20221018 10 RB Erfgoedverordening .pdf
Tekst van het document
Artikel9
Beslistermijn eninhoud aanwijzingsbesluit
In dit artikel wordt de termijn en inhoud van het aanwijzingsbesluit geregeld. Voorde termijn is aange sloten bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid). In het tweede lid is aangegeven welke gegevens het aanwijsbesluit minimaal moet bevatten.
Artikel10
Bekendmaking aanwijzingsbesluitaan rechthebbenden eninschrijving
De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louteradministratieve ver richting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke be perkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.
Artikel11
Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument
Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeolo gisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 2 pas ingeschakeld na de voorlopigeaanwijzing. De bescherming van paragraaf 4 geldt echter vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet eenvoudig omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt doorde opname in het erfgoedregister looptdeze bescherming door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt vervalt de bescherming.
Artikel12
Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument
Lid 1 Dit lid bepaalt dat het college gerechtigd is om ambtshalve wijzigingen kan aanbrengen in het erfgoedre gister. Het betreft name administratieve, taalkundige correcties en aanvullingen op de redengevende omschrijving, die geen gevolgen hebben voorde omvang van de bescherming. Lid 2 In dit lid is bepaald dat ophet schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde proceduregeldt als bij de aanwijzing daarvan. Wijzigingen of intrekking van de aanwijzing worden geregistreerd in het gemeentelijk erfgoedregister. Lid 3 Dit lid regelt dat de aanwijzing gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister. Limburg kent geen provinciale monumenten.
Paragraaf 4 Bescherminggemeentelijk erfgoed Artikel13
Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument
Dit artikel is voorgemeentelijke monumenten naar analogie met artikel 11, eerste lid, van de Monumen tenwet 1988 geschreven, zoals dat is gewijzigd doorartikel 10.18 van de Erfgoedwet, met inbegrip van de instandhoudingsplicht die daarbij is geïntroduceerd.
Artikel14
Omgevingsvergunning
A/gemeen De opbouwen inhoud van deze artikelen vertoont gelijkenis met het voormalige artikel 11 van de Mo numentenwet 1988 en thans met artikel 2.2 van de Wabo en is inhoudelijk gelijk aan de oudeverorde ning.
Pagina 16/19 Tot de inwerkingtreding van de Wabo was de vergunningverlening ten aanzien van gemeentelijke erf goed in handen van het college. Met het inwerking treden van de Wabo vindt de vergunning verlening plaats doorhet bevoegde gezag. In de meeste gevallen zal dat gewoon het college zijn. Bij samenloop van andere toestemmingen bestaat echter de mogelijkheid dat de beslissingsbevoegdheid bij de hogere overheid komt te liggen. Lid 2 Voornormaal onderhoud is geen vergunning nodig. In lid 2 sub a is expliciet aangegeven welke grenzen aan “normaal onderhoud” worden gesteld. In sub b is, analoog aan de regeling die geldt voorrijksmo nument, bepaald dat voorinpandige wijzigingen aan onderdelen die niet van monumentale waarde zijn geen vergunning nodig is.
Artikel15
Intrekken van devergunning
Dit lid bevat mogelijke intrekkingsgronden. Uiteraard kan dit van toepassing zijn als doorde aanvrager onvolledige of onjuiste informatie is verstrekt en het besluit is genomen op basis van de verkeerde informatie. De bepaling onder b heeft de volgende achtergrond. Als de omstandigheden bij de vergun ninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zouhet zo kunnen zijn dat, als er een nieuwe belangenafweging zou plaatsvinden, aan de cultuurhistorische belangen van het monument prioriteit dient te worden gegeven boven de belangen van de vergunninghouder. In dat geval dient het bevoegd gezag (meestal het college) de mogelijkheid te hebben de vergunning in te trekken.
Artikel16
Weigeringsgronden
In het eerste lid ligt opgrond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het tweede lid is voorwat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo. Dit geldt overigens alleen als de wijzigingen betrekking hebben opreligieuze aspecten.
Paragraaf 5 Rijksmonumenten Artikel17
Adviesomgevingsvergunning rijksmonument
In artikel 15 van de Monumentenwet 1988 is bepaald dat de gemeenteraad een verordening vaststelt waarin ten minste de inschakeling wordt geregeld van een commissie ophet gebied van de monumen tenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit artikel is in feite de grondslag voordeze verordening. De commissie op het gebied van monumentenzorg is in deze gemeente op dit moment de Monumentencommissie Mergelland, die na inwerkingtreding van de Omgevingswet zal worden opgevolgddoorde Gemeentelijke adviescommissie Mergelland. Vaste jurisprudentie leert dat er altijd een advies van de Adviescommissie Welstand en Erfgoed moet zijn. De vergunning kan dus niet worden geweigerd of afgegeven zonder dit advies.
Paragraaf 6 Gemeentelijke stads-of dorpsgezichten Artikel18 Aanwijzing als beschermdgemeentelijk stads-endorpsgezicht Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stads- ofdorpsgezichten aan te wijzen, die vervolgens krachtens het bestemmingsplan moeten worden beschermd. Dit is vergelijk baar met de thans nog geldende artikelen 35 en 36 van de voormalige Monumentenwet 1988. In de eerdere erfgoedverordening was deze mogelijkheid ookreeds opgenomen. In de toekomstzal de aan wijzing van stads- of dorpsgezichten worden geregeld via het Omgevingsplan.
Artikel19
Wijziging, intrekkingenvervallen van deaanwijzing als beschermdgemeente lijkestads - of dorpsgezicht
Dit artikel is synchroon aan artikel 12. Het bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als beschermd gemeentelijke stads- of dorpsgezicht dezelfde proceduregeldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing
Pagina 17/19 vervalt zodra het stads- ofdorpsgezicht waaropde aanwijzing betrekking doorde minister aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan wijzigingen i.v.m. de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers.
Artikel20
Verbodsbepaling enaanvraag vergunning
Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo geeft gemeente de mogelijkheid om op basis van hun verordening het slopen in een beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht aan een omgevingsvergunning te onderwerpen. Daaraan is hier uitvoering gegeven.
Paragraaf 7 Archeologie Artikel21 VangnetArcheologie Lid 1 Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting bij het bestem mingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waaropmet de in het gebied aanwezige cultuurhistorischewaarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is ge houden. Met de invoering van deze verplichting is de bescherming archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. Er zijn echter nog bestemmingsplannen van kracht van vóórde invoering van deze eisen. Om, mede gelet opde verplichtingen van het Verdrag van Malta, ookvoorde gronden waar deze ‘oude’ bestemmingsplannen nog gelden de bescherming van archeologische waarden te verzekeren, is dit artikel opgenomen. De strekking van dit artikel is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord,tenzij daaraan aandacht is besteed die ge lijkwaardig is aan waartoe artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht, doormiddel van de verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning ofeigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen.
Lid 1 subc: Voorwat de doorburgemeester en wethouders vastgesteld regels, zullen de regels worden gehanteerd die in de Erfgoedverordening 2013 en de onderliggende beleidskaart (“Archeologische monumenten en verwachtingskaart en archeologische beleidskaart voordegemeente Eijsden-Margraten", RAAPrapport4334 d.d. 1 november 2012) zijn opgenomen. Lid 2 Voorwat betreft nadere regels vooronderzoek worden de uitgangspunten van de Kwaliteitsnorm Ne derlandse Archeologie (KNA) gehanteerd, welke ookzijn toegepastin het kader van de Erfgoedveror dening 2013, die thans komt te vervallen.
Paragraaf 8 Handhaving entoezicht Artikel22
Strafbepaling
Deze strafbepaling is uitsluitend voorovertreding van de instandhoudingsplicht van artikel 13 en de nadere regels krachtens artikel 14, derde lid, noodzakelijk. De strafbaarstelling van handelen zonder of in strijd met de voorschriften van de omgevingsvergunning voorgemeentelijke monumenten is via de Wabo en de Wet opde economische delicten (artikel 1a) geregeld. Langs deze weg is ookovertreding van de artikelen 15 en 21, eerste lid, van deze verordening strafbaar. Voorzover overtredingen van de verordening niet zijn geregeld via de Wet economische delicten (Wed) bestaat de mogelijkheid opgrond van overtredingen te sanctioneren opgrond van artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet. Dit artikel met strafbepaling vormt dus het vangnet vooroverige niet omgevingsvergunning gerelateerde overtredin gen.
Artikel23
Toezichthouders
In dit artikel worden toezichthouders aangewezen. Het aanwijzen van toezichthouders geschiedt door het college. Deze aanwijzingsbevoegdheid staat los van de vergunning- verlening en valt daarom buiten het bereik van de Wabo. De basis voordeze aanwijzing- bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk5 van de Awb, waarin algemene regels worden gegeven voorde bestuursrechtelijke handhaving van al gemeen geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht opde naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift, zodat
Pagina 18/19 de aanwijzing van toezichthouders daarom in de Erfgoedverordening kan plaatsvinden. In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voorzover dit redelijkerwijs voorde vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voorde vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het voorschrift opde naleving waarvan een toezichthouder moet toezien. Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder toestem ming van de bewoner. 'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere terrei nen, maar ookgebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeid dat het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ookniet te doen aange zien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij verordening aangewezen toezicht houders ookopsporingsbevoegdheid toekomt.
Deze buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheidvooreen beperkt aantal strafbare feiten.
Paragraaf 9 Slotbepalingen Artikel24
Intrekken ouderegeling
Dit artikel regelt de intrekking van de oudeverordening, zodat niet twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Om geen hiaten te laten ontstaan, vervalt de oudeverordening ophet moment dat de nieuwe verordening in werking treedt.
Artikel25
Overgangsrecht
In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke gevolgen de intrekking moet hebben voorop die regeling gebaseerde beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing van gemeentelijk erfgoed en de vergunning verlening. In het eerste lid worden de op grond van de oudeverordening opde gemeentelijke erfgoedlijst voorkomende objecten geacht te zijn aangewezen en geregistreerd in overeenstemming met deze nieuwe verordening. In het tweede lid is geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voorgemeentelijk erfgoed, die zijn ingediend vóórhet van kracht worden van deze verordening, worden afgehandeld opgrond van de oudeverorde ning.
Artikel26
Inwerkingtreding enciteerregel
Lid 1 De verordening wordt na vaststelling zo spoedigdoorpublicatie opde gebruikelijke wijze mogelijk be kend gemaakt. Op grond van artikel 142 van de Gemeentewet moet de bekendmaking ten minste acht dagen voorinwerkingtreding plaatsvinden indien in deze verordening geen ander tijdstip is aangewezen. Om deze reden treedt de verordening acht dagen na bekendmaking in werking. Lid 2 Dit artikellid noemt de naam van de verordening.
Pagina 19/19
Formulieralgemene informatie Vastgesteld door:
Gemeenteraad van Eijsden-Margraten
Officiële naam van de verordening:
Erfgoedverordening Eijsden-Margraten
2022
Citeertitel van de verordening:
Erfgoedverordening Eijsden-Margraten
2022
Publiceertitel
Verordening van Eijsden-Margraten dening Eijsden-Margraten 2022
Onderwerp van de verordening:
Aanwijzing en bescherming van: gemeentelijke monumenten, gemeentelijke archeologische monumenten gemeentelijke stads- en dorpsgezichten
Wettelijke grondslag:
-
Afdelingscode:
houdende de Erfgoedveror
Gemeentewet titel 4.2 van de Algemene Wet Bestuursrecht, artikelen 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet gelezen in samenhang met artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
Beleid Algemeen
Registratienummer van de veror dening: Registratienummer collegevoor stel: Beleidsonderwerp
Erfgoed
Datum inwerkingtreding:
8 dagen na publicatie
Datum terugwerkende kracht (t/m) (indien van toepassing
Nee
Datum besluit/ondertekening: Geldig voorbepaalde duur: (ja/nee)
Nee
Algemeen verbindend voorschrift? Ja
de verordening treedt in de plaats van:
De Erfgoedverordening Eijsden-Margraten
Registratienummer vorige verorde ning:
Onderstaande gegevens nietzelfinvullen. Datum besluit intrekking: Datum publicatie intrekking: Datum inwerkingtreding
intrekking
2013