20231024 07b Nota Bodembeheer Heuvelland
Tekst van het document
https://www.limburg.nl/onderwerpen/omgeving/omgevingsverordening/ 20
Nota bodembeheer Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal projectnummer 0472570.100 2 december 2022 revisie 01
Toepassingseis De gemeente toetst bij de melding voor het toepassen van grond of baggerspecie of de voorgenomen toepassing plaatsvindt binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. Voor de contouren van de grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden wordt aangesloten bij de contouren die door de provincie zijn aangegeven. Indien de toepassing plaatsvindt binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied, toetst de gemeente of aan de eisen die gesteld zijn in de vigerende omgevingsverordening van de provincie. Dat wil zeggen dat de toepassingseisen zijn: Klasse ”AW2000 - Landbouw/natuur” norm ter plaatse van waterwingebieden; Klasse “Wonen” ter plaatse van grondwaterbeschermingsgebieden. Indien de toepassingseisen ter plaatse van waterwingebieden en/of waterbeschermingsgebieden in de provinciale omgevingsverordening wijzigen, worden deze toepassingseisen opgevolgd. NB: De toepassingseis wordt altijd in de eerste plaats bepaald door het generieke toepassingskader. Dit wil zeggen: de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie wordt bepaald door de strengste van de twee klassen functieklasse of ontgravingskwaliteit. Zie hiervoor ook paragraaf 4.5 van deze Nota.
Dit is in principe reeds bestaand beleid in alle deelnemende gemeenten en was daarnaast al opgenomen in de voorgaande bodembeheernota’s van de gemeenten Vaals, Gulpen-Wittem, Valkenburg aan de Geul, Eijsden-Margraten en Meerssen.
2.7
Toepassen van grond met asbest Gevoelig bodemgebruik Toepassing van grond of baggerspecie op locaties met gevoelig bodemgebruik moet met de grootste zorgvuldigheid gebeuren. Lokaal kunnen binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten gevoelige locaties voorkomen. Onder locaties met gevoelig bodemgebruik vallen: Speelterreinen; Scholen en schoolpleinen; Kinderopvang en bijbehorende speelterreinen; Wonen met tuin (woonerf); Volkstuin/moestuin; Park en plantsoen; Sportterrein; Verblijfsrecreatie; Dagrecreatie; Sport en Vrije tijd; Natuurgebied. In bijlage 5 zijn de bronnen aangegeven waarmee bepaald kan worden of er op een locatie sprake is van één van de bovengenoemde bestemmingen. De bronnen (zoals de Basisregistratie Grootschalige Topografie) zijn openbaar beschikbaar en inzichtelijk. De gemeente draagt geen verantwoordelijkheid voor de volledigheid van deze bronnen. Derhalve is het aan de initiatiefnemer om voorafgaande aan de toepassing op een mogelijke locatie met gevoelig bodemgebruik altijd contact op te nemen met de gemeente voor inzicht in de huidige situatie.
21
Nota bodembeheer Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal projectnummer 0472570.100 2 december 2022 revisie 01
Risico’s van asbest In Nederland is van ca. 1955 tot 1993 asbest toegepast. In de periode van 1955-1978 is op grote schaal gewerkt met asbesthoudende materialen. Asbest kan in de bodem terecht zijn gekomen op locaties waar asbest is gebruikt in gebouwen, door het zagen of breken van asbestplaten of (afval)stortingen. De aanwezigheid van asbest in de bodem kan risico’s opleveren voor de volksgezondheid. Om deze reden is onderzoek naar het voorkomen van asbest in de bodem in sommige gevallen verplicht. De bodemkwaliteitskaart geeft geen uitsluitsel of er sprake is van asbesthoudende grond of bodem. Voor grond geldt als generieke toepassingseis dat deze maximaal 100 mg/kg droge stof (d.s.) aan -gewogen- asbest mag bevatten. Dit betreft een gewogen gehalte, zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. Het gehalte dient te worden vastgesteld aan de hand van een asbestonderzoek cf. NEN 5707. De deelnemende gemeenten overwegen echter dat wanneer asbest is aangetoond onder de norm, er alsnog blootstelling aan asbest kan optreden. Met name de aanwezigheid van asbesthoudende grond op locaties waar veelvuldig contact met de grond kan optreden is ongewenst. Door de restconcentratienorm te verlagen, vermindert in de loop van de tijd de hoeveelheid asbest dat in de bodem in de regio aanwezig is.
Om deze reden stellen de deelnemende gemeenten een aangepaste restconcentratienorm voor gebieden met gevoelig bodemgebruik vast: Binnen gebieden die als locaties met gevoelig bodemgebruik zijn gedefinieerd, is de restconcentratienorm voor asbest 50 mg/kg d.s. De gemeente stelt gebiedsspecifiek beleid vast: voor toepassingen van grond ter plaatse van locaties met gevoelig bodemgebruik is het niet toegestaan met asbest verontreinigde grond toe te passen. De deelnemende gemeenten hanteren hierbij de eis dat er visueel geen asbest in de grond zichtbaar mag zijn. Van partijen met asbestverdachte bijmengingen dient conform een passend bewijsmiddel aangetoond te worden dat de grond niet asbesthoudend is. Toepassingseisen voor toepassingen op locaties met gevoelig bodemgebruik De toepassingseis voor het toepassen van grond en/of baggerspecie ter plaatse van locaties met gevoelig bodemgebruik binnen het beheergebied is als volgt: De partij is visueel dan wel analytisch vrij van asbest. Dit wordt voor elke toe te passen partij aangetoond door middel van minimaal een onderzoek conform de NEN 5725. o Als uit het vooronderzoek conform NEN 5725 blijkt dat de locatie verdacht is op de aanwezigheid van asbest, dan dient een volledig verkennend asbestonderzoek conform NEN5707 of NEN5720 met passende strategie te worden uitgevoerd.
o Als uit het vooronderzoek conform NEN 5725 blijkt dat de locatie onverdacht is op de aanwezigheid van asbest, maar er is in de vrijkomende grond visueel wel sprake van een bijmenging van asbestverdacht materiaal, dan dient een volledig verkennend asbestonderzoek conform NEN5707 of NEN5720 te worden uitgevoerd. De genoemde kwaliteitseis geldt zowel voor nieuw aan te leggen locaties met gevoelig bodemgebruik als voor bestaande gevoelige locaties. Onder locaties met gevoelig bodemgebruik vallen de voorgenoemde gevoelige locaties, zie ook bijlage 5. Ten aanzien van bijmengingen met bodemvreemd materiaal (niet zijnde asbestverdacht) gelden aanvullende eisen, zie hiervoor paragraaf 2.5 De bovenstaande regel is nieuw voor alle deelnemende gemeenten
22
Nota bodembeheer Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal projectnummer 0472570.100 2 december 2022 revisie 01
3
Beleidsregels bodem
3.1
Regels bij tijdelijke uitname Onderbouwing Tijdelijke uitname van grond betekent het uitnemen van grond uit de bodem, waarna die grond weer wordt teruggebracht op of in de bodem, onder dezelfde omstandigheden en zonder te zijn bewerkt. Op grond van artikel 36 lid 3 van Besluit bodemkwaliteit en, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, artikel 3.48o van het Besluit Activiteiten Leefomgeving is tijdelijke uitname mogelijk. Voor een nadere invulling van ‘tijdelijke uitname’ wordt aangesloten bij het beleid uitzonderingsbepalingen van het Beleidskader Bodem van de Provincie Limburg 2016 (paragraaf 5.4). Ook wordt aangesloten bij het Handvat tijdelijke uitname van grond en baggerspecie van het Agentschap NL, van 7 juli 2010. Het Beleidskader Bodem van de Provincie Limburg beschrijft dat uitzeven van grof puin of ander bodemvreemd materiaal in een verder homogene partij grond niet als een bewerking wordt gezien. Dit komt overeen met de uitgangspunten van tijdelijke uitname onder de Omgevingswet: als het uitzeven niet gericht is op het veranderen van de milieuhygiënische kwaliteit, is dit toegestaan onder de regels van tijdelijk uitnemen. Het is dan toegestaan om de uitgezeefde grond weer terug te brengen in de bodem zonder deze na het uitzeven te hoeven voorzien van een milieuverklaring bodemkwaliteit.
De betrokken gemeente ziet toe op een correcte naleving, waarbij het niet verslechteren van de lokale milieubelasting als leidend principe wordt gehanteerd. Gezien de heterogeniteit van de grond is het voor de initiatiefnemer tevens van belang zich te realiseren dat moet worden voldaan aan het zorgplichtbeginsel en de ARBO-regelgeving. Vanuit dat oogpunt is onderzoek altijd onontbeerlijk. Uitzonderingssituaties Specifieke onderzoekseisen bij tijdelijke uitname gelden voor ontgravingen in gebieden die zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart ofwel waarvan de bodemkwaliteit gedefinieerd is als “niet toepasbaar”. Het gaat hierbij met name om de boven- en ondergrondzone “Eijsden kern voor 1970”. In deze zones is mogelijk sprake van sterk verontreinigde grond. Indien dit vermoeden bestaat, is een voorafgaand bodemonderzoekonderzoek vanuit de eisen van de Wet Bodembescherming dan wel Omgevingswet noodzakelijk. Beleidsregel De deelnemende gemeenten vullen de definitie van “onder dezelfde omstandigheden en zonder te zijn bewerkt” bij tijdelijke uitname van grond als volgt in: er wordt aangesloten bij het beleid uitzonderingsbepalingen van het Beleidskader Bodem van de Provincie Limburg 2016 (paragraaf 5.4) en wordt aangesloten bij het Handvat tijdelijke uitname van grond en baggerspecie van het Agentschap NL, van 7 juli 2010.
Dit is bestaand beleid in de gemeenten Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals en Valkenburg aan de Geul. Gezien de actualisatie van de bodemkwaliteitskaart is de genoemde uitzonderingssituatie nu slechts van toepassing op één zone in Eijsden (voorheen alle zones van de kernen van Eijsden). Het beleid is nieuw voor de gemeente Voerendaal.
23
Nota bodembeheer Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal projectnummer 0472570.100 2 december 2022 revisie 01
3.2
Faciliteren particuliere, kleinschalige ontgravingen in kernen Eijsden Aanleiding Gezien de aanwezige diffuse verontreinigingen in de kernen van de voormalige gemeente Eijsden (de boven- en ondergrondzones “Oude bebouwing en kern na 1970 Eijsden” en “Eijsden kern voor 1970”) kunnen particulieren geconfronteerd worden met een aantal eisen en bijbehorende regels rondom het graven in de verontreinigde grond en de kosten die hieraan verbonden zijn. Dit is een onwenselijke situatie, zeker aangezien in deze situaties geen saneringsdoel wordt nagestreefd. Om de burgers zo veel mogelijk te faciliteren is er in samenspraak met de afdeling Handhaving en Monitoring van de provincie Limburg en Agentschap NL een voorwaardenpakket opgesteld voor projectmatige ontgravingen tot 25 m3 die plaatsvinden ter plaatse van de kernen in de voormalige gemeente Eijsden. Deze werkwijzen zijn uitgewerkt in paragrafen 3.2.1 en 3.2.2 hieronder. Particuliere ontgravingen groter dan 25 m3 Onder het huidige stelsel van de Wet bodembescherming dient bij projectmatige ontgravingen en ontgravingen groter dan 25 m3 altijd het spoor van de Wet bodembescherming gevolgd te worden.
Dit betekent concreet dat er een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN5740 moet worden uitgevoerd en indien sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, een BUS-melding of saneringsplan ter goedkeuring bij de provincie Limburg ingediend moet worden. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen bij projectmatige ontgravingen en ontgravingen groter dan 25m3 de algemene regels van de Omgevingswet gevolgd te worden. De algemene regels voor de milieubelastende activiteit “Graven in bodem met een kwaliteit boven interventiewaarde” zijn dan van toepassing en zijn beschreven in paragraaf 4.120 Bal.
3.2.1
Uitzondering particuliere ontgravingen Eijsden tot en met 25 m3 onder het huidige stelsel Bij projectmatige ontgravingen en ontgravingen groter dan 25 m3 dient onder het huidige stelsel het spoor van de Wet bodembescherming gevolgd te worden. Voor kleinschalige ontgravingen tot en met 25 m3 worden de regels vereenvoudigd, aan de hand van de volgende uitgangspunten: Uitzondering geldt uitsluitend voor de kleinschalige ontgravingen; De onderzoeksverplichtingen gelden voor de boven- en/of ondergrondzones “Oude bebouwing en kern na 1970 Eijsden” en “Eijsden kern voor 1970”; Het minimale onderzoeksplichtig (ten aanzien van de Wbb of Bbk) graafvolume is 25 m3. Vanuit de ARBO kan echter onderzoek verplicht worden gesteld bij kleinere graafvolumes; De kenbaarheid in het kader van de Wkpb/BRK-PB is verankerd in de meldingsprocedure. Beleidsregel uitzondering particuliere ontgravingen Eijsden tot en met 25 m3 onder het huidige stelsel Na inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt de onderstaande beleidsregel.
De gemeente staat toe dat indien aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan, de procedure voor kleinschalig graven in de bodem door particulieren wordt versoepeld: De werkzaamheden vinden plaats in de boven- en/of ondergrondzones “Oude bebouwing en kern na 1970 Eijsden” en “Eijsden kern voor 1970”; Er is geen sprake van een saneringsdoel; Bij de ontgraving komt niet meer dan 25 m3 grond vrij; Er dient minimaal vijf dagen voor aanvang van de graafwerkzaamheden bij de gemeente een melding ingediend te worden. Hierbij dient gebruik te worden gemaakt van het in bijlage 7 opgenomen meldingsformulier; Bij de melding wordt aangegeven: 24
Nota bodembeheer Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal projectnummer 0472570.100 2 december 2022 revisie 01
De locatie waar de grond vrijkomt; Wanneer de ontgraving gaat plaatsvinden; Hoeveel grond ontgraven wordt; Of de grond op de locatie wordt herschikt dan wel naar welke erkende verwerker de grond wordt afgevoerd; Een bewijs van afvoer (begeleidingsbrief of afvoerbonnen) wordt uiterlijk twee weken na afvoer aan de gemeente overlegd te worden. o o o o
-
Indien aan de bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, wordt de procedure als volgt versoepeld: Vrijstelling voor de verplichting van milieukundige begeleiding, analoog aan de randvoorwaarden voor BUS “Tijdelijk uitplaatsen”; Vrijstelling voor de aannemer voor wat betreft de certificering BRL7000; Vrijstelling van aanleveren van een voorafgaand bodemonderzoek. Een keer per jaar wordt door de gemeente een evaluatieverslag opgesteld voor de provincie Limburg waarin alle gegevens van de particuliere projectmatige ontgravingen vermeld staan. Indien de burgers gebruik willen maken van de regeling voor particuliere projectmatige ontgravingen tot en met 25m3, zijn zij verplicht middels het als bijlage 7 toegevoegde meldingsformulier grondverzet te melden. Het bovenstaande is reeds bestaand beleid in de gemeente Eijsden-Margraten en is niet van toepassing op de overige deelnemende gemeenten.
3.2.2
Uitzondering particuliere ontgravingen Eijsden tot en met 25 m3 onder de Omgevingswet Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen bij projectmatige ontgravingen en ontgravingen groter dan 25m3 de algemene regels van de Omgevingswet gevolgd te worden: Bij grondverzet vanaf 25 m3 gelden de algemene regels voor de milieubelastende activiteit “Graven in bodem met een kwaliteit boven interventiewaarde” o Melding en/of het aanleveren van gegevens en bescheiden voorafgaand aan de activiteit en informatieplicht na afloop, zie ook paragraaf 4.120 Bal. Voor grondverzet met een omvang van 25 m3 of minder gelden geen algemene rijksregels, maar kunnen wel decentrale regels gelden (omgevingsplan gemeente). o Nieuwe decentrale regels in het omgevingsplan o Bruidsschatregels Bruidsschatregels zijn regels in aanvulling op de rijksregels in het Bal. Deze regels worden van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan van de gemeente. In aanvulling op de rijksregel over de activiteit Graven in bodem met een kwaliteit boven interventiewaarde, bevat de bruidsschat (onder meer) aanvullende regels bij graven in de landbodem in een omvang die kleiner is dan 25 m3 en waarbij uit een bodemkwaliteitskaart blijkt dat de grond diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (zie paragraaf 22.3.7.2 van “Bruidsschat Omgevingsplan Artikelen”.
Een dergelijke diffuse verontreiniging doet zich ook voor in de ondergrondzone “Eijsden kern voor 1970”. Bij kleinschalig graven (tot en met 25 m3) in de genoemde zone zijn derhalve de algemene regels uit de bruidsschat van toepassing, tenzij de gemeente de bruidsschatregels niet of gewijzigd overneemt in het Omgevingsplan. De betreffende bruidsschatregels (paragraaf 22.3.7.2 van de Bruidsschat) houden het volgende in: Informatieplicht uiterlijk één week voorafgaande aan het werk; Vrijgekomen materiaal wordt niet langer dan acht weken na afronding van het werk opgeslagen op/nabij de werklocatie; Uitsluitend verplichting tot milieukundige begeleiding (cf. BRL SIKB 6000) indien er op de locatie sprake is van een afdeklaag. 25
Nota bodembeheer Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal projectnummer 0472570.100 2 december 2022 revisie 01
Omdat de bovenstaande bruidsschatregel voor de omgang met kleinschalige ontgravingen ter plaatse van diffuse verontreinigingen grotendeels overeenkomt met het bestaande lokale beleid onder het huidige stelsel, worden er vooralsnog geen wijzigingen aangebracht aan de algemene regels na inwerkingtreding van de Omgevingswet. Indien de gemeente de bruidsschatregel niet actief aanpast of laat vallen, wordt de regel van rechtswege onderdeel van het omgevingsplan en daarmee van kracht bij inwerkingtreding van de Omgevingswet.
3.3
Omgang met mergel en stol Mergel In meerdere van de deelnemende gemeenten komen mergel en stol in de bodem voor. Voor mergel wordt onderscheid gemaakt tussen primaire en secundaire mergel. Indien sprake is van directe winning, wordt (de primaire) mergel als natuursteenproduct beschouwd, welke is uitgezonderd van de verplichting de samenstellings- en emissiewaarden te bepalen (artikel 29 lid a, nota van toelichting Besluit bodemkwaliteit). Artikel 29 komt na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet terug in het Besluit bodemkwaliteit, maar is bepaald in artikel 4.1259 van het Bal. Breuksteen of steenslag zijn niet uitgezonderd van de kwaliteitsbepaling. Voor wat betreft de winning en toepassing van (secundaire) mergel is er sprake van grond, indien de deeltjes kleiner zijn dan 2 mm. Hiervoor geldt het gestelde in deze Nota bodembeheer. Grotere delen en blokken worden gezien als bouwstof. Deze dienen getoetst te worden conform de BRL VKB 1002 (Monsterneming en partijkeuring niet-vormgegeven bouwstoffen) en de generieke toepassingseisen voor een bouwstof. In het schema op pagina 25 schematisch de mogelijkheden bij toepassing van mergel weergegeven.
Stol Voor wat betreft de toepassing van stol wordt verwezen naar de paragraaf 4.3.1 van het Beleidskader bodem van de provincie Limburg (actualisatie 2016), waarin wordt vermeld dat enkel het percentage bodemvreemd materiaal bepaalt of stol een bodemlaag is. Stol is een mengsel van zand, grind en leem en betreft daarmee geen bodemvreemd materiaal. Alle procedures en onderzoeksvoorwaarden zoals genoemd in deze Nota gelden daarmee eveneens voor stol. Beleidsregel De deelnemende gemeenten volgen de definitie van de provincie Limburg voor de definitie van stol, te weten: stol is een mengsel van zand, grind en leem (Beleidskader Bodem, geactualiseerd juli 2016). Hieruit volgt dat voor stol eenzelfde regels en procedures gelden als voor bodem. Dit is bestaand beleid in de gemeenten Gulpen-Wittem, Meerssen en Valkenburg aan de Geul. Het is nieuw beleid voor de gemeenten Eijsden-Margraten, Vaals en Voerendaal.
26
Nota bodembeheer Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal projectnummer 0472570.100 2 december 2022 revisie 01
Figuur 3.1: Schema gemeentelijk beleid omtrent toepassen van mergel
3.4
Geldigheidsduur bodemonderzoek Beleidsregel De deelnemende gemeenten definiëren de geldigheidsduur van een bodemonderzoeksrapport als volgt: een aangeleverd bodemonderzoek is maximaal vijf jaar geldig, indien de onderzoekslocatie ongewijzigd is. Indien de onderzoekslocatie wel is gewijzigd, kan het bodemonderzoek niet als bewijsmiddel dienen. Een onderzoek tussen de vijf en tien jaar oud is in principe niet geldig, maar kan geactualiseerd worden door middel van een historisch bodemonderzoek en zo nodig een actualiserend onderzoek cf. NEN 5740. Onderzoeken ouder dan 10 jaar kunnen niet als bewijsmiddel dienen en kunnen niet geactualiseerd worden door middel van een historisch bodemonderzoek. Voor dergelijke gevallen dient het bodemonderzoek opnieuw te worden uitgevoerd. Bij twijfelgevallen dient contact opgenomen te worden met de betreffende gemeente om de werkwijze af te stemmen. Dit is bestaand beleid in de gemeenten Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en is nieuw beleid voor de gemeente Voerendaal. 27
Nota bodembeheer Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal projectnummer 0472570.100 2 december 2022 revisie 01
3.5
Gebruik bodemkwaliteitskaart in het ruimtelijke spoor Inleiding Zowel binnen het gemeentelijke beleid als het landelijke beleid is er voor gekozen om de aanpak van de bodemverontreiniging te combineren met de ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied. De bodemkwaliteit dient bepaald te worden bij bouwaanvragen, grondverzet, bestemmingswijzigingen en in situaties waarbij gesaneerd moet worden. Door bij al deze procedures dezelfde bodemkwaliteitseisen te stellen, wordt invulling gegeven aan het meersporenbeleid.
3.5.1
Bodem in de omgevingsvergunning en het bestemmingsplan Een bestemmingsplan bevat altijd een paragraaf over de bodemkwaliteit. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 3.1.6 lid 5c van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel staat een verwijzing naar artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht. Hierin is geregeld dat het gemeentebestuur bij haar besluitvorming de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Hierin is geen rechtstreekse verplichting opgenomen voor het uitvoeren van bodemonderzoek of bodemsanering. De gemeente heeft daarmee onder het huidige stelsel de mogelijkheid om te beoordelen in welke gevalleen een uitgebreid of beperkt onderzoek wordt geëist. Eenzelfde keuzevrijheid heeft de gemeente in het kader van de omgevingsvergunning. Het is niet altijd wenselijk om een bodemonderzoek te verlangen, omdat dit mogelijk een onnodige kostenpost bij het bouwen met zich meebrengt. In de bouwverordening van de gemeente legt de gemeente vast voor welke situaties en onder welke voorwaarden een vrijstelling kan worden verleend. In het schema op de volgende pagina is aangegeven wanneer en op welke wijze de bodemkwaliteitskaart kan worden ingezet voor een aanvraag omgevingsvergunning bouwen of een aanpassing van het bestemmingsplan.
Beleidsregel bodem in de omgevingsvergunning en het bestemmingsplan Na inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt de onderstaande beleidsregel. De deelnemende gemeenten staan toe dat dat de bodemkwaliteitskaart in combinatie met een vooronderzoek conform NEN 5725 als bewijsmiddel mag dienen voor een bodemgeschiktheid voor een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een bestemmingsplanwijziging. Indien uit het vooronderzoek blijkt dat sprake is van een verdachte locatie, met beïnvloeding van een lokale puntbron, kan de kaart niet als bewijsmiddel worden toegepast. NB: uit bovenstaande beleidsregel volgt automatisch dat voor uitgesloten locaties en locaties waarvan is aangetoond dat deze sterk verontreinigd zijn of wegens heterogeniteit verdacht op verontreiniging zijn, de bodemkwaliteitskaart niet bruikbaar is als bewijsmiddel. Het gaat hierbij expliciet om de boven- en ondergrondzones van “Oude bebouwing en kern na 1970 Eijsden” en “Eijsden kern voor 1970”. Voor bodemroerende activiteiten in deze zones dient altijd een verkennend bodemonderzoek, dan wel aangevuld met asbestonderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de kwaliteit. Dit is bestaand beleid in de gemeenten Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals en Valkenburg aan de Geul en is nieuw voor de gemeente Voerendaal.
28
Nota bodembeheer Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal projectnummer 0472570.100 2 december 2022 revisie 01
3.5.2
Bodem in het Omgevingsplan i.h.k.v. bouwen, ruimtelijke ordening en milieu Onder de OW verandert de systematiek: de gemeente voert een toets uit of een activiteit of functie wordt toegelaten in het gemeentelijke omgevingsplan. De gemeente maakt de afweging aan de hand van: Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet); Instructieregels vanuit het Rijk (afdeling 5.1 Bkl) Instructieregels vanuit de provincie (omgevingsverordening)
29
Nota bodembeheer Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal projectnummer 0472570.100 2 december 2022 revisie 01
Specifiek voor ‘bouwen op verontreinigde bodem’ wordt verwezen naar de bruidsschatregels die van rechtswege in het tijdelijke deel van het omgevingsplan terechtkomen (artikelen 22.29, 22.30 en 22.31 van “Bruidsschat Omgevingsplan Artikelen”). Beleidsregel bodem in het Omgevingsplan in het kader van bouwen, ruimtelijke ordening of milieu Na inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de volgende beleidsregel: De deelnemende gemeenten staan toe dat dat de bodemkwaliteitskaart in combinatie met een vooronderzoek conform NEN 5725 als bewijsmiddel mag dienen voor een bodemgeschiktheid voor een wijziging van het Omgevingsplan in het kader van bouwen, ruimtelijke ordening en milieu. Indien uit het vooronderzoek blijkt dat sprake is van een verdachte locatie, met beïnvloeding van een lokale puntbron, kan de kaart niet als bewijsmiddel worden toegepast. NB: uit bovenstaande beleidsregel volgt automatisch dat voor uitgesloten locaties en locaties waarvan is aangetoond dat deze sterk verontreinigd zijn of wegens heterogeniteit verdacht op verontreiniging zijn, de bodemkwaliteitskaart niet bruikbaar is als bewijsmiddel. Het gaat hierbij expliciet om de boven- en ondergrondzones van “Oude bebouwing en kern na 1970 Eijsden” en “Eijsden kern voor 1970”.
Voor bodemroerende activiteiten in deze zones dient altijd een verkennend bodemonderzoek, dan wel aangevuld met asbestonderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de kwaliteit. De bovenstaande regel is een voortzetting van het bestaande beleid onder het oude wettelijke stelsel voor de gemeenten Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Valkenburg aan de Geul en Vaals en is nieuw voor de gemeente Voerendaal.
3.6
Gebruik bodemkwaliteitskaart in overige sporen Beleidsregel De deelnemende gemeenten accepteren de bodemkwaliteitskaart (dan wel in combinatie met een historisch onderzoek) niet in het kader van de volgende sporen: Makelaar/Taxateur; Grondaankoop en –verkoop; Bepalen van de nulsituatie; Wm vergunning; In deze gevallen is lokaal bodemonderzoek conform de NEN 5740 noodzakelijk. Dit is bestaand beleid in de gemeenten Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals en Valkenburg aan de Geul en is nieuw voor de gemeente Voerendaal.
3.7
Asbestonderzoek bij sloop Inleiding De aanwezigheid van asbestvezeldaken, veelal toegepast op oude opstallen en bouwwerken in het buitengebied, kan leiden tot bodemverontreiniging met asbest. Door verwering en neerslag kunnen losgekomen asbestvezels namelijk in de bodem terechtkomen en zo bodemverontreiniging veroorzaken. Dit vindt met name plaats in de drupzone van het asbestdak, indien er geen hemelwaterafvoer aanwezig is. Conform de Bouwverordening is een bodemonderzoek onderdeel van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen (artikel 2.1.5 van de Modelbouwverordening). Als bouwwerken worden gesloopt voorafgaande aan de nieuwbouwwerkzaamheden, vindt dit bodemonderzoek plaats tussen de sloop en de nieuwbouw. Door de sloopwerkzaamheden en betrokken activiteiten kunnen asbesthoudende bodemlagen (onopzettelijk) verspreid raken over de sloop-/bouwlocatie. Hierdoor is het mogelijk dat een asbestonderzoek na de sloopwerkzaamheden de asbestsverontreiniging niet of onvoldoende in kaart brengt, of dat een onnodig groot oppervlak wordt besmet met asbest. 30
Nota bodembeheer Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal projectnummer 0472570.100 2 december 2022 revisie 01
In het kader van bodemkwaliteit, de efficiëntie van onderzoek en het beschermen van de volksgezondheid, heeft de gemeente de mogelijkheid om de bovenstaande situatie te voorkomen. Om dit op te lossen wordt in afwijking van het gestelde in de gemeentelijke bouwverordening (Modelbouwverordening in artikel 2.1.5, lid 5) vastgesteld dat het bodemonderzoek in bepaalde gevallen uitgevoerd dient te worden voorafgaande aan de sloop. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de gemeente de mogelijkheid om op basis van de gestelde beleidsregel een vergunningsvoorschrift uit te schrijven bij het ontvangen van de melding/vergunningsaanvraag voor bouwen. Beleidsregel De gemeente toetst bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen, dan wel na inwerkingtreding van de Omgevingswet, de aanvraag wijziging van het omgevingsplan, in bepaalde gevallen of een aanvullend bodemonderzoek ter plaatse van de drupzone van het dak is toegevoegd aan de aanvraag. De gemeente toetst aan de volgende eisen: 1. Er dient voorafgaande aan de sloop van het bouwwerk een asbestonderzoek conform een gepaste strategie van de NEN 5707, van de bovengrond en op de verdachte locatie verricht te zijn, in het geval bij deze aanvraag aan alle drie de volgende eisen wordt voldaan: a. Er is aanleiding om aan te nemen dat het dak van het bouwwerk asbesthoudend is; b.
Er is geen of een niet-functionerende hemelwaterafvoer aanwezig; c. Ter plaatse van de drupzone is geen verharding aanwezig. 2. De resultaten van dit asbestonderzoek zijn gerapporteerd of aangeleverd tezamen met het bodemonderzoek dat bij de aanvraag ingediend wordt. Het bovenstaande is nieuw beleid voor de gemeenten Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal.
31
Nota bodembeheer Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal projectnummer 0472570.100 2 december 2022 revisie 01
4
Wet- en regelgeving Inleiding In de volgende hoofdstukken worden onderwerpen beschreven die wel bij het thema bodem horen, maar geen directe impact hebben op het lokale beleid. Het gaat hierbij om een uitleg of beschrijving van het generieke beleid, begrippen en procedures die geen plaats hebben in het omgevingsplan, maar bijvoorbeeld wel in een Omgevingsprogramma. Naast deze toelichting op het generieke beleid (Wbb, Bbk) van vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is er ook een uitwerking opgenomen over het generieke beleid onder de Omgevingswet (Bal, Bkl, Bbk).
4.1
Huidige generieke kader
4.1.1
Wet bodembescherming Hoe in Nederland de bodem en het grondwater beschermd wordt, is beschreven in de Wet bodembescherming (Wbb). Zo is in de Wbb beschreven wanneer en hoe sanering van (ernstig) verontreinigde bodem en grondwater dient te worden verricht of wanneer bijvoorbeeld voor beheer van de verontreiniging moet worden gekozen. Ook lozingen in of op de bodem kunnen op grond van de Wbb worden gereguleerd. De waterbodemregelgeving die voorheen was opgenomen in de Wbb is overgegaan naar de Waterwet. Essentieel onderdeel van de bodembescherming in Nederland is de zorgplicht, welke is beschreven in artikel 13 van de Wbb. Deze bepaling verplicht ieder die handelingen uitvoert die effect kunnen hebben op de bodem, om ervoor te zorgen dat door die handelingen de bodem niet verontreinigd raakt. Indien er een verontreiniging is ontstaan, dient de veroorzaker op grond van deze zorgplicht de verontreiniging voor zo ver als redelijkerwijs mogelijk is, ongedaan te maken. Gedeputeerde Staten zijn conform de Wbb bevoegd gezag voor alle nieuwe gevallen van bodemverontreiniging. In het geval de verontreiniging vóór 1987 is ontstaan, is het bevoegd gezag afhankelijk van de omvang van de verontreiniging. Tot 25 m3 grond/100 m3 grondwater niet-ernstige bodemverontreiniging is de betreffende gemeente het bevoegd gezag.
Bij verontreinigingen met een grotere omvang, is de provincie het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag bij nieuwe bodemverontreinigingen binnen een inrichting is vaak het bevoegd gezag Wet milieubeheer. Zie voor meer informatie Bodemplus.nl8. De noodzaak voor sanering en de aard van de te nemen saneringsmaatregelen wordt bepaald door de spoedeisendheid. Of een verontreiniging als spoedeisend wordt beschouwd, is afhankelijk van de humane, ecologische en verspreidingsrisico's. Een groot deel van de saneringen handelt de provincie af via het Besluit Uniform Saneren (BUS) waarbij volstaan kan worden met een melding voorafgaand aan de sanering. De grotere en meer gecompliceerde gevallen lopen via het Wbb-spoor waarvoor een saneringsplan moet worden opgesteld. De Wet bodembescherming is daarnaast de grondslag voor een aantal besluiten en bepalingen die inhaken op het gebruik van de bodem. Voorbeeld hiervan is het voorgenoemde Besluit Uniform Saneren in het geval er sprake is van verontreinigingen in de bodem. Voor het hergebruik van (licht) verontreinigde grond en baggerspecie en voor hergebruik van bouwstoffen is het Besluit bodemkwaliteit in 2008 in werking getreden. Dit besluit wordt in navolgende paragraaf verder toegelicht.
8
https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/wbb/vragen/wbb-algemeen/faq/bevoegd-gezag/ 32
Nota bodembeheer Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal projectnummer 0472570.100 2 december 2022 revisie 01
4.1.2
Besluit bodemkwaliteit In juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden voor het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen. Uitgangspunt bij het toepassen van partijen grond en baggerspecie is dat deze definitief onderdeel gaan uitmaken van de bodem (een zogenoemde bodemtoepassing). Er wordt ook wel gesproken over het 'beheer van grondstromen', oftewel het op die plaats toepassen van grond (of baggerspecie) waar dit geen risico's oplevert voor enerzijds de actuele bodemkwaliteit ter plaatse (standstill-principe) en anderzijds de functie die de bodem heeft. Met de actuele bodemkwaliteit wordt de diffuse bodemkwaliteit bedoeld, ook wel achtergrondkwaliteit. Deze diffuse bodemkwaliteit is kenmerkend voor een bepaald gebied en is niet gerelateerd aan een specifieke en herkenbare bron zoals in het geval van puntverontreinigingen. Voor deze laatste vorm van verontreinigingen is het saneringsbeleid van kracht (Wet bodembescherming voor de landbodem en de Waterwet voor de waterbodem) tot het inwerking treden van de Omgevingswet. Bij het (opnieuw) toepassen van bouwstoffen is het Bbk met name gericht op het voorkomen van een nieuwe bodemverontreiniging. In figuur 4.1 is de positie van het Besluit bodemkwaliteit binnen het bodembeleid aangegeven.
Figuur 4.1: Positie van het Besluit bodemkwaliteit binnen het bodembeleid
Relatie met saneringsbeleid In figuur 4.1 is aangegeven dat het Bbk niet van toepassing is op het saneren van bodemverontreinigingen. Dit is immers geregeld in de Wet bodembescherming. Echter, wanneer wordt gekozen voor functiegericht saneren, heeft het saneringsbeleid wél een koppeling met het Besluit bodemkwaliteit. De in de bodemkwaliteitskaart bepaalde toepassingskaart bepaalt namelijk de concentratie tot waar minimaal dient te worden gesaneerd (de terugsaneerwaarde). Het gaat hierbij om de maximale waarden voor de functieklasse landbouw/natuur, wonen of industrie. Indien door de gemeente Lokale Maximale Waarden zijn vastgesteld, gelden deze als terugsaneerwaarde.
33
Nota bodembeheer Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal projectnummer 0472570.100 2 december 2022 revisie 01
4.2
Toekomstige generieke kader
4.2.1
Intrekken Wet bodembescherming Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de Wet bodembescherming ingetrokken. Voor sommige locaties is sprake van overgangsrecht, waarbij de Wet bodembescherming nog wel van toepassing blijft. Het aanvullingsspoor bodem voegt het thema bodem en ondergrond toe aan de Omgevingswet. Het aanvullingsspoor bodem zorgt ervoor dat bodem en ondergrond een integraal onderdeel worden van de Omgevingswet en heeft 3 pijlers: a. Preventie: het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting. b. Toedeling van functies: het meewegen van bodemkwaliteit als het gaat om de kwaliteit van de leefomgeving, in relatie tot het gebruik hiervan. c. Beheer historische verontreinigingen: het op een duurzame en doelmatige manier beheren van historische verontreinigingen. Elke pijler gebruikt instrumenten uit de Omgevingswet. De nieuwe regels komen in de plaats van de bestaande regels voor het beheer van de bodemkwaliteit. Zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen (BUS). Pijler 1: Preventie Het niveau van zorgplicht wijzigt niet met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Wel is de zorgplicht op een andere manier ingericht.
Namelijk, na inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de algemene zorgplicht uit artikel 1.7 van de Omgevingswet en de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) voor milieubelastende activiteiten. Deze zorgplichtbepalingen zijn van toepassing op situaties waarbij bodemverontreiniging na inwerkingtreding van de Omgevingswet is ontstaan. Artikel 13 Wet bodembescherming blijft van toepassing op situaties die tussen 1 januari 1987 en de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn veroorzaakt. Gemeentelijke overheden mogen in het gemeentelijk omgevingsplan aanvullende zorgplichten opnemen. De specifieke zorgplicht stelt de ondernemer verantwoordelijk voor het voorkomen van bodemverontreiniging. En de specifieke zorgplicht vervangt regels die vanzelfsprekend zijn voor een goede bedrijfsvoering. De specifieke zorgplicht beperkt zich niet tot de voorschriften die in artikel 2.11 van het Bal zijn genoemd, maar is een open norm. Meer informatie over wat onder de specifieke zorgplicht valt, is te vinden via de betreffende pagina op iplo.nl9. Verontreiniging of aantasting van de bodem kan ook ontstaan door een ongewoon voorval (calamiteit). Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet veranderen de betrokken regels inhoudelijk niet. Onder de Wet bodembescherming was dit geregeld in artikel 30 van de Wet bodembescherming.
In de Omgevingswet komen deze regels terug in hoofdstuk 19 van de Omgevingswet. Wel is het mogelijk dat met de inwerkingtreding van de Omgevingswet het bevoegd gezag is gewijzigd. Pijler 2: Toedeling van functies De tweede pijler gaat over bodemkwaliteit als onderdeel van de afweging van alle aspecten van de fysieke leefomgeving. Deze afweging is onder andere nodig bij de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Regels over het meenemen van bodemkwaliteit in de afweging worden via het aanvullingsbesluit bodem opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl staan instructieregels voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties. Eventuele andere regels over het meenemen van de bodemkwaliteit in afwegingen met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden door de gemeente opgesteld en vastgelegd in het omgevingsplan. 9
https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/toelichting-milieubelastende-activiteiten/rijksregels-mba/specifiekezorgplicht-milieubelastende-activiteit/bronnen-handhavers-specifieke-zorgplicht/ 34
Nota bodembeheer Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal projectnummer 0472570.100 2 december 2022 revisie 01
Pijler 3: Beheer van historische verontreinigingen Ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen er nog locaties ontdekt worden waar historische bodemverontreiniging aanwezig is en waar de veroorzaker vaak niet meer bekend is. Bestaande regelingen uit de Wet bodembescherming zullen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer gelden. In de Omgevingswet is een bepaling over "toevalsvondsten" (afdeling 19.2 van de Omgevingswet) opgenomen. Het gaat hier om (voor de gezondheid) risicovolle situaties. De toevalsvondst-regeling houdt geen saneringsplicht in en ook het toetsingskader is aanzienlijk beperkter dan de Wet bodembescherming. Voortaan dient de gemeente in de omgevingsvisie en in het omgevingsplan of het omgevingsprogramma aan te geven welke eisen worden gesteld aan de bodemkwaliteit binnen de gemeentegrenzen. De wijze waarop met historische verontreinigingen wordt omgegaan, is bepaald voor een groot deel bepaald in het Bal. De gemeente kan hierover ook regels opnemen in het omgevingsplan.
Overgangsrecht Wet bodembescherming (Wbb) Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er sprake van overgangsrecht van de Wbb (hoofdstuk 3 van Aanvullingswet bodem Omgevingswet) voor wanneer er bijvoorbeeld een locatie eerder onder de Wbb is beschikt als ernstig en spoedeisend of voor locaties waar vóór de inwerkingtreding nog een (deel)saneringsplan of BUS melding is ingediend. De Wbb blijft gelden totdat het besluit tot instemming met een evaluatieverslag of een nazorgplan onherroepelijk is geworden. Ook blijft de Wbb gelden voor de maatregelen of beperkingen, die in het evaluatieverslag of in het nazorgplan staan. De locatie valt dan (gedeeltelijk) onder het bevoegd gezag van de Wbb. In sommige situaties kunnen provincies hun bevoegdheid mandateren aan gemeenten. Voor locaties waarop het overgangsrecht niet van toepassing is, gelden onder de Ow de regels uit het Bal te weten milieubelastende activiteiten graven in de bodem (paragrafen 4.119 en 4.120 Bal) en het saneren van de bodem (paragraaf 4.121 Bal), eventueel aangevuld met maatwerkregels en/of regels die gaan over grondwaterkwaliteit uit de omgevingsverordening van de provincie. De provincie behoudt taken op het gebied van grondwaterkwaliteit, overgangsrechtlocaties en bevoegd gezag taken bodemkwaliteit op complexe bedrijven. De beschikte spoedgevallen vallen onder het overgangsrecht.
Ook voorschriften en beheersmaatregelen van Niet-spoed beschikkingen blijven van kracht. Hoe om te gaan met toevalsvondsten/nog niet eerder aangetroffen grondwaterverontreinigingen met een bodemcomponent is vooralsnog onduidelijk. Toetsingscriteria (met name voor freatisch grondwater) zijn nog niet vastgesteld. BKL voorziet wel in signaalwaarden (vergelijkbaar met de huidige interventiewaarden voor grondwater), echter deze dienen vastgelegd te worden in de omgevingsverordening van de provincie. Bevoegde gezagen Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is volgens artikel 2.3 van het Bal de gemeente bevoegd gezag voor de meeste milieubelastende activiteiten die met de bodem te maken hebben (zoals graven, saneren en toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie). Voor de gemeente zijn dit voor een deel nieuwe taken aangezien onder de huidige regelgeving graven en saneren valt onder de Wet bodembescherming waarvoor de provincies en 29 grotere gemeenten het bevoegd gezag zijn. In deze regio zijn dat Heerlen en Maastricht.
4.2.2
Besluit bodemkwaliteit onder de Omgevingswet Wanneer de Omgevingswet ingaat, komen een aantal onderdelen van het Besluit bodemkwaliteit (van vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet) in het Bal. Dit zijn regels voor het toepassen van bouwstoffen en grond en baggerspecie (plaatsgebonden regels) die zijn ingebouwd in regelgeving onder de Omgevingswet. In de paragrafen 3.2.25 en 3.2.26 van het Bal zijn deze activiteiten omschreven en gedefinieerd en in paragraaf 4.123 (toepassen bouwstoffen) en 4.124 (toepassen van grond of baggerspecie) van het Bal staan de betreffende regels en eisen. 35
Nota bodembeheer Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal projectnummer 0472570.100 2 december 2022 revisie 01
De andere bepalingen uit het Besluit bodemkwaliteit van vóór de Omgevingswet, de zogenaamde niet- plaatsgebonden regels, blijven – in een sterk uitgeklede versie - in het Besluit bodemkwaliteit onder de Omgevingswet. Het gaat om regels die zich richten tot de producent, importeur, transporteur, handelaar van bouwstoffen en de regels die zich richten tot degene die onderzoeken verrichten en milieuverklaringen afgeven voor bouwstoffen, grond en baggerspecie). Ook blijven de regels voor de kwaliteitsborging (voorheen kwalibo-regels genoemd) in het Besluit bodemkwaliteit onder de Omgevingswet.
4.3
Het generieke toepassingskader Bij het op landbodem toepassen van grond en baggerspecie is het uitgangspunt dat de bodem zijn functie duurzaam kan blijven vervullen. Vandaar ook dat in het Besluit bodemkwaliteit (en artikel 4.1272 van het Bal) de milieuhygiënische kwaliteit, van zowel een toe te passen partij grond (of baggerspecie) als van de ontvangende bodem, is gekoppeld aan de gebruiksfuncties van de bodem. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de functies c.q. klassen landbouw/natuur, wonen en industrie. Het Besluit bodemkwaliteit bevat landelijk geldende generieke regels voor het toepassen van grond en baggerspecie: Generieke bodemtoepassing; Verspreiden van baggerspecie; Tijdelijke uitname; Grootschalige bodemtoepassing; Tijdelijke opslag. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet valt tijdelijke uitname in het Bal onder de milieubelastende activiteit ‘graven in de bodem’ en valt tijdelijke opslag onder de milieubelastende activiteit ‘opslaan van grond of baggerspecie’. Generieke toepassingskader onder de Omgevingswet Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet was het generieke toepassingskader beschreven in hoofdstuk 4 van het Besluit bodemkwaliteit.
Met de ingang van de Omgevingswet gelden voor het toepassen van grond of baggerspecie algemene rijksregels en is het generieke toepassingskader niet meer beschreven in het Besluit bodemkwaliteit maar in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal, paragraaf 3.2.26 en 2.124).
4.3.1
Functionele en nuttige toepassing Het toepassen van grond en baggerspecie als bodem is alleen toegestaan indien sprake is van een functionele en nuttige toepassing zoals bedoeld in respectievelijk artikel 5 en artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit. Hiermee wordt bedoeld dat het om een toepassing moet gaan in een hoedanigheid en hoeveelheid die nodig is voor het functioneren van de betreffende toepassing. In artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit worden voorbeelden genoemd van wat onder een nuttige toepassing wordt verstaan. Aangezien een deel van deze toepassingen betrekking heeft op het toepassen in oppervlaktewater, zijn hieronder alleen de nuttige toepassingen weergegeven die zich binnen de regio (op landbodem) kunnen voordoen: Bouw- en wegconstructies (wegen, spoorwegen en geluidswallen); Ophoging van industrieterreinen, woningbouwlocaties en landbouw- en natuurgronden; Afdekken van saneringslocaties; Verspreiden van baggerspecie op het aan de watergang grenzende perceel; Tijdelijke opslag van grond en baggerspecie (voorafgaand aan het toepassen hiervan). Functionele toepassing onder de Omgevingswet Met inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft het toepassen van grond of baggerspecie, net als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, alleen toegestaan in een functionele 36
Nota bodembeheer Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal projectnummer 0472570.100 2 december 2022 revisie 01
toepassing. Deze functionele toepassingen staan in het tweede en derde lid van artikel 4.1269 van het Bal. Grond of baggerspecie wordt, voor zover de grond of baggerspecie een afvalstof is, alleen toegepast als sprake is van een nuttige toepassing als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Niet alleen de aanleg van een functionele toepassing, maar ook de instandhouding, het herstel, de verandering en de uitbreiding daarvan valt onder het toepassen van grond en baggerspecie.
4.3.2
Toepassen van sterk verontreinigde grond Hergebruik van sterk verontreinigde grond is onder het Bbk niet zondermeer toegestaan. Wanneer sprake is van een gebiedseigen diffuse verontreiniging, waarbij de gehalten boven de interventiewaarden liggen, maar er geen sprake is van het overschrijden van het saneringscriterium, kan de gemeente het herschikken van deze grond binnen het geval van bodemverontreiniging namelijk toestaan door hiervoor gebiedsspecifiek beleid op te stellen. Het herschikken binnen het saneringsgeval moet daarnaast in een saneringsplan worden beschreven. De wettelijke basis hiervoor ligt in de Wet bodembescherming en bij het desbetreffende bevoegde gezag. Toepassen van sterk verontreinigde grond onder de Omgevingswet Voor het toepassen van sterk verontreinigde grond geldt dat dit alleen mag plaatsvinden voor zover de grond of baggerspecie afkomstig is van een diffuus sterk verontreinigde locatie en deze grond of baggerspecie ook weer wordt toegepast op een diffuus sterk verontreinigde locatie binnen het bodembeheergebied (artikel 4.1273 van het Bal). In paragraaf 4.124 van het Bal zijn de specifieke voorwaarden en beperkingen opgenomen voor het stellen van maatwerkregels en maatwerkvoorschriften voor de kwaliteitseisen waaraan grond of baggerspecie bij het toepassen moeten voldoen.
De eisen kunnen worden verscherpt (bij behoefte aan meer bescherming) maar ook worden versoepeld. Het versoepelen van kan echter alleen als de grond of baggerspecie afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied (die wordt aangewezen in het omgevingsplan) en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast.
4.3.3
Afdeklagen In sommige verontreinigingssituaties wordt gekozen voor het afdekken van de bodemverontreiniging door een leeflaagconstructie. De leeflaag heeft in principe een dikte van 1 meter, waardoor contactrisico’s worden voorkomen. De grond of baggerspecie die wordt toegepast als leeflaag, dient voor wat betreft de kwaliteit overeen te komen met de omgevingskwaliteit, dat wil zeggen de ontgravingskwaliteit van de omliggende bodem. Hiertoe dient de bodemkwaliteitskaart geraadpleegd te worden. Afdeklagen onder de Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet moet een afdeklaag voldoen aan de eisen die in artikel 4.1241 van het Bal staan. De leeflaagconstructie moet een minimale dikte van 1,0 meter hebben en een kwaliteit die volgt uit artikel 4.1272 van het Bal (maatwerk is mogelijk). De kwaliteit van de afdeklaag komt overeen met de algemene kwaliteitseisen voor het toepassen van grond of baggerspecie op de landbodem. Dit houdt in dat de combinatie van de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem en de bodemfunctieklasse de toepassingseis bepaalt. De initiatiefnemer die toepast toont de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem aan met een milieuverklaring bodemkwaliteit. Dit kan met de bodemkwaliteitskaart, mits de bodemkwaliteitskaart door de gemeente is vastgesteld en de toepassingslocatie op de kaart is ingedeeld.
Als de gemeente geen bodemkwaliteitskaart heeft of de locatie daarop niet is ingedeeld, kan de initiatiefnemer de kwaliteitsklasse bepalen met een bodemonderzoek volgens NEN 5740. 37
Nota bodembeheer Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal projectnummer 0472570.100 2 december 2022 revisie 01
Bij het maken van een leeflaagconstructie gelden dezelfde kwaliteitseisen als voor het toepassen van grond of baggerspecie.
4.4
Gebiedsspecifieke toepassingskader Gebiedsspecifieke toepassingskader huidige stelsel Naast de generieke toepassingskaders biedt het Besluit bodemkwaliteit, lokale bodembeheerders, in het bijzonder de gemeenten, de mogelijkheid om gebiedsspecifiek beleid te formuleren. Onder het stelsel van de Omgevingswet wordt gebiedsspecifiek beleid maatwerk genoemd. Met gebiedsspecifiek beleid/maatwerk kan binnen een bepaald gebied extra ruimte worden gecreëerd voor de afzet van vrijkomende grond- en baggerstromen (door het vaststellen van zogenoemde lokale maximale waarden; zie figuur 4.2).
Figuur 4.2: Generiek versus gebiedsspecifiek beleid
De deelnemende gemeenten hebben gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. In deel 1 van deze Nota is het gebiedsspecifieke beleid nader uitgewerkt. Voor meer informatie en achtergronden over de verschillende toepassingskaders wordt verwezen naar de Handreiking Besluit bodemkwaliteit10. Gebiedsspecifieke toepassingskader onder de Omgevingswet Onder de Omgevingswet blijft de mogelijkheid om gebiedsspecifiek beleid voor de toepassing van grond en baggerspecie in de vorm van Lokale Maximale Waarden bestaan. Dit kan door middel van maatwerkregels in het omgevingsplan (artikel 4.1273). De specifieke voorwaarden en beperkingen voor het stellen van maatwerkregels en -voorschriften voor de kwaliteitseisen waaraan grond of baggerspecie moet voldoen, zijn beschreven in paragraaf 4.124 van het Bal. De mogelijkheden tot maatwerk zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.
Figuur 4.3: Mogelijkheden tot maatwerk toepassen grond, bagger en mijnsteen op landbodem onder de Omgevingswet
In paragraaf 4.124 van het Bal staat dat met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 4.1272 eerste en tweede lid, alleen wordt toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast. Een andere voorwaarde is dat met een maatwerkregel of 10
Uitgave van Bodem+, te downloaden via: https://www.bodemplus.nl/@132203/handreiking-bbk/ 38
Nota bodembeheer Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal projectnummer 0472570.100 2 december 2022 revisie 01
maatwerkvoorschrift het toepassen van grond of baggerspecie waarin een verontreinigde stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat de grond of baggerspecie volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde grond of baggerspecie moet worden aangemerkt, alleen is toegestaan indien: De toe te passen grond of baggerspecie is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof verontreinigd is; De grond of baggerspecie wordt toegepast op een locatie waar de bodem al voor het toepassen diffuus sterk met de stof verontreinigd was.
4.5
Toepassen op landbodem
4.5.1
Toepassen onder het huidige stelsel Indien geen gebiedsspecifiek beleid van toepassing is gelden de generieke regels uit het Besluit bodemkwaliteit. Dit generieke toepassingskader wordt beschreven in de artikelen 54 t/m 61 van het Bbk. Tevens is er landelijk beleid voor grootschalige toepassingen (toepassen van minimaal 5000 m3) en voor de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie. De procedure voor het melden is uitgewerkt in paragraaf 4.13 van deze Nota. De uitgangspunten van het generieke toepassingskader zijn: De milieuhygiënische kwaliteit van de toe te passen partij grond of baggerspecie moet geschikt zijn voor het gebruik van de ontvangende landbodem (de zogenoemde bodemfunctieklasse) én Door het toepassen van de partij grond of baggerspecie mag de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende bodem niet verslechteren. Voor zowel een toe te passen partij grond of baggerspecie als voor de ontvangende bodem wordt onderscheid gemaakt in drie kwaliteitsklassen: landbouw/natuur11, wonen en industrie. Deze klassen zijn weergegeven in figuur 4.4.
Figuur 4.4: Overzicht kwaliteitsklassen landbodem
Voor de maximale waarden van de klassen AW2000, wonen en industrie wordt uitgegaan van de normen in tabel 1 van bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit. Voor wat betreft het gebruik van de bodem heeft de gemeente een bodemfunctiekaart opgesteld. Op deze functiekaart is het huidige (en toekomstige) gebruik van de bodem aangegeven. Toepassen volgens het generieke kader betekent dat de toe te passen partij grond of baggerspecie moet worden getoetst aan zowel de kwaliteitsklasse als de functieklasse van de ontvangende bodem. In figuur 4.5 is de generieke bodemtoepassing grafisch weergegeven.
Dit zijn landelijk geldende achtergrondwaarden (AW2000) die de bovengrens aangeven voor wat in de dagelijkse praktijk 'schone grond' wordt genoemd. Deze achtergrondwaarden zijn vastgesteld op basis van gehalten zoals deze voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden. 39 11
Nota bodembeheer Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal projectnummer 0472570.100 2 december 2022 revisie 01
Figuur 4.5: Generieke bodemtoepassing
De kwaliteit van de ontvangende bodem en de functie die deze bodem vervult vallen niet altijd in dezelfde klasse. Omdat voor beide sprake moet zijn van stand-still, wordt de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie bepaald door de strengste van de twee klassen. In tabel 4.1 is van de diverse combinaties van kwaliteits- en functieklassen aangegeven wat dit betekent voor de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij. Tabel 4.1: Systematiek generiek toepassingskader
Bodemfunctieklasse (op kaart) Landbouw Landbouw Landbouw Natuur Natuur Natuur Wonen Wonen Wonen Industrie Industrie Industrie
Actuele bodemkwaliteit Achtergrondwaarden Wonen Industrie Achtergrondwaarden Wonen Industrie Achtergrondwaarden Wonen Industrie Achtergrondwaarden Wonen Industrie
Welke kwaliteit toepassen? Landbouw/Natuur Landbouw/Natuur Landbouw/Natuur Landbouw/Natuur Landbouw/Natuur Landbouw/Natuur Landbouw/Natuur Wonen Wonen Landbouw/Natuur Wonen Industrie
Uitgesloten gebieden Van een aantal gebieden binnen de deelnemende gemeenten is de kwaliteitsklasse van de ontvangende landbodem niet bekend (uitgesloten gebieden). Dit betekent dat voor iedere partij grond of baggerspecie die ter plaatse van deze locaties (generiek) wordt toegepast, de toepassingskaart niet als uitgangspunt voor de vereiste kwaliteitsklasse kan worden gehanteerd. Voor deze uitgesloten gebieden dient men zelf, aan de hand van tabel 4.1, de vereiste kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie te bepalen. Hiervoor dient allereerst de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem te worden vastgesteld. Vervolgens dient van de bodemfunctiekaart van de betreffende locatie de functieklasse te worden afgelezen. Voor die gevallen dat ook geen functieklasse bekend is, dient in overleg te worden getreden met de gemeente. Voor partijen grond of baggerspecie van de klasse AW2000 (= schone grond), is de bovengenoemde dubbele toetsing niet noodzakelijk, vanwege het feit dat deze kwaliteitsklasse vrij toepasbaar is. Lokaal onderzoek Een lokaal bodemonderzoek en een partijkeuring geven meer zekerheid over de milieuhygiënische kwaliteit, van respectievelijk de ontvangende bodem en een partij toe te passen grond, dan de bodemkwaliteitskaart.
Dit betekent dat wanneer op de locatie van herkomst en/of de locatie van toepassing een partijkeuring of een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd dat voldoet aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit, er geen gebruik mag worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart of toepassingskaart) als bewijsmiddel. In dat geval moet worden uitgegaan van de (eventueel afwijkende) kwaliteitsklasse van het lokaal uitgevoerde onderzoek en dient de vereiste kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie zo nodig te worden afgeleid uit tabel 4.1. 40
Nota bodembeheer Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal projectnummer 0472570.100 2 december 2022 revisie 01
Omgaan met bodemvreemd materiaal In het Besluit bodemkwaliteit is, in de definitie van grond en baggerspecie, een bovengrens van 20% (gewichtsprocent) gesteld aan het percentage bodemvreemd materiaal. Voor het toepassen van grond en baggerspecie met bodemvreemd materiaal is voor enkele van de deelnemende gemeenten op dit thema lokaal beleid opgesteld, zie paragraaf 2.5 van deze Nota.
4.5.2
Generieke vs. gebiedsspecifieke toepassingskaart De bodemkwaliteitskaart bevat twee typen toepassingskaarten: Generieke toepassingskaart (van de boven- en ondergrond). Gebiedsspecifieke toepassingskaart (van de boven- en ondergrond). Op beide toepassingskaarten is de kwaliteitsklasse aangegeven waar een partij grond of baggerspecie aan moet voldoen wanneer men deze op een bepaalde locatie binnen het beheergebied wil toepassen. De kwaliteitsklassen weergegeven op de generieke toepassingskaart volgen uit de ontgravingskwaliteit en de functieklasse van de ontvangende bodem. De strengste van beide klassen bepaalt uiteindelijk de kwaliteitsklasse waar een toe te passen partij grond of baggerspecie aan moet voldoen. Voor het toepassen van een partij grond of baggerspecie van buiten het beheergebied dient altijd de generieke toepassingskaart te worden gevolgd. Uitsluitend voor partijen grond die uit het beheergebied (zie paragraaf 1.6 van deze Nota) afkomstig zijn, kan de toepassingseisen op de gebiedsspecifieke toepassingskaart worden gevolgd. De gebiedsspecifieke toepassingskaart is een combinatie van de generieke toepassingskaart én de gebiedsspecifieke toepassingseisen zoals beschreven in de Nota. Deze kaart bevat daarmee dus de lokale normstelling meer die ruimte biedt aan afzet van grond afkomstig uit het eigen beheergebied.