beslistermijn In afwijking van artikel 1.1.2 van deze Verordening beslist de burgemeester binnen twaalf weken na de datum waarop de aanvraag om een exploitatievergunning is ontvangen. De beslistermijn kan één keer met maximaal twaalf weken worden verlengd. Artikel 2.5.7.5 Aanwezigheidsvergunning 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester kansspelautomaten in een speelautomatenhal aanwezig te hebben of te exploiteren. 2. De aanwezigheidsvergunning kan alleen op naam van de exploitant worden gesteld en is niet overdraagbaar. 3. In de aanwezigheidsvergunning is ten minste opgenomen: a. de naam van de exploitant; b. het adres van de inrichting en het aantal kansspelautomaten; c. de verplichting op of aan een speelautomaat een waarschuwing tegen gokverslaving en overige risico’s van overmatig gokken te bevestigen; d. dat kansspelautomaten zodanig moeten worden opgesteld dat door de leidinggevende voortdurend toezicht kan worden gehouden; e. dat alleen kansspelautomaten mogen worden opgesteld in eigendom van personen, die in het bezit zijn van een exploitatievergunning; f. dat in een bijlage bij de vergunning de naam is vermeld van de beheerders. Artikel 2.5.7.6 Intrekkingsgronden 1. In afwijking van artikel 1.1.6 van deze Verordening trekt de burgemeester de vergunning in als: a.

de gegevens die met het oog op het verkrijgen van de vergunning zijn verstrekt, zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; b. niet langer wordt voldaan aan de krachtens artikel 30d, vierde lid, onder a van de Wet op de kansspelen gestelde eisen. 2. In aanvulling op artikel 1.1.6 van deze Verordening kan de burgemeester de vergunning intrekken als: a. niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.5.7.7 van deze Verordening; b. de vergunninghouder de bij of krachtens titel VA van de Wet op de kansspelen gestelde bepalingen heeft overtreden; c. gedurende een periode van ten minste zes maanden geen gebruik van de vergunning is gemaakt;

14

d. in strijd wordt gehandeld met artikel 2.5.7.8 van deze Verordening. Artikel 2.5.7.7 Aanwezigheidsplicht Het is verboden een speelautomatenhal voor het publiek geopend te houden, als in het bedrijf geen beheerder aanwezig is, die in de bijlage van de aanwezigheidsvergunning is vermeld. Artikel 2.5.7.8 Wijziging beheerder of bedrijfsleider Als een in de bijlage bij de aanwezigheidsvergunning vermelde beheerder niet meer als zodanig werkzaam is, dient de exploitant binnen vier weken nadat deze situatie is ontstaan bij de burgemeester een aanvraag in om dienovereenkomstige wijziging van de bijlage bij de vergunning. Artikel 2.5.7.9 Wijziging exploitant 1. Als de exploitatie van een speelautomatenhal wordt beëindigd of een speelautomatenhal aan een rechtsopvolger wordt overgedragen, meldt de exploitant dit onmiddellijk schriftelijk aan de burgemeester. 2. De bestaande aanwezigheidsvergunning vervalt als niet binnen vier weken na de overdracht een nieuwe aanwezigheidsvergunningaanvraag is ingediend. 3. Als de aanvraag om een nieuwe vergunning is ingediend binnen de in het tweede lid gestelde termijn, blijft de bestaande vergunning van kracht tot op de aanvraag is beslist. Paragraaf 2.5.8 Seksinrichtingen, sekswinkels, prostitutie en dergelijke Artikel 2.5.8.1 Vergunning seksinrichtingen en escortbedrijven 1.

Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of wijzigen zonder vergunning van de burgemeester. 2. In de vergunningaanvraag wordt in ieder geval vermeld: a. de persoonsgegevens van de exploitant en de beheerder, en b. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1.1.2 van deze Verordening beslist het college op de vergunningaanvraag als bedoeld in het tweede lid, binnen 12 weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. De burgemeester kan zijn besluit met maximaal 12 weken uitstellen. 4. De vergunning als bedoeld in het eerste lid, wordt geweigerd als: a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 2.5.8.2 van deze Verordening gestelde eisen, of

15

b. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht dan wel met hetgeen bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 is bepaald. 5. Voor seksinrichtingen en escortbedrijven kan, in aanvulling op het bepaalde in artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening, de vergunning bedoeld in het eerste lid, worden geweigerd in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de veiligheid van personen of goederen; c. de gezondheid of zedelijkheid, of d. de arbeidsomstandigheden van de prostituee. 6. Paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning als bedoeld in het eerste lid. Artikel 2.5.8.2 Gedragseisen exploitant en beheerder 1. De exploitant en de beheerder: a. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; c. hebben de leeftijd van 21 jaar bereikt; d. zijn niet met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; e.

zijn niet binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius alsmede de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten, en f. zijn niet binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: ‐ bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen; ‐ de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a (oud), 252, 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; ‐ de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 in samenhang met artikel 8 of in samenhang met artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

16

‐ de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; ‐ de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; ‐ de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid wordt gelijk gesteld: a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt, en b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 3. De periode van vijf jaar, genoemd in het eerste lid, wordt: a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de vergunningaanvraag; b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van intrekking van deze vergunning. 4. De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 2.5.8.1, eerste lid van deze Verordening, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat diegene ter zake geen verwijt treft. Artikel 2.5.8.3 Sluitingstijden 1.

Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 04:00 uur en 08:00 uur. 2. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of krachtens artikel 2.5.8.4 van deze Verordening, gesloten moet zijn. Artikel 2.5.8.4 Afwijking sluitingstijden en sluiting Met het oog op de in de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in deze paragraaf, kan het college bestuursorgaan: a. tijdelijk andere dan de krachtens 2.5.8.3 van deze Verordening geldende sluitingsuren vaststellen; b. van een seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of gehele sluiting bevelen. Artikel 2.5.8.5 Intrekking vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 van deze Verordening kan het college met het oog op de in artikel 2.5.8.4 van deze Verordening genoemde belangen de vergunning intrekken.

17

Artikel 2.5.8.6 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: a. geen strafbare feiten plaatsvinden, en b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000. Artikel 2.5.8.7 Straatprostitutie 1. Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, voorbijgangers te bewegen gebruik te maken van de diensten van een prostituee: a. in andere dan door het college aangewezen gebieden; b. gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden. 2. Bij overtreding van het verbod bedoeld in het eerste lid, kan door een ambtenaar van de politie en/of buitengewoon opsporingsambtenaar het bevel worden gegeven onmiddellijk in een bepaalde richting te gaan. 3. Bij (dreigende) strijd met de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan door een ambtenaar van politie en/of buitengewoon opsporingsambtenaar aan personen die zich bevinden in gebieden op de wegen en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven onmiddellijk in een bepaalde richting te gaan. 4.

De burgemeester kan met het oog op de belangen genoemd in de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening, personen aan wie ten minste één keer een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid, bij besluit verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden binnen de gebieden bedoeld in het eerste lid. Artikel 2.5.8.8 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotischpornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt. Artikel 2.5.8.9 Beëindiging exploitatie 1. De vergunning vervalt zodra de exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2. Binnen één week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, meldt de exploitant dit schriftelijk aan het college.

18

Artikel 2.5.8.10 Wijziging beheer 1. Als de beheerder het beheer van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, meldt de exploitant dit binnen één week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk aan het college. 2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, als het college op aanvraag van de exploitant besluit de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. 3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, tot op de aanvraag is besloten. Hoofdstuk 2.6 Maatregelen tegen overlast, gevaar en schade Artikel 2.6.1 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet, artikel 13b van de Opiumwet of artikel 17 van de Woningwet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf, te betreden. 2. De in het eerste lid genoemde verboden zijn niet van toepassing op personen van wie aanwezigheid in de woning, het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel 2.6.2 Krassen, plakken en bekladden 1.

Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is, te bekrassen of bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te (laten) brengen; b. met enig materiaal een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te (laten) brengen. 3. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 4. Het is verboden de aanplakborden als bedoeld in het derde lid te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. Artikel 2.6.3 Vervoer inbrekerswerktuigen Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben, tenzij direct aannemelijk is dat bedoelde zaken niet zijn bestemd voor inbraak of andere strafbare handelingen.

19

Artikel 2.6.4 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Het is verboden op een openbare plaats zich zodanig te gedragen dat voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder ontstaat. Artikel 2.6.5 Verboden drankgebruik 1. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat hoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; b. een andere plaats als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. Artikel 2.6.6 Verboden gedrag bij en in gebouwen 1. Het is verboden zonder redelijk doel: a. zich in een portiek of poort op te houden; b. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of liggen. 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw, soortgelijk meergezinsgebouw of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2.6.7 Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties Het is verboden op openbare plaatsen of in voor publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. Artikel 2.6.8 Plaatsen van voortbewegingsmiddelen Het is verboden in openbaar gebied een voortbewegingsmiddel te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als: a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek, of b. daardoor die ingang wordt versperd. Artikel 2.6.9 Alarminstallaties

20

1. Het is verboden in, op of aan een onroerende zaak een alarminstallatie geïnstalleerd te hebben die een voor de omgeving opvallend geluid- of lichtsignaal kan produceren als dat: a. geluid- of lichtsignaal langer dan drie minuten onafgebroken duurt; b. geluid- of lichtsignaal een repeterend karakter heeft, of c. geluidssignaal, gemeten op een afstand van één meter van het signaalgevend object, meer bedraagt dan 100 dB(a). 2. Na twee nodeloze alarmeringen door een alarminstallatie binnen een tijdsbestek van zes maanden kan het college bij schriftelijk besluit vorderen, dat de eigenaar of houder van die alarminstallatie binnen een termijn van twee weken na verzending van dat besluit aantoont dat de noodzakelijke maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van nodeloze alarmeringen. 3. Als de eigenaar of houder van een alarminstallatie als bedoeld in het vorige lid nalaat binnen de genoemde termijn aan te tonen, dat diegene deugdelijke maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van nodeloze alarmeringen, of indien diegene dat naar het oordeel van het college onvoldoende aantoont, beveelt het college dat die alarminstallatie onmiddellijk buiten werking wordt gesteld. 4. Het is verboden een alarminstallatie in werking te hebben, nadat een bevel als bedoeld in het derde lid is uitgevaardigd. 5.

Als de eigenaar of houder van een alarminstallatie aantoont dat diegene alsnog de noodzakelijke maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van nodeloze alarmeringen, wordt het bevel als bedoeld in het derde lid ingetrokken. Artikel 2.6.10 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; b. op de weg en op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd; c. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat duidelijk aangeeft wie de eigenaar is; d. zonder toezicht en begeleiding. 2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder b niet geldt. 3. De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet als de eigenaar of houder van een hond: a. zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden, of

21

b. deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel 2.6.11 Verontreiniging door honden en rijdieren 1. Degene die zich met een hond of rijdier op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond of dat rijdier onmiddellijk daar worden verwijderd. 2. Het is de eigenaar of houder van een hond of rijdier verboden deze te laten verblijven of lopen op een openbare plaats zonder een deugdelijk hulpmiddel bij zich te dragen, dat gezien vorm en constructie kennelijk bestemd is voor het opruimen van uitwerpselen. 3. Degene die zich met een hond op een openbare plaats bevindt, is verplicht het hulpmiddel te tonen op eerste vordering van de met het toezicht op de naleving van dit artikel belaste ambtenaren. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. Artikel 2.6.12 Gevaarlijke en hinderlijke honden 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk vindt, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2.

De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van maximaal 1,50 meter. 3. Voor de eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, geldt naast de verplichting bedoeld in het tweede lid, de verplichting de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. is vervaardigd van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is, en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4. In aanvulling op artikel 2.5.10, eerste lid, aanhef en onder c van deze Verordening, moet een hond als bedoeld in het eerste lid zijn voorzien van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. Artikel 2.6.13 Gevaarlijke honden op eigen terrein 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester:

22

a. een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2.6.12, eerste lid van deze Verordening, of b. heeft medegedeeld dat de hond gevaarlijk is. 2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is geplaatst; b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden, en c. het terrein is voorzien van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen. Artikel 2.6.14 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het is verboden zonder vergunning van het college op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een milieubelastende activiteit als bedoeld in de Ow, in de vorm van het houden van dieren. a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels, of c. te voeren. 2. De eigenaar of houder van een dier zorgt ervoor dat het dier niet onredelijk hinderlijk is voor de omgeving. 3. Paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning als bedoeld in het eerste lid. Artikel 2.6.15 (Slaap)verblijf op openbare plaats of weg 1.

Het is verboden op een openbare plaats dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan dan wel een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijk doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door paragraaf 3.9.4 van deze Verordening. Artikel 2.6.16 Bedelarij Het is verboden op een openbare plaats te bedelen. Hoofdstuk 2.7 Bestrijding heling van goederen Artikel 2.7.1 Definitie

23

In dit hoofdstuk wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2.7.2 Verplichtingen met betrekking tot verkoopregister 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die diegene verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester goedgekeurd register en daarin onmiddellijk op te nemen: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen, en f. het legitimatiebewijs van de verkoper. Artikel 2.7.3 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor diegene handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1. dat diegene het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij de onderneming behorende vestiging; 2. van een verandering van de onder a, sub 1 bedoelde adressen; 3.

dat diegene het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4. dat diegene enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; b. de burgemeester op eerste aanvraag de administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop de naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Hoofdstuk 2.8 Vuurwerk

24

Artikel 2.8.1 Ter beschikking stellen consumentenvuurwerk tijdens verkoopdagen 1. Het is verboden in de uitoefening van een (neven)bedrijf zonder vergunning van het college consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen of voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden. 2. In aanvulling op de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd ter voorkoming van onevenredige overlast. 3. Paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning als bedoeld in het eerste lid. Artikel 2.8.2 Gebruik consumentenvuurwerk tijdens jaarwisseling 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college aangewezen plaats ter voorkoming van gevaar, schade of overlast. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast veroorzaakt of kan veroorzaken. Artikel 2.8.3 Verbod carbid schieten Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen, op explosieve wijze te verbranden. Artikel 2.8.4 Verbod kamer schieten 1.

Een kamer als bedoeld in dit artikel is voorzien van een kruitpan met een gaatje aan de zijkant en een gat aan de bovenkant die wordt afgedekt met een prop papier, karton of leem(zand). 2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester in kamers zwart buskruit op explosieve wijze te verbranden. Hoofdstuk 2.9 Drugsoverlast Artikel 2.9.1 Drugshandel op straat In aanvulling op het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg dan wel openbare plaats: a. te staan; b. zich daar heen en weer te bewegen; c. zich in, tegen of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden,

25

met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel 2.9.2 Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in voor een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar: a. te gebruiken; b. toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten, of c. ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. Hoofdstuk 2.10 Bijzondere bevoegdheden burgemeester Artikel 2.10.1 Aanwijzen plaatsen camera’s 1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur voor het toezicht op een openbare plaats. 2. De burgemeester brengt het besluit als bedoeld in het eerste lid zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad. Artikel 2.10.2 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2.1.1, 2.3.1, 2.4.1, 2.4.2, 2.6.4, 2.6.5, 2.6.6, 2.6.7, 2.8.2, 3.2.1 en 3.12.1 van deze Verordening groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2.10.3 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet een gebied aanwijzen, inclusief de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, als veiligheidsrisicogebied in geval van de verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Artikel 2.10.4 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van: a. de openbare orde; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat;

26

d. de veiligheid van personen of goederen, of e. de gezondheid of de zedelijkheid, aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om zich gedurende ten hoogste 24 uur in één of meer delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste één keer een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in het eerste lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw één of meer strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken niet in één of meer delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 3. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan vergunning verlenen om af te wijken van een bevel. 4. Als de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 2.10.5 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf dan wel in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf, geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan bij schending van de zorgplicht in het eerste lid aan de overtreder een last onder bestuursdwang of dwangsom opleggen. Daarbij kunnen aanwijzingen worden gegeven over wat de overtreder moet doen of nalaten om verdere schending te voorkomen. 3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf, of e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. 2.10.6 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten

27

tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. 3. De burgemeester brengt een kopie van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf. 4. Iedereen is verplicht toe te laten dat de kopie wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 5. Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven, zonder toestemming van de burgemeester. 6. De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling zal plaatsvinden van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid. Artikel 2.10.7 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet. b. beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit; c.

exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 2. De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied. 4. De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt: a. voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd; b. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder; c. het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; d. het nummer van inschrijving in het Handelsregister;

28

e. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder; f. voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten; g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; h. een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.1.8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; b. als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; d. als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag; e. als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wm. 6.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EijsdenMargraten&id=3cd220f5-3be7-4626-a42a-d51261e1069e